BIJLAGE bij het voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen en tot intrekking van Richtlijn 2006/87/EG van het Europees Parlement en de Raad /* COM/2013/0622 final */
TOELICHTING 1. ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL Met Richtlijn 82/714/EEG van
de Raad van 4 oktober 1982 tot vaststelling van de technische voorschriften
voor binnenschepen[1] zijn geharmoniseerde voorwaarden ingevoerd
voor de afgifte van technische certificaten voor binnenschepen in alle
lidstaten, met uitzondering evenwel van de Rijnvaart. In de technische
voorschriften die in de bijlagen van Richtlijn 82/714/EEG zijn opgenomen, zijn
grotendeels de bepalingen van het reglement betreffende scheepvaartinspecties
op de Rijn opgenomen, in de door de Centrale Commissie voor de Rijnvaart (CCR)
in 1982 goedgekeurde versie. De voorwaarden en technische
voorschriften voor de afgifte van binnenvaartcertificaten uit hoofde van
artikel 22 van de herziene Rijnvaartakte zijn sindsdien regelmatig herzien voor
de meeste gangbare typen schepen en algemeen wordt erkend dat zij in
overeenstemming zijn met de huidige stand van de techniek. Om redenen van
concurrentie en veiligheid, en met name om een harmonisatie op Europees niveau
te bevorderen, was het wenselijk voor het gehele binnenwaternet van de EU een
kader voor dergelijke technische voorschriften vast te stellen. Derhalve is bij
Richtlijn 2006/87/EG[2], die Richtlijn 82/714/EEG vervangt, bepaald
dat EU-binnenvaartcertificaten waarin wordt bevestigd dat alle typen vaartuigen
volledig voldoen aan de voornoemde herziene technische voorschriften, geldig
zijn op alle binnenwateren van de EU, met inbegrip van de Rijn, en dat
certificaten voor de Rijn geldig zijn op alle binnenwateren van de EU. Overeenkomstig artikel 3 van
Richtlijn 2006/87/EG is het verplicht om bij het bevaren van de Rijn (zone R) in
het bezit te zijn van: –
een op grond van artikel 22 van
de herziene Rijnvaartakte afgegeven certificaat of –
een na 30 december 2008 afgegeven
of verlengd communautair binnenvaartcertificaat ten bewijze van de volledige
conformiteit van het vaartuig met de technische voorschriften van bijlage II
bij Richtlijn 2006/87/EG waarvoor de gelijkwaardigheid met de uit hoofde van
bovengenoemde Akte bepaalde technische voorschriften volgens de toepasselijke
voorschriften en procedures is vastgesteld, onverminderd de overgangsbepalingen
van het hoofdstuk "Overgangs- en slotbepalingen" in bijlage II. De gelijkwaardigheid van de
twee certificaten is echter moeilijk te handhaven. Ze zijn gekoppeld aan twee
verschillende rechtskaders, die allebei volgens een andere reeks normen
functioneren overeenkomstig de specifieke voorschriften en procedures van het
betreffende kader. In het belang van de
veiligheid en om gelijke concurrentievoorwaarden te creëren moet worden
gestreefd naar een uniform stelsel van technische normen. Dit zou meer
rechtszekerheid bieden en waarborgen dat technische aanpassingen aan de
vooruitgang van de techniek binnen een redelijke termijn kunnen worden
ingevoerd om ervoor te zorgen dat op alle binnenwateren van de Unie hoge
veiligheidsnormen worden gehandhaafd en dat de innovatie in de sector niet
wordt belemmerd. Aangezien de twee
bovengenoemde rechtsstelsels op basis van eigen voorschriften en procedures
functioneren, kan er slechts stapsgewijs vooruitgang worden geboekt op weg naar
een uniform geheel van technische normen. Als eerste stap is het belangrijk om
de voorschriften betreffende besluitvorming te scheiden van de voorschriften
die welke van meer algemene – niet EU-specifieke – procedurele of technische
aard zijn. In de huidige versie van de richtlijn zijn deze bepalingen niet goed
gescheiden, waardoor het moeilijk is om één technische norm te ontwerpen die
kan worden toegepast op beide rechtsstelsels. Als tweede stap zal het
belangrijk zijn om passende structuren op te zetten die de EU en de CCR in
staat stellen uniforme gemeenschappelijke technische normen te ontwikkelen en
te handhaven. Om die reden moet er een specifieke structuur worden gecreëerd
met de deskundigheid die nodig is om technische normen te ontwerpen binnen een
context waarin de EU- en CCR-lidstaten en andere belanghebbende internationale
organisaties worden gecombineerd. Hiertoe hebben de diensten van de Commissie
en het secretariaat-generaal van de CCR op 22 mei 2013 een administratieve
regeling ondertekend, waarin is vastgelegd dat beide partijen voornemens zijn
om voor dit doel een speciaal comité in te stellen onder de auspiciën van de
CCR. Dit comité zal toegankelijk zijn voor deskundigen die EU- en CCR-lidstaten
vertegenwoordigen en zal tevens openstaan voor een adequate inbreng van andere
belanghebbenden. Dit comité dient technische
normen te ontwikkelen. Zodra dit speciale comité is ingesteld, kan het met de
werkzaamheden voor de ontwikkeling van technische normen beginnen. Het huidige
voorstel biedt de Commissie de gelegenheid rekening te houden met de door dit
speciale comité ontwikkelde technische normen, doordat naar die normen wordt
verwezen bij het aanpassen van de in de richtlijn opgenomen technische
voorschriften aan de vooruitgang van de techniek of aan de werkzaamheden van
internationale organisaties. Indien de CCR, overeenkomstig
de administratieve regeling van 22 mei 2013, op gelijke wijze te werk zou gaan
om het Reglement onderzoek schepen op de Rijn aan te passen en het mogelijk
maakt om ook in dit reglement naar de normen van dit nieuwe comité sui generis
te verwijzen, zullen de administratieve procedures voor de handhaving van de
technische normen voor binnenvaartschepen verder worden gestroomlijnd en zal er
volledige conformiteit van de normen tussen de rechtsstelsels van de EU en de
Rijn worden bereikt. Voorts zijn er wijzigingen in
verband met het feit dat Richtlijn 2006/87/EG voor het eerst na de
inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon wordt herzien; de nieuwe
voorschriften inzake gedelegeerde en uitvoeringsbevoegdheden moesten worden
ingevoerd. 2. RESULTATEN VAN DE
RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDE PARTIJEN Op 1 maart 2013 heeft de
Commissie een vergadering bijeengeroepen met de binnen de overheidsinstanties
van de lidstaten en in de EER voor de binnenvaart verantwoordelijke bestuurders
en de secretarissen-generaal van de riviercommissies. De deelnemers aan de
vergadering stonden over het algemeen achter de algemene aanpak inzake de
herziening van de governance om het bijwerken van de technische normen voor de
binnenvaart te stroomlijnen. 3. JURIDISCHE ELEMENTEN VAN HET
VOORSTEL In het kader van Richtlijn 2006/87/EG
zijn de technische voorschriften voor binnenschepen vastgesteld in bijlage II.
In de voorgestelde richtlijn wordt de inhoud van de bijlagen gereorganiseerd om
ervoor te zorgen dat deze uitsluitend betrekking hebben op aspecten van
technische of procedurele aard. De aspecten die verband houden met het
besluitvormingsmechanisme worden in de hoofdtekst van de richtlijn opgenomen.
Het gaat hierbij hoofdzakelijk om de volgende punten: –
gelijkwaardigheid en
afwijkingen (artikel 18), aanpassing van de bijlagen (artikel 22), –
uitvoering van technisch onderzoek
(artikel 9). In dit voorstel worden aan de
Commissie bevoegdheden gedelegeerd wat betreft het aanpassen van de bijlagen
van deze richtlijn in het licht van de vooruitgang van de wetenschap en de
techniek of van ontwikkelingen op dit gebied in het licht van de werkzaamheden
van andere internationale organisaties, met name de CCR. De Commissie moet in het
bijzonder worden gemachtigd gedelegeerde handelingen vast te stellen om de
bijlagen aan te passen, onder andere het wijzigen van de in de bijlagen van
deze richtlijn opgenomen modellen van documenten en het vaststellen of wijzigen
van administratieve aanwijzingen. Om eenvormige voorwaarden voor
de uitvoering van deze richtlijn te waarborgen, moeten voorts aan de Commissie
uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend voor het toestaan van bepaalde
afwijkingen van de technische voorschriften voor specifieke vaartuigen, voor
het erkennen van classificatiebureaus en voor het goedkeuren van bepaalde
aanvullende technische voorschriften voor bepaalde zones die niet in verbinding
staan met de bevaarbare binnenwateren van een andere lidstaat. Deze
bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011
van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van
de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze
waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de
Commissie controleren. 4. GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING De richtlijn heeft geen
financiële gevolgen. Bepaalde activiteiten in verband met de richtlijn zullen
in het kader van andere basishandelingen worden gefinancierd. 2013/0302 (COD) Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN
DE RAAD tot vaststelling van de technische voorschriften
voor binnenschepen en tot intrekking van Richtlijn 2006/87/EG van het Europees
Parlement en de Raad HET EUROPEES
PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gezien het Verdrag
betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 91, lid 1, Gezien het voorstel van de
Europese Commissie, Na toezending van het
ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen, Gezien het advies van het
Europees Economisch en Sociaal Comité[3], Gezien het advies van het
Comité van de Regio's[4], Handelend volgens de gewone
wetgevingsprocedure[5], Overwegende hetgeen volgt: (1) Bij
Richtlijn 2006/87/EG van het Europees Parlement en de Raad[6]
worden geharmoniseerde voorwaarden vastgesteld voor de afgifte van technische
certificaten voor binnenschepen voor het gehele binnenwaternet van de Unie. (2) De
technische voorschriften voor schepen die op de Rijn varen, worden vastgesteld
door de Centrale Commissie voor de Rijnvaart (CCR). (3) In de
technische voorschriften die in de bijlagen van Richtlijn 2006/87/EG zijn
opgenomen, zijn grotendeels de bepalingen van het Reglement onderzoek schepen
op de Rijn opgenomen in de door de CCR in 2004 goedgekeurde versie. De
voorwaarden en technische voorschriften voor de afgifte van
binnenvaartcertificaten uit hoofde van artikel 22 van de Herziene Rijnvaartakte
worden regelmatig bijgewerkt en algemeen wordt erkend dat zij in
overeenstemming zijn met de huidige stand van de techniek. (4) Twee
verschillende regelingen handhaven, die voor certificaten die zijn afgegeven
uit hoofde van artikel 22 van de Herziene Rijnvaartakte en die voor het
EU-binnenvaartcertificaat, vormt een belemmering voor het waarborgen van de
rechtszekerheid en veiligheid. (5) Om
harmonisatie op het niveau van de Unie te bewerkstelligen en om
concurrentievervalsing en ongelijke veiligheidsniveaus te voorkomen, moeten
voor het gehele binnenwaternet van de Unie dezelfde technische voorschriften
worden toegepast en regelmatig worden bijgewerkt. (6) Aangezien
de CCR aanzienlijke deskundigheid in het bijwerken van technische voorschriften
voor binnenschepen heeft opgebouwd, moet deze deskundigheid ten volle worden
benut voor de binnenwateren in de Unie. (7) EU-binnenvaartcertificaten
die bevestigen dat vaartuigen volledig voldoen aan de technische voorschriften
dienen op alle binnenwateren van de Unie geldig te zijn. (8) De
voorwaarden voor de afgifte van aanvullende EU-binnenvaartcertificaten door
lidstaten voor transportverrichtingen op de waterwegen van zones 1 en 2
(riviermondingen) en voor transportverrichtingen op de waterwegen van zone 4 moeten
verder worden geharmoniseerd. (9) In het
belang van de veiligheid moeten de normen op een hoog niveau worden
geharmoniseerd en wel op dusdanige wijze dat de veiligheidsnormen op de
binnenwateren van de Unie niet worden verlaagd. De lidstaten moeten echter, na
overleg met de Commissie, specifieke bepalingen betreffende aanvullende of minder
strenge technische voorschriften voor bepaalde zones kunnen vaststellen, mits
dergelijke maatregelen beperkt blijven tot de in de bijlagen III en IV genoemde
specifieke onderwerpen. (10) De
lidstaten moeten de mogelijkheid hebben om van de bepalingen van deze richtlijn
af te wijken in bepaalde gevallen die betrekking hebben op bevaarbare wateren
die niet in verbinding staan met de binnenwateren van andere lidstaten of op
bepaalde vaartuigen die uitsluitend op binnenlandse waterwegen varen. (11) De
lidstaten moeten ook, na goedkeuring van de Commissie, voor specifieke
vaartuigen kunnen afwijken van de bepalingen van deze richtlijn om alternatieve
benaderingen mogelijk te maken, innovatie te bevorderen of onevenredige kosten
te vermijden. (12) Het
EU-binnenvaartcertificaat moet voor een vaartuig worden afgegeven als het
vaartuig een gunstige beoordeling krijgt na een technisch onderzoek dat wordt
verricht vóór de ingebruikneming ervan. Dit technisch onderzoek moet worden
gebruikt om na te gaan of het vaartuig voldoet aan de technische voorschriften
van deze richtlijn. De bevoegde instanties van de lidstaten moeten gerechtigd
zijn op elk moment aanvullende inspecties uit te voeren om te controleren of de
materiële toestand van het vaartuig overeenstemt met het
EU-binnenvaartcertificaat. (13) Het is
passend om, binnen bepaalde tijdsgrenzen en afhankelijk van het type vaartuig
in kwestie, de geldigheidsduur van de EU-binnenvaartcertificaten geval per
geval afzonderlijk vast te stellen. (14) Er dienen,
binnen bepaalde grenzen, gedetailleerde bepalingen met betrekking tot de
vervanging, vernieuwing, verlenging van de geldigheidsduur en de afgifte van
nieuwe EU-binnenvaartcertificaten te worden vastgesteld teneinde een hoge mate
van veiligheid in de binnenvaart te handhaven. (15) De in
Richtlijn 2009/100/EG van het Europees Parlement en de Raad[7]
genoemde maatregelen moeten van kracht blijven voor vaartuigen die niet onder
deze richtlijn vallen. (17) Voor in
gebruik zijnde vaartuigen waarvoor nog geen EU-binnenvaartcertificaat is
afgegeven, moet een overgangsregeling worden toegepast wanneer deze krachtens
de bij deze richtlijn vastgestelde herziene technische voorschriften aan een
eerste technisch onderzoek worden onderworpen. (18) Er dienen
bindende administratieve aanwijzingen te worden gegeven om te voorzien in gedetailleerde
voorschriften voor de geharmoniseerde toepassing van de technische voorschriften. (19) Omwille
van de veiligheid van de binnenvaart en de gelijkwaardigheid van certificaten
moet rekening worden gehouden met veranderingen in de technische voorschriften.
Hiertoe dient de bevoegdheid om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende
de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen aan de Commissie te
worden gedelegeerd teneinde de bijlagen bij deze richtlijn aan te passen
overeenkomstig de vooruitgang van de wetenschap en de techniek of
ontwikkelingen op dit gebied in het licht van de werkzaamheden van andere
internationale organisaties, met name de CCR. Het is van bijzonder belang dat
de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging
overgaat, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie moet er bij de
voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen voor zorgen dat de
desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden
voorgelegd aan het Europees Parlement en aan de Raad. (20) Om
alternatieve benaderingen mogelijk te maken, innovatie te bevorderen,
onevenredige kosten te vermijden, te voorzien in een efficiënte procedure voor
de afgifte van certificaten of om rekening te kunnen houden met regionale
omstandigheden, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden
toegekend om bepaalde afwijkingen van de technische voorschriften toe te staan voor
specifieke vaartuigen, classificatiebureaus te erkennen en bepaalde aanvullende
of minder strenge technische voorschriften goed te keuren voor schepen die
bepaalde zones bevaren die niet in verbinding staan met de bevaarbare
binnenwateren van een andere lidstaat. Deze bevoegdheden moeten worden
uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees
Parlement en de Raad[8]. (21) Richtlijn 2006/87/EG
moet bijgevolg worden ingetrokken, HEBBEN DE VOLGENDE
RICHTLIJN VASTGESTELD: Artikel 1
Indeling van de
binnenwateren Voor de toepassing van
deze richtlijn worden de binnenwateren van de Unie als volgt ingedeeld: a) Zones 1, 2, 3 en 4: i) zones 1 en 2: de
waterwegen van de lijst in hoofdstuk 1 van bijlage I; ii) zone 3: de waterwegen van
de lijst in hoofdstuk 2 van bijlage I; iii) zone 4: de waterwegen
van de lijst in hoofdstuk 3 van bijlage I. b) Zone R: de onder a)
bedoelde waterwegen waarvoor een certificaat dient te worden afgegeven
overeenkomstig artikel 22 van de Herziene Rijnvaartakte overeenkomstig de
formulering van dat artikel op het tijdstip van inwerkingtreding van deze
richtlijn. Artikel 2
Definities en
toepassingsgebied 1. In deze richtlijn wordt
verstaan onder: (a)
"vaartuig": een schip
of een drijvend werktuig; (b)
"schip": een
binnenschip of een zeeschip; (c)
"sleepboot": een
schip dat speciaal is gebouwd om te slepen; (d)
"duwboot": een schip
dat speciaal is gebouwd voor het voortbewegen van een duwstel; (e)
"passagiersschip":
een schip voor dagtochten of een hotelschip dat is gebouwd en ingericht voor
het vervoer van meer dan twaalf passagiers; (f)
"drijvend werktuig":
een drijvend bouwsel waarop zich werkinstallaties bevinden, zoals kranen,
baggermolens, hei-installaties of elevatoren; (g)
"pleziervaartuig":
een schip dat geen passagiersschip is en bestemd is voor sportieve en
recreatieve doeleinden; (h)
"waterverplaatsing":
het ingedompelde volume van het schip in m3; (i)
"lengte (L)": de
grootste lengte van de scheepsromp in m, het roer en de boegspriet niet
inbegrepen; (j)
"breedte (B)": de
grootste breedte van de scheepsromp in m, gemeten op de buitenkant van de
huidbeplating (schoepraderen, schuurlijsten en dergelijke niet inbegrepen); (k)
"diepgang (T)": de
verticale afstand van het laagste punt van de scheepsromp aan de onderkant van
de bodembeplating zonder rekening te houden met de kiel of andere vaste
onderdelen tot het vlak van de grootste inzinking van de scheepsromp in m; (l)
"classificatiebureau":
een classificatiebureau dat is erkend overeenkomstig de criteria en procedures
van artikel 9; (a)
"EU-binnenvaartcertificaat":
een certificaat dat door de bevoegde instantie is afgegeven voor een
binnenvaartschip, ten bewijze dat het voldoet aan de technische voorschriften
van deze richtlijn. 2. Deze richtlijn is op de
volgende vaartuigen van toepassing: a) vaartuigen met een
lengte (L) van 20 m of meer; b) vaartuigen waarvan
het volume, berekend uit het product lengte (L) x breedte (B) x diepte (D), 100
m3 of meer bedraagt. 3. Bovendien is deze richtlijn
van toepassing op: a) sleep- en duwboten
die zijn bestemd om de in lid 1 bedoelde vaartuigen of drijvende inrichtingen
te slepen, te duwen of langszij gekoppeld mee te voeren; b) voor het vervoer van
passagiers bedoelde vaartuigen welke, naast de bemanning, meer dan twaalf
passagiers vervoeren; c) drijvende
inrichtingen. 4. Deze richtlijn is niet op de
volgende vaartuigen van toepassing: a) veerboten; b) marineschepen; c) zeeschepen, met inbegrip
van zeesleepboten en zeeduwboten die i) in
getijdenwateren varen of stilliggen; ii) tijdelijk op
binnenwaterwegen varen, mits zij beschikken over: –
een certificaat van
conformiteit met het Internationale Verdrag voor de beveiliging van
mensenlevens op zee van 1974 (SOLAS), of een gelijkwaardig certificaat, een
certificaat van conformiteit met het Internationale Verdrag betreffende de
uitwatering van schepen van 1966, of een gelijkwaardig certificaat, en een
IOPP-certificaat ten bewijze van conformiteit met het Internationale Verdrag
ter voorkoming van verontreiniging door schepen van 1973 (MARPOL); of –
voor passagiersschepen die niet
onder de onder het eerste streepje bedoelde verdragen vallen: een in
overeenstemming met Richtlijn 2009/45/EG van het Europees Parlement en de Raad
van 6 mei 2009 inzake veiligheidsvoorschriften en -normen voor
passagiersschepen (herschikking)[9] afgegeven certificaat inzake
veiligheidsvoorschriften en -normen voor passagiersschepen; of –
voor pleziervaartuigen die niet
onder de onder het eerste streepje bedoelde verdragen vallen: een certificaat
van de vlagstaat. Artikel 3
Verplichting om
voorzien te zijn van een certificaat 1. Vaartuigen die zich op de in
artikel 1 bedoelde binnenwateren van de Unie bevinden, moeten: a) op de waterwegen van
zone R beschikken over: –
een certificaat dat werd
afgegeven op grond van artikel 22 van de Herziene Rijnvaartakte; of –
een EU-binnenvaartcertificaat
ten bewijze van de volledige conformiteit van het vaartuig, onverminderd de
overgangsbepalingen van bijlage II, met de technische voorschriften als bepaald
in bijlage II, waarvoor de gelijkwaardigheid met de uit hoofde van de Herziene
Rijnvaartakte bepaalde technische voorschriften volgens de toepasselijke
voorschriften en procedures is vastgesteld; b) op de andere
waterwegen voorzien zijn van een EU-binnenvaartcertificaat, in voorkomend geval
met inbegrip van de in artikel 5 bedoelde vermeldingen. 2. Het EU-binnenvaartcertificaat
wordt volgens het model in bijlage V, deel I, opgesteld en overeenkomstig deze
richtlijn afgegeven. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 24
gedelegeerde handelingen vast te stellen om dat model te wijzigen, als dit
nodig is, om rekening te houden met de vooruitgang in de wetenschap en de
techniek, om de administratieve eisen te vereenvoudigen of om rekening te houden
met ontwikkelingen op dit gebied in het licht van de werkzaamheden van andere
internationale organisaties, met name de CCR. Artikel 4
Aanvullende
EU-binnenvaartcertificaten 1. Elk vaartuig met een geldig
certificaat dat is afgegeven op grond van artikel 22 van de Herziene
Rijnvaartakte mag, behoudens het bepaalde in artikel 5, lid 5, van deze
richtlijn, uitsluitend voorzien van dit certificaat de waterwegen van de Unie
bevaren. 2. Vaartuigen die over het in
lid 1 bedoelde certificaat beschikken, moeten echter bovendien over een
aanvullend EU-binnenvaartcertificaat beschikken: a) op de waterwegen van
de zones 3 en 4, wanneer zij gebruik willen maken van de daar toegestane versoepeling
van de technische voorschriften, b) op de waterwegen van
de zones 1 en 2, of, in het geval van passagiersvaartuigen, op de waterwegen
van zone 3 die niet in verbinding staan met de bevaarbare waterwegen van een
andere lidstaat, indien de betrokken lidstaat op grond van artikel 5, leden 1, 2
en 3, voor die waterwegen aanvullende technische voorschriften heeft
uitgevaardigd. 3. Het aanvullende
EU-certificaat voor binnenwateren wordt volgens het model in bijlage V, deel
II, opgesteld en wordt door de bevoegde instanties afgegeven op voorlegging van
het in lid 1 bedoelde certificaat, zulks onder de voorwaarden die door de voor
de te bevaren waterwegen bevoegde instanties zijn vastgesteld. De Commissie is
bevoegd om gedelegeerde handelingen vast te stellen om dat model te wijzigen,
als dit nodig is, om rekening te houden met de vooruitgang in de wetenschap en
de techniek, om de administratieve eisen te vereenvoudigen of om rekening te
houden met ontwikkelingen op dit gebied in het licht van de werkzaamheden van
andere internationale organisaties, met name de CCR. Artikel 5
Mogelijkheid om
voor bepaalde zones aanvullende of minder strenge technische voorschriften aan
te nemen 1. De lidstaten kunnen, na
overleg met de Commissie, en indien van toepassing onder voorbehoud van het
bepaalde in de Herziene Rijnvaartakte, in aanvulling op bijlage II technische
voorschriften vaststellen voor vaartuigen die op hun grondgebied waterwegen van
de zones 1 en 2 bevaren. 2. Voor passagiersvaartuigen die
op zijn grondgebied waterwegen van zone 3 bevaren die niet in verbinding staan
met de bevaarbare binnenwateren van een andere lidstaat, kan iedere lidstaat
technische voorschriften in aanvulling op die van bijlage II handhaven. De
lidstaten kunnen dergelijke nieuwe aanvullende technische voorschriften
vaststellen volgens de in lid 3 bedoelde procedure. De aanvullende
voorschriften kunnen alleen betrekking hebben op de in bijlage III genoemde
onderwerpen. 3. De lidstaat stelt de
Commissie ten minste zes maanden vóór de geplande datum van inwerkingtreding in
kennis van de voorgestelde aanvullende voorschriften en brengt de overige
lidstaten op de hoogte. De Commissie keurt de
aanvullende technische voorschriften goed middels uitvoeringshandelingen die
overeenkomstig de in artikel 25, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure zijn
vastgesteld. 4. De conformiteit van het
vaartuig met deze aanvullende voorschriften wordt vermeld op het in artikel 3
bedoelde EU-binnenvaartcertificaat of, in die gevallen waarin artikel 4, lid 2,
van toepassing is, op het aanvullend EU-binnenvaartcertificaat. Dit bewijs van
conformiteit wordt op alle EU-waterwegen van de zone in kwestie erkend. 5. Indien de toepassing van de
in hoofdstuk 24a van bijlage II bepaalde overgangsbepalingen zou leiden tot een
verlaging van de bestaande nationale veiligheidsnormen, kan een lidstaat die overgangsbepalingen
buiten toepassing stellen voor passagiersvaartuigen voor de binnenvaart op zijn
binnenwateren die niet in verbinding staan met de bevaarbare binnenwateren van
een andere lidstaat. In dat geval kan de lidstaat verlangen dat de vaartuigen
die zijn niet in verbinding staande binnenwateren bevaren, met ingang van 30
december 2008 volledig voldoen aan de technische voorschriften van bijlage II. Een lidstaat die gebruik maakt
van de in de eerste alinea bedoelde mogelijkheid, stelt de Commissie en de
overige lidstaten in kennis van zijn besluit en verstrekt de Commissie de
nadere bijzonderheden van de betrokken nationale normen die van toepassing zijn
op de passagiersschepen die op zijn binnenwateren varen. De conformiteit van het
vaartuig met de voorschriften van een lidstaat voor de vaart op zijn niet in
verbinding staande binnenwateren wordt vermeld op het in artikel 3 bedoelde
EU-binnenvaartcertificaat of, in die gevallen waarin artikel 4, lid 2, van
toepassing is, op het aanvullende EU-binnenvaartcertificaat. 6. Vaartuigen die alleen
waterwegen van zone 4 bevaren, komen op alle waterwegen in die zone in
aanmerking voor de minder strenge voorschriften als bepaald in bijlage II. De
conformiteit met die minder strenge voorschriften wordt op het in artikel 3
bedoelde EU-binnenvaartcertificaat vermeld. 7. Een lidstaat kan na overleg
met de Commissie voor vaartuigen die uitsluitend waterwegen van de zones 3 en 4
op zijn grondgebied bevaren een gedeeltelijke toepassing van de technische
voorschriften toestaan of technische voorschriften vaststellen die minder
streng zijn dan die van bijlage II. De minder strenge of
gedeeltelijke toepassing van de technische voorschriften kan alleen betrekking
hebben op de in bijlage IV genoemde onderwerpen. Wanneer de technische
kenmerken van een vaartuig aan deze minder strenge of gedeeltelijke toepassing
van de technische voorschriften beantwoorden, wordt dit op het
EU-binnenvaartcertificaat, dan wel, in die gevallen waarin artikel 4, lid 2,
van toepassing is, op het aanvullende EU-binnenvaartcertificaat vermeld. De lidstaten stellen de
Commissie ten minste zes maanden vóór de inwerkingtreding in kennis van de
minder strenge of gedeeltelijke toepassing van de technische voorschriften van
bijlage II en brengen de overige lidstaten op de hoogte. Artikel 6
Ontheffingen 1. De lidstaten kunnen geheel of
gedeeltelijk ontheffing van de toepassing van deze richtlijn verlenen voor: a) vaartuigen, sleep- en
duwboten en drijvende inrichtingen die waterwegen bevaren die niet door
binnenwateren met de waterwegen van andere lidstaten zijn verbonden; b) vaartuigen met een
laadvermogen van niet meer dan 350 ton, of niet voor het goederenvervoer
bestemde vaartuigen met een waterverplaatsing van minder dan 100 m3,
waarvan de kiel is gelegd vóór 1 januari 1950 en die uitsluitend binnenlandse waterwegen
bevaren. 2. Voor binnenlandse binnenvaart
kunnen de lidstaten voor beperkte reizen van plaatselijk belang of in
havengebieden ontheffingen van een of meer bepalingen van deze richtlijn toestaan.
De ontheffingen en de trajecten of het gebied waarvoor zij gelden, moeten op
het certificaat van het vaartuig worden vermeld. 3. De lidstaten stellen de
Commissie in kennis van de krachtens de leden 1 en 2 toegestane ontheffingen en
brengen de overige lidstaten op de hoogte. 4. De lidstaten waarvan de
waterwegen, op grond van de krachtens de leden 1 en 2 verleende ontheffingen,
niet door enig onder deze richtlijn vallend vaartuig worden bevaren, zijn niet
verplicht de artikelen 8, 9 en 11 toe te passen. Artikel 7
Afgifte van
EU-binnenvaartcertificaten 1. Voor vaartuigen waarvan de
kiel niet vóór [datum van omzetting van deze richtlijn] is gelegd, wordt het
EU-binnenvaartcertificaat afgegeven na een technisch onderzoek dat wordt
verricht vóór de ingebruikneming van het vaartuig en waarbij wordt nagegaan of
het voldoet aan de voorschriften van bijlage II. 2. Het EU-binnenvaartcertificaat
wordt afgegeven voor vaartuigen die van het toepassingsgebied van Richtlijn 82/714/EEG
zijn uitgesloten, maar die overeenkomstig artikel 2, leden 2 en 3, onder deze
richtlijn vallen, na een technisch onderzoek dat wordt verricht na het
verstrijken van het huidige certificaat van het vaartuig, doch in geen geval
later dan 30 december 2018, om na te gaan of het vaartuig aan de in bijlage II
vastgestelde technische voorschriften voldoet. Als het vaartuig niet aan de
technische voorschriften van bijlage II voldoet, wordt daarvan melding gemaakt
op het EU-binnenvaartcertificaat. Wanneer de bevoegde instanties van oordeel
zijn dat de tekortkomingen geen klaarblijkelijk gevaar opleveren, mogen de in
de eerste alinea van dit artikel bedoelde vaartuigen in bedrijf blijven totdat
de onderdelen of ruimten van het vaartuig die niet in overeenstemming met de
voorschriften worden bevonden en als zodanig werden gecertificeerd, zijn
vervangen of gewijzigd, waarna deze onderdelen of ruimten met de voorschriften
van bijlage II in overeenstemming moeten zijn. 3. Er is met name sprake van
klaarblijkelijk gevaar in de zin van dit artikel, wanneer de voorschriften in
verband met de structurele deugdelijkheid van het vaartuig, de vaar- of
manoeuvreereigenschappen of de bijzondere kenmerken overeenkomstig de
technische voorschriften van bijlage II in het geding zijn. Op grond van de
technische voorschriften van bijlage II verleende ontheffingen mogen niet
worden aangemerkt als tekortkomingen die een klaarblijkelijk gevaar vormen. Vervanging van bestaande
onderdelen door identieke onderdelen of technologisch en qua design
gelijkwaardige onderdelen bij normale herstel- en onderhoudswerkzaamheden wordt
niet als vervanging in de zin van dit lid beschouwd. 4. Bij het in de leden 1 en 2
van dit artikel bedoelde technische onderzoek of bij een in opdracht van de
eigenaar uitgevoerd technisch onderzoek wordt in voorkomend geval nagegaan of
het vaartuig aan de in artikel 5, leden 1, 2 en 3, bedoelde aanvullende
voorschriften voldoet. Artikel 8
Bevoegde instanties 1. De EU-binnenvaartcertificaten
kunnen door de bevoegde nationale instanties van de lidstaten worden afgegeven. 2. Iedere lidstaat stelt een
lijst op van de voor de afgifte van de EU-binnenvaartcertificaten bevoegde instanties
en brengt deze lijst ter kennis van de Commissie en de overige lidstaten. 3. De bevoegde instanties houden
overeenkomstig het model in bijlage VI een register bij van alle door hen
afgegeven EU-binnenvaartcertificaten. De Commissie is bevoegd overeenkomstig
artikel 24 gedelegeerde handelingen vast te stellen om dat model te wijzigen om
rekening te houden met de vooruitgang in de wetenschap en de techniek, om de
administratieve eisen te vereenvoudigen of om rekening te houden met
ontwikkelingen op dit gebied in het licht van de werkzaamheden van andere
internationale organisaties, met name de CCR. Artikel 9
Uitvoering van
technisch onderzoek 1. Het in artikel 7 bedoelde
technische onderzoek wordt verricht door de bevoegde instanties. Deze instanties
kunnen geheel of ten dele afzien van het technische onderzoek van het vaartuig,
voor zover uit een geldige verklaring die door een door de lidstaat van afgifte
van het certificaat erkend classificatiebureau is afgegeven, blijkt dat het
vaartuig geheel of ten dele voldoet aan de technische voorschriften van bijlage
II. 2. De Commissie stelt
uitvoeringshandelingen vast voor de erkenning van een classificatiebureau dat
voldoet aan de in bijlage VII genoemde criteria, of voor de intrekking van een
erkenning, overeenkomstig de in de leden 3 en 4 bedoelde procedure. Deze
uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 25, lid 2,
bedoelde raadplegingsprocedure. 3. Een aanvraag om erkenning
wordt bij de Commissie ingediend door de lidstaat waarin het
classificatiebureau zijn zetel heeft of een vestiging die bevoegd is een
verklaring af te geven dat het vaartuig voldoet aan de voorschriften van
bijlage II overeenkomstig deze richtlijn. Deze aanvraag gaat vergezeld van alle
informatie en documentatie die nodig is om na te gaan of aan de criteria voor
erkenning is voldaan. Iedere lidstaat
kan verlangen dat er een hoorzitting plaatsvindt of dat er nadere informatie of
documentatie wordt verstrekt. 4. Iedere lidstaat kan bij de
Commissie een verzoek tot intrekking van de erkenning indienen als hij van
mening is dat een classificatiebureau niet meer aan de criteria in bijlage VII
voldoet. Het verzoek tot intrekking gaat vergezeld van schriftelijk
bewijsmateriaal. 5. Tot hun erkenning
overeenkomstig deze richtlijn worden classificatiebureaus die door een lidstaat
overeenkomstig Richtlijn 94/57/EG van de Raad van 22 november 1994[10] zijn erkend en gemachtigd, alleen
als erkend beschouwd voor vaartuigen die uitsluitend op de wateren van die
lidstaat varen. 6. De Commissie publiceert een
lijst van de overeenkomstig dit artikel erkende classificatiebureaus en houdt
deze bij. 7. Iedere lidstaat stelt een
lijst op van de bevoegde instanties die technische onderzoeken mogen verrichten
en deelt die lijst mee aan de Commissie en de overige lidstaten. 8. Iedere lidstaat voldoet aan
de specifieke voorschriften met betrekking tot de commissies van deskundigen en
de aanvraag van het onderzoek in bijlage II. Artikel 10
Geldigheidsduur
van EU-binnenvaartcertificaten 1. De geldigheidsduur van de
volgens de bepalingen van deze richtlijn afgegeven EU-binnenvaartcertificaten
voor nieuwe schepen wordt vastgesteld door de bevoegde instantie en bedraagt
ten hoogste: a) vijf jaar voor
passagiersschepen; b) tien jaar voor alle
andere vaartuigen. De geldigheidsduur wordt in
het EU-binnenvaartcertificaat aangetekend. 2. Voor vaartuigen die reeds
voordat het onderzoek plaatsvindt in bedrijf waren, wordt de geldigheidsduur
van het EU-binnenvaartcertificaat voor elk geval afzonderlijk, afhankelijk van
de uitkomsten van de keuring, vastgesteld door de bevoegde instantie. Deze
geldigheidsduur mag evenwel niet langer zijn dan de in lid 1 voorgeschreven
termijn. 3. Iedere lidstaat kan in de in
bijlage II aangegeven gevallen voorlopige EU-binnenvaartcertificaten afgeven.
Voorlopige EU-binnenvaartcertificaten worden opgesteld overeenkomstig het model
in deel III van bijlage V. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 24
gedelegeerde handelingen vast te stellen om dat model te wijzigen om rekening
te houden met de vooruitgang in de wetenschap en de techniek, om de
administratieve eisen te vereenvoudigen of om rekening te houden met
ontwikkelingen op dit gebied in het licht van de werkzaamheden van andere
internationale organisaties, met name de CCR. Artikel 11
Vervanging van
EU-binnenvaartcertificaten Iedere lidstaat stelt de
voorwaarden vast waaronder een verloren of beschadigd geldig
EU-binnenvaartcertificaat kan worden vervangen. Artikel 12
Vernieuwing van
EU-binnenvaartcertificaten 1. Het EU-binnenvaartcertificaat
wordt na het verstrijken van de geldigheidsduur volgens de in artikel 7 voor de
afgifte van het certificaat vastgestelde voorwaarden vernieuwd. 2. Voor de vernieuwing van
EU-binnenvaartcertificaten gelden de overgangsbepalingen van de hoofdstukken 24
en 24a van bijlage II voor de vaartuigen en onder de daarin genoemde
voorwaarden. Artikel 13
Verlenging van de
geldigheidsduur van EU-binnenvaartcertificaten Bij wijze van uitzondering
kan de geldigheidsduur van het EU-binnenvaartcertificaat door de instantie die
het heeft afgegeven of verlengd, zonder technisch onderzoek overeenkomstig
bijlage II worden verlengd. Deze verlenging van de geldigheidsduur moet in het
certificaat worden vermeld. Artikel 14
Nieuwe
EU-binnenvaartcertificaten in geval van wezenlijke wijziging of reparatie Na iedere wezenlijke
wijziging of reparatie die invloed heeft op de structurele deugdelijkheid van
het vaartuig, de vaar- of manoeuvreereigenschappen of de bijzondere kenmerken
van het vaartuig overeenkomstig bijlage II, moet dat vaartuig, voordat het weer
in bedrijf wordt genomen, aan het in artikel 7 bedoelde technische onderzoek worden
onderworpen. Op grond van dat onderzoek wordt een nieuw
EU-binnenvaartcertificaat met vermelding van de technische kenmerken van het
vaartuig afgegeven, of wordt het bestaande certificaat dienovereenkomstig
gewijzigd. Indien dit certificaat in een andere lidstaat wordt afgegeven dan de
lidstaat waar het oorspronkelijke certificaat is afgegeven of verlengd, dan
wordt de bevoegde instantie die dat certificaat had afgegeven of verlengd, daar
binnen één maand van in kennis gesteld. Artikel 15
Weigering tot afgifte
of vernieuwing en intrekking van EU-binnenvaartcertificaten 1. Elk besluit tot weigering van
de afgifte of vernieuwing van een EU-binnenvaartcertificaat moet met redenen
omkleed zijn. Het wordt aan de eigenaar van het vaartuig medegedeeld met vermelding
van de mogelijkheden en termijnen om in de betrokken lidstaat beroep aan te
tekenen. 2. Ieder geldig
EU-binnenvaartcertificaat kan door de bevoegde instantie die het heeft
afgegeven of vernieuwd, worden ingetrokken, wanneer het vaartuig niet meer voldoet
aan de met zijn certificaat overeenkomende technische voorschriften. Artikel 16
Aanvullende
keuring 1. De bevoegde instanties van
een lidstaat kunnen te allen tijde controleren of een vaartuig een in de zin
van deze richtlijn geldig certificaat aan boord heeft en aan de op dat
certificaat vermelde gegevens voldoet of een klaarblijkelijk gevaar voor de
zich aan boord bevindende personen, het milieu of de veiligheid van de
scheepvaart vormt. De bevoegde instanties nemen de overeenkomstig de leden 2
tot en met 5 vereiste maatregelen. 2. Wanneer de instanties bij een
dergelijke keuring vaststellen dat er geen certificaat aan boord is, dat het
certificaat aan boord van het vaartuig ongeldig is of dat het vaartuig niet
voldoet aan de voorschriften in het certificaat, maar dat het ongeldige
certificaat of het niet voldoen aan de voorschriften geen klaarblijkelijk
gevaar vormt, moet de eigenaar van het vaartuig of zijn vertegenwoordiger de
nodige maatregelen nemen om de situatie recht te zetten. De instantie die het
certificaat afgegeven of het laatst verlengd heeft, wordt binnen zeven dagen in
kennis gesteld. 3. Wanneer de instanties bij de
keuring vaststellen dat het vaartuig een klaarblijkelijk gevaar vormt voor de
zich aan boord bevindende personen, het milieu of de veiligheid van de
scheepvaart, kunnen zij de vaart van het vaartuig onderbreken totdat de
vereiste maatregelen zijn genomen om de waargenomen situatie te recht te zetten. Zij kunnen ook maatregelen
voorschrijven die het mogelijk maken dat het vaartuig, eventueel na uitvoering
van het transport, zonder gevaar verder vaart tot een plaats waar het
onderzocht of gerepareerd wordt. De instantie die het certificaat afgegeven of
het laatst verlengd heeft, wordt binnen zeven dagen in kennis gesteld. 4. Een lidstaat die de reis van
een vaartuig onderbroken heeft of de eigenaar in kennis heeft gesteld van zijn
voornemen dit te doen indien de geconstateerde gebreken niet worden verholpen,
stelt de instantie van de lidstaat die het certificaat heeft afgegeven of het
laatst heeft vernieuwd binnen zeven dagen in kennis van de maatregelen die hij
heeft genomen of van plan is te nemen. 5. Iedere maatregel ter
uitvoering van deze richtlijn waardoor de reis van een vaartuig wordt
onderbroken, moet zorgvuldig worden gemotiveerd. De betrokkene wordt onverwijld
met vermelding van de volgens het in de lidstaten geldend recht beschikbare rechtsmiddelen
en de daarvoor gestelde termijnen in kennis gesteld. Artikel 17
Uniek Europees
scheepsidentificatienummer De bevoegde instantie die
een EU-binnenvaartcertificaat afgeeft, vermeldt hierop het unieke Europese
scheepsidentificatienummer overeenkomstig hoofdstuk 2 van bijlage II. Artikel 18
Gelijkwaardigheid
en afwijkingen 1. De lidstaten kunnen van de
Commissie verlangen dat zij uitvoeringshandelingen vaststelt voor het toestaan
van afwijkingen of het erkennen van de gelijkwaardigheid van technische
voorzieningen voor een specifiek vaartuig wat betreft: a) de
toepassing of de aanwezigheid aan boord van een vaartuig van andere materialen,
inrichtingen of uitrusting, of het treffen van andere bouwkundige maatregelen
of het aanhouden van andere opstellingen dan die zijn opgenomen in bijlage II; b) de afgifte van een
EU-binnenvaartcertificaat bij wijze van proef en voor een beperkte tijdsduur
voor nieuwe technische voorzieningen die afwijken van de voorschriften van deel
II van bijlage II, mits deze voorzieningen een gelijkwaardige veiligheid
bieden; c) de toepassing van
afwijkingen, door de commissies van deskundigen, op een passagiersschip wat
betreft de ruimten voor personen met beperkte mobiliteit, wanneer de toepassing
van de specifieke voorschriften in hoofdstuk 15 van bijlage II praktisch
moeilijk uitvoerbaar wordt geacht of onevenredig hoge kosten veroorzaakt; d) het gebruik van
andere blusmiddelen dan die genoemd in hoofdstuk 10 van bijlage II; e) het gebruik van vast
ingebouwde brandblusinstallaties ter bescherming van objecten; f) de toepassing van
hoofdstuk 24 van bijlage II op een vaartuig dat wordt omgebouwd tot een vaartuig
van meer dan 110 m; g) afwijkingen van de
voorschriften in de hoofdstukken 24 en 24a van bijlage II na afloop van de
overgangsbepalingen, wanneer deze voorschriften technisch moeilijk uitvoerbaar
zijn of wanneer de toepassing ervan mogelijk onevenredige kosten vergt; h) de erkenning van
normen betreffende andere installaties die een kleinere hoeveelheid water
sproeien dan die welke zijn genoemd in hoofdstuk 10 van bijlage II. Deze uitvoeringshandelingen
worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 25, lid 2, bedoelde
raadplegingsprocedure. 2. De onder lid 1, onder a) tot
en met g), bedoelde gelijkwaardigheden en afwijkingen worden door de bevoegde instanties
van de lidstaten in het EU-binnenvaartcertificaat ingevuld. De Commissie en de
overige lidstaten worden hiervan op de hoogte gebracht. 3. In afwachting van de
vaststelling van de in lid 1, onder a), bedoelde uitvoeringshandelingen kunnen
de bevoegde instanties een voorlopig EU-binnenvaartcertificaat afgeven
overeenkomstig artikel 10, lid 2. In dat geval stellen de
bevoegde instanties binnen een maand na afgifte van het voorlopig
EU-binnenvaartcertificaat, met opgave van de naam en het Europees
scheepsidentificatienummer van het vaartuig, de Commissie en de overige
lidstaten in kennis van de aard van de afwijking en van het land waar het
vaartuig is geregistreerd of waarin zijn thuishaven is gelegen. 4. De Commissie publiceert een
lijst van overeenkomstig bijlage II erkende navigatieradarinstallaties en
bochtaanwijzers. Artikel 19
Erkenning van
scheepscertificaten van vaartuigen uit derde landen De Unie voert
onderhandelingen met derde landen om de wederzijdse erkenning van
scheepscertificaten door de Unie en derde landen te waarborgen. In afwachting van de
sluiting van dergelijke overeenkomsten kunnen de bevoegde instanties van een
lidstaat scheepscertificaten van vaartuigen uit derde landen erkennen voor het
bevaren van de nationale waterwegen van die lidstaat. De afgifte van
EU-binnenvaartcertificaten aan vaartuigen uit derde landen geschiedt overeenkomstig
artikel 7, lid 1. Artikel 20
Voortgezette
toepasselijkheid van Richtlijn 2009/100/EG Op vaartuigen die niet
onder artikel 2, leden 2 en 3, van deze richtlijn vallen, maar wel onder
artikel 1, onder a), van Richtlijn 2009/100/EG, zijn de bepalingen van
laatstgenoemde richtlijn van toepassing. Artikel 21
Overgangsbepalingen
betreffende het gebruik van documenten Documenten die onder deze
richtlijn vallen en die vóór de inwerkingtreding van deze richtlijn uit hoofde
van Richtlijn 2006/87/EG door de bevoegde instanties van de lidstaten zijn
afgegeven, blijven geldig tot de geldigheidsduur ervan verstrijkt. Artikel 22
Aanpassing van de
bijlagen 1. De Commissie is bevoegd
overeenkomstig artikel 24 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende
de aanpassing van de bijlagen I, II, III, IV en VII aan de vooruitgang van de
wetenschap en de techniek of aan ontwikkelingen op dit gebied zoals deze
resulteren uit de werkzaamheden van andere internationale organisaties, met
name die van de CCR, om ervoor te zorgen dat de twee in artikel 3, lid 1, onder
a), bedoelde certificaten worden afgegeven op basis van technische
voorschriften die een gelijkwaardig veiligheidsniveau waarborgen of om rekening
te houden met de in artikel 5 genoemde gevallen. De Commissie is bevoegd
overeenkomstig artikel 24 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende
bindende administratieve aanwijzingen inzake de gedetailleerde toepassing van
de technische voorschriften van bijlage II, teneinde een geharmoniseerde
interpretatie van deze voorschriften te waarborgen of rekening te houden met
beste praktijken die op Unieniveau zijn ontwikkeld in het licht van de
werkzaamheden van andere internationale organisaties, met name de CCR. Bij de vaststelling van deze
gedelegeerde handelingen waarborgt de Commissie dat de technische voorschriften
waaraan moet worden voldaan voor de afgifte van het voor de Rijnvaart erkende
EU-binnenvaartcertificaat, een veiligheidsniveau opleveren dat gelijkwaardig is
aan het niveau dat vereist is voor de afgifte van het in artikel 22 van de
herziene Rijnvaartakte bedoelde certificaat. 2. De Commissie is bevoegd
overeenkomstig artikel 24 gedelegeerde handelingen vast te stellen voor het
bijwerken van de verwijzingen in deze richtlijn naar bepaalde bepalingen van
bijlage II, teneinde rekening te houden met de in deze bijlage aangebrachte
wijzigingen. Artikel 23
Voorschriften van
tijdelijke aard De Commissie is bevoegd
overeenkomstig artikel 24 gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde te
voorzien in technische voorschriften van tijdelijke aard voor vaartuigen om testen
mogelijk te maken ter stimulering van innovatie en technische vooruitgang. Deze
voorschriften gelden voor ten hoogste drie jaar. Artikel 24
Delegatie 1. De bevoegdheid om
gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend onder
de in dit artikel neergelegde voorwaarden. 2. De in de artikelen 3, 4, 8, 10,
22 en 23 bedoelde bevoegdheidsdelegatie wordt vanaf [datum van inwerkingtreding
van de richtlijn] voor onbepaalde duur aan de Commissie verleend. 3. Het Europees Parlement of de
Raad kan de in de artikelen 3, 4, 8, 10, 22 en 23 bedoelde
bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking
beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt
van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van
de Europese Unie of op een latere datum die in het besluit wordt vermeld. Het
laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
4. Zodra de Commissie een
gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig
kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad. 5. Een overeenkomstig de
artikelen 3, 4, 8, 10, 22 en 23 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt
alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen bezwaar
maakt binnen een termijn van twee maanden nadat de Commissie hen van de
handeling in kennis heeft gesteld. Het Europees Parlement of de Raad kan deze
termijn met twee maanden verlengen. Artikel 25
Comitéprocedure 1. De Commissie wordt bijgestaan
door het bij artikel 7 van Richtlijn 91/672/EEG van de Raad ingestelde comité
(hierna "het comité" genoemd). Het comité is een comité in de zin van
Verordening (EU) nr. 182/2011. 2. Wanneer naar dit lid wordt
verwezen, is artikel 4 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing. Indien
het advies van het comité via de schriftelijke procedure dient te worden
verkregen, kan de voorzitter ervan binnen de termijn voor het uitbrengen van het
advies besluiten de procedure zonder gevolg te beëindigen. Artikel 26
Sancties De lidstaten stellen de
regels vast inzake de sancties die van toepassing zijn op overtredingen van de
ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen en nemen de
nodige maatregelen om de toepassing van die sancties te waarborgen. Deze
sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. Artikel 27
Omzetting 1. De lidstaten die over binnenwateren
als bedoeld in artikel 1 beschikken, doen de nodige wettelijke en
bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om met ingang van 1 januari 2015
aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daar
onverwijld van in kennis. Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen,
wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze
richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de
lidstaten. 2. De lidstaten delen de
Commissie de tekst van de bepalingen van intern recht mee die zij op het onder
deze richtlijn vallende gebied vaststellen. Artikel 28
Intrekking Richtlijn 2006/87/EG wordt
ingetrokken met ingang van 1 januari 2015. Verwijzingen naar de
ingetrokken richtlijn worden gelezen als verwijzingen naar deze richtlijn. Artikel 29
Inwerkingtreding Deze richtlijn treedt in
werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad
van de Europese Unie. Artikel 30
Adressaten Deze richtlijn is gericht
tot de lidstaten die beschikken over binnenwateren als bedoeld in artikel 1. Gedaan te Brussel, Voor het
Europees Parlement Voor de Raad De Voorzitter De
Voorzitter LIJST VAN BIJLAGEN Bijlage I Lijst van binnenwateren in de
Unie, geografisch onderverdeeld in de zones 1, 2, 3 en 4 Bijlage II Minimale technische
voorschriften voor vaartuigen die de waterwegen van de zones 1, 2, 3 en 4
bevaren Bijlage III Gebieden waarop aanvullende
technische voorschriften voor vaartuigen op de binnenwateren van de zones 1 en 2
mogen worden opgelegd Bijlage IV Gebieden waarop minder
strenge technische voorschriften voor schepen op de binnenwateren van de zones 3
en 4 mogen worden gehanteerd Bijlage V Model van het
EU-binnenvaartcertificaat Bijlage VI Modelregister van
EU-binnenvaartcertificaten Bijlage VII Classificatiebureaus [1] PB L 301 van 28.10.1982, blz. 1. [2] Richtlijn 2006/87/EG van het
Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot vaststelling van de
technische voorschriften voor binnenschepen en tot intrekking van Richtlijn 82/714/EEG
van de Raad, PB L 389 van 30.12.2006, blz. 1-260. [3] PB C […] van […], blz. […]. [4] PB C […] van […], blz. […]. [5] ….. [6] Richtlijn 2006/87/EG van het
Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot vaststelling
van de technische voorschriften voor binnenschepen en tot intrekking van
Richtlijn 82/714/EEG van de Raad (PB L 389 van 30.12.2006, blz. 1). [7] Richtlijn 2009/100/EG van het Europees Parlement en
de Raad van 16 september 2009 inzake de wederzijdse erkenning van
scheepsattesten voor binnenschepen (PB L 259 van 2.10.2009, blz. 8). [8] Verordening (EU) nr. 182/2011 van
het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de
algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop
de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren
(PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13). [9] PB L 163 van 25.6.2009, blz. 1. [10] Richtlijn 94/57/EG van de Raad van 22
november 1994 inzake gemeenschappelijke voorschriften en normen voor met de
inspectie en controle van schepen belaste organisaties en voor de
desbetreffende werkzaamheden van maritieme instanties (PB L 319 van 12.12.1994,
blz. 20). BIJLAGE bij het voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT
EN DE RAAD tot vaststelling van de technische
voorschriften voor binnenschepen en tot intrekking van Richtlijn 2006/87/EG van
het Europees Parlement en de Raad LIJST VAN BIJLAGEN Bijlage I Lijst van
binnenwateren in de EU, geografisch onderverdeeld in de zones 1, 2, 3 en 4 Bijlage II Minimale
technische voorschriften voor vaartuigen die de waterwegen van de zones 1, 2, 3
en 4 bevaren BIJLAGE I LIJST VAN
BINNENWATEREN IN DE EU, GEOGRAFISCH ONDERVERDEELD IN DE ZONES 1, 2, 3 EN 4 HOOFDSTUK 1 Zone 1 Bondsrepubliek
Duitsland Eems || Van de verbindingslijn tussen de voormalige vuurtoren van Greetsiel en de westpier van de haveningang bij Eemshaven, zeewaarts tot 53° 30' NB en 6° 45' OL, dit wil zeggen iets verder zeewaarts dan de overslagplaats voor drogeladingschepen in de Alte Ems[1] Republiek Polen Het deel van de Pommerse
Bocht ten zuiden van de lijn tussen Nord Perd op het eiland Rugen en de
vuurtoren van Niechorze. Het deel van de Bocht van
Gdańsk ten zuiden van de lijn tussen de vuurtoren Hel en de ingangsboei van de
haven van Baltijsk. Verenigd Koninkrijk
van Groot-Brittannië en Noord-Ierland SCHOTLAND || Blue Mull Sound || Tussen Gutcher en Belmont Yell Sound || Tussen Tofts Voe en Ulsta Sullom Voe || Binnen de lijn van de noordoostpunt van Gluss Island naar de noordpunt van Calback Ness Dales Voe || Winter: binnen de lijn van de noordpunt van Kebister Ness naar de kust van Breiwick op 1° 10,8' WL Dales Voe || Zomer: zie Lerwick Lerwick || Winter: binnen het gebied dat in het noorden wordt begrensd door de lijn van Scottle Holm naar Scarfi Taing op Bressay en in het zuiden door de lijn van de vuurtoren van Twageos Point naar Whalpa Taing op Bressay Lerwick || Zomer: binnen het gebied dat in het noorden wordt begrensd door de lijn van Brim Ness naar de noordoosthoek van Inner Score en in het zuiden door de lijn van de zuidpunt van Ness of Sound naar Kirkabisterness Kirkwall || Tussen Kirkwall en Rousay, maar niet ten oosten van de lijn tussen Point of Graand (Egilsay) en Galt Ness (Shapinsay) of tussen Head of Work (op Mainland) via de vuurtoren van Helliar Holm naar de kust van Shapinsay; niet ten noordwesten van de zuidoostpunt van Eynhallow Island, niet verder zeewaarts dan de lijn tussen de kust van Rousay op 59° 10,5' NB en 2° 57,1' WL en de kust van Egilsay op 59° 10,0' NB en 002° 56,4' WL Stromness || Naar Scapa maar niet buiten Scapa Flow Scapa Flow || Binnen het gebied dat wordt begrensd door lijnen van Point of Cletts op het eiland Hoy via het driehoekspunt van Thomson's Hill op het eiland Fara naar Gibraltar Pier op het eiland Flotta; van St Vincent Pier op het eiland Flotta naar het meest westelijke punt van Calf of Flotta; van het meest oostelijke punt van Calf of Flotta naar Needle Point op het eiland South Ronaldsay en van the Ness op Mainland via de vuurtoren van Point of Oxan op het eiland Graemsay naar Bu Point op het eiland Hoy; en zeewaarts van wateren van zone 2 Balnakiel Bay || Tussen Eilean Dubh en A'Chleit Cromarty Firth || Binnen de lijn van North Sutor naar de golfbreker van Nairn en zeewaarts van wateren van zone 2 Inverness || Binnen de lijn van North Sutor naar de golfbreker van Nairn en zeewaarts van wateren van zone 2 Tay — Dundee || Binnen de lijn van Broughty Castle naar Tayport en zeewaarts van wateren van zone 2 Firth of Forth en Forth || Binnen de lijn van Kirkcaldy naar de Portobello en zeewaarts van wateren van zone 2 Solway Firth || Binnen de lijn van Southerness Point naar Silloth Loch Ryan || Binnen de lijn van Finnart's Point naar Milleur Point en zeewaarts van wateren van zone 2 Clyde || Buitengrens: de lijn van Skipness via het punt een mijl ten zuiden van Garroch Head naar Farland Head Binnengrens in de winter: de lijn van de vuurtoren van Cloch naar de pier van Dunoon Binnengrens in de zomer: de lijn van Bogany Point op Isle of Bute naar Skelmorlie Castle en de lijn van Ardlamont Point naar de zuidpunt van Ettrick Bay binnen de Kyles of Bute N.B.: De bovenvermelde binnengrens in de zomer wordt tussen 5 juni en 5 september (beide data inbegrepen) uitgebreid tot de lijn van het punt twee mijl uit de kust van Ayrshire bij Skelmorlie Castle naar Tomont End op Cumbrae en de lijn van Portachur Point op Cumbrae naar Inner Brigurd Point in Ayrshire Oban || Binnen het gebied dat in het noorden wordt begrensd door de lijn van de vuurtoren van Dunollie Point naar Ard na Chruidh en in het zuiden door de lijn van Rudha Seanach naar Ard na Cuile Kyle of Lochalsh || Door Loch Alsh naar de kop van Loch Duich Loch Gairloch || Winter: geen Zomer: Ten zuiden van de lijn die van Rubha na Moine in oostelijke richting naar Eilan Horrisdale loopt en vandaar naar Rubha nan Eanntag NOORD-IERLAND || Belfast Lough || Winter: geen Zomer: binnen de lijn van Carrickfergus naar Bangor en zeewaarts van wateren van zone 2 Loch Neagh || Meer dan twee mijl uit de kust OOSTKUST VAN ENGELAND || Humber || Winter: binnen de lijn van New Holland naar Paull Zomer: binnen de lijn van de pier van Cleethorpes naar de kerk van Patrington en zeewaarts van wateren van zone 2 WALES EN WESTKUST VAN ENGELAND || Severn || Winter: binnen de lijn van Blacknore Point naar Caldicot Pill, Porstkewett Zomers: binnen de lijn van de pier van de haven van Barry via Steepholm naar Brean Down en zeewaarts van wateren van zone 2 Wye || Winter: binnen de lijn van Blacknore Point naar Caldicot Pill, Porstkewett Zomer: binnen de lijn van de pier van de haven van Barry via Steepholm naar Brean Down en zeewaarts van wateren van zone 2 Newport || Winter: geen Zomer: binnen de lijn van de pier van de haven van Barry via Steepholm naar Brean Down en zeewaarts van wateren van zone 2 Cardiff || Winter: geen Zomer: binnen de lijn van de pier van de haven van Barry via Steepholm naar Brean Down en zeewaarts van wateren van zone 2 Barry || Winter: geen Zomer: binnen de lijn van de pier van de haven van Barry via Steepholm naar Brean Down en zeewaarts van wateren van zone 2 Swansea || Binnen de verbindingslijn tussen de zee-uiteinden van de golfbrekers Menai Straits || Binnen de Menai Straits vanaf de verbindingslijn tussen de vuurtoren van Llanddwyn Island en Dinas Dinlleu en de verbindingslijnen tussen de zuidpunt van Puffin Island en Trwyn DuPoint en het spoorwegstation van Llanfairfechan en zeewaarts van wateren van zone 2 Dee || Winter: binnen de lijn van Hilbre Point naar Point of Air Zomer: binnen de lijn van Fromby Point naar Point of Air en zeewaarts van wateren van zone 2 Mersey || Winter: geen Zomer: binnen de lijn van Fromby Point naar Point of Air en zeewaarts van wateren van zone 2 Preston en Southport || Binnen de lijn van Southport naar Blackpool binnen de oevers en zeewaarts van wateren van zone 2 Fleetwood || Winter: geen Zomer: binnen de lijn van Rossal Point naar Humphrey Head en zeewaarts van wateren van zone 2 Lune || Winter: geen Zomer: binnen de lijn van Rossal Point naar Humphrey Head en zeewaarts van wateren van zone 2 Heysham || Winter: geen Zomer: binnen de lijn van Rossal Point naar Humphrey Head Morecambe || Winter: geen Zomer: binnen de lijn van Rossal Point naar Humphrey Head Workington || Binnen de lijn van Southerness Point naar Silloth en zeewaarts van wateren van zone 2 ZUID-ENGELAND || Colne — Colchester || Winter: binnen de lijn van Colne Point naar Whitstable Zomer: binnen de lijn van de pier van Clacton naar Reculvers Blackwater || Winter: binnen de lijn van Colne Point naar Whitstable Zomer: binnen de lijn van de pier van Clacton naar Reculvers en zeewaarts van wateren van zone 2 Crouch en Roach || Winter: binnen de lijn van Colne Point naar Whitstable Zomer: binnen de lijn van de pier van Clacton naar Reculvers en zeewaarts van wateren van zone 2 Theems en zijrivieren || Winter: binnen de lijn van Colne Point naar Whitstable Zomer: binnen de lijn van de pier van Clacton naar Reculvers en zeewaarts van wateren van zone 2 Medway en Swale || Winter: binnen de lijn van Colne Point naar Whitstable Zomer: binnen de lijn van de pier van Clacton naar Reculvers en zeewaarts van wateren van zone 2 Chichester || Landwaarts vanaf het Isle of Wight binnen het gebied dat oostwaarts wordt begrensd door de lijn van de kerktoren van West Wittering naar de Trinity Church in Bembridge, en westwaarts door de lijn van the Needles naar Hurst Point en zeewaarts van wateren van zone 2 Haven van Langstone || Landwaarts vanaf het Isle of Wight binnen het gebied dat oostwaarts wordt begrensd door de lijn van de kerktoren van West Wittering naar de Trinity Church in Bembridge, en westwaarts door de lijn van the Needles naar Hurst Point en zeewaarts van wateren van zone 2 Portsmouth || Landwaarts vanaf het Isle of Wight binnen het gebied dat oostwaarts wordt begrensd door de lijn van de kerktoren van West Wittering naar de Trinity Church in Bembridge, en westwaarts door de lijn van the Needles naar Hurst Point en zeewaarts van wateren van zone 2 Bembridge, Isle of Wight || Landwaarts vanaf het Isle of Wight binnen het gebied dat oostwaarts wordt begrensd door de lijn van de kerktoren van West Wittering naar de Trinity Church in Bembridge, en westwaarts door de lijn van the Needles naar Hurst Point en zeewaarts van wateren van zone 2 Cowes, Isle of Wight || Landwaarts vanaf het Isle of Wight binnen het gebied dat oostwaarts wordt begrensd door de lijn van de kerktoren van West Wittering naar de Trinity Church in Bembridge, en westwaarts door de lijn van the Needles naar Hurst Point en zeewaarts van wateren van zone 2 Southampton || Landwaarts vanaf het Isle of Wight binnen het gebied dat oostwaarts wordt begrensd door de lijn van de kerktoren van West Wittering naar de Trinity Church in Bembridge, en westwaarts door de lijn van the Needles naar Hurst Point en zeewaarts van wateren van zone 2 Beaulieu || Landwaarts vanaf het Isle of Wight binnen het gebied dat oostwaarts wordt begrensd door de lijn van de kerktoren van West Wittering naar de Trinity Church in Bembridge, en westwaarts door de lijn van the Needles naar Hurst Point en zeewaarts van wateren van zone 2 Meer van Keyhaven || Landwaarts vanaf het Isle of Wight binnen het gebied dat oostwaarts wordt begrensd door de lijn van de kerktoren van West Wittering naar de Trinity Church in Bembridge, en westwaarts door de lijn van the Needles naar Hurst Point en zeewaarts van wateren van zone 2 Weymouth || In de haven van Portland en tussen de Wey en de haven van Portland Plymouth || Binnen de lijn van Cawsand via de golfbreker naar Staddon en zeewaarts van wateren van zone 2 Falmouth || Winter: binnen de lijn van St. Anthony Head naar Rosemullion Zomer: binnen de lijn van St. Anthony Head naar Nare Point en zeewaarts van wateren van zone 2 Camel || Binnen de lijn van Stepper Point naar Trebetherick Point en zeewaarts van wateren van zone 2 Bridgwater || Landinwaarts van de bank en zeewaarts van wateren van zone 2 Avon (Avon) || Winter: binnen de lijn van Blacknore Point naar Caldicot Pill, Porstkewett Zomer: binnen de lijn van de pier van de haven van Barry via Steepholm naar Brean Down en zeewaarts van wateren van zone 2 Zone 2 Tsjechische Republiek Stuwmeer van Lipno Bondsrepubliek
Duitsland Eems || Van de verbindingslijn over de Eems bij de haveningang van Papenburg tussen het voormalige gemaal van Diemen en de dijksluis bij Halte tot de verbindingslijn tussen de voormalige vuurtoren van Greetsiel en de westpier van de haveningang bij Eemshaven Jade || Binnen de verbindingslijn tussen de voormalige vuurtoren van Schillig en de kerktoren van Langwarden Weser || van de noordwesthoek van de spoorwegbrug in Bremen tot aan de verbindingslijn tussen de kerktorens van Langwarden en Cappel, met de zijarmen Westergate, Rekumer Loch, de rechter zijarm en Schweiburg Elbe met de Bütztflether Süderelbe (vanaf km 0,69 tot de monding in de Elbe), Ruthenstrom (vanaf km 3,75 tot de monding in de Elbe), Wischhafener Süderelbe (vanaf km 8,03 tot de monding in de Elbe) || van de onderste grens van de haven van Hamburg tot aan de verbindingslijn tussen de Kugelbake bij Döse en de westelijke punt van de Friedrichskoogdijk (Dieksand), met inbegrip van de Zij-Elbe en de zijrivieren Este, Lühe, Schwinge, Oste, Pinnau, Krückau en Stör (telkens van de monding tot aan de vloedkering) Meldorfer Bocht || binnen de verbindingslijn van de westelijke punt van de Friedrichskoogdijk (Dieksand) tot het westelijke havenhoofd bij Büsum Eider || van de monding van het Gieselaukanaal (km 22,64) tot aan de lijn tussen het midden van de burcht (waterplas) en de kerktoren van Vollerwiek Gieselaukanaal || van de monding in de Eider tot aan de monding in het Noord-Oostzeekanaal Flensburger Förde || binnen de verbindingslijn tussen de vuurtoren van Kegnaes en Birknack en noordwaarts vanaf de Duits-Deense grens in de Flensburger Förde Schlei || binnen de verbindingslijn tussen de havenhoofden bij Schleimünde Eckernförder Bocht || binnen de verbindingslijn tussen Boknis-Eck en de noordoostelijke punt van het vasteland bij Dänisch Nienhof Kieler Förde || binnen de verbindingslijn tussen de vuurtoren van Bülk en het marinegedenkteken van Laboe Noord-Oostzeekanaal met inbegrip van de Audorfer See en de Schirnauer See || van de verbindingslijn tussen de havenhoofden bij Brunsbüttel tot aan de verbindingslijn tussen de toegangsbakens bij Kiel-Holtenau, met inbegrip van de meren Obereidersee met Enge, Audorfer See, Bergstedter See met Enge, Schirnauer See, Flemhuder See en het Achterwehrer Schiffahrtskanal Trave || van de noordwesthoek van de spoorweghefbrug in Lübeck met de Pötenitzer Wiek en de Dassower See tot aan de verbindingslijn tussen het zuidelijke binnen- en het noordelijke buitenhavenhoofd in Travemünde Leda || van de ingang van de voorhaven van de zeesluis van Leer tot aan de monding in de Eems Hunte || van de haven van Oldenburg en van 140 m beneden de Amalienbrug in Oldenburg tot aan de monding in de Weser Lesum || vanaf de samenvloeiing van de Hamme en Wümme (km 0,00) tot de monding in de Weser Este || benedenstrooms van de sluis van Buxtehude (km 0,25) tot aan de monding in de Elbe Lühe || benedenstrooms van de Au-Mühle in Horneburg (km 0,00) tot aan de monding in de Elbe Schwinge || van de noordhoek van de Salztor-sluis in Stade tot aan de monding in de Elbe Oste || vanaf 210 m boven de as van de brug over de vloedkering Oste (km 69,360) tot aan de monding in de Elbe Pinnau || van de zuidwesthoek van de spoorwegbrug in Pinneberg tot aan de monding in de Elbe Krückau || van de zuidwesthoek van de brug waar de Wedenkamp (straat) in Elmshorn overheen loopt tot aan de monding in de Elbe Stör || van de peilschaal bij Rensing tot aan de monding in de Elbe Freiburger Hafenpriel || van de oosthoek van de sluis in Freiburg an der Elbe tot aan de monding in de Elbe Wismarbocht, Kirchsee, Breitling, Salzhaff en havengebied Wismar || zeewaarts tot aan de verbindingslijn tussen Hohen Wieschendorf Huk en het Timmendorfbaken en de verbindingslijn tussen het baken van Gollwitz op het eiland Poel en de zuidpunt van het Wustrow-schiereiland Warnow, met inbegrip van de Breitling en zijarmen || beneden de Mühlendamm vanaf de noordhoek van de Geinitzbrücke in Rostock zeewaarts tot aan de verbindingslijn tussen de noordpunten van het westelijke en het oostelijke havenhoofd in Warnemünde De wateren omgeven door het vasteland en de schiereilanden Darß en Zingst en de eilanden Hiddensee en Rügen (met inbegrip van het havengebied van Stralsund) || zeewaarts tussen – het schiereiland Zingst en het eiland Bock: tot 54° 26' 42'' NB – de eilanden Bock en Hiddensee: tot aan de verbindingslijn tussen de noordpunt van het eiland Bock en de zuidpunt van het eiland Hiddensee – het eiland Hiddensee en het eiland Rügen (Bug): tot aan de verbindingslijn tussen het zuidoostpunt van Neubessin en de Buger Haken Kleine Jasmunder Bodden || Greifswalder Bodden || Bodden zeewaarts tot aan de lijn van de oostpunt van Thiessower Haken (Südperd) naar de oostpunt van het eiland Ruden, en verder naar de noordpunt van het eiland Usedom (54° 10' 37'' NB, 13° 47' 51'' OL) Ryck || oostwaarts vanaf de Steinbecker-brug in Greifswald tot de verbindingslijn tussen de havenhoofden De wateren omgeven door het vasteland en het eiland Usedom (de Peene, met inbegrip van het havengebied van Wolgast en het Achterwasser, en de Oder Haff) || oostwaarts tot aan de grens met de Republiek Polen in de Stettiner Haff Uecker || van de zuidwesthoek van de verkeersbrug in de Uekermünde tot de verbindingslijn tussen de havenhoofden Noot: Ten aanzien van
schepen met thuishaven in een andere Staat moet artikel 32 van het
Eems-Dollardverdrag van 8 april 1960 (BGBl. 1963 II, blz. 602) in acht worden
genomen. Franse Republiek de Gironde vanaf
kilometerpunt (km 48,50) tot beneden de punt van het Ile de Patiras, tot de
transversale grens van de zee die wordt gedefinieerd door de lijn die de Pointe
de Grave met de Pointe de Suzac verbindt; de Loire vanaf Cordemais (km
25) tot de transversale grens van de zee die wordt gedefinieerd door de lijn
die de Pointe de Mindin met de Pointe de Penhoët verbindt; de Seine van het begin van
het Canal de Tancarville tot de transversale grens van de zee die wordt
gedefinieerd door de lijn van Cap du Hode op de rechteroever, tot het punt, op
