Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende voorlopige rechtsbijstand voor verdachten en beklaagden wie de vrijheid is ontnomen en rechtsbijstand in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel /* COM/2013/0824 final - 2013/0409 (COD) */
TOELICHTING 1. ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL 1. Dit voorstel voor een
richtlijn van het Europees Parlement en de Raad is erop gericht
gemeenschappelijke minimumnormen vast te stellen met betrekking tot het recht
van verdachten en beklaagden in strafprocedures op voorlopige rechtsbijstand
wanneer hun de vrijheid is ontnomen en op voorlopige rechtsbijstand en
rechtsbijstand voor personen tegen wie een procedure loopt krachtens
Kaderbesluit 2002/584/JBZ betreffende het Europees aanhoudingsbevel
("gezochte personen"). 2. Het programma van Stockholm[1] legde sterk de nadruk
op het versterken van de rechten van het individu in strafprocedures. In punt 2.4
van dit programma verzocht de Europese Raad de Commissie om voorstellen in te
dienen voor een stapsgewijze verbetering van de rechten van verdachten en
beklaagden door middel van gemeenschappelijke minimumnormen voor het recht op
een eerlijk proces. De maatregelen betreffen speciale procedurele rechten voor
verdachten en beklaagden die volgens zowel de lidstaten als belanghebbenden
door actie op het niveau van de EU moeten worden versterkt en dus als een
bouwsteen voor een heel bouwwerk moeten worden beschouwd. 3. Er zijn al drie maatregelen
vastgesteld, te weten: Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de
Raad betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures[2] (oktober 2010), Richtlijn 2012/13/EU van het
Europees Parlement en de Raad betreffende het recht op informatie in
strafprocedures[3]
(mei 2012) en Richtlijn 2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad
betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in
procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een
derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden
en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbenemingen[4](oktober 2013).
Maatregelen inzake de bescherming van kwetsbare verdachten of beschuldigden in
strafprocedures worden met het onderhavige initiatief gepresenteerd als een
pakket, samen met een richtlijn betreffende de versterking van bepaalde
aspecten van het vermoeden van onschuld en het recht om in strafprocedures bij
het proces aanwezig te zijn, die deel uitmaken van de onderliggende beginselen
inzake het recht op een eerlijk proces. 4. Net als de bovenvermelde
maatregelen heeft ook dit voorstel tot doel de rechten van verdachten en
beklaagden in strafprocedures te verbeteren. Gemeenschappelijke
minimumvoorschriften inzake deze rechten moeten het wederzijdse vertrouwen
tussen rechterlijke autoriteiten vergroten en zo de toepassing van het beginsel
van wederzijdse erkenning bevorderen. Een zekere mate van compatibiliteit
tussen de wetgeving van de lidstaten is cruciaal om de justitiële samenwerking
in de EU te verbeteren. 5. Het voorstel is gebaseerd op
artikel 82, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
Dit artikel bepaalt het volgende: "[v]oor zover nodig ter bevordering van
de wederzijdse erkenning van vonnissen en rechterlijke beslissingen en van de
politiële en justitiële samenwerking in strafzaken met een grensoverschrijdende
dimensie, kunnen het Europees Parlement en de Raad volgens de gewone
wetgevingsprocedure bij richtlijnen minimumvoorschriften vaststellen. In die
minimumvoorschriften wordt rekening gehouden met de verschillen tussen de
rechtstradities en rechtsstelsels van de lidstaten. Deze
minimumvoorschriften hebben betrekking op: (a) de wederzijdse
toelaatbaarheid van bewijs tussen de lidstaten; (b) de rechten
van personen in de strafvordering; (c) de rechten van
slachtoffers van misdrijven; (d)(…)”. 6. Het onderhavige voorstel
houdt nauw verband met Richtlijn 2013/48/EU betreffende het recht op toegang
tot een advocaat en is erop gericht het recht op toegang tot een advocaat waarin
die richtlijn voorziet, voor verdachten en beklaagden wie de vrijheid is
ontnomen in de eerste fase van de procedure effectiever te maken en ervoor te
zorgen dat personen die in het kader van een procedure ter uitvoering van een
Europees aanhoudingsbevel worden gezocht, toegang tot rechtsbijstand hebben
zodat het recht op toegang tot een advocaat in zowel de uitvoerende als de
uitvaardigende lidstaat is gewaarborgd ("recht op duale
verdediging"). 7. De Commissie presenteert een
evenwichtig pakket maatregelen, dat rekening houdt met de verschillen tussen de
rechtstradities en de rechtsstelsels van de lidstaten, zoals bepaald in artikel
82, lid 2, VWEU en neemt de maatregelen die nodig zijn om het wederzijds
vertrouwen te bevorderen met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel
(artikel 5 VEU). Er is zorgvuldig gekeken of er maatregelen door de EU genomen
zouden moeten worden en zo ja, op welk niveau en in welke vorm. Dat voorzichtig
te werk moet worden gegaan, is met name in een periode van begrotingsconsolidatie,
waarin de gevolgen qua kosten zorgvuldig moeten worden gewogen, duidelijk. 8. Er is vastgesteld dat de