de linkeroever, waar de geplande dijk beneden Berville de kust bereikt; de Vilaine vanaf de dam
van Arzal tot de transversale grens van de zee die wordt gedefinieerd door de
lijn die de Pointe du Scal verbindt met de Pointe du Moustoir; Meer van Genève. Republiek Hongarije Balatonmeer Koninkrijk der
Nederlanden Dollard Eems Waddenzee: met inbegrip
van de verbindingen met de Noordzee IJsselmeer: met inbegrip
van het Markermeer en het IJmeer, doch met uitzondering van de Gouwzee Nieuwe Waterweg en het
Scheur Calandkanaal ten westen
van de Benelux-haven Hollandsch Diep Breediep, Beerkanaal en de
op het Beerkanaal aansluitende havens Haringvliet en Vuile Gat:
met inbegrip van de waterwegen tussen Goeree-Overflakkee enerzijds en
Voorne-Putten en Hoeksche Waard anderzijds Hellegat Volkerak Krammer Grevelingenmeer en
Brouwerschavensche Gat: met inbegrip van alle waterwegen tussen
Schouwen-Duiveland enerzijds en Goeree-Overflakkee anderzijds Keten, Mastgat, Zijpe,
Krabbenbeek, Oosterschelde en Roompot: met inbegrip van de waterwegen tussen
Walcheren, Noord-Beveland en Zuid-Beveland enerzijds en Schouwen-Duiveland en
Tholen anderzijds, met uitzondering van het Schelde-Rijnkanaal Schelde en Westerschelde
en de zeemonding daarvan: met inbegrip van de waterwegen tussen Zeeuwsch
Vlaanderen enerzijds en Walcheren en Zuid-Beveland anderzijds, met uitzondering
van het Schelde-Rijnkanaal Republiek Polen Zalew Kamieński (Camminer
Haff) Wisłahaf Wisłahaf Zatoka Pucka (Bocht van
Puck) Meer van Włocławek Śniardwymeer Niegocinmeer Mamrymeer Verenigd Koninkrijk
van Groot-Brittannië en Noord-Ierland SCHOTLAND || Scapa Flow || Binnen het gebied dat wordt begrensd door lijnen van Warth op het eiland Flotta naar de Martello-toren op South Walls, en van Point Cletts op het eiland Hoy via het driehoekspunt van Thomson's Hill op het eiland Fara naar Gibraltar Pier op het eiland Flotta Kyle of Durness || Ten zuiden van Eilean Dubh Cromarty Firth || Binnen de verbindingslijn tussen North Sutor en South Sutor Inverness || Binnen de lijn van Fort George naar Chanonry Point Baai van Findhorn || Binnen de landtong Aberdeen || Binnen de lijn van South Jetty naar Abercromby Jetty Montrose Basin || Ten westen van de noordzuidlijn over de haveningang bij de vuurtoren van Scurdie Ness Tay — Dundee || Binnen de lijn van de getijhaven (vissershaven) van Dundee naar Craig Head, East Newport Firth of Forth en Forth || Binnen de Firth of Forth maar niet ten oosten van de spoorwegbrug over de Forth Dumfries || Binnen de lijn van Airds Point naar Scar Point Loch Ryan || Binnen de lijn van Cairn Point naar Kircolm Point Haven van Ayr || Binnen de Bar Clyde || Boven de wateren van zone 1 Kyles of Bute || Tussen Colintraive en Rhubodach Haven van Campbeltown || Binnen de lijn van Macringan's Point naar Ottercharach Point Loch Etive || Binnen Loch Etive boven de Falls of Lora Loch Leven || Boven de brug bij Ballachulish Loch Linnhe || Ten noorden van de vuurtoren van Corran Point Loch Eil || Het hele meer Caledonisch kanaal || Loch Lochy, Loch Oich en Loch Ness Kyle of Lochalsh || Binnen Kyle Akin maar niet ten westen van de vuurtoren van Eilean Ban of ten oosten van Eileanan Dubha Loch Carron || Tussen Stromemore en Strome Ferry Loch Broom, Ullapool || Binnen de lijn van de vuurtoren van Ullapool Point naar Aultnaharrie Kylesku || Over Loch Cairnbawn in het gebied tussen het meest oostelijke punt van Garbh Eilean en het meest westelijke punt van Eilean na Rainich Haven van Stornoway || Binnen de lijn van Arnish Point naar de vuurtoren van Sandwick Bay, aan de noordwestzijde Sound of Scalpay || Niet ten oosten van Berry Cove (Scalpay) en niet ten westen van Croc a Loin (Harris) North Harbour, Scalpay en de haven van Tarbert || Binnen een mijl uit de kust van het eiland Harris Loch Awe || Het hele meer Loch Katrine || Het hele meer Loch Lomond || Het hele meer Loch Tay || Het hele meer Loch Loyal || Het hele meer Loch Hope || Het hele meer Loch Shin || Het hele meer Loch Assynt || Het hele meer Loch Glascarnoch || Het hele meer Loch Fannich || Het hele meer Loch Maree || Het hele meer Loch Gairloch || Het hele meer Loch Monar || Het hele meer Loch Mullardach || Het hele meer Loch Cluanie || Het hele meer Loch Loyne || Het hele meer Loch Garry || Het hele meer Loch Quoich || Het hele meer Loch Arkaig || Het hele meer Loch Morar || Het hele meer Loch Shiel || Het hele meer Loch Earn || Het hele meer Loch Rannoch || Het hele meer Loch Tummel || Het hele meer Loch Ericht || Het hele meer Loch Fionn || Het hele meer Loch Glass || Het hele meer Loch Rimsdale/nan Clar || Het hele meer NOORD-IERLAND || Strangford Lough || Binnen de lijn van Cloghy Point naar Dogtail Point Belfast Lough || Binnen de lijn van Holywood naar Macedon Point Larne || Binnen de lijn van de pier van Larne naar de ferrypier op het eiland Magee Bann || Vanaf de zee-uiteinden van de golfbrekers tot de brug van Toome Lough Erne || Upper en Lower Lough Erne Lough Neagh || Binnen twee mijl uit de kust OOSTKUST VAN ENGELAND || Berwick || Binnen de golfbrekers Warkworth || Binnen de golfbrekers Blyth || Binnen de buitenste havenhoofden Tyne || Van Dunston Staithes tot de havenhoofden van Tyne Wear || Van Fatfield tot de havenhoofden van Sunderland Seaham || Binnen de golfbrekers Hartlepool || Binnen de lijn van de pier van Middleton naar het oude havenhoofd Binnen de verbindingslijn tussen het noordelijke havenhoofd en het zuidelijke havenhoofd Tees || Binnen de lijn westwaarts van Government Jetty naar de vloedkering in de Tees Whitby || Binnen de havenhoofden van Whitby Humber || Binnen de lijn van North Ferriby naar South Ferriby Haven van Grimsby || Binnen de lijn van de westpier van de getijhaven naar de oostpier van de Fish Docks, North Quay Boston || Binnen de New Cut Dutch River || Het hele kanaal Hull || Van Beverley Beck tot River Humber Kielder Water || Het hele meer Ouse || Beneden de Naburn-sluis Trent || Beneden de Cromwell-sluis Wharfe || Vanaf de samenvloeiing met de Ouse tot de brug van Tadcaster Scarborough || Binnen de havenhoofden van Scarborough WALES EN WESTKUST VAN ENGELAND || Severn || Ten noorden van de lijn westwaarts vanaf Sharpness Point (51° 43,4' NB) naar Llanthony en Maisemore Weirs en zeewaarts van wateren van zone 3 Wye || Bij Chepstow, ten noorden van 51° 38,0' NB tot Monmouth Newport || Ten noorden van waar de hoogspanningskabels bij Fifoots Points over het water gaan Cardiff || Binnen de lijn van South Jetty naar Penarth Head De omsloten wateren ten westen van de vloedkering van de baai van Cardiff Barry || Binnen de verbindingslijn tussen de zee-uiteinden van de golfbrekers Port Talbot || Binnen de verbindingslijn tussen de zee-uiteinden van de golfbrekers aan de monding van de Afran buiten de omsloten haven Neath || Binnen de lijn noordwaarts van het zee-uiteinde van de tankerpier van Baglan Bay (51° 37,2' NB, 3° 50,5' WL) Llanelli en de haven van Burry || Binnen de lijn van de westpier van de haven van Burry naar Whiteford Point Haven van Milford || Binnen de lijn van South Hook Point naar Thorn Point Fishguard || Binnen de verbindingslijn tussen de zee-uiteinden van de noordelijke en de oostelijke golfbreker Cardigan || Binnen de Narrows bij Pen-Yr-Ergyd Aberystwyth || Binnen de zee-uiteinden van de golfbrekers Aberdyfi || Binnen de lijn van Aberdyfi Railway Station naar het baken van Twyni Bach Barmouth || Binnen de lijn van het spoorwegstation van Barmouth naar Penrhyn Point Portmadoc || Binnen de lijn van Harlech Point naar Graig Ddu Holyhead || Binnen het gebied dat wordt begrensd door de grootste golfbreker en door de lijn van de kop van de golfbreker naar Brynglas Point, Towyn Bay Menai Straits || In de Menai Straits tussen de verbindingslijn tussen Aber Menai Point en Belan Point en door de verbindingslijn tussen de pier van Beaumaris en Pen-y-Coed Point Conway || Binnen de lijn van Mussel Hill naar Tremlyd Point Llandudno || Binnen de golfbreker Rhyl || Binnen de golfbreker Dee || Boven Connah's Quay tot het waterwinpunt bij Barrelwell Hill Mersey || Binnen de lijn tussen de Rock-vuurtoren en het North West Seaforth Dock, de andere havens niet inbegrepen Preston en Southport || Binnen de lijn van Lytham naar Southport in de haven van Preston Fleetwood || Binnen de lijn van Low Light naar Knott Lune || Binnen de lijn van Sunderland Point naar Chapel Hill tot en met de haven van Glasson Barrow || Binnen de lijn van Haws Point via het Isle of Walney naar de scheepshelling van Roa Island Whitehaven || Binnen de golfbreker Workington || Binnen de golfbreker Maryport || Binnen de golfbreker Carlisle || Binnen de verbindingslijn tussen Point Carlisle en Torduff Coniston Water || Het hele meer Derwentwater || Het hele meer Ullswater || Het hele meer Windermere || Het hele meer ZUID-ENGELAND || Blakeney en de haven van Morston en toegangswateren || Ten oosten van de lijn zuidwaarts van Blakeney Point naar de monding van de Stiffkey Orwell en Stour || De Orwell binnen de lijn van de Blackmanshead-golfbreker naar Landguard Point en zeewaarts van wateren van zone 3 Blackwater || Alle waterwegen binnen de lijn van de uiterste zuidwestpunt van Mersea island naar Sales Point Crouch en Roach || De Crouch binnen de lijn van Holliwell Point naar Foulness Point, met inbegrip van de Roach Theems en zijrivieren || De Theems boven de noordzuidlijn door de uiterste oostpunt van Denton Wharf Pier, Gravesend, tot de sluis van Teddington Medway en Swale || De Medway vanaf de lijn van Garrison Point naar de Grain Tower, tot aan de sluis van Allington; en de Swale vanaf Whitstable tot aan de Medway Stour (Kent) || De Stour boven de monding tot de steiger bij Flagstaff Reach Haven van Dover || Binnen de lijnen over de oostelijke en de westelijke haveningang Rother || De Rother boven het getijseinstation bij Camber tot de sluis van Scots Float en tot de toegangssluis in de Brede Adur en het kanaal van Southwick || Binnen de lijn die van de ingang van de haven van Shoreham via de sluis in het kanaal van Southwick naar de westzijde van Tarmac Wharf loopt Arun || De Arun boven de pier van Littlehampton tot de jachthaven van Littlehampton Ouse (Sussex) Newhaven || De Ouse vanaf de lijn over de havendammen van Newhaven tot de noordzijde van de North Quay Brighton || De buitenhaven van de jachthaven van Brighton binnen de lijn van het zuideinde van de West Quay tot het noordeinde van de South Quay Chichester || Binnen de lijn van Eastoke point naar de kerktoren van West Wittering en zeewaarts van wateren van zone 3 Haven van Langstone || Binnen de lijn van Eastney Point naar Gunner Point Portsmouth || Binnen de lijn over de haveningang van Port Blockhouse naar de Round Tower Bembridge, Isle of Wight || Binnen de haven van Brading Cowes, Isle of Wight || De Medina binnen de lijn van Breakwater Light op de oostoever naar House Light op de westoever Southampton || Binnen de lijn van Calshot Castle naar Hook Beacon Beaulieu || Op de Beaulieu, maar niet ten oosten van de noordzuidlijn door Inchmery House Meer van Keyhaven || Binnen de lijn noordwaarts van de vuurtoren van Hurst Point Low naar Keyhaven Marshes Christchurch || The Run Poole || Binnen de lijn van het kettingveer tussen Sandbanks en South Haven Point Exeter || Binnen de oostwestlijn van Warren Point naar het Inshore Lifeboat Station tegenover Checkstone Ledge Teignmouth || In de haven Dart || Binnen de lijn van Kettle point naar Battery Point Salcombe || Binnen de lijn van Splat Point to Limebury Point Plymouth || Binnen de lijn van Mount Batten Pier naar Raveness Point via Drake's Islands; de Yealm binnen de lijn van Warren Point naar Misery Point Fowey || In de haven Falmouth || Binnen de lijn van St. Anthony Head naar Pendennis Point Camel || Binnen de lijn van Gun Point naar Brea Hill Taw en Torridge || Binnen de lijn 200° rechtwijzend van de vuurtoren op Crow Point naar de kust bij Skern Point Bridgwater || Ten zuiden van de lijn oostwaarts vanaf Stert Point (51° 13,0' NB) Avon (Avon) || Binnen de lijn van Avonmouth Pier via Wharf Point naar Netham Dam HOOFDSTUK 2 Zone 3 Koninkrijk België Zeeschelde beneden
Antwerpen Republiek Bulgarije Donau: van rkm 845,650 tot
rkm 374,100 Tsjechische Republiek Elbe: van de sluis van
Ústí nad Labem-Střekov tot de sluis van Lovosice Stuwmeren: Baška, Brněnská
(Kníničky), Horka (Stráž pod Ralskem), Hracholusky, Jesenice, Nechranice,
Olešná, Orlík, Pastviny, Plumov, Rozkoš, Seč, Skalka, Slapy, Těrlicko, Žermanice Máchovo-meer Watergebied Velké
Žernoseky Bekkens: Oleksovice, Svět,
Velké Dářko Grindwinningsmeren: Dolní
Benešov, Ostrožná Nová Ves a Tovačov Bondsrepubliek
Duitsland Donau || Van Kelheim (km 2414,72) tot aan de Duits-Oostenrijkse grens bij Jochenstein Rijn met Lampertheimer Altrhein (van km 4,75 tot aan de Rijn), Altrhein Stockstadt-Erfelden (van km 9,80 tot aan de Rijn) || Van de Duits-Zwitserse grens tot aan de Duits-Nederlandse grens Elbe (Norderelbe) met inbegrip van de Süderelbe en de Köhlbrand || Van de monding van het Elbe-Seitenkanaal tot aan de ondergrens van de haven van Hamburg Müritz || Franse Republiek De Adour van de Bec du
Gave tot de zee; de Aulne van de sluis bij
Châteaulin tot de transversale grens van de zee die wordt gedefinieerd door de
Passage de Rosnoën; de Blavet van Pontivy tot
de Pont du Bonhomme; het Kanaal van Calais; de Charente vanaf de brug
bij Tonnay-Charente tot aan de transversale grens van de zee die wordt
gedefinieerd door de lijn tussen het midden van de benedenstroomse vuurtoren op
de linkeroever en het midden van het Fort de la Pointe; de Dordogne vanaf de
samenvloeiing met de Lidoire tot de Bec d'Ambès; de Garonne vanaf de brug
bij Castet en Dorthe tot de Bec d'Ambès; de Gironde vanaf de Bec
d'Ambès tot aan de transversale grens bij km 48,50 en lopende door de
benedenstroomse punt van Ile de Patiras; de Hérault vanaf de haven
van Bessan tot de zee, tot aan de bovenste grens van de getijdenkust; de Isle vanaf de
samenvloeiing met de Dronne tot de samenvloeiing met de Dordogne; de Loire vanaf de
samenvloeiing met de Maine tot Cordemais (km 25); de Marne vanaf de brug bij
Bonneuil (km 169bis900) en de sluis bij St. Maur tot aan de samenvloeiing met
de Seine; de Rijn; de Nive vanaf de
Haïtze-dam bij Ustaritz tot de samenvloeiing met de Adour; de Oise vanaf de sluis van
Janville tot de samenvloeiing met de Seine; de Orb vanaf Sérignan tot
de zee, tot aan de bovenste grens van de getijdenkust; de Rhône vanaf de grens
met Zwitserland tot de zee, uitgezonderd de Petit Rhône; de Saône vanaf de Pont de
Bourgogne bij Chalon‑sur‑Saône tot de samenvloeiing met de Rhône; de Seine vanaf de sluis
bij Nogent‑sur‑Seine tot het begin van het Canal de Tancarville; de Sèvre Niortaise vanaf
de sluis bij Marans bij de transversale grens van de zee tegenover het
wachthuis tot de monding; de Somme vanaf de
benedenstroomse zijde van de Pont de la Portelette bij Abbeville tot het
viaduct van de spoorweg van Noyelles naar Saint-Valéry-sur-Somme; de Vilaine vanaf Redon (KP
89,345) tot de dam van Arzal; Meer van Amance; Meer van Annecy; Meer van Biscarosse; Meer van Bourget; Meer van Carcans; Meer van Cazaux; Meer van Der-Chantecoq; Meer van Guerlédan; Meer van Hourtin; Meer van Lacanau; Meer van Orient; Meer van Pareloup; Meer van Parentis; Meer van Sanguinet; Meer van Serre-Ponçon; Meer van Temple. Republiek Hongarije Donau: van rkm 1812 tot
rkm 1433 Moson-Donau: van rkm 14
tot rkm 0 Szentendre-Donau: van rkm 32
tot rkm 0 Ráckeve-Donau: van rkm 58
tot rkm 0 Tisza: van rkm 685 tot rkm
160 Dráva: van rkm 198 tot rkm
70 Bodrog: van rkm 51 tot rkm
0 Kettős Körös: van rkm 23
tot rkm 0 Hármas Körös: van rkm 91
tot rkm 0 Sió-kanaal: van rkm 23 tot
rkm 0 Velence-meer Fertő-meer Koninkrijk der
Nederlanden = Rijn Sneekermeer,
Koevordermeer, Heegermeer, Fluessen, Slotermeer, Tjeukemeer, Beulakerwijde,
Belterwijde, Ramsdiep, Ketelmeer, Zwartemeer, Veluwemeer, Eemmeer, Gooimeer,
Alkmaardermeer, Gouwzee, Buiten IJ, Afgesloten IJ, Noordzeekanaal, havens van
IJmuiden, havengebied van Rotterdam, Nieuwe Maas, Noord, Oude Maas, Beneden
Merwede, Nieuwe Merwede, Dordtsche Kil, Boven Merwede, Waal, Bijlandsch Kanaal,
Boven Rijn, Pannerdensch Kanaal, Geldersche IJssel, Neder Rijn, Lek,
Amsterdam-Rijnkanaal, Veerse meer, Schelde-Rijnkanaal tot aan de uitmonding in
het Volkerak, Amer, Bergsche Maas, Maas beneden Venlo, Europort, Calandkanaal
(ten oosten van de Beneluxhaven), Hartelkanaal Republiek Oostenrijk Donau: vanaf de grens met
Duitsland tot de grens met Slowakije Inn: vanaf de monding tot
de Passau-Ingling-elektriciteitscentrale Traun: vanaf de monding
tot 1,80 km Enns: vanaf de monding tot
2,70 km March: tot 6,00 km Republiek Polen — De Biebrza vanaf de
monding van het kanaal van Augustow tot de monding van de Narwia — De Brda vanaf de
verbinding met het kanaal van Bydgoszcz in Bydgoszcz tot de monding van de
Wisła — De Bug vanaf de monding
van de Muchawiec tot de monding van de Narwia — Het Dąbie-meer tot de
grens met de binnenzee — Het kanaal van Augustow
vanaf de verbinding met de Biebrza tot de landsgrens, samen met de meren die
langs dit kanaal liggen — Het Bartnicki-kanaal van
het Ruda Woda-meer tot het Bartężek-meer, samen met het Bartężek-meer — Het kanaal van Bydgoszcz — Het kanaal van Elbląg
van het Druzno-meer tot het Jeziorak-meer en het Szeląg Wielki-meer, samen met
deze meren en de meren langs het kanaal, en een zijkanaal in de richting van
Zalewo vanaf het Jeziorak-meer naar het Ewingi-meer, inbegrepen — Het kanaal van Gliwice
samen met het kanaal van Kędzierzyń — Het Jagiełło-kanaal
vanaf de verbinding met de Elbląg tot de Nogat — Kanaal van Łączańy — Kanaal van Ślesiń samen
met de meren langs dit kanaal en het Gopło-meer — Het kanaal van Żerań — De Martwa Wisła vanaf de
Wisła in Przegalina tot de grens met de binnenzee — De Narew van de monding
van de Biebrza tot de monding van de Wisła, samen met het meer van Zegrze — De Nogat vanaf de Wisła
tot de monding in de Wisłahaf — De bovenloop van de
Noteć van het Gopło-meer tot de verbinding met het Górnonotecki-kanaal en het
Górnonotecki-kanaal en de benedenloop van de Noteć vanaf de verbinding met het
kanaal van Bydgoszcz tot de monding in de Warta — De Nysa Łużycka van
Gubin tot de monding in de Oder — De Oder vanaf Racibórz
tot de verbinding met de Oost-Oder die vanaf het Klucz-Ustowo-kanaal overgaat
in de Regalica, samen met die rivier en de zijarmen daarvan tot het Dąbiemeer,
alsook een zijwater van de Oder van de Opatowice-sluis tot de sluis in Wrocław — De West-Oder vanaf een
dam in Widuchowa (op 704,1 km van de Oder) tot een grens met de binnenzee,
samen met de zijarmen en het Klucz-Ustowo-kanaal dat de Oost- met de West-Oder
verbindt — De Parnica en het
Parnica-kanaal vanaf de West-Oder tot een grens met de binnenzee — De Pisa vanaf het
Roś-meer tot de monding in de Narew — De Szkarpawa vanaf de
Wisła tot de monding in de Wisłahaf — De Warta vanaf het meer
van Ślesiń tot de monding in de Oder — De Grote Mazurische
Meren, die de meren omvat die zijn verbonden door de rivieren en kanalen die de
hoofdroute vormen vanaf het Roś-meer (inbegrepen) in Pisz tot het kanaal van
Węgorzewo (inbegrepen) tot in Węgorzewo, samen met het Seksty-meer, het meer
van Mikołajki, het meer van Tałty, het Tałtowisko-meer, het Kotek-meer, het
Szymon-meer, het meer van Szymonka, het meer van Jagodne, het Boczne-meer, het
Tajty-meer, het Kisajno-meer, het Dargin-meer, het meer van Łabapa, het
Kirsajtymeer en het Święcajtymeer, samen met het Giżycki-kanaal, het
Niegociń-kanaal en het Piękna Góra-kanaal, en een zijwater vanaf het meer van
Ryń (inbegrepen) in Ryn tot het meer van Nida (tot 3 km, de grens met het
natuurreservaat van het meer van Nida), samen met het Bełdany-, het Guzianka
Mała- en het Guzianka Wielka-meer — De Wisła vanaf de
monding van de Przemsza tot de verbinding met het Kanaal van Łączańy en van de
monding van dat kanaal in Skawina tot de monding van de Wisła in de Bocht van
Gdańsk, uitgezonderd het meer van Włocławek Roemenië Donau: van de grens tussen
Servië en Roemenië (km 1075) tot de Zwarte Zee op de Sulina-kanaalarm. Donau-Zwarte Zee-kanaal (64,410
km): van de verbinding met de Donau op km 299,300 van de Donau te Cernavodă
(km 64,410 van het kanaal), tot de haven van Constanta Zuid - Agigea (km
"0" van het kanaal). Kanaal Poarta Albă – Midia
Năvodari (34,600 km lang): van de verbinding met het Donau-Zwarte Zee-kanaal op
km 29,410 te Poarta Albă (km 27,500 van het kanaal) naar de haven van Midia (km
„0” van het kanaal) Slowakije Donau: van Devín (rkm 1880,26)
tot de Slowaaks-Hongaarse grens Verenigd Koninkrijk
van Groot-Brittannië en Noord-Ierland SCHOTLAND || Leith (Edinburgh) || Binnen de golfbrekers Glasgow || Strathclyde Loch Kanaal van Crinan || Van Crinan tot Ardrishaig Caledonisch kanaal || De kanaalgedeelten NOORD-IERLAND || Lagan || Van Lagan Weir tot Stranmillis OOST-ENGELAND || Wear (getijvrije gedeelte) || Vanaf de oude spoorwegbrug in Durham tot de Prebends Brug in Durham Tees || Stroomopwaarts vanaf de vloedkering in de Tees Haven van Grimsby || Binnen de sluizen Haven van Immingham || Binnen de sluizen Haven van Hull || Binnen de sluizen Haven van Boston || Binnen de sluisdeuren Aire and Calder Navigation || Vanaf de haven van Goole tot Leeds; samenvloeiing met het Leeds- en Liverpoolkanaal; vanaf de samenvloeing bij Bank Dole tot Selby (sluis van de Ouse); vanaf de samenvloeiing bij Castleford tot Wakefield (Falling-sluis) Ancholme || Ferriby-sluis tot Brigg Calder and Hebble Navigation || Wakefield (Fall Ing-sluis) tot Broadcut Top-sluis Foss || Vanaf de samenvloeiing (Blue Bridge) met de Ouse tot Monk Bridge Fossdyke-kanaal || Vanaf de samenvloeiing met de Trent tot Brayford Pool Haven van Goole || Binnen de sluisdeuren Hornsea Mere || Het hele kanaal Hull || Vanaf de Struncheon Hill-sluis tot de Beverley Beck Kanaal van Market Weighton || Sluis bij de Humber tot de Sod Houses-sluis New Junction Kanaal || Het hele kanaal Ouse || Vanaf de Naburn-sluis tot Nun Monkton Kanaal van Sheffield en South Yorkshire || Keadby-sluis tot de Tinsley-sluis Trent || Cromwell-sluis tot Shardlow Witham || Boston-sluis tot Brayford Poole (Lincoln) WALES EN WEST-ENGELAND || Severn || Boven Llanthony en Maisemore Weirs Wye || Boven Monmouth Cardiff || Roath Park-meer Port Talbot || Binnen de omsloten havens Swansea || Binnen de omsloten havens Dee || Boven het waterwinpunt bij Barrelwell Hill Mersey || De havens (behalve de Seaforth-haven) Lune || Boven de haven van Glasson Avon (Midland) || Sluis bij Tewkesbury tot Evesham Gloucester || Havens van Gloucester City en het Gloucester/Sharpness-kanaal Hollingworth-meer || Het hele meer Manchester Scheepskanaal || Het hele kanaal en de haven van Salford inclusief de Irwell Pickmere-meer || Het hele meer Tawe || Tussen zeekering/jachthaven en het sportstadion van Morfa Meer van Rudyard || Het hele meer Weaver || Beneden Northwich ZUID-ENGELAND || Nene || Wisbech Cut en de Nene tot de Dog-in a-Doublet-sluis Great Ouse || Kings Lynn Cut en de Great Ouse beneden de brug van West Lynn Road Yarmouth || De monding van de Yare vanaf de lijn over het noordelijke en het zuidelijke havenhoofd, inclusief Breydon Water Lowestoft || De haven van Lowestoft beneden de Mutford-sluis tot de lijn over de buitenhavenhoofden Alde en Ore || Boven de toegang tot de Ore tot Westrow Point Deben || Boven de toegang tot de Deben tot de pont van Felixstowe Orwell en Stour || Vanaf de lijn van Fagbury Point naar Shotley Point aan de Orwell tot de haven van Ipswich; en vanaf de noordzuidlijn over Erwarton Ness aan de Stour tot Manningtree Chelmer & Blackwater-kanaal || Ten oosten van de Beeleigh-sluis Theems en zijrivieren || De Theems boven de Teddington-sluis tot Oxford Adur en het kanaal van Southwick || De Adur boven het westelijke uiteinde van Tarmac Wharf, en in het kanaal van Southwick Arun || De Arun boven de jachthaven van Littlehampton Ouse (Sussex) Newhaven || De Ouse boven het noordelijke uiteinde van North Quay Bewl Water || Het hele meer Grafham Water || Het hele meer Rutland Water || Het hele meer Meer van Thorpe Park || Het hele meer Chichester || Ten oosten van de verbindingslijn tussen Cobnor Point and Chalkdock Point Christchurch || In de haven van Christchurch, uitgezonderd de Run Kanaal van Exeter || Het hele kanaal Avon (Avon) || De havens van Bristol Vanaf Netham Dam tot Pulteney Weir HOOFDSTUK 3 Zone 4 Koninkrijk België Het gehele Belgische net,
met uitzondering van het vaarwater van zone 3 Tsjechische Republiek Alle overige waterwegen,
niet genoemd onder de zones 1, 2 en 3 Bondsrepubliek
Duitsland Alle binnenwateren, niet
genoemd onder de zones 1, 2 en 3 Franse Republiek Alle overige waterwegen. Italiaanse Republiek Alle bevaarbare nationale
waterwegen. Republiek Litouwen Het volledige Litouwse
waterwegennet Groothertogdom
Luxemburg Moezel Republiek Hongarije Alle overige waterwegen,
niet genoemd onder zones 2 en 3 Koninkrijk der
Nederlanden Alle overige rivieren,
kanalen en meren, niet genoemd onder de zones 1, 2 en 3 Republiek Oostenrijk Thaya: tot Bernhardsthal March: stroomopwaarts van
rkm 6,00 Republiek Polen Alle overige waterwegen,
niet genoemd onder de zones 1, 2 en 3 Roemenië Alle overige waterwegen,
niet genoemd onder zone 3 Slowakije Alle overige waterwegen,
niet genoemd onder zone 3 Verenigd Koninkrijk
van Groot-Brittannië en Noord-Ierland SCHOTLAND || Ratho en Linlithgow Union-kanaal || Het hele kanaal Glasgow || Forth en Clyde-kanaal Monkland-kanaal — gedeelten Faskine en Drumpellier Hogganfield Loch OOST-ENGELAND || Ancholme || Vanaf Brigg tot de Harram Hill-sluis Calder and Hebble Navigation || Vanaf de Broadcut Top-sluis tot Sowerby Bridge Kanaal van Chesterfield || Vanaf West Stockwith tot Worksop Kanaal van Cromford || Het hele kanaal Derwent || Vanaf de samenvloeiing met de Ouse tot Stamford Bridge Kanaal van Driffield || Vanaf de Struncheon Hill-sluis tot Great Driffield Erewash-kanaal || Vanaf de Trent-sluis tot de sluis bij Langley Mill Kanaal van Huddersfield || Vanaf de samenvloeiing met de Calder en Hebblenavigation bij Coopers Bridge tot het Huddersfield Narrow-kanaal bij Huddersfield Tussen Ashton-Under-Lyne en Huddersfield Kanaal van Leeds en Liverpool || Vanaf de sluis in Leeds tot Skipton Wharf Meer van Light Water Valley || Het hele meer The Mere, Scarborough || Het hele meer Ouse || Boven Nun Monkton Pool Kanaal van Pocklington || Vanaf de samenvloeiing met de Derwent tot Melbourne Basin Kanaal van Sheffield en South Yorkshire || Vanaf de Tinsley-sluis tot Sheffield Soar || Vanaf de samenvloeiing met de Trent tot Loughborough Kanaal van Trent en Mersey || Vanaf Shardlow tot de Dellow Lane-sluis Ure en kanaal van Ripon || Vanaf de samenvloeiing met de Ouse tot het kanaal van Ripon (Ripon Basin) Kanaal van Ashton || Het hele kanaal WALES EN WEST-ENGELAND || Avon (Midland) || Boven Evesham Birmingham Canal Navigation || Het hele kanaal Kanaal van Birmingham en Fazeley || Het hele kanaal Kanaal van Coventry || Het hele kanaal Grand Union-kanaal (vanaf de samenvloeiing bij Napton Junction tot het kanaal van Birmingham en Fazeley) || Het hele kanaalgedeelte Kanaal van Kennet en Avon (Vanaf Bath tot Newbury) || Het hele kanaalgedeelte Kanaal van Lancaster || Het hele kanaal Kanaal van Leeds en Liverpool || Het hele kanaal Kanaal van Llangollen || Het hele kanaal Kanaal van Caldon || Het hele kanaal Peak Forest-kanaal || Het hele kanaal Kanaal van Macclesfield || Het hele kanaal Kanaal van Monmouthshire en Brecon || Het hele kanaal Kanaal van Montgomery || Het hele kanaal Kanaal van Rochdale || Het hele kanaal Kanaal van Swansea || Het hele kanaal Kanaal van Neath en Tennant || Het hele kanaal Shropshire Union-kanaal || Het hele kanaal Kanaal van Staffordshire en Worcester || Het hele kanaal Kanaal van Stratford-upon-Avon || Het hele kanaal Trent || De hele rivier Kanaal van Trent en Mersey || Het hele kanaal Weaver || Boven Northwich Kanaal van Worcester and Birmingham || Het hele kanaal ZUID-ENGELAND || Nene || Boven de Dog-in-a-Doublet-sluis Great Ouse || Kings Lynn boven de brug van West Lynn Road; de Great Ouse en alle daarmee verbonden waterwegen van Fenland, inclusief de Cam en de Middle Level Navigation Norfolk en Suffolk Broads || Alle bevaarbare getijde- en niet-getijderivieren, plassen, kanalen en waterwegen in de Norfolk en Suffolk Broads, met inbegrip van de Oulton Broad en de rivieren Waveney, Yare, Bure, Ant en Thurne, uitgezonderd als vermeld bij Yarmouth en Lowestoft Blyth || Vanaf de toegang tot de Blyth tot Blythburgh Alde en Ore || Op de Alde boven Westrow Point Deben || De Deben boven de pont van Felixstowe Orwell en Stour || Alle waterwegen uitkomend op de Stour boven Manningtree Chelmer & Blackwater-kanaal || Ten westen van de Beeleigh-sluis Theems en zijrivieren || De Stort en de Lee boven Bow Creek; het Grand Union-kanaal boven de Brentford-sluis en het Regents-kanaal boven Limehouse Basin en alle daarmee verbonden kanalen; de Wey boven de Theems-sluis; het kanaal van Kennet en Avon; de Theems boven Oxford; het kanaal van Oxford Medway en Swale || De Medway boven de Allington-sluis Stour (Kent) || De Stour boven de steiger bij Flagstaff Reach Haven van Dover || De hele haven Rother || De Rother en het Royal Military-kanaal boven de Scots Float-sluis en de Brede boven de toegangssluis Brighton || De binnenhaven van de jachthaven van Brighton boven de sluis Meer van Wickstead Park || Het hele meer Kanaal van Kennet en Avon || Het hele kanaal Grand Union-kanaal || Het hele kanaal Avon (Avon) || Boven Pulteney Weir Bridgewater-kanaal || Het hele kanaal BIJLAGE II MINIMALE
TECHNISCHE VOORSCHRIFTEN VOOR VAARTUIGEN DIE DE WATERWEGEN VAN DE ZONES 1, 2, 3
EN 4 BEVAREN INHOUD DEEL I HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1.01 - Definities
HOOFDSTUK 2 PROCEDURE Artikel 2.01 — Commissies van
deskundigen Artikel 2.02 — Aanvraag van
het onderzoek Artikel 2.03 — Aanbieding van
het vaartuig voor het onderzoek Artikel 2.04 — (Zonder inhoud) Artikel 2.05 — Voorlopig
EU-binnenvaartcertificaat Artikel 2.06 — (Zonder inhoud) Artikel 2.07 — Aantekeningen
in en wijzigingen van het EU-binnenvaartcertificaat Artikel 2.08 — (Zonder inhoud) Artikel 2.09 — Periodiek
onderzoek Artikel 2.10 — Vrijwillig
onderzoek Artikel 2.11 — (Zonder inhoud) Artikel 2.12 — (Zonder inhoud) Artikel 2.13 — (Zonder inhoud) Artikel 2.14 — (Zonder inhoud) Artikel 2.15 — Kosten Artikel 2.16 — Inlichtingen Artikel 2.17 — Registratie van
de EU-binnenvaartcertificaten Artikel 2.18 — Uniek Europees
scheepsidentificatienummer Artikel 2.19 — (Zonder inhoud) Artikel 2.20 — Kennisgevingen DEEL II HOOFDSTUK 3 SCHEEPSBOUWKUNDIGE EISEN Artikel 3.01 — Basisvoorschriften Artikel 3.02 — Sterkte en
stabiliteit Artikel 3.03 — Scheepsromp Artikel 3.04 — Machinekamers,
ketelruimen en brandstofbunkers HOOFDSTUK 4 VEILIGHEIDSAFSTAND, VRIJBOORD
EN DIEPGANGSSCHALEN Artikel 4.01 —
Veiligheidsafstand Artikel 4.02 — Vrijboord Artikel 4.03 — Kleinste
vrijboord Artikel 4.04 —
Inzinkingsmerken Artikel 4.05 — Ten hoogste
toegelaten inzinking van schepen waarvan de laadruimen niet altijd spatwater-
en regendicht zijn gesloten Artikel 4.06 —
Diepgangsschalen HOOFDSTUK 5 MANOEUVREEREIGENSCHAPPEN Artikel 5.01 — Algemene eisen Artikel 5.02 — Proefvaarten Artikel 5.03 —
Proefvaarttraject Artikel 5.04 —
Beladingstoestand van schepen en samenstellen tijdens de proefvaart Artikel 5.05 — Hulpmiddelen
aan boord voor de proefvaart Artikel 5.06 — Snelheid
(vooruitvaren) Artikel 5.07 —
Stopeigenschappen Artikel 5.08 —
Achteruitvaareigenschappen Artikel 5.09 —
Uitwijkeigenschappen Artikel 5.10 — Keereigenschappen HOOFDSTUK 6 STUURINRICHTINGEN Artikel 6.01 — Algemene eisen Artikel 6.02 — Aandrijving van
de stuurmachine Artikel 6.03 — Hydraulische
aandrijving van de stuurmachine Artikel 6.04 — Energiebron Artikel 6.05 — Handaandrijving Artikel 6.06 — Roerpropeller-,
waterstraal-, cycloïdaalschroef- en boegschroefinstallaties Artikel 6.07 — Signalering en
controle Artikel 6.08 — Stuurautomaat Artikel 6.09 — Keuring HOOFDSTUK 7 STUURHUIS Artikel 7.01 — Algemene
bepalingen Artikel 7.02 — Vrij zicht Artikel 7.03 — Algemene eisen
voor bedieningsapparatuur en signalerings- en controle-instrumenten Artikel 7.04 — Bijzondere
eisen voor bedieningsapparatuur en signalerings- en controle-instrumenten voor
voortstuwingsmotoren en stuurinrichtingen Artikel 7.05 — Navigatielichten,
lichtseinen en geluidsseinen Artikel 7.06 —
Radarinstallatie en bochtaanwijzer Artikel 7.07 —
Marifooninstallatie voor schepen met een éénmansstuurstelling voor het varen op
radar Artikel 7.08 — Interne
spreekverbindingen aan boord Artikel 7.09 — Alarminstallatie Artikel 7.10 — Verwarming en
ventilatie Artikel 7.11 — Installatie
voor het bedienen van hekankers Artikel 7.12 — In de hoogte
verstelbare stuurhuizen Artikel 7.13 — Aantekening in
het EU-binnenvaartcertificaat voor schepen met een éénmansstuurstelling voor
het varen op radar HOOFDSTUK 8 WERKTUIGBOUWKUNDIGE EISEN Artikel 8.01 — Algemene
bepalingen Artikel 8.02 — Veiligheid Artikel 8.03 —
Voortstuwingsinstallaties Artikel 8.04 —
Uitlaatgassenleidingen van verbrandingsmotoren Artikel 8.05 — Brandstoftanks,
-leidingen en toebehoren Artikel 8.06 —
Smeerolieopslag, -leidingen en toebehoren Artikel 8.07 — Opslag van olie
die in krachtoverbrengingssystemen, schakel-, aandrijf- en verwarmingssystemen
wordt gebruikt, alsmede leidingen en toebehoren Artikel 8.08 — Lensinrichting Artikel 8.09 — Inrichtingen
voor het verzamelen van oliehoudend water en afgewerkte olie Artikel 8.10 — Door schepen
voortgebracht geluid HOOFDSTUK 8a EMISSIES VAN VERONTREINIGENDE
GASSEN EN DEELTJES DOOR DIESELMOTOREN Artikel 8a.01 — Definities Artikel 8a.02 — Algemene
bepalingen Artikel 8a.03 — Erkende
typegoedkeuringen Artikel 8a.04 — Inbouwkeuring
en tussentijdse en speciale test Artikel 8a.05 — Technische
diensten HOOFDSTUK 9 ELEKTRISCHE INSTALLATIES Artikel 9.01 — Algemene bepalingen Artikel 9.02 — Systemen voor
de energieverzorging Artikel 9.03 — Bescherming
tegen aanraking, binnendringen van vreemde voorwerpen en water Artikel 9.04 — Bescherming
tegen explosie Artikel 9.05 — Aarding Artikel 9.06 — Ten hoogste
toegelaten spanningen Artikel 9.07 — Verdeelsystemen Artikel 9.08 — Aansluiting op
het walnet of ander extern net Artikel 9.09 — Stroomlevering
aan andere vaartuigen Artikel 9.10 — Generatoren en
motoren Artikel 9.11 — Accumulatoren Artikel 9.12 —
Schakelinrichtingen Artikel 9.13 —
Noodstopschakelaars Artikel 9.14 —
Installatiemateriaal Artikel 9.15 — Kabels Artikel 9.16 —
Verlichtingsinstallaties Artikel 9.17 —
Navigatielantaarns Artikel 9.18 — (Zonder inhoud) Artikel 9.19 — Alarm- en
beveiligingssystemen voor werktuigbouwkundige inrichtingen Artikel 9.20 — Elektronische
installaties Artikel 9.21 —
Elektromagnetische compatibiliteit HOOFDSTUK 10 UITRUSTING Artikel 10.01 —
Ankeruitrusting Artikel 10.02 — Overige
uitrusting Artikel 10.03 — Draagbare
blustoestellen Artikel 10.03a — Vast
ingebouwde brandblusinstallaties ter bescherming van verblijven, stuurhuizen en
passagiersruimten Artikel 10.03b — Vast
ingebouwde brandblusinstallaties ter bescherming van machinekamers, ketelruimen
en pompkamers Artikel 10.03c — (Zonder
inhoud) Artikel 10.04 — Bijboten Artikel 10.05 — Reddingsboeien
en zwemvesten HOOFDSTUK 11 VEILIGHEID OP DE WERKPLEK Artikel 11.01 — Algemene
bepalingen Artikel 11.02 — Bescherming
tegen vallen Artikel 11.03 — Afmetingen van
de werkplekken Artikel 11.04
— Gangboord Artikel 11.05
— Toegangen tot de werkplekken Artikel 11.06
— Uitgangen en nooduitgangen Artikel 11.07
— Klimvoorzieningen Artikel 11.08
— Binnenruimten Artikel 11.09
— Bescherming tegen geluidshinder en trillingen Artikel 11.10
— Luiken Artikel 11.11
— Lieren Artikel 11.12
— Kranen Artikel 11.13
— Opslag van brandbare vloeistoffen HOOFDSTUK 12 VERBLIJVEN Artikel 12.01
— Algemene bepalingen Artikel 12.02
— Bijzondere bouwkundige eisen aan de verblijven Artikel 12.03
— Sanitaire voorzieningen Artikel 12.04
— Keukens Artikel 12.05
— Drinkwaterinstallaties Artikel 12.06
— Verwarming en ventilatie Artikel 12.07
— Overige bepalingen inzake de inrichting van de verblijven HOOFDSTUK 13 VERWARMINGS-,
KOOK- EN KOELINSTALLATIES DIE WERKEN OP BRANDSTOFFEN Artikel 13.01
— Algemene eisen Artikel 13.02
— Gebruik van vloeibare brandstoffen, petroleumtoestellen Artikel 13.03
— Oliekachels met verdampingsbranders en oliestookinstallaties met
verstuivingsbranders Artikel 13.04
— Oliekachels met verdampingsbranders Artikel 13.05
— Oliestookinstallaties met verstuivingsbranders Artikel 13.06
— Luchtverhitters Artikel 13.07
— Verwarming met vaste brandstoffen HOOFDSTUK 14 VLOEIBAARGASINSTALLATIES
VOOR HUISHOUDELIJK GEBRUIK Artikel 14.01
— Algemene bepalingen Artikel 14.02
— Installaties Artikel 14.03
— Flessen Artikel 14.04
— Opstelling en inrichting van de flessenkast Artikel 14.05
— Reserveflessen en lege flessen Artikel 14.06
— Drukregelaars Artikel 14.07
— Druk Artikel 14.08
— Pijpleidingen en flexibele leidingen Artikel 14.09
— Distributienet Artikel 14.10
— Gebruiksapparaten en de opstelling daarvan Artikel 14.11
— Ventilatie en afvoer van de verbrandingsgassen Artikel 14.12
— Gebruiks- en veiligheidsinstructies Artikel 14.13
— Keuring Artikel 14.14
— Testomstandigheden Artikel 14.15
— Attest HOOFDSTUK 14a Boordzuiveringsinstallaties
op passagiersvaartuigen Artikel 14a.01
- Definities Artikel 14a.02
- Algemeen Artikel 14a.03
- Aanvraag van een typegoedkeuring Artikel 14a.04
- Typegoedkeuringsprocedure Artikel 14a.05
- Wijziging van typegoedkeuringen Artikel 14a.06
- Conformiteit van de typegoedkeuring Artikel 14a.07
– Erkenning van andere gelijkwaardige normen Artikel 14a.08
- Controle van de serienummers Artikel 14a.09
- Conformiteit van de productie Artikel 14a.10
- Non-conformiteit met het typegoedgekeurde boordzuiveringsinstallatietype Artikel 14a.11
- Steekproefmeting/bijzondere keuring Artikel 14a.12
- Bevoegde instanties en technische diensten HOOFDSTUK 15 BIJZONDERE
BEPALINGEN VOOR PASSAGIERSSCHEPEN Artikel 15,01
- Algemene bepalingen Artikel 15.02
— Scheepsromp Artikel 15.03
— Stabiliteit Artikel 15.04
— Veiligheidsafstand en vrijboord Artikel 15.05
— Ten hoogste toegelaten aantal passagiers Artikel 15.06
— Passagiersverblijven en -ruimten Artikel 15.07
— Voortstuwingssysteem Artikel 15.08
— Veiligheidsinrichting en -uitrusting Artikel 15.09
— Reddingsmiddelen Artikel 15.10
— Elektrische installaties Artikel 15.11
— Brandbeveiliging Artikel 15.12
— Brandbestrijding Artikel 15.13
— Veiligheidsorganisatie Artikel 15.14
— Voorzieningen voor het verzamelen en het verwijderen van huishoudelijk
afvalwater Artikel 15.15
— Afwijkingen voor bepaalde passagiersschepen HOOFDSTUK 15a BIJZONDERE
BEPALINGEN VOOR ZEILENDE PASSAGIERSSCHEPEN Artikel 15a.01
— Toepasselijkheid van deel II Artikel 15a.02
— Afwijkingen voor bepaalde zeilende passagiersschepen Artikel 15a.03
— Stabiliteitseisen voor schepen onder zeil Artikel 15a.04
— Scheepsbouw- en werktuigbouwkundige eisen Artikel 15a.05
— Tuigage algemeen Artikel 15a.06
— Masten en rondhouten algemeen Artikel 15a.07
— Bijzondere voorschriften voor masten Artikel 15a.08
— Bijzondere voorschriften voor stengen Artikel 15a.09
— Bijzondere voorschriften voor boegsprieten Artikel 15a.10
— Bijzondere voorschriften voor kluiverbomen Artikel 15a.11
— Bijzondere voorschriften voor gieken Artikel 15a.12
— Bijzondere voorschriften voor gaffels Artikel 15a.13
— Algemene voorschriften voor staand en lopend want Artikel 15a.14
— Bijzondere voorschriften voor staand want Artikel 15a.15
— Bijzondere voorschriften voor lopend want Artikel 15a.16
— Beslag en onderdelen van de tuigage Artikel 15a.17
— Zeilen Artikel 15a.18
— Uitrusting Artikel 15a.19
— Keuring HOOFDSTUK 16 BIJZONDERE
BEPALINGEN VOOR VAARTUIGEN DIE ZIJN BESTEMD OM DEEL UIT TE MAKEN VAN EEN DUWSTEL,
EEN SLEEP OF EEN GEKOPPELD SAMENSTEL Artikel 16.01
— Vaartuigen die geschikt zijn om te duwen Artikel 16.02
— Vaartuigen die geschikt zijn om te worden geduwd Artikel 16.03
— Vaartuigen die geschikt zijn om een gekoppeld samenstel voort te bewegen Artikel 16.04
— Vaartuigen die geschikt zijn om te worden voortbewogen in een samenstel Artikel 16.05
— Vaartuigen die geschikt zijn om te slepen Artikel 16.06
— Proefvaarten met samenstellen Artikel 16.07
— Aantekeningen in het EU-binnenvaartcertificaat HOOFDSTUK 17 BIJZONDERE
BEPALINGEN VOOR DRIJVENDE WERKTUIGEN Artikel 17.01
— Algemene bepalingen Artikel 17,02
— Afwijkingen Artikel 17.03
— Overige bepalingen Artikel 17.04
— Resterende veiligheidsafstand Artikel 17.05
— Resterend vrijboord Artikel 17.06
— Hellingproef Artikel 17.07
— Bewijs van stabiliteit Artikel 17.08
— Bewijzen van stabiliteit bij verminderd resterend vrijboord Artikel 17.09
— Inzinkingsmerken en diepgangsschalen Artikel 17.10
— Drijvende werktuigen zonder bewijs van stabiliteit HOOFDSTUK 18 BIJZONDERE
BEPALINGEN VOOR SCHEPEN BESTEMD VOOR BOUWWERKZAAMHEDEN Artikel 18.01
— Voorwaarden voor gebruik Artikel 18.02
— Toepasselijkheid van Deel II Artikel 18,03
— Afwijkingen Artikel 18.04
— Veiligheidsafstand en vrijboord Artikel 18.05
— Bijboten HOOFDSTUK 19 BIJZONDERE
BEPALINGEN VOOR HISTORISCHE SCHEPEN (Zonder inhoud) HOOFDSTUK 19a BIJZONDERE
BEPALINGEN VOOR KANAALSPITSEN (Zonder inhoud) HOOFDSTUK 19b BIJZONDERE
BEPALINGEN VOOR SCHEPEN DIE OP WATERWEGEN VAN ZONE 4 VAREN Artikel 19b.01
— Toepasselijkheid van hoofdstuk 4 HOOFDSTUK 20 BIJZONDERE
BEPALINGEN VOOR ZEESCHEPEN (Zonder inhoud) HOOFDSTUK 21 BIJZONDERE
BEPALINGEN VOOR PLEZIERVAARTUIGEN Artikel 21.01
— Algemene bepaling Artikel 21.02
— Toepasselijkheid van deel II Artikel 21.03
— (Zonder inhoud) HOOFDSTUK 22 STABILITEIT
VAN SCHEPEN DIE CONTAINERS VERVOEREN Artikel 22.01
— Algemene bepalingen Artikel 22.02
— Criteria en rekenmethode voor de stabiliteitsberekening van schepen die
niet-vastgezette containers vervoeren Artikel 22.03
— Criteria en rekenmethode voor de stabiliteitsberekening van schepen die
vastgezette containers vervoeren Artikel 22.04
— Methode voor de stabiliteitscontrole aan boord HOOFDSTUK 22a BIJZONDERE
BEPALINGEN VOOR VAARTUIGEN MET EEN LENGTE VAN MEER DAN 110 M Artikel 22a.01
— Toepasselijkheid van deel I Artikel 22a.02
— Toepasselijkheid van deel II Artikel 22a.03
— Sterkte Artikel 22a.04
— Drijfvermogen en stabiliteit Artikel 22a.05
— Aanvullende eisen Artikel 22a.06
— (Zonder inhoud) HOOFDSTUK 22b BIJZONDERE
BEPALINGEN VOOR SNELLE SCHEPEN Artikel 22b.01
— Algemene bepalingen Artikel 22b.02
— Toepasselijkheid van deel I Artikel 22b.03
— Toepasselijkheid van deel II Artikel 22b.04
— Zitplaatsen en veiligheidsgordels Artikel 22b.05
— Vrijboord Artikel 22b.06
— Drijfvermogen, stabiliteit en indeling Artikel 22b.07
— Stuurhuis Artikel 22b.08
— Aanvullende uitrusting Artikel 22b.09
— Gesloten zones Artikel 22b.10
— Uitgangen en vluchtwegen Artikel 22b.11
— Bescherming tegen brand en brandbestrijding Artikel 22b.12
— Overgangsbepalingen DEEL III HOOFDSTUK 23 UITRUSTING
VAN SCHEPEN MET HET OOG OP DE BEMANNING Artikel 23.01
— (Zonder inhoud) Artikel 23.02
— (Zonder inhoud) Artikel 23.03
— (Zonder inhoud) Artikel 23.04
— (Zonder inhoud) Artikel 23.05
— (Zonder inhoud) Artikel 23.06
— (Zonder inhoud) Artikel 23.07
— (Zonder inhoud) Artikel 23.08
— (Zonder inhoud) Artikel 23.09
— Uitrusting van schepen Artikel 23.10
— (Zonder inhoud) Artikel 23.11
— (Zonder inhoud) Artikel 23.12
— (Zonder inhoud) Artikel 23.13
— (Zonder inhoud) Artikel 23.14
— (Zonder inhoud) Artikel 23.15
— (Zonder inhoud) DEEL IV HOOFDSTUK 24 OVERGANGS-
EN SLOTBEPALINGEN Artikel 24.01
— Toepasselijkheid van de overgangsbepalingen op reeds in bedrijf zijnde
vaartuigen Artikel 24.02
— Afwijkingen voor reeds in bedrijf zijnde vaartuigen Artikel 24.03
— Afwijkingen voor vaartuigen waarvan de kiel is gelegd op 1 april 1976 of
daarvoor Artikel 24.04
— Overige afwijkingen Artikel 24.05
— (Zonder inhoud) Artikel 24.06
— Afwijkingen voor vaartuigen die niet onder artikel 24.01 vallen Artikel 24.07
— (Zonder inhoud) Artikel 24.08
— Overgangsbepaling van toepassing op artikel 2.18 HOOFDSTUK 24a OVERGANGSBEPALINGEN
VOOR VAARTUIGEN DIE NIET OP DE WATEREN VAN ZONE R VAREN Artikel 24a.01
— Toepasselijkheid van de overgangsbepalingen op reeds in bedrijf zijnde
vaartuigen en geldigheid van tot dusver afgegeven EU-binnenvaartcertificaten Artikel 24a.02
— Afwijkingen voor reeds in bedrijf zijnde vaartuigen Artikel 24a.03
— Afwijkingen voor vaartuigen waarvan de kiel is gelegd vóór 1 januari 1985 Artikel 24a.04
— (Zonder inhoud) Artikel 24a.05
— Overgangsbepaling van toepassing op artikel 2.18 AANHANGSEL I —
VEILIGHEIDSTEKENS AANHANGSEL II — ADMINISTRATIEVE
AANWIJZINGEN AANHANGSEL III — MODEL VAN
HET UNIEK EUROPEES SCHEEPSIDENTIFICATIENUMMER AANHANGSEL IV — GEGEVENS VOOR SCHEEPSIDENTIFICATIE AANHANGSEL V —
MOTORPARAMETERPROTOCOL AANHANGSEL VI –
BOORDZUIVERINGSINSTALLATIES – AANVULLENDE VOORSCHRIFTEN EN MODELLEN VAN
CERTIFICATEN AANHANGSEL VII —
BOORDZUIVERINGSINSTALLATIES — TESTPROCEDURE AANHANGSEL VIII — VEREISTEN VOOR NAVIGATIELANTAARNS,
RADARINSTALLATIES EN BOCHTAANWIJZERS DEEL I HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1.01
Definities In deze bijlage gelden de
volgende definities: Typen vaartuigen 1. "vaartuig":
een schip of een drijvend werktuig; 2. "schip":
een binnenschip of een zeeschip; 3. "binnenschip":
een schip dat uitsluitend of overwegend bestemd is voor de vaart op de
binnenwateren; 4. "zeeschip":
een schip dat is toegelaten voor de zeevaart; 5. "motorschip":
een motortankschip of een motorvrachtschip; 6. "motortankschip":
een schip dat is bestemd voor het vervoer van goederen in vaste tanks en
gebouwd om door middel van zijn eigen mechanische middelen tot voortbeweging
zelfstandig te varen; 7. "motorvrachtschip":
een schip, niet zijnde een motortankschip, dat is bestemd voor het vervoer van
goederen en gebouwd om door middel van zijn eigen mechanische middelen tot
voortbeweging zelfstandig te varen; 8. "kanaalspits":
een binnenschip waarvan de lengte niet meer dan 38,50 m en de breedte niet meer
dan 5,05 m bedraagt en dat gewoonlijk op het Rijn-Rhônekanaal vaart; 9. "sleepboot":
een schip dat speciaal is gebouwd om te slepen; 10. "duwboot":
een schip dat speciaal is gebouwd voor het voortbewegen van een duwstel; 11. "sleepschip":
een sleeptankschip of een sleepvrachtschip; 12. "sleeptankschip":
een schip dat is bestemd voor het vervoer van goederen in vaste tanks en is
gebouwd om te worden gesleept zonder eigen mechanische middelen tot
voortbeweging, dan wel met eigen mechanische middelen tot voortbeweging die
slechts verplaatsingen over kleine afstanden toelaten; 13. "sleepvrachtschip":
een schip, niet zijnde een sleeptankschip, dat is bestemd voor het vervoer van
goederen en is gebouwd om te worden gesleept zonder eigen mechanische middelen
tot voortbeweging, dan wel met eigen mechanische middelen tot voortbeweging die
slechts verplaatsingen over kleine afstanden toelaten; 14. "duwbak":
een tankduwbak, een vrachtduwbak of een zeeschipbak; 15. "tankduwbak":
een schip dat is bestemd voor het vervoer van goederen in vaste tanks en
gebouwd of in het bijzonder geschikt is om te worden geduwd zonder eigen
mechanische middelen tot voortbeweging, dan wel met eigen mechanische middelen
tot voortbeweging die slechts verplaatsingen over kleine afstanden toelaten,
wanneer het geen deel uitmaakt van een duwstel; 16. "vrachtduwbak":
een schip, niet zijnde een tankduwbak, dat is bestemd voor het vervoer van
goederen en gebouwd of in het bijzonder geschikt is om te worden geduwd zonder
eigen mechanische middelen tot voortbeweging, dan wel met eigen mechanische
middelen tot voortbeweging die slechts verplaatsingen over kleine afstanden
toelaten, wanneer het geen deel uitmaakt van een duwstel; 17. "zeeschipbak":
een duwbak die is gebouwd om aan boord van een zeeschip te kunnen worden
vervoerd en om de binnenwateren te bevaren; 18. "passagiersschip":
een schip voor dagtochten of een hotelschip dat is gebouwd en ingericht voor
het vervoer van meer dan twaalf passagiers; 19. "zeilend
passagiersschip": een passagiersschip dat is gebouwd en ingericht om ook
door middel van zeilen te worden voortbewogen; 20. "schip voor
dagtochten": een passagiersschip waarop zich geen hutten bevinden voor
overnachting van passagiers; 21. "hotelschip":
een passagiersschip waarop zich hutten bevinden voor overnachting van
passagiers; 22. "snel
schip": een schip met eigen mechanische middelen tot voortbeweging dat een
snelheid ten opzichte van het water kan bereiken van meer dan 40 km/u; 23. "drijvend
werktuig": een drijvend bouwsel waarop zich werkinstallaties bevinden,
zoals kranen, baggermolens, hei-installaties of elevatoren; 24. "schip bestemd
voor bouwwerkzaamheden": een schip dat vanwege zijn bouwwijze en
uitrusting geschikt en bestemd is om voor werkzaamheden op bouwlocaties te
worden gebruikt, zoals spoelbakken, onderlossers, dekschuiten, pontons of
steenstorters; 25. "pleziervaartuig":
een schip, niet zijnde een passagiersschip, dat is bestemd voor sportieve en
recreatieve doeleinden; 26. "bijboot":
een boot om gebruikt te worden voor vervoer, redding, berging en werkzaamheden; 27. "drijvende
inrichting": een drijvend bouwsel dat vanwege zijn bestemming in de regel
niet wordt verplaatst, zoals een badinrichting, een dok, een steiger of een
botenhuis; 28. "drijvend
voorwerp": een vlot, alsmede een ander voorwerp of samenstel van
voorwerpen dat geschikt is gemaakt om te varen en dat geen schip, drijvend
werktuig of drijvende inrichting is; Samenstellen van
vaartuigen 29. "samenstel":
een hecht samenstel of een sleep; 30. "formatie":
vorm van de samenstelling van een samenstel; 31. "hecht
samenstel": een duwstel of een gekoppeld samenstel; 32. "duwstel":
een hecht samenstel van vaartuigen, waarvan er ten minste één is geplaatst vóór
het vaartuig met motoraandrijving dat dient voor het voortbewegen van het
samenstel, dan wel voor de beide vaartuigen met motoraandrijving die dienen
voor het voortbewegen van het samenstel en die worden aangeduid als
"duwboot" of "duwboten". Hieronder wordt ook verstaan een
duwstel dat is samengesteld uit een duwend en een geduwd vaartuig waarvan de
koppelingen een beheerst knikken mogelijk maken; 33. "gekoppeld
samenstel": een samenstel van langszijde van elkaar vastgemaakte
vaartuigen, waarvan er geen is geplaatst vóór het vaartuig met motoraandrijving
dat dient voor het voortbewegen van het samenstel; 34. "sleep": een
samenstel van één of meer vaartuigen, drijvende inrichtingen of drijvende
voorwerpen, dat wordt gesleept door één of meer tot het samenstel behorende
vaartuigen met motoraandrijving; Bijzondere ruimten van
vaartuigen 35. "hoofdmachinekamer":
de ruimte waarin de voortstuwingsmotoren zijn opgesteld; 36. "machinekamer":
een ruimte waarin verbrandingsmotoren zijn opgesteld; 37. "ketelruim":
een ruimte waarin een met brandstof gestookte inrichting voor het opwekken van
stoom of het verwarmen van thermische olie is opgesteld; 38. "gesloten
opbouw": een doorlopende vaste en waterdichte opbouw met vaste wanden die
blijvend en waterdicht met het dek zijn verbonden; 39. "stuurhuis":
de ruimte waarin de voor het voeren van het schip noodzakelijke bedienings- en
controleapparatuur is opgesteld; 40. "verblijf":
de ruimte die bestemd is voor de gewoonlijk aan boord verblijvende personen,
met inbegrip van keukens, provisiekamers, toiletten, wasgelegenheden,
washokken, portalen en gangen, met uitzondering van het stuurhuis; 41. "passagiersverblijf":
voor passagiers aan boord aangewezen ruimten en afgesloten zones zoals salons,
kantoren, verkoopruimten, kapsalons, droogruimten, wasserijen, sauna's,
toiletten, wasgelegenheden, gangen, verbindingsgangen en open trappenhuizen; 42. "controlepost":
een stuurhuis, een ruimte waarin een noodstroominstallatie dan wel onderdelen
daarvan aanwezig zijn of een ruimte met een permanent door boordpersoneel of
leden van de bemanning bezette post, zoals voor brandmeldinstallaties,
afstandbedieningen van deuren of brandkleppen; 43. "trappenschacht":
een schacht van een binnen het schip gelegen trap of van een lift; 44. "verblijfsruimte":
een ruimte van een verblijf of een passagiersverblijf. Op passagiersschepen
zijn keukens geen verblijfsruimten; 45. "keuken":
een ruimte met een fornuis of een vergelijkbare kookgelegenheid; 46. "voorraadruimte":
een ruimte voor de opslag van brandbare vloeistoffen of een ruimte met een
vloeroppervlak van meer dan 4 m2 voor de opslag van voorraden; 47. "laadruim":
een naar voren en achteren door schotten begrensd, open of door luiken gesloten
deel van het schip, dat is bestemd voor het vervoer van goederen als stukgoed
of in bulk, dan wel voor het onderbrengen van tanks die onafhankelijk zijn van
de scheepsromp; 48. "vaste
tank": een met het schip verbonden tank, waarbij de tankwanden kunnen
worden gevormd ofwel door de scheepsromp zelf ofwel door wanden die
onafhankelijk zijn van de scheepsromp; 49. "werkplek":
een gebied waar de bemanning zijn werk moet verrichten, met inbegrip van
loopplank, slingergiek en bijboot; 50. "verkeersweg":
een gebied dat gewoonlijk dient voor het verplaatsen van personen en goederen; 51. "veilige
zone": een gebied dat aan de buitenkant wordt begrensd door een loodrecht
vlak, dat op een afstand van 1/5 BWL evenwijdig aan de scheepshuid in het vlak
van de grootste inzinking loopt; 52.
"verzamelruimten": ruimten op het schip die speciaal beschermd zijn
en waar personen zich in geval van gevaar moeten ophouden; 53. "evacuatieruimten":
deel van de verzamelruimten op het schip van waaruit een evacuatie van personen
kan worden gerealiseerd; Scheepsbouwkundige
begrippen 54. "vlak van de
grootste inzinking": het vlak door de waterlijn, overeenkomende met de
grootst mogelijke inzinking waarbij het vaartuig nog mag varen; 55. "veiligheidsafstand":
de afstand tussen het vlak van de grootste inzinking en het daaraan evenwijdige
vlak door het laagste punt waarboven het vaartuig niet meer als waterdicht
wordt beschouwd; 56. "resterende
veiligheidsafstand": de bij slagzij van het vaartuig aanwezige loodrechte
afstand tussen het wateroppervlak en het laagste punt van de ingedompelde
zijde, waarboven het vaartuig niet meer als waterdicht wordt beschouwd; 57. "vrijboord
(f)": de afstand tussen het vlak van de grootste inzinking en het daaraan
evenwijdige vlak door het laagste punt van het gangboord of, bij ontbreken van
een gangboord, het laagste punt van het vaste boord; 58. "resterend vrijboord":
de bij slagzij van het vaartuig aanwezige loodrechte afstand tussen het
wateroppervlak en de bovenkant van het dek op het laagste punt van de
ondergedompelde zijde of, indien er geen dek is, het laagste punt van het vaste
boord; 59. "indompelingsgrenslijn":
een denkbeeldige lijn op de boordwand, die ten minste 10 cm onder het
schottendek en ten minste 10 cm onder het laagste niet waterdichte punt van de
scheepswand loopt. Bij ontbreken van een schottendek moet worden uitgegaan van
een lijn, die ten minste 10 cm onder de laagste lijn loopt tot waar de
buitenbeplating waterdicht is; 60. "waterverplaatsing
(Ñ)": het ingedompelde volume van het schip in
m³; 61. "deplacement (Δ)":
totaal gewicht van het schip met inbegrip van de lading in t; 62. "blokcoëfficiënt
(CB)": de verhouding van de waterverplaatsing tot het product van lengte
LWL · breedte BWL · diepgang T; 63. "lateraal
oppervlak boven de waterlijn (AV)": het zijvlak van het schip boven de
waterlijn in m2; 64. "schottendek":
het dek tot waar de voorgeschreven waterdichte schotten zijn opgetrokken en
vanwaar het vrijboord wordt gemeten; 65. "schot": een
over het algemeen verticale wand, dienend voor de indeling van het schip, en
grenzend aan de scheepsbodem, boordwanden of andere schotten en die tot een
zekere hoogte wordt opgetrokken; 66. "dwarsschot":
een schot dat van boordwand tot boordwand reikt; 67. "wand": een
over het algemeen verticaal scheidingsvlak; 68. "scheidingswand":
een niet waterdichte wand; 69. "lengte
(L)": de grootste lengte van de scheepsromp in m, het roer en de
boegspriet niet inbegrepen; 70. "lengte over
alles (LOA)": de grootste lengte van het vaartuig in m met inbegrip van
alle vaste aanbouwsels, zoals delen van roer- en voortstuwingsinstallaties,
werktuigbouwkundige inrichtingen en dergelijke; 71. "lengte op de
waterlijn (LWL)": de in het vlak van de grootste inzinking van het schip
gemeten grootste lengte van de scheepsromp in m; 72. "breedte (B)":
de grootste breedte van de scheepsromp in m, gemeten op de buitenkant van de
huidbeplating (schoepraderen, schuurlijsten en dergelijke niet inbegrepen); 73. "breedte over
alles (BOA)": de grootste breedte van het vaartuig in m met inbegrip van
alle vaste aanbouwsels, zoals schoepraderen, schuurlijsten, werktuigbouwkundige
inrichtingen en dergelijke; 74. "breedte op de
waterlijn (BWL)": de grootste breedte van de scheepsromp, gemeten in het
vlak van de grootste inzinking van het schip, op de buitenkant van de
huidbeplating in m; 75. "holte (H)":
kleinste verticale afstand tussen de onderkant van de bodembeplating of van de
kiel en het laagste punt van het dek aan de zijde van het schip in m; 76. "diepgang
(T)": de verticale afstand van het laagste punt van de scheepsromp aan de
onderkant van de bodembeplating zonder rekening te houden met de kiel of andere
vaste onderdelen en het vlak van de grootste inzinking van de scheepsromp; 76a. "grootste
diepgang (TT)": de verticale afstand van het laagste punt van de
scheepsromp aan de onderkant van de bodembeplating met inbegrip van de kiel of
andere vaste onderdelen en het vlak van de grootste inzinking van de
scheepsromp; 77. "voorloodlijn":
de loodrechte lijn door het snijpunt van de voorzijde van de scheepsromp met
het vlak van de grootste inzinking; 78. "vrije breedte
van het gangboord": de afstand tussen de loodrechte lijn door het meest
ver in het gangboord uitstekende deel van het luikhoofd en de loodrechte lijn
door de binnenkant van de beveiliging tegen vallen (reling, voetlijst) aan de
buitenkant van het gangboord; Stuurinrichtingen 79. "stuurinrichting":
iedere voor het sturen van het schip benodigde inrichting die voor het bereiken
van de manoeuvreereigenschappen als bedoeld in hoofdstuk 5 moet worden gebruikt; 80. "roer": het
roerblad of de roerbladen met de roerkoning en met inbegrip van het kwadrant,
de helmstok en de verbindingsdelen met de stuurmachine; 81. "stuurmachine":
het deel van de stuurinrichting dat de beweging van het roer bewerkstelligt; 82. "stuurmachine-aandrijving":
de aandrijving van de stuurmachine vanaf de energiebron tot de verbinding met
de stuurmachine; 83. "energiebron":
de energieverzorging van de stuurmachine-aandrijving en van de besturing vanuit
het boordnet, een accumulator of een verbrandingsmotor; 84. "besturing":
de elementen en stroomkringen voor het bedienen van een mechanische
stuurmachine-aandrijving; 85. "aandrijfinstallatie
van de stuurmachine": de stuurmachine-aandrijving met inbegrip van de
bijbehorende besturing en energiebron; 86. "handaandrijving":
een aandrijving waarbij de beweging van het roer wordt bewerkstelligd door een
handbewogen stuurwiel met mechanische overbrenging, zonder gebruik van een
extra energiebron; 87. "handhydraulische
aandrijving": een handaandrijving met hydraulische overbrenging; 88. "stuurautomaat":
een inrichting die, afhankelijk van de ingestelde waarde, een bepaalde
draaisnelheid van het schip automatisch bewerkstelligt en handhaaft; 89. "éénmansstuurstelling
voor het varen op radar": een stuurstelling die zodanig is ingericht dat
het schip gedurende het varen op radar door één persoon kan worden gevoerd; Eigenschappen van
constructiedelen en materialen 90. "waterdicht":
constructiedelen of inrichtingen die zo zijn uitgevoerd dat het binnendringen
van water wordt verhinderd; 91. "spatwater- en
regendicht": constructiedelen of inrichtingen die zo zijn uitgevoerd dat
zij onder normale omstandigheden slechts een onbeduidende hoeveelheid water
doorlaten; 92. "gasdicht":
constructiedelen of inrichtingen die zo zijn uitgevoerd dat het doordringen van
gassen of dampen wordt verhinderd; 93. "onbrandbaar":
een materiaal dat niet brandbaar is en geen ontvlambare gassen ontwikkelt in
zodanige hoeveelheden dat deze bij verhitting tot ongeveer 750 °C tot
zelfontbranding overgaan; 94. "moeilijk
ontvlambaar": een materiaal dat zelf of waarbij ten minste de oppervlakken
daarvan het uitbreiden van een brand volgens de testprocedure als bedoeld in
artikel 15.11, punt 1, onder c), beperken; 95. "brandwerendheid":
de eigenschap van constructiedelen of inrichtingen die is aangetoond met de
testprocedure als bedoeld in artikel 15.11, eerste lid, onder d); 96. "code voor
brandtestprocedures": de bij de resolutie MSC.61(67) van het maritieme
veiligheidscommissie van de IMO aangenomen Internationale code voor de
toepassing van brandtestprocedures; Overige definities 97 "classificatiebureau":
een classificatiebureau dat is erkend overeenkomstig de criteria en procedures
van bijlage VII van de richtlijn; 97a "navigatielichten":
licht van signaallampen voor het aanduiden van schepen; 97b "lichtsignalen":
licht gebruikt als aanvulling op visuele of geluidsseinen; 98 "radarinstallatie":
elektronisch hulpmiddel bij de navigatie voor de registratie en de weergave van
de omgeving en het verkeer; 99. "Inland
ECDIS": gestandaardiseerd systeem voor de elektronische weergave van
binnenvaartkaarten en de daarmee verbonden informatie, dat geselecteerde
informatie uit een specifiek geproduceerde elektronische binnenvaartkaart en
naar keuze informatie van andere navigatiesensoren weergeeft; 100. "Inland
ECDIS-apparaat": apparaat voor de weergave van elektronische
binnenvaartkaarten, dat in de informatiemodus en de navigatiemodus gebruikt kan
worden; 101. "informatiemodus":
gebruik van Inland ECDIS alleen voor informatiedoeleinden zonder geïntegreerd
radarbeeld; 102. "navigatiemodus":
gebruik van Inland ECDIS bij het sturen van het schip met geïntegreerd
radarbeeld; 103.”boordpersoneel”: alle
aan boord van een passagiersschip aangestelde personen die niet tot de
bemanning behoren; 104. "personen met
beperkte mobiliteit": personen die specifieke moeilijkheden hebben bij het
gebruik van openbare vervoermiddelen, zoals oudere mensen, gehandicapten,
personen met een handicap op het gebied van de zintuigen, rolstoelgebruikers,
zwangere vrouwen en personen die kleine kinderen begeleiden; 105. "EU-binnenvaartcertificaat":
een certificaat dat door de bevoegde instantie is afgegeven voor een
binnenvaartschip, ten bewijze dat het voldoet aan de technische voorschriften
van deze richtlijn. 106 "erkende
deskundige": een persoon die door een bevoegde instantie of door een
gemachtigde instantie is erkend, die bijzondere kennis heeft op het relevante
gebied op grond van zijn vakkundige opleiding en ervaring, die volkomen
vertrouwd is met de relevante voorschriften en algemeen erkende technische
regels (bv. EN-normen, relevante reglementen, technische regels van andere
EU-lidstaten) en die de betrokken installaties of inrichtingen kan keuren en
met kennis van zaken kan beoordelen; 107 "deskundige":
een persoon die bijzondere kennis heeft op het relevante gebied op grond van
zijn vakkundige opleiding en ervaring, die volkomen vertrouwd is met de
relevante voorschriften en algemeen erkende technische regels (bijv. EN-normen,
relevante reglementen, technische regels van andere EU-lidstaten) en die de
betrokken installaties of inrichtingen kan keuren en met kennis van zaken kan
beoordelen. HOOFDSTUK 2 PROCEDURE Artikel 2.01
Commissies van
deskundigen 1.
De lidstaten stellen commissies
van deskundigen in. 2.
De commissies van deskundigen
bestaan uit een voorzitter en deskundigen. Als deskundigen maken van
iedere commissie ten minste deel uit: a) een ambtenaar van het
bevoegd gezag op het gebied van de scheepvaart; b) een deskundige op het
gebied van de bouw van binnenschepen en hun machines; c) een erkend nautisch
deskundige die in het bezit is van een binnenvaartbewijs, dat de houder
toestaat het schip dat moet worden onderzocht, te voeren. 3.
De voorzitter en de deskundigen
van elke commissie worden benoemd door de instanties van de staat waartoe de
commissie behoort. Zij dienen bij de aanvaarding van hun functie schriftelijk
te verklaren dat zij deze in alle onpartijdigheid zullen vervullen. Van
ambtenaren wordt een dergelijke verklaring niet geëist. 4.
De commissies van deskundigen
kunnen zich overeenkomstig de toepasselijke nationale bepalingen doen bijstaan
door gespecialiseerde deskundigen. Artikel 2.02
Aanvraag van het
onderzoek 1.
De procedure volgens welke een onderzoek moet
worden aangevraagd en plaats en tijdstip van het onderzoek moeten worden
vastgesteld, valt onder de bevoegdheid van de instanties die het
EU-binnenvaartcertificaat afgeven. De bevoegde instantie bepaalt welke documenten
moeten worden overgelegd. De procedure dient zodanig te verlopen dat het
onderzoek binnen een redelijke termijn na indiening van de aanvraag kan
plaatsvinden. 2.
De eigenaar van een vaartuig,
waarop deze richtlijn niet van toepassing is, of zijn vertegenwoordiger, kan
een EU-binnenvaartcertificaat aanvragen. Aan deze aanvraag wordt gevolg gegeven
wanneer het schip voldoet aan de bepalingen van deze richtlijn. Artikel 2.03
Aanbieding van
het vaartuig voor het onderzoek 1.
De eigenaar of zijn vertegenwoordiger moet het
vaartuig leeg, schoongemaakt en met volledige uitrusting voor onderzoek
aanbieden. Hij is verplicht bij het onderzoek de noodzakelijke hulp te
verlenen, bijvoorbeeld een geschikte boot met personeel ter beschikking te
stellen, en die delen van de romp of van de installaties bloot te leggen die
niet direct toegankelijk of zichtbaar zijn. 2.
De commissie van deskundigen
moet bij het eerste onderzoek het schip op het droge bezichtigen. Bezichtiging
op het droge kan achterwege blijven wanneer een klassecertificaat of een
verklaring van een erkend classificatiebureau, volgens welke de bouw voldoet
aan de daardoor gehanteerde voorschriften, wordt overgelegd, of wanneer een
certificaat wordt overgelegd waaruit blijkt dat de bevoegde instantie al voor
andere doeleinden een bezichtiging op het droge heeft verricht. Bij periodieke
onderzoeken of onderzoeken overeenkomstig artikel 14 van deze richtlijn kan de
commissie van deskundigen een bezichtiging op het droge verlangen. De commissie van deskundigen
moet bij het eerste onderzoek van motorschepen en samenstellen, alsmede bij
essentiële veranderingen in de voortstuwingsinstallatie of de stuurinrichting,
proefvaarten doen plaatsvinden. 3.
De commissie van deskundigen
kan extra bezichtigingen en proefvaarten doen plaatsvinden en nadere bewijzen
verlangen. Dit geldt tevens tijdens de bouw. Artikel 2.04
(Zonder inhoud) Artikel 2.05
Voorlopig
EU-binnenvaartcertificaat 1.
De bevoegde instantie kan een voorlopig
EU-binnenvaartcertificaat afgeven aan: a) vaartuigen die,
teneinde een EU-binnenvaartcertificaat te verkrijgen, met toestemming van de
bevoegde instantie naar een bepaalde plaats worden gevaren; b) vaartuigen die,
wegens een van de in artikel 2.07 of de artikelen 11 en 15 van deze richtlijn
bedoelde gevallen, tijdelijk niet van hun EU-binnenvaartcertificaat zijn
voorzien; c) vaartuigen waarvan
het EU-binnenvaartcertificaat na het onderzoek nog in behandeling is; d) vaartuigen waarbij
niet aan alle voorwaarden voor de afgifte van een EU-binnenvaartcertificaat
overeenkomstig bijlage V, deel I, wordt voldaan; e) vaartuigen die
zodanige schade hebben geleden dat de staat waarin zij verkeren niet meer
overeenstemt met de in het EU-binnenvaartcertificaat gestelde voorwaarden; f) drijvende
inrichtingen en drijvende voorwerpen, wanneer de voor bijzonder transport bevoegde
instanties, overeenkomstig de toepasselijke binnenvaartpolitiereglementen van
de lidstaten, de vergunning voor een bijzonder transport afhankelijk stelt van
het hebben van een dergelijk voorlopig EU-binnenvaartcertificaat; g) vaartuigen die
volgens artikel 18 van deze richtlijn afwijken van de bepalingen in bijlage II,
deel II. 2.
Het voorlopig
EU-binnenvaartcertificaat wordt volgens het model van bijlage V, deel III,
afgegeven, wanneer de deugdelijkheid van het vaartuig, de drijvende inrichting
of het drijvende voorwerp voor de vaart voldoende gewaarborgd wordt geacht. Het moet de voorwaarden
bevatten die door de bevoegde instantie nodig worden geacht en is geldig: a) in de in lid 1, onder
a) en d) tot en met f), bedoelde gevallen voor één bepaalde reis, te maken
binnen een redelijke termijn die ten hoogste één maand mag zijn; b) in de in lid 1, onder
b) en c), bedoelde gevallen gedurende een redelijke termijn; c) in de in lid 1, onder
g), genoemde gevallen gedurende zes maanden. Het voorlopige EU-binnenvaartcertificaat
mag om de zes maanden worden verlengd, zolang het comité nog geen beslissing
genomen heeft. Artikel 2.06
(Zonder inhoud) Artikel 2.07
Aantekeningen in
en wijzigingen van het EU-binnenvaartcertificaat 1.
Elke verandering van naam, overdracht van eigendom,
hermeting van een vaartuig, elke wijziging in de teboekstelling of thuishaven
moet door de eigenaar of zijn vertegenwoordiger ter kennis worden gebracht van
de bevoegde instantie. Hij moet daarbij tevens het EU-binnenvaartcertificaat
aan deze instantie ter wijziging voorleggen. 2.
Alle aantekeningen in of
wijzigingen van het EU-binnenvaartcertificaat kunnen door iedere bevoegde instantie
worden aangebracht. 3.
Wanneer een bevoegde instantie
in het EU-binnenvaartcertificaat een wijziging aanbrengt of daarin een
aantekening maakt, moet zij daarvan kennis geven aan de bevoegde instantie die
het betrokken EU-binnenvaartcertificaat heeft afgegeven. Artikel 2.08
(Zonder inhoud) Artikel 2.09
Periodiek
onderzoek 1.