aspecten inzake rechtsbijstand in strafprocedures die in deze richtlijn aan de
orde komen, zeer belangrijk zijn om de rechten die in de richtlijn betreffende
de toegang tot een advocaat zijn neergelegd, aan te vullen en de
doeltreffendheid daarvan te verzekeren en om het wederzijds vertrouwen in
strafrechtstelsels te verbeteren. 9. Het recht op rechtsbijstand
in strafprocedures is neergelegd in artikel 47, derde alinea, van het Handvest
en in artikel 6, lid 3, onder c), EVRM. Het is ook erkend in artikel 14, lid 3,
onder d), van het IVBPR. De fundamentele beginselen waarop een
rechtsbijstandsstelsel zou moeten worden gebaseerd, zijn vermeld in de
"Principles and Guidelines on Access to Legal Aid in Criminal Justice
Systems" (Beginselen en richtsnoeren betreffende de toegang tot
rechtsbijstand in strafrechtsstelsels) van de Verenigde Naties, die op 20
december 2012 door de Algemene Vergadering werden goedgekeurd. 10. Juist in de vroege fase van de
procedure zullen verdachten en beklaagden, met name wanneer hun vrijheid is
ontnomen, het meest kwetsbaar zijn en het meest behoefte hebben aan
rechtsbijstand door een advocaat. Daarom zijn er in de richtlijn bepalingen
opgenomen over zogenoemde "voorlopige rechtsbijstand", die een
belangrijke toegevoegde waarde heeft en voor een groter wederzijds vertrouwen
in elkaars strafrechtstelsels zorgt.[5]
11. Hoewel verdachten en beklaagden
in strafprocedures in alle lidstaten toegang tot rechtsbijstand hebben, blijkt
bovendien dat gezochte personen in een procedure ter uitvoering van een
Europees aanhoudingsbevel in de lidstaten niet altijd toegang tot
rechtsbijstand hebben. Dit belemmert de uitoefening van het recht waarin de
richtlijn betreffende het recht op toegang tot een advocaat voorziet, met
andere woorden de toegang tot een advocaat in zowel de uitvoerende als de
uitvaardigende lidstaat. Bovendien strekken de in artikel 6 EVRM neergelegde
rechten, waaronder het recht op rechtsbijstand, zich niet uit tot
uitleveringsprocedures. Om het wederzijds vertrouwen te vergroten en ervoor te
zorgen dat het recht op duale verdediging in procedures ter uitvoering van een
Europees aanhoudingsbevel daadwerkelijk kan worden uitgeoefend, verplicht de
richtlijn de lidstaten er ook toe om naast de voorlopige rechtsbijstand ook
toegang tot rechtsbijstand te verschaffen, aangezien de gezochte personen niet
altijd de vrijheid is ontnomen. 12. Deze maatregel gaat vergezeld
van een aanbeveling van de Commissie betreffende het recht op rechtsbijstand
voor verdachten en beklaagden in strafprocedures. De aanbeveling streeft naar
een bepaalde mate van convergentie in de lidstaten wat betreft de beoordeling
of iemand voor rechtsbijstand in aanmerking komt en wil ook de lidstaten
aansporen tot maatregelen ter verbetering van de kwaliteit en de
doeltreffendheid van diensten en administratie op het gebied van
rechtsbijstand. 13. Het onderhavige voorstel zal
ook bijdragen tot de versterking van de wettelijke waarborgen ter bescherming
van personen waartegen het Europees Openbaar Ministerie een procedure heeft
aangespannen. Het onlangs aangeboden voorstel voor een verordening van de Raad[6] maakt duidelijk dat de
verdachte alle door de EU-wetgeving toegekende rechten heeft alsook andere,
rechtstreeks op het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
gebaseerde rechten, die in overeenstemming met het toepasselijke nationale
recht moeten worden toegepast. Het voorstel voor de verordening verwijst
expliciet naar het recht op rechtsbijstand en door strengere normen voor
rechtsbijstand in te voeren, versterkt het onderhavige voorstel ook de
procedurele waarborgen die van toepassing zijn in de procedures van het
Europees Openbaar Ministerie. 14. Het recht op een doeltreffende
voorziening in rechte, het recht op een eerlijk proces en het recht van
verdediging zijn verankerd in de artikelen 47 en 48 van het Handvest van de
grondrechten van de Europese Unie (EU-Handvest) en in artikel 6 van het Europees
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM). Het recht op
rechtsbijstand, dat wil zeggen het recht op kosteloze of gedeeltelijk kosteloze
bijstand in strafprocedures door een advocaat, is expliciet erkend als een
integraal onderdeel van het recht op een eerlijk proces en de rechten van de
verdediging. Artikel 47, lid 3, van het Handvest bepaalt het volgende:
"Rechtsbijstand wordt verleend aan diegenen die niet over toereikende
financiële middelen beschikken, voor zover die bijstand noodzakelijk is om de
daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen." Artikel 6, lid 3,
onder c), EVRM bepaalt dat een ieder tegen wie een vervolging wegens een
strafbaar feit is ingesteld, het recht heeft "zich zelf te verdedigen of
daarbij de bijstand te hebben van een raadsman naar eigen keuze of, indien hij
niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te bekostigen, kosteloos
door een toegevoegd advocaat te kunnen worden bijgestaan, indien de belangen
van een behoorlijke rechtspleging dit eisen". Daadwerkelijke toegang tot
juridische vertegenwoordiging is van essentieel belang om te zorgen voor de
eerbiediging van het vermoeden van onschuld en de rechten van de verdediging
die in artikel 49 van het Handvest worden genoemd. 2. RESULTATEN VAN DE RAADPLEGING
VAN BELANGHEBBENDE PARTIJEN EN EFFECTBEOORDELINGEN 15. In maart 2009 werd een
tweedaagse bijeenkomst van deskundigen georganiseerd, die aan procedurele
rechten was gewijd, waaronder het recht op rechtsbijstand. Tijdens een
bijeenkomst op 3 juni 2013 werden alle betrokken lidstaten geraadpleegd op een
deskundigenvergadering. De lidstaten hadden de Commissie eerder, tijdens een
bijeenkomst van de Raad in juni 2012, opgeroepen om zo snel mogelijk een
wetgevingsvoorstel betreffende rechtsbijstand in te dienen[7]. Tijdens zijn
oriënterende stemming van 12 juli 2012 over de richtlijn betreffende de toegang
tot een advocaat riep het Europees Parlement de Commissie op om een voorstel in
te dienen met betrekking tot rechtsbijstand. 16. In december 2011 organiseerde
het Poolse voorzitterschap, in samenwerking met de Europese Commissie, de Raad
van de balies van de Europese Unie en de Europese Rechtsacademie een tweedaagse
conferentie over rechtsbijstand in strafzaken. Deze conferentie bood
deskundigen met een gevarieerde achtergrond – rechtsbeoefenaars, rechters,
officieren van justitie, academici en vertegenwoordigers van EU-organen,
non-gouvernementele organisaties en de Raad van Europa, de mogelijkheid om
standpunten en ervaringen uit te wisselen en om de problemen en de mogelijke
inhoud van een toekomstige maatregel te bespreken. 17. Bij diverse gelegenheden
werden belanghebbenden geraadpleegd. De Commissie heeft regelmatig bilateraal
contact gehad met een aantal non-gouvernementele organisaties en andere belanghebbenden
en verschillende non-gouvernementele organisaties wisselden bijdragen uit met
de Commissie met het oog op de toekomstige maatregelen[8]. 18. In het kader van een studie
voor de effectbeoordeling werd ervoor gezorgd de ministeries van Justitie van
de lidstaten, belangenorganisaties in de lidstaten, ordes van advocaten en
raden voor rechtsbijstand er zoveel mogelijk bij te betrekken. Er vonden
diepgaande gesprekken plaats met advocaten bij ordes van advocaten, en
vertegenwoordigers van belangenorganisaties en ministeries van Justitie in alle
lidstaten. Bovendien werden er in een aantal lidstaten focusgroepen
georganiseerd, waarin vertegenwoordigers van ministeries van Justitie, ordes
van advocaten, academici, justitieel personeel en belangenorganisaties elkaar
ontmoetten. Bovendien werd er een online-raadpleging gehouden voor
rechtsbijstandverleners in de lidstaten. 19. De Commissie heeft ter
onderbouwing van haar voorstel een effectbeoordeling uitgevoerd. Het verslag
van de effectbeoordeling is beschikbaar op: http://ec.europa.eu/governance. 3. JURIDISCHE ELEMENTEN VAN HET
VOORSTEL Artikel 1 – Onderwerp 20. De richtlijn heeft als doel
ervoor te zorgen dat verdachten en beklaagden in strafprocedures wie de
vrijheid is ontnomen en personen tegen wie een procedure ter uitvoering van een
Europees aanhoudingsbevel loopt, toegang tot rechtsbijstand hebben zodat zij
hun recht op toegang tot een advocaat waarin de richtlijn betreffende de
toegang tot een advocaat voorziet, daadwerkelijk kunnen uitoefenen. Artikel 2 - Toepassingsgebied 21. De richtlijn is van toepassing
op verdachten en beklaagden wie de vrijheid is ontnomen. Zij is van toepassing
vanaf de vrijheidsbeneming, dat wil zeggen vanaf het moment dat iemand in
verzekering wordt gesteld of een overeenkomstige detentie ondergaat, hetgeen
ook de periode omvat die aan de formele tenlastelegging en de arrestatie vooraf
gaat. Dit weerspiegelt de rechtspraak van het EHRM over artikel 5, lid 1, EVRM. 22. De richtlijn is ook van
toepassing op gezochte personen in een procedure ter uitvoering van een
Europees aanhoudingsbevel. In dergelijke situaties is de richtlijn van
toepassing vanaf de arrestatie in de uitvoerende lidstaat tot de overlevering,
dan wel, wanneer er geen overlevering plaatsvindt, tot het besluit inzake
overlevering definitief geworden is. Artikel 3 Definities 23. Onder rechtsbijstand wordt
verstaan de financiering en bijstand door de lidstaat waardoor de
daadwerkelijke uitoefening van het recht op toegang tot een advocaat
gewaarborgd is. Rechtsbijstand omvat de kosten van de verdediging, zoals de
kosten van een advocaat en andere proceskosten, zoals griffierechten. 24. Onder voorlopige
rechtsbijstand wordt de rechtsbijstand verstaan die aan een persoon wie de
vrijheid is ontnomen, wordt verleend totdat het besluit over de rechtsbijstand
is genomen. Artikel 4 – Toegang tot voorlopige
rechtsbijstand 25. In de eerste fasen van de
procedure zijn verdachten en beklaagden bijzonder kwetsbaar en is toegang tot
een advocaat van het grootste belang om het recht op een eerlijk proces te
vrijwaren, waarvan onder meer het recht om niet aan de eigen veroordeling mee
te werken, deel uitmaakt[9].
Artikel 6 EVRM vereist dat een verdachte in principe toegang tot rechtsbijstand
moet worden geboden vanaf het moment waarop hij in verzekering wordt gesteld of
in voorlopige hechtenis wordt genomen en dat deze bijstand zo nodig officieel
wordt toegekend[10].