Voor afloop van de geldigheidsduur van het EU-binnenvaartcertificaat
moet het vaartuig aan een periodiek onderzoek worden onderworpen. 2.
Bij wijze van uitzondering kan
de bevoegde instantie op een met redenen omkleed verzoek van de eigenaar of
zijn vertegenwoordiger de geldigheidsduur van het EU-binnenvaartcertificaat
zonder onderzoek met ten hoogste zes maanden verlengen. Deze verlenging wordt
schriftelijk gegeven en moet zich aan boord van het vaartuig bevinden. 3.
De bevoegde instantie stelt
afhankelijk van de resultaten van het onderzoek de nieuwe geldigheidsduur van
het EU-binnenvaartcertificaat vast. De geldigheidsduur wordt
aangetekend in het EU-binnenvaartcertificaat en dient ter kennis te worden
gebracht van de bevoegde instantie die het EU-binnenvaartcertificaat heeft
afgegeven. 4.
Indien in plaats van verlenging
van de geldigheidsduur, als bedoeld in lid 3, het EU-binnenvaartcertificaat
door een nieuw wordt vervangen, dient het oude EU-binnenvaartcertificaat te
worden teruggezonden aan de bevoegde instantie die het heeft afgegeven. Artikel 2.10
Vrijwillig
onderzoek De eigenaar van een
vaartuig of zijn vertegenwoordiger kan op elk moment zelf om een vrijwillig
onderzoek vragen. Aan dit verzoek om een
onderzoek dient gevolg te worden gegeven. Artikel 2.11
(Zonder inhoud) Artikel 2.12
(Zonder inhoud) Artikel 2.13
(Zonder inhoud) Artikel 2.14
(Zonder inhoud) Artikel 2.15
Kosten De eigenaar van een
vaartuig of zijn vertegenwoordiger draagt de kosten die voortvloeien uit het
onderzoek en de afgifte van het EU-binnenvaartcertificaat, overeenkomstig een
speciaal tarief, dat door elk der lidstaten wordt vastgesteld. Artikel 2.16
Inlichtingen De bevoegde instantie mag
personen die kunnen aantonen daar om gegronde redenen belang bij te hebben,
kennis laten nemen van de inhoud van het EU-binnenvaartcertificaat, en die
personen als zodanig aangeduide uittreksels of gewaarmerkte afschriften van het
EU-binnenvaartcertificaat verstrekken. Artikel 2.17
Registratie van
de EU-binnenvaartcertificaten 1.
De bevoegde instanties geven de door hen afgegeven
EU-binnenvaartcertificaten een volgnummer. Zij houden overeenkomstig bijlage VI
een register bij van alle door hen afgegeven EU-binnenvaartcertificaten. 2.
De bevoegde instanties bewaren
de minuut of een afschrift van elk EU-binnenvaartcertificaat dat zij hebben
afgegeven. Daarop tekenen zij alle aantekeningen en wijzigingen, alsmede
ongeldigheidsverklaringen en vervangingen van de EU-binnenvaartcertificaten
aan. Zij werken het in lid 1 vermelde register dienovereenkomstig bij. 3.
Om administratieve maatregelen
te nemen voor de instandhouding van de veiligheid en het navigatiecomfort en
met het oog op de tenuitvoerlegging van de artikelen 2.02 tot 2.15, alsmede de
artikelen 7, 9, 10, 11, 14, 15 en 16 van deze richtlijn, wordt volgens het in
bijlage VI bepaalde model “read-only”-toegang tot het register verleend aan de
bevoegde instanties van andere lidstaten, van staten die partij zijn bij de
Akte van Mannheim en, voor zover een gelijkwaardig niveau van privacy wordt
gegarandeerd, aan derde landen op basis van administratieve overeenkomsten. Artikel 2.18
Uniek Europees
scheepsidentificatienummer 1.
Het uniek Europees scheepsidentificatienummer
(EIN), hierna Europees scheepsidentificatienummer genoemd, bestaat uit acht
Arabische cijfers volgens aanhangsel III. 2.
De bevoegde instantie die een
EU-binnenvaartcertificaat heeft afgegeven, vult op dat certificaat het Europees
scheepsidentificatienummer in. Indien het vaartuig op het moment dat het
EU-binnenvaartcertificaat wordt afgegeven nog geen Europees
scheepsidentificatienummer heeft, zal een dergelijk nummer aan het vaartuig
worden toegekend door de bevoegde instantie van de lidstaat waar het vaartuig
is geregistreerd of waar het zijn thuishaven heeft. Voor zover het niet mogelijk
is een Europees scheepsidentificatienummer toe te kennen aan een vaartuig, zal
de bevoegde instantie die het EU-binnenvaartcertificaat afgeeft, het Europees
scheepsidentificatienummer bepalen. 3.
Er kan slechts één Europees
scheepsidentificatienummer per vaartuig worden toegewezen. Het Europees
scheepsidentificatienummer wordt slechts één keer toegekend en blijft gedurende
de hele levensduur van het vaartuig onveranderd. 4.
De eigenaar van het vaartuig of
zijn vertegenwoordiger moet de toekenning van het Europees
scheepsidentificatienummer bij de bevoegde instantie aanvragen. De eigenaar of
zijn vertegenwoordiger moet er ook voor zorgen dat het in het
EU-binnenvaartcertificaat opgenomen nummer op het vaartuig wordt aangebracht. 5.
Elke lidstaat deelt de
Commissie mee welke instanties bevoegd zijn voor de toekenning van de Europese
scheepsidentificatienummers. De Commissie houdt een register bij van die
bevoegde instanties en van bevoegde instanties die zijn meegedeeld door derde
landen, en zij zal dat register ter beschikking stellen van de lidstaten. Op
verzoek wordt dit register ook ter beschikking gesteld aan bevoegde instanties
van derde landen. 6.
De in lid 5 bedoelde bevoegde instanties
nemen ieder toegekend Europees scheepsidentificatienummer, de in aanhangsel IV
bepaalde gegevens voor de identificatie van het vaartuig alsmede eventuele
wijzigingen onverwijld op in het door de Commissie bijgehouden digitaal register.
De lidstaten nemen overeenkomstig de wetgeving van de Unie of nationale
wetgeving de nodige maatregelen om de vertrouwelijkheid en betrouwbaarheid van
de hen uit hoofde van deze richtlijn toegezonden informatie te waarborgen en
gebruiken deze informatie uitsluitend overeenkomstig deze richtlijn. Deze
gegevens mogen door de bevoegde instanties van andere lidstaten en van staten
die partij zijn bij de Akte van Mannheim uitsluitend worden gebruikt met het
oog op het nemen van administratieve maatregelen voor de instandhouding van de
veiligheid en het navigatiecomfort en met het oog op de tenuitvoerlegging van
de artikelen 2.02 tot en met 2.15 alsmede de artikelen 7, 9, 10, 11, 14, 15 en 16
van deze richtlijn. De bevoegde instantie van een
lidstaat kan persoonsgegevens overdragen aan een derde land of internationale
organisatie, mits aan de voorwaarden van Richtlijn 95/46/EG, met name artikel 25
of artikel 26, wordt voldaan en alleen in voorkomende gevallen. De bevoegde
instantie van de lidstaat waarborgt dat de overdracht noodzakelijk is voor de
in de eerste alinea bedoelde doeleinden. De bevoegde instantie waarborgt dat
het derde land of de internationale organisatie de gegevens niet overdraagt aan
een ander derde land of internationale organisatie, tenzij dat land of die
internationale organisatie hiervoor uitdrukkelijke schriftelijke toestemming
heeft verkregen en voldoet aan de door de bevoegde instantie van de lidstaat
gestelde voorwaarden. De overdracht van
persoonsgegevens aan een derde land of internationale organisatie door de
Commissie dient te gebeuren met inachtneming van de vereisten van artikel 9 van
Verordening nr. 45/2001 en gebeurt uitsluitend in voorkomende gevallen. De
Commissie waarborgt dat de overdracht noodzakelijk is voor de in de eerste
alinea bedoelde doeleinden. De Commissie waarborgt dat het derde land of de
internationale organisatie de gegevens niet overdraagt aan een ander derde land
of internationale organisatie, tenzij het land of de organisatie hiervoor
uitdrukkelijke schriftelijke toestemming heeft verkregen en voldoet aan de door
de bevoegde instantie van de lidstaat gestelde voorwaarden. Artikel 2.19
(Zonder inhoud) Artikel 2.20
Kennisgevingen 1.
De lidstaten of hun bevoegde instanties stellen de
Commissie en de andere lidstaten of elkaar in kennis van: a) de naam en het adres
van de technische diensten die samen met hun nationale bevoegde instantie
verantwoordelijk zijn voor de toepassing van hoofdstuk 8 van deze bijlage; b) het in aanhangsel VI,
deel VII, bedoelde gegevensformulier betreffende types
boordzuiveringsinstallaties die sinds de laatste kennisgeving zijn goedgekeurd; c) de erkende
typegoedkeuringen voor boordzuiveringsinstallaties op basis van andere normen
dan de in hoofdstuk 14 vastgestelde normen voor gebruik in hun nationale
wateren; d) binnen één maand,
iedere intrekking van een typegoedkeuring en de redenen voor een dergelijke
intrekking voor boordzuiveringsinstallaties; e) de namen en adressen
van de bevoegde instanties en technische diensten die verantwoordelijk zijn
voor het uitvoeren van de in hoofdstuk 14 beschreven functies; f) alle toegelaten
speciale ankers met vermelding van het type en de toegelaten vermindering van
de ankermassa. De bevoegde instantie verleent de aanvrager ten vroegste 3
maanden na kennisgeving aan de Commissie toestemming, mits deze laatste geen
bezwaren oppert; g) navigatieradarinstallaties
en bochtaanwijzers waarvoor zij typegoedkeuring hebben verleend. De betreffende
kennisgeving omvat het toegekende typegoedkeuringsnummer evenals de
typeaanduiding, de naam van de fabrikant, de naam van de houder van de
typegoedkeuring en de datum van de typegoedkeuring; h) de bevoegde instanties
die verantwoordelijk zijn voor de goedkeuring van de deskundige bedrijven die
de inbouw, vervanging, reparatie of het onderhoud van
navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers kunnen uitvoeren. 2.
De Commissie publiceert een
lijst van de overeenkomstig bijlage VIII of op grond van als gelijkwaardig
erkende typegoedkeuringen toegestane navigatieradarinstallaties en
bochtaanwijzers. Deel II HOOFDSTUK 3 SCHEEPSBOUWKUNDIGE EISEN Artikel 3.01
Basisvoorschriften Schepen moeten volgens
goed scheepsbouwgebruik zijn gebouwd. Artikel 3.02
Sterkte en
stabiliteit 1.
De sterkte van de scheepsromp moet zodanig zijn dat
zij in overeenstemming is met de belasting waaraan de romp onder normale
omstandigheden is blootgesteld. a) Bij nieuwbouw van een
schip en bij verbouwingen waardoor de sterkte van het schip kan worden
beïnvloed, dient door berekeningen te worden aangetoond dat de scheepsromp
sterk genoeg is. Dit is niet nodig indien een klassecertificaat of een
verklaring van een erkend classificatiebureau wordt overgelegd. b) Bij onderzoeken als bedoeld
in artikel 2.09 moeten bij schepen die van staal zijn gebouwd als minimale
diktes van de bodem-, kim- en zijbeplating ten minste de grootste van de aan de
hand van de volgende formules vastgestelde waarden worden genomen: 1. Voor schepen met
een lengte L van meer dan 40 m: tmin = f · b · c (2,3 + 0,04 L)
(mm); voor schepen met een
lengte L van 40 m of minder: tmin = f · b · c (1,5 + 0,06 L) [mm],
echter ten minste 3,0 mm. 2.tmin = 0,005
· a √(T)[mm] In deze formule
betekent: a || = || spantafstand in [mm]; f || = || factor voor spantafstand: f = 1 voor a ≤ 500 mm f = 1 + 0,0013 (a - 500) voor a > 500 mm b || = || factor voor bodem- en zijbeplating of kimbeplating: b = 1,0 voor bodem- en zijbeplating b = 1,25 voor kimbeplating. f || = || Bij de berekening van de minimumdikte van de zijbeplating kan voor de factor voor de spantafstand worden uitgegaan van 1. De minimumdikte van de kimbeplating mag echter in geen geval minder zijn dan die van de bodem- en zijbeplating. c: || = || factor voor bouwwijze: c: = 0,95 voor schepen met een dubbele bodem en zijtanks, waarvan het laadruimlangsschot in de zijde verticaal onder de dennenboom is geplaatst c: = 1,0 voor schepen met een andere bouwwijze. c) De minimale
plaatdikte die met de onder b) vermelde formules is berekend mag bij schepen
die in langsrichting zijn gebouwd en die van een dubbele bodem en zijtanks zijn
voorzien, zoveel minder zijn als door een erkend classificatiebureau is
vastgesteld en gedocumenteerd nadat de voldoende sterkte (sterkte in langs- en
dwarsrichting alsmede plaatselijke sterkte) van de scheepsromp rekenkundig is
aangetoond. Vernieuwing van de beplating
is noodzakelijk wanneer de dikte van bodem-, kim- of zijbeplating minder is dan
de aldus vastgestelde toelaatbare waarde. De volgens bovenstaande methode
vastgestelde waarden voor de minimumdikten van de beplating van de scheepshuid
zijn grenswaarden bij een normale en gelijkmatige slijtage onder de voorwaarde
dat scheepsbouwstaal is gebruikt en dat de inwendige constructiedelen, zoals
spanten, bodemwrangen en hoofd-, langs- en dwarsverbanddelen zich in goede
staat bevinden en dat het casco geen schade heeft opgelopen die wijst op
overbelasting van de romp in langsscheepse richting. Indien de werkelijke waarden
lager zijn dan de berekende waarden, moeten de desbetreffende platen worden
vervangen of gerepareerd. Plaatselijke kleine, dunnere plekken kunnen worden
toegestaan tot een afwijking van ten hoogste 10 % van de minimumdikte. 2.
Indien voor de scheepsromp een
ander materiaal dan staal wordt gebruikt, moet met een berekening worden
aangetoond dat de sterkte (sterkte in langs- en dwarsrichting alsmede
plaatselijke sterkte) ten minste overeenkomt met die, welke bij het gebruik van
staal met inachtneming van de minimale diktes als bedoeld in het eerste lid zou
zijn geresulteerd. Indien een klassecertificaat dan wel een verklaring van een
erkend classificatiebureau wordt overgelegd kan deze berekening achterwege
blijven. 3.
De stabiliteit van de schepen
moet in overeenstemming zijn met het doel waarvoor zij zijn bestemd. Artikel 3.03
Scheepsromp 1.
De volgende waterdichte schotten, die reiken tot
tegen het dek of, wanneer er geen dek is, tot aan de bovenkant van het
scheepsboord, moeten ten minste zijn aangebracht: a) een aanvaringsschot
op een redelijke afstand van de voorsteven, zodanig dat bij vollopen van de
vóór het aanvaringsschot gelegen waterdichte afdeling het drijfvermogen van het
beladen schip behouden blijft en dat een resterende veiligheidsafstand van 100
mm in stand blijft. Aan deze eis wordt geacht te zijn
voldaan indien het aanvaringsschot op een afstand tussen 0,04 L en 0,04 L + 2
m, gemeten vanaf de voorloodlijn, is aangebracht. Indien deze afstand meer is
dan 0,04 L + 2 m, moet het voldoen aan deze eis rekenkundig worden aangetoond. De afstand mag tot 0,03 L
worden gereduceerd. In dat geval moet rekenkundig worden aangetoond dat aan de
eis in de eerste alinea kan worden voldaan, wanneer de vóór het aanvaringsschot
gelegen waterdichte afdeling alsmede de direct daaraan grenzende afdelingen
samen zijn volgelopen; b) een achterpiekschot
op een redelijke afstand van de achtersteven bij schepen met een lengte L van
meer dan 25 m. 2.
Verblijven, alsmede voor de
veiligheid van het schip en van de bedrijfsvoering noodzakelijke inrichtingen
mogen zich niet vóór het vlak van het aanvaringsschot bevinden. Dit geldt niet
voor ankerinrichtingen. 3.
Verblijven, machinekamers en
ketelruimen, alsmede de bijbehorende werkruimten, moeten van de laadruimen zijn
gescheiden door middel van waterdichte schotten die reiken tot tegen het dek. 4.
Verblijven moeten van de
machinekamers en ketel- en laadruimen gasdicht zijn gescheiden en rechtstreeks
van het dek af toegankelijk zijn. Wanneer een dergelijke toegang niet aanwezig
is, moet een extra nooduitgang rechtstreeks toegang geven tot het dek. 5.
In de bij lid 1 en lid 3
voorgeschreven schotten en de in lid 4 bedoelde begrenzing van ruimten mogen
zich geen openingen bevinden. Deuren in het achterpiekschot
en openingen voor de doorvoering van assen, leidingen enz. zijn evenwel
toegestaan, wanneer zij zodanig zijn uitgevoerd dat de doelmatigheid van deze
schotten en van de begrenzing van ruimten onverlet blijft. Deuren in het
achterpiekschot zijn alleen toegestaan, indien door middel van afstandsbewaking
in het stuurhuis kan worden vastgesteld of zij gesloten dan wel geopend zijn en
indien aan beide zijden goed leesbaar het volgende opschrift is aangebracht: „Deur steeds onmiddellijk na
het openen weer sluiten”.» 6.
Openingen waarlangs water wordt
in- of uitgelaten, alsmede de aangesloten leidingen moeten zo geconstrueerd
zijn dat onopzettelijk binnendringen van water in de scheepsromp niet mogelijk
is. 7.
Een voorschip moet zodanig
gebouwd zijn dat ankers noch geheel, noch gedeeltelijk buiten de scheepshuid
uitsteken. Artikel 3.04
Machinekamers, ketelruimen
en brandstofbunkers 1.
De ruimten waarin machine-installaties of ketels,
alsmede hun toebehoren, zijn opgesteld, moeten zodanig uitgerust en ingericht
zijn dat bediening, toezicht en onderhoud van de zich aldaar bevindende
installaties gemakkelijk en zonder gevaar kunnen geschieden. 2.
Bunkers voor vloeibare
brandstof of smeerolie mogen met passagiersverblijven en met verblijven geen
begrenzingsvlakken gemeen hebben die bij normaal bedrijf onder de statische
druk van de vloeistof staan. 3.
Wanden, dekken en deuren van de
machinekamers, ketelruimen en bunkers moeten van staal of een ander
gelijkwaardig onbrandbaar materiaal zijn gemaakt. Isolaties in machinekamers
moeten zijn beschermd tegen het binnendringen van olie en oliedampen. Alle openingen in wanden,
dekken en deuren van machinekamers, ketelruimen en bunkers moeten van buitenaf
kunnen worden gesloten. De afsluitinrichtingen moeten van staal of een ander
gelijkwaardig onbrandbaar materiaal zijn gemaakt. 4.
Machinekamers, ketelruimen en
andere ruimten waarin zich brandbare of giftige gassen kunnen ontwikkelen
moeten voldoende kunnen worden geventileerd. 5.
De trappen en ladders die
toegang geven tot machinekamers, ketelruimen en bunkers moeten vast zijn
aangebracht en zijn gemaakt van staal of van een ander stootvast en onbrandbaar
materiaal. 6.
Machinekamers en ketelruimen
moeten twee uitgangen hebben, waarvan er een als nooduitgang mag zijn
uitgevoerd. Van een tweede uitgang kan
worden afgezien, indien: a) het grondvlak
(gemiddelde lengte x gemiddelde breedte ter hoogte van de vloerplaten) van een
machinekamer of ketelruim in totaal niet meer bedraagt dan 35 m2; b) de vluchtweg vanaf
iedere standplaats waar bedieningshandelingen of onderhoudswerkzaamheden moeten
worden uitgevoerd tot aan de uitgang, of tot aan het voetpunt van de trap bij
de uitgang die naar buiten leidt, niet meer bedraagt dan 5 m, en c) bij de plaats van
onderhoud die het verst verwijderd is van de uitgang een draagbaar blustoestel
aanwezig is, en in afwijking van artikel 10.03, lid 1, onder e), ook indien de
geïnstalleerde motorcapaciteit 100 kW of minder bedraagt. 7.
Het ten hoogste toegestane
niveau van de geluidsdruk in de machinekamers bedraagt 110 dB(A). De meetpunten
moeten worden gekozen met inachtneming van de noodzakelijke onderhoudswerkzaamheden
tijdens het normale bedrijf van de installaties. HOOFDSTUK 4 VEILIGHEIDSAFSTAND, VRIJBOORD EN DIEPGANGSSCHALEN Artikel 4.01
Veiligheidsafstand 1.
De veiligheidsafstand moet ten minste 300 mm
bedragen. 2.
De veiligheidsafstand van
schepen waarvan de openingen niet spatwater- en regendicht kunnen worden
afgesloten en van schepen die met open laadruimen varen, moet zoveel worden
verhoogd dat elk van deze openingen ten minste 500 mm van het vlak van de
grootste inzinking is verwijderd. Artikel 4.02
Vrijboord 1.
Het vrijboord bedraagt voor schepen met een
doorlopend dek zonder zeeg en zonder bovenbouw 150 mm. 2.
Bij schepen met zeeg en
bovenbouw wordt het vrijboord berekend volgens de formule: [mm In deze formule betekent: a || || de correctiecoëfficiënt, waarin met alle aanwezige bovenbouwen rekening wordt gehouden; βv || || de correctiecoëfficiënt voor de invloed van de voorste zeeg, veroorzaakt door de aanwezigheid van bovenbouwen in het voorste vierde deel van de scheepslengte L; βa || || de correctiecoëfficiënt voor de invloed van de achterste zeeg, veroorzaakt door de aanwezigheid van bovenbouwen in het achterste vierde deel van de scheepslengte L; Sev || || de in rekening te brengen voorste zeeg in mm; Sea || || de in rekening te brengen achterste zeeg in mm. 3.
De coëfficiënt α wordt berekend
volgens de formule: In deze formule betekent: lem || || de in rekening te brengen lengte van een bovenbouw in m op de middelste helft van de scheepslengte L; lev || || de in rekening te brengen lengte van een bovenbouw in m in het voorste vierde deel van de scheepslengte L; lea || || de in rekening te brengen lengte van een bovenbouw in m in het achterste vierde deel van de scheepslengte L. De in rekening te brengen
lengte van een bovenbouw wordt berekend volgens de volgende formules: In deze formule betekent: l || || de werkelijke lengte van de desbetreffende bovenbouw in m; b || || de breedte van de desbetreffende bovenbouw in m; B1 || || de breedte van het schip in m, gemeten op de buitenkant van de huidbeplating ter hoogte van het dek, gemeten op de halve lengte van de desbetreffende bovenbouw; h || || de hoogte van de desbetreffende bovenbouw in m. Voor luikhoofden wordt h evenwel berekend door de hoogte van de luikhoofden met de halve veiligheidsafstand overeenkomstig artikel 4.01, leden 1 en 2, te verminderen. Voor h wordt in geen geval een hogere waarde dan 0,36 m aangenomen. Indien of kleiner
is dan 0,6, moet de in rekening te brengen lengte van de bovenbouw le gelijk
aan nul worden gesteld.. 4.
De coëfficiënten bv en ba
worden volgens de volgende formules berekend: 5.
De respectievelijk in rekening
te brengen voorste en achterste zeeg Sev en Sea worden volgens de volgende
formules berekend: Sev = Sv · p Sea = Sa · p In deze formules betekent: Sv || || de werkelijke zeeg in het voorschip in mm; voor Sv mag echter geen grotere waarde dan 1000 mm worden aangenomen; Sa || || de werkelijke zeeg in het achterschip in mm; voor Sa mag echter geen grotere waarde dan 500 mm worden aangenomen; p || || een coëfficiënt, die volgens de volgende formule wordt berekend: x || || de van het scheepseinde af gemeten abscis tot het punt waar de zeeg gelijk is aan 0,25 Sv of 0,25 Sa (zie onderstaande schets): Voor de coëfficiënt p mag
echter geen waarde groter dan 1 worden genomen. 6.
Wanneer de waarde van βa · Sea
groter is dan die van βv · Sev, wordt in plaats van de waarde van βa · Sea die
van βv ·Sea genomen. Artikel 4.03
Kleinste
vrijboord Rekening houdende met de
vermindering overeenkomstig artikel 4.02 mag het kleinste vrijboord niet minder
dan 0 mm bedragen. Artikel 4.04
Inzinkingsmerken 1.
Het vlak van de grootste inzinking moet zo worden
vastgesteld dat aan de voorschriften omtrent het kleinste vrijboord en aan die
omtrent de kleinste veiligheidsafstand wordt voldaan. De commissie van deskundigen
kan echter uit veiligheidsoverwegingen een groter vrijboord, dan wel een
grotere veiligheidsafstand vaststellen. Het vlak van de grootste inzinking
wordt ten minste vastgesteld voor zone 3. 2.
Het vlak van de grootste
inzinking wordt door goed zichtbare en onuitwisbare inzinkingsmerken
aangegeven. 3.
De inzinkingsmerken voor zone 3
bestaan uit een rechthoek met horizontale zijden van 300 mm en verticale zijden
van 40 mm, waarvan de basis samenvalt met het vlak van de toegelaten grootste
inzinking. Andersoortige inzinkingsmerken dienen een dergelijke rechthoek te
bevatten. 4.
Schepen moeten ten minste drie
paar inzinkingsmerken hebben, waarvan één paar ongeveer midscheeps en de twee
andere op ongeveer 1/6 van de lengte achter de voorsteven, respectievelijk vóór
de achtersteven moeten zijn aangebracht. Evenwel kan: a) bij schepen waarvan
de lengte L minder dan 40 m bedraagt, met twee paar merken worden volstaan, die
op 14 van de lengte L achter de voorsteven, respectievelijk vóór de
achtersteven moeten zijn aangebracht; b) bij schepen die niet
zijn bestemd voor het vervoer van goederen, met één paar merken worden
volstaan, dat ongeveer midscheeps moet zijn aangebracht. 5.
De ingevolge een nieuw
onderzoek ongeldig geworden inzinkingsmerken of aanduidingen moeten onder
toezicht van de commissie van deskundigen worden verwijderd of als ongeldig
worden gekenmerkt. Onduidelijk geworden inzinkingsmerken mogen alleen onder
toezicht van een commissie van deskundigen worden vervangen. 6.
Wanneer het schip
overeenkomstig het Verdrag van 1966 betreffende de meting van binnenschepen is
gemeten en de ijkmerken in hetzelfde vlak liggen als de in dit reglement
voorgeschreven inzinkingsmerken, gelden deze ijkmerken ook als
inzinkingsmerken; dit wordt aangetekend in het EU-binnenvaartcertificaat. 7.
Op schepen die op andere
binnenwaterzones dan zone 3 varen (zones 1, 2 en 4), moet aan de in lid 4
voorgeschreven paren inzinkingsmerken aan voor- en achtersteven een verticale
streep worden toegevoegd, van waaruit met een extra lijn, of voor meerdere
zones meerdere extra lijnen, met een lengte van 150 mm naar de boeg van het
schip toe het inzinkingsniveau ten opzichte van het inzinkingsmerk voor zone 3
wordt aangegeven. Deze verticale streep en de
horizontale lijn hebben een dikte van 30 mm. Naast het inzinkingsmerk op de
boeg van het schip moet het cijfer van de betreffende zone worden aangegeven.
De afmetingen van dit cijfer zijn 60x40 mm (zie figuur 1). || || Figuur 1 Vertaling termen figuur: || measurement mark || Ijkmerk || draught mark || inzinkingsmerk || freeboard deck || vrijboorddek || plane of maximum draught for zone 3 || vlak van grootste diepgang voor zone 3 || measurement scale || meetschaal || Artikel 4.05 Ten hoogste
toegelaten inzinking van schepen waarvan de laadruimen niet altijd spatwater-
en regendicht zijn gesloten Wanneer het vlak van de
grootste inzinking voor zone 3 is vastgesteld onder de voorwaarde dat de
laadruimen spatwater- en regendicht moeten kunnen worden gesloten en de afstand
tussen het vlak van de grootste inzinking en de bovenrand van de dennenboom
minder dan 500 mm bedraagt, moet de ten hoogste toegelaten inzinking voor de
vaart met open laadruimen worden vastgesteld. In het
EU-binnenvaartcertificaat moet dan worden ingevuld: „Wanneer de luiken van de
laadruimen geheel of gedeeltelijk zijn geopend, mag het schip ten hoogste tot …
mm onder de inzinkingsmerken voor zone 3 zijn beladen.”.» Artikel 4.06
Diepgangsschalen 1.
Elk schip waarvan de diepgang meer dan 1 m kan
bereiken moet aan het achterschip aan iedere zijde van een diepgangsschaal zijn
voorzien; aanvullende diepgangsschalen zijn toegestaan. 2.
Het nulpunt van iedere
diepgangsschaal moet loodrecht daaronder liggen in een vlak evenwijdig aan het
vlak van de grootste inzinking, dat door het laagste punt van de scheepsromp
gaat of van de kiel, wanneer deze aanwezig is. De afstand loodrecht boven het
nulpunt moet in decimeters zijn ingedeeld. Deze indeling moet vanaf het vlak
voor de waterlijn bij ledig schip tot 100 mm boven het vlak van de grootste
inzinking op iedere diepgangsschaal door ingehakte of ingeslagen merken zijn
aangebracht. Deze indeling moet voorts in de vorm van goed zichtbare,
afwisselend in twee verschillende kleuren geschilderde stroken zijn aangeduid.
De indeling moet naast de schaal ten minste bij elke 5 decimeter, alsmede aan
het boveneinde, door cijfers zijn aangegeven. 3.
De twee achterste ijkschalen,
die met toepassing van het in artikel 4.04, lid 6, genoemde verdrag zijn
aangebracht, kunnen als diepgangsschalen dienstdoen, mits zij overeenkomstig
bovenstaande voorschriften zijn ingedeeld; in voorkomend geval moeten de
cijfers voor de diepgang zijn toegevoegd. HOOFDSTUK 5 MANOEUVREEREIGENSCHAPPEN Artikel 5.01
Algemene eisen Schepen en samenstellen
moeten over voldoende vaar- en manoeuvreereigenschappen beschikken. Schepen zonder eigen
mechanische middelen tot voortbeweging die bestemd zijn om gesleept te worden,
moeten voldoen aan de bijzondere eisen van de commissie van deskundigen. Schepen met eigen
mechanische middelen tot voortbeweging en samenstellen moeten voldoen aan de
artikelen 5.02 tot en met 5.10. Artikel 5.02
Proefvaarten 1.
De vaar- en manoeuvreereigenschappen dienen door
proefvaarten te worden aangetoond. Daarbij dient met name te worden vastgesteld
of is voldaan aan de eisen van de artikelen 5.06 tot en met 5.10. 2.
De commissie van deskundigen
kan geheel of gedeeltelijk afzien van proefvaarten, wanneer op andere wijze
wordt aangetoond dat aan de eisen wat betreft vaar- en manoeuvreereigenschappen
wordt voldaan. Artikel 5.03
Proefvaarttraject 1.
De in artikel 5.02 bedoelde proefvaarten dienen in
de door de bevoegde instanties aangewezen vakken van binnenwateren te worden
uitgevoerd. 2.
Deze proefvaarttrajecten moeten
zich bevinden in zo recht mogelijke vakken met een lengte van ten minste 2 km
en voldoende breedte in stromend of stil water en moeten zijn voorzien van
duidelijk herkenbare markeringen om de positie van het schip vast te kunnen
stellen. 3.
De hydrologische gegevens,
zoals waterdiepte, vaarwaterbreedte en gemiddelde stroomsnelheid in het
vaarwater bij verschillende waterstanden moeten door de commissie van
deskundigen kunnen worden vastgesteld. Artikel 5.04
Beladingstoestand
van schepen en samenstellen tijdens de proefvaart Schepen en samenstellen
die bestemd zijn voor het vervoer van goederen moeten voor de proefvaarten zo
mogelijk gelijklastig en ten minste voor 70 % zijn beladen. Wanneer de
proefvaart met minder lading wordt uitgevoerd, moet de toelating voor wat
betreft de afvaart tot deze belading worden beperkt. Artikel 5.05
Hulpmiddelen aan
boord voor de proefvaart 1.
Bij de proefvaarten mogen geen ankers worden
gebruikt, maar wel alle in het EU-binnenvaartcertificaat onder de punten 34 en 52
ingevulde inrichtingen die vanuit de stuurstelling te bedienen zijn. 2.
Bij opdraaimanoeuvres als
bedoeld in artikel 5.10 mogen echter de boegankers worden gebruikt. Artikel 5.06
Snelheid
(vooruitvaren) 1.
Schepen en samenstellen moeten een snelheid ten
opzichte van het water van ten minste 13 km/u kunnen bereiken. Dit geldt niet
voor duwboten indien zij alleen varen. 2.
Voor schepen en samenstellen
die slechts op de reden en in de havens varen kan de commissie van deskundigen
afwijkingen toestaan. 3.
De commissie van deskundigen
gaat na of het vaartuig in onbeladen toestand een snelheid ten opzichte van het
water van 40 km/u kan overschrijden. Is dit het geval, dan moet in het
EU-binnenvaartcertificaat onder nummer 52 worden vermeld: „Het vaartuig is in staat een
snelheid van 40 km/u ten opzichte van het water te overschrijden.”.» Artikel 5.07
Stopeigenschappen 1.
Schepen en samenstellen moeten tijdig kop vóór
kunnen stilhouden en moeten tegelijkertijd voldoende bestuurbaar blijven. 2.
Bij schepen en samenstellen met
een lengte van 86 m of minder en een breedte van 22,90 m of minder kunnen deze
stopeigenschappen worden vervangen door de keereigenschappen. 3.
De stopeigenschappen dienen
door stopmanoeuvres op een der in artikel 5.03 bedoelde proefvaartvakken en de
keereigenschappen door opdraaimanoeuvres als bedoeld in artikel 5.10 te worden
aangetoond. Artikel 5.08
Achteruitvaareigenschappen Wanneer de in artikel 5.07
genoemde noodzakelijke stopmanoeuvre in stilstaand water wordt uitgevoerd,
dient tevens een achteruitvaarproef te worden uitgevoerd. Artikel 5.09
Uitwijkeigenschappen Schepen en samenstellen
moeten tijdig kunnen uitwijken. De uitwijkeigenschappen dienen te worden
aangetoond door uitwijkmanoeuvres op één der in artikel 5.03 bedoelde
proefvaartvakken. Artikel 5.10
Keereigenschappen Schepen en samenstellen
met een lengte van 86 m of minder en een breedte van 22,90 m of minder moeten
tijdig kunnen keren. Deze keereigenschappen
kunnen door de in artikel 5.07 bedoelde stopeigenschappen worden vervangen. De keereigenschappen
dienen door opdraaimanoeuvres te worden aangetoond. HOOFDSTUK 6 STUURINRICHTINGEN Artikel 6.01
Algemene eisen 1.
Schepen moeten zijn voorzien van een betrouwbaar
werkende stuurinrichting waarmee ten minste de in hoofdstuk 5 bedoelde
manoeuvreereigenschappen worden bereikt. 2.
Werktuiglijk aangedreven
stuurinrichtingen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat het roer niet onvoorzien
van stand kan veranderen. 3.
De gehele stuurinrichting moet
voor een permanente slagzij van het schip tot 15° en omgevingstemperaturen van
— 20 °C tot + 50 °C geschikt zijn. 4.
De afzonderlijke onderdelen van
de stuurinrichting moeten qua sterkte zodanig zijn geconstrueerd dat alle onder
normale omstandigheden daarop inwerkende krachten goed kunnen worden opgenomen.
De van buitenaf op het roer inwerkende krachten mogen het functioneren van de
stuurmachine en zijn aandrijving niet beïnvloeden. 5.
Stuurinrichtingen moeten een
mechanisch aangedreven stuurmachine hebben, wanneer de voor de bediening van
het roer te leveren krachten dit vereisen. 6.
Stuurmachines met een
mechanische aandrijving moeten een beveiliging tegen overbelasting hebben die
het door de aandrijving uitgeoefende koppel begrenst. 7.
Asdoorvoeringen van
roerkoningen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat geen waterverontreinigende
smeermiddelen naar buiten kunnen treden. Artikel 6.02
Aandrijving van
de stuurmachine 1.
Bij stuurmachines met mechanische aandrijving moet
een tweede onafhankelijke aandrijving of een handaandrijving aanwezig zijn. In
geval van uitval of storing van de aandrijving van het roersysteem moet de
tweede onafhankelijke aandrijving of handaandrijving binnen 5 seconden in
werking kunnen worden gesteld. 2.
Wanneer het inschakelen van de
tweede aandrijving of van de handaandrijving niet automatisch geschiedt, moet
de roerganger deze met één enkele handeling onmiddellijk, snel en eenvoudig
kunnen inschakelen. 3.
Ook wanneer de tweede
aandrijving of de handaandrijving in werking is, moeten de in hoofdstuk 5
bedoelde manoeuvreereigenschappen kunnen worden gerealiseerd. Artikel 6.03
Hydraulische
aandrijfinstallatie van de stuurmachine 1.
Op de hydraulische aandrijfinstallatie van de
stuurmachine mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten. 2.
De hydraulische tanks dienen te
zijn uitgerust met een niveaualarm dat waarschuwt als het olieniveau onder het
laagste peil daalt waarbij het hydraulische systeem nog veilig kan
functioneren. 3.
De afmetingen, constructie en
plaatsing van de pijpleidingen moeten beschadigingen door mechanische invloeden
of vuur zoveel mogelijk uitsluiten. 4.
Hydraulische leidingen a) zijn alleen
toegelaten indien de trillingsabsorptie of de bewegingsvrijheid van onderdelen
hun gebruik onvermijdelijk maken, b) moeten ontworpen zijn
om ten minste de hoogst toegelaten werkdruk aan te kunnen, en c) moeten ten laatste na
acht jaar worden vernieuwd. 5.
Hydraulische cilinders,
hydraulische pompen en hydraulische en elektrische motoren moeten ten minste om
de acht jaar door een gespecialiseerde firma worden onderzocht en indien nodig
hersteld. Artikel 6.04
Energiebron 1.
Stuurinrichtingen met twee mechanische
aandrijvingen moeten beschikken over twee energiebronnen. 2.
Wanneer de tweede energiebron
van een stuurmachine met mechanische aandrijving tijdens de vaart niet continu
kan worden gebruikt, moet de voor het starten daarvan benodigde tijd door een
buffersysteem van voldoende capaciteit worden overbrugd. 3.
Bij elektrische energiebronnen
mogen uit de toevoer van de stuurinrichtingen geen andere verbruikers worden
gevoed. Artikel 6.05
Handaandrijving 1.
Het handstuurwiel mag niet meegedraaid kunnen
worden door een mechanische aandrijving. 2.
Terugslag van het stuurwiel
moet bij automatisch inschakelen van de handaandrijving bij iedere stand van
het roer zijn verhinderd. Artikel 6.06
Roerpropeller-,
waterstraal-, cycloïdaalschroef- en boegschroefinstallaties 1.
Indien bij roerpropeller-, waterstraal-,
cycloïdaalschroef- en boegschroefinstallaties de afstandsbediening voor de
verandering van de richting van de stuwkracht elektrisch, hydraulisch of
pneumatisch is, dan moeten vanaf de stuurstelling tot de propeller- of
straalinstallatie twee van elkaar onafhankelijke besturingssystemen aanwezig
zijn die voldoen aan de in de artikelen 6.01 tot en met 6.05 genoemde eisen. Dit is niet van toepassing
indien het gebruik van dergelijke installaties niet noodzakelijk is om te
kunnen voldoen aan de manoeuvreereigenschappen bedoeld in hoofdstuk 5, dan wel
uitsluitend voor de stopproef. 2.
Indien twee of meer van elkaar
onafhankelijke roerpropeller-, waterstraal- of cycloïdaalschroefinstallaties
aanwezig zijn, is het tweede besturingssysteem niet vereist indien het schip
bij het uitvallen van één van deze installaties manoeuvreerbaar blijft
overeenkomstig hoofdstuk 5. Artikel 6.07
Signalering en
controle 1.
De stand van het roer moet bij de stuurstelling
duidelijk zichtbaar zijn. Elektrische roerstandaanwijzers moeten een eigen
voeding hebben. 2.
De stuurstelling moet voorzien
zijn van een optisch en akoestisch alarm om de volgende zaken te signaleren: a) daling van het
oliepeil van de hydraulische tanks onder het in artikel 6.03, lid 2, bepaalde
laagste peil en daling van de werkdruk van het hydraulische systeem; b) het uitvallen van de
voeding van de elektrische besturingsenergie; c) het uitvallen van de
voeding van de elektrische energie ten behoeve van de aandrijving; d) het uitvallen van de
stuurautomaat; e) het uitvallen van de
voorgeschreven buffersystemen. Artikel 6.08
Stuurautomaat 1.
Stuurautomaten en de onderdelen daarvan moeten
voldoen aan artikel 9.20. 2.
Een groen lampje in de
stuurstelling moet aangeven dat de stuurautomaat voor gebruik gereed is. Uitval, ontoelaatbare
afwijkingen van de voedingsspanning en ontoelaatbare daling van de
rotatiefrequentie van de gyroscoop moeten worden gecontroleerd. 3.
Wanneer er naast de
stuurautomaat nog andere besturingssystemen aanwezig zijn, moet bij de
stuurstelling duidelijk te zien zijn welk systeem is ingeschakeld. De
omschakeling van het ene systeem naar het andere moet onmiddellijk kunnen
geschieden. Storingen van stuurautomaten mogen het betrouwbaar functioneren van
de stuurinrichting niet kunnen beïnvloeden. 4.
De voeding van de elektrische
energie van de stuurautomaat moet onafhankelijk zijn van andere verbruikers. 5.
De in stuurautomaten gebruikte
gyroscopen, sensoren of bochtaanwijzers moeten voldoen aan de minimumeisen van
de voorschriften omtrent de minimumeisen en keuringsvoorwaarden voor
bochtaanwijzers op de binnenvaart overeenkomstig aanhangsel VIII. Artikel 6.09
Keuring en
periodiek onderzoek 1.
De correcte installatie van de stuurinrichting
dient door een commissie van deskundigen te worden gekeurd. Daartoe kan de
commissie van deskundigen om de volgende documenten vragen: a) beschrijving van de
stuurinrichting; b) tekeningen en
gegevens over de aandrijvingen van de stuurmachine en de besturing; c) gegevens over de
stuurmachine; d) schakelschema voor de
elektrische installatie; e) beschrijving van de
stuurautomaat; f) aanwijzingen voor
gebruik en onderhoud van de installatie. 2.
Bij een proefvaart dient de
werking van de stuurinrichting als geheel te worden gekeurd. Bij stuurautomaten
dient te worden getest of op veilige wijze een rechte koers wordt gehouden en
of op veilige wijze in bochten wordt gevaren. 3.
Stuurmachines met mechanische
aandrijving moeten door een deskundige worden gekeurd: a) vóór
ingebruikstelling; b) na een defect; c) na verandering of
reparatie; d) met regelmaat ten
minste elke drie jaar. 4.
De keuring omvat ten minste: a) een controle van de
overeenstemming met de goedgekeurde tekeningen en bij periodieke keuringen,
controle of de stuurinrichting wijzigingen heeft ondergaan; b) een functionele test
van de stuurinrichting voor alle operationele functies; c) visuele controle en
dichtheidscontrole van de hydraulische componenten, in het bijzonder kleppen,
pijpleidingen, hydraulische leidingen, hydraulische cilinders, hydraulische
pompen en hydraulische filters; d) visuele controle van
de elektrische onderdelen, in het bijzonder relais, elektrische motoren en veiligheidsapparaten; e) controle van de
optische en akoestische controleapparaten. 5.
Hiervan moet een verklaring
worden afgegeven, ondertekend door degene die de keuring heeft verricht, en
waarin de datum van de keuring is aangegeven. HOOFDSTUK 7 STUURHUIS Artikel 7.01
Algemene
bepalingen 1.
Stuurhuizen moeten zodanig zijn ingericht dat de
roerganger zijn werkzaamheden tijdens de vaart te allen tijde kan verrichten. 2.
Tijdens het normale bedrijf van
het schip mag het niveau van de geluidsdruk voortgebracht door het schip bij de
stuurstelling ter hoogte van het hoofd van de roerganger niet hoger zijn dan 70
dB(A). 3.
Bij eenmansstuurstellingen voor
het varen op radar moet de roerganger zijn werkzaamheden zittend kunnen
verrichten en moeten alle voor het voeren van het schip noodzakelijke
signalerings- en controle-instrumenten en de bedieningsapparatuur zodanig zijn
gerangschikt dat de roerganger ze tijdens de vaart gemakkelijk kan observeren
en bedienen zonder daarbij zijn plaats te hoeven verlaten en zonder het radarbeeld
uit het oog te verliezen. Artikel 7.02
Vrij zicht 1.
Het uitzicht vanaf de stuurstelling moet naar alle
zijden voldoende vrij zijn. 2.
De dode hoek voor de boeg van
het lege schip met halve voorraden en zonder ballast mag voor de roerganger
niet meer zijn dan tweemaal de scheepslengte of 250 m tot het
wateroppervlak, al naar gelang welke afstand het kortste is. Optische en elektronische
hulpmiddelen ter verkleining van de dode hoek mogen bij het onderzoek niet in
aanmerking worden genomen. Om de dode hoek nog verder te
verkleinen mogen alleen geschikte elektronische hulpmiddelen worden gebruikt. 3.
Het vrije gezichtsveld vanaf de
plaats waar de roerganger zich gewoonlijk bevindt, moet ten minste 240° van de
horizon bedragen. Daarvan moet een gezichtsveld van ten minste 140° binnen de
voorste halve cirkel liggen. In de normale zichtas van de
roerganger mogen zich geen vensterstijlen, steunen of opbouwen bevinden. Indien, ook in het geval van
een vrij gezichtsveld van 240° of meer, geen voldoende vrij uitzicht naar
achteren gewaarborgd is, kan de commissie van deskundigen andere maatregelen
eisen, zoals de inbouw van geschikte optische of elektronische hulpmiddelen. De hoogte van de onderrand van
de zijvensters moet zo laag mogelijk en de hoogte van de bovenrand van de zij-
en achtervensters moet zo hoog mogelijk worden gehouden. Bij de vaststelling of aan de
bepalingen van dit artikel inzake het gezichtsveld vanuit het stuurhuis is
voldaan, wordt ervan uitgegaan dat de ooghoogte van de roerganger zich op 1650
mm boven het dek op de stuurstelling bevindt. 4.
De bovenrand van het
boegvenster van het stuurhuis moet voldoende hoog zijn om een persoon op de
stuurstelling met een ooghoogte van 1800 mm een vrij zichtveld naar voren te
bieden tot op ten minste 10 graden boven het horizontale vlak op ooghoogte. 5.
Door adequate middelen moet
zijn gewaarborgd dat onder alle weersomstandigheden door de voorruiten helder
zicht mogelijk is. 6.
In stuurhuizen gebruikte ruiten
moeten vervaardigd zijn van veiligheidsglas en een minimale lichtdoorlaatbaarheid
van 75 % hebben. Om lichtweerkaatsing te voorkomen zijn de voorruiten van de
brug ontspiegeld of zijn ze zo geplaatst dat weerkaatsingen effectief
uitgesloten zijn. Om lichtweerkaatsing te
voorkomen zijn de voorruiten van de brug ontspiegeld of zijn ze zo geplaatst
dat weerkaatsingen effectief uitgesloten zijn. Aan deze eis wordt voldaan
indien de ruiten schuin ingezet zijn en zij naar voren toe met de bovenkant van
het venster een hoek van minimaal 10° en maximaal 25° met de loodlijn maken. Artikel 7.03
Algemene eisen
voor bedieningsapparatuur en signalerings- en controle-instrumenten 1.
De voor het voeren van een schip noodzakelijke
bedieningsapparatuur moet gemakkelijk kunnen worden bediend. De stand waarin
zij zijn gebracht, moet duidelijk herkenbaar zijn. 2.
Controle-instrumenten moeten
gemakkelijk kunnen worden afgelezen; zij moeten traploos regelbaar kunnen
worden verlicht. Lichtbronnen mogen niet storen of de zichtbaarheid van de
controle-instrumenten hinderen. 3.
Er moet een inrichting voor het
controleren van de signaallampjes aanwezig zijn. 4.
Of een inrichting in werking
is, moet duidelijk zichtbaar zijn. Wanneer dit door een signaallampje wordt
aangegeven, moet dit groen zijn. 5.
Storingen of het uitvallen van
inrichtingen waarvan controle verplicht is, dienen door rode signaallampjes te
worden aangegeven. 6.
Wanneer één van de rode
signaallampjes gaat branden, moet een akoestisch signaal klinken. Voor de
verschillende lampjes kan hetzelfde akoestische alarmsignaal worden gegeven.
Het geluidsniveau van dit signaal moet ten minste 3 dB(A) meer bedragen dan het
maximaal heersende geluidsniveau ter plaatse van de stuurstelling. 7.
Het akoestische signaal moet
kunnen worden uitgezet na het constateren van het uitvallen of van de storing.
Dit mag geen nadelige invloed hebben op het functioneren van het signaal voor
andere storingen. De rode signaallampjes mogen echter pas na het verhelpen van
de storing uitgaan. 8.
De signalerings- en
controle-instrumenten moeten bij het uitvallen van de voeding automatisch op een
andere energiebron worden geschakeld. Artikel 7.04
Bijzondere eisen
voor bedieningsapparatuur en signalerings- en controle-instrumenten voor
voortstuwingsmotoren en stuurinrichtingen 1.
De bediening en de controle van de
voortstuwingsmotoren en van de stuurinrichtingen moet vanaf de stuurstelling
mogelijk zijn. Voortstuwingsmotoren die zijn voorzien van een vanaf de
stuurstelling bedienbare koppeling, of die een vanaf de stuurstelling
bedienbare verstelbare schroef aandrijven, hoeven slechts in de machinekamer
aan- en uitgezet te kunnen worden. 2.
De bediening van elke
voortstuwingsmotor moet kunnen geschieden door één enkele hefboom. De hefboom
moet volgens een cirkelboog in een verticaal vlak dat nagenoeg evenwijdig is
aan de lengteas van het schip kunnen worden bewogen. Het verplaatsen van deze
hefboom in de richting van het voorschip moet het schip vooruit doen varen,
terwijl verplaatsing van de hefboom in de richting van het achterschip het
schip achteruit doet varen. Aan weerszijden van de nulstand van de hefboom
vindt het koppelen of omkeren plaats. In de nulstand moet de hefboom vanzelf
blijven staan. 3.
De richting van de door de
aandrijving op het schip werkende stuwingskracht alsmede het toerental van de
schroeven of stuwingsmotoren moet worden aangegeven. 4.
De in de artikelen 6.07, tweede
lid, 8.03, tweede lid, en 8.05, dertiende lid, voorgeschreven signalerings- en
controle-instrumenten moeten in de stuurstelling zijn aangebracht. 5.
Bij éénmansstuurstellingen voor
het varen op radar moet de besturing van het schip plaats vinden door middel
van een hefboom. Deze hefboom moet gemakkelijk met de hand bediend kunnen
worden. De hoek van de hefboom moet overeenkomen met de stand van de roerbladen
ten opzichte van de lengteas van het schip. De hefboom moet in onverschillig
welke positie kunnen worden losgelaten, zonder dat dan de stand van de
roerbladen verandert. De nulstand van de hefboom moet duidelijk voelbaar zijn. 6.
Wanneer het schip is voorzien
van koproeren of bijzondere roeren (bijv. voor achteruitvaren), moeten deze bij
éénmansstuurstellingen voor het varen op radar kunnen worden bediend door
speciale hefbomen, die aan de in het vijfde lid genoemde toepasselijke eisen
voldoen. Dit
geldt ook wanneer bij samenstellen de roerinstallaties van andere vaartuigen
dan het voor het voeren van het samenstel gebruikte vaartuig worden gebruikt. 7.
Bij het gebruik van
stuurautomaten moet het bedieningsorgaan voor het instellen van de
draaisnelheid in elke willekeurige positie kunnen worden losgelaten zonder dat
daardoor de ingestelde draaisnelheid verandert. Het bedieningsorgaan moet een
zodanige zwenkhoek hebben dat voldoende nauwkeurigheid van de instelling is
gewaarborgd. De nulstand moet voelbaar van andere standen zijn te
onderscheiden. De schaalverdeling moet traploos regelbaar kunnen worden
verlicht. 8.
Inrichtingen voor
afstandsbediening van de gehele stuurinrichting moeten vast ingebouwd zijn en
zodanig zijn geïnstalleerd dat de gekozen vaarrichting duidelijk zichtbaar is.
Wanneer zij uitgeschakeld kunnen worden, moeten zij voorzien zijn van een
aanwijzer die aangeeft of de inrichting „aan” of „uit” is. De opstelling en
bediening van de verschillende onderdelen van deze inrichtingen moeten
overeenkomen met de functie daarvan. Voor aanvullende installaties
van de stuurinrichting, zoals boegschroefinstallaties, zijn niet vast
ingebouwde afstandsbedieningen toegestaan wanneer door een
prioriteitsschakeling in het stuurhuis de bediening van de aanvullende
installatie te allen tijde kan worden overgenomen. 9.
Bij roerpropeller-, waterstraal-,
cycloïdaalschroef- en boegschroefinstallaties zijn gelijkwaardige
bedieningsapparatuur en signalerings- en controle-instrumenten toegestaan. Voor deze installaties zijn
het eerste tot en met achtste lid met inachtneming van de bijzondere kenmerken
en de gekozen opstelling van de genoemde actieve stuurinrichtingen en de
voortstuwingsinrichtingen van overeenkomstige toepassing. Naar analogie van lid
2 moet elke inrichting worden bediend door één enkele hefboom die beweegt
volgens een cirkelboog in een verticaal vlak dat nagenoeg evenwijdig is aan de
lengteas van de inrichting. Uit de positie van de hefboom moet duidelijk de
richting van de aandrijving van het schip blijken. Als de roerpropeller- of
cycloïdaalschroefsystemen niet door middel van hefbomen worden bediend, kan de
controle-instantie afwijkingen van lid 2 toestaan. Deze afwijkingen worden
vermeld in het EU-binnenvaartcertificaat in vak 52 als bedoeld in bijlage V. Artikel 7.05
Navigatielichten,
lichtseinen en geluidsseinen 1.
Navigatielichten, evenals hun lantaarnhuizen en
toebehoren, dragen het keurmerk dat is bepaald in Richtlijn
2013/XXX/EG van de Raad van XX MMM 2013 inzake uitrusting van zeeschepen.* (*) PB LXX van DD.MM.JJJJ,
blz. XX. 2.
Voorzover de controle van de
navigatielichten niet rechtstreeks vanuit het stuurhuis mogelijk is, moeten ter
controle van deze lichten in het stuurhuis stroomaanwijslampen of
gelijkwaardige inrichtingen, zoals controlelampjes, zijn aangebracht. 3.
Bij éénmansstuurstellingen voor
het varen op radar moeten ter controle van de navigatielichten en de
lichtseinen controlelampen in de stuurstelling zijn ingebouwd. De schakelaars
van de navigatielichten moeten in of vlakbij de daarbij behorende
controlelampen zijn aangebracht en daar duidelijk bij behoren. De groepering en de kleur van
de controlelampen van de navigatielichten en de lichtseinen moeten overeenkomen
met de werkelijke opstelling en de kleur van de ingeschakelde navigatielichten
en de lichtseinen. Het niet-functioneren van een
navigatielicht of lichtsein moet het uitgaan van de overeenkomstige
controlelamp tot gevolg hebben dan wel op andere wijze door de betreffende
controlelamp worden aangegeven. 4.
Bij éénmansstuurstellingen voor
het varen op radar dient de bediening van de geluidsseinen met de voet te kunnen
geschieden. Dit geldt niet voor het in de scheepvaartpolitiereglementen van de
lidstaten bedoelde „blijf weg-sein”. Artikel 7.06 Radarinstallatie
en bochtaanwijzer 1.
Navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers
voldoen aan de in aanhangsel VIII, delen I en II, vermelde voorschriften. Een bevoegde
instantie stelt vast of aan deze eisen is voldaan en geeft vervolgens een
typegoedkeuring af. Een Inland Electronic Chart Display Information System
(hierna “ECDIS-apparaat” genoemd) dat in de navigatiemodus kan worden gebruikt,
wordt beschouwd als een navigatieradarinstallatie. Aan de voorschriften omtrent
de inbouw en de controle van het functioneren van navigatieradarinstallaties en
bochtaanwijzers in binnenschepen van aanhangsel VIII, deel III, moet zijn voldaan.
De informatie over de
overeenkomstig aanhangsel VIII of op grond van als gelijkwaardig erkende
typegoedkeuringen toegestane navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers is
publiekelijk beschikbaar. 2.
Bij éénmansstuurstellingen voor
het varen op radar: a) mag het radarscherm
in normale stand niet wezenlijk buiten de blikrichting van de roerganger
vallen; b) moet het radarbeeld
zonder kap of scherm, ongeacht de buiten het stuurhuis heersende
lichtomstandigheden, duidelijk zichtbaar zijn; c) moet de bochtaanwijzer
direct boven of onder het radarbeeld zijn geplaatst of hierin zijn
geïntegreerd. Artikel 7.07
Marifooninstallatie
voor schepen met een eenmansstuurstelling
voor het varen op radar 1.
Op schepen met een éénmansstuurstelling voor het
varen op radar moet voor het schip-schipverkeer en de nautische informatie het
ontvangen door een luidspreker en het zenden door een vast opgestelde microfoon
geschieden. Het overschakelen van „ontvangen” naar „zenden” moet door middel
van drukknoppen geschieden. In geen geval mag de microfoon
van dit verkeer voor verbindingen van het openbaar verkeer kunnen worden
gebruikt. 2.
Wanneer een schip met een
éénmansstuurstelling voor het varen op radar is uitgerust met een
marifooninstallatie bestemd voor het openbaar verkeer, moet de ontvangst
daarvan vanaf de zitplaats van de roerganger mogelijk zijn. Artikel 7.08
Interne
spreekverbindingen aan boord Aan boord van schepen met
een éénmansstuurstelling voor het varen op radar moet een interne
spreekverbinding aanwezig zijn. Vanaf de stuurstelling
moeten de volgende spreekverbindingen tot stand kunnen worden gebracht: a) met het voorschip van
het schip of het voorste gedeelte van het samenstel; b) met het achterschip
van het schip of het achterste gedeelte van het samenstel, indien geen directe
communicatie daarmee vanaf de stuurstelling mogelijk is; c) met het verblijf of
de verblijven van de bemanning; d) met de hut van de
schipper. Op alle punten van deze
spreekverbinding dient het luisteren door luidsprekers en het spreken door vast
opgestelde microfoons te kunnen geschieden. Met het voorschip en het
achterschip van het schip of van het samenstel is een marifoonverbinding
toegestaan. Artikel 7.09
Alarminstallatie 1.
Er moet een onafhankelijke alarminstallatie
aanwezig zijn, waarmee de verblijven, de machinekamers en eventueel aparte
pompkamers kunnen worden bereikt. 2.
De roerganger moet een
schakelaar "AAN/UIT" voor de bediening van het alarmsein binnen zijn
bereik hebben. Voor dit sein mag geen schakelaar worden gebruikt die, wanneer
men hem loslaat, automatisch in de stand "UIT" kan terugspringen. 3.
Het geluidsniveau van het
alarmsignaal moet in de verblijven ten minste 75 dB(A) bedragen. In de machine- en pompkamers
moet een overal goed waarneembaar, rondom zichtbaar knipperlicht als alarmsignaal
aanwezig zijn. Artikel 7.10
Verwarming en
ventilatie Stuurhuizen moeten zijn
voorzien van een doeltreffende en regelbare verwarming en ventilatie. Artikel 7.11
Installatie voor
het bedienen van hekankers Op schepen en samenstellen
met een éénmansstuurstelling voor het varen op radar waarvan de lengte L meer
dan 86 m of de breedte B meer dan 22,90 m bedraagt, moet de roerganger de
hekankers vanaf zijn plaats kunnen presenteren. Artikel 7.12
In de hoogte
verstelbare stuurhuizen In de hoogte verstelbare
stuurhuizen moeten zijn voorzien van een noodinrichting waarmee deze kunnen
worden neergelaten. Telkens wanneer het
stuurhuis in een lagere stand wordt gezet, moet automatisch een akoestisch
waarschuwingssignaal duidelijk waarneembaar zijn. Dit geldt niet wanneer door
adequate bouwkundige maatregelen geen gevaar bestaat voor verwondingen ten
gevolge van de verstelling van de hoogte. In alle hoogtestanden moet
het mogelijk zijn het stuurhuis zonder gevaar te verlaten. Artikel 7.13
Aantekening in
het EU-binnenvaartcertificaat voor schepen met
een éénmansstuurstelling voor het varen op radar Wanneer een schip voldoet
aan de in de artikelen 7.01, 7.04 tot en met 7.08 en 7.11 bedoelde
voorschriften voor schepen met een éénmansstuurstelling voor het varen op radar,
moet in het EU-binnenvaartcertificaat worden aangetekend: "Goedgekeurd voor het
voeren van het schip met behulp van radar door één persoon". HOOFDSTUK 8 MOTORONTWERP Artikel 8.01
Algemene
bepalingen 1.
Motoren en de bijbehorende installaties moeten
volgens de regels van de techniek zijn ontworpen, uitgevoerd en geïnstalleerd. 2.
Drukvaten voor de
bedrijfsvoering van het schip moeten door een erkend deskundige op de
bedrijfszekerheid worden gekeurd: a) vóór de eerste
ingebruikstelling; b) vóór hernieuwde ingebruikstelling
na een verandering of reparatie, en c) regelmatig, ten
minste om de vijf jaar. De keuring bestaat uit een
interne en externe controle. Voor persluchthouders die intern niet goed kunnen
worden gecontroleerd of waarvan de staat bij de interne controle niet afdoend
kan worden vastgesteld, moet bijkomend een niet-destructief onderzoek of een
waterdrukcontrole worden uitgevoerd. Hiervan moet een verklaring
worden afgegeven, ondertekend door de erkend deskundige die de keuring heeft
verricht, en waarin de datum van de keuring is aangegeven. Andere installaties die
regelmatige controle vereisen zoals stoomketels, andere drukvaten, alsmede hun
toebehoren en liften moeten voldoen aan de voorschriften van één van de
lidstaten van de Unie. 3.
Er mogen alleen
verbrandingsmotoren worden geïnstalleerd die brandstoffen gebruiken met een
vlampunt boven 55 °C. Artikel 8.02
Veiligheidsuitrusting 1.
Motoren moeten zo zijn ingericht en opgesteld, dat
zij voor bediening en onderhoud voldoende toegankelijk zijn en personen die ze
moeten bedienen of onderhouden niet in gevaar kunnen worden gebracht. Zij
moeten kunnen worden beveiligd tegen onopzettelijke inbedrijfstelling. 2.
Aan de hoofd- en hulpmotoren
alsmede de stoomketels en drukvaten moeten beschermende inrichtingen zijn aangebracht;
hetzelfde geldt voor hun toebehoren. 3.
Aandrijvingen voor de pers- en
zuigventilatoren moeten in geval van nood ook buiten de ruimte waar zij zich
bevinden en buiten de machinekamer uitgeschakeld kunnen worden. 4.
Waar dat vereist is, moeten
verbindingen van leidingen voor brandstof, smeerolie en olie die in
krachtoverbrengingssystemen, schakel-, aandrijf- en verwarmingssystemen worden
gebruikt, worden afgeschermd of op een andere passende wijze worden beschermd
om te voorkomen dat olie wordt gesproeid of gelekt op hete oppervlaktes, in de
luchtaanzuiging van machines of op andere ontstekingsbronnen. Het aantal
verbindingen in deze leidingsystemen moet tot een minimum worden beperkt. 5.
Vrij liggende hogedrukleidingen
voor brandstof voor dieselmotoren tussen de hogedrukbrandstofpompen en de
inspuitinrichtingen moeten worden beschermd door een mantel die de vrijkomende
brandstof bij een lekkage van de hogedrukleiding opvangt. De mantel moet door
een opvangsysteem voor lekkage worden aangevuld, en er moeten inrichtingen zijn
die in geval van beschadiging van de brandstofleiding een alarmsignaal geven;
voor motoren met ten hoogste twee cilinders is een dergelijk alarmsysteem niet
vereist. Bij motoren voor ankerlieren en windassen op open dekken zijn dergelijke
mantels niet vereist. 6.
Isolaties van machineonderdelen
moeten in overeenstemming zijn met artikel 3.04, derde lid, tweede alinea. Artikel 8.03
Voortstuwingsinstallaties 1.
De aandrijving van een schip moet op betrouwbare en
snelle wijze aangezet, gestopt en van vooruit op achteruit of andersom gezet
kunnen worden. 2.
Het peil van a) de temperatuur van
het koelwater van de voortstuwingsmotoren; b) de druk van de
smeerolie van de voortstuwingsmotoren en de transmissie; c) de olie- en luchtdruk
van de omkeerinrichting van de voortstuwingsmotoren, de keerkoppeling of de
schroeven; moet worden aangegeven door daartoe geschikte inrichtingen, die bij
het bereiken van kritieke waarden een alarmsignaal in werking stellen. 3.
Bij schepen met slechts één
voortstuwingsmotor mag, behalve ingeval van overtoeren, de motor niet
automatisch worden stopgezet. 4.
Bij schepen met slechts één
voortstuwingsmotor mag deze slechts zijn uitgerust met een inrichting voor
automatische reductie van het toerental indien een automatische reductie van
het toerental in het stuurhuis optisch en akoestisch wordt aangegeven en de
inrichting voor reductie van het toerental vanaf de stuurstand kan worden
uitgeschakeld. 5.
Doorvoeringen van assen moeten
zodanig zijn uitgevoerd dat geen waterverontreinigende smeermiddelen naar
buiten kunnen treden. Artikel 8.04
Uitlaatgassenleidingen
van verbrandingsmotoren 1.
Uitlaatgassen moeten volledig naar buitenboord
worden afgevoerd. 2.
Het binnendringen van
uitlaatgassen in de verschillende ruimten van het schip moet door doelmatige
maatregelen zijn verhinderd. Uitlaatgassenleidingen die door verblijven of het
stuurhuis gaan, moeten in die ruimten zijn voorzien van een gasdichte mantel.
De ruimte tussen de uitlaatgassenleiding en de mantel moet in verbinding staan
met de openlucht. 3.
Uitlaatgassenleidingen moeten
zodanig zijn aangelegd en beschermd dat zij geen brand kunnen veroorzaken. 4.
In de machinekamer moeten
uitlaatgassenleidingen voldoende geïsoleerd of gekoeld zijn. Buiten de
machinekamer kan een beveiliging tegen aanraken voldoende zijn. Artikel 8.05
Brandstoftanks,
-pijpleidingen en toebehoren 1.
Vloeibare brandstoffen moeten zijn opgeslagen in
tot de scheepsromp behorende of vast in het schip bevestigde tanks van staal.
Olie die in krachtoverbrengingssystemen, schakel-, aandrijf- en
verwarmingssystemen wordt gebruikt, moet zijn opgeslagen in tot de scheepsromp
behorende of vast in het schip bevestigde tanks van staal of, wanneer dit
wegens de constructie van het schip nodig is, van een met het oog op
brandveiligheid gelijkwaardig materiaal. Dit geldt niet voor tanks van
hulpaggregaten met een inhoud van maximaal 12 l, die van fabriekswege hecht met
deze zijn verbonden. Brandstoftanks mogen geen begrenzingsvlakken gemeen hebben
met drinkwaterreservoirs. 2.
Deze tanks, alsmede brandstofleidingen
en verdere toebehoren, moeten zodanig zijn uitgevoerd en ingericht dat zich
geen brandstof of brandstofdampen onopzettelijk in het inwendige van het schip
kunnen verspreiden. Afsluitinrichtingen op brandstoftanks die dienen voor het
ontnemen van brandstof of voor de afwatering, moeten zelfsluitend zijn. 3.
Voor het aanvaringsschot mag
zich geen brandstoftank bevinden. 4.
Brandstoftanks en hun
appendages mogen niet zijn geplaatst boven motoren of uitlaatgassenleidingen. 5.
De vulopeningen van brandstoftanks
moeten duidelijk zijn gekenmerkt. 6.
De vulleidingen van
brandstoftanks moeten aan dek uitmonden, met uitzondering van die der dagtanks.
De vulleidingen moeten voorzien zijn van een aansluitkoppeling volgens de
Europese norm EN 12 827:1999. Deze tanks moeten zijn
voorzien van een ontluchtingsleiding die bovendeks in de openlucht uitmondt en
zo is ingericht dat geen water kan binnendringen. De doorsnede van deze
ontluchtingsleiding moet ten minste 1,25 maal zo groot zijn als de doorsnede
van de vulleiding. Indien tanks voor vloeibare
brandstoffen met elkaar in verbinding staan, moet de doorsnede van de
verbindingsleiding ten minste 1,25 maal zo groot zijn als de doorsnede van de
vulleiding. 7.
De uitgaande leidingen voor
vloeibare brandstoffen moeten onmiddellijk bij de tanks zijn voorzien van een
snelsluitende afsluiter die van het dek af kan worden bediend, zelfs indien de
desbetreffende kamers gesloten zijn. Als de bedieningsinrichting
verborgen is, mag het deksel niet vergrendelbaar zijn. De bedieningsinrichting wordt
met rood gemarkeerd. Als ze verborgen is, wordt ze gemarkeerd met een symbool
voor de snelsluitende afsluiter overeenkomstig figuur 9 van
bijlage I, met een lengte van de zijde van ten minste 10 cm. De eerste alinea is niet van
toepassing op brandstoftanks die rechtstreeks aan de motor zijn aangebouwd. 8.
Brandstofleidingen, hun
verbindingen, afdichtingen en appendages moeten zijn vervaardigd uit materiaal
dat bestand is tegen de te verwachten mechanische, chemische en thermische
belasting. Brandstofleidingen mogen niet onderhevig zijn aan schadelijke
invloeden van warmte en moeten over hun volle lengte gecontroleerd kunnen
worden. 9.
Brandstoftanks moeten zijn
voorzien van een passende peilinrichting. De peilinrichtingen moeten tot aan de
hoogste vulstand afleesbaar zijn. De peilglazen moeten tegen beschadigingen
zijn beschermd, aan de onderkant zijn voorzien van zelfsluitende
afsluitinrichtingen en het boveneinde moet weer naar de tank zijn gevoerd,
boven de hoogste vulstand. Het materiaal van de peilglazen moet bij normale
omgevingstemperaturen niet vervormen. Peilkokers mogen niet op verblijven
uitgeven. Peilkokers die op een machinekamer of ketelruim uitgeven, moet zijn
voorzien van passende zelfsluitende afsluitingen. 10.
a) Brandstoftanks moeten door geschikte
technische inrichtingen aan boord, die in het EU-binnenvaartcertificaat onder
nummer 52 moeten worden vermeld, zijn beveiligd tegen het uitstromen van
brandstof tijdens het bunkeren. b) Wanneer
brandstof wordt ingenomen van bunkerstations die door hun eigen technische
inrichtingen tegen het uitstromen van brandstof aan boord tijdens het bunkeren
beveiligd zijn, is het uitrustingsvoorschrift bedoeld in letter a) en in het
elfde lid niet van toepassing. 11.
Indien brandstoftanks zijn
uitgerust met een automatische uitschakelinrichting, moeten de meetelementen
bij een tankvulstand van 97 % het bunkeren onderbreken; deze inrichtingen
moeten voldoen aan de maatstaf "failsafe". Indien het meetelement een
elektrisch contact in werking stelt, dat in de vorm van een binair signaal de
van het bunkerstation afkomstige en gevoede stroomkring kan onderbreken, moet
het signaal naar het bunkerstation kunnen worden overgebracht via een
waterdichte apparatenstekker van een koppelingsinrichting volgens de
internationale norm IEC 60309-1: 1999 voor gelijkstroom van 40 tot en met 50 V,
kleur wit, geleidingsnok 10 uur. 12.
Tanks voor brandstoffen moeten
zijn voorzien van lekdichte afsluitbare openingen voor reiniging en keuring. 13.
Brandstoftanks die onmiddellijk
aan de voortstuwingsmotoren en aan de voor de vaart noodzakelijke andere
motoren zijn aangesloten, moeten zijn voorzien van een inrichting waardoor
zowel optisch als akoestisch in het stuurhuis wordt aangegeven dat de
hoeveelheid brandstof in de tank niet meer voldoende is voor een veilige
voortzetting van de vaart. Artikel 8.06
Smeerolieopslag,
-leidingen en toebehoren 1.
Smeerolie moet zijn opgeslagen in tot de
scheepsromp behorende of vast in het schip bevestigde tanks van staal. Olie die
in krachtoverbrengingssystemen, schakel-, aandrijf- en verwarmingssystemen
wordt gebruikt, moet zijn opgeslagen in tot de scheepsromp behorende of vast in
het schip bevestigde tanks van staal of, wanneer dit wegens de constructie van
het schip nodig is, van een met het oog op brandveiligheid gelijkwaardig
materiaal. Dit geldt niet voor tanks met een inhoud tot 25 l. Smeerolietanks
mogen geen begrenzingsvlakken gemeen hebben met drinkwaterreservoirs. 2.
Deze tanks, alsmede de
bijbehorende leidingen en verdere toebehoren, moeten zodanig zijn uitgevoerd en
ingericht dat zich geen smeerolie of smeeroliedampen onopzettelijk in het
inwendige van het schip kunnen verspreiden. 3.
Voor het aanvaringsschot mag
zich geen smeerolietank bevinden. 4.
Smeerolietanks en hun
appendages mogen niet onmiddellijk boven motoren of uitlaatgassenleidingen zijn
geplaatst. 5.
De vulopeningen van
smeerolietanks moeten duidelijk zijn gekenmerkt. 6.
Smeerolieleidingen, hun
verbindingen, afdichtingen en appendages moeten zijn vervaardigd uit materiaal
dat bestand is tegen de te verwachten mechanische, chemische en thermische
belasting. De leidingen mogen niet onderhevig zijn aan schadelijke invloeden
van warmte en moeten over hun volle lengte gecontroleerd kunnen worden. 7.
Smeerolietanks moeten zijn
voorzien van een passende peilinrichting. De peilinrichtingen moeten tot aan de
hoogste vulstand afleesbaar zijn. De peilglazen moeten tegen beschadigingen
zijn beschermd, aan de onderkant zijn voorzien van zelfsluitende
afsluitinrichtingen en het boveneinde moet weer naar de tank zijn gevoerd, boven
de hoogste vulstand. Het materiaal van de peilglazen moet bij normale
omgevingstemperaturen niet vervormen. Peilkokers mogen niet op verblijven
uitgeven. Peilkokers die op een machinekamer of ketelruim uitgeven, moet zijn
voorzien van passende zelfsluitende afsluitingen. Artikel 8.07
Opslag van olie
die in krachtoverbrengingssystemen, schakel-, aandrijf- en
verwarmingssystemen wordt gebruikt, alsmede leidingen en toebehoren 1.
Olie die in krachtoverbrengingssystemen, schakel-,
aandrijf- en verwarmingssystemen wordt gebruikt, moet zijn opgeslagen in tot de
scheepsromp behorende of vast in het schip bevestigde tanks van staal of,
wanneer dit wegens de constructie van het schip nodig is, van een met het oog
op brandveiligheid gelijkwaardig materiaal. Dit geldt niet voor tanks met een
inhoud tot 25 l. Dergelijke olietanks mogen geen begrenzingsvlakken gemeen
hebben met drinkwaterreservoirs. 2.
Deze olietanks, alsmede de
bijbehorende leidingen en verdere toebehoren, moeten zodanig zijn uitgevoerd en
ingericht dat zich geen olie of oliedampen onopzettelijk in het inwendige van
het schip kunnen verspreiden. 3.
Een dergelijke olietank mag
zich niet voor het aanvaringsschot bevinden. 4.
Deze olietanks en hun
appendages mogen niet onmiddellijk boven motoren of uitlaatgassenleidingen zijn
geplaatst. 5.
De vulopeningen van deze
olietanks moeten duidelijk zijn gekenmerkt. 6.
De leidingen voor deze olie,
alsmede hun verbindingen, afdichtingen en appendages, moeten zijn vervaardigd
uit materiaal dat bestand is tegen de te verwachten mechanische, chemische en
thermische belasting. De leidingen mogen niet onderhevig zijn aan schadelijke
invloeden van warmte en moeten over hun volle lengte gecontroleerd kunnen
worden. 7.
Deze olietanks moeten zijn
voorzien van een passende peilinrichting. De peilinrichtingen moeten tot aan de
hoogste vulstand afleesbaar zijn. De peilglazen moeten tegen beschadigingen
zijn beschermd, aan de onderkant zijn voorzien van zelfsluitende
afsluitinrichtingen en het boveneinde moet weer naar de tank zijn gevoerd,
boven de hoogste vulstand. Het materiaal van de peilglazen moet bij normale
omgevingstemperaturen niet vervormen. Peilkokers mogen niet op verblijven
uitgeven. Peilkokers die op een machinekamer of ketelruim uitgeven, moet zijn
voorzien van passende zelfsluitende afsluitingen. Artikel 8.08
Lensinrichting 1.
Iedere waterdichte afdeling moet afzonderlijk
kunnen worden gelensd. Dit geldt niet voor waterdichte afdelingen die tijdens
de vaart gewoonlijk luchtdicht zijn afgesloten. 2.
Op schepen waarvoor een
bemanning is voorgeschreven, moeten twee onafhankelijk van elkaar werkende
lenspompen aanwezig zijn die niet in dezelfde ruimte mogen staan en waarvan er
ten minste één door een motor wordt aangedreven. Indien deze schepen echter een
motorvermogen hebben van minder dan 225 kW of een laadvermogen van minder dan 350
t, dan wel in geval van schepen die niet bestemd zijn voor het vervoer van
goederen, een waterverplaatsing van minder dan 250 m3, is een hand- of
motorlenspomp voldoende. Elk der voorgeschreven pompen
moet voor elke waterdichte afdeling te gebruiken zijn. 3.