26. Op grond van de richtlijn
inzake toegang tot een advocaat hebben verdachten of beklaagden onder meer
recht op toegang zonder onnodig uitstel tot een advocaat nadat hun de vrijheid
is ontnomen en voordat zij worden verhoord. Willen verdachten of beklaagden wie
de vrijheid is ontnomen, hun recht op toegang tot een advocaat in de eerste
fasen van de procedure daadwerkelijk kunnen uitoefenen, dan kan het niet zo
zijn dat zij op die toegang moeten wachten zolang het verzoek om rechtsbijstand
wordt verwerkt en beoordeeld wordt of de criteria om voor rechtshulp in
aanmerking te komen, zijn vervuld, hetgeen lang kan duren. Lidstaten moeten er
daarom voor zorgen dat er na de vrijheidsbeneming en voordat tot enig verhoor
wordt overgegaan, onverwijld toegang tot voorlopige rechtsbijstand is. 27. Daartoe moeten de lidstaten
ervoor zorgen dat er procedures of mechanismen voorhanden zijn, bijvoorbeeld
piketregelingen of spoeddiensten op het gebied van verdediging, waardoor het
mogelijk is om op korte termijn op politiebureaus of in detentiecentra te
interveniëren zodat het recht op voorlopige rechtsbijstand en onverwijlde
toegang tot een advocaat na de vrijheidsbeneming en voordat er enig verhoor
plaatsvindt, daadwerkelijk kan worden uitgeoefend. 28. Het recht op toegang tot een
advocaat houdt een aantal rechten in voor verdachten of beklaagden, zoals
bepaald in artikel 3, lid 3, van Richtlijn 2013/48/EU betreffende het recht op
toegang tot een advocaat, zoals het recht de advocaat onder vier ogen te
ontmoeten en met hem te communiceren, het recht op aanwezigheid van de advocaat
bij het verhoor van de verdachte of beklaagde en op daadwerkelijke deelname aan
dat verhoor door de advocaat en het recht om de advocaat bepaalde procedures
voor het vergaren van bewijsmateriaal te laten bijwonen. Lidstaten kunnen
praktische regelingen treffen met betrekking tot de uitoefening van het recht
op toegang tot een advocaat, bijvoorbeeld wat betreft de duur en de frequentie
van de communicatie met de advocaat, en de uitoefening van dat recht kan dus
tot op zekere hoogte worden beperkt, mits deze beperkingen de essentie van dat
recht onverlet laten. Het recht op voorlopige rechtsbijstand moet worden
geboden voor zover dat voor de daadwerkelijke uitoefening van het recht op
toegang tot een advocaat noodzakelijk is en een eventuele beperking mag
verdachten of beklaagden niet beletten hun rechten daadwerkelijk uit te
oefenen. 29. Het recht op voorlopige
rechtsbijstand dient ten minste van kracht te zijn totdat de bevoegde
autoriteit definitief heeft besloten of de verdachte of beklaagde voor bijstand
in aanmerking komt en deze ook krijgt. Wanneer het verzoek om rechtsbijstand
geheel of gedeeltelijk wordt afgewezen, eindigt het recht op voorlopige
rechtsbijstand wanneer dit besluit definitief is geworden en er geen
mogelijkheid tot bezwaar of beroep meer is. Wanneer het verzoek om
rechtsbijstand wordt ingewilligd, eindigt het recht op voorlopige
rechtsbijstand wanneer er daadwerkelijk sprake van rechtsbijstand is en, indien
van toepassing, de benoeming van de pro-deo-advocaat van kracht is. In
dergelijke gevallen moeten de lidstaten ervoor zorgen dat de verdachte of
beklaagde steeds vertegenwoordigd is. 30. Het recht op voorlopige
rechtsbijstand is ook van toepassing op gezochte personen in een procedure ter
uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel wie de vrijheid is ontnomen.
Dergelijke personen moeten recht op daadwerkelijke voorlopige rechtsbijstand
hebben vanaf de vrijheidsbeneming in de uitvoerende lidstaat en minstens totdat
de bevoegde autoriteit het rechtsbijstandsverzoek heeft behandeld en heeft
bepaald of de verzoeker voor rechtsbijstand in aanmerking komt en, indien van
toepassing, de benoeming van de pro-deo-advocaat van kracht is geworden. 31. De lidstaten kunnen in hun
nationale wetgeving bepalen dat de vergoeding van de kosten in verband met
voorlopige rechtsbijstand naderhand teruggevorderd kan worden van de verdachte,
beklaagde of gezochte persoon, wanneer deze na de definitieve beslissing over
het rechtsbijstandsverzoek niet of slechts gedeeltelijk voor rechtsbijstand in
aanmerking komt krachtens de rechtsbijstandsregeling van de lidstaat. Artikel 5 – Rechtsbijstand voor gezochte
personen 32. De lidstaten moeten ervoor
zorgen dat gezochte personen in een procedure ter uitvoering van een Europees
aanhoudingsbevel recht op toegang tot een advocaat in de uitvoerende lidstaat
hebben wanneer zij op grond van een Europees aanhoudingsbevel worden
aangehouden tot de overlevering, of, wanneer er geen overlevering plaatsvindt,
tot het besluit inzake overlevering definitief geworden is. 33. Teneinde te waarborgen dat het
recht om, overeenkomstig artikel 10 van Richtlijn 2013/48/EU betreffende het
recht op toegang tot een advocaat, in de uitvaardigende lidstaat een advocaat
aan te wijzen om de advocaat in de uitvoerende lidstaat bij te staan,
daadwerkelijk kan worden uitgeoefend, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat er
in de uitvaardigende lidstaat een recht op toegang tot een advocaat is voor
gezochte personen die dit recht op toegang tot een advocaat uitoefenen met het
oog op de procedure ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel in de
uitvoerende lidstaat. 34. Het recht op rechtsbijstand in
de uitvoerende en de uitvaardigende lidstaat kan afhankelijk zijn van een
beoordeling van de middelen van de gezochte persoon en/of de beoordeling of het
in het belang van de rechtspleging is rechtsbijstand te verlenen,
overeenkomstig de in de betreffende uitvoerende of uitvaardigende lidstaat
toepasselijke criteria om voor rechtsbijstand in aanmerking te komen. 35. In de periode die voorafgaat
aan de definitieve beslissing of de verzochte persoon in de uitvoerende
lidstaat rechtsbijstand wordt verleend, hebben gezochte personen wie de
vrijheid is ontnomen echter recht op voorlopige rechtsbijstand in de
uitvoerende lidstaat overeenkomstig artikel 3 van deze richtlijn. Artikel
6 – Verstrekking van gegevens 36. Om de doelmatigheid en
doeltreffendheid van deze richtlijn te controleren en te evalueren, is het
noodzakelijk dat de lidstaten betrouwbare informatie verzamelen over de
uitoefening van het recht op voorlopige rechtsbijstand in artikel 3 en over de
uitoefening van het recht op rechtsbijstand voor gezochte personen in artikel 4.
Artikel
7 - Non-regressieclausule 37. Dit artikel moet ervoor zorgen
dat de vaststelling van gemeenschappelijke minimumnormen overeenkomstig deze
richtlijn niet leidt tot minder strenge normen in bepaalde lidstaten en dat de
normen die in het Handvest en in het EVRM zijn vastgesteld, gehandhaafd
blijven. Aangezien deze richtlijn voorziet in minimumnormen blijft het de
lidstaten geheel vrijstaan om normen vast te stellen die strenger zijn dan die
in deze richtlijn. Artikel 8
– Omzetting 38. Dit artikel bepaalt dat de
lidstaten de richtlijn uiterlijk op [18 maanden na de bekendmaking ervan] ten
uitvoer moeten leggen en uiterlijk op diezelfde datum aan de Commissie de tekst
moeten toezenden van de bepalingen waarmee de richtlijn in hun nationale recht
wordt omgezet. Artikel
9 – Inwerkingtreding 39. Dit artikel bepaalt dat de
richtlijn in werking treedt op de twintigste dag volgende op die van haar
bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
5. SUBSIDIARITEITSBEGINSEL 40. De doelstelling van dit
voorstel kan niet voldoende door de lidstaten alleen worden verwezenlijkt,
aangezien het recht op voorlopige rechtsbijstand voor verdachten of beklaagden
wie de vrijheid is ontnomen en voor gezochte personen, per lidstaat aanzienlijk
verschilt. Aangezien het voorstel het wederzijdse vertrouwen moet bevorderen,
kan alleen een EU-optreden zorgen voor de vaststelling van samenhangende
gemeenschappelijke minimumnormen die in de gehele Europese Unie van kracht
zijn. Het voorstel zal de wetgeving van de lidstaten met betrekking tot
voorlopige rechtsbijstand in strafprocedures en rechtsbijstand in procedures
ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel op elkaar afstemmen. Het
voorstel is derhalve in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel. 6. Evenredigheidsbeginsel 41. Overeenkomstig het
evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan wat nodig is om de
relevante doelstellingen te verwezenlijken. Er is zorgvuldig gekeken of er
maatregelen door de EU genomen zouden moeten worden en zo ja, op welk niveau en
in welke vorm. De richtlijn regelt alleen aspecten inzake rechtsbijstand in
strafprocedures waarvan is vastgesteld dat zij essentieel zijn om de rechten
die in de richtlijn betreffende de toegang tot een advocaat zijn neergelegd,
aan te vullen en de doeltreffendheid daarvan te verzekeren en om het wederzijds
vertrouwen in elkaars strafrechtstelsels te verbeteren. De Commissie stelt geen
juridisch bindende parameters voor inzake de beoordeling of iemand voor
rechtsbijstand in aanmerking komt of de kwaliteit van de richtlijn. Deze
aspecten komen aan de orde in een aanbeveling van de Commissie die dit voorstel
aanvult. 7. GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING Dit voorstel heeft geen gevolgen voor de begroting
van de EU. 2013/0409 (COD) Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN
DE RAAD betreffende voorlopige rechtsbijstand voor
verdachten en beklaagden wie de vrijheid is ontnomen en rechtsbijstand in
procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN
DE EUROPESE UNIE, Gezien het Verdrag betreffende de werking van
de Europese Unie, en met name artikel 82, lid 2, onder b), Gezien het voorstel van de Europese Commissie, Na toezending van het ontwerp van
wetgevingshandeling aan de nationale parlementen, Gezien het advies van het Europees Economisch
en Sociaal Comité, Gezien het advies van het Comité van de
Regio's, Handelend volgens de gewone
wetgevingsprocedure Overwegende hetgeen volgt: (1) Deze richtlijn heeft als doel
ervoor te zorgen dat het recht op toegang tot een advocaat daadwerkelijk kan
worden uitgeoefend door het verlenen van bijstand door de lidstaten aan
personen wie in een vroeg stadium van een strafprocedure de vrijheid is
ontnomen en aan personen die worden gezocht in een procedure van overlevering
uit hoofde van Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad[11] (procedure ter
uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel). (2) Door minimumvoorschriften
vast te stellen voor de bescherming van de procedurele rechten van verdachten
en beklaagden, dient deze richtlijn het vertrouwen van de lidstaten in de
strafrechtstelsels van andere lidstaten te versterken; aldus kan de richtlijn
de wederzijdse erkenning van beslissingen in strafzaken helpen verbeteren. (3) Het programma van Stockholm[12] legde sterk de nadruk
op het versterken van de rechten van het individu in strafprocedures. In punt 2.4
ervan verzocht de Europese Raad de Commissie om voorstellen in te dienen voor
een stapsgewijze versterking[13]
van de rechten van verdachten en beklaagden. (4) Tot dusver zijn er drie
maatregelen inzake procedurele rechten in strafprocedures vastgesteld, namelijk
Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad[14], Richtlijn 2012/13/EU
van het Europees Parlement en de Raad[15]
en Richtlijn 2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad[16]. (5) Rechtsbijstand dient de
kosten te dekken van de verdediging en de procedure voor verdachten of
beklaagden in strafprocedures en voor personen die worden gezocht in een
procedure ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel. (6) de werkingssfeer en de inhoud
van het recht op toegang tot een advocaat zijn vastgesteld in richtlijn 2013/48/EU.