De minimale capaciteit Q1
van de eerste lenspomp moet worden berekend volgens de volgende formule: Q1 = 0,1 · d12
(1/min) d1 moet worden
berekend volgens de volgende formule: De minimale capaciteit Q2
van de tweede lenspomp moet worden berekend volgens de volgende formule: Q2 = 0,1 · d22 (l/min) d2 moet worden berekend volgens de volgende
formule: De afmeting d2
hoeft echter niet groter te zijn dan de afmeting d1. Bij het berekenen van Q2
heeft l betrekking op de langste waterdichte afdeling. Daarbij betekent: l || || de lengte van de desbetreffende waterdichte afdeling in [m]; d1 || || de rekenkundige inwendige diameter van de hoofdlensleiding in [mm]; d2 || || de rekenkundige inwendige diameter van de aftakking van de lensleiding in [mm]. 4.
Indien de lenspompen zijn
aangesloten op een lenssysteem, moet de inwendige diameter van de lensleidingen
ten minste afmeting d1 hebben, in mm, en de inwendige diameter van de
aftakkingen ten minste afmeting d2, in mm. Voor schepen met een lengte L
van minder dan 25 m mogen de afmetingen d1 en d2worden
verminderd tot 35 mm. 5.
Er zijn slechts zelfaanzuigende
lenspompen toegestaan. 6.
In iedere lensbare afdeling met
een vlakke bodem en een breedte van meer dan 5 m moet zich aan stuurboord en
aan bakboord ten minste één lenskorf bevinden. 7.
De achterpiek mag door middel
van een gemakkelijk toegankelijke, zelfsluitende aftapinrichting, die naar de
machinekamer loopt, gelensd kunnen worden. 8.
De aftakkingen van de leidingen
van afzonderlijke afdelingen moeten door een vastzetbare terugslagklep aan de
hoofdlensleiding zijn aangesloten. Afdelingen of andere ruimten
die als ballastruimten dienen, behoeven slechts via een afsluiter op het
lenssysteem te zijn aangesloten. Dit geldt niet voor laadruimen die zijn
ingericht voor het opnemen van ballast. Het vullen van dergelijke laadruimen
met ballastwater moet door een van de lensleiding gescheiden, vast
geïnstalleerde ballastleiding of door aftakkingen geschieden, die als flexibele
leidingen of door middel van beweegbare tussenstukken met de hoofdlensleiding
kunnen worden verbonden. Bodemkleppen zijn hiervoor niet toegestaan. 9.
Vullingen van laadruimen moeten
zijn voorzien van peilmogelijkheden. 10.
Indien een lensinrichting is
uitgevoerd met vast aangebrachte leidingen, moeten de lensleidingen van de onderruimten
die voor het verzamelen van oliehoudend water zijn bestemd, zijn voorzien van
door een commissie van deskundigen in gesloten stand verzegelde afsluiters. Het
aantal en de plaats van deze afsluiters moeten worden vermeld in het
EU-binnenvaartcertificaat. 11.
Het afgesloten zijn moet worden
beschouwd als gelijkwaardig aan een verzegeling als bedoeld in lid 10. De
sleutel of sleutels van de sloten van de afsluitinrichtingen moeten
overeenkomstig gekenmerkt op een gemakkelijk toegankelijke en aangeduide plaats
in de machinekamer worden bewaard. Artikel 8.09
Inrichtingen voor
het verzamelen van oliehoudend water en afgewerkte olie 1.
Het tijdens het bedrijf van een schip vrijkomende
oliehoudende water moet aan boord kunnen worden verzameld. In dit verband wordt
het onderruim van de machinekamer-aangemerkt als verzamelruimte. 2.
Voor het verzamelen van
afgewerkte olie moeten in de machinekamer(s) één of meer speciaal daarvoor
bestemde reservoirs zijn aangebracht die ten minste 1,5 keer de hoeveelheid
afgewerkte olie uit de carters van alle ingebouwde verbrandingsmotoren en
tandwielkasten, alsmede de hoeveelheid hydraulische olie afkomstig uit de
hydraulische olietanks, kunnen bevatten. Aansluitingen voor het legen
van deze reservoirs moeten voldoen aan de Europese norm EN 1305:1996. 3.
Voor schepen die slechts worden
ingezet op korte trajecten kan de commissie van deskundigen ontheffing verlenen
van het tweede lid. Artikel 8.10
Door schepen
voortgebracht geluid 1.
Het door een varend schip voortgebrachte geluid, in
het bijzonder de door het aanzuigen van lucht en door de uitlaat van de motoren
veroorzaakte geluiden, moet met daartoe geschikte middelen worden gedempt. 2.
Het door een varend schip
voortgebrachte geluid mag op 25 m afstand zijdelings van de scheepswand niet
meer bedragen dan 75 dB(A). 3.
Bij stilliggende schepen mag
het geluid, behalve tijdens het laden en lossen, op 25 m afstand zijdelings van
de scheepswand niet meer bedragen dan 65 dB(A). HOOFDSTUK 8a EMISSIES VAN VERONTREINIGENDE GASSEN EN DEELTJES DOOR
DIESELMOTOREN Artikel 8a.01
Definities In dit hoofdstuk gelden de
volgende definities: 1. "motor":
een motor die werkt volgens het principe van compressieontsteking
(dieselmotor); 1a. "voortstuwingsmotor":
een motor voor de aandrijving van een binnenschip, als bedoeld in artikel 2 van
Richtlijn 97/68/EG[2]; 1b. "hulpmotor":
een motor die wordt gebruikt voor andere toepassingen dan de aandrijving van
een schip; 1c. "vervangingsmotor":
een gebruikte, gecontroleerde motor die bedoeld is om een operationele motor te
vervangen en die hetzelfde ontwerp (motor in lijn, V-motor) en hetzelfde aantal
cilinders heeft als de te vervangen motor, en waarvan het vermogen en het
toerental niet meer dan 10 % verschillen van die van de te vervangen motor; 2. "typegoedkeuring":
de procedure als bedoeld in artikel 2, tweede streepje, van Richtlijn 97/68/EG,
als gewijzigd, waarbij een lidstaat verklaart dat een motortype of een
motorfamilie wat de verontreinigende gassen en deeltjes door de motor(en) betreft
aan de desbetreffende technische vereisten voldoet; 3. "inbouwkeuring":
de procedure waarbij de bevoegde instantie ervoor zorgt dat, wanneer een
scheepsmotor sedert de afgifte van de typegoedkeuring wijzigingen of
aanpassingen met betrekking tot het emissieniveau van verontreinigende gassen
en deeltjes heeft ondergaan, die motor nog steeds aan de technische vereisten
van dit hoofdstuk voldoet; 4. "tussentijdse
test": de procedure waarbij de bevoegde instantie ervoor zorgt dat,
wanneer een scheepsmotor sedert de installatietest wijzigingen of aanpassingen
met betrekking tot het emissieniveau van verontreinigende gassen en deeltjes
heeft ondergaan, die motor nog steeds aan de technische vereisten van dit
hoofdstuk voldoet; 5. "speciale
test": de procedure waarbij de bevoegde instantie ervoor zorgt dat, na
iedere ingrijpende wijziging van een scheepsmotor met betrekking tot het
emissieniveau van verontreinigende gassen en deeltjes, die motor nog steeds aan
de technische vereisten van dit hoofdstuk voldoet; 6. (Zonder inhoud); 7. "motorfamilie":
de door een fabrikant gemaakte indeling in groepen van motoren die door hun
ontwerp geacht worden soortgelijke kenmerken te vertonen wat de emissie van
verontreinigende gassen en deeltjes betreft, als bedoeld in artikel 2, vierde
streepje, van Richtlijn 97/68/EG, en die voldoen aan de vereisten van artikel 8a.03; 8. (Zonder inhoud); 9. (Zonder inhoud); 10. (Zonder inhoud); 11. "fabrikant"
als bedoeld in artikel 2 van Richtlijn 97/68/EG, zoals gewijzigd: de persoon of
instantie die tegenover de goedkeuringsinstantie verantwoordelijk is voor alle
aspecten van het typegoedkeuringsproces en voor het verzekeren van de
conformiteit van de productie. Het is niet noodzakelijk dat deze persoon of
organisatie rechtstreeks betrokken is bij alle fasen van de bouw van de motor; 12. (Zonder inhoud); 13. (Zonder inhoud); 14. (Zonder inhoud); 15. (Zonder inhoud); 16 "motorparameterprotocol":
het document overeenkomstig bijlage V, waarin alle parameters, samen met de
wijzigingen, en met inbegrip van onderdelen en motorinstellingen die een
invloed hebben op het emissieniveau van verontreinigende gassen en deeltjes
door de motor, naar behoren worden geregistreerd; 17. "de instructies
van de motorfabrikant betreffende de controle van onderdelen en motorparameters
die van belang zijn voor de uitlaatgassen": het document dat voor het
uitvoeren van de inbouwkeuring en de tussentijdse of speciale tests wordt
afgegeven. Artikel 8a.02
Algemene
bepalingen 1.
Onverminderd de vereisten van Richtlijn 97/68/EG
zijn de bepalingen van dit hoofdstuk van toepassing op alle motoren met een
nominaal vermogen van meer dan 19 kW die in binnenschepen of in machines aan
boord van die schepen zijn geïnstalleerd. 2.
De motoren moeten voldoen aan
de vereisten van Richtlijn 97/68/EG. 3.
De naleving van de maximale
uitlaatgasemissiewaarden van de desbetreffende fase wordt bepaald op basis van
een typegoedkeuring overeenkomstig artikel 8a.03. 4.
Installatietests a) Na de installatie van
de motor aan boord, maar vóór de indienstneming, wordt een installatietest
uitgevoerd. Deze test, die deel uitmaakt van de initiële keuring van het schip
of van een bijzondere keuring omdat een bepaalde motor is geïnstalleerd, leidt
ofwel tot de registratie van de motor in het EU-binnenvaartcertificaat dat voor
het eerst wordt afgegeven, ofwel tot een wijziging van het bestaande
EU-binnenvaartcertificaat. b) De controle-instantie
kan afzien van de onder a) bedoelde installatietest indien een motor met een
nominaal vermogen PN van minder dan 130 kW vervangen wordt door een motor
waarvoor dezelfde typegoedkeuring geldt. Absolute voorwaarde is wel dat de
eigenaar van het schip of zijn gemachtigde de controle-instantie op de hoogte
brengt van de vervanging van de motor en een exemplaar van het typegoedkeuringsdocument
met vermelding van het identificatienummer van de geïnstalleerde motor
voorlegt. De controle-instantie brengt de nodige wijzigingen aan in het
EU-binnenvaartcertificaat (vak 52). 5.
De tussentijdse tests van de
motor worden uitgevoerd in het kader van de periodieke controle overeenkomstig
artikel 2.09. 6.
Na elke ingrijpende wijziging
van een motor moet een speciale test worden uitgevoerd indien de wijzigingen
een invloed kunnen hebben op de emissie van verontreinigende gassen en deeltjes
door de motor. 6a. De
resultaten van de tests overeenkomstig artikel 8a.02, leden 4 tot 6, worden
geregistreerd in het motorparameterprotocol. 7.
De controle-instantie geeft in
vak 52 van het EU-binnenvaartcertificaat de typegoedkeuringsnummers en de
identificatienummers aan van alle motoren die aan boord van het schip
geïnstalleerd zijn en die onderworpen zijn aan de vereisten van dit hoofdstuk.
Voor motoren die onderworpen zijn aan artikel 9, lid 4, onder a), van Richtlijn
97/68/EG volstaat het identificatienummer. 8.
In het kader van de delegatie
van taken overeenkomstig dit hoofdstuk mag de bevoegde instantie een technische
dienst inschakelen. Artikel 8a.03
Erkende
typegoedkeuringen 1.
De volgende typegoedkeuringen worden erkend op
voorwaarde dat de motortoepassing onder de passende typegoedkeuring valt: a) typegoedkeuringen
overeenkomstig Richtlijn 97/68/EG; b) typegoedkeuringen die
overeenkomstig Richtlijn 97/68/EG[3]
als gelijkwaardig worden beschouwd. 2.
Voor elke goedgekeurde motor
dienen de volgende documenten of kopieën ervan aan boord beschikbaar te zijn: a) het
typegoedkeuringsdocument; b) de instructies van de
motorfabrikant inzake de controle van de onderdelen en de motorparameters
betreffende de uitlaatgassen; c) het
motorparameterprotocol. Artikel 8a.04
Inbouwkeuring en
tussentijdse en speciale test 1.
Op het tijdstip van de installatietest
overeenkomstig artikel 8a.02, lid 4, en bij tussentijdse tests overeenkomstig
artikel 8a.02, lid 5, en speciale tests overeenkomstig artikel 8a.02, lid 6,
inspecteert de bevoegde instantie de huidige staat van de motor met betrekking
tot de onderdelen, aanpassingen en parameters als gespecificeerd in de
instructies overeenkomstig artikel 8a.01, lid 17. Als de instantie vindt dat de
motor niet in overeenstemming is met het erkende motortype of de goedgekeurde
motorfamilie, kan zij: a) eisen dat aa) maatregelen
worden getroffen om ervoor te zorgen dat de motor opnieuw conform wordt, bb) de nodige
aanpassingen worden aangebracht aan het typegoedkeuringsdocument, of b) eisen dat de daadwerkelijke
emissies worden gemeten. Wanneer de motor niet opnieuw
conform kan worden gemaakt of bij gebrek aan de nodige aanpassingen van het
typegoedkeuringsdocument of indien de metingen wijzen op een gebrek aan
overeenstemming met de maximale emissiewaarden, weigert de bevoegde instantie
een EU-binnenvaartcertificaat af te geven of trekt zij reeds afgegeven
EU-binnenvaartcertificaten in. 2.
Bij motoren met
uitlaatgasnabehandeling worden in het kader van de installatietest en de
tussentijdse of speciale tests controles uitgevoerd om na te gaan of deze
systemen behoorlijk functioneren. 3.
De tests overeenkomstig lid 1
worden uitgevoerd op basis van de instructies van de motorfabrikant inzake de
controle van de onderdelen en de motorparameters betreffende de uitlaatgassen.
In de instructies, die worden opgesteld door de fabrikant en moeten worden
goedgekeurd door een bevoegde instantie, worden de relevante onderdelen,
aanpassingen en parameters gespecificeerd, op grond waarvan kan worden
aangenomen dat de maximale uitlaatgasemissiewaarden worden nageleefd. De
instructies bevatten minstens de volgende bijzonderheden: a) motortype en, waar
aangewezen, motorfamilie met een indicatie van het nominaal vermogen en het
nominale toerental; b) lijst met onderdelen
en motorparameters die van belang zijn voor de uitlaatgasemissie; c) ondubbelzinnige
kenmerken ter identificatie van de toegestane onderdelen die van belang zijn
voor de uitlaatgasemissie (bv. nummering van de onderdelen); d) motorparameters die
van belang zijn voor de uitlaatgasemissie, zoals het instellen van het bereik
voor de injectie, toegestane koelwatertemperatuur, maximale
uitlaatgastegendruk, enz. Bij motoren met
uitlaatgasnabehandeling bevatten de instructies ook procedures om te
controleren of de nabehandelinginstallatie efficiënt werkt. 4.
De installatie van motoren in
schepen dient in overeenstemming te zijn met de beperkingen die in de
typegoedkeuring zijn uiteengezet. Bovendien mogen de inlaat onder druk en de
uitlaatgastegendruk de waarden die voor de goedgekeurde motor worden
aangegeven, niet overschrijden. 5.
Als de aan boord geïnstalleerde
motoren tot een motorfamilie behoren, mogen geen aanpassingen of wijzigingen
worden aangebracht die een negatieve invloed kunnen hebben op de emissie van
uitlaatgassen en deeltjes of die de voorgestelde aanpassing overschrijden. 6.
Als na de typegoedkeuring
aanpassingen of wijzigingen aan de motor dienen te worden aangebracht, moeten
deze nauwkeurig in het motorparameterprotocol worden vermeld. 7.
Als de installatie- en
tussentijdse tests aantonen dat de aan boord geïnstalleerde motoren wat de
parameters, onderdelen en aanpasbare kenmerken betreft, voldoen aan de
specificaties die overeenkomstig artikel 8a.01, lid 17, in de instructies
worden bepaald, dan mag men ervan uit gaan dat de emissies van uitlaatgassen en
deeltjes van de motoren eveneens aan de maximale waarden voldoen. 8.
Wanneer voor een motor een
typegoedkeuring is afgegeven, kan de bevoegde instantie naar eigen goeddunken
de installatietest of de tussentijdse test beperken overeenkomstig deze
bepalingen. Niettemin moet de volledige test worden uitgevoerd met betrekking
tot minstens één cilinder of één motor van een motorfamilie en kan de test
alleen worden beperkt als mag worden aangenomen dat alle andere cilinders of motoren
zich op dezelfde manier gedragen als de geteste cilinder of motor. Artikel 8a.05
Technische
diensten 1.
De gemachtigde testinstelling moet voldoen aan de
Europese normen inzake de algemene eisen betreffende de bekwaamheid van test-
en kalibreerlaboratoria (EN ISO/IEC 17025:2000), en is onderworpen aan de
volgende voorwaarden: a) Motorfabrikanten
kunnen niet erkend worden als technische diensten. b) In het kader van dit
hoofdstuk mag de technische dienst, met toestemming van de bevoegde instantie,
faciliteiten gebruiken die zich buiten het eigen testlaboratorium bevinden. c) Indien de bevoegde
instantie dat vraagt, dienen de technische diensten aan te tonen dat zij erkend
zijn om binnen de Europese Unie het in dit lid beschreven soort activiteiten
uit te voeren. d) Diensten in derde
landen kunnen alleen als erkende technische dienst worden aangemeld in het
kader van een bilaterale of multilaterale overeenkomst tussen de Europese Unie
en het derde land in kwestie. HOOFDSTUK 9 ELEKTRISCHE INSTALLATIES Artikel 9.01
Algemene
bepalingen 1.
Indien voor bepaalde onderdelen van een installatie
bijzondere voorschriften ontbreken, wordt de veiligheidsgraad als voldoende
beschouwd wanneer die onderdelen zijn vervaardigd volgens een geldende Europese
norm of volgens de voorschriften van een erkend classificatiebureau. De benodigde documenten moeten
worden voorgelegd aan de commissie van deskundigen. 2.
Aan boord moeten de volgende,
door de commissie van deskundigen gewaarmerkte, documenten aanwezig zijn: a) overzichtsschema's van
de gehele elektrische installatie; b) schema's van het
hoofdschakelbord, het noodschakelbord en de verdeelkasten waarop de
belangrijkste technische gegevens zoals de nominale stroomsterkte van
zekeringen en schakelapparatuur zijn aangegeven; c) gegevens betreffende
de vermogens van elektrische apparaten; d) soort en doorsnede
van de kabels. In geval van onbemande
vaartuigen hoeven deze documenten zich niet aan boord te bevinden doch moeten
zij te allen tijde bij de eigenaar beschikbaar zijn. 3.
De installaties moeten voor een
permanente slagzij van het schip tot 15° en een omgevingstemperatuur, bij
plaatsing binnen in het schip, van 0 °C tot + 40 °C en, bij plaatsing aan dek,
van - 20 °C tot + 40 °C zijn uitgevoerd en moeten tot deze grenzen
onberispelijk functioneren. 4.
Elektrische en elektronische
installaties en apparaten moeten goed toegankelijk en onderhoudsvriendelijk
zijn. Artikel 9.02
Systemen voor de
energieverzorging 1.
Aan boord van vaartuigen die zijn voorzien van een
elektrische installatie moeten ten behoeve van de energievoorziening in
principe twee energiebronnen aanwezig zijn, zodat bij het uitvallen van één
energiebron de resterende energiebron in staat is om de verbruikers die voor de
veilige vaart noodzakelijk zijn gedurende ten minste 30 minuten te voeden. 2.
De toereikendheid van de
energievoorziening moet worden aangetoond aan de hand van een vermogensbalans.
Hierbij kan een passende gelijktijdigheidsfactor in aanmerking worden genomen. 3.
Onverminderd het eerste lid is
voor de energiebron van stuurinrichtingen (roerinstallaties) artikel 6.04 van
kracht. Artikel 9.03
Bescherming tegen
aanraking, binnendringen van vreemde voorwerpen en water De minimum
beschermingsgraad van de permanent geïnstalleerde delen van de installaties
moet in overeenstemming zijn met de plaats van opstelling, zoals aangegeven in
de onderstaande tabel: Plaats van opstelling || Minimum beschermingsgraad (volgens IEC-publ. 60529: 1992) Generatoren || Motoren || Transfor-matoren || Schakel-borden, Verdeelkasten en schakelaars || Fittingen || Installatie-materiaal Verlichting Dienstruim-ten, machine-kamers, stuurmachinekamers || IP 22 || IP 22 || IP[4] 22 || IP[5] [6] 22 || IP 44 || IP 22 Laadruimen || || || || || IP 55 || IP 55 Ruimten voor accumula-toren en verven || || || || || || IP 44 en (Ex)[7] Open dek, open stuur-stellingen || || IP 55 || || IP 55 || IP 55 || IP 55 Gesloten stuurhuis || || IP 22 || IP 22 || IP 22 || IP 22 || IP 22 Verblijven, behalve sanitaire en vochtige ruimten || || || || IP 22 || IP 20 || IP 20 Sanitaire en vochtige ruimten || || IP 44 || IP 44 || IP 44 || IP 55 || IP 44 Artikel 9.04
Bescherming tegen
explosie In ruimten waarin zich
explosieve gassen of gasmengsels kunnen ophopen, zoals accumulatorenruimten en
ruimten voor opslag van licht ontvlambare stoffen, zijn slechts erkend veilige
elektrische inrichtingen (voldoende veilig voor gebruik in een gegeven
explosiegevaarlijke omgeving) toegestaan. In deze ruimten mogen geen
schakelaars voor verlichting en voor andere elektrische apparaten zijn
geïnstalleerd. De beschermingsgraad tegen explosies moet zijn afgestemd op de
eigenschappen met betrekking tot explosiegevaar van de voorkomende explosieve
gassen en gasmengsels (explosiegroep, temperatuurklasse). Artikel 9.05
Aarding 1.
Voor installaties met spanningen boven 50 V is
aarden noodzakelijk. 2.
De bij normaal bedrijf niet
onder spanning staande metalen delen die voor aanraking toegankelijk zijn,
zoals fundaties en omhulsels van machines, apparaten en verlichting, moeten
afzonderlijk zijn geaard, voorzover zij niet door hun bevestiging elektrisch
geleidend met de scheepsromp zijn verbonden. 3.
De omhulsels van verplaatsbare
en draagbare apparaten moeten door middel van een extra ader die bij normaal
bedrijf geen stroom voert en die in de voedingskabel is opgenomen, zijn geaard. Dit geldt niet bij het gebruik
van een beschermingstransformator en voor apparaten waarvan de omhulsels
bestaan uit isolatiemateriaal (dubbel geïsoleerd). 4.
De doorsnede van de aardleiding
moet ten minste gelijk zijn aan de waarde zoals aangegeven in de onderstaande
tabel: Doorsnede van de stroomgeleider (mm2) || Minimum doorsnede van de aardleiding In geïsoleerde kabels (mm2) || Separate kabels (mm2) 0,5 t/m 4 || gelijk aan de doorsnede van de stroomgeleider || 4 > 4 t/m 16 || gelijk aan de doorsnede van de stroomgeleider || gelijk aan de doorsnede van de stroomgeleider > 16 t/m 35 || 16 || 16 > 35 t/m 120 || gelijk aan de doorsnede van de stroomgeleider || gelijk aan de doorsnede van de stroomgeleider meer dan 120 || 70 || 70 Artikel 9.06
Ten hoogste
toegelaten spanningen 1.
Spanningen mogen de volgende waarden niet
overschrijden: Soort van de installatie || Ten hoogste toegestane spanning bij Gelijkstroom || Wisselstroom || Draaistroom a. Kracht- en verwarmingsinstallaties met inbegrip van de wandcontactdozen voor algemeen gebruik || 250 V || 250 V || 500 V b) Installaties voor verlichting, communicatie en signalering met inbegrip van de wandcontactdozen voor algemeen gebruik || 250 V || 250 V || - c) Wandcontactdozen voor de voeding van apparaten die bij het gebruik in de hand worden gehouden en die op het open dek of in nauwe of vochtige ruimten, met uitzondering van ketels of tanks, worden gebruikt: || || || 1. Algemeen || 50 V[8] || 50 V[9] || - 2. Met een beschermingstransformator die slechts één apparaat voedt || - || 250 V[10] || - 3. Bij gebruik van apparaten die dubbel geïsoleerd zijn uitgevoerd || 250 V || 250 V || - 4. Bij gebruik van aardlekschakelaars ≤ 30 mA || - || 250 V || 500 V d) Verplaatsbare verbruikers zoals elektrische installaties van containers, aangehangen motoren, verplaatsbare ventilatoren of pompen, die normaal wanneer zij worden gebruikt niet worden verplaatst en waarvan de voor aanraking toegankelijke geleiders door een aardleiding in de aansluitkabel zijn geaard en die verder door hun opstelling of door een extra geleider met de scheepsromp zijn verbonden || 250 V || 250 V || 500 V e) Wandcontactdozen voor de voeding van handgereedschappen, die in ketels en tanks worden gebruikt || 50 V[11] || 50 V[12] || - 2.
In afwijking van lid 1 zijn met
inachtneming van de noodzakelijke veiligheidsmaatregelen hogere spanningen
toegestaan: a) voor
krachtinstallaties waarvan het vermogen zulks vereist; b) voor speciale
inrichtingen, zoals radio-installaties en ontstekingsinrichtingen. Artikel 9.07
Verdeelsystemen 1.
Voor gelijkstroom en 1-fase wisselstroom zijn de
volgende verdeelsystemen toegestaan: a) twee geleiders
waarvan één is geaard (L1/N/PE); b) één geleider met
terugleiding naar de scheepsromp, alleen voor plaatselijk begrensde
installaties, zoals startinstallaties van een verbrandingsmotor en kathodische
corrosiebescherming (L1/PEN); c) twee geleiders
geïsoleerd van de scheepsromp (L1/L2/PE). 2.
Voor draaistroom (3-fasen
wisselstroom) zijn de volgende verdeelsystemen toegestaan: a) vier geleiders met
geaard sterpunt zonder terugleiding via de scheepsromp (L1/L2/L3/N/PE) =
(TN-S-Net) of (TT-Net); b) drie geleiders
geïsoleerd van de scheepsromp (L1/L2/L3/PE)= (IT-Net); c) drie geleiders met
geaard sterpunt en terugleiding via de scheepsromp, echter niet voor
eindstroomkringen (L1/L2/L3/PEN). 3.
Toepassing van andere systemen
kan door de commissie van deskundigen worden toegestaan. Artikel 9.08
Aansluiting op
het walnet of ander extern net 1.
Voedingskabels van het walnet en andere externe
netten naar het boordnet moeten aan boord door middel van vast aangebrachte
klemmen of door een vast aangebrachte stekkerinrichting kunnen worden
aangesloten. Kabelverbindingen mogen niet op trek worden belast. 2.
De scheepsromp moet bij een
aansluitspanning van meer dan 50 V doelmatig kunnen worden geaard.
Aardaansluitingen moeten duidelijk gekenmerkt zijn. 3.
Schakelinrichtingen van de
aansluitingen moeten zodanig zijn ingericht dat parallelbedrijf van de
boordnetgeneratoren met het walnet of andere externe netten wordt vermeden. Een
kortstondig parallelbedrijf ten behoeve van omschakelen zonder
spanningsonderbreking van de systemen is toegestaan. 4.
De aansluiting moet tegen kortsluiting
en overbelasting zijn beveiligd. 5.
Op het hoofdschakelbord moet
zijn aangegeven of de aansluiting onder spanning staat. 6.
Teneinde bij gelijkspanning de
polariteit en bij draaistroom de fasevolgorde van het walnet of van andere
externe netten met die van het boordnet te kunnen vergelijken, moet een
aanwijsinrichting zijn geïnstalleerd. 7.
Bij de aansluiting moet met een
opschrift zijn aangegeven: a) de te treffen
maatregelen voor het tot stand brengen van de aansluiting; b) de stroomsoort, de
nominale spanning en, bij wisselstroom, bovendien de frequentie. Artikel 9.09
Stroomlevering
aan andere vaartuigen 1.
Indien aan andere vaartuigen stroom wordt geleverd,
moet daarvoor een afzonderlijke aansluitinrichting aanwezig zijn. Indien
contactstekkerinrichtingen worden gebruikt die geschikt zijn voor een nominale
stroom van meer dan 16 A, moet zijn gewaarborgd dat het aansluiten of het
verbreken van de aansluiting alleen in stroomloze toestand kan plaatsvinden. 2.
Kabelverbindingen mogen niet op
trek worden belast. 3.
Artikel 9.08, derde tot en met
zevende lid, is van overeenkomstige toepassing. Artikel 9.10
Generatoren en
motoren 1.
Generatoren, motoren en hun aansluitkasten moeten
voor keuringen, metingen en reparaties toegankelijk zijn. De beschermingsgraad
moet in overeenstemming zijn met de plaats van opstelling zoals aangegeven in
artikel 9.03. 2.
Generatoren die worden
aangedreven door de hoofdmotor, de schroefas of een voor andere doeleinden
bestemd hulpaggregaat, moeten voor de onder bedrijfsomstandigheden optredende toerentalvariaties
geschikt zijn. Artikel 9.11
Accumulatoren 1.
Accumulatoren moeten zodanig zijn opgesteld, dat
zij toegankelijk zijn en niet kunnen verschuiven ten gevolge van de
scheepsbewegingen. Zij mogen niet zijn opgesteld op plaatsen waar zij aan overmatige
hitte, extreme koude, sproeiwater of dampen zijn blootgesteld. Zij mogen niet zijn opgesteld
in stuurhuizen, verblijven en laadruimen. Dit geldt echter niet voor
accumulatoren in draagbare apparatuur alsmede voor accumulatoren die worden
geladen met een vermogen van minder dan 0,2 kW. 2.
Accumulatoren die worden
geladen met een vermogen van meer dan 2,0 kW (berekend uit de maximale
laadstroom en de nominale spanning van de batterij, met inachtneming van de
laadkarakteristiek van de laadinrichting) moeten in een speciale ruimte zijn
ondergebracht. Bij opstelling aan dek is het voldoende indien zij in een kast
zijn geplaatst. Accumulatoren die worden
geladen met een vermogen tot 2,0 kW of minder mogen ook benedendeks in een kast
of kist zijn opgesteld. Zij mogen ook open in de machinekamer of een andere
goed geventileerde ruimte zijn geplaatst, mits zij zijn beschermd tegen
vallende voorwerpen en druipwater. 3.
De binnenzijde van alle voor
accumulatoren bestemde ruimten, kasten of kisten, alsmede rekken en andere
onderdelen, moeten tegen de schadelijke inwerking van elektrolyt zijn
beschermd. 4.
Gesloten ruimten, kasten of
kisten waarin accumulatoren zijn opgesteld, moeten doelmatig kunnen worden
geventileerd. Een mechanische ventilatie moet zijn aangebracht indien het
laadvermogen groter is dan 2 kW voor nikkel-cadmiumaccumulatoren en groter is
dan 3 kW voor loodaccumulatoren. De luchttoevoer aan de
onderzijde en de luchtafvoer aan de bovenzijde moeten zodanig zijn dat een
goede afvoer van de gassen is gewaarborgd. De ventilatiekanalen mogen
geen inrichtingen zoals afsluitinrichtingen bevatten die de vrije doorgang van
de lucht belemmeren. 5.
De vereiste hoeveelheid lucht Q
in m3 per uur moet worden berekend volgens de formule: Q = 0,11 · I · n (m3/h) In deze formule betekent: I || = || 25 % van de maximale stroom van de laadinrichting in A; n || = || het aantal cellen. Voor accumulatoren die in een
bufferschakeling met het boordnet zijn opgenomen kan door de commissie van
deskundigen op grond van de laadkarakteristiek van de laadinrichting een andere
berekeningsmethode voor de benodigde luchthoeveelheid worden toegelaten
voorzover deze berust op voorschriften van een erkend classificatiebureau of
daartoe in aanmerking komende normen. 6.
Bij natuurlijke ventilatie moet
de doorsnede van de ventilatiekanalen zo groot zijn dat bij een luchtsnelheid
van 0,5 m/s de vereiste luchthoeveelheid wordt opgebracht. De doorsnede moet
echter voor loodaccumulatoren ten minste 80 cm2 en voor
nikkel-cadmiumaccumulatoren ten minste 120 cm2 bedragen. 7.
Bij mechanische ventilatie moet
bij voorkeur een afzuigventilator worden gebruikt, waarvan de motor niet in de
gas- of luchtstroom mag zijn geplaatst. Deze ventilator moet zodanig
zijn uitgevoerd dat geen vonkvorming bij aanraking van een waaier met het ventilatorhuis
en geen elektrostatische oplading kunnen optreden. 8.
Op de deuren of deksels van
ruimten, kasten of kisten voor accumulatoren moet een teken "vuur, open
licht en roken verboden" met een diameter van ten minste 10 cm,
overeenkomstig schets 2 van aanhangsel I, zijn aangebracht. Artikel 9.12
Schakelinrichtingen 1.
Schakelborden: a) Apparaten,
schakelaars, zekeringen en instrumenten in schakelborden moeten overzichtelijk
zijn gerangschikt en ten behoeve van onderhoud en reparatie toegankelijk zijn. Aansluitklemmen voor
spanningen tot en met 50 V en die voor spanningen boven 50 V moeten van elkaar
gescheiden zijn aangebracht en doelmatig zijn gekenmerkt. b) Op de schakelborden
moeten naamplaatjes voor alle schakelaars en apparaten met de aanduiding van de
stroomkring zijn aangebracht. Zekeringen moeten met de
nominale stroomsterkte en de stroomkring zijn aangeduid. c) Indien zich achter de
deuren apparaten met een bedrijfsspanning van meer dan 50 V bevinden, moeten de
onder spanning staande delen van deze apparaten tegen onvoorzien aanraken bij
geopende deuren zijn beschermd. d) Materialen van
schakelborden moeten mechanisch sterk, duurzaam, moeilijk ontvlambaar,
zelfdovend en niet hygroscopisch zijn. e) Zijn in schakelkasten
kortsluitzekeringen van het type "mespatroon" ingebouwd, dan moeten
in de nabijheid van deze schakelkasten hulpmiddelen en middelen voor de
bescherming van personen aanwezig zijn om deze te kunnen vervangen. 2.
Schakelaars, beveiligingen a) Generator- en
afgaande groepen moeten in elke niet geaarde geleider tegen kortsluiting en
overbelasting beveiligd zijn. Daartoe kunnen schakelaars met kortsluit- en
maximaalschakelaars of smeltzekeringen worden gebruikt. Stroomkringen van de
elektrische aandrijving van stuurinrichtingen, alsmede de stuurstroomkringen
van stuurinrichtingen, mogen alleen tegen kortsluiting zijn beveiligd. Indien
schakelaars met een thermische uitschakelinrichting worden toegepast, moeten de
thermische uitschakelinrichtingen buiten bedrijf zijn gesteld of op ten minste
tweemaal de nominale stroom zijn afgesteld. b) De afgaande groepen
van het hoofdschakelbord van meer dan 16 A moeten van last- of
maximaalschakelaars zijn voorzien. c) Verbruikers die voor
de voortstuwing, de stuurinrichting, de roerstandaanwijzer, de navigatie en de
beveiligingssystemen noodzakelijk zijn, alsmede de verbruikers met een nominale
stroom van meer dan 16 A, moeten via afzonderlijke stroomkringen worden gevoed. d) Stroomkringen van
verbruikers die voor de voortstuwing en het manoeuvreren noodzakelijk zijn,
moeten direct van het hoofdschakelbord worden gevoed. e) Schakelinrichtingen
moeten volgens hun nominale stroom, hun thermische en dynamische sterkte
alsmede hun schakelvermogen worden gekozen. Schakelaars moeten alle onder
spanning staande geleiders gelijktijdig schakelen. De stand moet duidelijk te
onderscheiden zijn. f) Smeltveiligheden
moeten van het gesloten type zijn en uit keramisch of gelijkwaardig materiaal
bestaan. Zij moeten zonder aanrakingsgevaar voor personen kunnen worden
vervangen. 3.
Meet- en controle-inrichtingen: a) Voor generator-,
accumulator- en verdeelstroomkringen moeten meet- en controle-inrichtingen
aanwezig zijn, voorzover dit voor een veilig bedrijf van de installatie
noodzakelijk is. b) Niet geaarde netten
met een spanning boven 50 V moeten van een doelmatige
aardfoutbewakingsinrichting met zowel een optisch als een akoestisch
alarmsignaal zijn voorzien. Voor secundaire inrichtingen, zoals
stuurstroomschakelingen, kan hiervan worden afgezien. 4.
Opstelling van schakelborden: a) Schakelborden moeten
in goed toegankelijke en goed geventileerde ruimten zijn opgesteld, zodanig dat
zij tegen waterschade en mechanische beschadigingen zijn beschermd. Pijpleidingen en
ventilatiekokers moeten zodanig zijn geplaatst, dat schakelborden bij lekkages
geen gevaar lopen. Indien de ligging in de nabijheid van schakelborden niet
vermeden kan worden, mogen de pijpen aldaar geen losneembare koppelingen
hebben. b) Kasten en nissen
waarin open schakelinrichtingen zijn ondergebracht, moeten uit moeilijk
ontvlambaar materiaal bestaan, dan wel door een bekleding van metaal of een
ander niet brandbaar materiaal zijn beschermd. c) Bij spanningen boven 50
V moeten aan de bedieningszijde van het hoofdschakelbord isolerende roosters of
matten liggen. Artikel 9.13
Noodstopschakelaars Voor
oliebranderinstallaties, brandstofpompen, brandstofseparatoren en
machinekamerventilatoren moeten buiten de opstellingsruimten
noodstopschakelaars op een centrale plaats aanwezig zijn. Artikel 9.14
Installatiemateriaal 1.
Kabelinvoeren van apparaten moeten passend zijn
voor de afmetingen en het type van de aan te sluiten kabels. 2.
Wandcontactdozen van
verdeelsystemen met van elkaar afwijkende spanningen of frequenties moeten van
verschillende uitvoering zijn. 3.
Schakelaars moeten alle niet
geaarde geleiders van een stroomkring gelijktijdig schakelen. Bij niet geaarde
netten zijn in stroomkringen van de verlichting voor verblijven, uitgezonderd
was-, bad- en overige natte ruimten, eenpolige schakelaars toegestaan. 4.
Bij stroomsterkten van meer dan
16 A moeten de wandcontactdozen zodanig met een schakelaar worden vergrendeld,
dat noch het insteken, noch het uittrekken van de stekker mogelijk is wanneer
de contactbussen van de contactdoos onder spanning staan. Artikel 9.15
Kabels 1.
Kabels moeten moeilijk ontvlambaar, zelfdovend en
bestendig tegen water en olie zijn. In de verblijven kan de
toepassing van andere kabeltypen worden toegestaan, mits deze kabels doelmatig
zijn beschermd, moeilijk ontvlambaar en zelfdovend zijn. Als testprocedure voor het
vaststellen van het moeilijk ontvlambaar zijn van elektrische kabels worden
erkend: a) de IEC-publicaties 60332-1:1993,
60332-3:2000 of b) gelijkwaardige
voorschriften van een lidstaat. 2.
Voor kracht- en
verlichtingsinstallaties moeten de aders van de kabels een doorsnede van ten
minste 1,5 mm2 hebben. 3.
Metalen wapeningen en mantels
van kabels mogen voor het normale bedrijf niet als geleider of aardleiding
dienen. 4.
Metalen wapeningen en mantels
van kabels van kracht- en verlichtingsinstallaties moeten ten minste aan één
der einden zijn geaard. 5.
De doorsnede van de geleiders
moet in overeenstemming zijn met de ten hoogste toegestane geleidertemperatuur
(stroombelastbaarheid) alsmede met het toelaatbare spanningsverlies. Dit
spanningsverlies, optredend tussen het hoofdschakelbord en het meest ongunstige
punt van de installatie, mag bij verlichtingsinstallaties niet meer dan 5 % en
voor kracht- en verwarmingsinstallaties niet meer dan 7 % van de nominale
spanning bedragen. 6.
Kabels moeten tegen mechanische
beschadigingen zijn beschermd. 7.
De kabels moeten zodanig
bevestigd zijn, dat eventuele belastingen op trek binnen de toelaatbare grenzen
blijven. 8.
De doorvoeringen van kabels
door schotten of dekken mogen de sterkte, dichtheid en brandwerende
eigenschappen van de schotten of de dekken niet nadelig beïnvloeden. 9.
De uiteinden en verbindingen
van alle geleiders moeten zo zijn aangelegd dat de oorspronkelijke elektrische,
mechanische, brandvertragende en in voorkomend geval brandbestendige
eigenschappen van de kabels behouden blijven. Het aantal kabelverbindingen
wordt tot een minimum beperkt. 10.
Kabels die naar beweegbare
stuurhuizen worden gevoerd moeten voldoende buigzaam zijn en van een isolatie
zijn voorzien die voldoende buigzaam blijft tot een temperatuur van - 20 °C, alsmede
bestand zijn tegen de inwerking van dampen, ultraviolette straling, ozon en
dergelijke. Artikel 9.16
Verlichtingsinstallaties 1.
Verlichtingsarmaturen moeten zodanig zijn
aangebracht, dat brandbare voorwerpen of constructiedelen niet door de
uitgestraalde warmte in brand kunnen geraken. 2.
De verlichtingsarmaturen op het
open dek moeten zodanig zijn geplaatst, dat de waarneembaarheid van de
navigatieverlichting niet nadelig wordt beïnvloed. 3.
Indien in een machinekamer of
een ketelruim twee of meer lichtpunten zijn aangebracht, moeten deze over ten
minste twee stroomkringen zijn verdeeld. Dit geldt eveneens voor ruimten waarin
koelmachines, hydraulische inrichtingen of elektromotoren zijn geplaatst. Artikel 9.17
Navigatielantaarns 1.
Schakelborden voor navigatielantaarns moeten in het
stuurhuis zijn geïnstalleerd. Zij moeten door een aparte kabel vanaf het
hoofdschakelbord worden gevoed of door twee van elkaar onafhankelijke
onderverdelingen kunnen worden verzorgd. 2.
Elke navigatielantaarn moet
vanaf het navigatieschakelbord afzonderlijk gevoed, beveiligd en geschakeld
kunnen worden. 3.
Het uitvallen van de
controle-inrichtingen als bedoeld in artikel 7.05, tweede lid, mag de werking
van de bijbehorende navigatielantaarns niet nadelig beïnvloeden. 4.
Dicht bijeen geplaatste, bij
elkaar behorende navigatielantaarns mogen gemeenschappelijk worden gevoed,
beveiligd en geschakeld. De controle-inrichting moet dan echter het uitvallen
van één der lantaarns kunnen signaleren. Twee in één armatuur boven elkaar
geplaatste navigatielantaarns mogen niet gelijktijdig ingeschakeld kunnen zijn. Artikel 9.18
(Zonder inhoud) Artikel 9.19
Alarm- en
beveiligingssystemen voor werktuigbouwkundige inrichtingen Alarm- en
beveiligingssystemen voor controle en beveiliging van werktuigbouwkundige inrichtingen
moeten aan de volgende voorwaarden voldoen: a) Alarmsystemen: Alarmsystemen moeten zodanig
worden uitgevoerd, dat fouten in het alarmsysteem niet tot uitval van het te
controleren werktuig of de te controleren installatie kunnen leiden. Binaire gevers moeten volgens
het ruststroomprincipe of als bewaakt arbeidsstroomprincipe zijn uitgevoerd. Optische alarmsignalen moeten
zichtbaar blijven totdat de desbetreffende storing is opgeheven. Een
geaccepteerd alarmsignaal moet onderscheiden kunnen worden van een niet
geaccepteerd alarmsignaal. Elk alarmsignaal moet ook akoestisch worden gemeld.
Akoestische alarmsignalen moeten kunnen worden uitgeschakeld. Door het
uitschakelen van een akoestisch alarmsignaal mag het inwerkingtreden van een
door nieuwe oorzaken geactiveerd alarmsignaal niet worden verhinderd. Bij alarminstallaties met
minder dan 5 meetpunten kan hiervan worden afgeweken. b) Beveiligingssystemen: Beveiligingssystemen moeten
zodanig worden uitgevoerd, dat zij voor het bereiken van kritieke bedrijfstoestanden
de bedreigde installatie uitschakelen, reduceren of op een permanent bezette
post daartoe oproepen. Binaire gevers moeten volgens
het arbeidsstroomprincipe zijn uitgevoerd. Indien beveiligingssystemen
niet van een eigen controlesysteem zijn voorzien, moet het functioneren van
deze systemen kunnen worden getest. Beveiligingssystemen moeten
onafhankelijk van andere systemen worden uitgevoerd. Artikel 9.20
Elektronische
installaties 1.
Algemene bepaling De in het tweede lid gestelde
testvoorwaarden zijn uitsluitend van toepassing op elektronische apparaten die
voor stuurinrichtingen en machine-installaties voor de voortbeweging van het
vaartuig, met inbegrip van de daarbij behorende randapparatuur, benodigd zijn. 2.
Testvoorwaarden a) De volgende testbelastingen
mogen niet leiden tot schade aan of verkeerd functioneren van elektronische
apparaten. De tests overeenkomstig de desbetreffende internationale normen
(zoals IEC-publicatie 60092-504:2001) moeten, met uitzondering van de
koudetest, met een ingeschakeld apparaat worden uitgevoerd, waarbij de functie
moet worden getest. b) Spannings- en
frequentieafwijkingen: || Afwijkingen || || Blijvend || Kortstondig Algemene bepaling || Frequentie || ± 5 % || ± 10 % 5 s Spanning || ± 10 % || ± 20 % 1,5 s Accumulator-werking || Spanning || + 30 %/- 25 % || c) Warmtetest: Het te testen apparaat wordt
binnen een half uur tot op 55 °C opgewarmd en wordt na het bereiken van deze
temperatuur gedurende 16 uren op deze temperatuur gehouden. Aansluitend wordt
een functietest uitgevoerd. d) Koudetest: Het te testen apparaat wordt
in uitgeschakelde toestand tot op –25 °C afgekoeld en gedurende twee uren op
deze temperatuur gehouden. Aansluitend wordt de temperatuur tot op 0 °C
verhoogd en een functietest uitgevoerd. e) Trillingstest: Trillingstests moeten bij de
resonantiefrequentie van het apparaat of het onderdeel in de drie
richtingsassen voor de duur van telkens 90 minuten worden uitgevoerd. Indien
geen bijzondere resonantie wordt geconstateerd, vindt de trillingstest plaats
bij 30 Hz. De trillingstest wordt
uitgevoerd met een sinusvormige slingering tussen de volgende grenzen: Algemeen: f = 2,0 tot 13,2 Hz; a = ± 1
mm (amplitude a = 1/2
slingerbreedte) f = 13,2 Hz tot 100 Hz:
versnelling ± 0,7 g. Apparaten voor montage op
dieselmotoren of stuurmachines moeten als volgt worden getest: f = 2,0 tot 25 Hz; a = ± 1,6
mm (amplitude a = 1/2
slingerbreedte) f = 25 Hz tot 100 Hz;
versnelling ± 4 g. Sensoren voor montage in
uitlaatgassenleidingen van dieselmotoren kunnen worden blootgesteld aan beduidend
hogere belastingen. Hiermee moet bij de tests rekening worden gehouden. f) Tests van de
elektromagnetische compatibiliteit moeten op basis van IEC-publicaties 61000-4-2:1995,
61000-4-3:2002, 61000-4-4:1995 met het testniveau 3 worden uitgevoerd. g) Het bewijs dat de
apparaten voldoen aan deze testvoorwaarden, moet door de fabrikant worden
geleverd. Als bewijs geldt ook een verklaring van een erkend
classificatiebureau. Artikel 9.21
Elektromagnetische
compatibiliteit Elektrische en
elektronische installaties mogen niet door elektromagnetische verstoringen in
hun functioneren worden gehinderd. Algemene maatregelen dienen betrekking te
hebben op: a) de ontkoppeling van
de overdrachtswegen tussen de storingsbron en het aan storing bloot staande
apparaat; b) het onderdrukken van
de stooroorzaken van de storingsbron; c) de vermindering van
de stoorgevoeligheid van het aan storing blootstaande apparaat. HOOFDSTUK 10 UITRUSTING Artikel 10.01
Ankeruitrusting 1.
Schepen die voor het vervoer van goederen zijn
bestemd, met uitzondering van zeeschipbakken met een lengte L van ten hoogste 40
m, moeten zijn uitgerust met boegankers, waarvan de totale massa P wordt
berekend met behulp van de volgende formule: P = k · B · T [kg] In deze formule betekent: k || || een coëfficiënt die rekening houdt met de verhouding tussen de lengte L en de breedte B en met het soort vaartuig: Voor duwbakken wordt k gelijkgesteld aan c; c: || || een ervaringscoëfficiënt overeenkomstig de volgende tabel: Laadvermogen in t Ervaringscoëfficiënt c tot en met 400 45 400 tot en met 650 55 650 tot en met 1000 65 meer dan 1000 70 De commissie van deskundigen
kan toestaan dat op schepen met een laadvermogen van ten hoogste 400 t, die
vanwege hun constructie en bestemming slechts op bepaalde korte riviergedeelten
worden ingezet, voor de boegankers slechts 2/3 van de totale massa P vereist
is. 2.
Passagiersschepen en schepen
die niet bestemd zijn voor goederenvervoer, met uitzondering van duwboten,
moeten zijn uitgerust met boegankers waarvan de totale massa P volgens de
volgende formule wordt berekend: P = k · B · T [kg] In deze formule betekent: k || || de coëfficiënt als bedoeld in het eerste lid; bij het vaststellen van de ervaringscoëfficiënt c moet evenwel de in het EU-binnenvaartcertificaat vermelde waterverplaatsing in m3 in plaats van het laadvermogen in aanmerking worden genomen; 3.
Schepen als bedoeld in lid 1
waarvan de grootste lengte L 86 m of minder bedraagt, moeten zijn uitgerust met
hekankers waarvan de totale massa 25 % bedraagt van de massa P. Schepen waarvan de grootste
lengte L meer dan 86 m bedraagt, moeten echter zijn uitgerust met hekankers
waarvan de totale massa 50 % bedraagt van de massa P als bedoeld in het eerste
of het tweede lid. Geen hekankers behoeven te
hebben: a) schepen waarvoor de
totale massa van de hekankers minder dan 150 kg zou bedragen; voor schepen als
bedoeld in het eerste lid, laatste alinea, moet daarbij worden uitgegaan van de
gereduceerde massa van het boeganker; b) duwbakken. 4.
Schepen die zijn bestemd voor
het voortbewegen van hechte samenstellen met een lengte L van niet meer dan 86
m moeten zijn uitgerust met hekankers waarvan de totale massa 25 % bedraagt van
de grootste massa P die overeenkomstig het eerste lid wordt berekend voor de in
het EU-binnenvaartcertificaat toegestane samenstellingen (als nautische eenheid
beschouwd). Schepen die zijn bestemd voor
het voortbewegen in afvaart van hechte samenstellen met een lengte L van meer
dan 86 m moeten zijn uitgerust met hekankers waarvan de totale massa 50 %
bedraagt van de grootste massa P die overeenkomstig het eerste lid wordt
berekend voor de in het EU-binnenvaartcertificaat toegestane samenstellingen
(als nautische eenheid beschouwd). 5.
De volgens het eerste tot en
met het vierde lid berekende massa's van de ankers mogen bij bepaalde
bijzondere ankers worden verminderd. 6.
De voor boegankers
voorgeschreven totale massa P kan worden verdeeld over één of twee ankers. De
totale massa mag 15 % minder zijn, indien het schip slechts met één boeganker
is uitgerust en de ankerkluis zich op hart schip bevindt. De voor hekankers voorgeschreven
totale massa P mag bij duwboten en schepen met een lengte L van meer dan 86 m
worden verdeeld over één of twee ankers. De massa van het lichtste
anker mag niet minder dan 45 % van deze totale massa bedragen. 7.
Gietijzeren ankers zijn niet
toegelaten. 8.
Op ieder anker moet de massa
duurzaam in letters en cijfers in reliëf zijn aangegeven. 9.
Voor ankers met een massa van
meer dan 50 kg zijn ankerlieren vereist. 10.
Boegankerkettingen moeten ten
minste de volgende lengte hebben: a) 40 m voor schepen met
een lengte L van 30 m of minder; b) 10 m meer dan de
lengte L van het schip, wanneer deze tussen 30 en 50 m ligt; c) 60 m voor schepen met
een lengte L van meer dan 50 m. De kettingen van de hekankers
moeten ten minste 40 m lang zijn. Schepen die kop vóór moeten kunnen stoppen,
moeten evenwel hekankerkettingen van ten minste 60 m lengte hebben. 11.
De minimumbreeksterkte R van
een ankerketting wordt met behulp van de volgende formules berekend: a) bij ankers met een massa
tot en met 500 kg: R = 0,35 · P'
[kN]; b) bij ankers met een massa
van meer dan 500 t/m 2000 kg: ; c) bij ankers met een massa
van meer dan 2000 kg: R = 0,25 · P'
[kN]; In deze formules betekent: P': || || de overeenkomstig het eerste tot en met het vierde lid en het zesde lid bepaalde theoretische massa van het betreffende anker. De breeksterkte van de
ankerkettingen wordt bepaald aan de hand van de daarvoor in een lidstaat
geldende normen. Indien zwaardere ankers worden
gekozen dan in het eerste tot en met het zesde lid beschreven, wordt de minimum
breeksterkte van de ankerketting bepaald aan de hand van de gegeven grotere
massa. 12.
Indien dergelijke zwaardere
ankers en de bijbehorende sterkere ankerkettingen aan boord zijn, moeten
desondanks in het EU-binnenvaartcertificaat de massa's en de minimum breeksterkte
worden ingevuld die zijn voorgeschreven op grond van het eerste tot en met
zesde lid en het elfde lid. 13.
De verbindingsdelen (wartels)
tussen het anker en de ketting moeten bestand zijn tegen een trekkracht die 20
% groter is dan de breeksterkte van de dienovereenkomstige ketting. 14.
Het gebruik van trossen of
kabels in plaats van kettingen is toegestaan. Deze moeten dezelfde breeksterkte
hebben die voor de kettingen is voorgeschreven, maar hun lengte moet 20 % meer
bedragen. Artikel 10.02
Overige uitrusting 1.
Ten minste de volgende uitrustingsstukken moeten
volgens de in de lidstaten van kracht zijnde scheepvaartpolitiereglementen
aanwezig zijn: a) marifooninstallatie; b) apparaten en
installaties die nodig zijn voor het uitzenden van lichtseinen en akoestische
seinen, alsmede voor voeren en tonen van de optische tekens; c) onafhankelijk van het
aan boord aanwezige elektriciteitsnet werkende lichten ter vervanging van de
voor het stilliggen voorgeschreven lichten. Bovendien moeten de volgende
verzamelreservoirs aanwezig zijn: a) een als zodanig
aangeduid verzamelreservoir voor huisvuil; b) een gescheiden als
zodanig aangeduid verzamelreservoir van staal of van ander stootvast
brandbestendig materiaal, met sluitend deksel en van voldoende grootte, maar ten
minste 10 l inhoud, voor het verzamelen van aa) oliehoudende
poetslappen, bb) vast klein chemisch
afval, cc) vloeibaar klein
chemisch afval, en voor zover dit
geproduceerd kan worden, voor het verzamelen van dd) slops, ee) overig olie- of
vethoudend afval. 2.
Voorts moeten ten minste
aanwezig zijn: a) stalen trossen voor
het meren: Ieder schip moet zijn
uitgerust met 3 stalen trossen voor het meren. De minimum lengte daarvan moet
bedragen: — || 1ste tros || : || L+20 m, echter niet meer dan 100 m — || 2de tros || : || 2/3 van de eerste tros — || 3de tros || : || 1/3 van de eerste tros Bij schepen met een lengte L
van minder dan 20 m kan de kortste tros achterwege blijven. Deze trossen moeten berekend
zijn op een minimum breeksterkte Rs die met behulp van de volgende formule
wordt vastgesteld: voor L · B · T tot 1000 m3: Rs
= 60 + [kN]; voor L · B · T groter dan 1000
m3: Rs = 150 + [kN]. Voor de voorgeschreven stalen
trossen moet zich een keuringsbewijs volgens de Europese norm EN 10 204:1991,
model 3.1, aan boord bevinden. Deze trossen mogen worden
vervangen door andere kabels van dezelfde lengte en met dezelfde breeksterkte.
De breeksterkte voor deze kabels moet in een keuringsbewijs worden aangetoond. b) trossen voor het
slepen: Sleepboten moeten zijn
uitgerust met een bij hun functie passend aantal trossen. De hoofdtros moet echter ten
minste 100 m lang zijn en een breeksterkte hebben in kN die overeenkomt met ten
minste een derde van het totale vermogen in kW van de voortstuwingsmotor(en). Motorschepen en duwboten die
mogen slepen moeten ten minste zijn uitgerust met een sleeptros van 100 m
lengte, waarvan de breeksterkte in kN overeenkomt met ten minste een kwart van
het totale vermogen in kW van de voortstuwingsmotor(en); c) een werplijn; d) een loopplank, ten
minste 0,40 m breed en ten minste 4 m lang, waarvan de zijkanten door een
lichte streep zijn gemarkeerd; deze loopplank moet van een leuning zijn
voorzien. Voor kleine schepen kan de commissie van deskundigen kortere
loopplanken toelaten; e) een bootshaak; f) een geschikte
verbandtrommel met een inhoud overeenkomstig een norm van een lidstaat. De
verbandtrommel moet in een verblijf of in het stuurhuis worden bewaard en zo
zijn opgeborgen dat hij indien nodig gemakkelijk en zeker kan worden bereikt.
Indien verbandtrommels aan het zicht zijn onttrokken moet de afdekking zijn
gemarkeerd met een symbool voor verbandtrommels overeenkomstig schets 8 van
aanhangsel I met een lengte van de zijde van ten minste 10 cm; g) een verrekijker, 7 x 50
of een grotere lensdiameter; h) een bord met
aanwijzingen betreffende het redden en het bijbrengen van drenkelingen; i) een vanuit de
stuurstand bedienbare schijnwerper. 3.
Op schepen waarvan de hoogte
van het boord boven de waterlijn bij ledig schip meer dan 1,50 m bedraagt moet
een buitenboordtrap of -ladder aanwezig zijn. Artikel 10.03
Draagbare
blustoestellen 1.
Op de volgende plaatsen moet telkens 1 draagbaar
blustoestel overeenkomstig de Europese normen EN 3-7:2007 en EN 3-8:2007
aanwezig zijn: a) in het stuurhuis; b) in de nabijheid van
iedere toegang van het dek naar de verblijven; c) in de nabijheid van
iedere toegang tot niet vanuit de verblijven toegankelijke bedrijfsruimten
waarin zich verwarmings-, kook-, of koelinstallaties bevinden, die op vaste of
vloeibare brandstoffen werken dan wel op vloeibaar gas; d) bij iedere toegang
tot machinekamers of ketelruimen; e) op geschikte plaatsen
benedendeks in de machinekamers en ketelruimen, en wel zodanig dat de afstand
tot een brandblusapparaat vanaf geen enkel punt van deze ruimtes meer dan tien
meter bedraagt. 2.
Als draagbare blustoestellen,
voorgeschreven in lid 1, mogen slechts poederblussers worden gebruikt met een
inhoud van ten minste 6 kg dan wel andere draagbare blustoestellen met
eenzelfde bluscapaciteit. Zij moeten geschikt zijn voor de brandklassen A, B en
C. In afwijking daarvan zijn op
schepen waarop geen vloeibaargasinstallaties zijn geïnstalleerd,
sproeischuimbrandblussers met tot - 20 °C vorstvrij brandblusschuim
bestaande uit water met AFFF-AR-schuim (Aqua Film Forming Foam) toegestaan, ook
wanneer deze niet voor brandklasse C geschikt zijn.. De minimuminhoud van deze
blustoestellen moet 9 liter bedragen. Alle blustoestellen moeten
geschikt zijn voor het blussen van branden in elektrische installaties tot 1 000V. 3.
Daarnaast mogen poederblussers,
blussers met vloeibare inhoud of schuimblussers worden gebruikt indien deze ten
minste geschikt zijn voor die brandklasse, welke in de ruimte waarvoor het
toestel bestemd is het meest waarschijnlijk relevant is. 4.
Draagbare blustoestellen die als
blusmiddel CO2 bevatten mogen slechts voor het blussen van branden in keukens
en elektrische inrichtingen worden aangewend. De inhoud van deze blustoestellen
mag niet meer bedragen dan 1 kg voor iedere 15 m3 van de ruimte waarin zij
worden bewaard en gebruikt. 5.
Draagbare blustoestellen moeten
ten minste elke twee jaar door een deskundige worden gekeurd. Hiervan moet een
keuringslabel op het blustoestel worden bevestigd, ondertekend door de
deskundige die de keuring heeft verricht, en waarop de datum van de keuring is
vermeld. 6.
Wanneer draagbare
blustoestellen door hun wijze van opstelling aan het gezicht zijn onttrokken
moet de bedekking of afscherming zijn voorzien van een teken
"brandblusapparaat" met een lengte van de zijde van ten minste 10 cm,
overeenkomstig schets 3 van aanhangsel I. Artikel 10.03a
Vast ingebouwde
brandblusinstallaties ter bescherming van verblijven, stuurhuizen en
passagiersruimten 1.
Voor de bescherming van verblijven, stuurhuizen en
passagiersruimten mogen uitsluitend geschikte, automatisch werkende
sprinklerinstallaties als vast ingebouwde brandblusinstallaties worden
geïnstalleerd. 2.
Deze installaties mogen slechts
door deskundige bedrijven worden ingebouwd of omgebouwd. 3.
Deze installaties moeten van
staal of van gelijkwaardig niet brandbaar materiaal zijn gebouwd. 4.
Deze installaties moeten over
de oppervlakken van de grootste te beschermen ruimte ten minste een hoeveelheid
water van 5 l/m2 per minuut kunnen sproeien. 5.
Installaties die een kleinere
hoeveelheid water sproeien moeten beschikken over een typegoedkeuring op grond
van de IMO-resolutie A 800 (19) of een andere norm die erkend is. De
typegoedkeuring wordt uitgevoerd door een erkend classificatiebureau of door
een gemachtigde testinstelling. De gemachtigde testinstelling moet voldoen aan
de Europese normen inzake de algemene eisen aan de kundigheid van test- en
kalibreerlaboratoria (EN ISO/IEC 17025: 2000). 6.
De installaties moeten door een
erkend deskundige worden gekeurd: a) vóór de eerste
ingebruikstelling; b) vóór een hernieuwde ingebruikstelling
na in werking te zijn geweest; c) vóór een hernieuwde
ingebruikstelling na een wezenlijke verandering of reparatie; d) regelmatig, ten
minste om de twee jaar. Keuringen overeenkomstig punt
d) kunnen ook worden uitgevoerd door een deskundige van een bedrijf dat
deskundig is op het gebied van blussystemen. 7.
Bij de keuring, als bedoeld in
lid 6, controleert de erkende deskundige of de deskundige of de installaties
aan de eisen van dit artikel voldoen. De keuring moet ten minste
bestaan uit: a) keuringen van de
buitenkant van de installatie als geheel; b) controle van de
bedrijfszekerheid van de veiligheidssystemen en de sproeikoppen; c) controle van het
systeem van druktanks en pompen. 8.
Hiervan moet een verklaring
worden afgegeven, ondertekend door de erkend deskundige of deskundige die de
keuring heeft verricht, en waarin de datum van de keuring is aangegeven. 9.
Het aantal van de aanwezige
installaties moet in het EU-binnenvaartcertificaat worden aangetekend. 10.
(zonder inhoud) Artikel 10.03b
Vast ingebouwde
brandblusinstallaties ter bescherming van machinekamers,
ketelruimen en pompkamers 1.
Blusmiddelen In machinekamers,
ketelruimen en pompkamers mogen, ter bescherming van deze ruimten, in vast
ingebouwde brandblusinstallaties de volgende blusmiddelen worden gebruikt: a) CO2
(koolstofdioxide); b) HFC 227 ea
(heptafloorpropaan); c) IG-541 (52 %
stikstof, 40 % argon, 8 % koolstofdioxide); d) FK-5-1-12
(dodecafluor-2-methylpentaan-3-on). 2.
Ventilatie, luchtaanzuiging a) Verbrandingslucht
voor de voor de vaart benodigde verbrandingsmotoren mag niet worden aangezogen
uit door vast ingebouwde brandblusinstallaties te beschermen ruimten. Dit is
niet van toepassing wanneer er twee van elkaar onafhankelijke, gasdicht
gescheiden hoofdmachinekamers aanwezig zijn dan wel er naast de
hoofdmachinekamer een boegbesturingsaandrijving in een aparte machinekamer
beschikbaar is, waardoor ingeval van brand in de hoofdmachinekamer het
voortbewegen op eigen kracht wordt verzekerd. b) Een mechanische
ventilatie van de te beschermen ruimte, indien aanwezig, moet bij het in
werking stellen van de brandblusinstallatie automatisch worden uitgeschakeld. c) Er moeten middelen
beschikbaar zijn waarmee alle openingen, waardoor lucht zou kunnen toetreden
tot, dan wel gas zou kunnen ontsnappen uit de te beschermen ruimte, snel kunnen
worden gesloten. De gesloten toestand moet duidelijk herkenbaar zijn. d) De lucht die via de
overdrukventielen uit in de machinekamers geïnstalleerde persluchthouders
stroomt moet naar buiten worden gevoerd. e) De bij het
binnenstromen van het blusmiddel ontstane over- of onderdruk mag de essentiële
onderdelen van de te beschermen ruimte niet vernielen. De compensatie van de
druk moet zonder gevaar kunnen geschieden. f) Beschermde ruimten
moeten beschikken over een mogelijkheid om het blusmiddel en het brandgas af te
zuigen. Dergelijke afzuiginrichtingen moeten vanaf een plek buiten de
beschermde ruimtes kunnen worden bediend. Die plek mag door een brand in die
ruimtes niet ontoegankelijk worden. Indien vast geïnstalleerde
afzuiginrichtingen aanwezig zijn, mogen deze tijdens het blussen niet kunnen
worden ingeschakeld. 3.
Brandmeldsysteem De te beschermen ruimte moet
voorzien zijn van een doelmatige brandmeldinstallatie. De brandmelding moet in
het stuurhuis, in de verblijven en in de te beschermen ruimte kunnen worden
waargenomen. 4.
Pijpleidingensysteem a) Het blusmiddel moet
door een vast geïnstalleerd pijpleidingenstelsel naar de te beschermen ruimte
worden toegevoerd en daarin worden verdeeld. In de te beschermen ruimte moeten
de pijpleidingen en de daarbij behorende armaturen van staal zijn vervaardigd.
Dit geldt niet voor de aansluitleidingen van de houders en de compensatoren
indien de daarvoor gebruikte materialen met betrekking tot brand over
gelijkwaardige eigenschappen beschikken. De pijpleidingen moeten zowel in- als
uitwendig tegen corrosie beschermd zijn. b) De sproeikoppen
moeten zodanig van afmeting zijn en zodanig zijn aangebracht dat het blusmiddel
gelijkmatig wordt verdeeld. Het blusmiddel moet ook onder de vloerplaten
efficiënt zijn. 5.
Inrichting voor het in werking
stellen a) Brandblusinstallaties
die automatisch in werking worden gesteld zijn niet toegestaan. b) De
brandblusinstallatie moet vanaf een geschikte plaats buiten de te beschermen
ruimte in werking kunnen worden gesteld. c) Inrichtingen voor het
in werking stellen moeten zodanig zijn geïnstalleerd dat ze ook in geval van
brand kunnen worden bediend en dat, in het geval van een beschadiging als
gevolg van brand of explosie in de te beschermen ruimte, de daarvoor benodigde
hoeveelheid blusmiddel nog kan worden toegevoerd. Niet mechanische inrichtingen
voor het in werking stellen moeten door twee verschillende van elkaar
onafhankelijke energiebronnen worden gevoed. Deze energiebronnen moeten zich
buiten de te beschermen ruimte bevinden. Leidingen voor de aansturing in de
beschermde ruimte moeten zodanig zijn uitgevoerd, dat zij ingeval van brand ten
minste gedurende 30 minuten kunnen blijven functioneren. Elektrische leidingen
voldoen aan deze eis indien zij voldoen aan de norm IEC 60331-21:1999. Wanneer inrichtingen voor het
in werking stellen door hun wijze van opstelling aan het gezicht zijn
onttrokken moet de bedekking of afscherming zijn voorzien van een teken
„brandblusinstallatie” met een lengte van de zijde van ten minste 10 cm,
overeenkomstig schets 6 van aanhangsel I, alsmede van de volgende tekst in rode
letters op witte ondergrond: „Feuerlöscheinrichtung Installation d'extinction Brandblusinstallatie Fire-fighting installation”.» d) Indien de
brandblusinstallatie bedoeld is voor het beschermen van meerdere ruimten,
moeten de inrichtingen voor het in werking stellen voor iedere ruimte
gescheiden en duidelijk zijn gemarkeerd. e) Bij iedere inrichting
voor het in werking stellen moet een gebruiksaanwijzing in een officiële taal
van een lidstaat duidelijk zichtbaar en duurzaam uitgevoerd zijn aangebracht.
Deze moet met name informatie bevatten inzake aa) het in werking
stellen van de brandblusinstallatie; bb) de noodzaak van de
controle dat alle personen de te beschermen ruimte hebben verlaten; cc) de handelswijze van
de bemanning bij het in werking stellen van de brandblusinstallatie en wanneer
zij de beschermde ruimte betreden na het in werking stellen van de installatie
of na het uitstromen van het blusmiddel, in het bijzonder met betrekking tot de
mogelijke aanwezigheid van gevaarlijke substanties; dd) de handelwijze van de
bemanning in het geval van een storing in de brandblusinstallatie. f) De
gebruiksaanwijzing moet erop wijzen dat vóór het in werking stellen van de
brandblusinstallatie de in de ruimte aanwezige verbrandingsmotoren die lucht
aanzuigen uit de te beschermen ruimte buiten bedrijf moeten worden gesteld. 6.
Waarschuwingssysteem a) Vast ingebouwde
brandblusinstallaties moeten zijn voorzien van een waarschuwingssysteem. b) Het
waarschuwingssysteem moet automatisch gaan werken bij de eerste handeling voor
het in werking stellen van de brandblusinstallatie. Het waarschuwingssignaal
moet gedurende een redelijke tijd vóór het vrijkomen van het blusmiddel klinken
en mag niet kunnen worden uitgeschakeld. c) De
waarschuwingssignalen moeten in de te beschermen ruimten alsmede bij iedere
toegang daartoe duidelijk zichtbaar zijn en ook onder de
bedrijfsomstandigheden, waarbij aldaar het meeste geluid wordt geproduceerd,
duidelijk hoorbaar zijn. Zij moeten in de te beschermen ruimte duidelijk van
alle andere akoestische en optische waarschuwingssignalen te onderscheiden
zijn. d) De akoestische
waarschuwingssignalen moeten, ook wanneer de verbindingsdeuren gesloten zijn,
onder de bedrijfsomstandigheden waarbij aldaar het meeste geluid wordt
geproduceerd in de ernaast gelegen ruimten duidelijk hoorbaar zijn. e) Indien het
waarschuwingssysteem niet van een eigen controlesysteem terzake van kortsluiting,
draadbreuk en spanningsvermindering is voorzien, moet het functioneren ervan
kunnen worden getest. f) Bij iedere ingang
van een ruimte die met blusmiddel kan worden gevuld, moet duidelijk zichtbaar
een bord zijn aangebracht met daarop in rode letters op witte ondergrond de
volgende tekst: „Vorsicht,
Feuerlöscheinrichtung! Bei Ertönen des Warnsignals
(Beschreibung des Signals) den Raum sofort verlassen! Attention, installation d'extinction
d'incendie! Quitter immédiatement ce local au
signal (description du signal) Let op, brandblusinstallatie! Bij het in werking treden van
het alarmsignaal (omschrijving van het signaal) deze ruimte onmiddellijk
verlaten! Warning, fire-fighting
installation! Leave the room as soon as
the warning signal sounds (description of signal)”.» 7.
Drukhouders, armaturen en
persleidingen a) Drukhouders,
armaturen en persleidingen moeten voldoen aan de in één der lidstaten van de
Gemeenschap geldende voorschriften. b) Drukhouders moeten
volgens de indicaties van de fabrikant zijn geïnstalleerd. c) Drukhouders,
armaturen en persleidingen mogen niet in verblijven geïnstalleerd zijn. d) De temperatuur in de
kasten of ruimten waarin drukhouders zijn opgesteld mag niet meer bedragen dan 50
°C. e) Kasten of ruimten aan
dek moeten vast aan het dek bevestigd zijn en voorzien zijn van
ventilatieopeningen, die zo zijn aangebracht dat, ingeval de drukhouders niet
dicht zijn, geen ontsnappend gas in het binnenste van het schip kan
doordringen. Directe verbindingen met andere ruimten zijn niet toegestaan. 8.
Hoeveelheid van het blusmiddel Indien de hoeveelheid
blusmiddel bedoeld is voor het beschermen van meer dan één ruimte, behoeft de
totale hoeveelheid van het beschikbare blusmiddel niet meer te zijn dan de
hoeveelheid die nodig is voor de grootste te beschermen ruimte. 9.
Installatie, controle en
documentatie a) De installatie mag
slechts worden geïnstalleerd of omgebouwd door een bedrijf dat deskundig is op
het gebied van brandblusinstallaties. De documentatie (folders met gegevens van
het product en met de veiligheidsgegevens) van de fabrikant van het blusmiddel
en de fabrikant van de installatie moeten in acht worden genomen. b) de installatie moet
door een erkend deskundige worden gekeurd: aa) vóór de eerste
ingebruikstelling; bb) vóór een hernieuwde ingebruikstelling
na in werking te zijn geweest; cc) vóór een hernieuwde
ingebruikstelling na een wezenlijke verandering of reparatie; dd) regelmatig, ten minste
om de twee jaar. Keuringen overeenkomstig punt
dd) kunnen ook worden uitgevoerd door een deskundige van een bedrijf dat
deskundig is op het gebied van blussystemen. c) Bij de keuring
controleert de erkende deskundige of de deskundige of de installatie aan de
eisen van dit artikel voldoet. d) De keuring moet ten
minste bestaan uit: aa) keuring van de buitenkant
van de installatie als geheel; bb) test van de pijpleidingen
op hun dichtheid, cc) controle van de
bedrijfszekerheid van de bedieningssystemen en de systemen voor het in werking
stellen, dd) controle van de druk in
de houders alsmede de inhoud daarvan, ee) controle van de dichtheid
en van de afsluitinrichtingen van de te beschermen ruimte, ff) test van het
brandmeldingssysteem, alsmede gg) test van het
waarschuwingssysteem. e) Hiervan moet een
verklaring worden afgegeven, ondertekend door de erkend deskundige of
deskundige die de keuring heeft verricht, en waarin de datum van de keuring is
aangegeven. f) Het aantal aanwezige
vast ingebouwde brandblusinstallaties moet in het EU- binnenvaartcertificaat
worden aangetekend. 10.
Brandblusinstallaties met CO2 Brandblusinstallaties die met
CO2 als blusmiddel werken, moeten, behalve aan de eisen bedoeld in het eerste
tot en met negende lid, aan de volgende bepalingen voldoen: a) CO2-houders moeten
buiten de te beschermen ruimte in een van de overige ruimten gasdicht
gescheiden ruimte of kast zijn ondergebracht. De deuren van de ruimten waar ze
opgesteld zijn of van de kasten moeten naar buiten openen, afsluitbaar zijn en
aan de buitenkant zijn voorzien van een teken „Waarschuwing voor algemeen
gevaar” overeenkomstig schets 4 van aanhangsel I met een hoogte van ten minste 5
cm alsmede van het bijkomend opschrift „CO2” in dezelfde kleur en met dezelfde
hoogte. b) De benedendekse
ruimten waar CO2-houders zijn opgesteld mogen slechts van buitenaf toegankelijk
zijn. Deze ruimten moeten over een eigen, van de andere ventilatiesystemen aan
boord volledig gescheiden, voldoende kunstmatige ventilatie met afzuigkanalen
beschikken. c) De vulgraad van met
CO2 gevulde houders zijn mag niet meer zijn dan 0,75 kg/l. Voor het volume van
het uitgestroomde CO2-gas moet worden uitgegaan van 0,56 m3/kg. d) De hoeveelheid CO2-gas
benodigd voor het beschermen van een ruimte moet ten minste 40 % van de bruto
inhoud van die ruimte bedragen. Deze hoeveelheid moet binnen 120 seconden kunnen
worden toegevoerd. Het moet controleerbaar zijn of het gas is toegevoerd. e) Het openen van de
ventielen van de houders en het bedienen van het ventiel waardoor het gas
uitstroomt moet door gescheiden handelingen geschieden. f) De redelijke tijd,
bedoeld in het zesde lid, onder b, moet ten minste 20 seconden bedragen. De
vertraging tot aan het vrijkomen van het CO2-gas moet zijn gegarandeerd door
een betrouwbare inrichting. 11.
Brandblusinstallaties met HFC-227ea Brandblusinstallaties die
werken met HFC-227ea als blusmiddel moeten, behalve aan de eisen, bedoeld in
het eerste tot en met negende lid, aan de volgende bepalingen voldoen: a) Indien er sprake is
van meerdere te beschermen ruimten met een verschillende bruto-inhoud, moet
iedere ruimte voorzien zijn van een eigen brandblusinstallatie. b) Iedere houder die
HFC-227ea bevat en in de te beschermen ruimte is opgesteld moet voorzien zijn
van een overdrukbeveiliging. Deze moet ervoor zorgen dat de inhoud van de
houder zonder gevaar in de te beschermen ruimte stroomt, wanneer de houder aan
de invloed van brand is blootgesteld en de brandblusinstallatie niet in werking
is gesteld. c) Iedere houder moet
zijn uitgerust met een inrichting waardoor de gasdruk kan worden gecontroleerd. d) De vulgraad van de
houders mag niet meer zijn dan 1,15 kg/l. Voor het volume van het uitgestroomde
HFC-227ea moet worden uitgegaan van 0,1374 m3/kg. e) De hoeveelheid HFC-227ea
voor de te beschermen ruimte moet ten minste 8 % van het bruto volume van die
ruimte bedragen. Deze hoeveelheid moet binnen 10 seconden toegevoerd zijn. f) De houders van HFC-227ea
moeten voorzien zijn van een controlesysteem van de druk dat bij een
ontoelaatbaar verlies van drijfgas een akoestisch en optisch alarmsignaal in
het stuurhuis in werking stelt. Wanneer er geen sprake is van een stuurhuis
moet het alarmsignaal buiten de te beschermen ruimte in werking worden gesteld. g) Na het uitstromen van
het blusmiddel mag de concentratie in de te beschermen ruimte niet groter zijn
dan 10,5 %. h) De brandblusinstallatie
mag geen enkel onderdeel uit aluminium bevatten. 12.