Een verdachte of beklaagde in een strafprocedure dient recht op toegang tot een
advocaat te hebben vanaf het moment waarop hij, door middel van een officiële
kennisgeving of anderszins, door de bevoegde autoriteiten ervan op de hoogte
wordt gesteld dat hij van een strafbaar feit wordt verdacht of beschuldigd,
ongeacht of er sprake van vrijheidsbeneming is. Dit recht is van toepassing
totdat de procedure is beëindigd, dat wil zeggen totdat definitief is
vastgesteld of de verdachte of beklaagde het strafbare feit al dan niet heeft
begaan, met inbegrip van, indien van toepassing, de strafoplegging en de
uitkomst in een eventuele beroepsprocedure. (7) Zoals door het Europees Hof
voor de Rechten van de Mens ("EHRM") is verklaard, bestaat een van de
fundamentele kenmerken van een eerlijk proces erin dat iedereen aan wie een
strafbaar feit ten laste wordt gelegd, daadwerkelijk wordt verdedigd door een,
zo nodig officieel aan te wijzen, advocaat. De eerlijkheid van strafprocedures
vereist dat een verdachte toegang tot rechtsbijstand wordt verleend vanaf het
moment van vrijheidsbeneming. (8) Richtlijn 2013/48/EU bepaalt
dat in gevallen waarin verdachten of beklaagden de vrijheid wordt ontnomen, de
lidstaten de noodzakelijke regelingen moeten treffen om ervoor te zorgen dat
zij in staat zijn hun recht op toegang tot een advocaat daadwerkelijk uit te
oefenen, tenzij zij afstand hebben gedaan van dat recht. (9) Willen verdachten of
beklaagden wie de vrijheid is ontnomen, in staat zijn hun recht op toegang tot
een advocaat in de eerste fasen van de procedure daadwerkelijk uit te oefenen,
dan kan het niet zo zijn dat zij op die toegang moeten wachten zolang het
verzoek om rechtsbijstand wordt verwerkt en beoordeeld wordt of de criteria om
voor rechtshulp in aanmerking te komen, zijn vervuld. De lidstaten dienen er
daarom voor te zorgen dat er na de vrijheidsbeneming en voordat er enig verhoor
plaatsvindt, onverwijld daadwerkelijke voorlopige rechtsbijstand beschikbaar is
en deze dient ten minste beschikbaar te zijn totdat de bevoegde autoriteit het
besluit over de rechtsbijstand heeft genomen en, in gevallen waarin sprake van
een volledige of gedeeltelijke afwijzing is, dit besluit definitief is
geworden, of, ingeval het verzoek om rechtsbijstand wordt ingewilligd, de
benoeming van de advocaat door de bevoegde autoriteit van kracht is geworden. (10) De lidstaten dienen ervoor te
zorgen dat voorlopige bijstand wordt verleend voor zover deze noodzakelijk is
en dat deze niet wordt beperkt op een wijze die verdachten of beklaagden belet
het recht op toegang tot een advocaat, waarin met name artikel 3, lid 3, van
Richtlijn 2013/48/EU voorziet, daadwerkelijk uit te oefenen. (11) Personen die in een procedure
tot uitvoering van een Europees opsporingsbevel worden gezocht en wie de
vrijheid is ontnomen, dienen recht op voorlopige rechtsbijstand in de
uitvoerende lidstaat te hebben vanaf de vrijheidsontneming en dat ten minste
totdat de bevoegde autoriteit het besluit over de rechtsbijstand heeft genomen
en, in gevallen waarin sprake van een volledige of gedeeltelijke afwijzing is,
dat besluit definitief is geworden, of, ingeval het verzoek om rechtsbijstand
wordt ingewilligd, de benoeming van de advocaat door de bevoegde autoriteit van
kracht is geworden. (12) De lidstaten dienen te kunnen
bepalen dat de vergoeding van de kosten in verband met voorlopige
rechtsbijstand voor verdachten of beklaagden wie de vrijheid is ontnomen en de
vergoeding van de kosten in verband met de voorlopige rechtsbijstand voor
gezochte personen, van deze personen kunnen worden teruggevorderd wanneer
vervolgens bij de beoordeling of zij recht op rechtsbijstand hebben, wordt
vastgesteld dat zij niet voldoen aan de criteria om op grond van de nationale
wetgeving voor rechtsbijstand in aanmerking te komen. (13) Om te waarborgen dat gezochte
personen daadwerkelijke toegang tot een advocaat in de uitvoerende staat
hebben, dienen de lidstaten ervoor te zorgen dat deze personen toegang tot
rechtsbijstand hebben tot de overlevering, of, wanneer er geen overlevering
plaatsvindt, tot het besluit inzake overlevering definitief geworden is. Het
recht op rechtsbijstand kan afhankelijk zijn van een beoordeling van de
middelen van de gezochte persoon en/of de beoordeling of het in het belang van
de rechtspleging is rechtsbijstand te verlenen, overeenkomstig de in de
betreffende uitvoerende lidstaat toepasselijke criteria om voor rechtsbijstand
in aanmerking te komen. (14) Om te waarborgen dat gezochte
personen hun recht om in de uitvaardigende lidstaat een advocaat aan te wijzen
om de advocaat in de uitvoerende lidstaat bij te staan, in overeenstemming met
Richtlijn 2013/48/EU, daadwerkelijk kunnen uitoefenen, moet de uitvaardigende
lidstaat ervoor zorgen dat gezochte personen toegang tot rechtsbijstand hebben
met het oog op de procedure ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel in
de uitvoerende lidstaat. Dit recht kan afhankelijk zijn van een beoordeling van
de middelen van de gezochte persoon en/of de beoordeling of het in het belang
van de rechtspleging is rechtsbijstand te verlenen, overeenkomstig de in de
betreffende uitvaardigende lidstaat toepasselijke criteria om voor
rechtsbijstand in aanmerking te komen. (15) Deze richtlijn voorziet in het
recht op voorlopige rechtsbijstand voor kinderen wie de vrijheid is ontnomen en
op rechtsbijstand voor kinderen die in een procedure ter uitvoering van een
Europees aanhoudingsbevel worden gezocht. (16) Bij de uitvoering van deze
richtlijn dienen de lidstaten ervoor te zorgen dat het fundamentele recht op
rechtsbijstand, zoals neergelegd in artikel 47, lid 3, van het Handvest en in
artikel 6, lid 3, onder c), EVRM, wordt geëerbiedigd en dat rechtsbijstand
beschikbaar is voor degenen die onvoldoende middelen hebben om rechtsbijstand
te betalen, indien het belang van de rechtspleging dit vereist. (17) De lidstaten dienen gegevens
te verzamelen waaruit blijkt hoe het recht op rechtsbijstand voor verdachte,
beklaagde en gezochte personen is uitgeoefend. De lidstaten dienen ook gegevens
te verzamelen over het aantal gevallen waarin voorlopige rechtsbijstand werd
verleend aan verdachten of beklaagden wie de vrijheid was ontnomen of aan
gezochte personen, en over het aantal zaken waarin het recht op voorlopige
rechtsbijstand niet werd uitgeoefend. Dergelijke gegevens dienen het aantal