Brandblusinstallaties met IG-541 Brandblusinstallaties die
werken met IG-541 als blusmiddel moeten, behalve aan de eisen, bedoeld in het
eerste tot en met negende lid, aan de volgende bepalingen voldoen: a) Indien er sprake is
van meerdere te beschermen ruimten met een verschillende bruto-inhoud, moet
iedere ruimte voorzien zijn van een eigen brandblusinstallatie. b) Iedere houder die IG-541
bevat en in de te beschermen ruimte is opgesteld moet voorzien zijn van een
overdrukbeveiliging. Deze moet ervoor zorgen dat de inhoud van de houder zonder
gevaar in de te beschermen ruimte stroomt, wanneer de houder aan de invloed van
brand is blootgesteld en de brandblusinstallatie niet in werking is gesteld. c) Iedere houder moet
zijn uitgerust met een inrichting waarmee de gasdruk kan worden gecontroleerd. d) De druk waaronder de
houders zijn gevuld mag bij + 15°C niet meer bedragen dan 200 bar. e) De hoeveelheid IG-541
voor de te beschermen ruimte moet ten minste 44 % en niet meer dan 50 % van het
bruto volume van die ruimte bedragen. Deze hoeveelheid moet binnen 120 seconden
toegevoerd zijn. 13.
Brandblusinstallaties met FK-5-1-12 Brandblusinstallaties die
werken met FK-5-1-12 als blusmiddel moeten, behalve aan de eisen bedoeld in het
eerste tot en met negende lid, aan de volgende bepalingen voldoen: a) Indien er sprake is
van meerdere te beschermen ruimten met een verschillende bruto-inhoud, moet
iedere ruimte voorzien zijn van een eigen brandblusinstallatie. b) Iedere houder die FK-5-1-12
bevat en in de te beschermen ruimte is opgesteld moet voorzien zijn van een
overdrukbeveiliging. Deze moet ervoor zorgen dat de inhoud van de houder zonder
gevaar in de te beschermen ruimte stroomt, wanneer de houder aan de invloed van
brand is blootgesteld en de brandblusinstallatie niet in werking is gesteld. c) Iedere houder moet
zijn uitgerust met een inrichting waardoor de gasdruk kan worden gecontroleerd. d) De vulgraad van de
houders mag niet meer zijn dan 1,00 kg/l. Voor het volume van het uitgestroomde
FK-5-1-12 moet worden uitgegaan van 0,0719 m3/kg. e) De hoeveelheid FK-5-1-12
voor de te beschermen ruimte moet ten minste 5,5 % van het brutovolume van
die ruimte bedragen. Deze hoeveelheid moet binnen 10 seconden toegevoerd zijn. f) De houders van FK-5-1-12
moeten voorzien zijn van een controlesysteem van de druk dat bij een
ontoelaatbaar verlies van drijfgas een akoestisch en optisch alarmsignaal in
het stuurhuis in werking stelt. Wanneer er geen sprake is van een stuurhuis
moet het alarmsignaal buiten de te beschermen ruimte in werking worden gesteld. g) Na het uitstromen van
het blusmiddel mag de concentratie in de te beschermen ruimte niet groter zijn
dan 10,0 %. Artikel 10.03c
(Zonder inhoud) Artikel 10.04
Bijboten 1.
De volgende vaartuigen moeten met een bijboot
overeenkomstig de Europese norm EN 1914:1997, zijn uitgerust: a) motorschepen en
sleepschepen met een laadvermogen van meer dan 150 t; b) sleepboten en duwboten met
een waterverplaatsing van meer dan 150 m3; c) drijvende werktuigen; d) passagiersschepen. 2.
Bijboten moeten binnen 5
minuten, te rekenen vanaf de eerste daartoe noodzakelijke handeling, door één
persoon veilig te water kunnen worden gelaten. Indien zij door middel van een
door een motor aangedreven inrichting te water worden gelaten, moet deze zo
zijn ingericht dat uitvallen van de energietoevoer het snel en veilig te water
laten niet kan verhinderen. 3.
Opblaasbare bijboten moeten
zijn getest overeenkomstig de indicaties van de fabrikant. Artikel 10.05
Reddingsboeien en
zwemvesten 1.
Aan boord van vaartuigen moeten ten minste drie
reddingsboeien overeenkomstig de Europese norm EN 14144:2002 aanwezig zijn. 2002.
Zij moeten zich in gebruiksklare toestand op vaste en daarvoor geschikte
plaatsen aan dek bevinden en mogen niet zijn vastgemaakt aan de houders. Ten
minste één reddingsboei moet zich in de onmiddellijke nabijheid van het
stuurhuis bevinden en deze moet zijn voorzien van een automatisch ontbrandend
licht, gevoed door batterijen, dat in het water niet kan uitgaan. 2.
Aan boord van vaartuigen moet
zich voor ieder zich regelmatig aan boord bevindend persoon een voor hem
persoonlijk geschikt, automatisch opblaasbaar zwemvest dat voldoet aan de
Europese normen EN 395:1998, EN 396:1998, EN ISO 12402-3:2006 of EN ISO 12402-4:2006,
onder handbereik bevinden. Voor kinderen zijn ook harde
zwemvesten, die aan deze normen voldoen, toegelaten. 3.
Zwemvesten moeten zijn getest
overeenkomstig de indicaties van de fabrikant. HOOFDSTUK 11 VEILIGHEID OP DE WERKPLEK Artikel 11.01
Algemene
bepalingen 1.
Vaartuigen moeten zodanig zijn gebouwd, ingericht
en uitgerust, dat personen daarop veilig kunnen werken en zich verplaatsen. 2.
De voor het werk aan boord
noodzakelijke en vast opgestelde voorzieningen moeten zodanig zijn ingericht,
opgesteld en beveiligd, dat ze gemakkelijk en zonder gevaar bediend, gebruikt
en onderhouden kunnen worden. Zo nodig moeten bewegende en hete delen van
beschermende inrichtingen zijn voorzien. Artikel 11.02 Bescherming tegen
vallen 1.
Dekken en gangboorden moeten vlak zijn en moeten
vrij zijn van obstakels waarover men kan struikelen; ze moeten zodanig zijn
uitgevoerd dat er geen water op kan blijven staan. 2.
Dekken alsmede gangboorden,
machinekamervloeren, bordessen, trappen en de bolderdeksels in de gangboorden
moeten veiligheid bieden tegen uitglijden. 3.
Bolderdeksels in de gangboorden
en hindernissen in de verkeerswegen, zoals bijvoorbeeld randen van traptreden,
moeten in een met het omgevende dek contrasterende kleur zijn geverfd. 4.
Buitenkanten van de dekken, de
gangboorden en de werkplekken waarbij de valhoogte meer dan 1 m kan bedragen,
moeten zijn voorzien van een verschansing of den van elk ten minste 0,90 m
hoogte of van doorlopende relingen die voldoen aan de Europese norm EN 711:1995.
Buitenkanten van de dekken, de gangboorden en de werkplekken waarbij de
valhoogte meer dan 1 m kan bedragen, moeten zijn voorzien van een verschansing
of den van elk ten minste 0,90 m hoogte of van doorlopende relingen die voldoen
aan de Europese norm EN 711:1995. Indien het gangboord een neerklapbare reling
heeft, dan a) moet tevens een
doorlopende leuning met een diameter van 0,02 tot 0,04 m op een hoogte van 0,7
tot 1,1 m aan de dennenboom worden bevestigd en b) moeten op goed
zichtbare plaatsen aan het begin van het gangboord markeringen overeenkomstig
aanhangsel I, figuur 10, met een diameter van ten minste 15 cm zijn
aangebracht. Waar geen dennenboom
aanwezig is, moet een vaste reling zijn geïnstalleerd. 4a. In
afwijking van lid 4 hoeven bij duwbakken en sleepschepen zonder verblijven geen
verschansing of relingen aanwezig te zijn, indien: a) aan de buitenkanten
van de dekken en de gangboorden voetlijsten zijn bevestigd, b) aan de dennenbomen
handrelingen als bedoeld in lid 4, onder a) werden bevestigd, en c) op goed zichtbare plaatsen
op het dek markeringen overeenkomstig aanhangsel I, figuur 10, met een diameter
van ten minste 15 cm zijn aangebracht. 4b. In
afwijking van lid 4 hoeven bij schepen met een gesloten dek geen relingen aan
de buitenkanten van deze dekken of in de gangboorden aanwezig te zijn, indien: a) de verkeersweg over
deze gesloten dekken loopt en is omgeven door vaste relingen in overeenstemming
met EN 711:1995, en b) op goed zichtbare
plaatsen op de overgangen naar de relingloze zones markeringen overeenkomstig aanhangsel
I, figuur 10, met een diameter van ten minste 15 cm zijn aangebracht. 5.
Voor werkplekken waar de
valhoogte meer dan 1 meter bedraagt, kan de commissie van deskundigen geschikte
inrichtingen en uitrustingen ten behoeve van het veilig werken eisen. 6.
Lid 4, 4a en 4b zijn tijdelijke
voorschriften overeenkomstig artikel 25 van deze richtlijn en zijn van kracht
tot en met 1 december 2016. Artikel 11.03
Afmetingen van de
werkplekken Werkplekken moeten zo
groot zijn dat iedere persoon die er werkt voldoende bewegingsvrijheid heeft. Artikel 11.04
Gangboord 1.
De vrije breedte van het gangboord moet ten minste 0,60
m bedragen. Op de plaats van bepaalde ingebouwde noodzakelijke constructies
(zoals afsluiters voor dekwasleidingen) behoeft dit slechts 0,50 m te zijn en
bij bolders en klampen 0,40 m. 2.
De vrije breedte van het
gangboord kan tot een hoogte van 0,90 m daarboven tot 0,50 m beperkt blijven
wanneer de vrije breedte in het gedeelte daarboven tussen de buitenkant van de
scheepshuid en de binnenkant van de opening van het laadruim ten minste 0,65 m
bedraagt. 3.
Het eerste en tweede lid gelden
tot een hoogte van 2,00 m boven het gangboord. 4.
Lid 2 is een tijdelijk
voorschrift overeenkomstig artikel 25 van deze richtlijn en is van kracht tot
en met 1 december 2016. Artikel 11.05
Toegang tot de
werkplekken 1.
Bij gangen, toegangen en doorgangen die door
personen of voor het verplaatsen van goederen worden gebruikt, moet: a) voor de
toegangsopeningen voldoende plaats zijn voor onbelemmerde beweging; b) de vrije breedte van
de doorgangen overeenkomen met de bestemming van de werkplekken, maar ten
minste 0,60 m bedragen. Bij schepen met een breedte van niet meer dan 8 m hoeft
de breedte van de doorgangen slechts 0,50 m te bedragen; c) de vrije hoogte van
de doorgangen inclusief de hoogte van de drempels ten minste 1,90 m bedragen. 2.
Deuren moeten langs beide
zijden zonder gevaar geopend en gesloten kunnen worden. Ze moeten zodanig zijn
uitgevoerd dat zij niet onopzettelijk open of dicht kunnen gaan. 3.
In- en uitgangen en gangen die hoogteverschillen
van meer dan 0,50 m hebben moeten zijn voorzien van adequate trappen, ladders
of klimtreden. 4.
Wanneer het hoogteverschil bij
permanent bezette werkplekken meer dan 1,00 m bedraagt, moeten er trappen zijn.
Dit geldt niet voor nooduitgangen. 5.
Bij schepen met laadruimen moet
ten minste bij ieder uiteinde van ieder laadruim een vast ingebouwde
klimvoorziening aanwezig zijn. In afwijking hiervan behoeven
geen vast ingebouwde stijginrichtingen aanwezig te zijn indien er ten minste
twee draagbare ruimladders aanwezig zijn die bij een hellingshoek van 60° met
ten minste drie treden tot boven de rand van het luik moeten reiken. Artikel 11.06
Uitgangen en
nooduitgangen 1.
Het aantal, de constructie en de afmetingen van de
uitgangen met inbegrip van de nooduitgangen moeten overeenkomen met de
bestemming en de grootte van de ruimten. Wanneer één van deze uitgangen een
nooduitgang is, moet die duidelijk als zodanig zijn aangeduid. 2.
Nooduitgangen of als
nooduitgang dienende vensters of bovenlichten moeten een vrije opening van ten
minste 0,36 m2 hebben, waarbij de kortste zijde ten minste 0,50 m moet
bedragen. Artikel 11.07
Klimvoorzieningen 1.
Trappen en ladders moeten veilig zijn bevestigd.
Trappen moeten ten minste 0,60 m breed zijn; de vrije breedte tussen de handrelingen
moet ten minste 0,60 m bedragen; de diepte van de treden mag niet minder zijn
dan 0,15 m; het oppervlak van de treden moet veiligheid bieden tegen
uitglijden; trappen met meer dan drie treden moeten handrelingen hebben. 2.
Ladders en klimtreden moeten
een vrije breedte van ten minste 0,30 m hebben; de afstand tussen de sporten
mag niet meer dan 0,30 m bedragen; de afstand van de sporten tot
constructiedelen moet ten minste 0,15 m zijn. 3.
Ladders en klimtreden moeten
van boven herkenbaar zijn en met handgrepen boven de uitgangsopeningen zijn
uitgerust. 4.
Aanleunladders moeten ten
minste 0,40 m en onderaan ten minste 0,50 m breed zijn; ze moeten kunnen worden
beveiligd tegen kantelen en wegglijden; de sporten moeten vast in de boom zijn
bevestigd. Artikel 11.08
Binnenruimten 1.
Binnen in het schip gelegen werkplekken moeten naar
grootte, inrichting en indeling zijn aangepast aan de daar te verrichten
werkzaamheden en voldoen aan de eisen inzake hygiëne en veiligheid. Ze moeten
voldoende en niet verblindend kunnen worden verlicht en voldoende kunnen worden
geventileerd; zo nodig moeten zij zijn voorzien van verwarmingsapparaten die
een redelijke temperatuur waarborgen. 2.
Vloeren van binnen in het schip
gelegen werkplekken moeten vast zijn, duurzaam uitgevoerd, en veiligheid bieden
tegen struikelen en uitglijden. Openingen in dekken en vloeren moeten in
geopende toestand een beveiliging hebben tegen het gevaar van vallen. Vensters
en bovenlichten moeten zodanig zijn uitgevoerd en gesitueerd dat ze zonder
gevaar kunnen worden bediend en gereinigd. Artikel 11.09
Bescherming tegen
geluidshinder en trillingen 1.
De werkplekken moeten zodanig zijn gelegen,
ingericht en ontworpen dat de werknemers niet aan het gevaar van trillingen
zijn blootgesteld. 2.
Permanent gebruikte werkruimten
moeten bovendien zodanig zijn gebouwd en geïsoleerd tegen geluid dat de
veiligheid en de gezondheid van de werknemers niet door geluidshinder in gevaar
worden gebracht. 3.
Voor werknemers die dagelijks
aan een geluidsdruk van meer dan 85 dB(A) worden blootgesteld, moeten
persoonlijke gehoorbeschermingsmiddelen aanwezig zijn. Werkplekken waar deze
waarden meer zijn dan 90 dB(A) moeten zijn voorzien van een teken
„gehoorbescherming verplicht” met een diameter van ten minste 10 cm,
overeenkomstig schets 7 van aanhangsel I, waarin wordt gewezen op de plicht tot
het gebruiken van deze gehoorbeschermingsmiddelen. Artikel 11.10
Luiken 1.
Luiken moeten gemakkelijk bereikt en veilig bewogen
kunnen worden. Delen van luiken met een gewicht van meer dan 40 kg moeten bovendien
schuifbaar of neerklapbaar zijn of zodanig zijn ingericht dat zij mechanisch
kunnen worden opgetild. Luiken die met behulp van hefwerktuigen worden bewogen,
moeten zijn voorzien van adequate en gemakkelijk toegankelijke inrichtingen
voor het vastmaken van de aanslagmiddelen. Op luiken of schaarstokken die niet
uitwisselbaar zijn moet duidelijk het luik waarbij ze behoren en de exacte
plaats daarop zijn aangegeven. 2.
Luiken moeten beveiligd kunnen
worden tegen oplichten door wind en laadinrichtingen. Schuifluiken moeten zijn
voorzien van vergrendelingen die onopzettelijke beweging in de lengterichting
met meer dan 0,40 m verhinderen; zij moeten in hun uiterste stand kunnen worden
vastgezet. Er moeten geschikte inrichtingen aanwezig zijn voor het bevestigen
van opgestapelde luiken. 3.
Bij mechanisch bediende luiken
moet de energietoevoer na het loslaten van de bedieningsschakelaar automatisch
worden onderbroken. 4.
Luiken moeten de te verwachten
belasting, begaanbare luiken ten minste 75 kg, als puntlast kunnen opnemen.
Niet begaanbare luiken moeten als zodanig zijn aangeduid. Op luiken die bestemd
zijn voor het dragen van deklast moet de toegelaten belasting in t/m2 staan
aangeduid. Indien voor het bereiken van de toegelaten belasting stutten nodig
zijn, moet daarop op een geschikte plaats worden gewezen; in dat geval moeten
tekeningen voor dit doel aan boord aanwezig zijn. Artikel 11.11
Lieren 1.
Lieren moeten zodanig zijn ingericht dat veilig
werken mogelijk is. Ze moeten voorzieningen hebben die het onopzettelijk
teruglopen van de last verhinderen. Lieren die geen automatische rem hebben
moeten zijn uitgerust met een op de trekkracht berekende rem. 2.
Lieren die met de hand worden
bediend moeten zijn voorzien van inrichtingen die het terugslaan van de
zwengels verhinderen. Lieren die zowel met de hand als mechanisch kunnen worden
bediend moeten zodanig zijn ingericht dat de mechanische aandrijving niet het
handmechanisme in werking kan stellen. Artikel 11.12
Kranen 1.
Kranen moeten volgens de regels van de techniek zijn
gebouwd. De krachten die optreden tijdens het in bedrijf zijn moeten veilig
worden overgebracht op de scheepsconstructie; zij mogen de stabiliteit niet in
gevaar brengen. 2.
Op elke kraan moet een
fabriekslabel met de volgende gegevens zijn aangebracht: a) naam en adres van de
fabrikant; b) het EG-kenteken met
vermelding van het bouwjaar; c) aanduiding van de serie of
het type; d) eventueel serienummer. 3.
Op elke kraan moet de ten
hoogste toelaatbare belasting duurzaam en duidelijk zichtbaar zijn aangebracht. Bij kranen waarvan de
bedrijfslast niet meer bedraagt dan 2000 kg hoeft alleen de ten hoogste
toelaatbare bedrijfslast bij de grootste vlucht van de kraan duurzaam en
duidelijk zichtbaar te zijn aangebracht. 4.
Ter voorkoming van het gevaar
van persoonlijk letsel moeten beschermende voorzieningen aanwezig zijn. De
buitenste delen van de kraan moeten ten opzichte van alle delen van de omgeving
van de kraan een veiligheidsafstand naar boven, beneden en naar opzij van ten
minste 0,50 m hebben. De veiligheidsafstand naar opzij is buiten het gebied
waar gewerkt en gelopen wordt niet noodzakelijk. 5.
Kranen die mechanisch worden
aangedreven moeten kunnen worden beschermd tegen gebruik door onbevoegden. Ze
mogen slechts aan de voor de kraan voorziene bedieningsinrichting in werking
kunnen worden gesteld. De bedieningsorganen moeten automatisch in de stopstand
terugkeren (schakelaar die niet automatisch in de in werking gestelde stand
blijft); duidelijk zichtbaar moet zijn in welke richting zij functioneren. Bij het uitvallen van de
aandrijfenergie mag de last niet automatisch kunnen teruglopen. Onopzettelijke
kraanbewegingen moeten worden voorkomen. De opwaartse beweging van het
hijsmiddel en de overschrijding van de bedrijfslast moeten door adequate
voorzieningen zijn beperkt. De neerwaartse beweging van het hijsmiddel moet
beperkt zijn wanneer bij het voorziene gebruik van de kraan, op het moment dat
het hijsmiddel wordt bevestigd aan de last, minder dan twee wikkelingen van de
hijskabel op de liertrommel over zijn. Na het aanspreken van de automatische
(beveiligings)voorzieningen, moet de respectieve tegengestelde beweging nog
mogelijk zijn. De breeksterkte van
draadkabels voor het lopende werk moet ten minste het vijfvoudige van de
maximaal toelaatbare kabeltreksterkte bedragen. De constructie van de
draadkabel moet onberispelijk zijn en moet geschikt zijn voor het gebruik bij
kranen. 6.
Kranen moeten door een erkende
deskundige worden gekeurd: a) vóór de eerste
ingebruikstelling; b) vóór een hernieuwde
ingebruikstelling na een wezenlijke verandering of reparatie; c) met regelmaat, ten
minste elke tien jaar. Bij deze keuring dient de
aanwezigheid van voldoende stevigheid en stabiliteit rekenkundig en door een
belastingsproef aan boord te worden aangetoond. Voor kranen waarvan de
bedrijfslast niet meer bedraagt dan 2000 kg kan de erkende deskundige
beslissen het rekenkundige bewijs geheel of gedeeltelijk te vervangen door een
proef met het 1,25-voudige van de bedrijfslast die over het hele werkgebied
wordt uitgevoerd. Hiervan moet een verklaring
worden afgegeven, ondertekend door de erkend deskundige die de keuring heeft
verricht, en waarin de datum van de keuring is aangegeven. 7.
Kranen dienen regelmatig,
echter ten minste eens in de twaalf maanden, door een deskundige te worden
gekeurd. Hierbij dient door visuele controle en controle van het functioneren
te worden vastgesteld dat de kraan veilig is. Hiervan moet een verklaring
worden afgegeven, ondertekend door de deskundige die de keuring heeft verricht,
en waarin de datum van de keuring is aangegeven. 8.
zonder inhoud. 9.
Kranen met een bedrijfslast van
meer dan 2000 kg die dienen voor de overslag van vracht, of die aan boord van
bokken, pontons en andere drijvende werktuigen of schepen bestemd voor
bouwwerkzaamheden zijn opgesteld, moeten bovendien voldoen aan de voorschriften
van een lidstaat. 10.
De gebruiksaanwijzing van de
fabrikant van de kraan wordt aan boord bewaard. Deze bevat ten minste de
volgende gegevens: a) toepassing en functie
van de bedieningsorganen; b) maximaal toelaatbare
bedrijfslast overeenkomstig de vlucht; c) maximaal toelaatbare
helling van de kraan; d) handleiding voor
montage en onderhoud; e) algemene technische
gegevens; Artikel 11.13
Opslag van
brandbare vloeistoffen Ten behoeve van de opslag
van brandbare vloeistoffen met een vlampunt van minder dan 55 °C moet zich aan
dek een geventileerde kast van onbrandbaar materiaal bevinden. De buitenkant
daarvan moet zijn voorzien van een teken „Vuur, open licht en roken verboden”
met een lengte van de zijde van ten minste 10 cm, overeenkomstig schets 2 van
aanhangsel I. HOOFDSTUK 12 VERBLIJVEN Artikel 12.01 Algemene
bepalingen 1.
Schepen moeten voor de gewoonlijk aan boord
verblijvende personen, althans ten minste voor de minimum bemanning, voorzien
zijn van verblijven. 2.
Verblijven moeten zodanig zijn
gebouwd, ingericht en uitgerust dat zij voldoen aan de eisen met betrekking tot
de veiligheid, de gezondheid en het welzijn van de personen aan boord. Zij
moeten gemakkelijk en veilig toegankelijk zijn, alsmede voldoende geïsoleerd
zijn tegen kou en warmte. 3.
De commissie van deskundigen
kan afwijkingen van dit hoofdstuk toestaan indien de veiligheid en gezondheid
van de personen aan boord op andere wijze zijn gewaarborgd. 4.
De commissie van deskundigen
vermeldt in het EU-binnenvaartcertificaat beperkingen van de exploitatiewijze
of van de soort bedrijfsvoering van het schip die zijn vereist op grond van
afwijkingen als bedoeld in het derde lid. Artikel 12.02 Bijzondere
bouwkundige eisen aan de verblijven 1.
Verblijven moeten, ook wanneer de deuren gesloten
zijn, voldoende kunnen worden geventileerd; bovendien moeten de woonruimten
voldoende daglicht verkrijgen en zo mogelijk uitzicht naar buiten hebben. 2.
Verblijven moeten, indien zij
niet op dekhoogte toegankelijk zijn en het hoogteverschil meer dan 0,30 m
bedraagt, via trappen toegankelijk zijn. 3.
In het voorschip mogen de
vloeren niet lager dan 1,20 m onder het vlak van de grootste inzinking liggen. 4.
Woon- en slaapruimten moeten
ten minste twee zo ver mogelijk van elkaar verwijderde uitgangen hebben, die
als vluchtwegen dienen. Eén uitgang kan als nooduitgang zijn geconstrueerd. Dit
geldt niet voor ruimten waarvan de uitgang rechtstreeks naar het dek leidt of
naar een gang die als vluchtweg dient, voorzover deze gang twee van elkaar
verwijderd liggende uitgangen heeft naar bak- en stuurboord. Nooduitgangen,
waartoe ook bovenlichten en ramen kunnen behoren, moeten een vrije opening van
ten minste 0,36 m2 hebben, een kleinste zijde van ten minste 0,50 m hebben en
een snelle evacuatie in geval van nood mogelijk maken. De isolering en de
bekleding van oppervlakken van de vluchtwegen moeten van moeilijk ontvlambaar
materiaal zijn gemaakt en het gebruik van de vluchtwegen moet door adequate
maatregelen zoals ladders of klimtreden te allen tijde zijn gewaarborgd. 5.
Verblijven moeten zijn
beschermd tegen ontoelaatbare geluidshinder en trillingen. De ten hoogste
toegelaten niveaus van de geluidsdruk zijn: a) in woonruimten: 70
dB(A); b) in slaapruimten: 60
dB(A). Dit geldt niet voor schepen die uitsluitend buiten de door de lidstaten
in hun nationale bepalingen voorgeschreven rusttijden van de bemanning worden
geëxploiteerd. De beperking wat betreft de exploitatiewijze dient in het
EU-binnenvaartcertificaat te worden vermeld. 6.
In verblijven mag de stahoogte
niet minder zijn dan 2,00 m. 7.
In de regel moeten de schepen
ten minste één van de slaapruimte afgescheiden woonruimte hebben. 8.
In woonruimten mag het vrije
vloeroppervlak niet minder zijn dan 2 m2 per persoon, maar moet dit in totaal
ten minste 8 m2 zijn. De oppervlakte bezet met verplaatsbaar meubilair, zoals
tafels en stoelen, maakt deel uit van de vrije oppervlakte. 9.
Elke woon- of slaapruimte moet
een inhoud van ten minste 7 m3 hebben. 10.
In woonruimten bedraagt het
minimale luchtvolume 3,5 m3 per persoon. In slaapruimten moet het luchtvolume
voor de eerste persoon ten minste 5 m3 bedragen, voor iedere verdere persoon
moet nog eens ten minste 3 m3 aanwezig zijn (het volume van het meubilair dient
daarvan te worden afgetrokken). Slaapruimten mogen slechts voor ten hoogste
twee personen bestemd zijn. De bedden moeten ten minste 0,30 m boven de vloer
zijn aangebracht. Indien het stapelbedden betreft, moet boven elk bed een vrije
ruimte van ten minste 0,60 m hoogte aanwezig zijn. 11.
Deuren moeten een opening
hebben waarvan de bovenkant ten minste 1,90 m boven het dek of de vloer ligt en
zij moeten een vrije breedte van ten minste 0,60 m hebben. De voorgeschreven
hoogte mag door het aanbrengen van schuifkappen of luiken worden bereikt. De
voorgeschreven hoogte mag door het aanbrengen van schuifkappen of luiken worden
bereikt. Deuren moeten van beide kanten naar buiten kunnen worden geopend.
Deurdrempels mogen ten hoogste 0,40 m hoog zijn. Bovendien moeten andere
veiligheidsvoorschriften worden nageleefd. 12.
Trappen moeten vast aangebracht
en veilig begaanbaar zijn. Dit is het geval wanneer: a) zij ten minste 0,60 m
breed zijn; b) de treden ten minste 0,15
m diep zijn; c) de treden een
antisliplaag hebben, en d) trappen met meer dan
drie treden zijn voorzien van ten minste een handgreep of leuning. 13.
Leidingen voor gevaarlijke
gassen en gevaarlijke vloeistoffen, in het bijzonder als ze onder een zodanig
hoge druk staan dat een lek personen in gevaar zou kunnen brengen, mogen niet
zijn aangelegd in de verblijven en in de daarheen leidende gangen. Dit geldt
niet voor leidingen voor stoomsystemen en hydraulische systemen die zijn
ondergebracht in een metalen beschermkoker en voor vast aangelegde leidingen
van vloeibaargasinstallaties voor huishoudelijk gebruik. Artikel 12.03
Sanitaire
voorzieningen 1.
Schepen met verblijven moeten ten minste over de
volgende sanitaire voorzieningen beschikken: a) een toilet per
wooneenheid of per zes bemanningsleden. Dit toilet moet van frisse lucht kunnen
worden voorzien; b) een wasbak met afvoer
en met drinkwateraansluiting voor koud en warm water per wooneenheid of per
vier bemanningsleden; c) een douche of badkuip
met drinkwateraansluiting voor koud en warm water per wooneenheid of per zes
bemanningsleden. 2.
Sanitaire voorzieningen moeten
zich in de directe nabijheid van de woonruimten bevinden. Toiletten mogen geen
rechtstreekse verbinding hebben met de keukens, eetruimten of woonkeukens. 3.
Toiletruimten moeten een
grondoppervlak van ten minste 1,00 m2 hebben. Daarbij moet de breedte ten
minste 0,75 m en de lengte ten minste 1,10 m bedragen. Toiletruimten in hutten
voor maximaal twee personen mogen kleiner zijn. Indien zich een wasgelegenheid
en/of douche in de toiletruimte bevindt, moet het grondoppervlak met ten minste
het oppervlak van de wasbak en/of de douchebak (of eventueel van de badkuip)
zijn vergroot. Artikel 12.04
Keukens 1.
Keukens mogen gecombineerd zijn met woonruimten. 2.
Keukens moeten uitgerust zijn
met: a) kookgerei; b) spoelbak met afvoer; c) installatie voor de
drinkwatervoorziening; d) koelkast; e) voldoende berg-, werk- en
voorraadruimte. 3.
Eetruimten in woonkeukens
moeten voldoende zijn voor het aantal bemanningsleden dat deze ruimten
gewoonlijk gelijktijdig gebruikt. De breedte van de zitplaatsen mag niet minder
dan 0,60 m bedragen. Artikel 12.05
Drinkwaterinstallaties 1.
Schepen waarop zich verblijven bevinden moeten van
een drinkwaterinstallatie zijn voorzien. Op de vulopeningen van de
drinkwatertanks en de drinkwaterslangen dient te zijn vermeld dat zij
uitsluitend voor drinkwater zijn bestemd. Vulaansluitingen voor drinkwater
moeten boven het dek zijn aangebracht. 2.
Drinkwaterinstallaties moeten: a) van binnen uit
corrosiebestendig en fysiologisch ongevaarlijk materiaal bestaan; b) zijn samengesteld
zonder leidinggedeelten waarin een regelmatige doorstroming niet is
gegarandeerd, en c) tegen overmatige
verhitting zijn beschermd. 3.
Drinkwatertanks moeten
bovendien: a) een capaciteit hebben
van ten minste 150 l per gewoonlijk aan boord verblijvende persoon, maar ten
minste per bemanningslid; b) een adequaat
afsluitbare opening hebben voor het schoonmaken van de binnenkant; c) een inrichting voor
het aanwijzen van de inhoud hebben; d) aansluitingen hebben
voor beluchten en ontluchten, die afvoeren in de openlucht of die van adequate
filters zijn voorzien. 4.
Drinkwatertanks mogen geen
wanden gemeen hebben met andere tanks. Drinkwaterleidingen mogen niet door
tanks lopen die andere vloeistoffen bevatten. Verbindingen tussen het
drinkwatersysteem en andere pijpleidingen zijn niet toegestaan. Pijpleidingen voor
gas of andere vloeistoffen dan drinkwater mogen niet door drinkwatertanks
lopen. 5.
Drukvaten voor drinkwater mogen
slechts met niet verontreinigde perslucht worden bediend. Indien de perslucht
afkomstig is van compressoren, moeten vlak vóór de drukvaten voor drinkwater
geschikte luchtfilters en olieafscheiders zijn aangebracht, tenzij het
drinkwater door een membraan van de perslucht is gescheiden. Artikel 12.06
Verwarming en
ventilatie 1.
Verblijven moeten overeenkomstig hun doel kunnen
worden verwarmd. De verwarmingen moeten berekend zijn op de heersende
weersomstandigheden. 2.
Woon- en slaapruimten moeten —
ook bij gesloten deuren — voldoende kunnen worden geventileerd. De toevoer en
afvoer van lucht moeten onder alle klimatologische omstandigheden voldoende
luchtcirculatie mogelijk maken. 3.
Verblijven moeten zodanig zijn
ingericht en uitgevoerd dat voorzover mogelijk wordt voorkomen dat
verontreinigde lucht uit andere afdelingen van het schip, zoals machinekamers
of laadruimen, binnendringt; bij geforceerde ventilatie dienen de
inlaatopeningen zodanig te worden aangebracht dat ze aan bovengenoemde eisen
voldoen. Artikel 12.07
Overige
bepalingen inzake de inrichting van de verblijven 1.
Ieder aan boord verblijvend bemanningslid moet over
een eigen bed en een eigen afsluitbare klerenkast beschikken. Het bed moet ten
minste een binnenmaat van 2,00 bij 0,90 m hebben. 2.
Buiten de slaapruimten dient te
zijn voorzien in adequate gelegenheden voor het bewaren en drogen van
werkkleding. 3.
Alle ruimten moeten elektrisch
kunnen worden verlicht. Extra lampen voor gasvormige of vloeibare brandstoffen
zijn slechts in woonruimten toegestaan. Verlichtingsvoorzieningen met vloeibare
brandstof moeten van metaal zijn vervaardigd en mogen slechts op brandstoffen
werken waarvan het vlampunt boven 55 °C ligt of op handelspetroleum. Ze moeten
zodanig zijn opgesteld of aangebracht dat er geen brandgevaar bestaat. HOOFDSTUK 13 VERWARMINGS-, KOOK- EN KOELINSTALLATIES DIE WERKEN OP
BRANDSTOFFEN Artikel 13.01
Algemene eisen 1.
Op verwarmings-, kook- en koelinstallaties die
werken op vloeibaar gas zijn de voorschriften van hoofdstuk 14 van toepassing. 2.
Verwarmings-, kook- en
koelinstallaties met toebehoren moeten zo zijn uitgevoerd en opgesteld dat zij
ook bij oververhitting geen gevaar opleveren; ze moeten zijn beveiligd tegen
onopzettelijk kantelen of verschuiven. 3.
De in het tweede lid genoemde
installaties mogen niet worden opgesteld in ruimten waar stoffen met een
vlampunt onder 55 °C worden opgeslagen of gebruikt. Afvoerleidingen van de
installaties mogen niet door deze ruimten lopen. 4.
De voor de verbranding
noodzakelijke luchttoevoer moet zijn gewaarborgd. 5.
Verwarmingsapparaten moeten
vast verbonden zijn met schoorstenen. Deze schoorstenen moeten in goede staat
zijn en zijn voorzien van geschikte kappen of tegen wind beschermd zijn.
Verwarmingsapparaten moeten vast verbonden zijn met schoorstenen. Deze
schoorstenen moeten in goede staat zijn en zijn voorzien van geschikte kappen
of tegen wind beschermd zijn. Zij moeten zodanig zijn aangelegd dat zij gereinigd
kunnen worden. Artikel 13.02
Gebruik van
vloeibare brandstoffen, petroleumtoestellen 1.
Wanneer verwarmings-, kook- en koelinstallaties op
vloeibare brandstoffen werken, mogen alleen brandstoffen met een vlampunt boven
55 °C worden gebruikt. 2.
In afwijking van het eerste lid
kunnen kooktoestellen en van pitbranders voorziene verwarmings- en
koeltoestellen die op handelspetroleum werken worden toegestaan in verblijven
en stuurhuizen, mits de inhoud van hun reservoir niet meer bedraagt dan 12 l. 3.
Met pitbranders uitgeruste
installaties moeten: a) een metalen
brandstoftank met een afsluitbare vulopening hebben, die geen zacht gesoldeerde
naden heeft onder de hoogste vulstand en die zo is gebouwd en aangebracht dat
hij niet onopzettelijk kan opengaan of leeglopen; b) zonder behulp van een
andere brandbare vloeistof kunnen worden ontstoken, en c) zo zijn opgesteld dat
de verbrandingsgassen veilig worden afgevoerd. Artikel 13.03
Oliekachels met
verdampingsbranders en oliestookinstallaties met verstuivingsbranders 1.
Oliekachels met verdampingsbranders en
oliestookinstallaties met verstuivingsbranders moeten volgens de algemeen
erkende regels van de techniek zijn gebouwd. 2.
Indien een oliekachel met een
verdampingsbrander of een oliestookinstallatie met een verstuivingsbrander in
een machinekamer is opgesteld, moet de luchttoevoer voor het
verwarmingsapparaat en de motoren zodanig zijn dat het verwarmingsapparaat en
de motoren onafhankelijk van elkaar, probleemloos en veilig kunnen
functioneren. Indien nodig moeten afzonderlijke luchttoevoerkokers aanwezig
zijn. De opstelling van het apparaat moet zodanig zijn dat een eventueel uit de
verbrandingsruimte terugslaande vlam niet met andere delen van de
machinekamerinstallatie in aanraking kan komen. Artikel 13.04
Oliekachels met
verdampingsbranders 1.
Oliekachels met verdampingsbranders moeten zonder
behulp van andere brandbare vloeistoffen kunnen worden aangestoken. De inhoud
van de lekbak mag niet minder dan 2 l en de randhoogte niet minder dan 20 mm
bedragen. 2.
Voor oliekachels met
verdampingsbranders die in de machinekamer zijn opgesteld moet de randhoogte
van de in het eerste lid bedoelde lekbak ten minste 200 mm bedragen. De
onderkant van de brander moet boven de bovenrand van de lekbak liggen.
Bovendien moet de bovenrand van de lekbak ten minste 100 mm boven de vloerplaat
uitsteken. 3.
Oliekachels met
verdampingsbranders moeten van een geschikte brandstofregelaar zijn voorzien,
die bij elke ingestelde stand een praktisch gelijkblijvende olietoevoer naar de
brander waarborgt en bij eventueel uitdoven van de vlam de brandstoftoevoer
afsluit. De brandstofregelaar is als geschikt te beschouwen als deze ook bij
trillingen en bij slagzij tot 12° probleemloos functioneert en, behalve van een
vlotter voor de regulering van het niveau, is voorzien van: a) een tweede vlotter,
die bij het overschrijden van het toelaatbare olieniveau de toevoer van
brandstof veilig en betrouwbaar afsluit, of b) een overloopleiding,
mits de olie-opvangbak ten minste de inhoud van de verbruikstank kan bevatten. 4.
Indien de brandstoftank
gescheiden is van de oliekachel met verdampingsbrander, a) mag deze tank niet
hoger zijn geplaatst dan volgens de gebruiksaanwijzing van de fabrikant is
toegestaan; b) moet de tank zodanig
zijn geplaatst dat deze tegen ontoelaatbare verwarming is beschermd; c) moet de
brandstoftoevoer vanaf het dek kunnen worden onderbroken. 5.
De schoorstenen van oliekachels
met natuurlijke trek moeten zijn voorzien van een inrichting die terugslag van
de trek verhindert. Artikel 13.05
Oliestookinstallaties
met verstuivingsbranders Oliestookinstallaties met
verstuivingsbranders moeten met name aan de volgende eisen voldoen: a) Vóór het begin van de
olietoevoer moet voldoende ventilatie van de verbrandingsruimte zijn
gewaarborgd; b) De brandstoftoevoer
moet door een thermostatische regelaar worden geregeld; c) De ontsteking moet
elektrisch of met een waakvlam geschieden; d) Er moet een
inrichting aanwezig zijn die bij het uitdoven van de vlam de brandstoftoevoer
automatisch afsluit; e) De hoofdschakelaar moet
zijn aangebracht op een gemakkelijk toegankelijke plaats buiten de ruimte waar
de installatie staat opgesteld. Artikel 13.06
Luchtverhitters Luchtverhitters waarbij de
verwarmingslucht onder druk rondom een verbrandingskamer naar een
verdeelsysteem of een ruimte wordt geleid moeten aan de volgende eisen voldoen: a) Indien de brandstof
onder druk wordt verstoven, moet de toevoer van de verbrandingslucht door
middel van een ventilator geschieden; b) Voordat de brander
kan worden ontstoken, moet de verbrandingskamer goed geventileerd zijn. Dit kan
ook gebeuren door het nalopen van de verbrandingsluchtventilator; c) De brandstoftoevoer
moet automatisch worden gesloten, wanneer het vuur uitdooft; geen voldoende toevoer van
verbrandingslucht aanwezig is; de verhitte lucht een eerder
ingestelde temperatuur overschrijdt; of de stroomvoorziening van de
veiligheidsinrichtingen uitvalt. In deze gevallen mag de
brandstoftoevoer na te zijn gesloten niet weer automatisch starten; d) De ventilatoren voor
verbrandingslucht en verwarmingslucht moeten kunnen worden uitgeschakeld buiten
de ruimte waarin het verwarmingsapparaat is opgesteld; e) Indien de
verwarmingslucht van buitenaf wordt aangezogen, moeten de aanzuigopeningen zo
hoog mogelijk boven het dek liggen. De uitvoering daarvan moet spatwater- en
regendicht zijn; f) De leidingen voor de
verwarmingslucht moeten van metaal zijn vervaardigd; g) De uitgangsopeningen
voor de verwarmingslucht mogen niet volledig gesloten kunnen worden; h) De bij lekkage
vrijkomende brandstof mag zich niet tot in de leidingen voor de
verwarmingslucht kunnen verspreiden; i) Luchtverhitters
mogen hun verwarmingslucht niet uit een machinekamer kunnen aanzuigen. Artikel 13.07
Verwarming met
vaste brandstoffen 1.
Verwarmingsapparaten die op vaste brandstoffen
werken moeten zodanig op een metalen plaat met een opstaande rand staan dat
gloeiende brandstoffen of hete as niet buiten deze plaat kunnen geraken. Dit is niet vereist in ruimten
die zijn gebouwd van onbrandbaar materiaal en die uitsluitend zijn bestemd voor
het onderbrengen van een verwarmingsketel. 2.
De met vaste brandstoffen
verwarmde ketels moeten zijn voorzien van thermostatische regelaars, die de
voor de verbranding noodzakelijke luchttoevoer regelen. 3.
In de nabijheid van ieder
verwarmingsapparaat moeten middelen aanwezig zijn waarmee de as gemakkelijk kan
worden afgekoeld. HOOFDSTUK 14 VLOEIBAARGASINSTALLATIES VOOR HUISHOUDELIJK GEBRUIK Artikel 14.01
Algemene
bepalingen 1.
Vloeibaargasinstallaties bestaan in hoofdzaak uit
een flessenkast met één of meer gasflessen, één of meer drukregelaars, een
distributienet en gebruiksapparaten. Reserveflessen en lege flessen
die zich niet in de flessenkast bevinden zijn geen delen van een
vloeibaargasinstallatie. Artikel 14.05 is hierop van toepassing. 2.
De installaties mogen slechts
op handelspropaan werken. Artikel 14.02
Installaties 1.
Vloeibaargasinstallaties moeten in al hun
onderdelen geschikt zijn voor het gebruik van propaan en deugdelijk zijn
uitgevoerd en opgesteld. 2.
Vloeibaargasinstallaties mogen
slechts worden gebruikt voor huishoudelijke doeleinden in de verblijven en in
het stuurhuis, alsmede voor overeenkomstige doeleinden op passagiersschepen. 3.
Er kunnen zich aan boord
verschillende afzonderlijke vloeibaargasinstallaties bevinden. Eén en dezelfde
installatie mag niet worden gebruikt voor verblijven die door een ruim of een
vaste tank zijn gescheiden. 4.
In de machinekamer mag zich
geen onderdeel van de vloeibaargasinstallatie bevinden. Artikel 14.03
Flessen 1.
Toegestaan zijn uitsluitend flessen waarvan de toegelaten
vulmassa ligt tussen 5 en 35 kg. Voor passagiersschepen kan de commissie van
deskundigen flessen met een hoger vulgewicht toestaan. 2.
Zij moeten zijn voorzien van
het officiële stempel ten bewijze van de keuring op basis van de voorgeschreven
beproevingen. Artikel 14.04
Opstelling en
inrichting van de flessenkast 1.
Aangesloten flessen moeten aan dek zijn opgesteld
in een al dan niet ingebouwde flessenkast buiten de verblijven en wel zodanig
dat het zich verplaatsen aan boord niet wordt gehinderd. De flessenkast mag
echter niet op het voor- of achterschip tegen de verschansing zijn opgesteld.
De flessenkast mag alleen dan in de bovenbouw zijn ingebouwd, wanneer zij
gasdicht is ten opzichte daarvan en wanneer zij slechts naar de buitenzijde kan
worden geopend. Zij moet zo zijn ingericht dat de distributieleidingen naar de
plaatsen van verbruik zo kort mogelijk zijn. Er mogen slechts zo veel
flessen voor gelijktijdige afname zijn aangesloten als de verbruiksinstallatie
vereist. In geval van meer dan één fles moet in elk geval gebruik worden
gemaakt van een omschakel- of afsluitinrichting. Per flessenkast mogen ten
hoogste vier flessen worden aangesloten. Met inbegrip van de reserveflessen
mogen zich per flessenkast niet meer dan zes flessen aan boord bevinden. Op passagiersschepen met
keukens of kantines voor de passagiers mogen ten hoogste zes flessen worden
aangesloten. Met inbegrip van de reserveflessen mogen zich per flessenkast niet
meer dan negen flessen aan boord bevinden. De drukregelaar, of in geval van
een drukregeling in twee trappen, de eerste drukregelaar, moet zich in dezelfde
kast bevinden als de flessen en vast zijn ingebouwd. 2.
Aangesloten flessen moeten
zodanig zijn geplaatst dat in geval van lekkage ontsnappend gas uit de
flessenkast in de openlucht kan afvloeien, zonder dat daarbij enig gevaar
bestaat dat gas doordringt in het inwendige van het schip of in aanraking kan
komen met een ontstekingsbron. 3.
Flessenkasten moeten zijn
vervaardigd van moeilijk ontvlambaar materiaal en door aan de beneden- en
bovenzijde aangebrachte openingen voldoende worden geventileerd. De flessen
moeten staande zijn opgesteld en niet kunnen omvallen. 4.
De flessenkast moet zodanig
zijn ingericht en opgesteld dat de temperatuur van de flessen niet boven 50 °C
kan stijgen. 5.
Aan de buitenzijde van de
flessenkast moet het opschrift "vloeibaar gas" en een teken
"vuur, open licht en roken verboden" met een diameter van ten minste 10
cm, overeenkomstig schets 2 van aanhangsel I, zijn aangebracht. Artikel 14.05
Reserveflessen en
lege flessen Reserveflessen en lege
flessen die zich niet in de flessenkast bevinden moeten buiten de verblijven en
het stuurhuis in een overeenkomstig artikel 14.04 uitgevoerde kast zijn
opgeslagen. Artikel 14.06
Drukregelaars 1.
De gebruiksapparaten mogen slechts op de flessen
worden aangesloten door middel van een distributienet dat is voorzien van één
of meer drukregelaars, die de gasdruk verlagen tot de gebruiksdruk. Deze
drukvermindering kan in één of twee trappen worden bewerkstelligd. Alle
drukregelaars moeten op een bepaalde druk overeenkomstig artikel 14.07 zijn
afgesteld. 2.
De laatste drukregelaar moet
zijn voorzien van, dan wel worden gevolgd door, een inrichting waardoor het
distributienet automatisch is beveiligd tegen overdruk, wanneer de drukregelaar
onvoldoende zou functioneren. Gewaarborgd moet zijn dat in geval van een lek
uit deze veiligheidsvoorziening ontsnappend gas in de openlucht wordt afgevoerd
en niet in het inwendige van het schip kan doordringen of in aanraking kan
komen met een ontstekingsbron; zo nodig moet daartoe een afzonderlijke leiding
worden aangelegd. 3.
Veiligheidsventielen en
afblaasleidingen moeten tegen het binnendringen van water zijn beschermd. Artikel 14.07
Druk 1.
Bij een drukregeling in twee trappen mag de waarde
van de middeldruk niet meer bedragen dan 2,5 bar boven de heersende
atmosferische druk. 2.
De einddruk van het gas bij het
verlaten van de laatste drukregelaar mag niet meer bedragen dan 0,05 bar boven
de heersende atmosferische druk, waarbij een speling van 10 % is toegestaan. Artikel 14.08
Pijpleidingen en
flexibele leidingen 1.
Leidingen moeten uit vast aangelegde stalen of
koperen pijpen bestaan. Aansluitleidingen aan de
flessen moeten evenwel bestaan uit voor propaan geschikte hoge-drukslangen of
spiraalvormige pijpen. Gebruiksapparaten die niet vast zijn ingebouwd mogen
echter zijn aangesloten door middel van geschikte slangen met een lengte van
ten hoogste 1 m. 2.
Leidingen moeten bestand zijn
tegen alle aan boord bij normale bedrijfsomstandigheden optredende invloeden, met
name wat corrosie en sterkte betreft, en door hun eigenschappen en opstelling
voldoende gastoevoer naar de gebruiksapparaten met betrekking tot hoeveelheid
en druk verzekeren. 3.
Pijpleidingen moeten zo weinig
mogelijk koppelingen bevatten. De pijpen en koppelingen moeten gasdicht zijn en
bij alle trillingen en uitzettingen waaraan zij kunnen worden blootgesteld
gasdicht blijven. 4.
Pijpleidingen moet goed
toegankelijk, behoorlijk bevestigd en overal op die plaatsen beschermd zijn,
waar gevaar van stoten of wrijvingen bestaat, vooral bij de doorvoeringen door
stalen schotten of metalen wanden. Stalen pijpen moeten over hun gehele
uitwendige oppervlakte corrosiebestendig zijn gemaakt. 5.
Flexibele leidingen en de
koppelingen daarvan moeten bestand zijn tegen alle aan boord bij normale
bedrijfsomstandigheden optredende invloeden. Zij moeten bovendien zo zijn
aangelegd dat zij niet onder spanning staan, niet ontoelaatbaar worden verwarmd
en over hun gehele lengte kunnen worden gecontroleerd. Artikel 14.09
Distributienet 1.
Het gehele distributienet moet door een steeds
gemakkelijk en snel te bereiken hoofdkraan kunnen worden afgesloten. 2.
Ieder gebruiksapparaat moet aan
een aftakking zijn geplaatst die door middel van een afzonderlijke kraan kan
worden afgesloten. 3.
Kranen moeten beschermd tegen
weersinvloeden en stoten zijn aangebracht. 4.
Achter elke drukregelaar moet
een testaansluiting zijn aangebracht. Door middel van een kraan moet zijn
gewaarborgd dat de drukregelaar bij een test niet aan de testdruk wordt
blootgesteld. Artikel 14.10
Gebruiksapparaten
en de opstelling daarvan 1.
Er mogen slechts gebruiksapparaten worden
geïnstalleerd die in één van de lidstaten van de Gemeenschap voor propaan zijn
toegelaten. Zij moeten van inrichtingen zijn voorzien waardoor het uitstromen
van gas bij het uitgaan van zowel de branders als de waakvlam geheel wordt
verhinderd. 2.
Elk gebruiksapparaat moet
zodanig zijn opgesteld en aangesloten dat het niet kan omvallen of
onopzettelijk verschuiven en dat onopzettelijk losraken van de aansluitleidingen
niet mogelijk is. 3.
Verwarmingstoestellen, geisers
en koelkasten moeten zijn voorzien van een leiding waardoor verbrandingsgassen
in de openlucht worden afgevoerd. 4.
Gebruiksapparaten mogen slechts
in het stuurhuis zijn opgesteld, wanneer deze zo is gebouwd dat eventueel
ontsnappend gas niet vanuit het stuurhuis in de lager gelegen gedeelten van het
schip, met name via doorvoeringen van de afstandsbedieningen in de
machinekamer, kan doordringen. 5.
Gebruiksapparaten mogen in
slaapruimten slechts worden opgesteld, wanneer de verbranding onafhankelijk van
de in deze ruimte aanwezige lucht plaatsvindt. 6.
Gebruiksapparaten waarvan de
verbranding afhankelijk van de in de ruimte aanwezige lucht plaatsvindt moeten
in een ruimte van voldoende afmeting zijn opgesteld. Artikel 14.11
Ventilatie en
afvoer van de verbrandingsgassen 1.
De ventilatie in de ruimten waarin
gebruiksapparaten zijn opgesteld waarvan de verbranding afhankelijk van de in
de ruimte aanwezige lucht plaatsvindt, moet zijn verzekerd door
ventilatieopeningen van voldoende afmetingen, elk echter met een vrije
doorsnede van ten minste 150 cm2. 2.
Ventilatieopeningen mogen geen
afsluitinrichtingen hebben en niet in verbinding staan met nachtverblijven. 3.
Afvoerkanalen moeten zo zijn
uitgevoerd dat de verbrandingsgassen afdoende worden afgevoerd. Zij moeten
bedrijfszeker en onbrandbaar zijn. Ventilatoren voor de luchtverversing van
verblijven mogen de afvoer niet nadelig beïnvloeden. Artikel 14.12
Gebruiks- en
veiligheidsinstructies Op een geschikte plaats
aan boord moet een gebruiksaanwijzing zijn aangebracht; hierop moeten ten
minste de volgende opschriften voorkomen: „De afsluitkranen van de
flessen die niet op het distributienet zijn aangesloten, moeten zijn gesloten,
zelfs wanneer de flessen geacht worden leeg te zijn.” „De slangen moeten worden
vervangen, zodra hun toestand dit noodzakelijk maakt.” „Alle gebruiksapparaten
moeten zijn aangesloten, tenzij de bijbehorende toevoerleidingen zijn
gesloten.” Artikel 14.13
Keuring Een erkend deskundige
keurt of de vloeibaargasinstallaties in overeenstemming zijn met dit hoofdstuk:
a) vóór de eerste
ingebruikstelling; b) vóór een hernieuwde
ingebruikstelling na een wezenlijke verandering of reparatie; c) bij iedere
vernieuwing van de in artikel 14.15 bedoelde aantekening. Hiervan moet een
verklaring worden afgegeven, ondertekend door de erkend deskundige die de
keuring heeft verricht, en waarin de datum van de keuring is aangegeven. Een
kopie van de verklaring moet aan de commissie van deskundigen worden
overgelegd. Artikel 14.14
Testomstandigheden Het beproeven van de
installatie moet onder de volgende omstandigheden geschieden: 1.
Pijpleidingen voor de middeldruk tussen de in
artikel 14.09, vierde lid, bedoelde kraan van de eerste drukregelaar en de
kranen voor de laatste drukregelaars: a) een sterktebeproeving
uitgevoerd met lucht, met een inert gas of met een vloeistof, onder een druk
van 20 bar boven de heersende atmosferische druk; b) beproeving van de
luchtdichtheid, uitgevoerd met lucht of met een inert gas, onder een druk van 3,5
bar boven de heersende atmosferische druk. 2.
Pijpleidingen onder de
bedrijfsdruk tussen de in artikel 14.09, vierde lid, bedoelde kraan van de
enige drukregelaar of de drukregelaar van de laatste trap en de kranen voor de
gebruiksapparaten: beproeving van de
luchtdichtheid, uitgevoerd met lucht of met een inert gas, onder een druk van 1
bar boven de heersende atmosferische druk. 3.
Leidingen tussen de in artikel 14.09,
vierde lid, bedoelde kraan van de enige drukregelaar of van de drukregelaar van
de laatste trap en de bedieningsarmaturen van de gebruiksapparaten: beproeving van de
luchtdichtheid onder een druk van 0,15 bar boven de heersende atmosferische
druk. 4.
Bij de beproevingen, bedoeld in
het eerste lid, onder b), en het tweede en het derde lid, worden de leidingen
als dicht beschouwd, wanneer de testdruk na een voor aanpassing aan de
temperatuur voldoende wachttijd en een aansluitende beproevingsduur van 10
minuten niet daalt. 5.
De aansluitingen aan de
flessen, de verbindingsstukken en de armaturen die onder flessendruk staan,
alsmede de aansluiting van de regelaar aan de gebruiksleiding: Beproeving onder bedrijfsdruk
van de luchtdichtheid met een schuimvormend middel. 6.
Gebruiksapparaten moeten bij de
nominale belasting in gebruik worden genomen en worden gecontroleerd op goed
branden bij verschillende instellingen van de regelknop. De ontstekingsbeveiligingen
moeten op hun goede werking worden gecontroleerd. 7.
Na de in het zesde lid bedoelde
controle moet voor ieder gebruiksapparaat dat aan een afvoergassenleiding is
aangesloten, na vijf minuten functioneren bij nominale belasting met gesloten
ramen en deuren en in werking zijnde ventilatieinrichtingen, worden
gecontroleerd of verbrandingsgassen naar buiten uittreden. Wanneer het ontsnappen van
verbrandingsgassen niet van voorbijgaande aard is, moet onmiddellijk de oorzaak
worden opgespoord. Het apparaat mag niet voor gebruik worden vrijgegeven,
voordat alle gebreken zijn hersteld. Artikel 14.15
Attest 1.
Voor elke vloeibaargasinstallatie die in
overeenstemming is met dit hoofdstuk moet een attest worden opgenomen in het
EU-binnenvaartcertificaat. 2.
Dit attest wordt afgegeven door
de commissie van deskundigen na de in artikel 14.13 bedoelde keuring. 3.
De geldigheidsduur van het
attest bedraagt maximum drie jaar. Vóór iedere vernieuwing dient een nieuwe
keuring overeenkomstig artikel 14.13 plaats te vinden. Bij wijze van uitzondering kan
de commissie van deskundigen op een met redenen omkleed verzoek van de eigenaar
van een schip of zijn vertegenwoordiger de geldigheidsduur van het attest met maximum
drie maanden verlengen, zonder dat eerst een keuring overeenkomstig artikel 14.13
heeft plaatsgehad. Deze verlenging wordt in het EU-binnenvaartcertificaat
aangetekend. Hoofdstuk
14a
Boordzuiveringsinstallaties op passagiersvaartuigen Artikel 14a.01
Definities In dit hoofdstuk gelden de volgende definities: 1.
'boordzuiveringsinstallatie': een compact gebouwde
zuiveringsinstallatie voor de reiniging van huishoudelijk afvalwater aan boord
van schepen; 2.
'typegoedkeuring': de beslissing
waarbij de bevoegde instantie verklaart dat een boordzuiveringsinstallatie aan
de technische voorschriften van dit hoofdstuk voldoet; 3.
'bijzondere keuring': de
procedure overeenkomstig artikel 14a.11, waarbij door de bevoegde instantie
wordt gewaarborgd dat de in een vaartuig in gebruik zijnde
boordzuiveringsinstallatie aan de voorschriften van dit hoofdstuk voldoet; 4.
'fabrikant': de persoon of
organisatie die tegenover de bevoegde instantie verantwoordelijk is voor alle
aspecten van de typegoedkeuringsprocedure en voor de conformiteit van de
productie. Het is niet noodzakelijk dat deze persoon of organisatie
rechtstreeks betrokken is bij alle fasen van de bouw van de
boordzuiveringsinstallatie. Indien de boordzuiveringsinstallatie pas na de
oorspronkelijke vervaardiging door veranderingen en aanvullingen wordt
aangepast voor gebruik op een vaartuig in de zin van dit hoofdstuk, is de
fabrikant gewoonlijk de persoon of de organisatie die deze veranderingen of
aanvullingen heeft uitgevoerd; 5.
'inlichtingenformulier': het
formulier bedoeld in Aanhangsel VI, Deel II, waarin staat vermeld welke
gegevens door de aanvrager moeten worden verstrekt; 6.
"informatiedossier"
het geheel van gegevens, tekeningen en foto's en andere documenten die de
aanvrager overeenkomstig de eisen van het inlichtingenformulier aan de
technische dienst of de bevoegde instantie moet verstrekken; 7.
'informatiepakket': het
informatiedossier plus alle testrapporten en andere documenten die de
technische dienst of de bevoegde instantie tijdens de uitvoering van hun taken
aan het informatiedossier hebben toegevoegd; 8.
'typegoedkeuringscertificaat':
het document bedoeld in Aanhangsel VI, Deel III, waarin de bevoegde instantie
de typegoedkeuring vaststelt; 9.
'proces-verbaal van de
kenmerken van de boordzuiveringsinstallatie': het document bedoeld in
Aanhangsel VI, Deel VIII, waarin alle kenmerken van de
boordzuiveringsinstallatie, met inbegrip van de onderdelen (componenten) en
afstellingen die een weerslag hebben op het niveau van de afvalwaterreiniging,
evenals alle veranderingen daarvan, zijn vastgelegd; 10.
'inlichtingenformulier van de
fabrikant voor de controle van de componenten en parameters die relevant zijn
voor de afvalwaterreiniging': het document bedoeld in artikel 14a.11, lid 4,
ten behoeve van de bijzondere keuring; 11.
'huishoudelijk afvalwater':
afvalwater uit keukens, eetruimten, badkamers, wasruimten en toiletten; 12.
'zuiveringsslib': residu dat
ontstaat bij gebruik van een zuiveringsinstallatie aan boord van het schip. Artikel 14a.02
Algemene bepalingen 1.
Dit hoofdstuk is van toepassing op alle
boordzuiveringsinstallaties die geïnstalleerd zijn in passagiersvaartuigen. 2.
a) Boordzuiveringsinstallaties
moeten bij de typekeuring aan de volgende grenswaarden voldoen. Tabel 1: Tijdens de
typekeuring van de boordzuiveringsinstallatie (testinstallatie) bij de afvoer
na te leven grenswaarden Parameter || concentratie || Steekproef Biochemische zuurstofbehoefte (BZB5) ISO 5815-1 en 5815-2 (2003)1 || 20 mg/l || 24u-mengmonster, gehomogeniseerd 25 mg/l || Steekproef, gehomogeniseerd Chemische zuurstofbehoefte (CZB)2 ISO 6060 (1989)1) || 100 mg/l || 24u-mengmonster, gehomogeniseerd 125 mg/l || Steekproef, gehomogeniseerd Totaal organisch gebonden koolstof (TOC) EN 1484 (1997)1 || 35 mg/l || 24u-mengmonster, gehomogeniseerd 45 mg/l || Steekproef, gehomogeniseerd 1) De lidstaten mogen
gelijkwaardige procedures toepassen. 2) In plaats van de chemische
zuurstofbehoefte (CZB) kan voor de controle ook van het totaal organisch
gebonden koolstof (TOC) worden uitgegaan. b) Bij gebruik moet aan de
controlewaarden in tabel 2 worden voldaan. Tabel 2: Controlewaarden
die in acht moeten worden genomen bij de afvoer via boordzuiveringsinstallaties
op passagiersvaartuigen Parameter || concentratie || Steekproef Biochemische zuurstofbehoefte (BZB5) ISO 5815-1 en 5815-2 (2003)1 || 25 mg/l || Steekproef, gehomogeniseerd Chemische zuurstofbehoefte (CZB)2 ISO 6060 (1989)1) || 125 mg/l || Steekproef, gehomogeniseerd 150 mg/l || Aselect monster Totaal organisch gebonden koolstof (TOC) EN 1484 (1997)1 || 45 mg/l || Steekproef, gehomogeniseerd 1) De lidstaten mogen
gelijkwaardige procedures toepassen. 2) In plaats van de chemische
zuurstofbehoefte (CZB) kan voor de controle ook van het totaal organisch
gebonden koolstof (TOC) worden uitgegaan. c) De respectieve
waarden in tabellen 1 en 2 mogen niet worden overschreden in de steekproef. 3.
Procedures waarbij
chloorhoudende stoffen worden gebruikt, zijn niet toegestaan. Het is evenmin toegestaan het
huishoudelijk afvalwater te verdunnen om de specifieke belasting te verminderen
en daardoor verwijdering mogelijk te maken. 4.
Er moeten passende regelingen
worden getroffen voor de opslag, bewaring (indien nodig) en lozing van het
zuiveringsslib. Dit houdt tevens een beheerplan voor het zuiveringsslib in. 5.
De naleving van de in lid 2,
tabel 1, vermelde grenswaarden wordt door een typekeuring bevestigd en in een
typegoedkeuring vastgesteld. De typegoedkeuring wordt vastgelegd in een
typegoedkeuringscertificaat. De eigenaar of zijn gemachtigde vertegenwoordiger
moet een kopie van het typegoedkeuringscertificaat bij de in artikel 2.02
bedoelde aanvraag van het onderzoek voegen. Een kopie van het
typegoedkeuringscertificaat en van het proces-verbaal van de kenmerken van de
boordzuiveringsinstallatie moeten zich aan boord bevinden. 6.
Nadat de boordzuiveringsinstallatie
is geïnstalleerd, voert de fabrikant een werkingstest uit alvorens ze in dienst
wordt genomen. De boordzuiveringsinstallatie wordt vermeld in punt 52 van het
vaartuigcertificaat, met de volgende gegevens van de installatie: naam (a)
typegoedkeuringsnummer; (b)
serienummer; (c)
bouwjaar. 7.
Na elke belangrijke wijziging
van een boordzuiveringsinstallatie die een invloed heeft op de reiniging van
huishoudelijk afvalwater, moet altijd een bijzondere keuring, bedoeld in
artikel 14a.11, lid 3, plaatsvinden. 8.
De bevoegde instantie kan een
beroep doen op een technische dienst om de in dit hoofdstuk beschreven taken
uit te voeren. 9.
Om zeker te zijn dat de
boordzuiveringsinstallatie goed functioneert, moet de installatie regelmatig
overeenkomstig de indicaties van de fabrikant worden onderhouden. Een
onderhoudslogboek, waarin de onderhoudsbeurten worden vermeld, moet zich aan
boord van het vaartuig bevinden. Artikel 14a.03
Aanvraag van een
typegoedkeuring 1.
Een aanvraag van een typegoedkeuring voor een
boordzuiveringsinstallatietype moet door de fabrikant bij de bevoegde instantie
worden ingediend. Bij de aanvraag moet een informatiedossier, als bedoeld in
artikel 14a.01, lid 6, het ontwerp van een proces-verbaal van de kenmerken van
de boordzuiveringsinstallatie, als bedoeld in artikel 14a.01, lid 9, en het
ontwerp van een inlichtingenformulier van de fabrikant ter controle van de
componenten betrekking hebbend op de afvalwaterreiniging en de kenmerken van
het boordzuiveringsinstallatietype, als bedoeld in artikel 14a.01, lid 10,
worden gevoegd. De fabrikant moet voor de typegoedkeuring een prototype van een
boordzuiveringsinstallatie demonstreren. 2.
Indien de bevoegde instantie in
het kader van een aanvraag van een typegoedkeuring van een
boordzuiveringsinstallatie vaststelt dat de ingediende aanvraag met betrekking
tot het beschikbaar gestelde prototype van de boordzuiveringsinstallatie niet
representatief is voor de in aanhangsel VI, deel II, addendum beschreven
kenmerken van dit boordzuiveringsinstallatietype, moet een ander, en eventueel
een extra, prototype, dat door de bevoegde instantie wordt aangewezen, ter
beschikking worden gesteld ten behoeve van de in lid 1 bedoelde
typegoedkeuring. 3.
Een aanvraag van een
typegoedkeuring voor een boordzuiveringsinstallatietype mag bij niet meer dan
één bevoegde instantie worden ingediend. Voor elk goed te keuren type
boordzuiveringsinstallatie moet een afzonderlijke aanvraag worden ingediend. Artikel 14a.04
Typegoedkeuringsprocedure 1.
De bevoegde instantie bij wie de aanvraag wordt ingediend,
verleent de typegoedkeuring voor het type boordzuiveringsinstallatie dat met de
gegevens in het informatiedossier overeenstemt en aan de voorschriften van dit
hoofdstuk voldoet. Of aan deze voorschriften is voldaan, wordt onderzocht
overeenkomstig Aanhangsel VII. 2.
Voor elk type
boordzuiveringsinstallatie waarvoor de bevoegde instantie typegoedkeuring
verleent, vult zij alle relevante delen van het typegoedkeuringscertificaat in
(zie model in aanhangsel VI, deel III), en stelt zij de inhoudsopgave van het
informatiepakket op of verifieert ze deze. Typegoedkeuringscertificaten worden
genummerd volgens het systeem van aanhangsel VI, deel IV. Het ingevulde
typegoedkeuringscertificaat en de bijlagen worden aan de aanvrager toegezonden.
Indien de goed te keuren boordzuiveringsinstallatie haar functie slechts
vervult of bijzondere kenmerken slechts vertoont in combinatie met andere
onderdelen van het vaartuig waarin de boordzuiveringsinstallatie zal worden
ingebouwd, en om die reden de naleving van één of meer eisen slechts kan worden
geverifieerd als de goed te keuren boordzuiveringsinstallatie in combinatie met
andere echte of gesimuleerde onderdelen van het vaartuig functioneert, wordt de
geldigheid van de typegoedkeuring van deze boordzuiveringsinstallatie
dienovereenkomstig beperkt. In dergelijke gevallen worden alle beperkingen op
het gebruik en alle installatievoorschriften in detail vermeld in het
typegoedkeuringscertificaat voor dat type installatie. 3.
Elke bevoegde instantie
verstuurt de volgende documenten: (a)
de lijst van types boordzuiveringsinstallaties,
inclusief de bijzonderheden als uiteengezet in aanhangsel VI, deel V, waarvoor
zij in de periode in kwestie goedkeuring heeft verleend, of de goedkeuring
heeft ingetrokken of geweigerd, aan de andere bevoegde instanties, telkens als
de lijst wordt gewijzigd; (b)
op verzoek van een andere bevoegde
instantie: (1)
een kopie van het
typegoedkeuringscertificaat voor het type boordzuiveringsinstallatie, al dan
niet met het informatiepakket, voor elk type boordzuiveringsinstallatie
waarvoor zij een goedkeuring heeft gegeven of de goedkeuring heeft ingetrokken
of geweigerd en, voor zover van toepassing, (2)
de lijst van
boordzuiveringsinstallaties die zijn gebouwd overeenkomstig de verleende
typegoedkeuringen, zoals vastgesteld in artikel 14a.06, lid 3, met vermelding
van de gegevens overeenkomstig aanhangsel VI, deel VI. Artikel 14a.05
Wijziging van
typegoedkeuringen 1.
De bevoegde instantie die de typegoedkeuring heeft
verleend, treft de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat zij in kennis
wordt gesteld van iedere wijziging van de gegevens in het informatiepakket. 2.
De aanvraag tot wijziging of
uitbreiding van een typegoedkeuring wordt uitsluitend ingediend bij de bevoegde
instantie die de oorspronkelijke typegoedkeuring heeft verleend. 3.
Indien in het informatiepakket
beschreven kenmerken van de boordzuiveringsinstallatie worden gewijzigd,
verstrekt de bevoegde instantie: (a)
indien nodig, de herziene bladzijden van het
informatiepakket, waarbij zij op elke afzonderlijke bladzijde duidelijk de aard
van de wijziging en de datum van de herziene versie vermeldt. Bij iedere heruitgave van bladzijden moet ook de inhoudsopgave van het
informatiepakket dat bij het typegoedkeuringscertificaat is gevoegd,
dienovereenkomstig worden gewijzigd; (b)
een herzien
typegoedkeuringscertificaat (met een uitbreidingsnummer), indien de daarin
voorkomende gegevens (met uitzondering van de bijlagen) zijn gewijzigd of
indien de minimumeisen van dit hoofdstuk sinds de oorspronkelijke datum van de
goedkeuring zijn gewijzigd. In dit herziene certificaat worden duidelijk de
reden voor de herziening en de datum van afgifte van de herziene versie
vermeld. Als de bevoegde instantie die
de typegoedkeuring heeft afgegeven van oordeel is dat nieuwe proeven of tests
moeten worden uitgevoerd naar aanleiding van een wijziging van het
informatiepakket, stelt zij de fabrikant daarvan in kennis en geeft zij de
bovenvermelde documenten pas af nadat de nieuwe proeven of tests met goed
gevolg zijn uitgevoerd. Artikel 14a.06
Conformiteit 1.
De fabrikant brengt op iedere
boordzuiveringsinstallatie die conform de typegoedkeuring is geproduceerd, de
in aanhangsel VI, deel I, vastgestelde merktekens aan, met inbegrip van het
typegoedkeuringsnummer. 2.
Als de typegoedkeuring
gebruiksbeperkingen bevat overeenkomstig artikel 14a.04, lid 3, voegt de
fabrikant bij iedere gefabriceerde eenheid gedetailleerde gegevens over deze
beperkingen en de volledige inbouwvoorschriften. 3.
De fabrikant zendt op verzoek
van de bevoegde instantie die de typegoedkeuring heeft verleend, binnen 45
dagen na het einde van ieder kalenderjaar en onmiddellijk na ieder ander
tijdstip dat door de bevoegde instantie is vastgesteld, een lijst met
serienummers van alle boordzuiveringsinstallaties die conform de eisen van dit
hoofdstuk zijn geproduceerd sinds de laatste lijst werd ingediend of sinds de
datum waarop deze voorschriften voor het eerst van kracht werden. In deze lijst
wordt het verband aangegeven tussen de serienummers, de overeenkomstige types
boordzuiveringsinstallaties en de typegoedkeuringsnummers. Bovendien moet de
lijst bijzondere gegevens bevatten indien de fabrikant niet langer een
typegoedgekeurd boordzuiveringsinstallatietype produceert. Indien de bevoegde
instantie niet verlangt dat deze lijst haar regelmatig wordt toegezonden, moet
de fabrikant de geregistreerde gegevens gedurende ten minste 40 jaar bewaren. Artikel 14a.07
Erkenning van andere
gelijkwaardige normen De lidstaten kunnen
typegoedkeuringen voor boordzuiveringsinstallaties op basis van diverse normen
erkennen voor gebruik in hun nationale wateren. Artikel 14a.08
Controle van de
serienummers 1.
De bevoegde instantie die een typegoedkeuring
verleent, zorgt er - zo nodig in samenwerking met de andere bevoegde instanties
- voor dat de serienummers van de boordzuiveringsinstallaties die
overeenkomstig de voorschriften van dit hoofdstuk zijn gebouwd, worden
geregistreerd en gecontroleerd. 2.
Een extra controle van de
serienummers kan eventueel plaatsvinden ter gelegenheid van de controle van de
conformiteit van de productie, bedoeld in artikel 14a.09. 3.
Met het oog op de controle van
de serienummers verstrekken de fabrikant of zijn in de lidstaten gevestigde
gemachtigde vertegenwoordigers op verzoek van de bevoegde instantie
onmiddellijk alle nodige informatie met betrekking tot hun rechtstreekse
klanten, alsook de serienummers van de boordzuiveringsinstallaties waarvan is
medegedeeld dat zij conform artikel 14a.06, lid 3, zijn geproduceerd. 4.
Indien een fabrikant, na een
verzoek daartoe van de bevoegde instantie, niet in staat is de in artikel 14a.06
bedoelde voorschriften na te komen, kan de goedkeuring voor de betreffende
boordzuiveringsinstallatie worden ingetrokken. In dat geval wordt gebruik
gemaakt van de kennisgevingsprocedure van artikel 14 a.10, lid 4. Artikel 14a.09
Conformiteit van de
productie 1.
De bevoegde instantie die een typegoedkeuring
afgeeft, zorgt er van tevoren voor - zo nodig in samenwerking met de andere
bevoegde instanties - dat geschikte regelingen zijn getroffen om de effectieve
controle van de conformiteit van de productie met de eisen van Aanhangsel VI,
Deel I, te garanderen. 2.
De bevoegde instantie die een
typegoedkeuring heeft afgegeven, vergewist zich ervan - zo nodig in
samenwerking met de andere bevoegde instanties – dat de in lid 1 vermelde
regelingen met betrekking tot de bepalingen van aanhangsel VI, deel I, nog
steeds afdoende zijn en dat elke boordzuiveringsinstallatie waarvoor
overeenkomstig de eisen van dit hoofdstuk een typegoedkeuringsnummer is
afgegeven, blijft beantwoorden aan de beschrijving in het
typegoedkeuringscertificaat en de bijlagen voor het type
boordzuiveringsinstallatie waarvoor typegoedkeuring is verleend. 3.
De bevoegde instantie mag
vergelijkbare tests van andere bevoegde instanties als gelijkwaardig aan de
bepalingen van leden 1 en 2 erkennen. Artikel 14a.10
Non-conformiteit met het
typegoedgekeurde boordzuiveringsinstallatietype 1.
Er is sprake van non-conformiteit met het
typegoedgekeurde boordzuiveringsinstallatietype indien afwijkingen worden
vastgesteld van de kenmerken in het typegoedkeuringscertificaat of eventueel in
het informatiepakket, voor zover deze afwijkingen niet door de bevoegde
instantie die de typegoedkeuring heeft verleend, zijn toegestaan op grond van
artikel 14a.05, lid 3. 2.
Indien de bevoegde instantie
die een typegoedkeuring heeft verleend, vaststelt dat
boordzuiveringsinstallaties niet conform het typegoedgekeurde
boordzuiveringsinstallatietype zijn, neemt zij de nodige maatregelen om ervoor
te zorgen dat de in productie zijnde boordzuiveringsinstallaties opnieuw in
overeenstemming worden gebracht met het typegoedgekeurde
boordzuiveringsinstallatietype. De bevoegde instantie die de non-conformiteit
heeft vastgesteld, stelt de andere bevoegde instanties in kennis van de genomen
maatregelen, die kunnen gaan tot de intrekking van de typegoedkeuring. 3.
Indien een bevoegde instantie
kan aantonen dat boordzuiveringsinstallaties die van een typegoedkeuringsnummer
zijn voorzien, niet conform het typegoedgekeurde boordzuiveringsinstallatietype
zijn, kan zij de bevoegde instantie die de typegoedkeuring heeft verleend,
verzoeken te controleren of het in productie zijnde
boordzuiveringsinstallatietype conform het typegoedgekeurde
boordzuiveringsinstallatietype is. Deze controle moet binnen zes maanden na de
datum van het verzoek worden uitgevoerd. Artikel 14a.11
Steekproefmeting/bijzondere
keuring 1.
Uiterlijk drie maanden na de ingebruikname van het
passagiersvaartuig of na de inbouw achteraf en de controle van de werking van
de boordzuiveringsinstallatie, neemt de bevoegde instantie tijdens de
exploitatie van het passagiersvaartuig een steekproef om de naleving van de in
artikel 14a.02, lid 2, tabel 2, vermelde waarden te controleren. Met onregelmatige tussenpozen
controleert de bevoegde instantie aan de hand van steekproefmetingen de goede
werking van de boordzuiveringsinstallatie, om na te gaan of aan de in artikel 14a.02,
lid 2, tabel 2, vermelde waarden is voldaan. Als de bevoegde instantie
vaststelt dat de waarden van de steekproefmetingen niet voldoen aan de in
artikel 14a.02, lid 2, tabel 2, vermelde waarden, kan zij eisen: (a)
dat de gebreken van de boordzuiveringsinstallatie
worden verholpen, zodat de installatie weer naar behoren werkt; (b)
dat de conformiteit van de
boordzuiveringsinstallatie met de typegoedkeuring wordt hersteld, of (c)
dat een bijzondere keuring
wordt uitgevoerd overeenkomstig lid 3. Wanneer de punten van
niet-conformiteit zijn verholpen en de boordzuiveringsinstallatie opnieuw in
overeenstemming is gebracht met de typegoedkeuring, mag de bevoegde instantie
opnieuw steekproefmetingen verrichten. Indien de gebreken niet worden
verholpen of indien de conformiteit van de boordzuiveringsinstallatie met de
vereisten van de typegoedkeuring niet wordt hersteld, verzegelt de bevoegde
instantie de boordzuiveringsinstallatie en stelt zij het keuringsorgaan in
kennis, dat een overeenkomstige aantekening maakt op het vaartuigcertificaat,
onder punt 52. 2.
De steekproefmetingen worden
verricht overeenkomstig de specificaties van artikel 14a.02, lid 2, tabel 2. 3.
Als de bevoegde instantie
vaststelt dat de boordzuiveringsinstallatie afwijkt van de typegoedkeuring,
voert zij een bijzondere keuring uit om de feitelijke toestand van de
boordzuiveringsinstallatie te bepalen voor wat betreft de onderdelen, de ijking
en de afstellingen van de kenmerken zoals die in het proces-verbaal van de
kenmerken van de boordzuiveringsinstallatie zijn gespecificeerd. Indien de bevoegde instantie
vaststelt dat de boordzuiveringsinstallatie niet conform het typegoedgekeurde
boordzuiveringsinstallatietype is, kan zij (a)
vragen dat: (1)
de conformiteit van de
boordzuiveringsinstallatie wordt hersteld, of (2)
de typegoedkeuring
overeenkomstig artikel 14a.05 dienovereenkomstig wordt gewijzigd, of (b)
eisen dat metingen worden
uitgevoerd overeenkomstig het keuringsvoorschrift als bedoeld in aanhangsel
VII. Als de conformiteit niet wordt
hersteld of de typegoedkeuring niet overeenkomstig wordt aangepast, of als uit
de metingen die overeenkomstig punt b) zijn uitgevoerd duidelijk blijkt dat de
in artikel 14a.02, lid 2, tabel 1, vastgestelde grenswaarden niet zijn
nageleefd, verzegelt de bevoegde instantie de boordzuiveringsinstallatie en
stelt zij het keuringsorgaan hiervan in kennis, dat een overeenkomstige
aantekening op het vaartuigcertificaat onder nummer 52 maakt. 4.
De keuringen als bedoeld in lid
3 worden uitgevoerd op basis van het inlichtingenformulier van de fabrikant ter
controle van de componenten betrekking hebbend op de afvalwaterreiniging en
kenmerken van de boordzuiveringsinstallatie. In dit formulier, dat door de
fabrikant wordt opgesteld en dat door een bevoegde instantie moet worden
goedgekeurd, worden de onderdelen die betrekking hebben op de
afvalwaterreiniging alsmede de instellingen, dimensioneringscriteria, en
kenmerken gespecificeerd bij toepassing waarvan kan worden uitgegaan van een
onafgebroken inachtneming van de waarden van artikel 14a.02, lid 2, tabellen 1
en 2. In deze brief zijn ten minste de volgende gegevens opgenomen: (a)
een specificatie van het type
boordzuiveringsinstallatie, met een procesbeschrijving en de vermelding of
voorgeschakelde verzameltanks moeten worden geïnstalleerd; (b)
een lijst van de onderdelen die
specifiek zijn voor afvalwaterzuivering; (c)
de toegepaste bouw- en
dimensioneringscriteria, dimensioneringsvereisten en regelgeving; (d)
een schematische voorstelling
van de boordzuiveringsinstallatie, waarop de kenmerken van de goedgekeurde voor
de afvalwaterzuivering relevante onderdelen zijn vermeld (bv.
onderdeelnummers). 5.
Een verzegelde
boordzuiveringsinstallatie mag alleen opnieuw in gebruik worden genomen nadat
een bijzondere keuring overeenkomstig lid 3, eerste alinea, is uitgevoerd. Artikel 14a.12
Bevoegde instanties en
technische diensten De technische diensten die
verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de in dit hoofdstuk beschreven
functies moeten beantwoorden aan de Europese normen voor het functioneren van
testlaboratoria (EN ISO/IEC 17025:2005-8) en voldoen aan de volgende
voorwaarden: (a)
fabrikanten van boordzuiveringsinstallaties kunnen
niet worden erkend als technische dienst; (b)
in het kader van dit hoofdstuk
mag een technische dienst, met toestemming van de bevoegde instantie,
faciliteiten gebruiken die zich buiten het eigen testlaboratorium bevinden. HOOFDSTUK 15 BIJZONDERE BEPALINGEN VOOR PASSAGIERSSCHEPEN Artikel 15.01
Algemene
bepalingen 1.
De volgende bepalingen zijn niet van toepassing: a) artikel 3.02, eerste lid,
onder b); b) artikelen 4.01 tot en met 4.03; c) artikel 8.08, tweede lid,
tweede zin, en zevende lid; d) artikel 9.14, derde lid,
tweede zin, bij nominale spanningen van meer dan 50V. 2.
De volgende installaties zijn
op passagiersschepen verboden: a) lampen die werken op
vloeibaar gas en vloeibare brandstof als bedoeld in artikel 12.07, derde lid; b) oliekachels met
verdampingsbranders als bedoeld in artikel 13.04; c) verwarmingsapparaten met
vaste brandstoffen, bedoeld in artikel 13.07; d) met pitbranders uitgeruste
installaties als bedoeld in artikel 13.02, tweede en derde lid; e) vloeibaargasinstallaties
bedoeld in hoofdstuk 14. 3.
Schepen, die niet van eigen
mechanische middelen tot voortbeweging zijn voorzien, kunnen niet tot het
vervoer van passagiers worden toegelaten. 4.
(zonder inhoud) Artikel 15.02
Scheepsromp 1.
Bij een onderzoek overeenkomstig artikel 2.09 wordt
de dikte van de scheepshuid van stalen passagiersschepen als volgt vastgesteld: a) De minimale dikte tmin
van de bodem-, kim- en zijbeplating van de scheepshuid van passagiersschepen
wordt bepaald volgens de grootste waarde van de volgende formules: t1min = 0,006 · a ·
(√(T))[mm]; t2min = f · 0,55 ·
(√(LWL))[mm]. Daarbij betekent: f || = || 1 + 0,0013 · (a – 500); a a || = || spanafstand in de lengte of de breedte (mm); bij een kleinere spantafstand dan 400 mm moet a = 400 mm worden genomen. b) De uit letter a)
voortvloeiende minimale waarde voor de plaatdikte behoeft niet te worden
gehaald, wanneer de toegestane waarde op basis van een rekenkundig bewijs voor
de voldoende sterkte van de scheepsromp (langs- en dwarssterkte alsook
plaatselijke sterkte) is vastgelegd en dit uit een verklaring blijkt. c) Op geen enkele plaats
van de scheepshuid mag de volgens letter a) of b) berekende waarde minder zijn
dan 3 mm. d) Platen moeten worden
vervangen, wanneer de dikte van de bodem-, kim- of zijplaten niet langer de
volgens letters a) of b), in samenhang met letter c), vastgestelde minimale
waarde heeft. 2.
Het aantal en de indeling van
de schotten moeten zodanig zijn gekozen dat het schip in lekke toestand
overeenkomstig artikel 15.03, zevende tot en met dertiende lid, kan blijven
drijven. Ieder deel van de interne constructie dat de functionaliteit van de
indeling van het schip beïnvloedt, moet waterdicht en zo geconstrueerd zijn,
dat de integriteit van de indeling in stand blijft. 3.
De afstand tussen het
aanvaringsschot en de voorloodlijn mag niet kleiner zijn dan 0,04 LWL en niet
groter dan 0,04 LWL + 2 m. 4.
In een dwarsschot mag een
sprong of nis voorkomen, mits alle delen van de sprong of nis binnen de veilige
zone zijn gelegen. 5.
De schotten die bij de
lekberekening als bedoeld in artikel 15.03, zevende tot en met dertiende lid,
in aanmerking zijn genomen, moeten waterdicht zijn en tot boven het schottendek
opgetrokken zijn. Ontbreekt het schottendek, dan moeten zij ten minste 20 cm
boven de indompelingsgrenslijn zijn opgetrokken. 6.
Het aantal openingen in deze
schotten moet zo gering worden gehouden als vanwege de bouwwijze en voor de
normale bedrijfsvoering van het schip toelaatbaar is. Openingen en
doorvoeringen mogen de waterdichte functie van de schotten niet nadelig
beïnvloeden. 7.
In het aanvaringsschot zijn
openingen en deuren niet toegestaan. 8.
In schotten die machinekamers
van passagiersruimten of woonruimten voor het boordpersoneel scheiden, zijn
deuren niet toegestaan. 9.
Met de hand te bedienen deuren
in schotten als bedoeld in het vijfde lid die niet op afstand bediend kunnen
worden, zijn slechts toegestaan buiten de voor passagiers bestemde plaatsen.
Zij moeten: a) voortdurend gesloten
blijven en mogen slechts voor passage kortstondig worden geopend; b) snel en veilig door
geschikte inrichtingen gesloten kunnen worden; c) aan beide zijden
voorzien zijn van het opschrift: „Deur na doorgang direct
sluiten”. 10.
Deuren in schotten als bedoeld
in het vijfde lid die langdurig open staan moeten aan de volgende eisen
voldoen: a) Zij moeten ter plaatse
aan beide zijden van het schot en vanaf een goed toegankelijke plaats boven het
schottendek kunnen worden gesloten. b) Na sluiting door
afstandsbediening moeten de deuren ter plaatse opnieuw kunnen worden geopend en
op veilige wijze worden gesloten. Het afsluitproces mag met name niet door
tapijten of drempels gehinderd worden. c) De duur van het
sluiten door afstandsbediening moet ten minste 30 seconden bedragen, maar mag
niet meer bedragen dan 60 seconden. d) Tijdens het sluiten
moet bij de deur automatisch een akoestisch alarmsignaal worden gegeven. e) Gewaarborgd moet zijn
dat het bedienen van deur en het alarmsignaal ook onafhankelijk van het
boordnet kunnen geschieden. Ter plaatse van de afstandsbediening moet een
inrichting aanwezig zijn die aangeeft of de deur open dan wel gesloten is. 11.
Alle deuren in schotten als
bedoeld in het vijfde lid en hun bedieningsinrichtingen moeten in de veilige
zone liggen. 12.
In het stuurhuis moet een
alarminstallatie aanwezig zijn die aangeeft welke deur in schotten als bedoeld
in het vijfde lid geopend is. 13.
Pijpleidingen met open
uitmondingen en ventilatiekanalen moeten zo zijn aangelegd, dat daardoor bij
elke lektoestand geen water naar andere ruimten of tanks kan stromen. a) Wanneer verschillende
afdelingen door middel van pijpleidingen of ventilatiekanalen met elkaar in
open verbinding staan, moeten deze op een geschikte plaats tot boven de
ongunstigste lastlijn in lekke toestand worden geleid. b) Pijpleidingen
behoeven niet aan letter a) te voldoen, wanneer op de doorboorde schotten
afsluiters zijn aangebracht, die van boven het schottendek op afstand kunnen
worden bediend. c) Wanneer een
pijpleidingsysteem in een afdeling geen open uitmonding heeft, wordt de
pijpleiding bij beschadiging van deze afdeling als onbeschadigd beschouwd,
wanneer zij binnen de veilige zone loopt en de afstand tot de scheepsbodem meer
dan 0,50 m bedraagt. 14.
Afstandsbedieningen van deuren
in schotten als bedoeld in het tiende lid en afsluitmechanismen als bedoeld in
het dertiende lid, onder b), boven het schottendek moeten als zodanig duidelijk
gemarkeerd zijn. 15.
Bij een dubbele bodem moet de
hoogte daarvan en bij dubbele wanden de breedte daarvan ten minste 0,60 m
bedragen. 16.
Vensters mogen onder de
indompelingsgrenslijn liggen, wanneer zij waterdicht zijn, niet geopend kunnen
worden, een voldoende sterkte bezitten en voldoen aan artikel 15.06, veertiende
lid. Artikel 15.03
Stabiliteit 1.
De aanvrager moet het bewijs van voldoende
stabiliteit van het onbeschadigde schip leveren met een berekening die is gebaseerd
op de resultaten van het toepassen van een standaard van voldoende stabiliteit
van het onbeschadigde schip. Alle berekeningen moeten zodanig worden uitgevoerd
dat daarbij aan trim en inzinking geen vaste waarden zijn toegekend. Via een
hellingproef wordt bepaald welke lichtschipgegevens voor de berekening van de
stabiliteit in aanmerking worden genomen. 2.
De voldoende stabiliteit van
het onbeschadigde schip moet voor de volgende standaard beladingcondities
worden aangetoond: a) bij het begin van de vaart 100 % passagiers; 98 %
brandstof en drinkwater; 10 % afvalwater; b) tijdens de vaart 100 % passagiers; 50 %
brandstof en drinkwater; 50 % afvalwater; c) bij het eind van de vaart 100 % passagiers; 10 %
brandstof en drinkwater; 98 % afvalwater; d) leeg schip geen passagiers, 10 %
brandstof en drinkwater, geen afvalwater. Voor alle standaard
beladingcondities moet uitgegaan worden van lege dan wel volle ballasttanks,
overeenkomstig hun normale gebruik. Daarnaast moet voor de
volgende beladingsconditie voor het derde lid, onder d), worden aangetoond: 100 % passagiers, 50 %
brandstof en drinkwater, 50 % afvalwater, het totaal van de andere
vloeistoftanks met inbegrip van ballast voor 50 % gevuld. 3.
Het bewijs van voldoende
stabiliteit van het onbeschadigde schip via een berekening moet worden geleverd
met toepassing van de volgende eisen voor voldoende stabiliteit van het
onbeschadigde schip en voor de in het tweede lid, onder a) tot en met d),
genoemde standaard beladingcondities: a) De maximale
oprichtende arm van statische stabiliteit hmax moet bij een slagzij van φmax
≥ (φmom + 3°) optreden en moet ten minste 0,20 m bedragen. Wanneer φf
< φmax is moet de oprichtende arm van statische stabiliteit bij
een hoek van het onder water komen φf ten minste 0,20 m bedragen; b) De hoek van het
onderwater komen φf mag niet kleiner zijn dan (φmom
+ 3°); c) Het vlak A onder de
kromme van de oprichtende armen van statische stabiliteit moet, afhankelijk van
de positie van φf en φmax ten minste de volgende waarden
bereiken: Geval || || || A 1 || φmax ≤ 15° of φf ≤ 15° || || 0,05 m.rad tot aan de hoek φmax of φf, al naargelang wat het kleinste is 2 || 15° < φmax < 30° || φmax ≤ φf || 0,035+0,001 · (30-φmax) m.rad tot aan de hoek φmax 3 || 15° < φf < 30° || φmax > φf || 0,035+0,001 · (30-φf) m.rad tot aan de hoek φf 4 || φmax ≥ 30° en φf ≥ 30° || || 0,035 m.rad tot aan de hoek φ = 30° Daarbij betekent: hmax || || de maximale oprichtende arm van statische stabiliteit; φ || || de hoek van de slagzij; φf || || de hoek van het onderwater komen, d.w.z. de hoek van de slagzij waarbij de openingen in de scheepsromp, in de opbouwen of dekhuizen die niet waterdicht gesloten kunnen worden, onder water komen te staan; φmom || || de maximale hoek van de slagzij volgens punt e); φmax || || de hoek van de slagzij waarbij sprake is van de maximale oprichtende arm van statische stabiliteit; A || || vlakken onder de kromme van de oprichtende arm van statische stabiliteit. d) De metacentrische
hoogte bij het begin van GMo, gecorrigeerd in verband met het effect
van de vrije oppervlakken in vloeistoftanks, mag niet minder bedragen dan 0,15
m; e) De hoek van de
slagzij φmom mag in de beide hiernavolgende gevallen niet meer
bedragen dan 12°: aa) op basis van het
slagzijmoment tengevolge van personen en wind als bedoeld in het vierde en
vijfde lid; bb) op basis van het
slagzijmoment ten gevolge van personen en het draaien van het schip als bedoeld
in het vierde en zesde lid; f) Het resterende
vrijboord mag bij een kenterend moment ten gevolge van personen, wind en het
draaien van het schip als bedoeld in het vierde, vijfde en zesde lid niet
minder bedragen dan 0,20 m; g) De resterende
veiligheidsafstand moet voor schepen met vensters, of andere openingen in de
scheepshuid die beneden het schottendek zijn gelegen en die niet waterdicht
gesloten zijn, ten minste 0,10 m bedragen uitgaande van de drie kenterende
momenten bedoeld in letter f). 4.
Het kenterende moment
tengevolge van een concentratie van personen op één plaats moet op grond van de
volgende formule als volgt worden berekend: [kNm In deze formule betekent: P || = || totale massa van personen aan boord in [t], te berekenen uit de som van het ten hoogste toegelaten aantal passagiers en het maximale aantal van het boordpersoneel en de bemanning onder normale bedrijfsomstandigheden onder aanname van een gemiddelde massa van 0,075 t per persoon y || = || zijdelingse afstand van het zwaartepunt van de massa van personen P vanaf de middellijn van het schip in [m] g || = || acceleratie van de zwaartekracht (g = 9,81 m/s2) Pi || = || massa van de op een vlak Ai verzamelde personen volgens: Pi = ni · 0,075 · Ai (t) In deze formule betekent: Ai = vlak, waarop zich personen bevinden in [m2] ni = aantal personen per vierkante meter bij: ni 3,75 in geval van vrije dekoppervlakken en vlakken met verplaatsbaar meubilair; in geval van vlakken met vast ingebouwde zitplaatsen zoals banken, moet ni worden berekend onder aanname van een zitbreedte van 0,50 m en een zitdiepte van 0,75 m per persoon yi || = || zijdelingse afstand van het vlakzwaartepunt van het vlak Ai vanaf de middellijn van het schip in [m] De berekening moet worden
uitgevoerd zowel voor een concentratie van personen aan stuurboord als voor een
concentratie aan bakboord. De verdeling van personen
moet de meest ongunstige zijn vanuit het oogpunt van stabiliteit. Ingeval er
hutten aanwezig zijn moet voor de berekening van het moment van personen ervan
worden uitgegaan dat deze niet bezet zijn. Voor de berekening van
beladen situaties moet het middelpunt van de zwaarte van een persoon worden
genomen op 1 m boven het laagste punt van het betreffende dek op 0,5 LwL zonder
rekening te houden met een verlaging of verhoging in het dek of de kromming van
het dek en onder aanname van een massa van 0,075 t per persoon. Een gedetailleerde
vaststelling van de vlakken aan dek die door personen bezet zijn, kan
achterwege blijven, indien de volgende waarden worden toegepast: P || = || 1,1 · Fmax · 0,075 in het geval van schepen voor dagtochten 1,5 · Fmax · 0,075 in het geval van hotelschepen In deze formule betekent: Fmax = het ten hoogste toegelaten aantal passagiers aan boord y || = || B/2 in [m] 5.
Het moment ten gevolge van wind
(MW) moet als volgt worden berekend: MW= pW •
AW • (lW + T/2) [kNm] In deze formule betekent: pW = specifieke
winddruk van 0,25 kN/m²; AW = zijdelings
oppervlak van het schip boven het vlak van de diepgang in [m2] dat
overeenkomt met de betreffende beladingstoestand; lW = afstand van
het zwaartepunt van het zijdelingse vlak AW tot het vlak van de diepgang in m
die overeenkomt met de betreffende beladingstoestand in [m]. Bij de berekening van het
zijdelingse oppervlak moeten de voorziene overdekkingen van het dek door
dekzeilen of dergelijke mobiele inrichtingen in aanmerking worden genomen. 6.
Het moment ten gevolge van de
centrifugale kracht (Mdr), veroorzaakt door het draaien van het schip, moet als
volgt worden berekend: Mdr = cdr
· CB · v2 · D/LWL · (KG — T/2) (kNm) Daarbij betekent: cdr || = || coëfficiënt van 0,45; CB || = || de blokcoëfficiënt (indien niet bekend moet hiervoor 1,0 worden aangenomen); v || = || grootste snelheid van het schip in m/s; KG || = || afstand van het zwaartepunt tot de bovenkant van de kiel in m. Ingeval het passagierschip is
uitgerust met een aandrijfsysteem overeenkomstig artikel 6.06 moet Mdr worden
afgeleid uit beproevingen op ware grootte dan wel met modellen, hetzij op basis
van daarmee overeenkomende berekeningen. 7.
De aanvrager moet met een
berekening die berust op de procedure van het wegvallen van het drijfvermogen
aantonen dat de lekstabiliteit van het schip voldoende is. Alle berekeningen
moeten zodanig worden uitgevoerd dat daarbij aan trim en inzinking geen vaste
waarden zijn toegekend. 8.
Het drijfvermogen in lekke
toestand moet voor de in het tweede lid bedoelde standaard beladingcondities
worden aangetoond. Hierbij moet voor drie tussenstadia van het volstromen (25
%, 50 % en 75 % van de eindtoestand van het volgestroomd zijn) en voor de
eindtoestand van het volgelopen zijn aan het rekenkundig bewijs van voldoende
stabiliteit zijn voldaan. 9.
Passagiersschepen moeten
voldoen aan de 1-compartimentstatus en aan de 2-compartimentstatus. De volgende indicaties
moeten voor het geval van een lekke toestand in acht worden genomen: || 1-compartimentstatus || 2-compartimentstatus Omvang van het lek aan de zijde || || in langsrichting l [m] || 0,10 · LWL, echter niet minder dan 4,00 m || 0,05 · LWL, echter niet minder dan 2,25 m in dwarsrichting b [m] || B/5 || 0,59 loodrecht h [m] || Vanaf de bodem van het schip onbeperkt naar boven Omvang van het lek in de bodem || || in langsrichting l [m] || 0,10 · LWL, echter niet minder dan 4,00 m || 0,05 · LWL, echter niet minder dan 2,25 m in dwarsrichting b [m] || B/5 loodrecht h [m] || 0,59; pijpleidingen die overeenkomstig artikel 15.02, dertiende lid, onder c), zijn aangelegd kunnen als onbeschadigd worden beschouwd a) Voor de 1-compartimentstatus
kunnen de schotten als onbeschadigd worden beschouwd, wanneer de onderlinge
afstand tussen twee aangrenzende schotten groter is dan de lengte van het lek.
Langsschotten die zich, gemeten in een rechte hoek op de middellijn in het vlak
van grootste diepgang, op een afstand van minder dan B/3 ten opzichte van de
scheepshuid bevinden, mogen in de berekening niet worden meegenomen. Een sprong
of een nis in een dwarsschot, waarvan de lengte groter is dan 2,50 m, wordt als
een langsschot beschouwd. b) Voor de 2-compartimentstatus
wordt ieder schot dat is gelegen binnen het gebied waar het lek van invloed is
als beschadigd aangemerkt. Dit betekent dat de plaats van de schotten zodanig
moet worden gekozen, dat het passagiersschip na het volstromen van twee of meer
aangrenzende compartimenten in de langsrichting nog kan blijven drijven. c) Het laagste punt van
iedere niet waterdichte opening (bijv. van deuren, vensters, luiken) moet bij
de eindtoestand van het volgestroomd zijn ten minste 0,10 m boven de lastlijn
in lekke toestand liggen. Het schottendek mag bij de eindtoestand van het
volstromen niet onder water komen. d) Er wordt met een
permeabiliteit van 95 % rekening gehouden. Wordt door een berekening aangetoond
dat de gemiddelde permeabiliteit van een compartiment kleiner is dan 95 %, dan
kan de berekende waarde worden aangehouden. De volgende waarden moeten ten
minste worden bereikt: Verblijfsruimten || 95 % machinekamers en ketelruimen || 85 % bagage- en voorraadruimten || 75 % dubbele bodems, brandstoftanks, ballasttanks en andere tanks, al naar gelang deze tanks uit hoofde van hun bestemming bij het in het vlak van de grootste inzinking liggende schip als vol of leeg moeten worden aangenomen || 0 of 95 % e) Ingeval een lek van
kleinere omvang dan hierboven aangegeven leidt tot ongunstiger verhoudingen met
betrekking tot slagzij of verlies aan metacentrische hoogte, moet een zodanig
lek bij de berekening worden betrokken. 10.
Bij alle tussenstadia van het
vollopen als bedoeld in het achtste lid moet aan de volgende criteria worden
voldaan: a) de hoek van de
slagzij φ van de evenwichtssituatie van het betreffende tussenstadium mag niet
meer bedragen dan 15°; b) afgezien van de
slagzij vanuit de evenwichtssituatie van het betreffende tussenstadium moet het
positieve bereik van de kromme van de armen van statische stabiliteit een
oprichtende arm van statische stabiliteit aangeven van GZ ≥ 0,02 m, voordat de
eerste onbeschermde opening onder water komt dan wel een hoek van de slagzij φ
van 25° bereikt wordt; c) niet waterdichte
openingen mogen niet onder water komen voordat de slagzij vanuit de
evenwichtssituatie van het betreffende tussenstadium is bereikt; d) Voor de berekening
van het effect van de vrije oppervlakken bij alle tussenstadia van het volstromen
wordt uitgegaan van de bruto grondvlakken van de beschadigde ruimten. 11.
Bij de eindtoestand van het
volgestroomd zijn moet aan de volgende criteria worden voldaan met inachtneming
van het kenterende moment als bedoeld in het vierde lid: a) de hoek van de
slagzij φE mag niet meer bedragen dan 10°; b) afgezien van de
evenwichtssituatie moet het positieve bereik van de kromme van armen van
statische stabiliteit een oprichtende arm van statische stabiliteit aangeven
van GZR ≥ 0,02 m gecombineerd met een vlak A ≥ 0,0025 m·rad. Deze
minimumwaarden van de stabiliteit moeten worden bereikt tot aan het onder water
komen van de eerste onbeschermde opening of in ieder geval vóór het bereiken
van een hoek van de slagzij van φm 25°. English || Dutch lever GZ (m) || arm GZ (m) equilibrium in flooded condition || evenwicht in volgelopen toestand GZk (lever due to moment under 4) || GZk (arm ten gevolge van moment onder 4) equilibrium in flooded condition due to moment under 4 || evenwicht in volgelopen toestand ten gevolge van moment onder 4 heeling angle || hoek van de slagzij
Daarbij betekent: φE || || de slagzij in het eindstadium van volstroming, rekening houdend met het slagzijmoment overeenkomstig lid 4; φm || || de hoek van de afnemende stabiliteit of de hoek waarbij de eerste onbeschermde opening onder water komt te staan of 25°, al naargelang wat het laagste is; GZR || || de overblijvende oprichtende arm van statische stabiliteit in het eindstadium van volstroming, rekening houdend met het slagzijmoment overeenkomstig lid 4; GZK || || arm van het slagzijmoment overeenkomstig lid 4. c) niet
waterdichte openingen mogen niet onder water komen voordat de slagzij vanuit de
evenwichtssituatie van het betreffende tussenstadium is bereikt. In geval dat
dergelijke openingen onder water komen voordat dit punt is bereikt, moeten de
ruimten die daarmee in verbinding staan bij de berekening van de lekstabiliteit
als volgestroomd worden beschouwd. 12.
Afsluitvoorzieningen van
openingen die waterdicht afsluitbaar moeten zijn, moeten als zodanig duidelijk
gemarkeerd worden. 13.
Wanneer doorstroomopeningen in
de langsschotten worden voorzien ten behoeve van vermindering van asymmetrisch
volstromen, moeten deze aan de volgende eisen voldoen: a) voor de berekening
van het uit dwarsrichting volstromen wordt IMO-resolutie A.266 (VIII)
toegepast; b) ze moeten automatisch
functioneren; c) ze mogen niet van
afsluitmechanismen zijn voorzien; d) de tijd die nodig is
voor een volledige vereffening mag niet meer bedragen dan 15 minuten. Artikel 15.04
Veiligheidsafstand
en vrijboord 1.
De veiligheidsafstand moet ten minste gelijk zijn
aan de som van: a) de extra zijdelingse
inzinking die, gemeten langs de scheepshuid, ontstaat door de toelaatbare
slagzij, bedoeld in artikel 15.03, derde lid, onder e), en b) de resterende
veiligheidsafstand, bedoeld in artikel 15.03, derde lid, onder g). De veiligheidsafstand van
schepen zonder schottendek moet ten minste 500 mm bedragen. 2.
Het vrijboord moet ten minste
gelijk zijn aan de som van: a) de extra zijdelingse
inzinking die, gemeten langs de scheepshuid, ontstaat door de toelaatbare
slagzij, bedoeld in artikel 15.03, derde lid, onder e), en b) het resterende
vrijboord, bedoeld in artikel 15.03, derde lid, onder f). Het vrijboord moet echter ten
minste 300 mm bedragen. 3.
Het vlak van de grootste
inzinking moet zodanig worden vastgesteld dat zowel de veiligheidsafstand als
bedoeld in het eerste lid als het vrijboord als bedoeld in het tweede lid als
de artikelen 15.02 en 15.03 in acht zijn genomen. 4.
De commissie van deskundigen
kan uit veiligheidsoverwegingen een grotere veiligheidsafstand of een groter
vrijboord bepalen. Artikel 15.05
Ten hoogste
toegelaten aantal passagiers 1.
De commissie van deskundigen bepaalt het ten
hoogste toegelaten aantal passagiers en tekent dit in het
EU-binnenvaartcertificaat aan. 2.
Het ten hoogste toegelaten
aantal passagiers mag niet meer zijn dan: a) aantal passagiers
waarvoor een evacuatieruimte bedoeld in artikel 15.06, lid 8, is aangetoond b) aantal passagiers
waarvoor de stabiliteitsberekening bedoeld in artikel 15.03 is uitgevoerd c) het aantal
beschikbare bedden voor passagiers op hotelschepen, die voor reizen met
overnachting worden ingezet. 3.
Voor hotelschepen die ook als
schip voor dagtochten worden ingezet, moet het aantal passagiers zowel voor een
schip voor dagtochten als voor een hotelschip worden berekend en in het
EU-binnenvaartcertificaat worden aangetekend. 4.
Het ten hoogste toegelaten
aantal passagiers moet aan boord op een opvallende plaats duidelijk leesbaar
worden aangegeven. Artikel 15.06
Passagiersverblijven
en -ruimten 1.
Passagiersverblijven moeten: a) zich op alle dekken achter
het vlak van het aanvaringsschot en, indien ze onder het schottendek zijn
gelegen, vóór het vlak van het achterpiekschot bevinden; b) gasdicht gescheiden
zijn van machinekamers en ketelruimen; c) zo zijn ingericht dat
het vrije zicht overeenkomstig artikel 7.02 niet wordt belemmerd. Dekzones die door dekzeilen of
dergelijke mobiele inrichtingen niet alleen naar boven, maar ook zijdelings
gedeeltelijk of geheel zijn overdekt, moeten aan dezelfde eisen als gesloten
passagiersverblijven voldoen. 2.
Kasten of ruimten als bedoeld
in artikel 11.13 voor brandbare vloeistoffen moeten zich buiten het gebied
bestemd voor passagiers bevinden. 3.
Aantal en breedte van uitgangen
van passagiersverblijven moeten aan de volgende voorwaarden voldoen: a) Verblijven of groepen
van verblijven die voor 30 of meer passagiers zijn bestemd of ingericht, dan
wel voor 12 of meer passagiers slaapplaats bieden, moeten ten minste twee
uitgangen hebben. Op schepen voor dagtochten mag één van deze twee uitgangen
door twee nooduitgangen worden vervangen. Verblijven, uitgezonderd hutten, en
groepen van verblijven met slechts één uitgang moeten ten minste één
nooduitgang hebben. b) Indien zich
verblijven onder het schottendek bevinden, mag één van de uitgangen een
waterdichte deur in een schot, bedoeld in artikel 15.02, tiende lid, zijn die
toegang geeft tot een aangrenzende afdeling van waaruit het hoger gelegen dek
rechtstreeks kan worden bereikt. De andere uitgang moet direct of, wanneer dit
overeenkomstig letter a) is toegestaan, als nooduitgang naar het schottendek
dan wel naar buiten leiden. Dit geldt niet voor de afzonderlijke hutten. c) Uitgangen, bedoeld
onder a) en b), moeten doelmatig zijn aangebracht en een vrije breedte van ten
minste 0,80 m en een vrije hoogte van ten minste 2,00 m hebben. Bij deuren van
hutten voor passagiers en andere kleine verblijven mag de vrije breedte worden
verminderd tot 0,70 m. d) Bij verblijven of
groepen van verblijven die voor meer dan 80 passagiers zijn bestemd moet het
totaal van de breedte van alle uitgangen die voor passagiers zijn bestemd, en
door hen in geval van nood moeten worden gebruikt, ten minste 0,01 m per
passagier bedragen. e) Indien het aantal
passagiers voor de totale breedte van de uitgangen maatgevend is, moet de
breedte van elke uitgang ten minste 0,005 m per passagier bedragen. f) Nooduitgangen moeten
een kleinste zijdelingse lengte van ten minste 0,60 m hebben of een minimale
diameter van 0,70 m. Zij moeten in de vluchtrichting open gaan en aan beide
zijden zijn gekenmerkt. g) Uitgangen van
verblijven die zijn bestemd om gebruikt te worden door personen met beperkte
mobiliteit, moeten een vrije breedte hebben van ten minste 0,90 m. Uitgangen
die gewoonlijk worden gebruikt voor het aan- of van boord gaan van personen met
beperkte mobiliteit, moeten over een vrije breedte beschikken van 1,50 m. 4.
Deuren van passagiersverblijven
moeten aan de volgende eisen voldoen: a) Met uitzondering van
deuren die naar verbindingsgangen leiden, moeten ze naar buiten opengaan of als
schuifdeuren zijn uitgevoerd. b) Hutdeuren moeten
zodanig zijn uitgevoerd dat zij te allen tijde ook van buitenaf kunnen worden
geopend. c) Automatische deuren
moeten wanneer de aandrijfenergie uitvalt gemakkelijk kunnen worden geopend. d) Bij deuren die zijn
bestemd om gebruikt te worden door personen met beperkte mobiliteit moet aan de
zijde waarnaar de deur opengaat een zijdelingse afstand bestaan tussen
binnenkant van de deurpost aan de kant van het slot en de naburige loodrecht op
het vlak van de deur aangebrachte wand van ten minste 0,60 m. 5.
Verbindingsgangen moeten aan de
volgende eisen voldoen: a) zij moeten een vrije
breedte hebben van ten minste 0,80 m. Wanneer zij naar ruimten leiden die door
meer dan 80 passagiers worden gebruikt, dienen zij te voldoen aan de bepalingen
van lid 3, onder d) en e), betreffende de breedte van de uitgangen die naar
verbindingsgangen leiden; b) Hun vrije hoogte mag
niet minder zijn dan 2,00 m. c) Verbindingsgangen die
zijn bestemd voor het gebruik door personen met een beperkte mobiliteit moeten
een vrije breedte hebben van minstens 1,30 m. Verbindingsgangen met een breedte
van meer dan 1,50 m moeten aan beide zijden van een handrail zijn voorzien. d) Indien slechts één
verbindingsgang of -trap naar een voor passagiers bestemde ruimte leidt, moet
de vrije breedte daarvan ten minste 1,00 m bedragen. e) Verbindingsgangen
mogen geen treden of niveauverschillen hebben. f) Zij mogen alleen
naar vrije dekken, ruimten of trappen leiden. g) Doodlopende gedeelten
van verbindingsgangen mogen niet langer dan twee meter zijn. 6.
Vluchtwegen moeten behalve aan
het vijfde lid aan de volgende voorwaarden voldoen: a) Bij de inrichting van
trappen, uitgangen en nooduitgangen moet ingecalculeerd zijn dat bij brand in
een willekeurig verblijf alle andere verblijven verlaten kunnen worden. b) Vluchtwegen moeten de
kortste weg volgen naar evacuatieruimten als bedoeld in het achtste lid. c) Vluchtwegen mogen
niet door machinekamers en keukens leiden. d) In vluchtwegen mogen
geen gangen met klimtreden, ladders en dergelijke zijn ingebouwd. e) Deuren in vluchtwegen
moeten zodanig zijn gebouwd dat ze geen inbreuk maken op de minimale breedte
van vluchtwegen als bedoeld in het vijfde lid, onder a) of d). f) Vluchtwegen en
nooduitgangen moeten duidelijk zijn gemarkeerd. De markeringen moeten door de
noodverlichting worden belicht. 7.
Vluchtwegen en nooduitgangen
moeten beschikken over een geschikt veiligheidsgeleidesysteem. 8.
Voor alle personen aan boord
moeten verzamelruimten beschikbaar zijn, die aan de volgende eisen voldoen: a) de totale oppervlakte
AS van de verzamelruimten moet ten minste voldoen aan de volgende
waarde: Schepen voor dagtochten || : || AS = 0,35 · Fmax (m2) Hotelschepen || : || AS = 0,45 · Fmax (m2) In deze formule betekent: Fmax || || het ten hoogste toegelaten aantal passagiers aan boord. b) Iedere individuele
verzamel- en evacuatieruimte moet groter zijn dan 10 m2. c) De verzamelruimten
moeten vrij zijn van zowel losstaand als vast meubilair. d) Indien zich in een
ruimte waarin een verzamelruimte aangewezen is, verplaatsbaar meubilair
bevindt, moet dit voldoende zijn beveiligd tegen verschuiven. e) Indien zich in een
ruimte waarin een verzamelruimte aangewezen is, vast ingebouwde zitplaatsen
bevinden, behoeft het aantal personen waarvoor de ruimte geschikt is bij de
berekening van het totaal van de oppervlakken van de in letter a) bedoelde
verzamelruimten niet in acht te worden genomen. Het aantal personen waarvoor in
een ruimte vast ingebouwde zitplaatsen aanwezig zijn, mag echter niet groter
zijn dan het aantal personen waarvoor in dezelfde ruimte verzamelruimten
beschikbaar zijn. f) Vanuit de
evacuatieruimten moeten de reddingsmiddelen eenvoudig toegankelijk zijn. g) Een veilige evacuatie
van personen vanuit deze evacuatieruimten moet aan beide zijden van het schip
mogelijk zijn. h) De verzamelruimten
moeten boven de indompelingsgrenslijn liggen. i) De verzamel- en
evacuatieruimten moeten in het veiligheidsplan als zodanig worden aangegeven en
aan boord worden gemarkeerd. j) De voorschriften
onder d) en e) gelden eveneens voor open dekken waarop verzamelruimten zijn
aangewezen. k) Indien
gemeenschappelijke reddingsmiddelen overeenkomstig artikel 15.09, lid 5, aan
boord aanwezig zijn, behoeft het aantal personen waarvoor zij geschikt zijn bij
de berekening van het totaaloppervlak van de verzamelruimten bedoeld onder a)
niet in acht te worden genomen. l) Het totaaloppervlak
bedoeld onder a) moet echter voor alle gevallen, waarbij een reductie
overeenkomstig de onderdelen e), j) en k) wordt toegepast, voor ten minste 50 %
van het ten hoogste toegelaten aantal passagiers aan boord toereikend zijn. 9.
Trappen in het gedeelte voor
passagiers en hun portalen moeten: a) overeenkomstig de
Europese norm EN 13056:2000, zijn gebouwd; b) een vrije breedte van
ten minste 0,80 m hebben dan wel, wanneer zij naar verbindingsgangen of trappen
leiden die door meer dan 80 passagiers worden gebruikt, van ten minste 0,01 m
per passagier; c) een vrije breedte van
minstens 1,00 m hebben, wanneer zij naar een voor passagiers bestemde ruimte
leiden die slechts over deze verbindingstrap toegankelijk is; d) zich in de veilige
zone bevinden voorzover aan iedere zijde van het schip in dezelfde ruimte niet
ten minste één trap beschikbaar is; e) bovendien, indien zij
zijn bestemd voor het gebruik door personen met beperkte mobiliteit, aan de
volgende eisen voldoen: aa) De helling van de
trappen mag niet steiler zijn dan 38°. bb) De trappen moeten een
vrije breedte hebben van minstens 0,90 m. cc) Wenteltrappen zijn
niet toegestaan. dd) Trappen mogen niet in
dwarsrichting in het schip zijn aangebracht. ee) De leuningen van
trappen moeten aan het begin en het eind van een horizontale uitloop van 0,30 m
zijn voorzien zodanig, dat zij doorgang voorlangs niet bemoeilijken. ff) Leuningen en
voorkanten ten minste van de eerste en de laatste trede alsook de
vloerbedekking aan de uiteinden van de trap moeten wat de kleur betreft
contrasteren. Liften die zijn bestemd voor
het gebruik door personen met beperkte mobiliteit en stijgvoorzieningen als
trapliften of hefplatformen moeten volgens een desbetreffende norm of
voorschrift van een lidstaat van de Gemeenschap uitgevoerd zijn. 10.
De voor passagiers bestemde,
niet afgesloten delen van de dekken moeten aan de volgende eisen voldoen: a) Zij moeten door een
vaste verschansing van ten minste 1,00 m hoogte of een reling volgens de
Europese norm EN 711: 1995, bouwwijze PF, PG of PZ, zijn omgeven. Verschansing
en relingen van dekken die zijn bestemd voor het gebruik door personen met
beperkte mobiliteit moeten een hoogte hebben van ten minste 1,10 m. b) Openingen en
inrichtingen voor embarkeren en debarkeren en voor laden en lossen moeten
kunnen worden beveiligd en een vrije breedte hebben van ten minste 1,00 m.
Openingen die gewoonlijk worden gebruikt voor embarkeren en debarkeren van
personen met beperkte mobiliteit moeten een vrije breedte hebben van ten minste
1,50 m. c) Indien de openingen
en inrichtingen voor embarkeren en debarkeren niet vanuit het stuurhuis te zien
zijn, moeten er optische of elektronische hulpmiddelen aanwezig zijn. d) Het vrije zicht
overeenkomstig artikel 7.02 mag niet door zittende personen belemmerd worden. 11.
De gedeelten van het schip die
niet voor passagiers zijn bestemd, met name de toegangen tot het stuurhuis, tot
de lieren en tot de machinekamers, moeten voor het betreden door onbevoegden
kunnen worden beveiligd. Bij deze toegangen moet bovendien op een opvallende
plaats een teken overeenkomstig schets 1 van aanhangsel I zijn aangebracht. 12.
Loopplanken moeten
overeenkomstig de Europese norm EN 14206:2003, zijn vervaardigd. In afwijking
van artikel 10.02, tweede lid, onder d), mag hun lengte minder dan 4 m
bedragen. 13.
Doorgangsruimten die zijn
bestemd voor gebruik door personen met beperkte mobiliteit moeten een vrije
breedte van ten minste 1,30 m hebben en vrij zijn van drempels en opstaande
randen die een hoogte van 0,025 m te boven gaan. Wanden van doorgangsruimten
die zijn bestemd voor gebruik door personen met beperkte mobiliteit moeten zijn
voorzien van handrelingen op een hoogte van 0,90 m boven de vloer. 14.
Glazen deuren, glazen wanden
van doorgangsruimten en vensterruiten moeten van voorgespannen glas of van
gelaagd glas zijn vervaardigd. Zij mogen ook van kunststof zijn vervaardigd,
indien dit uit een oogpunt van brandveiligheid toelaatbaar is. Doorzichtige deuren en tot aan
de vloer doorlopende doorzichtige wanden van doorgangsruimten moeten opvallend
zijn gemarkeerd. 15.
Opbouwen of de daken daarvan
die volledig uit panoramaruiten bestaan en overdekkingen door dekzeilen of
dergelijke mobiele inrichtingen en constructies daaronder moeten dusdanig zijn
uitgevoerd, en mogen slechts van dusdanig materiaal zijn vervaardigd, dat
ingeval van schade de kans op verwonding van personen aan boord zo klein
mogelijk is. 16.
Drinkwaterinstallaties moeten
ten minste aan de eisen van artikel 12.05 voldoen. 17.
Er moeten toiletten voor
passagiers beschikbaar zijn. Ten minste één toilet moet volgens een betreffende
norm of voorschrift van een lidstaat van de Gemeenschap voor het gebruik door
personen met beperkte mobiliteit uitgevoerd zijn en via een passagiersverblijf
dat is bestemd voor het gebruik door personen met beperkte mobiliteit te
bereiken zijn. 18.
Hutten die geen venster hebben
dat geopend kan worden moeten zijn aangesloten op een airconditioning- of
ventilatiesysteem. 19.
Op verblijven waarin bemanning
of boordpersoneel is ondergebracht is dit artikel van overeenkomstige
toepassing. Artikel 15.07
Voortstuwingssysteem Behalve met het
hoofdvoortstuwingssysteem moet het schip zijn uitgerust met een tweede
onafhankelijk voortstuwingssysteem, dat garandeert dat het schip bij uitval van
het hoofdvoortstuwingssysteem zich op eigen kracht kan voortbewegen. Het tweede onafhankelijke
voortstuwingssysteem moet zich in een aparte machinekamer bevinden. Wanneer de
beide machinekamers gemeenschappelijke wanden hebben, moeten deze
overeenkomstig artikel 15.11, tweede lid, gebouwd zijn. Artikel 15.08
Veiligheidsinrichting
en -uitrusting 1.
Ieder passagiersschip moet beschikken over een
interne spreekverbinding als bedoeld in artikel 7.08. Deze moet bovendien de
bedrijfsruimten en — voorzover daar geen directe communicatiemogelijkheid
vanuit het stuurhuis aanwezig is — de plaatsen voor het embarkeren van
passagiers en de verzamelruimten voor passagiers als bedoeld in artikel 15.06,
achtste lid, omvatten. 2.
Alle passagiersverblijven
moeten met een luidsprekerinstallatie bereikt kunnen worden. De installatie
moet zo gedimensioneerd zijn dat de overgebrachte informatie duidelijk van
achtergrondlawaai kan worden onderscheiden. Voorzover er een directe
communicatiemogelijkheid vanuit het stuurhuis naar het passagiersgedeelte
aanwezig is, hoeft er aldaar geen luidspreker beschikbaar te zijn. 3.
Er moet een alarmsysteem
aanwezig zijn. Deze installatie moet zijn onderverdeeld in: a) een alarminstallatie
waarmee passagiers, bemanningsleden en leden van het boordpersoneel de leiding
van het schip en de bemanning kunnen alarmeren. Dit alarm mag slechts klinken
in de ruimten bestemd voor de scheepsleiding en voor de bemanning en mag
slechts door de scheepsleiding kunnen worden afgezet. Dit alarm moet ten minste
op de volgende plaatsen kunnen worden aangezet: aa) in iedere hut; bb) in gangen, liften en
trappenhuizen, zodanig dat de afstand naar de dichtstbijzijnde schakelaar ten
hoogste 10 m bedraagt, terwijl er tenminste één schakelaar per waterdichte
afdeling moet zijn; cc) in salons, eetzalen
en vergelijkbare verblijfsruimten; dd) in toiletten die zijn
bestemd voor gebruik door personen met beperkte mobiliteit; ee) in machinekamers,
keukens en vergelijkbare ruimten waar brand mogelijk is; ff) in koelruimten en
overige opslagruimten. De alarmknoppen moeten zijn
aangebracht op een hoogte tussen 0,85 m en 1,10 m boven de vloer. b) een alarminstallatie
waarmee de scheepsleiding de passagiers kan waarschuwen. Dit alarm moet duidelijk en
herkenbaar in alle voor passagiers toegankelijke ruimten kunnen worden
waargenomen. Het moet in het stuurhuis en op een permanent door
scheepspersoneel bezette plaats kunnen worden ingeschakeld. c) een alarminstallatie
voor het waarschuwen van de bemanning en het boordpersoneel door de
scheepsleiding Deze alarminstallatie
overeenkomstig artikel 7.09, lid 1, moet eveneens functioneren in de
verblijfsruimten voor het boordpersoneel, de koelruimten en andere
opslagruimten. De alarmschakelaars moeten
beschermd zijn tegen ongewild gebruik. 4.
Iedere waterdichte afdeling
moet zijn uitgerust met een lensalarm. 5.
Er moeten twee gemotoriseerde
lenspompen aan boord beschikbaar zijn. 6.
Een lenspompsysteem met
permanent geïnstalleerde pijpleidingen moet beschikbaar zijn. 7.
Koelruimten moeten, ook wanneer
de deur afgesloten is, van binnen uit kunnen worden geopend. 8.
Indien zich onderdelen van in
kasten opgestelde CO2-installaties in onderdeks gesitueerde ruimten bevinden,
moeten deze zijn voorzien van een automatische ventilatie, die automatisch in
werking treedt bij het openen van de deur of van het luik van deze ruimte. De
ventilatieschachten moeten reiken tot op 0,05 m van de bodem van deze ruimte. 9.
Behalve de verbandtrommel,
bedoeld in artikel 10.02, tweede lid, onder f), moeten er verdere
verbandtrommels in voldoende aantal aanwezig zijn. De verbandtrommels en de
plaats waar ze opgeborgen zijn moeten voldoen aan de eisen van artikel 10.02,
tweede lid, onder f). Artikel 15.09
Reddingsmiddelen 1.
Behalve de in artikel 10.05, eerste lid, genoemde
reddingsboeien moeten op alle voor passagiers bestemde, niet gesloten delen van
de dekken geschikte reddingsboeien beschikbaar zijn die aan beide zijden van
het schip op een afstand van telkens niet meer dan 20 m uit elkaar worden
geplaatst. Reddingsboeien worden als geschikt beschouwd als zij voldoen aan –
de Europese norm EN 14144:2003
of –
het Internationale Verdrag voor
de beveiliging van mensenlevens op zee van 1974 (SOLAS), Hoofdstuk III,
voorschrift 7.1 en de International Life-Saving Appliance (LSA-) Code, lid 2.1. De ene helft van alle
voorgeschreven reddingsboeien moet zijn voorzien van een drijvende lijn die ten
minste 30 m lang is en een doorsnede van 8 tot 11 mm heeft. De andere helft van
de voorgeschreven reddingsboeien moet zijn voorzien van een automatisch
ontbrandend licht, gevoed door batterijen, dat in het water niet kan uitgaan. 2.
Behalve de reddingsboeien als
bedoeld in het eerste lid moeten individuele reddingsmiddelen als bedoeld in
artikel 10.05, tweede lid, onder handbereik beschikbaar zijn voor alle leden
van het boordpersoneel. Voor alle leden van het boordpersoneel die geen taak
volgens de veiligheidsrol hebben zijn niet-opblaasbare of semi-automatisch
opblaasbare zwemvesten toegestaan volgens de in artikel 10.05, tweede lid,
bepaalde normen. 3.
Passagiersschepen moeten over
geschikte inrichtingen beschikken die personen op een veilige manier van boord
in ondiep water, aan de oever of aan boord van een ander vaartuig kunnen
brengen. 4.
Behalve de reddingsmiddelen als
bedoeld in het eerste en tweede lid moeten overeenkomstig artikel 10.05, tweede
lid, voor in totaal 100 % van het ten hoogste toegelaten aantal passagiers
individuele reddingsmiddelen aanwezig zijn. Niet-opblaasbare of
semi-automatisch opblaasbare zwemvesten zijn toegestaan overeenkomstig de in
artikel 10.05, tweede lid, bepaalde normen. 5.
Onder "gemeenschappelijke
reddingsmiddelen" vallen ook bijboten als bedoeld in artikel 10.04 en
reddingsvlotten. Reddingsvlotten moeten: a) over een opschrift
beschikken waaruit de bestemming blijkt en het aantal personen waarvoor ze
geschikt zijn; b) voldoende zitruimte
bieden voor het toegestane aantal personen; c) een drijfvermogen in
zoet water hebben van ten minste 750 N per persoon; d) voorzien zijn van een
met het passagiersschip verbonden touw om wegdrijven te vermijden; e) van geschikt
materiaal zijn vervaardigd en bestand zijn tegen olie en olieproducten, alsmede
tegen temperaturen tot 50 °C; f) drijvend een
stabiele ligging kunnen aannemen en behouden en voorzien zijn van geschikte
middelen waaraan het aangegeven aantal personen zich vast kunnen houden; g) een fluorescerende
oranje kleur hebben dan wel fluorescerende naar alle zijden zichtbare vlakken
hebben van ten minste 100 cm2; en h) vanaf de plaats waar
ze opgesteld zijn door één persoon snel en veilig over boord kunnen worden
gezet dan wel vanzelf boven drijven; en i) zijn voorzien van
passende inrichtingen voor evacuatie van de in artikel 15.06, lid 8, bedoelde
evacuatieruimten naar de reddingsvlotten, indien de verticale afstand tussen
het dek van de evacuatieruimten en het vlak van grootste inzinking groter is
dan 1 m. 6.
Extra gemeenschappelijke
reddingsmiddelen zijn uitrustingsstukken die het mogelijk maken meerdere
personen die zich te water bevinden drijvende te houden. Zij moeten: a) over een opschrift
beschikken waaruit de bestemming blijkt en het aantal personen waarvoor ze
geschikt zijn; b) een drijfvermogen in
zoet water hebben van ten minste 100 N per persoon; c) van geschikt
materiaal zijn vervaardigd en bestand zijn tegen olie en olieproducten, alsmede
tegen temperaturen tot 50 °C; d) drijvend een stabiele
ligging kunnen aannemen en behouden en voorzien zijn van geschikte middelen om
zich vast te houden voor het aangegeven aantal personen; e) een fluorescerende
oranje kleur hebben dan wel duurzaam aangebrachte fluorescerende naar alle
zijden zichtbare vlakken hebben van ten minste 100 cm2; en f) vanaf de plaats waar
ze opgesteld zijn door één persoon snel en veilig over boord kunnen worden
gezet dan wel vanzelf boven drijven. 7.
Opblaasbare gemeenschappelijke
reddingsmiddelen moeten bovendien: a) uit ten minste twee
gescheiden luchtkamers bestaan; b) bij het in het water
belanden zich automatisch opblazen of door handbediening kunnen worden
opgeblazen; en c) bij iedere mogelijke
belasting, ook wanneer slechts de helft van de luchtkamers is opgeblazen,
drijvend een stabiele ligging aannemen en behouden. 8.
Reddingsmiddelen moeten aan
boord zodanig zijn ondergebracht dat zij als het nodig is gemakkelijk en veilig
kunnen worden bereikt. Aan het gezicht onttrokken depots moeten duidelijk zijn
gemarkeerd. 9.
Reddingsmiddelen moeten zijn
getest volgens de indicaties van de fabrikant. 10.
De bijboot moet zijn uitgerust
met een motor en met een verstelbare schijnwerper. 11.
Er moet een geschikte draagbaar
beschikbaar zijn. Artikel 15.10
Elektrische
installaties 1.
Voor de verlichting zijn slechts elektrische
installaties toegestaan. 2.
Artikel 9.16, derde lid, geldt
bovendien ook voor gangen en ruimten waar passagiers verblijven. 3.
Een voldoende verlichting
alsmede een noodverlichting moet voor ten minste de volgende ruimten en
plaatsen aanwezig zijn: a) plaatsen waar
reddingsmiddelen worden bewaard en waar zij normaal voor het gebruik worden
gereedgemaakt; b) vluchtwegen,
instapplaatsen voor passagiers met inbegrip van loopplanken, toe- en uitgangen,
verbindingsgangen, liften en trappen van verblijven, hutten en woonruimten; c) markeringen van de
vluchtwegen en nooduitgangen; d) overige ruimten die
zijn bestemd voor gebruik door personen met beperkte mobiliteit; e) bedrijfsruimten,
machinekamers en roermachinekamers en de uitgangen daarvan; f) stuurhuis; g) ruimte voor de
noodkrachtbron; h) plaatsen waar zich
blustoestellen en de bediening van brandblusinstallaties bevinden; i) plaatsen waar de
passagiers, het boordpersoneel en de bemanning zich in noodgevallen verzamelen. 4.
Er moet een
noodstroominstallatie aanwezig zijn, die bestaat uit een noodstroombron en
noodschakelbord en die bij uitval van de voeding de stroomvoorziening van de
volgende elektrische inrichtingen kan overnemen; zij moet in staat zijn deze
gelijktijdig te voeden, voorzover deze inrichtingen niet van een eigen stroombron
zijn voorzien: a) navigatielantaarns; b) geluidssignaalinrichtingen; c) noodverlichting als
bedoeld in het derde lid; d) marifooninstallatie; e) alarm- en
luidsprekerinstallaties en installaties voor de interne communicatie aan boord; f) schijnwerpers als
bedoeld in artikel 10.02, tweede lid, onder i); g) brandmeldinstallatie; h) overige
veiligheidsinstallaties zoals automatische sprinklerinstallaties of
brandbluspompen; i) liften en hefinrichtingen
als bedoeld in artikel 15.06, negende lid, tweede zin. 5.
De lichtbronnen voor de
noodverlichting moeten als zodanig zijn gemarkeerd. 6.
De noodstroominstallatie moet
zijn aangebracht buiten de hoofdmachinekamer, buiten de ruimte waarin de
energiebronnen als bedoeld in artikel 9.02, eerste lid, ondergebracht zijn en
buiten de ruimte waarin het hoofdschakelbord staat opgesteld en van deze
ruimten door scheidingsvlakken als bedoeld in artikel 15.11, tweede lid, zijn
gescheiden. Kabels die elektrische
installaties in noodgevallen voeden, moeten zodanig zijn ingebouwd en
doorgeleid dat de continuïteit van de voeding van deze installaties in geval
van brand en overstroming gehandhaafd blijft. In ieder geval mogen deze kabels
niet door de hoofdmachinekamer, door keukens of door ruimten geleid worden
waarin de elektrische hoofdenergiebron en de daarbij behorende uitrusting
staan, behalve voorzover als het nodig is om ook deze ruimte van een
noodstroominstallatie te voorzien. De noodstroominstallatie moet
zijn opgesteld boven de indompelingsgrenslijn of zo ver mogelijk van de
elektrische hoofdenergiebron overeenkomstig artikel 9.02, lid 1, om te ervoor
te zorgen dat, in de in artikel 15.03, lid 9, vermelde lekke toestand, zij niet
tegelijk met deze energiebronnen onder water komt te staan. 7.
Als noodstroombron zijn
toegelaten: a) aggregaten met een
eigen onafhankelijke brandstofvoorziening en onafhankelijk koelsysteem, die bij
het uitvallen van het hoofdnet automatisch moeten aanlopen en binnen 30
seconden de stroomvoorziening automatisch moeten kunnen overnemen, dan wel,
indien zij zich bevinden in de onmiddellijke nabijheid van het stuurhuis of een
andere plaats waar voortdurend leden van de bemanning aanwezig zijn, met de
hand kunnen worden gestart; b) accumulatoren die bij
uitvallen van het hoofdnet automatisch de stroomvoorziening overnemen, dan wel,
indien zij zich in de onmiddellijke nabijheid van het stuurhuis of een andere
plaats waar voortdurend leden van de bemanning aanwezig zijn, met de hand
kunnen worden ingeschakeld. Zij moeten in staat zijn om de aangegeven installaties
gedurende de voorgeschreven tijd zonder oplading en zonder ontoelaatbaar
spanningsverlies te voeden. 8.
De voor de
noodstroomvoorziening benodigde bedrijfsduur wordt bepaald naar gelang het
gebruiksdoel van het passagiersschip, maar mag niet minder dan 30 minuten
bedragen. 9.
De isolatieweerstanden en de
aarding van de elektrische systemen moeten worden getest tijdens de
onderzoeken, bedoeld in artikel 2.09. 10.
De energiebronnen, bedoeld in
artikel 9.02, eerste lid, moeten onafhankelijk van elkaar zijn uitgevoerd. 11.
Storingen in de hoofd- of
noodstroominstallatie mogen geen aanleiding kunnen zijn tot onderlinge
beïnvloeding van de bedrijfszekerheid van de inrichtingen. Artikel 15.11
Brandbeveiliging 1.
De technische geschiktheid van materialen en
onderdelen op het gebied van brandbescherming moet worden vastgesteld door een
geaccrediteerd testinstituut op grond van geschikte testmethoden. a) Het testinstituut
moet voldoen aan: aa) de code voor
brandtestmethoden of bb) de Europese norm EN
ISO/IEC 17025: 2000, inzake de algemene eisen aan de kundigheid van test- en
kalibreerlaboratoria. b) Erkend als
testmethoden ten behoeve van het vaststellen van de onbrandbaarheid van
materialen zijn: aa) bijlage 1, deel 1,
van de code voor brandtestmethoden en bb) gelijkwaardige voorschriften
van een lidstaat. c) Erkend als
testmethoden ten behoeve van het moeilijk ontvlambaar zijn van materialen zijn: aa) de voor de
verschillende punten van toepassing zijnde eisen van bijlage 1, deel 5
(ontvlambaarheidstest van het oppervlak), deel 6 (test van dekbedekking), deel 7
(test van stofferingen en kunststoffen), deel 8 (test van gestoffeerd
meubilair) en deel 9 (test van onderdelen van beddengoed) van de code voor
brandtestmethoden en bb) gelijkwaardige
voorschriften van een lidstaat. d) Erkend als
testmethoden ten behoeve van het vaststellen van brandbestendigheid zijn: aa) Bijlage I, deel 3,
van de code voor brandtestprocedures, en bb) gelijkwaardige
voorschriften van een lidstaat. e) De commissie van
deskundigen kan in overeenstemming met de code voor brandtestmethoden een test
voor een modelscheidingsvlak voorschrijven teneinde zeker te stellen dat aan de
in lid 2 vermelde voorschriften inzake weerstandsvermogen en
temperatuurverhoging is voldaan. 2.
Scheidingsvlakken a) van ruimten moeten worden
uitgevoerd in overeenstemming met de volgende tabellen: aa) Tabel voor
scheidingsvlakken van ruimten waarin geen sprinklerinstallaties als bedoeld in
artikel 10.03a zijn geïnstalleerd Ruimten || Controle-posten || Trappen-schachten || Verzamel-ruimten || Verblijfs-ruimten || Machine-kamers || Keukens || Voorraad-ruimten Controleposten || - || A0 || A0/B151) || A30 || A60 || A60 || A30/A605) Trappenschachten || || - || A0 || A30 || A60 || A60 || A30 Verzamelruimten || || || - || A30/B152) || A60 || A60 || A30/A605) Verblijfsruimten || || || || -/A0/B153) || A60 || A60 || A30 Machinekamers || || || || || A60/A04) || A60 || A60 Keukens || || || || || || A0 || A30/B156) Voorraadruimten || || || || || || || - bb) Tabel voor
scheidingsvlakken van ruimten waarin sprinklerinstallaties als bedoeld in
artikel 10.03a zijn geïnstalleerd Ruimten || Controle-posten || Trappen-schachten || Verzamel-ruimten || Verblijfs-ruimten || Machine-kamers || Keukens || Voorraad-ruimten Controleposten || - || A0 || A0/ B15 1) || A0 || A60 || A30 || A0/A305) Trappenschachten || || - || A0 || A0 || A60 || A30 || A0 Verzamelruimten || || || - || A30/B15 2) || A60 || A30 || A0/A305) Verblijfsruimten || || || || -/B15/ B 03) || A60 || A30 || A0 Machinekamers || || || || || A60/A0 4) || A60 || A60 Keukens || || || || || || - || A0/B156) Voorraadruimten || || || || || || || - 1) Scheidingsvlakken tussen controleposten en binnen het schip gelegen verzamelruimten voldoen aan type A0, in het geval van buiten gelegen verzamelruimten echter aan type B15. 2) Scheidingsvlakken tussen verblijfsruimten en binnen het schip gelegen verzamelruimten voldoen aan type A30, in het geval van buiten gelegen verzamelruimten echter aan type B15. 3) Wanden tussen hutten, wanden tussen hutten en gangen en verticale scheidingsvlakken van passagiersverblijven, als bedoeld in lid 10, voldoen aan type B15 en ruimten met sprinklerinstallaties aan type B0. Wanden tussen hutten en sauna's voldoen aan type A0 en ruimten met sprinklerinstallaties aan type B15. 4) Scheidingsvlakken tussen machinekamers, bedoeld in artikel 15.07 en artikel 15.10, lid 6, voldoen aan type A60, en in andere gevallen aan type A0. 5) Wanden tussen voorraadruimten waar brandbare vloeistoffen zijn opgeslagen en controleposten en verzamelruimten voldoen aan type A60 en ruimten met sprinklerinstallaties aan type A30. 6) Voor scheidingsvlakken tussen keukens en koelruimten of voorraadruimten voor levensmiddelen volstaat B15. b) scheidingsvlakken van
het type "A" zijn schotten, wanden en dekken, die aan de volgende
eisen voldoen: aa) Ze zijn vervaardigd
van staal of een ander gelijkwaardig materiaal. bb) Ze zijn op een
geschikte wijze versterkt; cc) Ze zijn zodanig
geïsoleerd met een toegelaten onbrandbaar materiaal, dat de gemiddelde
temperatuur aan de van de brand afgekeerde zijde niet meer dan 140 °C
boven de begintemperatuur stijgt en op geen enkele plaats met inbegrip van de
verbindingen een temperatuurverhoging van meer dan 180 °C boven de
begintemperatuur plaatsvindt binnen de hierna aangegeven tijdsduur: type A60 — 60 minuten type A30 — 30 minuten type A0 — 0 minuten; dd) Ze zijn zodanig
gebouwd, dat ze de doorvoer van rook en vuur verhinderen tot aan het einde van
de standaardbrandtest van één uur. c) scheidingsvlakken van
het type „B” zijn schotten, wanden, dekken, dekens of bekledingen, die aan de
volgende eisen voldoen: aa) Ze bestaan uit een
toegelaten onbrandbaar materiaal, en alle materialen die voor de constructie en
het installeren van de scheidingsvlakken worden toegepast zijn onbrandbaar met
uitzondering van oppervlaktemateriaal dat ten minste moeilijk ontvlambaar moet
zijn. bb) Ze hebben een zodanige
isolatiewaarde dat de gemiddelde temperatuur aan de van de brand afgekeerde
zijde niet meer dan 140 °C boven de begintemperatuur stijgt en op geen enkele
plaats met inbegrip van de verbindingen een temperatuurverhoging van meer dan 225 °C
boven de begintemperatuur plaatsvindt binnen de hierna aangegeven tijdsduur: type B15 — 15 minuten type B0 — 0 minuten. cc) Ze zijn zodanig
gebouwd dat ze de doorvoer van vuur verhinderen tot aan het eind van het eerste
half uur van de standaardbrandtest. 3.
In ruimten, met uitzondering
van machinekamers en voorraadruimten, toegepaste verf, lak en andere producten
voor het behandelen van oppervlakken, alsmede bedekking van dekken moeten
moeilijk ontvlambaar zijn. Vaste vloerbedekking, stoffen, gordijnen en andere
hangende materialen van textiel, alsmede gestoffeerde meubels en beddengoed,
moeten moeilijk ontvlambaar zijn voorzover de ruimten waarin ze zich bevinden
niet beschikken over een automatisch werkende sprinklerinstallatie als bedoeld
in artikel 10.03a. 4.
De in ruimten voor passagiers
aangebrachte plafonds en stofferingen van wanden met inbegrip van de
constructies daaronder moeten, voor zover die ruimten niet over een automatisch
werkende sprinklerinstallatie beschikken als bedoeld in artikel 10.03a, van
onbrandbaar materiaal zijn vervaardigd met uitzondering van de oppervlakken
ervan, die ten minste moeilijk ontvlambaar moeten zijn. De eerste volzin is
niet van toepassing op sauna's. 5.
Meubels en constructies in
verblijfsruimten waarin zich verzamelruimten bevinden, moeten, voorzover die
ruimten niet beschikken over een automatisch werkende sprinklerinstallatie als
bedoeld in artikel 10.03a, van onbrandbaar materiaal zijn vervaardigd. 6.
Verf, lak en andere stoffen die
worden toegepast op onbeschermde oppervlakken aan de binnenkant, mogen bij
brand niet meer dan normale hoeveelheden rook en giftige stoffen ontwikkelen.
Dit moet worden aangetoond met toetsing aan de code voor brandtestmethoden. 7.
Isolatiemateriaal in
verblijfsruimten moet onbrandbaar zijn. Dit geldt niet voor isolaties van
leidingen voor koelvloeistof. De oppervlakken van de isolatie van deze
leidingen moeten ten minste moeilijk ontvlambaar zijn. 7a. Dekzeilen
of dergelijke mobiele inrichtingen, waarmee dekzones gedeeltelijk of geheel
worden overdekt, evenals constructies daaronder moeten moeilijk ontvlambaar
zijn. 8.
Deuren in scheidingsvlakken als
bedoeld in het tweede lid moeten aan de volgende eisen voldoen: a) Ze moeten aan
dezelfde eisen, bedoeld in het tweede lid, voldoen als de scheidingsvlakken
zelf. b) Ze moeten, voorzover
het deuren in scheidingsvlakken, bedoeld in het tiende lid, dan wel deuren in
wanden die machinekamers omsluiten, keukens en trappen betreft, automatisch
sluitend zijn. c) Automatisch sluitende
deuren die bij een normale situatie open staan, moeten ter plaatse en vanuit
een permanent door boordpersoneel of bemanningsleden bezette plaats kunnen
worden gesloten. Na sluiting op afstand moet de deur ter plaatse opnieuw
geopend en veilig gesloten kunnen worden. d) Waterdichte deuren
als bedoeld in artikel 15.02 hoeven niet te worden geïsoleerd. 9.
Wanden als bedoeld in het
tweede lid moeten van dek tot dek opgetrokken zijn, dan wel eindigen bij doorlopende
plafonds die aan dezelfde eisen, bedoeld in het tweede lid, voldoen. 10.
De volgende passagiersruimten
moeten zijn onderverdeeld met verticale scheidingsvlakken als bedoeld in het
tweede lid: a) Passagiersruimten met
een totale oppervlakte van meer dan 800 m2; b) Passagiersruimten
waarin zich hutten bevinden met tussenruimten van ten hoogste 40 m. Deze verticale
scheidingsvlakken wanden moeten onder normale omstandigheden rookdicht en van
dek tot dek zijn opgetrokken. 11.
Holle ruimten boven de
plafonds, onder vloeren en achter wandbekleding moeten met tussenruimten van
ten hoogste 14 m door niet brandbare, ook bij brand goed afsluitende,
tochtkleppen gescheiden zijn. 12.
Trappen moeten van staal of een
ander gelijkwaardig onbrandbaar materiaal zijn vervaardigd. 13.
Inwendig gelegen trappen en
liften moeten op alle niveaus door wanden als bedoeld in het tweede lid zijn
omgeven. De volgende uitzonderingen kunnen worden toegestaan: a) Een trap die slechts
tussen twee dekken ligt hoeft niet in een schacht te liggen, wanneer de trap op
één dek door wanden als bedoeld in het tweede lid is omgeven. b) In een
verblijfsruimte hoeven trappen niet in een schacht te liggen, wanneer ze
volledig binnen deze ruimte liggen en aa) wanneer deze ruimte
niet meer dan 2 dekken omvat dan wel bb) indien in deze ruimte
op alle dekken een automatisch werkende sprinklerinstallatie als bedoeld in
artikel 10.03a is geïnstalleerd, deze ruimte beschikt over een installatie voor
het afzuigen van rook als bedoeld in het zestiende lid en deze ruimte op alle
dekken een toegang tot een trappenschacht heeft. 14.
Ventilatie- en
airconditioningsystemen moeten aan de volgende eisen voldoen: a) Ze moeten zodanig
zijn uitgevoerd dat vuur en rook zich niet via deze systemen kunnen
verspreiden. b) Openingen voor toe-
en afvoer van lucht en airconditioningsystemen moeten kunnen worden afgesloten. c) Ventilatiekanalen
moeten van staal of een gelijkwaardig onbrandbaar materiaal zijn vervaardigd en
op een veilige wijze met elkaar en met de scheepsconstructie verbonden zijn. d) Indien
ventilatiekanalen met een doorsnede van meer dan 0,02 m2 door scheidingsvlakken
van type A als bedoeld in het tweede lid of door scheidingsvlakken als bedoeld
in het tiende lid lopen, moeten ze zijn uitgerust met automatische brandkleppen
die vanaf een permanent door het boordpersoneel of leden van de bemanning
bezette plaats kunnen worden bediend. e) Ventilatiesystemen
voor keuken en machinekamers moeten zijn gescheiden van ventilatiesystemen die
voor andere ruimten werken. f) Ontluchtingskanalen
moeten voorzien zijn van afsluitbare openingen ten behoeve van controle en
reiniging. De betreffende openingen moeten in de nabijheid van de brandkleppen
zijn aangebracht. g) Ingebouwde
ventilatoren moeten kunnen worden uitgeschakeld vanaf een centrale plaats
buiten de machinekamer. 15.
Keukens moeten voorzien zijn
van een ventilatiesysteem en keukenfornuizen met een afzuiging. De
ontluchtingskanalen van de afzuigingen moeten voldoen aan de eisen als bedoeld
in het veertiende lid en bovendien zijn voorzien van handbediende brandkleppen
aan de ingangsopeningen. 16.
Controleposten,
trappenschachten en binnen het schip gelegen verzamelruimten moeten zijn
voorzien van inrichtingen voor het afzuigen van rook via een natuurlijke of
machinale weg. Inrichtingen voor het afzuigen van rook moeten aan de volgende
eisen voldoen: a) Ze moeten voldoende
capaciteit hebben en betrouwbaar zijn. b) Ze moeten passen bij
de bedrijfsomstandigheden van het passagiersschip. c) Indien inrichtingen
voor het afzuigen van rook ook dienen voor de algemene ventilatie van de
ruimten mag daardoor hun functie als inrichting voor het afzuigen van rook in
geval van brand niet worden gehinderd. d) Inrichtingen voor het
afzuigen van rook moeten voorzien zijn van een handmatige inschakeling. e) Machinale
inrichtingen voor het afzuigen van rook moeten bovendien vanaf een permanent
door boordpersoneel of leden van de bemanning bezette plaats kunnen worden
bediend. f) Inrichtingen voor
afzuiging van rook via natuurlijke weg moeten zijn voorzien van een handmatig
te bedienen openingsmechanisme of met een energiebron binnen deze inrichtingen. g) Handmatig te bedienen
inschakelinrichtingen en openingsmechanismen moeten van binnen en van buiten de
te beschermen ruimte bereikbaar zijn. 17.
Verblijfsruimten waarop niet
permanent door boordpersoneel en leden van de bemanning wordt gelet, keukens,
machinekamers en andere bedreigde ruimten moeten op een doelmatige
brandmeldinstallatie zijn aangesloten. De aanwezigheid van een brand alsmede de
plaats daarvan moeten automatisch worden gemeld op een permanent door
boordpersoneel of leden van de bemanning bezette plaats. Artikel 15.12
Brandbestrijding 1.
Behalve de draagbare blustoestellen als bedoeld in
artikel 10.03 moeten ten minste de volgende draagbare blustoestellen aanwezig
zijn: a) één draagbaar
blustoestel voor elke 120 m2 bruto vloeroppervlak van de
verblijfsruimten voor passagiers; b) één draagbaar
blustoestel per tien hutten of deel daarvan; c) één draagbaar
blustoestel in iedere keuken en in de nabijheid van iedere ruimte waarin
brandbare vloeistoffen worden opgeslagen of gebruikt. In keukens moet het
blusmiddel tevens geschikt zijn voor het blussen van branden met vet. Deze extra brandblussers
moeten voldoen aan de eisen, bedoeld in artikel 10.03, tweede lid, en zo
opgesteld en over het schip verdeeld zijn dat bij een brandhaard altijd op elke
plaats een blustoestel direct bereikbaar is. In iedere keuken alsmede in
kapsalons en parfumerieën moet een branddeken binnen handbereik zijn. 2.
Passagiersschepen moeten zijn
voorzien van een blusinstallatie, die bestaat uit: a) twee bluspompen
waarvan er één vast is opgesteld, die door een motor worden aangedreven en
voldoende capaciteit hebben, b) een brandblusleiding
met een voldoende aantal brandkranen, met daaraan vast aangesloten ten minste 20
m lange brandslangen met straalpijp, die geschikt is om zowel een sproeinevel
als een waterstraal voort te brengen en die van een afsluitmogelijkheid is
voorzien. 3.