verzoeken om rechtsbijstand te vermelden in procedures ter uitvoering van een
Europees aanhoudingsbevel waarbij de lidstaat als uitvaardigende en als
uitvoerende staat optreedt, alsook het aantal gevallen te vermelden waarin deze
verzoeken werden ingewilligd. Ook dienen gegevens over de kosten van het
verlenen van voorlopige rechtsbijstand aan personen wie de vrijheid is ontnomen
en aan gezochte personen, te worden verzameld. (18) Deze richtlijn dient van
toepassing te zijn op verdachten en beklaagden, ongeacht hun juridische status,
burgerschap of nationaliteit. Deze richtlijn eerbiedigt de door het Handvest
van de grondrechten van de Europese Unie en het Europees Verdrag voor de
Rechten van de Mens erkende grondrechten en beginselen, zoals het verbod op
foltering en onmenselijke en onterende behandeling, het recht op vrijheid en
veiligheid, de eerbiediging van het privéleven en van het familie- en
gezinsleven, het recht op menselijke integriteit, de rechten van het kind, de
integratie van mensen met een handicap, het recht op een doeltreffende
voorziening in rechte en op een eerlijk proces, het vermoeden van onschuld en
de rechten van de verdediging. Deze richtlijn dient te worden toegepast met
inachtneming van deze rechten en beginselen. (19) In deze richtlijn worden
minimumvoorschriften vastgesteld. De lidstaten kunnen de in deze richtlijn
vastgestelde rechten uitbreiden om een hoger beschermingsniveau te bieden. Een
dergelijk hoger beschermingsniveau mag geen belemmering vormen voor de
wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen die die
minimumvoorschriften beogen te bevorderen. Het beschermingsniveau mag nooit
lager zijn dan de normen die opgenomen zijn in het Handvest en in het EVRM,
zoals uitgelegd in de jurisprudentie van het Hof van Justitie en het EHRM. (20) Aangezien de doelstellingen
van deze richtlijn, namelijk het vaststellen van gemeenschappelijke
minimumnormen inzake het recht op rechtsbijstand voor verdachten en beklaagden
in strafprocedures, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden
verwezenlijkt en vanwege de omvang van de maatregel beter door de Unie kunnen
worden verwezenlijkt, kan de Unie overeenkomstig het in artikel 5 van het
Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel
maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde
evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze
doelstellingen te verwezenlijken. (21). [Overeenkomstig artikel 3 van
Protocol nr. 21 betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland
ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, dat gehecht is aan
het Verdrag betreffende de Europese Unie en aan het Verdrag betreffende de
werking van de Europese Unie, hebben deze lidstaten kennis gegeven van hun wens
om aan de aanneming en toepassing van deze richtlijn deel te nemen] OF [Overeenkomstig
de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 21 betreffende de positie van het Verenigd
Koninkrijk en Ierland in verband met het gebied van vrijheid, veiligheid en
recht, dat gehecht is aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en aan het
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en onverminderd artikel 4
van genoemd protocol, nemen deze lidstaten niet deel aan de aanneming van deze
richtlijn; deze is bijgevolg niet bindend voor, noch van toepassing in deze
landen][17]. (22) Overeenkomstig de artikelen 1
en 2 van Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken,
gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende
de werking van de Europese Unie, neemt Denemarken niet deel aan de aanneming
van deze richtlijn, die derhalve niet bindend voor, noch van toepassing is op
Denemarken, HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN
VASTGESTELD: Artikel 1 Onderwerp 1. Bij deze richtlijn worden
minimumvoorschriften vastgesteld met betrekking tot: a) het recht op
voorlopige rechtsbijstand voor verdachten en beklaagden in strafprocedures wie
de vrijheid is ontnomen, en b) het recht op
voorlopige rechtsbijstand en rechtsbijstand voor gezochte personen tegen wie
een procedure ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel loopt. 2. Deze richtlijn vormt een
aanvulling op Richtlijn 2013/48/EEG. Niets in de onderhavige richtlijn mag
worden uitgelegd als een beperking van de in de voornoemde richtlijn
neergelegde rechten. Artikel 2 Toepassingsgebied Deze richtlijn is van toepassing op: a) verdachten of beklaagden in
strafprocedures wie de vrijheid is ontnomen en die recht op toegang tot een
advocaat hebben uit hoofde van Richtlijn 2013/48/EU; b) gezochte personen. Artikel 3 Definities Voor de toepassing van deze richtlijn wordt
verstaan onder: a) "rechtsbijstand": de financiering
en bijstand door de lidstaat waardoor de uitoefening van het recht op toegang
tot een advocaat wordt gewaarborgd, b) "voorlopige rechtsbijstand": de
rechtsbijstand die aan een persoon wie de vrijheid is ontnomen, wordt verleend
totdat het besluit over de rechtsbijstand is genomen, c) "gezochte persoon": een persoon
tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, d) "advocaat": eenieder die
overeenkomstig het nationale recht, daaronder begrepen op grond van een door
een bevoegde instantie verleende machtiging, gekwalificeerd en bevoegd is om
verdachten of beklaagden juridisch advies en juridische bijstand te verlenen. Artikel 4 Toegang tot voorlopige rechtsbijstand 1. De lidstaten zorgen ervoor
dat de volgende personen, indien zij dat wensen, het recht op voorlopige
rechtsbijstand kunnen uitoefenen: a) verdachten
of beklaagden in strafprocedures wie de vrijheid is ontnomen; b) gezochte
personen wie in de uitvoerende lidstaat de vrijheid is ontnomen. 2. Voorlopige rechtsbijstand
wordt onverwijld verleend na vrijheidsbeneming en in ieder geval voordat
verhoor plaatsvindt. 3. Voorlopige rechtsbijstand
wordt gewaarborgd totdat het definitieve besluit over de rechtsbijstand is
genomen en van kracht wordt of, wanneer de verdachte of beklaagde
rechtsbijstand wordt toegekend, de benoeming van de advocaat van kracht is
geworden. 4. De lidstaten zorgen ervoor
dat voorlopige rechtsbijstand wordt verleend voor zover deze noodzakelijk is
voor de daadwerkelijke uitoefening van het recht op toegang tot een advocaat
als neergelegd in Richtlijn 2013/48/EU betreffende het recht op toegang tot een
advocaat, met name gelet op artikel 3, lid 3. 5. De lidstaten kunnen bepalen
dat de vergoeding van de kosten in verband met voorlopige rechtsbijstand
teruggevorderd kan worden van verdachten of beklaagden die niet voldoen aan de
krachtens de nationale wetgeving toepasselijke criteria om voor rechtsbijstand
in aanmerking te komen. Artikel 5 Rechtsbijstand voor gezochte personen 1. De uitvoerende lidstaat
zorgt ervoor dat gezochte personen recht op rechtsbijstand hebben vanaf de
aanhouding uit hoofde van een Europees aanhoudingsbevel tot hun overlevering,
of, wanneer er geen overlevering plaatsvindt, tot het besluit inzake
overlevering definitief geworden is. 2. De uitvaardigende lidstaat
zorgt ervoor dat gezochte personen die hun recht uitoefenen om in de
uitvaardigende lidstaat een advocaat aan te wijzen om de advocaat in de
uitvoerende lidstaat bij te staan, in overeenstemming met artikel 10 van
Richtlijn 2013/48/EU, recht op rechtsbijstand in die lidstaat hebben met het
oog op de procedure ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel in de
uitvoerende lidstaat. 3. Het in de leden 1 en 2 van
dit artikel genoemde recht op rechtsbijstand kan afhankelijk zijn van een
beoordeling van de middelen van de gezochte persoon en/of de beoordeling of het
in het belang van de rechtspleging is rechtsbijstand te verlenen,
overeenkomstig de in de betreffende lidstaat toepasselijke criteria om voor
rechtsbijstand in aanmerking te komen. Artikel 6 Verstrekking van gegevens 1. De lidstaten verzamelen
gegevens over de wijze waarop aan de in artikel 4 en artikel 5 genoemde rechten
uitvoering is gegeven. 2. De lidstaten zenden de
Commissie uiterlijk [36 maanden na de bekendmaking van deze richtlijn]
en vervolgens om de twee jaar, deze gegevens toe. Artikel
7 Non-regressieclausule Geen enkele bepaling in deze richtlijn mag worden opgevat als een
beperking of afwijking van de rechten en procedurele waarborgen die voortvloeien
uit het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, het Europees Verdrag
tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en
andere relevante bepalingen van het internationale recht of uit de wetten van
lidstaten die een hoger beschermingsniveau bieden. Artikel 8 Omzetting 1. De lidstaten doen de nodige
wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op
[18 maanden na de datum van publicatie in het Publicatieblad] aan deze
richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis. 2. Wanneer de lidstaten die
bepalingen aannemen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële
bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze
verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten. 3. De lidstaten delen de
Commissie de tekst van de bepalingen van nationaal recht mee die zij op het
onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen. Artikel 9 Inwerkingtreding Deze richtlijn treedt in werking op de
twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de
Europese Unie. Artikel 10 Adressaten Deze richtlijn
is gericht aan de lidstaten overeenkomstig de Verdragen. Gedaan te Brussel, Voor het Europees Parlement Voor
de Raad De voorzitter De voorzitter [1] PB C 115
van 4.5.2010, blz. 1. [2] Richtlijn 2010/64/EU
betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures (PB L 280
van 26.10.2010, blz. 1). [3] Richtlijn 2012/13/EU
betreffende het recht op informatie in strafprocedures (PB L 142 van 1.6.2012,
blz. 1). [4] Richtlijn 2013/48/EU betreffende het recht op toegang
tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een
Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten
brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten
te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming (PB L 294 van 6.11.2013, blz. 1). [5] Vroegtijdige
tussenkomst kan er ook toe bijdragen dat er minder tot voorlopige hechtenis
wordt overgegaan (in Frankrijk en België is het aantal gevallen van voorlopige
hechtenis na de invoering van soortgelijke maatregelen met respectievelijk 30%
en 20% gedaald. [6] Voorstel
voor een verordening van de Raad tot instelling van het Europees Openbaar
Ministerie, COM (2013) 534 final, van 17.7.2013. [7] In antwoord daarop legde de Commissie de volgende
verklaring af: "Il est de l'intention de la Commission de présenter,
sur base d'une analyse approfondie des différents systèmes nationaux et de leur
impact financier, une proposition d'instrument juridique concernant l'aide
juridictionnelle dans le courant de 2013, conformément à la feuille de route
visant à renforcer les droits procéduraux des suspects et des personnes
poursuivies dans le cadre des procédures pénales." [8] Zie bijvoorbeeld "The practical operation of
legal aid in the EU", Fair Trials International, juli 2012, "Compliance
of Legal Aid systems with the European Convention on Human Rights in seven
jurisdictions" met betrekking tot Bulgarije, Duitsland, England &
Wales, Griekenland, Ierland, Litouwen en Tsjechië, het verslag van Justicia
Network, april 2013, ECBA Cornerstones on Legal Aid, mei 2013, Aanbevelingen
betreffende rechtsbijstand van de Raad van de balies van de Europese Unie. [9] Salduz
tegen Turkije, EHRM, grote
kamer, arrest van 27 november 2008. [10] Dayanan
tegen Turkije, verzoekschrift nr. 7377/03, arrest van 13
oktober 2009, punten 30-32. [11] Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002
betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen
de lidstaten (PB L 190 van 18.7.2002, blz. 1.) [12] PB C 115 van 4.5.2010, blz. 1. [13] PB C 291 van 4.12.2009, blz. 1. [14] Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad
van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures
(PB L 280 van 26.10.2010, blz. 1). [15] Richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad
van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures (PB L 142
van 1.6.2012, blz. 1). [16] Richtlijn 2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad
van 22 oktober 2013 betreffende het recht op toegang tot een advocaat in
strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees
aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf
de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te
communiceren tijdens de vrijheidsbeneming (PB L 294 van 6.11.2013, blz. 1). [17] De definitieve formulering van deze overweging van de
richtlijn zal afhangen van de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland,
overeenkomstig de bepalingen van Protocol nr. 21.