Blusinstallaties moeten zodanig
zijn uitgevoerd en een zodanige capaciteit hebben dat: a) elke willekeurige
plaats van het schip door ten minste twee stralen water, niet afkomstig van
dezelfde brandkraan en met voor elk slechts een slanglengte van ten hoogste 20
m, kan worden bestreken; b) de druk bij de
brandkranen ten minste 300 kPa bedraagt; en c) op alle dekken een
lengte van de waterstralen van ten minste 6 m kan worden bereikt. Wanneer er brandbluskasten
aanwezig zijn moeten deze aan de buitenkant zijn voorzien van een symbool voor
„brandslang” volgens schets 5 van aanhangsel I met een lengte van de zijde van 10
cm. 4.
Aansluitingen van
blusinstallaties met schroefdraad of kraan moeten zo zijn afgesteld dat elk van
de brandslangen bij draaiende bluspompen afgekoppeld en verwijderd kan worden. 5.
Brandslangen binnen in het schip
moeten zijn opgerold op een axiaal aangebrachte haspel. 6.
Materiaal voor inrichtingen
voor brandbestrijding moeten ofwel hittebestendig ofwel voldoende zijn
beschermd tegen uitvallen bij hitte. 7.
Pijpleidingen en
blusinstallaties moeten zodanig zijn aangebracht dat de kans op bevriezen wordt
vermeden. 8.
De twee bluspompen moeten: a) niet in dezelfde
ruimte zijn opgesteld of geplaatst worden; b) onafhankelijk van
elkaar kunnen functioneren; c) ieder op zich op alle
dekken in staat zijn om de noodzakelijke druk op de blusinstallatie te houden
en de vereiste lengte van de waterstraal te bereiken; d) voor het hekschot
zijn opgesteld. Brandbluspompen mogen worden
gebruikt voor algemene bedrijfsmatige taken. 9.
Machinekamers moeten zijn
uitgerust met een vast ingebouwde brandblusinstallatie als bedoeld in artikel 10.03b. 10.
Op hotelschepen moeten
beschikbaar zijn: a) twee
ademhalingsapparaten die onafhankelijk van de omgevingslucht werken en voldoen
aan de Europese norm EN 137:1993, met volledig masker overeenkomstig de Europese
norm EN 136:1998; b) twee
uitrustingspakketten die ten minste bestaan uit veiligheidskleding, helm,
laarzen, handschoenen, bijl, koevoet, zaklamp en geleidingslijn, alsmede c) vier vluchtmaskers. Artikel 15.13
Veiligheidsorganisatie 1.
Op ieder passagiersschip moet een veiligheidsrol
aanwezig zijn. Hierin worden de instructies voor de bemanning en het
boordpersoneel voor de volgende gevallen omschreven: a) averij van het schip, b) brand aan boord, c) evacuatie van de
passagiers, d) man overboord. Bijzondere
veiligheidsmaatregelen die nodig zijn voor personen met beperkte mobiliteit
moeten in de veiligheidsrol zijn opgenomen. De verschillende taken moeten
aan de leden van de bemanning en van het boordpersoneel die in het kader van de
veiligheidsrol moeten optreden in overeenstemming met hun functie zijn
toegedeeld. In het bijzonder moet door speciale aanwijzingen zeker gesteld
zijn, dat alle deuren en openingen in waterdichte schotten als bedoeld in
artikel 15.02 in geval van gevaar onmiddellijk waterdicht gesloten worden. 2.
Bij de veiligheidsrol behoort
een veiligheidsplan van het schip, waarop duidelijk en overzichtelijk ten
minste zijn aangegeven: a) ruimten die zijn
bestemd voor gebruik door personen met beperkte mobiliteit; b) vluchtwegen,
nooduitgangen, verzamel- en evacuatieruimten overeenkomstig artikel 15.06, lid 8; c) reddingsmiddelen en
bijboten; d) blustoestellen,
brandblusinstallaties en automatisch werkende sprinklerinstallaties; e) overige
veiligheidsuitrusting; f) alarminstallatie,
bedoeld in artikel 15.08, derde lid, onder a); g) alarminstallatie,
bedoeld in artikel 15.08, derde lid, onder b) en c); h) deuren in schotten,
bedoeld in artikel 15.02, vijfde lid, en de plaatsen van waaruit deze worden
bediend, alsook overige openingen, bedoeld in artikel 15.02, negende, tiende en
dertiende lid, en artikel 15.03, twaalfde lid; i) deuren, bedoeld in
artikel 15.11, achtste lid; j) brandkleppen; k) brandmeldinstallatie; l) noodstroominstallatie; m) schakelaars van
ventilatiesystemen; n) walaansluitingen; o) afsluiters van
brandstofleidingen; p) vloeibaargasinstallaties; q) luidsprekerinstallaties; r) marifooninstallaties; s) verbandtrommels. 3.
De veiligheidsrol, bedoeld in
het eerste lid, en het veiligheidsplan, bedoeld in het tweede lid, moeten: a) door de commissie van
deskundigen zijn gewaarmerkt en b) op ieder dek op
geschikte plaatsen duidelijk zichtbaar zijn opgehangen. 4.
In elke hut moeten de nodige
instructies aanwezig zijn voor het gedrag van de passagiers alsmede een verkort
veiligheidsplan waarin alleen de indicaties, bedoeld in het tweede lid onder a)
tot en met f), zijn opgenomen. Deze instructies moeten ten
minste bevatten a) Aangeven van
noodsituaties: –
brand –
lek raken van het schip –
algemeen gevaar; b) Beschrijving van de
verschillende noodsignalen; c) Aanwijzingen met
betrekking tot: –
vluchtweg –
gedrag –
bewaren van kalmte; d) Aanwijzingen met
betrekking tot: –
roken –
gebruik van vuur en open licht –
openen van vensters –
gebruik van bepaalde
inrichtingen. Deze instructies moeten in het
Duits, Engels, Frans en Nederlands beschikbaar zijn. Artikel 15.14
Voorzieningen
voor het verzamelen en het verwijderen van huishoudelijk afvalwater 1.
Passagiersvaartuigen moeten zijn uitgerust met
verzameltanks voor huishoudelijk afvalwater overeenkomstig lid 2 van dit
artikel of met passende boordzuiveringsinstallaties overeenkomstig hoofdstuk 14a. 2.
Tanks voor het verzamelen van
afvalwater moeten voldoende capaciteit hebben. De tanks moeten zijn voorzien
van een inrichting waarmee het niveau kan worden vastgesteld, dan wel hoever de
tank gevuld is. Om de tanks leeg te maken moeten aan boord pompen en leidingen
aanwezig zijn waarmee het afvalwater op aanlegplaatsen aan beide zijden van het
schip kan worden afgegeven. Doorvoer van afvalwater van andere schepen moet
mogelijk zijn. De leidingen moeten zijn
voorzien van een aansluiting voor afgifte overeenkomstig de Europese norm EN 1306:1996. Artikel 15.15
Afwijkingen voor
bepaalde passagiersschepen 1.
Passagiersschepen die voor het vervoer van minder
dan 50 passagiers zijn toegelaten en waarvan de lengte LWL niet groter is dan 25
m moeten blijk geven van voldoende lekstabiliteit als bedoeld in artikel 15.03,
zevende tot en met dertiende lid, of, in plaats daarvan, aantonen dat zij aan
de volgende criteria voldoen in symmetrische leksituaties: a) het schip mag maximaal tot
aan de indompelingsgrenslijn inzinken, en b) de resterende
metacentrische hoogte GMR mag niet kleiner zijn dan 0,10 m. Het benodigde resterende
opdrijvend vermogen moet worden gegarandeerd door de juiste keuze van het materiaal
van de scheepshuid of door drijflichamen van blokken schuim, die vast met de
romp verbonden zijn. Voor schepen met een lengte van meer dan 15 m mag het
resterend opdrijvend vermogen door een combinatie van drijflichamen en
schotindeling voor de 1-compartimentstatus als bedoeld in artikel 15.03 zijn
verzekerd. 2.
De commissie van deskundigen
kan bij passagiersschepen als bedoeld in het eerste lid kleine afwijkingen
toelaten van de bij artikel 15.06, derde lid, onder c), en vijfde lid, onder
b), vereiste vrije hoogte. De afwijking mag niet meer zijn dan 5 %. In geval
van afwijkingen moeten de betreffende plaatsen in het schip met verf worden
gemarkeerd. 3.
In afwijking van artikel 15.03,
negende lid, behoeven passagiersschepen die voor het vervoer van ten hoogste 250
passagiers zijn toegelaten en waarvan de lengte niet groter is dan 45 m niet te
voldoen aan de 2-compartimentstatus. 4.
(Zonder inhoud)) 5.
De commissie van deskundigen
kan bij passagiersschepen die zijn toegelaten voor het vervoer van ten hoogste 250
passagiers en waarvan de lengte niet meer is dan 25 m, afzien van het moeten
voldoen aan artikel 10.04, indien het passagiersschip is uitgerust met een van
twee kanten bereikbaar platform vlak boven de waterlijn dat het mogelijk maakt
personen uit het water te redden. Het passagiersschip mag van een vergelijkbare
inrichting zijn voorzien, in welk geval: a) voor de bediening van
de inrichting één persoon volstaat; b) mobiele inrichtingen
toegestaan zijn; c) de inrichting zich
buiten de gevarenzone van de middelen tot voortbeweging bevinden moet, en d) een effectieve
communicatie tussen de schipper en de persoon die de inrichting bedient
mogelijk moet zijn. 6.
De commissie van deskundigen
kan bij passagiersschepen die zijn toegelaten voor het vervoer van ten hoogste 600
passagiers en waarvan de lengte niet meer bedraagt dan 45 m, afzien van het
moeten voldoen aan artikel 10.04, indien het passagiersschip is uitgerust met
een platform overeenkomstig het vijfde lid, eerste zin, dan wel met een
vergelijkbare inrichting als een platform als bedoeld in het vijfde lid, tweede
zin. Bovendien moet het passagiersschip beschikken over: a) als hoofdaandrijving
een roerpropeller, een cycloïdaalschroef of een waterstraalaandrijving, of b) een hoofdaandrijving
met 2 voortstuwingsorganen, of c) een hoofdaandrijving
en een boegschroefinstallatie. 7.
In afwijking van artikel 15.02,
negende lid, mag op passagiersschepen waarvan de lengte niet meer bedraagt dan 45
m en waarvan het ten hoogste toegelaten aantal passagiers overeenkomt met de
lengte van het schip in meters, een handbediende deur die niet op afstand kan
worden bediend, in een schot als bedoeld in artikel 15.02, vijfde lid, in de
verblijfsruimte voor passagiers aanwezig zijn, indien: a) het schip slechts één
dek heeft; b) deze deur vanaf het
dek direct te bereiken is en niet meer dan 10 m van de toegang tot het dek
verwijderd is; c) de onderkant van de
deuropening ten minste 30 cm boven de bodem van de verblijfsruimte voor
passagiers is gelegen, en d) de beide afdelingen
die door de deur worden gescheiden zijn uitgerust met een lensalarm. 8.
In afwijking van artikel 15.06,
zesde lid, onder c), mag op passagiersschepen als bedoeld in het zevende lid
een vluchtweg door een keuken leiden, indien een tweede vluchtweg beschikbaar
is. 9.
Voor passagiersschepen waarvan
de lengte niet meer bedraagt dan 45 m, geldt artikel 15.01, tweede lid, onder
e), niet, wanneer de vloeibaargasinstallaties met geschikte alarminstallaties
voor gezondheidsbedreigende concentraties van CO alsmede voor explosieve
gasmengsels zijn uitgerust. 10.
De volgende voorschriften
gelden niet voor passagiersschepen waarvan de lengte LWL niet meer bedraagt dan
25 m: a) artikel 15.04, eerste
lid, laatste zin; b) artikel 15.06, zesde
lid, onder c), voorzover het keukens betreft, indien een tweede vluchtweg
beschikbaar is; c) artikel 15.07. 11.
Op hotelschepen waarvan de
lengte niet meer bedraagt dan 45 m, is artikel 15.12, tiende lid, niet van
toepassing voorzover in iedere hut vluchtmaskers, in een aantal dat overeenkomt
met de zich in die hut bevindende bedden, direct bereikbaar aanwezig zijn. HOOFDSTUK 15a BIJZONDERE BEPALINGEN VOOR ZEILENDE PASSAGIERSSCHEPEN Artikel 15a.01
Toepasselijkheid
van deel II Naast de bepalingen van
deel II gelden voor zeilende passagiersschepen de bepalingen van dit hoofdstuk. Artikel 15a.02
Afwijkingen voor
bepaalde zeilende passagiersschepen 1.
Voor zeilende passagiersschepen waarvan de LWL niet
meer bedraagt dan 45 m en waarvan het hoogste toegestane aantal passagiers niet
meer bedraagt dan LWL in gehele meters, gelden de volgende bepalingen niet: a) artikel 3.03, lid 7,
voorzover het anker niet binnen de buitenhuid is weggewerkt; b) artikel 10.02, lid 2,
onder d), met betrekking tot de lengte; c) artikel 15.08, lid 3,
onder a); d) artikel 15.15, lid 9, onder
a). 2.
In afwijking van lid 1 kan het
aantal passagiers worden verhoogd tot anderhalf maal LWL in gehele meters
indien de zeilvoering en de inrichting van het dek dit toelaten. Artikel 15a.03
Stabiliteitseisen
voor schepen onder zeil 1.
Voor de berekening van het kenterend moment volgens
artikel 15.03, lid 3, moet bij de vaststelling van het zwaartepunt van het
schip het opgedoekte zeil in de berekening worden meegenomen. 2.
Met inachtneming van alle
beladingstoestanden volgens artikel 15.03, lid 2, en bij een standaard
zeilvoering mag het door de winddruk veroorzaakte kenterend moment niet zo hoog
zijn dat de hoek van slagzij groter wordt dan 20°. Daarbij moet: a) voor de berekening van een
gelijk blijvende winddruk van 0,07 kN/m2 aangehouden worden; b) de resterende
veiligheidsafstand minstens 100 mm bedragen; en mag: c) het resterende vrijboord
niet negatief zijn. 3.
De oprichtende arm van
statische stabiliteit moet bij een hoek van slagzij a) van 25° of meer zijn
maximale waarde bereiken; b) van 30° of meer minstens 200
mm bedragen; c) tot 60° positief zijn. 4.
Het vlak onder de kromme van de
oprichtende armen van statische stabiliteit mag a) tot 30° niet minder
dan 0,055 mrad bedragen; b) tot 40° of bij de
hoek waarbij een onafgeschermde opening onder water raakt en die kleiner is dan
40°, niet minder dan 0,09 mrad bedragen. tussen c) 30° en 40°, of d) 30° en de hoek
waarbij een onafgeschermde opening onder water raakt en die kleiner is dan 40°, mag dit vlak niet onder 0,03
mrad liggen. Artikel 15a.04
Scheepsbouw- en
werktuigbouwkundige eisen 1.
In afwijking van artikel 6.01, lid 3, en artikel 9.01,
lid 3, moeten de installaties op een permanente slagzij van het schip tot 20°
berekend zijn. 2.
In afwijking van artikel 15.06,
lid 5, onder a), en artikel 15.06, lid 9, onder b), kan de commissie van
deskundigen voor zeilende passagiersschepen waarvan de lengte niet meer
bedraagt dan 25 m, een kleinere vrije breedte voor de verbindingsgangen en
-trappen dan 800 mm toestaan. Deze breedte mag echter niet minder zijn dan 600
mm. 3.
In afwijking van artikel 15.06,
lid 10, onder a), kan de commissie van deskundigen in bijzondere gevallen
wegneembare relingen toestaan, op plaatsen waar de zeilvoering dat noodzakelijk
maakt. 4.
In de zin van artikel 15.07
gelden de zeilen als hoofdaandrijfsysteem. 5.
In afwijking van artikel 15.15,
lid 7, onder c), mag de hoogte van de onderkant van de deuropening tot 200 mm
boven de bodem van de passagiersruimte verminderd worden. Daarbij moet de deur
zich na het openen automatisch sluiten en vergrendelen. 6.
Indien de schroef gedurende het
zeilen loos meedraaien, moeten voorzieningen zijn getroffen om schade aan de
delen van de voortstuwingsinstallatie die gevaar lopen, te voorkomen. Artikel 15a.05
Tuigage algemeen 1.
De tuigage is zodanig ingericht dat ontoelaatbaar schavielen
vermeden wordt. 2.
Bij gebruik van een ander
materiaal dan hout of bij gebruik van bijzondere tuigvormen moeten constructies
worden toegepast die een gelijkwaardige veiligheid waarborgen als de in dit
hoofdstuk voorgeschreven afmetingen en sterktes. Ter staving van voldoende
sterkte moet: a) een sterkteberekening
worden opgesteld; b) de voldoende sterkte
door een erkend classificatiebureau bevestigd zijn, of c) de dimensionering uit
een erkende berekeningsmethode zijn afgeleid (bv. Middendorf; Kusk-Jensen). Een document ter staving van
de voldoende sterkte moet aan de commissie van deskundigen worden overgelegd. Artikel 15a.06
Masten en
rondhouten algemeen 1.
Het materiaal van alle rondhouten is van goede
kwaliteit. 2.
Hout voor masten moet voldoen
aan de volgende vereisten: a) vrij van concentraties van
kwasten; b) binnen de vereiste diktes
spintvrij; c) zoveel mogelijk
rechtdradig; d) zo min mogelijk gedraaid
gegroeid. 3.
Bij gebruik van de houtsoorten
Pitchpine of Oregonpine (van de kwaliteit "clear and better") geldt
een reductie van 5 % op de diameters in de tabellen van de artikelen 15a.07 tot
en met 15a.12. 4.
Indien masten en rondhouten
zonder ronde diameter worden gebruikt, moeten deze van gelijkwaardige sterkte
zijn. 5.
Mastdekken, mastkokers,
bevestigingen op dek, op wrangen en aan stevens worden zodanig geconstrueerd,
dat de daarop uitgeoefende krachten kunnen worden opgenomen of overgedragen op
andere verbanddelen. 6.
Afhankelijk van de belasting en
stabiliteit van het schip en de verdeling van het beschikbare zeiloppervlak kan
de commissie van deskundigen op de in de artikelen 15a.07 tot en met 15a.12
voorgeschreven afmetingen een vermindering van de diameters van de rondhouten
en eventueel minder strenge eisen voor de tuigage toestaan. Daarvoor moeten
documenten ter staving overeenkomstig artikel 15a.05, lid 2, worden overgelegd. 7.
Indien de slingertijd van het
schip in seconden korter is dan 3/4 van de scheepsbreedte in meters, moeten de
in de artikelen 15a.07 tot en met 15a.12 voorgeschreven afmetingen worden
verhoogd. Daarvoor moeten documenten ter staving overeenkomstig artikel 15a.05,
lid 2, worden overgelegd. 8.
In de tabellen van de artikelen
15a.07 tot en met 15a.12 en 15a.14 kunnen eventueel tussenwaarden worden
geïnterpoleerd. Artikel 15a.07
Bijzondere voorschriften
voor masten 1.
Houten masten moeten ten minste aan de volgende
eisen voldoen: Lengte[13] (m) || Dekdiameter (cm) || Diameter bij de zaling (cm) || Ezelshoofd (cm) 10 || 20 || 17 || 15 11 || 22 || 17 || 15 12 || 24 || 19 || 17 13 || 26 || 21 || 18 14 || 28 || 23 || 19 15 || 30 || 25 || 21 16 || 32 || 26 || 22 17 || 34 || 28 || 23 18 || 36 || 29 || 24 19 || 39 || 31 || 25 20 || 41 || 33 || 26 21 || 43 || 34 || 28 22 || 44 || 35 || 29 23 || 46 || 37 || 30 24 || 49 || 39 || 32 25 || 51 || 41 || 33 Indien aan een mast twee ra's
gevoerd worden, geldt een toeslag van ten minste 10 % op de afmetingen volgens
de tabel. Indien aan een mast meer dan
twee ra's gevoerd worden, geldt een toeslag van ten minste 15 % op de
afmetingen volgens de tabel. Bij een doorgestoken mast is
de diameter ter plaatse van de mastvoet ten minste 75 % van de diameter ter
plaatse van het dek. 2.
Mastbeslag en mastbanden,
zalingen en ezelshoofden moeten voldoende sterk gedimensioneerd zijn en
deugdelijk aangebracht of bevestigd zijn. Artikel 15a.08
Bijzondere
voorschriften voor stengen 1.
Houten stengen moeten ten minste aan de volgende
eisen voldoen: Lengte[14] (m) || Voetdiameter (cm) || Diameter op halve lengte (cm) || Beslagdiameter[15] (cm) 4 || 8 || 7 || 6 5 || 10 || 9 || 7 6 || 13 || 11 || 8 7 || 14 || 13 || 10 8 || 16 || 15 || 11 9 || 18 || 16 || 13 10 || 20 || 18 || 15 11 || 23 || 20 || 16 12 || 25 || 22 || 17 13 || 26 || 24 || 18 14 || 28 || 25 || 20 15 || 31 || 27 || 21 Indien aan een steng razeilen
worden gevoerd, geldt een toeslag van 10 % op de afmetingen volgens de tabel. 2.
De overlap van de steng met de
mast bedraagt ten minste 10 maal de voorgeschreven voetdiameter van de steng. Artikel 15a.09
Bijzondere
voorschriften voor boegsprieten 1.
Houten boegsprieten moeten ten minste aan de
volgende eisen voldoen: Lengte[16] (m) || Diameter op voorsteven (cm) || Diameter op halve lengte (cm) 4 || 14,5 || 12,5 5 || 18 || 16 6 || 22 || 19 7 || 25 || 23 8 || 29 || 25 9 || 32 || 29 10 || 36 || 32 11 || 39 || 35 12 || 43 || 39 2.
Het binnenboordgedeelte van de
boegspriet moet een lengte hebben van ten minste 4 maal de diameter van de
boegspriet ter plaatse van de steven. 3.
De diameter van de boegspriet
aan de nok is ten minste 60 % van de diameter ter plaatse van de steven. Artikel 15a.10
Bijzondere
voorschriften voor kluiverbomen 1.
Houten kluiverbomen moeten ten minste aan de
volgende eisen voldoen: Lengte[17] (m) || 2 || 3 || 4 || 5 || 6 || 7 || 8 || 9 || 10 Diameter op de steven (cm) || 7 || 10 || 14 || 17 || 21 || 24 || 28 || 31 || 35 2.
De diameter van de kluiverboom
aan de nok is ten minste 60 % van de diameter ter plaatse van de steven. Artikel 15a.11
Bijzondere
voorschriften voor gieken 1.
Houten gieken moeten ten minste aan de volgende
eisen voldoen: Lengte[18] (m) || 5 || 6 || 7 || 8 || 9 || 10 || 11 || 12 || 13 || 14 || 15 || 16 Diameter (cm) || 14 || 15 || 16 || 17 || 18 || 20 || 21 || 23 || 24 || 25 || 26 || 27 2.
De diameter bij de lummel is
ten minste 72 % van de diameter volgens de tabel. 3.
De diameter bij de schoothoek
is ten minste 85 % van de diameter volgens de tabel. 4.
De grootste diameter ligt op 2/3
van de lengte vanaf de mast. 5.
Indien: a) de hoek die het
achterlijk maakt met de giek kleiner is dan 65° en de grootschoot aan het einde
van de giek aangrijpt of b) het aangrijpingspunt
van de grootschoot niet tegenover de schoothoek ligt, kan de commissie van
deskundigen overeenkomstig artikel 15a.05, lid 2, een grotere diameter
voorschrijven. 6.
Voor zeiloppervlakten kleiner
dan 50 m2 kan de commissie van deskundigen reducties toestaan op de in
de tabel vastgestelde afmetingen. Artikel 15a.12
Bijzondere
voorschriften voor gaffels 1.
Houten gaffels moeten ten minste aan de volgende
eisen voldoen: Lengte[19] (m) || 4 || 5 || 6 || 7 || 8 || 9 || 10 Diameter (cm) || 10 || 12 || 14 || 16 || 17 || 18 || 20 2.
De ongesteunde lengte van de
gaffel bedraagt maximaal 75 %. 3.
De breeksterkte van de spruit
is ten minste gelijk aan 1,2 maal de breeksterkte van de piekeval. 4.
De tophoek van de spruit is
maximaal 60°. 5.
Indien de tophoek van de
spruit, in afwijking van het vierde lid, groter is dan 60°, is de breeksterkte
aangepast aan de dan optredende krachten. 6.
Voor zeiloppervlakten kleiner
dan 50 m2 kan de commissie van deskundigen reducties toestaan op de in
de tabel vastgestelde afmetingen. Artikel 15a.13
Algemene
voorschriften voor staand en lopend want 1.
Staand en lopend want moeten voldoen aan de
sterkte-eisen van de artikelen 15a.14 en 15a.15. 2.
Als staaldraadverbindingen zijn
toegestaan: a) splitsen; b) klemhulzen; of c) taluritklemmen. Splitsen moeten bekleed zijn
en uiteinden moeten afgeschermd zijn. 3.
Oogsplitsen moeten van een kous
zijn voorzien. 4.
Draden moeten zodanig lopen dat
hinder bij ingangen en trappen vermeden wordt. Artikel 15a.14
Bijzondere
voorschriften voor staand want 1.
Fokkestagen en wanten moeten ten minste aan de
volgende eisen voldoen: Lengte van de mast[20] (m) || 11 || 12 || 13 || 14 || 15 || 16 || 17 || 18 Breeksterkte fokkestag (kN) || 160 || 172 || 185 || 200 || 220 || 244 || 269 || 294 Breeksterkte wanten (kN) || 355 || 415 || 450 || 485 || 525 || 540 || 630 || 720 Aantal kabels en draden van de wanten per zijde || 3 || 3 || 3 || 3 || 3 || 3 || 4 || 4 2.
Bakstag, topwantsteng,
kluiverbomen, boeg- en vliegerstag moeten ten minste voldoen aan de volgende
eisen: Lengte van de mast[21] (m) || <13 || 13-18 || >18 Breeksterkte bakstag (kN) || 89 || 119 || 159 Breeksterkte topwantsteng (kN) || 89 || 119 || 159 Lengte van de steng (m) || <6 || 6-8 || >8 Breeksterkte vliegerstag (kN) || 58 || 89 || 119 Lengte van de kluiverboom (m) || <5 || 5-7 || >7 Breeksterkte boegstag (kN) || 58 || 89 || 119 3.
De draadconstructie is bij
voorkeur uitgevoerd volgens 6 maal 7 FE in de sterkteklasse 1550 N/mm2. In
afwijking daarvan kan bij gelijke sterkteklasse de constructie 6 maal 36 SE of 6
maal 19 FE gebruikt worden. Wegens de grotere elasticiteit van de constructie 6
maal 19 moeten de in de tabel aangegeven breekkrachten met 10 % worden
verhoogd. Gebruik van andere draadconstructies zijn toegestaan, mits deze
vergelijkbare eigenschappen bezitten. 4.
Bij gebruik van massieve
verstaging geldt een toeslag van 30 % op de breeksterkte volgens de tabel. 5.
In de verstaging worden alleen
gekeurde sluitingen, ogen en bouten toegepast. 6.
Bouten, sluitingen, ogen en
spanschroeven zijn deugdelijk geborgd. 7.
De breeksterkte van de
waterstag is ten minste 1,2 maal de breeksterkte van het aangrijpende kluiver-
en vliegerstag. 8.
Voor schepen met minder dan 30
m3 waterverplaatsing kan de commissie van deskundigen de volgende reducties op
de breeksterkten volgens de tabel toestaan: Waterverplaatsing gedeeld door het aantal masten (m3) || Verminderings-percentage > 20 t/m 30 || 20 10 t/m 20 || 35 < 10 || 60 Artikel 15a.15
Bijzondere voorschriften
voor lopend want 1.
Voor lopend want moet touw van vezels of staaldraad
worden gebruikt. De breeksterkte en de doorsnede van het lopend want moeten,
gerelateerd aan zeiloppervlakte, ten minste voldoen aan de volgende eisen: Soort lopend want || Draadmateriaal || Zeiloppervlak (m2) || Breeksterkte (kN) || Draaddiameter (mm) Stagzeilvallen || Staaldraad || tot en met 35 || 20 || 6 > 35 || 38 || 8 Vezel (polypropyleen — PP) || draaddiameter ten minste 14 mm en per 25 m2 een schijf Gaffelzeilvallen/ Torenzeilvallen || Staaldraad || tot en met 50 || 20 || 6 > 50 t/m 80 || 30 || 8 > 80 t/m 120 || 60 || 10 >120 t/m 160 || 80 || 12 Vezel (PP) || draaddiameter ten minste 18 mm en per 30 m2 een schijf Stagzeilschoten || Vezel (PP) || tot en met 40 || 14 || > 40 || 18 || Bij zeiloppervlakten boven de 30 m2 moet de schoot uitgevoerd zijn als takel of bediend worden met een lier. Gaffel-/toren- zeilschoten || Staaldraad || < 100 || 60 || 10 100 t/m 150 || 85 || 12 > 150 || 116 || 14 Voor torenzeilschoten zijn elastische verbindingsonderdelen (veren of rekkers) noodzakelijk. Vezel (PP) || Draaddiameter ten minste 18 mm en minstens drie schijven. Bij meer dan 60 m2 zeiloppervlak per 20 m2 een schijf. 2.
Het lopend want heeft,
voorzover het deel uitmaakt van de verstaging, een breeksterkte die overeenkomt
met die van het betrokken stag of want. 3.
Bij toepassing van andere dan
de in lid 1 genoemde materialen moeten de sterktewaarden van de tabel uit lid 1
worden aangehouden. Touw uit polyethyleen mag niet
worden gebruikt. Artikel 15a.16
Beslag en
onderdelen van de tuigage 1.
De diameter van de schijven (gemeten van het midden
van de draad tot het midden van de draad) moet bij gebruik van staaldraad of
touw ten minste aan de volgende eisen voldoen: Diameter staaldraad (mm) || 6 || 7 || 8 || 9 || 10 || 11 || 12 Diameter touw (mm) || 16 || 18 || 20 || 22 || 24 || 26 || 28 Diameter schijf (mm) || 100 || 110 || 120 || 130 || 145 || 155 || 165 2.
In afwijking van lid 1 mag de
diameter van de schijven het zesvoudige van de draaddiameter bedragen indien
het staaldraad niet constant over de schijven loopt. 3.
De breeksterkte van het beslag
(bijvoorbeeld sluitingen, ogen, spanschroeven, oogplaten, bouten, ringen en
schakels) is in overeenstemming met de breeksterkte van het daaraan bevestigde
staand of lopend want. 4.
De bevestiging van stag- en
wantputtingen kan de daarop uitgeoefende krachten opnemen. 5.
Aan elk oog mag slechts een
schakel en het daarbij behorende stag of want bevestigd zijn. 6.
De blokken van vallen en dirken
zijn op een deugdelijke wijze aan de mast bevestigd, waarbij de hiertoe
gebruikte draaiende hanenpoten in goede staat verkeren. 7.
De bevestiging van oogbouten, klampen,
kikkers en nagelbanken is in overeenstemming met de daarop uitgeoefende
belasting. Artikel 15a.17
Zeilen 1.
De zeilen moeten eenvoudig, snel en veilig kunnen
worden gestreken. 2.
Het zeiloppervlak is passend
voor het scheepstype en de waterverplaatsing. Artikel 15a.18
Uitrusting 1.
Schepen die met een kluiverboom of een boegspriet
zijn uitgerust, moeten voorzien zijn van een kluivernet en een toereikend
aantal daarbij behorende rem- en spanvoorzieningen. 2.
Van de in lid 1 bedoelde
uitrusting kan worden afgezien indien de kluiverboom of boegspriet met een
hand- en voetgeleiding is uitgerust die voldoende is gedimensioneerd voor het
gebruik van een aan boord mee te voeren veiligheidsgordel. 3.
Voor het werken aan de tuigage
dient een bootmansstoeltje beschikbaar te zijn. Artikel 15a.19
Keuring 1.
De tuigage wordt om de 2,5 jaar door de commissie
van deskundigen gekeurd. De keuring omvat ten minste een keuring van: a) de zeilen, inclusief
de lijken, schoothoek en reefogen; b) de toestand van
masten en rondhouten; c) de toestand van het
staand en lopend want, inclusief de draadverbindingen; d) de uitrusting om het
zeil snel en veilig te kunnen strijken; e) de deugdelijke
bevestiging van blokken van vallen en dirken; f) de bevestiging van
mastkokers en overig aan de scheepsconstructie aangebrachte bevestigingspunten
van staand en lopend want; g) de voor de
zeilvoering aanwezige lieren; h) de overige ten
behoeve van het zeilen aangebrachte voorzieningen zoals zwaarden en de voor de
bediening daarvan aanwezige installaties; i) de voorzieningen die
zijn getroffen om schavielen van rondhouten, staand en lopend want en zeilen te
voorkomen; j) de uitrusting als
bedoeld in artikel 15a.18. 2.
Het onderdeks gelegen deel van
doorgestoken houten masten wordt regelmatig, na een door de commissie van
deskundigen vastgelegde tussentijd, maar uiterlijk bij ieder vervolgonderzoek
overeenkomstig artikel 2.09 onderzocht. Hiertoe wordt de mast getrokken voor keuring
aangeboden. 3.
Een door de commissie van
deskundigen afgegeven, gedateerd en ondertekend bewijsstuk van de laatste
overeenkomstig lid 1 uitgevoerde keuring bevindt zich aan boord. HOOFDSTUK 16 BIJZONDERE BEPALINGEN VOOR VAARTUIGEN DIE ZIJN BESTEMD OM
DEEL UIT TE MAKEN VAN EEN DUWSTEL, EEN SLEEP OF EEN GEKOPPELD SAMENSTEL Artikel 16.01
Vaartuigen die
geschikt zijn om te duwen 1.
Vaartuigen die bestemd zijn om te duwen moeten zijn
voorzien van een geschikte duwinrichting. Zij moeten zo zijn gebouwd en
uitgerust dat: a) voor het personeel de
passage naar het geduwde vaartuig gemakkelijk en zonder gevaar mogelijk is, ook
wanneer de koppelingsmiddelen zijn aangebracht; b) zij een vaste positie
kunnen innemen ten opzichte van het gekoppelde vaartuig of de gekoppelde
vaartuigen, en c) ten opzichte van
elkaar verschuiven van de vaartuigen wordt voorkomen. 2.
Indien bij het koppelen kabels
worden gebruikt, moeten op het voor het duwen geschikte vaartuig ten minste
twee speciale lieren of gelijkwaardige inrichtingen voor het spannen van de
kabels zijn aangebracht. 3.
De koppelingsinrichting moet
een hechte verbinding met het geduwde vaartuig of de geduwde vaartuigen
mogelijk maken. Bij duwstellen die bestaan uit
één duwend en slechts één geduwd vaartuig mogen de koppelingsinrichtingen
echter ook een gestuurd knikken mogelijk maken. De daartoe vereiste aandrijvingen
moeten de over te brengen krachten probleemloos kunnen opvangen en zij moeten
gemakkelijk en zonder gevaar kunnen worden bediend. Voor deze aandrijvingen
zijn de artikelen 6.02 tot en met 6.04 van overeenkomstige toepassing. 4.
Bij duwboten is een aanvaringsschot
als bedoeld in artikel 3.03, eerste lid, onder a, niet vereist. Artikel 16.02
Vaartuigen die
geschikt zijn om te worden geduwd 1.
Voor duwbakken zonder stuurinrichting, verblijven,
machinekamers of ketelruimen zijn niet van toepassing: a) hoofdstukken 5 tot en met 7
en 12; b) artikel 8.08, leden 2 tot
en met 8, artikel 10.02 en artikel 10.05, lid 1. Indien stuurinrichtingen,
verblijven, machinekamers of ketelruimen aanwezig zijn, zijn de
dienovereenkomstige vereisten van deze bijlage van toepassing. 2.
Voor zeeschipbakken met een
lengte L van ten hoogste 40 m geldt bovendien: a) waterdichte
schotten als bedoeld in artikel 3.03, eerste lid, zijn niet vereist, wanneer de
frontale gedeelten van de bak zodanig zijn versterkt dat zij een belasting
kunnen opnemen die ten minste 2,5 maal zo groot is als die van het
aanvaringsschot van een binnenschip met een overeenkomstige diepgang dat is
gebouwd volgens de voorschriften van een erkend classificatiebureau; b) in afwijking
van artikel 8.08, eerste lid, behoeven moeilijk toegankelijke afdelingen van
een dubbele bodem slechts gelensd te kunnen worden, wanneer hun inhoud meer
bedraagt dan 5 % van de waterverplaatsing van de zeeschipbak bij de grootste
toegelaten inzinking. 3.
Vaartuigen die geduwd moeten
worden moeten zijn voorzien van koppelingsinrichtingen die een veilige
verbinding met andere vaartuigen waarborgen. Artikel 16.03
Vaartuigen die
geschikt zijn om een gekoppeld samenstel voort te bewegen Op vaartuigen die bestemd
zijn om een gekoppeld samenstel voort te bewegen moeten bolders of
gelijkwaardige inrichtingen aanwezig zijn die het door hun aantal en opstelling
mogelijk maken een afdoende verbinding tot stand te brengen tussen de
gekoppelde vaartuigen. Artikel 16.04
Vaartuigen die
geschikt zijn om te worden voortbewogen in een samenstel Vaartuigen die bestemd
zijn om te worden voortbewogen in een samenstel moeten zijn voorzien van
hiervoor geschikte koppelingsinrichtingen, bolders of gelijkwaardige
inrichtingen die door hun aantal en opstelling een afdoende verbinding met het
andere vaartuig of de andere vaartuigen van het samenstel waarborgen. Artikel 16.05
Vaartuigen die
geschikt zijn om te slepen 1.
Vaartuigen die moeten kunnen worden gebruikt om te
slepen moeten aan de volgende eisen voldoen: a) de sleepinrichtingen
moeten zo zijn aangebracht dat door het gebruik daarvan de veiligheid van het
schip, de bemanning of de lading niet in gevaar komt; b) assisterende en
slepende schepen moeten zijn uitgerust met een vanuit het stuurhuis veilig te
bedienen sleephaak; dit geldt niet wanneer op grond van de bouwwijze of door
andere voorzieningen kenteren niet mogelijk is; c) als sleepinrichting
moeten sleeplieren of een sleephaak aanwezig zijn. De sleepinrichtingen moeten
vóór de schroeven zijn aangebracht. Dit geldt niet voor sleepboten die met het
aandrijforgaan worden gestuurd, zoals een roerpropeller of cycloïdaalschroef; d) in afwijking van punt
c) is bij schepen die uitsluitend in de zin van de
scheepvaartpolitiereglementen worden gebruikt voor het verlenen van sleepbijstand
voor motorschepen van de lidstaten, ook een sleepinrichting zoals bolders of
gelijkwaardige inrichtingen voldoende. Het onder b) gestelde is van
overeenkomstige toepassing; e) wanneer de
sleeptrossen op een achterschip zouden kunnen blijven haken, dienen daar
sleepbogen met draadvangers te zijn aangebracht. 2.
Schepen met een lengte L van
meer dan 86 m mogen niet worden toegelaten om afvarend te slepen. Artikel 16.06 Proefvaarten met
samenstellen 1.
Met het oog op de toelating als duwboot of
motorschip voor het voortbewegen van vaartuigen in een hecht samenstel en met
het oog op het plaatsen van een desbetreffende aantekening in het
EU-binnenvaartcertificaat bepaalt de commissie van deskundigen welke formaties
haar voor onderzoek moeten worden getoond en laat zij proefvaarten als bedoeld
in artikel 5.02 uitvoeren met het samenstel in de verzochte formatie(s) die
haar het meest ongunstig voorkomen. Daarbij moet dit samenstel aan de artikelen
5.02 tot en met 5.10 voldoen. De commissie van deskundigen
vergewist zich ervan of een hechte verbinding van alle vaartuigen van het
samenstel bij de volgens hoofdstuk 5 voorgeschreven manoeuvres verzekerd is. 2.
Indien tijdens de in het eerste
lid bedoelde proefvaarten bijzondere inrichtingen op de in het samenstel voortbewogen
vaartuigen (zoals de stuurinrichting, de aandrijf- of manoeuvreerinrichtingen
of de scharnierkoppelingen) worden gebruikt om te voldoen aan de artikelen 5.02
tot en met 5.10, moeten in het EU- binnenvaartcertificaat van het vaartuig dat
het samenstel voortbeweegt worden vermeld: de formatie, de positie, de naam en
het Europees scheepsidentificatienummer van de toegelaten vaartuigen die
over deze bijzondere inrichtingen beschikken. Artikel 16.07
Aantekeningen in
het EU-binnenvaartcertificaat 1.
Indien een vaartuig een samenstel moet voortbewegen
of daarin moet worden voortbewogen, moet in het EU-binnenvaartcertificaat zijn
aangetekend dat het daarvoor geschikt is overeenkomstig de artikelen 16.01 tot
en met 16.06. 2.
In het
EU-binnenvaartcertificaat van het vaartuig dat voor de voortbeweging zorg
draagt moet worden aangetekend: a) de toegelaten
samenstellen en formaties; b) het soort
koppelingen; c) de vastgestelde
grootste koppelingskrachten, en d) eventueel de minimum
breeksterkte van de koppelingskabels van de langsverbindingen, alsmede het
aantal windingen van de koppelingskabels. HOOFDSTUK 17 BIJZONDERE BEPALINGEN VOOR DRIJVENDE WERKTUIGEN Artikel 17.01
Algemene
bepalingen Voor drijvende werktuigen
zijn voor wat betreft bouw en uitrusting de hoofdstukken 3, 7 tot en met 14 en 16
van toepassing. Drijvende werktuigen met mechanische middelen tot voortbeweging
moeten ook voldoen aan de hoofdstukken 5 en 6. Aandrijvingen die slechts een
geringe verplaatsing mogelijk maken worden niet beschouwd als mechanische
middelen tot voortbeweging. Artikel 17.02
Afwijkingen 1.
De commissie van deskundigen kan toestaan dat van
de volgende bepalingen wordt afgeweken: a) artikel 3.03, eerste
en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing; b) artikel 7.02 is van
overeenkomstige toepassing; c) de ten hoogste
toegelaten niveaus van de geluidsdruk als bedoeld in artikel 12.02, vijfde lid,
tweede alinea, mogen worden overschreden wanneer de werkinrichtingen in bedrijf
zijn en voorzover er dan niet aan boord wordt overnacht; d) van de overige
bepalingen met betrekking tot bouw, inrichting en uitrusting, voorzover voor
elk geval dezelfde veiligheid is aangetoond. 2.
De commissie van deskundigen
kan afzien van de toepassing van de volgende bepalingen: a) artikel 10.01, eerste
lid, wanneer het drijvende werktuig veilig kan worden verankerd terwijl de
werkinrichtingen in bedrijf zijn, bijvoorbeeld door middel van werkankers of
palen. Een drijvend werktuig met eigen mechanische middelen tot voortbeweging
moet echter ten minste één anker hebben als bedoeld in artikel 10.01, eerste
lid, waarbij de coëfficiënt k = 45 en voor T de kleinste holte moet worden
aangenomen; b) artikel 12.02, eerste
lid, tweede gedeelte van de zin, wanneer de ruimten voldoende elektrisch kunnen
worden verlicht. 3.
Bovendien geldt: a) in afwijking van
artikel 8.08, tweede lid, tweede alinea: de lenspomp moet mechanisch worden
aangedreven; b) in afwijking van
artikel 8.10, lid 3: bij stilliggende drijvende werktuigen mag het geluid
wanneer de werkinrichtingen in bedrijf zijn op 25 m afstand zijdelings van de
scheepshuid meer bedragen dan 65 dB(A); c) in afwijking van
artikel 10.03, lid 1: bij vrij op het dek staande werktuigen moet ten minste
één extra draagbaar blustoestel aanwezig zijn; d) in afwijking van
artikel 14.02, lid 2: naast vloeibaargasinstallaties voor huishoudelijk gebruik
mogen ook andere vloeibaargasinstallaties aanwezig zijn. Deze installaties met
toebehoren moeten voldoen aan de voorschriften van één van de lidstaten. Artikel 17.03
Overige
bepalingen 1.
Op drijvende werktuigen waarop tijdens het werk
personen aanwezig zijn is de aanwezigheid van een algemene alarminstallatie
vereist. Het alarmsignaal moet zich duidelijk onderscheiden van andere signalen
en in alle verblijven en op alle werkplekken een geluidsdrukniveau doen
ontstaan dat ten minste 5 dB(A) hoger is dan het ter plaatse overheersende
maximale geluidsniveau. De alarminstallatie moet in het stuurhuis en op de
belangrijkste bedieningspunten in werking kunnen worden gesteld. 2.
Werkinrichtingen moeten voor hun
belasting voldoende sterkte hebben en zij moeten voldoen aan de voorschriften
van Richtlijn 98/37/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998
betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten
betreffende machines[22]; 3.
De kantelingsstabiliteit en de
sterkte van de werkinrichtingen en eventueel de bevestiging daarvan moeten
zodanig zijn dat zij bestand zijn tegen belastingen door te verwachten slagzij,
trim en bewegingen van het drijvend werktuig. 4.
Indien lasten met heftoestellen
omhoog worden gebracht, dient de uit stabiliteit en sterkte resulterende
maximaal toelaatbare last duidelijk te worden aangegeven op een bord aan dek en
op de bedieningspunten. Indien het hefvermogen door het aankoppelen van extra
drijvende voorwerpen kan worden vergroot, moeten de waarden met en zonder extra
drijvende voorwerpen zijn vermeld. Artikel 17.04
Resterende
veiligheidsafstand 1.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk en in
afwijking van artikel 1.01 van deze bijlage, geldt als de resterende veiligheidsafstand
de kleinste verticale afstand tussen de gladde waterspiegel en het laagste punt
waarboven het drijvend werktuig niet meer waterdicht is, waarbij rekening wordt
gehouden met trim en slagzij die optreden onder invloed van de momenten als bedoeld
in artikel 17.07, vierde lid. 2.
Een resterende
veiligheidsafstand bij spatwater- en regendicht afsluitbare openingen is
voldoende in de zin van artikel 17.07, eerste lid, wanneer deze 300 mm
bedraagt. 3.
De resterende
veiligheidsafstand bij niet spatwater- en regendicht afsluitbare openingen moet
ten minste 400 mm bedragen. Artikel 17.05
Resterend
vrijboord 1.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk en in
afwijking van artikel 1.01 van deze bijlage, geldt als het resterende vrijboord
de kleinste verticale afstand tussen de gladde waterspiegel en de zijkant van
het dek, waarbij rekening wordt gehouden met trim en slagzij, die optreden
onder invloed van de momenten als bedoeld in artikel 17.07, vierde lid. 2.
Het resterend vrijboord als
bedoeld in artikel 17.07, eerste lid, is voldoende indien het 300 mm bedraagt. 3.
Het resterend vrijboord mag
worden verminderd wanneer wordt aangetoond dat artikel 17.08 in acht is
genomen. 4.
Indien de vorm van het drijvend
voorwerp in belangrijke mate afwijkt van de vorm van een ponton, zoals bij
cilindrische drijvende voorwerpen of bij een drijvend voorwerp waarvan de
dwarsdoorsnede meer bedraagt dan vier zijden, kan de commissie van deskundigen
een resterend vrijboord eisen of toelaten dat afwijkt van het tweede lid. Dit
geldt ook voor een drijvend werktuig met verscheidene drijvende voorwerpen. Artikel 17.06
Hellingproef 1.
Het bewijs van stabiliteit als bedoeld in de
artikelen 17.07 en 17.08 moet worden geleverd op basis van een volgens goed
scheepsbouwgebruik uitgevoerde hellingproef. 2.
Indien bij de hellingproef geen
voldoende hellingshoek kan worden bereikt, of indien de uitvoering van de
hellingproef onoverkomelijke technische problemen met zich meebrengt, kan in
plaats daarvan een berekening van het gewicht en het zwaartepunt worden gemaakt.
Het resultaat van de berekening van het gewicht moet worden gecontroleerd met
behulp van metingen van de diepgang, waarbij het verschil niet meer dan ± 5 %
mag bedragen. Artikel 17.07
Bewijs van
stabiliteit 1.
Bewezen dient te worden dat bij de tijdens het in
bedrijf zijn van de installaties en tijdens de vaart optredende belastingen
voldoende resterende veiligheidsafstand en voldoende resterend vrijboord
aanwezig zijn. Daarbij mag de som van de hoeken tussen slagzij en trim niet
meer dan 10° bedragen en mag de bodem van de scheepsromp niet boven het water
uitkomen. 2.
Het bewijs van stabiliteit moet
de volgende gegevens en documenten bevatten: a) tekeningen op schaal
van de drijvende voorwerpen en de werkinrichtingen alsmede de voor het bewijs
van stabiliteit vereiste gedetailleerde gegevens, zoals de inhoud van tanks en
openingen die naar het binnenste van het schip voeren; b) hydrostatische
gegevens of krommen; c) krommen van de armen
van statische stabiliteit, voorzover vereist ingevolge het vijfde lid of artikel
17.08; d) beschrijving van de
bedrijfstoestanden met de dienovereenkomstige gegevens inzake gewicht en
zwaartepunt met inbegrip van de onbeladen toestand en de toestand van het
werktuig bij verplaatsing; e) berekening van het
kenterende, trimmende en oprichtende moment met vermelding van de optredende
hellings- en trimhoeken, resterende veiligheidsafstanden en resterende
vrijboorden; f) overzicht van de
uitkomsten van de berekeningen met vermelding van de grenzen van gebruik en
belasting. 3.
Het bewijs van stabiliteit moet
ten minste zijn gebaseerd op de volgende veronderstelde belading: a) dichtheid van de
baggerspecie bij baggermolens: –
zand en grind 1,5 t/m3; –
zeer nat zand 2,0 t/m3; –
grond gemiddeld 1,8 t/m3; –
mengsel uit zand en water in
buisleidingen 1,3 t/m3; b) bij baggerwerktuigen
met grijptanden moeten de waarden onder a) met 15 % worden verhoogd; c) bij hydraulische
baggerwerktuigen moet worden uitgegaan van het maximale hefvermogen. 4.1. In het
bewijs van de stabiliteit moet rekening worden gehouden met de momenten
resulterend uit: a) de belading; b) bouwkundige asymmetrieën; c) de winddruk; d) de draaibeweging bij
werktuigen met eigen aandrijvingskracht; e) dwarsstroming voorzover
vereist; f) ballast en voorraden; g) deklasten en eventueel
lading; h) vrije oppervlakken van
vloeistof; i) dynamische
traagheidskrachten; j) andere mechanische
inrichtingen. Daarbij dienen momenten die
tegelijkertijd kunnen inwerken, te worden opgeteld. 4.2. Het moment
ten gevolge van de winddruk dient te worden berekend volgens de volgende
formule: Mw = c · pw · A(lw
+ ((T)/(2)))[kNm] In deze formule betekent: c || = || de vormafhankelijke weerstandscoëfficiënt; Voor vakwerk moet worden uitgegaan van c = 1,2 en voor gesloten constructies van c = 1,6, waarbij rekening is gehouden met de invloed van windstoten. Het windvangend oppervlak is de omhullende oppervlakte van het vakwerk; pw || = || de specifieke winddruk; deze moet uniform op 0,25 kN/m2 worden gesteld; A || = || het zijdelings oppervlak boven het vlak van de grootste inzinking in m2; lw || = || de afstand van het zwaartepunt van het zijdelings oppervlak A tot het vlak van de grootste inzinking in m. 4.3. Voor de
vaststelling van de momenten bij de draaibeweging als bedoeld in lid 4.1, onder
d), dient bij drijvende werktuigen met mechanische middelen tot voortbeweging
de formule van artikel 15.03, zesde lid, te worden gebruikt. 4.4. Het door
dwarsstroming als bedoeld in lid 4.1, onder e), veroorzaakte moment hoeft
alleen te worden meegerekend bij drijvende werktuigen die gedurende het werk in
stromend water dwarsliggend met ankers of kabels zijn vastgemaakt. 4.5. Bij de
berekening van de momenten resulterend uit vloeibare ballast en vloeibare
voorraden als bedoeld in lid 4.1, onder f), dient de voor de stabiliteit meest
ongunstige vullingsgraad van de tanks te worden vastgesteld en het
dienovereenkomstige moment in de berekening te worden opgenomen. 4.6. Met het
uit dynamische traagheidskrachten resulterende moment als bedoeld in lid 4.1,
onder i), moet op passende wijze rekening worden gehouden, wanneer door
bewegingen van de lading en van de werkinrichtingen een beïnvloeding van de
stabiliteit te verwachten is. 5. De
oprichtende momenten kunnen bij drijvende voorwerpen met loodrechte zijwanden
worden berekend volgens de formule: Ma = 10 · D · MG‾
· sinφ (kNm) In deze formule betekent: MG‾ || = || de metacentrumhoogte in m; φ || = || de hellingshoek in graden. Deze formule is van toepassing
tot hellingshoeken van ten hoogste 10° of tot een hellingshoek waarbij de zijde
van het dek wordt ingedompeld of de bodem boven water uitkomt. Daarbij is de
kleinste hoek doorslaggevend. Bij schuin lopende zijwanden is de formule van
toepassing tot hellingshoeken van ten hoogste 5°; voor het overige zijn de
criteria als bedoeld in het derde en vierde lid van toepassing. Wanneer de bijzondere vorm van
het drijvend voorwerp of de drijvende voorwerpen dit niet toelaat, zijn
stabiliteitskrommen als bedoeld in het tweede lid, onder c), vereist. Artikel 17.08
Bewijzen van
stabiliteit bij verminderd resterend vrijboord Indien gebruik wordt
gemaakt van een verminderd resterend vrijboord als bedoeld in artikel 17.05,
derde lid, moet voor alle bedrijfsomstandigheden zijn aangetoond dat: a) na correctie voor
vrije vloeistofoppervlakken de metacentrumhoogte niet minder dan 0,15 m
bedraagt; b) binnen een slagzij
van 0° tot en met 30° een oprichtende arm van ten minste h = 0,30 - 0,28 · φn
(m) aanwezig is. Daarbij is φn
de hellingshoek van waaraf de stabiliteitskromme negatief wordt
(stabiliteitsomvang). Hij mag niet kleiner zijn dan 20° 0f 0,35 rad en moet in
de formule op ten hoogste 30° of 0,52 rad worden gesteld, waarbij voor φo
de eenheid radiaal (rad) moet worden gebruikt (1° = 0,01745 rad); c) de som van de hoeken
resulterend uit slagzij en trim niet meer dan 10° bedraagt; d) een resterende
veiligheidsafstand als bedoeld in artikel 17.04 aanwezig is; e) een resterend
vrijboord van ten minste 0,05 m aanwezig is; f) binnen een slagzij
van 0° tot en met 30° een resterende arm van ten minste h = 0,20 - 0,23 · φn [m] aanwezig is. Daarbij is φn de
hellingshoek van waaraf de stabiliteitskromme negatief wordt; deze moet in de
formule op ten hoogste 30° of 0,52 rad worden gesteld. Onder resterende arm moet
worden verstaan het tussen 0° en 30° hellingshoek aanwezige grootste verschil
tussen de kromme van de oprichtende armen en de kromme van de kenterende armen.
Indien een opening naar het inwendige van het schip in het water terecht komt
bij een hellingshoek die kleiner is dan de hellingshoek die bij het grootste verschil
hoort, is de eis inzake de resterende arm van toepassing op deze hellingshoek. Artikel 17.09
Inzinkingsmerken
en diepgangsschalen Inzinkingsmerken als
bedoeld in artikel 4.04 en diepgangsschalen als bedoeld in artikel 4.06 moeten
zijn aangebracht. Artikel 17.10
Drijvende
werktuigen zonder bewijs van stabiliteit 1.
Bij een drijvend werktuig a) door de
werkinrichting waarvan geen enkele wijziging van de slagzij of de trim kan
worden veroorzaakt, en b) waarbij een
verschuiving van het gewichtszwaartepunt verregaand kan worden uitgesloten, kan
worden afgezien van toepassing van de artikelen 17.04 tot en met 17.08. 2.
Evenwel kan: a) bij maximale belading
de veiligheidsafstand 300 mm en het vrijboord 150 mm bedragen; b) de veiligheidsafstand
voor niet spatwater- en regendicht afsluitbare openingen 500 mm bedragen. HOOFDSTUK 18 BIJZONDERE BEPALINGEN VOOR SCHEPEN BESTEMD VOOR
BOUWWERKZAAMHEDEN Artikel 18.01
Voorwaarden voor
gebruik Schepen bestemd voor
bouwwerkzaamheden, die als zodanig in het EU-binnenvaartcertificaat
overeenkomstig bijlage V, deel I of deel II zijn aangeduid, mogen buiten
werkterreinen slechts onbeladen varen. Deze voorwaarde dient in het
EU-binnenvaartcertificaat te worden vermeld. Hiertoe moeten deze
schepen bestemd voor bouwwerkzaamheden beschikken over een verklaring van de bevoegde
instantie over de duur van de werkzaamheden en de begrenzing van het
werkterrein waarop het schip mag worden gebruikt. Artikel 18.02
Toepasselijkheid
van deel II Voorzover in dit hoofdstuk
niets anders is bepaald, zijn met betrekking tot de bouw en de uitrusting van
schepen bestemd voor bouwwerkzaamheden de hoofdstukken 3 tot en met 14 van
toepassing. Artikel 18.03
Afwijkingen 1.
a) Artikel 3.03, eerste lid, is van
overeenkomstige toepassing; b) de hoofdstukken 5 en 6
zijn van overeenkomstige toepassing, indien het schip is voorzien van eigen
mechanische middelen tot voortbeweging; c) artikel 10.02, tweede
lid, onder a) en b), is van overeenkomstige toepassing; d) de commissie van
deskundigen kan van de toepassing van de overige bepalingen met betrekking tot
de bouw, inrichting en uitrusting uitzonderingen toelaten, voorzover in het
betreffende geval een zelfde mate van veiligheid is aangetoond. 2.
De commissie van deskundigen
kan afzien van de toepassing van de volgende bepalingen: a) artikel 8.08, tweede
tot en met achtste lid, wanneer geen bemanning is voorgeschreven; b) artikel 10.01, eerste
en derde lid, wanneer het schip bestemd voor bouwwerkzaamheden door middel van
werkankers of palen veilig kan worden verankerd. Een schip bestemd voor
bouwwerkzaamheden met eigen mechanische middelen tot voortbeweging moet echter
ten minste één anker hebben als bedoeld in artikel 10.01, eerste lid, waarbij
de coëfficiënt k = 45 en voor T de kleinste holte wordt aangenomen; c) artikel 10.02, eerste
lid, onder c), wanneer het schip bestemd voor bouwwerkzaamheden niet over eigen
mechanische middelen tot voortbeweging beschikt. Artikel 18.04
Veiligheidsafstand
en vrijboord 1.
Indien een schip bestemd voor bouwwerkzaamheden als
spoel- en klepbak wordt geëxploiteerd, moet de veiligheidsafstand buiten het
laadruim ten minste 300 mm en het vrijboord ten minste 150 mm bedragen. De
commissie van deskundigen kan een kleiner vrijboord toestaan, wanneer
rekenkundig is bewezen dat de stabiliteit bij belading met een dichtheid van 1,5
t/m3 voldoende is en er geen zijde van het dek in het water komt. De invloed
van vloeibaar gemaakte lading moet daarbij in aanmerking worden genomen. 2.
Voor een schip bestemd voor
bouwwerkzaamheden dat niet onder het eerste lid valt, zijn de artikelen 4.01 en
4.02 van overeenkomstige toepassing. Daarbij kan de commissie van deskundigen
voor de veiligheidsafstand en voor het vrijboord afwijkende waarden
vaststellen. Artikel 18.05
Bijboten Schepen bestemd voor
bouwwerkzaamheden hoeven niet met een bijboot te zijn uitgerust, indien a) ze niet zijn uitgerust met
mechanische middelen tot voortbeweging, en b) op het werkterrein een
andere bijboot beschikbaar is. Deze versoepeling dient in
het EU-binnenvaartcertificaat te worden vermeld. HOOFDSTUK 19 BIJZONDERE BEPALINGEN VOOR HISTORISCHE SCHEPEN (Zonder inhoud)) HOOFDSTUK 19a BIJZONDERE BEPALINGEN VOOR KANAALSPITSEN (Zonder inhoud)) HOOFDSTUK 19b BIJZONDERE BEPALINGEN VOOR SCHEPEN DIE OP WATERWEGEN VAN
ZONE 4 VAREN Artikel 19b.01
Toepasselijkheid
van hoofdstuk 4 1.
In afwijking van artikel 4.01, leden 1 en 2, wordt
de veiligheidsafstand voor schepen die op de binnenwateren van zone 4 varen,
voor deuren en ander openingen zoals de luiken van de vrachtruimen als volgt
verminderd: a) wanneer ze spatwater- en
regendicht kunnen worden afgesloten tot 150 mm; b) wanneer ze niet spatwater-
en regendicht kunnen worden afgesloten tot 200 mm. 2.
In afwijking van artikel 4.02
bedraagt het kleinste vrijboord voor schepen die op de binnenwateren van zone 4
varen, 0 mm, wanneer de veiligheidsafstand van lid 1 wordt aangehouden. HOOFDSTUK 20 BIJZONDERE BEPALINGEN VOOR ZEESCHEPEN (Zonder inhoud)) HOOFDSTUK 21 BIJZONDERE BEPALINGEN VOOR PLEZIERVAARTUIGEN Artikel 21.01 Algemene bepaling Op pleziervaartuigen zijn voor
wat betreft bouw en uitrusting slechts de artikelen 21.02 en 21.03 van
toepassing. Artikel 21.02
Toepasselijkheid
van deel II 1.
Op pleziervaartuigen zijn van toepassing: a) van hoofdstuk 3: artikel 3.01, artikel 3.02,
eerste lid, onder a), en tweede lid, artikel 3.03, eerste lid, onder a), en
zesde lid, en artikel 3.04, eerste lid; b) hoofdstuk 5: c) van hoofdstuk 6: artikel 6.01, eerste lid, en
artikel 6.08; d) van hoofdstuk 7: artikel 7.01, eerste en tweede
lid, artikel 7.02, artikel 7.03, eerste en tweede lid, artikel 7.04, eerste
lid, artikel 7.05, tweede lid, en artikel 7.13 voor pleziervaartuigen met een
éénmansstuurstand voor het varen met behulp van radar; e) van hoofdstuk 8: artikel 8.01, eerste en tweede
lid, artikel 8.02, eerste en tweede lid, artikel 8.03, eerste en derde lid,
artikel 8.04, artikel 8.05, eerste tot en met tiende lid en dertiende lid,
artikel 8.06, artikel 8.07, artikel 8.08, eerste, tweede, vijfde, zevende en
tiende lid, artikel 8.09, eerste lid, en artikel 8.10; f) van hoofdstuk 9; artikel 9.01, eerste lid, mutatis
mutandis; g) van hoofdstuk 10: artikel 10.01, tweede, derde
en vijfde tot en met veertiende lid, artikel 10.02, eerste lid, onderdelen a),
b) en c), en tweede lid, onderdelen a) en e) tot en met h), en artikel 10.03,
eerste lid, onderdelen a), b) en d); er moeten echter ten minste twee
blustoestellen aan boord aanwezig zijn; en voorts artikel 10.03, tweede tot en
met zesde lid, de artikelen 10.03a, 10.03b en 18, eerste lid, onder e), van
deze richtlijn alsmede artikel 10.05; h) hoofdstuk 13: i) hoofdstuk 14. 2.
In het geval van
pleziervaartuigen waarop Richtlijn 94/25/EG van het Europees Parlement en de
Raad van 16 juni 1994 inzake de onderlinge aanpassing van de wettelijke en
bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten met betrekking tot
pleziervaartuigen[23]van
toepassing is, hebben het eerste onderzoek en het aanvullend onderzoek slechts
betrekking op: a) artikel 6.08, in het
geval dat een bochtaanwijzer aanwezig is; b) artikel 7.01, tweede
lid, artikel 7.02, en artikel 7.03, eerste lid, alsmede artikel 7.13, in het
geval dat er sprake is van een éénmansstuurstelling voor het varen op radar; c) artikel 8.01, tweede
lid, artikel 8.02, eerste lid, artikel 8.03, derde lid, artikel 8.05, vijfde
lid, artikel 8.08, tweede lid, en artikel 8.10; d) artikel 10.01,
tweede, derde, zesde en veertiende lid, artikel 10.02, eerste lid, onderdelen
b) en c), en tweede lid, onderdelen a) en e) tot en met h), artikel 10.03,
eerste lid, onderdelen b) en d), en tweede tot en met zesde lid, en artikel 10.05; e) hoofdstuk 13; f) van hoofdstuk 14; aa) Artikel 14.12; bb) artikel 14.13, waarbij
de keuring na ingebruikneming van de vloeibaargasinstallatie overeenkomstig de
eisen van Richtlijn 94/25/EG geschiedt en aan de commissie van deskundigen hierover
een verslag van de keuring moet worden uitgebracht; cc) de artikelen 14.14 en
14.15 met dien verstande, dat de vloeibaargasinstallatie aan de eisen van
Richtlijn 94/25/EG moet beantwoorden; dd) hoofdstuk 14 in zijn
geheel, indien de vloeibaargasinstallatie wordt ingebouwd nadat het
pleziervaartuig in het verkeer is gebracht. Artikel 21.03
(Zonder inhoud) HOOFDSTUK 22 STABILITEIT VAN SCHEPEN DIE CONTAINERS VERVOEREN Artikel 22.01
Algemene
bepalingen 1.
Indien volgens de binnenvaartvoorschriften van de lidstaten
voor schepen die containers vervoeren stabiliteitsdocumenten zijn vereist, is
dit hoofdstuk van toepassing. De stabiliteitsdocumenten moeten
door een commissie van deskundigen worden geverifieerd en van haar waarmerk
worden voorzien. 2.
De stabiliteitsdocumenten
moeten de schipper begrijpelijke informatie bieden over de stabiliteit van het
schip in elke voorkomende beladingstoestand. De stabiliteitsdocumenten
moeten ten minste bevatten: a) gegevens betreffende
de toelaatbare stabiliteitscoëfficiënten, de toegestane -
waarden of de toegestane zwaartepuntshoogten van de lading; b) gegevens betreffende
de ruimten die met ballastwater kunnen worden gevuld; c) formulieren voor de
stabiliteitscontrole; d) een
berekeningsvoorbeeld of handleiding voor de schipper. 3.
Indien containers op een schip
naar keuze al dan niet vastgezet kunnen worden vervoerd, zijn voor het vervoer
van niet vastgezette en voor het vervoer van vastgezette containerladingen
afzonderlijke berekeningsmethoden vereist voor het bewijs van stabiliteit. 4.
Een containerlading geldt
alleen als vastgezet wanneer de afzonderlijke containers door middel van
geleiders of spaninrichtingen hecht met de scheepsromp zijn verbonden en zij
tijdens het varen niet van plaats kunnen veranderen. Artikel 22.02
Criteria en
rekenmethode voor de stabiliteitsberekening van schepen die niet-vastgezette
containers vervoeren 1.
Voor niet vastgezette containers moet bij elke
berekeningsmethode om de stabiliteit van het schip vast te stellen van de
volgende criteria worden uitgegaan: a) De metacentrumhoogte
MG‾ mag niet minder zijn dan 1,00 m. b) Onder de
gelijktijdige invloed van de middelpuntvliedende kracht bij het draaien van het
schip, de winddruk en de vrije vloeistofoppervlakken mag de optredende slagzij
niet meer zijn dan 5° en mag de zijde van het dek niet in het water komen. c) De arm van het moment
veroorzaakt door de middelpuntvliedende kracht bij het draaien van het schip
wordt berekend volgens de formule: [m In deze formule
betekent: cKZ || || coëfficiënt (cKZ = 0,04) [s2/m]; v || || de grootste snelheid van het schip ten opzichte van het water [m/s]; KG‾ || || de hoogte van het gewichtszwaartepunt van het geladen schip boven de basis [m]; T' || || de diepgang van het geladen schip [m]. d) De arm van het moment
veroorzaakt door de winddruk wordt berekend volgens de formule: [m] In deze formule
betekent: cKW || || coëfficiënt (cKW = 0,025) [t/m2]; A' || || het lateraal oppervlak van het geladen schip boven water [m2]; D' || || het deplacement van het geladen schip [t]; lW || || de afstand van het zwaartepunt van het lateraal oppervlak A' boven de waterlijn [m]; T' || || de diepgang van het geladen schip [m]. e) De arm van het moment
veroorzaakt door de vrije vloeistofoppervlakken van regen- en restwater in het
laadruim of de dubbele bodem wordt berekend volgens de formule: [m] In deze formule betekent: cKfO || || coëfficiënt (cKfO = 0,015) [t/m2]; b || || de breedte van het desbetreffende ruim of ruimgedeelte [m];[24] l || || de lengte van het desbetreffende ruim of ruimgedeelte [m];[25] D' || || het deplacement van het geladen schip [t]. f) Voor elke
beladingstoestand moet met de halve voorraad aan brandstof en drinkwater worden
gerekend. 2.
De stabiliteit van een met niet
vastgezette containers geladen schip wordt geacht voldoende te zijn wanneer de
aanwezige KG‾ waarde gelijk aan of kleiner is dan KG‾zul volgens de volgende
formules. Daarbij moet KG‾zul worden berekend voor verschillende verplaatsingen
over het gehele diepgangsbereik. a) [m] Voor mag
geen kleinere waarde dan 11,5 worden genomen (11,5 = 1/tan5°). b) De kleinere waarde voor uit de
formule a of b is doorslaggevend. Daarbij betekent: || || de maximaal toelaatbare hoogte van het gewichtszwaartepunt van het geladen schip boven de basis [m]; || || de hoogte van het metacentrum boven de basis [m] volgens de benaderingsformule in het derde lid; F || || het voorhanden vrijboord op 1/2 van de lengte L [m]; Z || || coëfficiënt voor de middelpuntvliedende kracht bij het draaien van het schip [-] v || || de grootste snelheid van het schip ten opzichte van het water [m/s]; Tm || || gemiddelde diepgang [m]; hKW || || de arm van het moment veroorzaakt door de zijdelingse winddruk als bedoeld in het eerste lid, onder d [m]; hKfO || || som van de momenten veroorzaakt door de vrije vloeistofoppervlakken als bedoeld in het eerste lid, onder e) [m]. 3.
Benaderingsformule voor KM‾ Indien geen carènediagram ter
beschikking is, kan voor de berekening volgens het tweede lid en artikel 22.03,
tweede lid, de waarde van KM‾ met behulp van bijvoorbeeld de onderstaande
benaderingsformules worden berekend: a) voor schepen met een
pontonvorm [m] b) voor andere schepen [m] Artikel 22.03
Criteria en
rekenmethode voor de stabiliteitsberekening van schepen die vastgezette
containers vervoeren 1.
Voor vastgezette containers moet bij elke
berekeningsmethode om de stabiliteit van het schip vast te stellen van de
volgende criteria worden uitgegaan: a) De metacentrumhoogte
MG‾ mag niet minder zijn dan 0,50 m. b) Onder de
gelijktijdige invloed van de middelpuntvliedende kracht bij het draaien van het
schip, de winddruk en de vrije vloeistofoppervlakken mag geen opening van de
scheepsromp onder water komen. c) De armen van de momenten
veroorzaakt door de middelpuntvliedende kracht bij het draaien van het schip,
door de winddruk en de vrije vloeistofoppervlakken worden berekend volgens de
formules van artikel 22.02, eerste lid onder c), d) en e). d) Voor elke
beladingstoestand moet met de halve voorraad aan brandstof en drinkwater worden
gerekend. 2.
De stabiliteit van een met
vastgezette containers geladen binnenschip wordt geacht voldoende te zijn,
wanneer de aanwezige KG‾ -waarde gelijk aan of kleiner is dan KG‾zul volgens de
volgende formules. Daarbij moet KG‾zul worden berekend voor verschillende
verplaatsingen over het gehele diepgangsbereik. a) [m] Voor (BWL)/(F’)
mag geen kleinere waarde dan 6,6 worden genomen en voor geen kleinere waarde dan 0. b) KG‾zul
= KM‾ - 0,50 (m) De kleinste waarde voor KG‾zul
uit de formule a) of b) is doorslaggevend. In de formules betekent: I || || het dwarstraagheidsmoment van de waterlijn bij Tm [m4], overeenkomstig de benaderingsformule van het derde lid; i || || het dwarstraagheidsmoment van de waterlijn evenwijdig aan de basis bij een diepgang van Tm + ((2)/(3)) F’[m4] " || || de waterverplaatsing van het schip bij Tm [m3]; F' || || het denkbeeldige vrijboord F' = H' — Tm [m] of F’ =((a · BWL)/(2 · b))[m],waarbij de kleinste van de beide waarden dient te worden genomen; a || || verticale afstand van de onderkant van de bij een helling het eerst onder water komende opening tot de waterlijn in rechte stand van het schip [m]; b || || de afstand van deze opening tot hart schip [m]; H' || || de denkbeeldige holte H’ = H + ((q)/(0,9 · L · BWL))[m]; q || || de som der inhouden van dekhuizen, luiken, trunks en andere opbouwen tot een hoogte van maximaal 1,00 m boven de holte H, of tot de laagste opening van de desbetreffende ruimte, waarbij de kleinste waarde maatgevend is. Ruimten gelegen op minder dan 0,05 L van de scheepseinden blijven buiten beschouwing [m3]. 3.
Benaderingsformule voor I Indien geen carènediagram ter
beschikking is, kan voor de berekening volgens het tweede lid de waarde van het
dwarstraagheidsmoment van de waterlijn I met behulp van de onderstaande
benaderingsformules worden berekend: a) voor schepen met een
pontonvorm [m] b) voor andere schepen [m] Artikel 22.04
Methode voor de
stabiliteitscontrole aan boord De methode voor de
stabiliteitsbeoordeling kan aan de in artikel 22.01, tweede lid, bedoelde documenten
worden ontleend. HOOFDSTUK 22a BIJZONDERE BEPALINGEN VOOR VAARTUIGEN MET EEN LENGTE VAN
MEER DAN 110 M Artikel 22a.01
Toepasselijkheid
van deel I (zonder inhoud) Artikel 22a.02
Toepasselijkheid
van deel II Op vaartuigen met een
lengte L van meer dan 110 m zijn, behalve deel II, de artikelen 22a.03 tot en
met 22a.05 van toepassing. Artikel 22a.03
Sterkte De voldoende sterkte van
de scheepsromp als bedoeld in artikel 3.02, eerste lid onder a), (sterkte in
langs- en dwarsrichting alsmede plaatselijke sterkte) moet worden aangetoond
door een verklaring van een erkend classificatiebureau. Artikel 22a.04
Drijfvermogen en
stabiliteit 1.
Op vaartuigen met een lengte L van meer dan 110 m,
met uitzondering van passagiersschepen, zijn de leden 2 tot en met 10 van
toepassing. 2.
De basisgegevens voor de
stabiliteitsberekening — ledig scheepsgewicht en ligging gewichtszwaartepunt —
moeten worden bepaald door een hellingproef overeenkomstig bijlage I bij
IMO-resolutie MSC 267 (85). 3.
De aanvrager moet met een
berekening die berust op de procedure van het wegvallen van het drijfvermogen
aantonen dat het drijfvermogen en de stabiliteit van het schip in lekke
toestand voldoende zijn. Alle berekeningen moeten zodanig worden uitgevoerd dat
daarbij aan diepgang en trim geen vaste waarden zijn toegekend. Het bewijs van voldoende
drijfvermogen en stabiliteit van het schip in lekke toestand moet worden
aangetoond bij een belading die met de grootste diepgang van het schip
overeenkomt en gelijkmatig over alle laadruimten is verdeeld, en bij maximale
voorraden en een volle tank van het schip. Bij een ongelijksoortige
lading moet de stabiliteitsberekening worden gebaseerd op de meest ongunstige
beladingstoestand. Deze stabiliteitsberekening moet aan boord worden bewaard. Hierbij moet voor de
tussenstadia van het volstromen (25%, 50% en 75% van de eindtoestand van het
volgestroomd zijn en, indien van toepassing, vlak vóór het volstromen uit
dwarsrichting) en vóór de eindtoestand van het volgelopen zijn, onder de
bovenstaande beladingcondities aan het rekenkundig bewijs van voldoende
stabiliteit zijn voldaan. Voor de lekke toestand moeten
de volgende uitgangspunten in acht worden genomen: (a)
Omvang van de schade aan een scheepszijde: langsscheeps : ten
minste 0,10 L, dwarsscheeps : 0,59
m, verticaal : vanaf
de scheepsbodem naar boven onbegrensd; (b)
Omvang van de schade aan de
scheepsbodem: langsscheeps : ten
minste 0,10 L, dwarsscheeps : 3,00
m, verticaal : vanaf
de basis naar boven 0,39 m, lensput uitgezonderd; (c)
Alle in de beschadigde zone
aanwezige schotten zijn als lek te beschouwen, dat wil zeggen dat de
schotindeling zo gekozen moet zijn dat het vaartuig ook bij het vollopen van
twee of meer direct achter elkaar liggende afdelingen blijft drijven. Voor de
hoofdmachinekamer behoeft slechts het drijfvermogen aangetoond te worden voor
de 1-compartimentstatus, d.w.z. machinekamer-eindschotten worden als niet
beschadigd beschouwd. Bij een bodembeschadiging
moeten ook dwarsscheeps naast elkaar liggende afdelingen als volgelopen worden
beschouwd. (d)
Permeabiliteit Er moet met een permeabiliteit
van 95% worden gerekend. Wanneer een berekening
aantoont dat de gemiddelde permeabiliteit van een compartiment kleiner is dan 95%,
dan mag de berekende waarde worden aangehouden. De volgende waarden moeten ten
minste worden gebruikt: machinekamers en
bedrijfsruimten: –
machinekamers en
bedrijfsruimten 85% –
laadruimten: 70% –
dubbele bodems, brandstoftanks,
ballasttanks enz., al naargelang deze tanks, uit hoofde van hun bestemming, bij
het in het vlak van de grootste diepgang liggende vaartuig als vol of als ledig
moeten worden aangenomen: 0 of 95 % (e)
Voor de berekening van het
effect van de vrije oppervlakken bij alle tussenstadia van het volstromen wordt
uitgegaan van de bruto grondvlakken van de beschadigde ruimten. 4.
Bij alle tussenstadia van het
vollopen als bedoeld in het derde lid moet aan de volgende criteria worden
voldaan: (a)
de hoek van de slagzij φ van de evenwichtssituatie
van het betreffende tussenstadium mag niet meer bedragen dan 15° (5° indien de
containers niet zijn vastgezet); (b)
afgezien van de slagzij vanuit
de evenwichtssituatie van het betreffende tussenstadium moet het positieve
bereik van de kromme van de armen van statische stabiliteit een oprichtende arm
van statische stabiliteit aangeven van GZ ≥ 0,02 m (0,03 m indien de
containers niet zijn vastgezet), voordat de eerste onbeschermde opening onder
water komt dan wel een hoek van de slagzij φ van 27° bereikt wordt (15° indien
de containers niet zijn vastgezet); (c)
niet waterdichte openingen
mogen niet onder water komen voordat de slagzij vanuit de evenwichtssituatie
van het betreffende tussenstadium is bereikt. 5.
Bij de eindtoestand van het volgelopen
zijn moet aan de volgende criteria worden voldaan: (a)
de onderzijde van niet-waterdicht afsluitbare
openingen (bv. van deuren, ramen, toegangsluiken) moet ten minste 0,10 m boven
het vlak van inzinking liggen; (b)
de hoek van de slagzij φ van de
evenwichtssituatie mag niet meer bedragen dan 12° (5° indien de containers niet
zijn vastgezet); (c)
afgezien van de slagzij vanuit
de evenwichtssituatie van het betreffende tussenstadium moet het positieve
bereik van de kromme van de armen van statische stabiliteit een oprichtende arm
van statische stabiliteit aangeven van GZ ≥ 0,05 m en moet het vlak onder
de kromme minstens 0,0065 m.rad bereiken, voordat de eerste onbeschermde
opening onder water komt dan wel een hoek van de slagzij φ van 27° (10° indien
de containers niet zijn vastgezet) wordt bereikt; English || Dutch righting lever GZ (m) || oprichtende arm van statische stabiliteit GZ (m) first unprotected opening to water, however || eerste onbeschermde opening onder water, echter heeling angle || hoek van de slagzij equilibrium position in the final stage of flooding || evenwicht in eindstadium van volstroming (d)
indien niet-waterdichte
openingen onder water komen voordat de evenwichtssituatie is bereikt, moeten de
ruimten die daarmee in verbinding staan bij de berekening van de lekstabiliteit
als volgestroomd worden beschouwd. 6.
Wanneer doorstroomopeningen in
de langsschotten worden voorzien ten behoeve van vermindering van asymmetrisch
volstromen, moet aan de volgende eisen zijn voldaan: (a)
voor de berekening van het uit dwarsrichting
volstromen wordt IMO-resolutie A.266 (VIII) toegepast; (b)
ze moeten automatisch
functioneren; (c)
ze mogen niet van
afsluitmechanismen zijn voorzien; (d)
de tijd die nodig is voor een
volledige vereffening, mag niet meer bedragen dan 15 minuten. 7.
Indien openingen, waardoor
onbeschadigde afdelingen alsnog vol kunnen lopen, waterdicht kunnen worden
afgesloten, moet op de beide zijden van deze afsluitmechanismen het volgende
opschrift op een goed leesbare plaats worden aangebracht: "Opening na doorgang
direct sluiten". 8.
Het rekenkundige bewijs als
bedoeld in leden 3 tot en met 7 wordt geacht te zijn geleverd wanneer
lekstabiliteitsberekeningen overeenkomstig deel 9 van de voorschriften bij het
Europese verdrag inzake het internationale vervoer van gevaarlijke goederen
over de binnenwateren (hierna "ADN" genoemd), met een positief
resultaat worden overgelegd. 9.
Indien het noodzakelijk is om
aan de voorwaarden van lid 3 te voldoen, moet het vlak van de grootste
inzinking opnieuw worden vastgesteld. Artikel 22a.05
Aanvullende eisen 1.
Vaartuigen met een lengte L van meer dan 110 m moeten: a) beschikken over een
meerschroefsaandrijving met ten minste twee van elkaar onafhankelijke
aandrijfmotoren met eenzelfde vermogen en een vanuit het stuurhuis bedienbare
boegschroefinstallatie die ook werkt indien het vaartuig niet geladen is, of beschikken over een
enkelschroefsaandrijving en een vanuit het stuurhuis bedienbare
boegschroefinstallatie. De boegschroefinstallatie moet voorzien zijn van een
eigen energieverzorging die ook werkt indien het vaartuig niet geladen is en
die bij uitval van de hoofdaandrijving het voortbewegen op eigen kracht
mogelijk maakt; b) beschikken over een
radarinstallatie met bochtaanwijzer als bedoeld in artikel 7.06, eerste lid; c) beschikken over een
vast ingebouwde lensinrichting als bedoeld in artikel 8.08; d) voldoen aan
de eisen van artikel 23.09, eerste lid, onderdeel l. 2.
Voor vaartuigen met een lengte
van meer dan 110 m — met uitzondering van passagiersschepen — die in aanvulling
op lid 1: a) in geval van averij
in het middelste derde deel van het vaartuig, zonder dat de inzet van zwaar
bergingsmaterieel noodzakelijk is, kunnen worden gedeeld, waarbij de gedeelde
stukken van het vaartuig na het delen moeten kunnen blijven drijven; b) over een document van
een erkend classificatiebureau beschikken, waarmee het drijfvermogen, de
trimsituatie en de stabiliteit van de gedeelde stukken van het schip worden
aangetoond en waaruit tevens blijkt vanaf welke beladingstoestand het
drijfvermogen van de beide delen niet meer gewaarborgd is, waarbij in dit
laatste geval het document aan boord aanwezig moet zijn; c) als dubbelwandig
schip volgens het ADN zijn gebouwd, waarbij droge ladingschepen moeten voldoen
aan de nummers 9.1.0.91 tot en met 9.1.0.95 en tankschepen aan de alinea 9.3.2.11.7
en aan de nummers 9.3.2.13 tot en met 9.3.2.15 of de alinea 9.3.3.11.7 en de
nummers 9.3.3.13 tot en met 9.3.3.15 van deel 9 van het ADN; d) over een
meerschroefsaandrijving overeenkomstig het eerste lid, onder a), eerste alinea,
beschikken, moet in het
EU-binnenvaartcertificaat onder punt 52 een notitie worden opgenomen dat zij
voldoen aan alle eisen van de onderdelen a) tot en met d). 3.
Voor passagiersschepen met een
lengte van meer dan 110 m, die in aanvulling op lid 1: a) onder toezicht van
een erkend classificatiebureau voor de hoogste klasse daarvan zijn gebouwd of
omgebouwd, hetgeen moet worden bevestigd door een document van het
classificatiebureau en waarbij de lopende klasse niet vereist is; b) hetzij een dubbele bodem met een
hoogte van ten minste 600 mm hebben, en een schotindeling hebben die garandeert
dat het schip bij vollopen van twee willekeurige, naast elkaar gelegen
waterdichte compartimenten niet inzinkt tot onder de indompelingsgrenslijn en
er een resterende veiligheidsafstand van 100 mm blijft bestaan, hetzij een dubbele bodem met een
hoogte van ten minste 600 mm hebben, en een dubbele romp met een afstand tussen
de buitenwand van het schip en het langsschot van ten minste 800 mm hebben; c) beschikken over een
meerschroefsaandrijving met ten minste twee van elkaar onafhankelijke
aandrijfmotoren met eenzelfde vermogen en een vanuit het stuurhuis bedienbare
boegschroefinstallatie die zowel in de lengte- als dwarsrichting werkt; d) de hekankers vanuit
het stuurhuis direct kunnen presenteren, moet in het
EU-binnenvaartcertificaat onder punt 52 een notitie worden opgenomen dat zij
voldoen aan alle eisen van de onderdelen a) tot en met d). Artikel 22a.06
(Zonder inhoud) HOOFDSTUK 22b BIJZONDERE BEPALINGEN VOOR SNELLE SCHEPEN Artikel 22b.01
Algemene
bepalingen 1.
Hotelschepen mogen niet gebouwd zijn als
hotelschepen. 2.
De volgende inrichtingen zijn
op snelle schepen verboden: a) met pitbranders uitgeruste
inrichtingen, bedoeld in artikel 13.02; b) oliekachels met
verdampingsbranders, bedoeld in de artikelen 13.03 en 13.04; c) verwarmingsapparaten met
vaste brandstoffen, bedoeld in artikel 13.07; d) vloeibaargasinstallaties
bedoeld in hoofdstuk 14. Artikel 22b.02
Toepasselijkheid
van deel I 1.
Onverminderd artikel 2.03 moeten snelle schepen
worden gebouwd onder toezicht en volgens de toepasselijke voorschriften van een
erkend classificatiebureau dat beschikt over bijzondere regels voor snelle
schepen, en door dat bureau geclassificeerd zijn. De klasse moet worden
gehandhaafd. 2.
In afwijking van artikel 10 van
deze richtlijn bedraagt de geldigheidsduur van de EU-binnenvaartcertificaten
die volgens dit hoofdstuk zijn afgegeven, ten hoogste vijf jaren. Artikel 22b.03
Toepasselijkheid
van deel II 1.
Onverminderd het tweede lid en artikel 22b.02,
tweede lid, gelden voor snelle schepen de hoofdstukken 3 tot en met 15 met
uitzondering van: a) artikel 3.04, zesde lid,
tweede alinea; b) artikel 8.08, tweede lid,
tweede zin; c) artikel 11.02, vierde lid,
tweede en derde zin; d) artikel 12.02, vierde lid,
tweede zin; e) artikel 15.06, derde lid,
onder a), tweede zin. 2.
In afwijking van de artikelen 15.02,
negende lid, en 15.15, zevende lid, moeten alle deuren in schotten op afstand
kunnen worden bediend. 3.
In afwijking van artikel 6.02,
eerste lid, moet bij uitvallen of storing van de aandrijving van de
stuurmachine onverwijld een tweede onafhankelijke aandrijving van de
stuurmachine dan wel een handaandrijving in werking worden gesteld. 4.
Behalve de eisen van deel II
gelden voor snelle schepen de artikelen 22b.04 tot en met 22b.12. Artikel 22b.04
Zitplaatsen en
veiligheidsgordels Voor het ten hoogste aan
boord toegelaten aantal passagiers moeten zitplaatsen beschikbaar zijn.
Zitplaatsen moeten van veiligheidsgordels voorzien zijn. Veiligheidsgordels
kunnen achterwege blijven indien een geschikte bescherming tegen stoten
aanwezig is, dan wel wanneer zij volgens de HSC Code 2000, hoofdstuk 4,
onderdeel 6, niet vereist zijn. Artikel 22b.05
Vrijboord In afwijking van de
artikelen 4.02 en 4.03 moet het vrijboord ten minste 500 mm bedragen. Artikel 22b.06
Drijfvermogen,
stabiliteit en indeling In het geval van snelle
schepen moet de aanwezigheid van: a) eigenschappen wat
betreft drijfvermogen en stabiliteit, die de veiligheid van het schip tijdens
het varen met waterverplaatsing zowel in onbeschadigde toestand als in lekke
toestand waarborgen; b) stabiliteitseigenschappen
en stabiliseringssystemen, die de veiligheid van het schip tijdens het bedrijf
met dynamisch draagvermogen en in de overgangsfase waarborgen; c) stabiliteitseigenschappen
tijdens het bedrijf met dynamisch draagvermogen en in de overgangsfase, die het
voor het schip mogelijk maken op veilige wijze de overgang te maken naar het
varen met waterverplaatsing bij een eventueel niet functioneren van het
systeem; in voldoende mate worden aangetoond. Artikel 22b.07
Stuurhuis 1.
Installatieschema a) In afwijking van
artikel 7.01, eerste lid, moet het stuurhuis zo worden ingericht, dat zowel de
roerganger als een tweede lid van de bemanning tijdens de vaart steeds hun
taken kunnen uitvoeren. b) De stuurstand moet zo
worden ingericht, dat de onder a) genoemde personen daar hun werkplek hebben.
De inrichtingen voor de navigatie, het manoeuvreren, de controle, het
uitwisselen van berichten en de overige apparaten die voor het bedrijf van
belang zijn moeten zo dicht bij elkaar zijn opgesteld, dat zowel de roerganger
als een tweede lid van de bemanning over alle noodzakelijke informatie kan
beschikken om indien nodig zittend alle uitrustings- en bedieningsinrichtingen
te kunnen bedienen. In ieder geval moet: aa) de stuurstand van de
roerganger zijn uitgevoerd als éénmansstuurstelling voor het varen op radar; bb) het tweede lid van de
bemanning op zijn werkplek beschikken over een eigen radarbeeld (slave) en
vanaf zijn werkplek in staat zijn in te grijpen in de uitwisseling van berichten
en in de aandrijving van het schip. c) De onder a) vermelde
personen moeten, ook indien de veiligheidsgordels normaal zijn gesloten, in
staat zijn de inrichtingen, bedoeld onder b), zonder belemmering te bedienen. 2.
Vrij zicht a) In afwijking van
artikel 7.02, tweede lid, mag de dode hoek vanaf een zittende positie en bij
elke beladingstoestand niet meer bedragen dan één scheepslengte voor de boeg. b) In afwijking van
artikel 7.02, derde lid, mag de som van de sectoren zonder vrij gezichtsveld
van recht vooruit tot 22,5° achterlijker dan dwars aan iedere zijde niet meer
dan 20° bedragen. Iedere afzonderlijke sector zonder vrij gezichtsveld mag niet
meer bedragen dan 5°. De sector met vrij zicht tussen twee sectoren zonder vrij
gezichtsveld mag niet minder bedragen dan 10°. 3.
Instrumenten De instrumentenpanelen
voor de bediening en de controle van de in artikel 22b.11 genoemde installaties
moeten gescheiden op een duidelijk herkenbare plaats binnen het stuurhuis zijn
aangebracht. Dit geldt in voorkomend geval ook voor inrichtingen voor het te
water laten van gemeenschappelijke reddingsmiddelen. 4.
Verlichting In zones of bij onderdelen
van de uitrusting die tijdens het bedrijf verlicht moeten zijn, moet rood licht
worden toegepast. 5.
Ramen Reflecties moeten vermeden
worden. Er moeten inrichtingen ter vermijding van verblinding door zonlicht
aanwezig zijn. 6.
Oppervlaktematerialen In het stuurhuis moeten
reflecties door oppervlaktematerialen vermeden worden. Artikel 22b.08
Aanvullende
uitrusting Snelle schepen moeten zijn
uitgerust met: a) een radarinstallatie
en een bochtaanwijzer, bedoeld in artikel 7.06, eerste lid, en b) individuele
reddingsmiddelen, die direct kunnen worden bereikt, overeenkomstig de Europese
norm EN 395:1998, voor het ten hoogste toegelaten aantal personen aan boord. Artikel 22b.09
Gesloten zones 1.
Algemene bepaling Voor het publiek
toegankelijke ruimten en verblijven en de uitrusting daarvan moeten zo zijn
uitgevoerd dat personen bij normaal gebruik niet kunnen worden verwond bij een
normale start of stop, dan wel bij een noodstart of noodstop, noch bij
manoeuvreren onder normale vaaromstandigheden dan wel bij motoruitval of een
stuurfout. 2.
De mededeling a) Passagiersschepen
moeten, ten behoeve van informatieverstrekking over veiligheidsmaatregelen, zijn
uitgerust met akoestische en visuele inrichtingen die door alle passagiers
gehoord en gezien kunnen worden. b) De schipper moet in
staat zijn om met behulp van de onder a) bedoelde inrichtingen aanwijzingen aan
de passagiers te geven. c) Voor iedere passagier
moeten in de nabijheid van zijn zitplaats aanwijzingen voor noodsituaties
voorhanden zijn, met inbegrip van een overzichtsschets van het schip waarop
alle uitgangen, evacuatieroutes, nooduitrusting, reddingsmiddelen alsmede het
gebruik van de zwemvesten duidelijk zijn aangegeven. Artikel 22b.10 Uitgangen en
vluchtwegen Vluchtwegen en
evacuatieroutes moeten voldoen aan de volgende eisen: a) een
gemakkelijke, veilige en snelle toegang vanuit de stuurstand naar de voor het
publiek toegankelijke ruimten en verblijven moet zijn gegarandeerd; b) de vluchtwegen
naar de nooduitgangen moeten duidelijk en duurzaam zijn gemarkeerd; c) alle uitgangen
moeten voldoende gemarkeerd zijn. Het functioneren van het openingsmechanisme
moet van buiten en van binnen duidelijk zijn te herkennen; d) de vluchtwegen
en nooduitgangen moeten over een geschikt veiligheidsgeleidesysteem beschikken; e) naast de
uitgangen moet voldoende ruimte voor een lid van de bemanning aanwezig zijn. Artikel 22b.11
Bescherming tegen
brand en brandbestrijding 1.
Gangen, voor het publiek toegankelijke ruimten en
verblijven, alsmede keukens en machinekamers moeten zijn aangesloten op een
doelmatige brandmeldinstallatie. De aanwezigheid van een brand en de plaats
daarvan moeten automatisch op een permanent door het scheepspersoneel bezette
plaats worden aangegeven. 2.
Machinekamers moeten zijn
voorzien van een vast ingebouwde brandblusinstallatie, bedoeld in artikel 10.03b. 3.
Voor het publiek toegankelijke
ruimten en verblijven en de daarbij horende vluchtwegen moeten zijn uitgerust
met een automatisch werkende sprinklerinstallatie, bedoeld in artikel 10.03a.
Bluswater moet snel en direct naar buiten kunnen worden afgevoerd. Artikel 22b.12
Overgangsbepalingen Snelle schepen als bedoeld
in artikel 1.01, lid 22, die op 31 maart 2003 beschikken over een geldig
EU-binnenvaartcertificaat, moeten voldoen aan de volgende voorschriften van dit
hoofdstuk: a) aan de artikelen 22b.01, 22b.04,
22b.08, 22b.09, 22b.10 en 22b.11, eerste lid; bij verlenging van het
EU-binnenvaartcertificaat; b) op 1 april 2013 aan artikel 22b.07, eerste,
derde, vierde, vijfde en zesde lid; c) op 1 januari 2023 aan de overige voorschriften. DEEL III HOOFDSTUK 23 UITRUSTING VAN SCHEPEN MET HET OOG OP DE BEMANNING Artikel 23.01
(Zonder inhoud) Artikel 23.02
(Zonder inhoud) Artikel 23.03
(Zonder inhoud) Artikel 23.04
(Zonder inhoud) Artikel 23.05
(Zonder inhoud) Artikel 23.06
(Zonder inhoud) Artikel 23.07
(Zonder inhoud) Artikel 23.08
(Zonder inhoud) Artikel 23.09
Uitrusting van
schepen 1.
Voor motorschepen, duwboten, duwstellen en
passagiersschepen wordt het al dan niet voldoen aan de voorschriften van lid 1.1
of 1.2 door de commissie van deskundigen in het EU-binnenvaartcertificaat onder
nummer 47 gewaarmerkt. 1.1.
Standaard S1 a) De
voortstuwingsinstallaties moeten zo zijn ingericht, dat de verandering van de
vaarsnelheid en de omkering van de richting van de stuwkracht van de schroef
vanaf de stuurstelling kunnen geschieden. De hulpmotoren die nodig zijn
bij het varen met het schip moeten vanaf de stuurstelling kunnen worden aan- en
afgezet, tenzij dit automatisch geschiedt, dan wel deze motoren gedurende elke
reis ononderbroken in bedrijf zijn. b) Het kritieke peil: –
van de temperatuur van het
koelwater van de hoofdmotoren; –
van de druk van de smeerolie
van de hoofdmotoren en de transmissie; –
van de oliedruk en de luchtdruk
van de omkeerinrichting van de hoofdmotoren, de keerkoppeling of de schroeven; –
van het lenswater in de
hoofdmachinekamer, moet worden aangegeven door
installaties die in het stuurhuis akoestische en optische alarmsignalen in
werking stellen. De akoestische alarmsignalen mogen in één akoestisch apparaat
verenigd zijn. Zij mogen worden uitgeschakeld zodra de storing is vastgesteld.
De optische alarmsignalen mogen pas worden uitgeschakeld nadat de
desbetreffende storingen zijn verholpen. c) De brandstoftoevoer
en de koeling van de hoofdmotoren dient automatisch te geschieden. d) De bediening van de
stuurinrichting moet zelfs bij de grootste toegelaten inzinking door één
persoon zonder bijzondere krachtsinspanning kunnen worden verricht. e) De bij de nationale
of internationale scheepvaartpolitiereglementen voorgeschreven optische tekens
en geluidsseinen van varende schepen dienen vanaf de stuurstelling te kunnen
worden gegeven. f) Indien geen rechtstreeks
contact mogelijk is tussen de stuurstelling en het voorschip, het achterschip,
de verblijven en de machinekamer, dient een spreekverbinding te zijn
aangebracht. Voor contact met de machinekamer mogen in plaats van een
spreekverbinding optische en akoestische signalen worden gebruikt. g) De voorgeschreven
bijboot moet door één bemanningslid binnen een redelijke tijd te water kunnen
worden gelaten. h) Er dient een vanaf de
stuurstelling te bedienen schijnwerper aan boord te zijn. i) De kracht die nodig
is om zwengels en soortgelijke draaibare voorzieningen van hefwerktuigen te
bedienen mag niet meer dan 160 N bedragen. k) De in het
EU-binnenvaartcertificaat vermelde sleeplieren dienen door een motor te worden
aangedreven. l) De lenspompen en de
dekwaspompen dienen door een motor te worden aangedreven. m) De voornaamste
bedieningsinrichtingen en controle-instrumenten dienen ergonomisch te zijn
aangebracht. n) De krachtens artikel 6.01,
eerste lid, vereiste inrichtingen dienen vanaf de stuurstelling te kunnen
worden bediend. 1.2.
Standaard S2 a) Voor alleen varende
motorschepen: standaard S1 en bovendien een
uitrusting met een vanuit de stuurhut bedienbare boegschroefinstallatie. b) Voor motorschepen,
die in parallelformatie varen: standaard S1 en bovendien een
uitrusting met een vanuit de stuurpositie bedienbare boegschroefinstallatie. c) Voor motorschepen die
een duwstel, bestaande uit het motorschip en een vaartuig ervoor, voortbewegen: standaard S1 en bovendien een
uitrusting met hydraulisch of elektrisch aangedreven koppellieren. Deze
uitrusting is echter niet vereist, als het vaartuig aan de kop van het duwstel
met een boegschroefinstallatie is uitgerust die vanuit de stuurhut van het
duwende motorschip te bedienen is. d) Voor duwboten die een
duwstel voortbewegen: standaard S1 en bovendien een
uitrusting met hydraulisch of elektrisch aangedreven koppellieren. Deze
uitrusting is echter niet vereist, als het vaartuig aan de kop van het duwstel
met een boegschroefinstallatie is uitgerust die vanuit de stuurhut van het
duwende duwboot te bedienen is. e) Voor
passagiersschepen: standaard S1 en bovendien een
uitrusting met een vanuit de stuurhut bedienbare boegschroefinstallatie. Deze
uitrusting is echter niet vereist, indien de aandrijvingsinstallatie en de stuurinrichting
van het passagiersschip gelijkwaardige manoeuvreer eigenschappen waarborgen. Artikel 23.10 (Zonder inhoud)) Artikel 23.11 (Zonder inhoud)) Artikel 23.12 (Zonder inhoud)) Artikel 23.13 (Zonder inhoud)) Artikel 23.14 (Zonder inhoud)) Artikel 23.15 (Zonder inhoud)) DEEL IV HOOFDSTUK 24 OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN Artikel 24.01
Toepasselijkheid
van de overgangsbepalingen op reeds in bedrijf zijnde vaartuigen 1.
De artikelen 24.02 tot en met 24.04 zijn slechts
van toepassing op vaartuigen, die op 30 december 2008 voorzien zijn van een
geldig certificaat van onderzoek overeenkomstig het op 31 december 1994
geldende Reglement onderzoek schepen op de Rijn of die op 31 december 1994 in
aanbouw dan wel in verbouw waren. 2.
Op vaartuigen, die niet onder
het eerste lid vallen, is artikel 24.06 van toepassing. Artikel 24.02
Afwijkingen voor
reeds in bedrijf zijnde vaartuigen 1.
Onverminderd de artikelen 24.03 en 24.04 moeten
vaartuigen, die niet volledig aan de bepalingen van deze richtlijn voldoen: a) daaraan volgens de in
de onderstaande tabel 1 vermelde overgangsbepalingen worden aangepast, b) totdat de aanpassing
heeft plaatsgevonden, voldoen aan het op 31 december 1994 geldende Reglement
onderzoek schepen op de Rijn. 2.
In de onderstaande tabel 1
betekent: –
"N.V.O.": het
voorschrift is niet van toepassing op reeds in bedrijf zijnde vaartuigen,
tenzij de betreffende delen worden vervangen of omgebouwd, dat wil zeggen dat
dit voorschrift slechts van toepassing is op Nieuwbouw, bij Vervanging of bij
Ombouw van de betreffende delen of sectoren. Worden bestaande delen vervangen
door delen welke in technische zin en bouwwijze gelijk zijn, dan wordt dit niet
beschouwd als vervanging „V” volgens deze overgangsbepalingen. –
"Afgifte of verlenging van
het EU-binnenvaartcertificaat": aan het voorschrift moet zijn voldaan bij
de afgifte of de eerstvolgende verlenging van de geldigheidsduur van het
EU-binnenvaartcertificaat na de daarop aangegeven datum. Tabel 1 Artikel en lid || Inhoud || TERMIJN EN VOORWAARDEN HOOFDSTUK 3 || || 3.03, lid 1, onder a) || Plaats van het aanvaringsschot || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2035 lid 2 || Verblijven || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 Noodzakelijke voorzieningen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2015 lid 4 || Gasdichte afscheiding van verblijven van machinekamers, ketel- en laadruimen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 lid 5, tweede zin || Bewaking op afstand van deuren in het hekschot || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 lid 7 || Voorschip met ankernissen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2041 3.04, lid 3, tweede zin || Isolaties in machinekamers || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat lid 3, derde en vierde zin || Openingen en afsluitinrichtingen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat 3.04(6) || Uitgangen van machinekamers || Machinekamers die vóór 1995 overeenkomstig artikel 1.01 niet onder het begrip "machinekamer" waren te rangschikken, behoeven pas van een tweede uitgang te worden voorzien bij N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2035 HOOFDSTUK 5 || || 5.06, lid 1, eerste zin || Minimum snelheid || Voor vaartuigen met een bouwjaar van vóór 1996 uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2035 HOOFDSTUK 6 || || 6.01(1) || Manoeuvreereigenschappen volgens hoofdstuk 5 || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2035 lid 3 || Helling en omgevingstemperatuur || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 lid 7 || Doorvoering van roerkoningen || Voor vaartuigen met een bouwjaar van vóór 1996 N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2015 6.02(1) || Aanwezigheid van afzonderlijke hydraulische tanks || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 Meerdere stuurventielen in het geval van hydraulische aandrijfinstallaties || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2020 Afzonderlijke leidingen voor de tweede aandrijfinstallatie in het geval van hydraulische aandrijfinstallaties || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2020 lid 2 || In bedrijf brengen van de tweede aandrijfinrichting met slechts één bedieningshandeling || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 lid 3 || Voldoen aan de manoeuvreereigenschappen volgens hoofdstuk 5 bij het in bedrijf zijn van de tweede aandrijving/handbedrijf || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2035 6.03(1) || Aansluiten andere verbruikers op hydraulische aandrijfinstallaties || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2020 --- || --- || --- 6.05(1) || Automatische ontkoppeling van het handstuurwerk || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 6.06(1) || Twee van elkaar onafhankelijke stuursystemen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2015 6.07, lid 2, onder a) || Niveau alarm van de hydraulische tanks en alarm van de werkdruk || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 lid 2, onder e) || Bewaking van het buffersysteem || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat 6.08(1) || Eisen aan elektronische installaties volgens artikel 9.20 || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2015 HOOFDSTUK 7 || || 7.02(2) || Dode hoek voor de boeg van het schip niet meer dan tweemaal de scheepslengte indien minder dan 250 m || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2049 7.02, lid 3, tweede zin || Vrij uitzicht in de zichtas van de roerganger || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2015 lid 6 || Gekleurde vensters || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 7.03(7) || Buiten werking stellen van alarmen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat voorzover geen éénmansstuurstelling voor het varen op radar aanwezig is lid 8 || Automatisch omschakelen op een andere stroombron || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 7.04(1) || Bediening aandrijfwerktuigen en stuurinrichtingen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat lid 2 || Machinebediening || Voorzover geen éénmansstuurstelling voor het varen op radar aanwezig is: N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2035 in het geval van direct omkeerbare machines, na 1.1.2010 in het geval van overige machines lid 3 || Weergeven || Als er geen stuurhuis is dat geschikt is voor radarnavigatie door één persoon: N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 lid 9, derde zin || Controle via een hefboom || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 vierde zin || Stuwrichting duidelijk aangeven || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 7.05(1) || Navigatielichten, hun lantaarnhuizen, toebehoren en lichtbronnen || De navigatielichten, hun lantaarnhuizen, toebehoren en lichtbronnen die voldoen aan de eisen van de op 30.11.2009 geldende voorschriften omtrent de kleur en de sterkte van lichten, alsmede omtrent de goedkeuring van navigatielantaarns in de Rijnvaart, mogen nog steeds worden gebruikt 7.06(1) || Navigatieradarinstallaties die voor 1 januari 1990 zijn goedgekeurd || Navigatieradarinstallaties die voor 1.1.1990 zijn goedgekeurd, mogen worden ingebouwd en gebruikt tot en met de afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 31.12.2009, maar uiterlijk tot 31.12.2011 indien een overeenkomstig deze richtlijn of Besluit 1989-II-35 van de CCR geldige inbouwverklaring aanwezig is. || Bochtaanwijzers die voor 1 januari 1990 zijn goedgekeurd || Bochtaanwijzers die voor 1.1.1990 zijn goedgekeurd, en die ingebouwd zijn voor 1.1.2000, mogen tot en met de afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat worden ingebouwd en gebruikt na 1.1.2015 indien een overeenkomstig deze richtlijn of Besluit 1989-II-35 van de CCR geldige inbouwverklaring aanwezig is. || Navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers die na 1 januari 1990 zijn goedgekeurd || Navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers die op of na 1.1.1990 op grond van de minimumeisen en keuringsvoorwaarden voor navigatieradarinstallaties voor binnenvaart op de Rijn en de minimumeisen en keuringsvoorwaarden voor bochtaanwijzers voor binnenvaart op de Rijn zijn goedgekeurd, mogen verder worden ingebouwd en gebruikt indien een overeenkomstig deze richtlijn of Besluit 1989-II-35 van de CCR geldige inbouwverklaring voorhanden is. 7.09 || Alarminstallatie || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 7.12, eerste zin || In hoogte verstelbare stuurhuizen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat In het geval van niet hydraulisch kunnen neerlaten: uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2035 tweede en derde zin || || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat HOOFDSTUK 8 || || 8.01(3) || Alleen verbrandingsmotoren waarvan het vlampunt van de brandstof boven 55 °C ligt || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2015 8.02(1) || Beveiliging van machine-installaties tegen onopzettelijke inbedrijfstelling || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 lid 4 || Onderzoek van pijpleidingverbindingen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2025 lid 5 || Dubbelwandig leidingsysteem || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2025 lid 6 || Isolatie van motoronderdelen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat 8.03(2) || Aangeven van het kritieke peil || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 lid 3 || Inrichting voor automatische reductie van het toerental || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 lid 5 || Doorvoeringen van assen van de voortstuwingsinstallaties || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2015 8.05(1) || Brandstoftanks van staal || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU- binnenvaartcertificaat na 1.1.2015 lid 2 || Zelfsluitende afsluitinrichting voor het ontnemen van water || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat lid 3 || Geen brandstoftanks vóór het aanvaringsschot || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 lid 4 || Geen dagtank en appendages boven machine-installaties of uitlaatgassenleidingen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010. Tot aan dat tijdstip moet door opvangcontainers of druipblikken verzekerd zijn dat uitlopende brandstof zonder gevaar kan worden afgevoerd lid 6, derde, vierde en vijfde zin || Inrichting en afmetingen van ontluchtings- en verbindingsleidingen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 lid 7, eerste alinea || Snelsluitende afsluiter die van het dek af kan worden bediend, zelfs indien de desbetreffende kamers gesloten zijn || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2015 lid 9, tweede zin || Peilinrichtingen moeten tot aan de hoogste vulstand afleesbaar zijn || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 lid 13 || Controle van de hoeveelheid brandstof niet alleen voor de voortstuwingsmotoren maar ook voor de voor de vaart noodzakelijke andere motoren || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2015 8.06 || Tanks voor smeerolie, pijpleidingen en toebehoren || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 8.07 || Tanks voor oliën in systemen voor het overbrengen van vermogen, bedienings-, bekrachtigings- en verwarmingssystemen, pijpleidingen en toebehoren || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 8.08(8) || Een afsluiter (zonder terugslagklep) als aansluiting van ballasttanks aan het lenssysteem geldt niet voor laadruimen die zijn ingericht voor het opnemen van ballast || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 lid 9 || Peilmogelijkheden voor vullingen van ruimen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 8.09(2) || Inrichtingen voor het verzamelen van lenswater en afgewerkte olie || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 8.10(3) || Geluidsgrens van 65 dB(A) voor stilliggende schepen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2015 HOOFDSTUK 8a || || 8a.02, leden 2 en 3 || Naleving van de vereisten / maximale uitlaatgasemissiewaarden || De voorschriften zijn niet van toepassing a) voor motoren die vóór 1.1.2003 zijn geïnstalleerd, en b) voor vervangingsmotoren die tot 31.12.2011 worden geïnstalleerd aan boord van schepen die op 1.1.2002 operationeel waren Voor motoren die geïnstalleerd zijn a) in schepen tussen 1.1.2003 en 1.7.2007, zijn de maximale uitlaatgaswaarden als bepaald in bijlage XIV bij Richtlijn 97/68/EG van toepassing; b) in schepen of in machines aan boord na 30.6.2007, zijn de maximale uitlaatgaswaarden als bepaald in bijlage XV bij Richtlijn 97/68/EG van toepassing. De eisen betreffende de categorieën: aa) V voor aandrijvingsmotoren en voor hulpmotoren boven 560 kW, en bb) D, E, F, G, H, I, J, K voor hulpmotoren, als bedoeld in Richtlijn 97/68/EG, zijn gelijkwaardig van toepassing. HOOFDSTUK 9 || || 9.01, lid 1, tweede zin || De benodigde documenten moeten worden voorgelegd aan de commissie van deskundigen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2035 lid 2, onder b) || Schema's van hoofd- en noodschakelbord en de verdeelkasten moeten zich aan boord bevinden || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 lid 3 || Omgevingstemperatuur in het schip en aan dek || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 9.02, lid 1 tot en met 3 || Systemen voor de energieverzorging || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 9.05(4) || Doorsnede van de aardleiding || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2015 9.11(4) || 9.11, lid 4 Ventilatie van gesloten ruimten, kisten of kasten waarin accumulatoren zijn opgesteld || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat 9.12, lid 2, onder d) || Directe voeding vanaf het hoofdschakelbord van verbruikers die voor de voortstuwing en het manoeuvreren noodzakelijk zijn || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2015 lid 3, onder b) || Aardfoutbewakingsinrichting || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 9.13 || Noodstopschakelaars || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 9.14, lid 3, tweede zin || Eenpolige schakelaars zijn in was-, bad- en overige natte ruimten niet toegestaan || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 9.15(2) || Minimale doorsnede van de aders van 1,5 mm2 || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 lid 10 || Kabels naar beweegbare stuurhuizen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 9.16, lid 3, tweede zin || Tweede stroomkring || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2015 9.19 || Alarm- en beveiligingssystemen voor werktuigbouwkundige inrichtingen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2015 9.20 || Elektronische installaties || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2035 9.21 || Elektromagnetische compatibiliteit || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2035 HOOFDSTUK 10 || || 10.01 || Ankeruitrusting || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 10.02, lid 1, onder b), tweede zin || Verzamelreservoirs van staal of van een ander stootvast en onbrandbaar materiaal met een inhoud van ten minste 10 l || N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat 10.02, lid 2, onder a) || Keuringsbewijs voor stalen trossen en andere kabels || Voor de eerste tros die op het schip wordt vervangen: N.V.O., uiterlijk 1.1.2008. Tweede en derde tros: 1.1.2013 10.03(1) || 10.03, lid 1 Europese norm || Bij vervanging, uiterlijk 1.1.2010 lid 2 || Geschiktheid voor brandklasse A, B en C || Bij vervanging, uiterlijk 1.1.2010 lid 4 || Hoeveelheid CO2 en inhoud van de ruimten || Bij vervanging, uiterlijk 1.1.2010 10,03a || Vast ingebouwde brandblusinstallaties in verblijven, stuurhuizen en passagiersruimten || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2035 10.03b || Vast ingebouwde brandblusinstallaties in machinekamers, ketelruimen en pompkamers || [26] 10.04 || Toepassing Europese norm op bijboten || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2015 10.05(2) || Opblaasbare zwemvesten || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010. Zwemvesten die op 30.9.2003 aan boord zijn mogen tot aan de afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 verder worden gebruikt HOOFDSTUK 11 || || 11.02, lid 4, eerste zin || Voorziening aan de buitenkanten van dekken, gangboorden en andere werkplekken || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2020 || Hoogte van luikhoofden || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2035 11.04(1) || Vrije breedte van het gangboord || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2035, voor vaartuigen met een breedte van minstens 7,30 m Punt 2 || Relingen langsheen het schip bij schepen met L<55 m en slechts verblijven op het achterschip || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2020 11.05(1) || Toegang tot de werkplekken || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2035 leden 2 en 3 || Deuren, in- en uitgangen en gangen die hoogte verschillen van meer dan 0,50 m hebben || Afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat lid 4 || Trappen bij permanent bezette werkplekken || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2035 11.06(2) || Uitgangen en nooduitgangen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2035 11.07, lid 1, tweede zin || Klimvoorzieningen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2035 leden 2 en 3 || || Afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat 11.10 || Luiken || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 11.11 || Lieren || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 11.12, leden 2, 4, 5 en 10 || Fabriekslabel, beveiliging, documenten aan boord || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2015 11.13 || Opslag van brandbare vloeistoffen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat HOOFDSTUK 12 || || 12.01(1) || Verblijven voor de gewoonlijk aan boord verblijvende personen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2035 12.02(3) || Positie van de vloer || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2035 lid 4 || Woon- en slaapruimten || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2035 lid 6 || Stahoogte in verblijven || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2035 lid 8 || Vloeroppervlak in woonruimten || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2035 lid 9 || Inhoud van ruimten || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2035 lid 10 || Luchtvolume per persoon || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2035 lid 11 || Afmetingen van deuren || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2035 lid 12, onder a) en b) || Aanbrengen van trappen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2035 lid 13 || Leidingen van gevaarlijke gassen en vloeistoffen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2035 12.03 || Sanitaire voorzieningen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2035 12.04 || Keukens || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2035 12.05 || Drinkwaterinstallaties || N.V.O., uiterlijk 31.12.2006 12.06 || Verwarming en ventilatie || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2035 12.07, lid 1, tweede zin || Overige bepalingen inzake de inrichting van de verblijven || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2035 HOOFDSTUK 14a || || Artikel 14a.02, lid 2, tabellen 1 en 2, en lid 5 || Grens-/controlewaarden en typegoedkeuringen || voor zover a) de grens- en controlewaarden de waarden van artikel 14a.02 met niet meer dan een factor 2 overschrijden, b) de boordzuiveringsinstallatie beschikt over een certificaat van de fabrikant of van een deskundige waarin bevestigd wordt dat de installatie de voor het vaartuig kenmerkende belasting aankan, en c) voorzien is in een systeem voor het beheer van zuiveringsslib dat is aangepast aan het gebruik van een boordzuiveringsinstallatie op een passagiersvaartuig HOOFDSTUK 15 || || 15.01, lid 1, onder c) || Niet van toepassing zijn van artikel 8.08, lid 2, tweede zin || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2007 onder d) || Niet van toepassing zijn van artikel 9.14, lid 3, tweede zin, bij nominale spanning van meer dan 50 V || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 lid 2, onder c) || Verbod op verwarmingsapparaten met vaste brandstoffen, bedoeld in artikel 13.07; || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 Dit voorschrift geldt niet voor vaartuigen met voortstuwingsinstallaties op vaste brandstoffen (stoommachines) onder e) || Verbod op vloeibaargasinstallaties bedoeld in hoofdstuk 14 || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045. De overgangsbepaling is enkel van toepassing als er alarmsystemen overeenkomstig artikel 15.15, lid 9, aanwezig zijn. 15.02(2) || Aantal en plaats van de schotten || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 lid 5, tweede zin || Indompelingsgrenslijn indien geen schottendek || Voor passagiersschepen waarvan de kiel is gelegd vóór 1.1.1996 geldt het voorschrift bij N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 lid 10, onder c) || Duur van het sluiten door afstandsbediening || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2015 lid 12 || Alarminstallatie in het stuurhuis die aangeeft welke schottendeur open is || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat lid 15 || Hoogte van de dubbele bodem, breedte van dubbele wanden || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 15.03 15.03, lid 1 t/m 6 || Stabiliteit van het onbeschadigde schip || N.V.O., en bij verhoging van het toegelaten aantal passagiers uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 leden 7 en 8 || Lekstabiliteit || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 Punt 9 || Lekstabiliteit || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 || Verticale reikwijdte van schade op de bodem van het vaartuig || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 || || N.V.O., van toepassing op schepen met waterdichte dekken op een afstand van ten minste 0,50 m en minder dan 0,60 m van de scheepsbodem, waarvoor een EU-binnenvaartcertificaat of een andere vergunning voor het in de vaart brengen voor 31 december 2005 werd afgegeven lid 9 || 2-compartimentstatus || N.V.O. lid 10 t/m 13 || Lekstabiliteit || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 15.05, lid 2, onder a) || Aantal passagiers waarvoor een verzamelruimte bedoeld in artikel 15.06, lid 8, is aangetoond || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 onder b) || Aantal passagiers waarvoor de stabiliteitsberekening bedoeld in artikel 15.03 is uitgevoerd || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 Artikel 15.06, lid 1, eerste alinea || Passagiersverblijven onder het schottendek en vóór het achterpiekschot || N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 Artikel 15.06, lid 1, tweede alinea || Overdekkingen || N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat lid 3, onder c), eerste zin || Vrije hoogte van uitgangen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 tweede zin || Vrije breedte van deuren van hutten voor passagiers en andere kleine verblijven || Voor de maat 0,7 m geldt N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 onder f), eerste zin || Afmeting van de nooduitgangen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 onder g) || Uitgangen die zijn bestemd voor gebruik door personen met beperkte mobiliteit || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 lid 4, onder d) || Deuren die zijn bestemd voor gebruik door personen met beperkte mobiliteit || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 lid 5 || Eisen aan verbindingsgangen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 lid 6, onder b) || Vluchtwegen naar verzamelruimten || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 onder c) || Geen vluchtwegen door machinekamers || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2007 Geen vluchtwegen door keukens || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2015 onder d) || Geen gangen met klimtreden, ladders e.d. in vluchtwegen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 lid 7 || Geschikt veiligheidsgeleidesysteem || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2015 lid 8 || Eisen aan verzamelruimten || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 lid 9 || Eisen aan trappen en portalen in het gedeelte voor passagiers || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 lid 10, onder a), eerste zin || Verschansing volgens norm EN 711:1995 || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 tweede zin || Hoogte van relingen en verschansingen van dekken die door personen met beperkte mobiliteit worden gebruikt || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 onder b),tweede zin || Vrije breedte van openingen die voor het embarkeren van personen met beperkte mobiliteit worden gebruikt || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 lid 13 || Doorgangsruimten en wanden van doorgangsruimten die zijn bestemd voor het gebruik door personen met beperkte mobiliteit || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 lid 14, eerste zin || Vervaardiging van glazen deuren, glazen wanden van doorgangsruimten en vensterruiten || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 Punt 15 || Eisen voor overdekkingen binnen de opbouw die volledig of gedeeltelijk uit panoramaruiten bestaan. || N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 Eisen voor overdekkingen || N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat lid 16 || Drinkwaterinstallaties overeenkomstig artikel 12.05 || N.V.O., uiterlijk 31.12.2006 lid 17, tweede zin || Eisen aan toiletten voor personen met beperkte mobiliteit || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 lid 18 || Ventilatiesysteem voor hutten zonder vensters die geopend kunnen worden || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 lid 19 || Eisen van artikel 15.06 aan ruimten waarin bemanning of boordpersoneel is ondergebracht || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 15.07 || Eisen aan het voortstuwingssysteem || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2015 15.08(2) || Eisen aan luidsprekerinstallaties in het passagiersgedeelte || Voor passagiersschepen met LWL van minder dan 40 m of voor ten hoogste 75 personen geldt het voorschrift bij N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 lid 3 || Eisen aan de alarminstallatie || Voor schepen voor dagtochten geldt het voorschrift bij N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 lid 4 || Lensalarm voor iedere waterdichte afdeling || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 lid 5 || Twee gemotoriseerde lenspompen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 lid 6 || Vast geïnstalleerd lenssysteem || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2015 lid 8 || Automatische ventilatie voor CO2 -kastinstallaties in ruimten || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 15.09(3) || Inrichtingen voor het veilig van boord brengen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 lid 4 || Reddingsmiddelen || Voor passagiersschepen die voor 1.1.2006 met gemeenschappelijke reddingsmiddelen overeenkomstig artikel 15.09, lid 5, waren uitgerust, worden deze als alternatief voor de individuele reddingsmiddelen beschouwd. Voor passagiersschepen die voor 1.1.2006 met gemeenschappelijke reddingsmiddelen overeenkomstig artikel 15.09, lid 6, waren uitgerust, worden deze tot aan de afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 als alternatief voor de individuele reddingsmiddelen beschouwd lid 5, onder b) en c) || Voldoende zitruimte, drijfvermogen van 750 N || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 onder f) || Stabiele ligging, middelen om zich vast te houden || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 onder i) || Passende inrichtingen voor het overstappen van de evacueringsruimten naar de reddingsvlotten || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 lid 10 || Bijboot uitgerust met motor en verstelbare schijnwerper || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 15.10(2) || Artikel 9.16, lid 3, geldt ook voor gangen en ruimten waar passagiers verblijven || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2015 lid 3 || Voldoende noodverlichting || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2015 15.10(4) || Noodstroominstallatie || Voor schepen voor dagtochten met LWL van 25 m of minder geldt het voorschrift bij N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2015 onder f) || Noodstroom voor schijnwerpers bedoeld in artikel 10.02, lid 2, onder i || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2015 onder i) || Noodstroom voor liften en hefinrichtingen bedoeld in artikel 15.06, lid 9, tweede zin || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2015 lid 6, eerste zin || Scheidingsvlakken bedoeld in artikel 15.11, lid 2 || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2015 tweede en derde zin || Inbouw van de kabels || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2015 vierde zin || Noodstroominstallatie boven de indompelingsgrenslijn || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2015 15.11 || Brandbeveiliging || lid 1 || Technische geschiktheid op het gebied van brandbescherming van materialen en onderdelen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 lid 2 || Uitvoering van scheidingsvlakken || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 lid 3 || In ruimten met uitzondering van machinekamers en voorraadruimten toegepaste oppervlakbehandeling en voorwerpen moeten moeilijk ontvlambaar zijn || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2015 lid 4 || Plafonds en stofferingen van wanden van onbrandbaar materiaal || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 lid 5 || Meubels en constructies in verzamelruimten van onbrandbaar materiaal || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 lid 6 || Brandtestmethode volgens de Code || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 lid 7 || Isolatiemateriaal in verblijfsruimten || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 Lid 7a || Overdekkingen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat lid 8 || Eisen aan deuren in scheidingsvlakken || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 lid 9 || Wanden || Op hotelschepen zonder sprinkler-installatie eindigen van de wanden tussen hutten: N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 lid 10 || Scheidingsvlakken || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 15.11(11) || Tochtkleppen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 lid 12, tweede zin || Traptreden van staal of een ander gelijkwaardig onbrandbaar materiaal || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 lid 13 || Omgeven van inwendig gelegen trappen door wanden || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 lid 14 || Ventilatie- en airconditioningsystemen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 lid 15 || Ventilatiesystemen in keukens en keukenfornuizen met afzuiging || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 lid 16 || Controleposten, trappenschachten, verzamelruimten en rookafzuiginrichtingen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 lid 17 || Brandmeldsysteem || Voor schepen voor dagtochten: N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 15.12, lid 1, onder c) || Draagbare blustoestellen in keukens || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat lid 2, onder a) || Tweede bluspomp || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 lid 3, onder b) en c) || Druk en lengte van de waterstralen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 lid 6 || Materialen, bescherming tegen uitvallen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 15.12(7) || Vermijden van de mogelijkheid dat pijpleidingen en blusinstallaties bevriezen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 lid 8, onder b) || Onafhankelijk functioneren van bluspompen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 onder c) || Lengte van waterstralen op alle dekken || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 onder d) || Opstelling van bluspompen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 lid 9 || Brandblusinstallatie in machinekamers || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2015 15.14(1) || Voorzieningen voor het verzamelen en het verwijderen van huishoudelijk afvalwater || Voor hotelschepen met niet meer dan 50 slaapplaatsen en voor schepen voor dagtochten: N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 lid 2 || Eisen aan verzameltanks voor afvalwater || Voor hotelschepen met niet meer dan 50 slaapplaatsen en voor schepen voor dagtochten met niet meer dan 50 passagiers: N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 15.15(1) || Lekstabiliteit || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 lid 4 || (Zonder inhoud)) || lid 5 || Aanwezig zijn van een bijboot, een platform of een vergelijkbare inrichting || Voor passagiersschepen die zijn toegelaten voor ten hoogste 250 passagiers of 50 bedden: N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 01.01.10 15.15(6) || Aanwezig zijn van een bijboot, een platform of een vergelijkbare inrichting || Voor passagiersschepen die zijn toegelaten voor ten hoogste 250 passagiers of 50 bedden: N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 lid 9, onder a) || Alarminstallaties voor vloeibaargasinstallaties || N.V.O., uiterlijk bij verlenging van de aantekening bedoeld in artikel 14.15 onder b) || Gemeenschappelijke reddingsmiddelen als bedoeld in artikel 15.09, lid 5 || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 HOOFDSTUK 16 || || 16.01(2) || Speciale lieren of gelijkwaardige inrichtingen op het voor het duwen geschikte vaartuig || Het voorschrift geldt voor schepen die voor 1.1.1995 zijn toegelaten om te duwen zonder eigen inrichting voor het spannen van de kabels bij N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2035 16.01, lid 3, laatste zin || Eisen met betrekking tot aandrijvingen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2035 HOOFDSTUK 17 || || 17.02(3) || Aanvullende bepalingen || Dezelfde overgangsbepalingen als van kracht voor de in dit lid genoemde artikelen 17.03, lid 1 17.03(1) || Algemene alarminstallatie || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat lid 4 || Maximaal toelaatbare last van heftoestellen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat 17.04, leden 2 en 3 || Resterende veiligheidsafstand || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat 17.05, leden 2 en 3 || Resterend vrijboord || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat 17.06, 17.07 en 17.08 || Hellingproef en aantonen van de stabiliteit || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat 17.09 || Inzinkingsmerken en diepgangsschalen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat HOOFDSTUK 20 || || || Zie de overgangsbepalingen voor hoofdstuk 20 van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn || HOOFDSTUK 21 || || 21.01 tot en met 21.03 || || Deze voorschriften gelden voor pleziervaartuigen die zijn gebouwd vóór 1.1.1995 pas bij N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2035 Artikel 24.03
Afwijkingen voor
vaartuigen waarvan de kiel is gelegd op 1 april 1976 of daarvóór 1.
Vaartuigen waarvan de kiel is gelegd op 1 april 1976
of daarvóór moeten, behalve aan artikel 24.02, voldoen aan de hierna genoemde
bepalingen. In de onderstaande tabel 2
betekent: –
„V.O.”: het voorschrift is niet
van toepassing op reeds in bedrijf zijnde vaartuigen, tenzij de betreffende
delen worden vervangen of omgebouwd, dat wil zeggen dat dit voorschrift slechts
van toepassing is bij Vervanging of bij Ombouw van de betreffende delen of
sectoren. Worden bestaande delen vervangen door delen welke in technische zin
en bouwwijze gelijk zijn, dan wordt dit niet beschouwd als vervanging „V”
volgens deze overgangsbepalingen. –
"Afgifte of verlenging van
het EU-binnenvaartcertificaat": aan het voorschrift moet zijn voldaan bij
de afgifte of de eerstvolgende verlenging van de geldigheidsduur van het
EU-binnenvaartcertificaat na de daarop aangegeven datum. Tabel 2 Artikel en lid || Inhoud || TERMIJN EN VOORWAARDEN HOOFDSTUK 3 || || 3.03, lid 1, onder a) || Plaats van het aanvaringsschot || V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2035 3.04(2) || Begrenzingsvlakken van bunkers met ruimten bestemd voor passagiers en verblijven || V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2035 lid 7 || Ten hoogste toegestane niveau van de geluidsdruk || Afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2015 HOOFDSTUK 4 || || 4.01, lid 2, 4.02 en 4.03 || Veiligheidsafstand, vrijboord, kleinste vrijboord || Afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2015 HOOFDSTUK 7 || || 7.01(2) || Niveau van de geluidsdruk voortgebracht door het schip || V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2015 7.05(2) || Controle van de navigatielichten || Afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat HOOFDSTUK 8 || || 8.08, leden 3 en 4 || Minimale capaciteit en diameter van de lensleidingen || Afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2015 8.10(2) || Door een varend schip voortgebracht geluid || V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2015 HOOFDSTUK 9 || || 9.01 || Eisen aan elektrische installaties || V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2015 9.03 || Bescherming tegen aanraken, binnendringen van vreemde voorwerpen en water || V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2015 9.06 || Ten hoogste toegelaten spanningen || V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2015 9.10 || Generatoren en motoren || V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2015 9.11(2) || Opstelling van accumulatoren || V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2015 9.12 || Directe voeding vanaf het hoofdschakelbord van verbruikers die voor de voortstuwing en het manoeuvreren noodzakelijk zijn || V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2015 9.14 || Installatiemateriaal || V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2015 9.15 || Kabels || V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2015 9.17 || Navigatielantaarns || V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2015 HOOFDSTUK 12 || || 12.02(5) || Geluidshinder en trillingen in verblijven || Afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2015 HOOFDSTUK 15 || || 15.02, lid 5 en lid 6, eerste zin, leden 7 tot en met 11 en 13 || Indompelingsgrenslijn indien geen schottendek || V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 15.02(16) || Waterdichte vensters || V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 15.04 || Veiligheidsafstand, vrijboord, inzinkingsmerken || V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 15.05 || Aantal passagiers || Afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 15.10, leden 4, 6, 7, 8 en 11 || Noodstroominstallatie || V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 2.
Artikel 15.11, derde lid, onder
a), is op schepen voor dagtochten waarvan de kiel is gelegd op 1 april 1976 of
daarvóór, tot de eerste afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat
na 1 januari 2045 slechts met dien verstande van toepassing dat slechts de
verven, lakken en andere behandelingsmiddelen voor interieurs, gebruikt voor de
naar de vluchtwegen toegekeerde oppervlakken, moeilijk ontvlambaar moeten zijn
en rook en andere giftige gassen niet in gevaarlijke mate kunnen ontstaan. 3.
Artikel 15.11, twaalfde lid, is
op schepen voor dagtochten waarvan de kiel is gelegd op 1 april 1976 of
daarvóór, tot de eerste afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat
na 1 januari 2045 slechts met dien verstande van toepassing dat het voldoende
is wanneer, in plaats van de dragende constructie vervaardigd van staal van
trappen die als vluchtweg dienen, deze trappen zo zijn uitgevoerd dat zij in
geval van brand ongeveer even lang bruikbaar blijven als trappen met een
dragende constructie van staal. Artikel 24.04
Overige
afwijkingen 1.
Voor vaartuigen waarvan het minste vrijboord
overeenkomstig artikel 4.04 van de op 31 maart 1983 geldende voorschriften van
het Reglement onderzoek schepen op de Rijn vastgesteld, kan de commissie van
deskundigen op verzoek van de eigenaar het vrijboord vaststellen op grond van
artikel 4.03 van de op 1 januari 1995 geldende voorschriften van dat reglement. 2.
Vaartuigen waarvan de kiel is
gelegd vóór 1 juli 1983, behoeven niet te voldoen aan hoofdstuk 9 van het
Reglement onderzoek schepen op de Rijn. Deze vaartuigen moeten echter ten
minste voldoen aan hoofdstuk 6 van de op 31 maart 1983 geldende versie van het
Reglement onderzoek schepen op de Rijn. 3.
Artikel 15.06, derde lid, onder
a) tot en met e), en artikel 15.12, derde lid, onder a), met betrekking tot de
bepaling over de enige slanglengte, zijn slechts van toepassing op
passagiersschepen waarvan de kiel is gelegd ná 30 september 1984, alsmede in
geval van verbouwing op het betreffende deel, ten laatste bij de verlenging van
het EU-binnenvaartcertificaat na 1 januari 2045. 4.
(zonder inhoud) 5.
Indien dit voorschrift bij de
vereisten aan de hoedanigheid van uitrustingsstukken verwijst naar een Europese
of internationale norm, mogen na een nieuwe formulering of bewerking van die
norm de betreffende uitrustingsstukken nog 20 jaar na de nieuwe formulering of
bewerking van de norm verder worden gebruikt. Artikel 24.05
(Zonder inhoud) Artikel 24.06
Afwijkingen voor
vaartuigen die niet onder artikel 24.01 vallen 1.
De onderstaande bepalingen gelden voor: a) vaartuigen
waarvoor tussen 1 januari 1995 en 30 december 2008 voor de eerste maal een
certificaat van onderzoek overeenkomstig het Reglement onderzoek schepen op de
Rijn is afgegeven voorzover die op 31 december 1994 niet in aanbouw dan wel in
verbouw waren, en b) vaartuigen
waarvoor tussen 1 januari 1995 en 30 december 2008 een andere vergunning voor
het in de vaart brengen is afgegeven. 2.
Voor deze vaartuigen moet
worden aangetoond dat zij voldoen aan de versie van het Reglement onderzoek
schepen op de Rijn die van kracht is op de datum waarop het certificaat van
onderzoek of de andere vergunning voor het in de vaart brengen is afgegeven. 3.
Deze vaartuigen moeten aan de
voorschriften die na de eerste afgifte van hun certificaat van onderzoek of van
hun andere vergunning voor het in de vaart brengen van kracht zijn geworden,
volgens de in tabel 3 vermelde overgangsbepalingen worden aangepast. 4.
Artikel 18, lid 1, onder g),
van deze richtlijn en artikel 24.04, lid 5, van deze bijlage zijn van
overeenkomstige toepassing. 5.
In de onderstaande tabel 3
betekent: –
„N.V.O.”: de betreffende
bepaling is niet van toepassing op reeds in bedrijf zijnde vaartuigen, tenzij
de betreffende delen worden vervangen of omgebouwd, dat wil zeggen dat deze
bepaling slechts van toepassing is op Nieuwbouw, bij Vervanging of bij Ombouw
van de betreffende delen of sectoren. Worden bestaande delen vervangen door
delen welke in technische zin en bouwwijze gelijk zijn, dan wordt dit niet
beschouwd als vervanging „V” volgens deze overgangsbepalingen. –
"Afgifte of verlenging van
het EU-binnenvaartcertificaat": aan het voorschrift moet zijn voldaan bij
de afgifte of de eerstvolgende verlenging van de geldigheidsduur van het
EU-binnenvaartcertificaat na de daarop aangegeven datum. Tabel 3 Artikel en lid || Inhoud || Termijn en opmerkingen || Geldig voor vaartuigen met certificaat van onderzoek of vergunning voor in de vaart brengen vóór HOOFDSTUK 3 || || || 3.03(7) || Voorschip met ankernissen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2041 || 1.10.1999 3.04, lid 3, tweede zin || Isolatie in machinekamers || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat || 1.4.2003 lid 3, derde en vierde zin || Openingen en afsluitinrichtingen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat || 1.10.2003 HOOFDSTUK 6 || || || 6.02(1) || Meerdere stuurventielen in het geval van hydraulische aandrijfinstallaties || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2020 || 1.4.2007 Afzonderlijke leidingen voor de tweede aandrijfinstallatie in het geval van hydraulische aandrijfinstallaties || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2020 || 1.4.2007 6.03(1) || Aansluiten andere verbruikers op hydraulische aandrijfinstallaties || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2020 || 1.4.2007 6.07, lid 2, onder a) || Niveau alarm van de hydraulische tanks en alarm van de werkdruk || N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 || 1.4.2007 HOOFDSTUK 7 || || || 7.02(2) || Dode hoek voor de boeg van het schip niet meer dan tweemaal de scheepslengte indien minder dan 250 m || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2049 || 30.12.2008 7.04(3) || Weergeven || Als er geen stuurhuis is dat geschikt is voor radarnavigatie door één persoon: N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 || 1.4.2007 lid 9, derde zin || Controle via een hefboom || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 || 1.4.2007 vierde zin || Verbod om de richting van de straal aan te geven || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 || 1.4.2007 7.05(1) || Navigatielichten, hun lantaarnhuizen, toebehoren en lichtbronnen || De navigatielichten, hun lantaarnhuizen, toebehoren en lichtbronnen die voldoen aan de eisen van de op 30.11.2009 geldende voorschriften omtrent de kleur en de sterkte van lichten, alsmede omtrent de goedkeuring van navigatielantaarns in de Rijnvaart, kunnen nog steeds worden gebruikt. || 1.12.2013 7.06(1 || Navigatieradarinstallaties die voor 1 januari 1990 zijn goedgekeurd || Navigatieradarinstallaties die voor 1.1.1990 zijn goedgekeurd, mogen tot en met de afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 31.12. 2009, maar uiterlijk tot 31.12.2011, zijn ingebouwd en worden gebruikt, indien een overeenkomstig deze richtlijn of Besluit 1989-II-35 van de CCR geldige inbouwverklaring aanwezig is || 1.12.2013 Bochtaanwijzers die voor 1 januari 1990 zijn goedgekeurd || Bochtaanwijzers die voor 1.1.1990 zijn goedgekeurd, en die ingebouwd zijn voor 1.1.2000, mogen tot en met de afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2015 zijn ingebouwd en worden gebruikt, indien een overeenkomstig deze richtlijn of Besluit 1989-II-35 van de CCR geldige inbouwverklaring aanwezig is || 1.12.2013 Navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers die na 1 januari 1990 zijn goedgekeurd || Navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers die na 1.1.90 op grond van de minimumeisen en keuringsvoorwaarden voor navigatieradarinstallaties voor binnenvaart op de Rijn en de minimumeisen en keuringsvoorwaarden voor bochtaanwijzers voor binnenvaart op de Rijn zijn goedgekeurd, mogen verder ingebouwd en gebruikt worden indien een overeenkomstig deze richtlijn of Besluit 1989-II-35 van de CCR geldige inbouwverklaring aanwezig is. || 1.12.2013 HOOFDSTUK 8 || || || 8.02(4) || Onderzoek van pijpleidingverbindingen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 2025 || 1.4.2007 lid 5 || Dubbelwandig leidingsysteem || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2025 || 1.4.2007 lid 6 || Isolatie van motoronderdelen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2025 || 1.4.2003 8.03(3) || Inrichting voor automatische reductie van het toerental || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 || 1.4.2004 8.05, lid 7, eerste zin || Snelsluitende afsluiter die vanaf het dek kan worden bediend, zelfs indien de desbetreffende kamers gesloten zijn || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2015 || 1.4.2008 8.05, lid 9, tweede zin || Peilinrichtingen moeten tot aan de hoogste vulstand afleesbaar zijn || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 || 1.4.1999 lid 13 || Controle van de hoeveelheid brandstof niet alleen voor de voortstuwingsmotoren maar ook voor de voor de vaart noodzakelijke andere motoren || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2015 || 1.4.1999 8.06 || Tanks voor smeerolie, pijpleidingen en toebehoren || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 || 1.4.2007 8.07 || Tanks voor oliën in systemen voor het overbrengen van vermogen, bedienings-, bekrachtigings- en verwarmingssystemen, pijpleidingen en toebehoren || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 || 1.4.2007 HOOFDSTUK 8a || || || || || De voorschriften zijn niet van toepassing a) voor motoren die vóór 1.1.2003 zijn geïnstalleerd, en b) voor vervangingsmotoren die tot 31.12.2011 worden geïnstalleerd aan boord van schepen die op 1.1.2002 operationeel waren || 1.1.2002 8a.02, leden 2 en 3 || Naleving van de vereisten / maximale uitlaatgasemissiewaarden || Voor motoren die geïnstalleerd zijn a) in schepen tussen 1.1.2003 en 1.7.2007, zijn de maximale uitlaatgaswaarden als bepaald in bijlage XIV bij Richtlijn 97/68/EG van toepassing; b) in schepen of in machines aan boord na 30.6.2007, zijn de maximale uitlaatgaswaarden als bepaald in bijlage XV bij Richtlijn 97/68/EG van toepassing. De eisen betreffende de categorieën: aa) V voor aandrijvingsmotoren en voor hulpmotoren boven 560 kW, en bb) D, E, F, G, H, I, J, K voor hulpmotoren, als bedoeld in Richtlijn 97/68/EG, zijn gelijkwaardig van toepassing || 1.7.2007 HOOFDSTUK 10 || || || Artikel 10.02, lid 1, onder b), tweede zin || Verzamelreservoirs van staal of van een ander stootvast en onbrandbaar materiaal met een inhoud van ten minste 10 l || N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat || 1.12.2013 10.02, lid 2, onder a) || Keuringsbewijs voor stalen trossen en andere kabels || Voor de eerste tros die op het schip wordt vervangen: N.V.O., uiterlijk 1.1.2008. Voor de tweede en derde tros: 1.1.2013. || 1.4.2003 10.03(1) || Europese norm || Bij vervanging, uiterlijk 1.1.2010 || 1.4.2002 lid 2 || Geschiktheid voor brandklasse A, B en C || Bij vervanging, uiterlijk 1.1.2010 || 1.4.2002 10.03a || Vast ingebouwde brandblusinstallaties in hutten, stuurhuizen en passagiersruimten || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU- binnenvaartcertificaat na 1.1.2035 || 1.4.2002 10.03b || Vast ingebouwde brandblusinstallaties in machinekamers, ketelruimen en pompkamers || [27] uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2035 || 1.4.2002 10.04 || Toepassing Europese norm op bijboten || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2015 || 1.10.2003 10.05(2) || Opblaasbare zwemvesten || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010. Zwemvesten die op 30.9.2003 aan boord zijn, mogen tot aan de afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 verder worden gebruikt || 1.10.2003 HOOFDSTUK 11 || || || 11.02, lid 4, eerste zin || Hoogte van de verschansing en luikhoofden en reling langsheen het schip || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2020 || 1.12.2013 || Hoogte van de luikhoofden || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2035 || 11.04(2) || Relingen langsheen het schip bij schepen met L<55 m en slechts verblijven op het achterschip || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2020 || 1.12.2013 11.12, leden 2, 4, 5 en 9 || Fabriekslabel, beveiliging, certificaten aan boord || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2015 || 1.12.2013 11.13 || Opslag van brandbare vloeistoffen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat || 1.10.2002 HOOFDSTUK 14a || || || Artikel 14a.02, lid 2, tabellen 1 en 2, en lid 5 || Grens-/controlewaarden en typegoedkeuringen || N.V.O voor zover a) de grens- en controlewaarden de waarden van artikel 14a.02 met niet meer dan een factor 2 overschrijden, b) voor de boordzuiveringsinstallatie een certificaat van de fabrikant of van een deskundige is afgegeven waarin bevestigd wordt dat de installatie de voor het vaartuig kenmerkende belasting aankan, en c) voorzien is in een systeem voor het beheer van zuiveringsslib dat is aangepast aan het gebruik van een boordzuiveringsinstallatie op een passagiersvaartuig || 1.12.2013 HOOFDSTUK 15 || || || 15.01, lid 1, onder c) || Niet van toepassing zijn van artikel 8.08, lid 2, tweede zin || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat || 1.1.2006 onder d) || Niet van toepassing zijn van artikel 9.14, lid 3, tweede zin, bij nominale spanningen van meer dan 50 V || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 || 1.1.2006 lid 2, onder b) || Verbod op oliekachels met verdampingsbranders bedoeld in artikel 13.04 || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat || 1.1.2006 onder c) || Verbod op verwarmingsapparaten met vaste brandstoffen, bedoeld in artikel 13.07; || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 || 1.1.2006 onder e) || Verbod op vloeibaargasinstallaties bedoeld in hoofdstuk 14 || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045. De overgangsbepaling is enkel van toepassing als er alarmsystemen overeenkomstig artikel 15.15, lid 9, aanwezig zijn. || 1.1.2006 15.02(2) || Aantal en plaats van de schotten || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU- binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 || 1.1.2006 lid 5, tweede zin || Indompelingsgrenslijn indien geen schottendek || Voor passagiersschepen waarvan de kiel is gelegd vóór 1.1.1996 geldt het voorschrift bij N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 || 1.1.2006 lid 15 || Hoogte van de dubbele bodem, breedte van dubbele wanden || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 || 1.1.2006 15.03 15.03, lid 1 t/m 6 || Stabiliteit van het onbeschadigde schip || N.V.O., en bij verhoging van het toegelaten aantal passagiers uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 || 1.1.2006 15.03, leden 7 en 8 || Lekstabiliteit || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 || 1.12.2006 lid 9 || Lekstabiliteit || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 || 1.12.2006 Verticale reikwijdte van schade op de bodem van het vaartuig || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 N.V.O., van toepassing op schepen met waterdichte dekken op een afstand van ten minste 0,50 m en minder dan 0,60 m van de scheepsbodem, waarvoor een EU-binnenvaartcertificaat of een andere vergunning voor het in de vaart brengen voor 31.12.2005 is afgegeven || 1.12.2013 2-compartimentstatus || N.V.O. || lid 10 t/m 13 || Lekstabiliteit || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 || 1.12.2006 15.05, lid 2, onder a) || Aantal passagiers waarvoor een verzamelruimte overeenkomstig artikel 15.06, lid 8, is aangetoond || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 || 1.1.2006 onder b) || Aantal passagiers waarvoor de stabiliteitsberekening bedoeld in artikel 15.03 is uitgevoerd || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 || 1.1.2006 Artikel 15.06, lid 1, eerste alinea || Passagiersverblijven onder het schottendek en vóór het achterpiekschot. || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 || 1.12.2013 Artikel 15.06, lid 1, tweede alinea || Overdekkingen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat || 1.12.2013 lid 2 || Kasten en ruimten bedoeld in artikel 11.13 voor brandbare vloeistoffen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat || 1.1.2006 lid 3, onder c), eerste zin || Vrije hoogte van uitgangen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 || 1.1.2006 tweede zin || Vrije breedte van deuren van hutten voor passagiers en andere kleine verblijven || Voor de maat 0,7 m geldt N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 || 1.1.2006 onder f), eerste zin || Afmeting van de nooduitgangen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 || 1.1.2006 onder g) || Uitgangen die zijn bestemd voor gebruik door personen met beperkte mobiliteit || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 || 1.1.2006 lid 4, onder d) || Deuren die zijn bestemd voor gebruik door personen met beperkte mobiliteit || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 || 1.1.2006 lid 5 || Eisen aan verbindingsgangen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 || 1.1.2006 lid 6, onder b) || Vluchtwegen naar verzamelruimten || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 || 1.1.2006 onder c) || Geen vluchtwegen door machinekamers || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2007 || 1.1.2006 Geen vluchtwegen door keukens || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2015 onder d) || Geen gangen met klimtreden, ladders e.d. in vluchtwegen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 || 1.1.2006 lid 7 || Geschikt veiligheidsgeleidesysteem || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2015 || 1.1.2006 lid 8 || Eisen aan verzamelruimten || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 || 1.1.2006 lid 9, onder a) t/m c), onder e) en laatste zin || Eisen aan trappen en portalen in het gedeelte voor passagiers || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 || 1.1.2006 lid 10, onder a), eerste zin || Verschansing volgens norm EN 711:1995 || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 || 1.1.2006 tweede zin || Hoogte van relingen en verschansingen van dekken die door personen met beperkte mobiliteit worden gebruikt || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 || 1.1.2006 onder b), tweede zin || Vrije breedte van openingen die voor het embarkeren van personen met beperkte mobiliteit worden gebruikt || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 || 1.1.2006 lid 12 || Loopplanken overeenkomstig norm EN 14206:2003 || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat || 1.1.2006 lid 13 || Doorgangsruimten en wanden van doorgangsruimten die zijn bestemd voor het gebruik door personen met beperkte mobiliteit || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 || 1.1.2006 lid 14, eerste zin || Vervaardiging van glazen deuren, glazen wanden van doorgangsruimten en vensterruiten || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 || 1.1.2006 lid 15 || Eisen aan opbouwen die volledig of waarvan de daken uit panoramaruiten bestaan || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 || 1.1.2006 lid 15 || Eisen voor overdekkingen binnen de opbouw die volledig of gedeeltelijk uit panoramaruiten bestaan. || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 || 1.12.2013 Eisen voor overdekkingen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat || 1.12.2013 lid 16 || Drinkwaterinstallaties overeenkomstig artikel 12.05 || N.V.O., uiterlijk 31.12.2006 || 1.1.2006 lid 17, tweede zin || Eisen aan toiletten voor personen met beperkte mobiliteit || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 || 1.1.2006 lid 18 || Ventilatiesysteem voor hutten zonder vensters die geopend kunnen worden || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 || 1.1.2006 15.07 || Eisen aan het voortstuwingssysteem || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2015 || 1.1.2006 15.08(2) || Eisen aan luidsprekerinstallaties in het passagiersgedeelte || Voor passagiersschepen met LWL van minder dan 40 m of voor ten hoogste 75 personen geldt het voorschrift bij N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 || 1.1.2006 lid 3 || Eisen aan de alarminstallatie || Voor schepen voor dagtochten geldt het voorschrift bij N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 || 1.1.2006 lid 3, onder c) || Alarminstallatie voor het waarschuwen van de bemanning en het boordpersoneel door de scheepsleiding || Voor hotelschepen geldt het voorschrift bij N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat || 1.1.2006 lid 4 || Lensalarm voor iedere waterdichte afdeling || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 || 1.1.2006 lid 5 || Twee gemotoriseerde lenspompen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 || 1.1.2006 lid 6 || Vast geïnstalleerd lenssysteem als bedoeld in artikel 8.06, lid 4 || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2015 || 1.1.2006 lid 7 || Van binnen uit kunnen openen van deuren van koelruimten || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat || 1.1.2006 lid 8 || Automatische ventilatie voor CO2 -kastinstallaties in ruimten || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 || 1.1.2006 lid 9 || Verbandtrommels || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat || 1.1.2006 15.09, lid 1,eerste zin || Reddingsboeien || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat || 1.1.2006 lid 2 || Individuele reddingsmiddelen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat || 1.1.2006 lid 3 || Inrichtingen voor het veilig van boord brengen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 || 1.1.2006 lid 4 || Reddingsmiddelen || Voor passagiersschepen die voor 1.1.2006 met gemeenschappelijke reddingsmiddelen overeenkomstig artikel 15.09, lid 5, waren uitgerust, worden deze als alternatief voor de individuele reddingsmiddelen beschouwd. Voor passagiersschepen die voor 1.1.2006 met gemeenschappelijke reddingsmiddelen overeenkomstig artikel 15.09, lid 6, waren uitgerust, worden deze tot aan de afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 als alternatief voor de individuele reddingsmiddelen beschouwd || 1.1.2006 lid 5, onder b) en c) || Voldoende zitruimte, drijfvermogen van minstens 750 N || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU- binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 || 1.1.2006 onder f) || Stabiele ligging, middelen om zich vast te houden || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 || 1.1.2006 onder i) || Passende inrichtingen voor het overstappen van de evacuatieruimten naar de reddingsvlotten || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 || 1.1.2006 lid 9 || Testen van reddingsmiddelen volgens de indicaties van de fabrikant || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat || 1.1.2006 lid 10 || Bijboot uitgerust met motor en schijnwerper || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 || 1.1.2006 lid 11 || Draagbaar || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat || 1.1.2006 || Elektrische apparatuur || || 1.1.2006 15.10(2) || Artikel 9.16, lid 3, geldt ook voor gangen en ruimten waar passagiers verblijven || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2015 || 1.1.2006 lid 3 || Voldoende noodverlichting || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2015 || 1.1.2006 lid 4 || Noodstroominstallatie || Voor schepen voor dagtochten met LWL van 25 m of minder geldt het voorschrift bij N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2015 || 1.1.2006 onder f) || Noodstroom voor schijnwerpers bedoeld in artikel 10.02, lid 2, onder i || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2015 || 1.1.2006 onder i) || Noodstroom voor liften en hefinrichtingen bedoeld in artikel 15.06, lid 9, tweede zin || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2015 || 1.1.2006 lid 6, eerste zin || Scheidingsvlakken bedoeld in artikel 15.11, lid 2 || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2015 || 1.1.2006 tweede en derde zin || Inbouw van de kabels || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2015 || 1.1.2006 vierde zin || Noodstroominstallatie boven de indompelingsgrenslijn || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2015 || 1.1.2006 15.11 || Brandbeveiliging || || 1.1.2007 lid 1 || Technische geschiktheid op het gebied van brandbescherming van materialen en onderdelen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 || 1.1.2006 15.11(2) || Ontwerp van scheidingsvlakken || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 || 1.1.2006 lid 3 || In ruimten met uitzondering van machinekamers en voorraadruimten gebruikte verven, lak en oppervlakbehandeling moeten moeilijk ontvlambaar zijn || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2015 || 1.1.2006 lid 4 || Plafonds en stofferingen van wanden van onbrandbaar materiaal || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 || 1.1.2006 lid 5 || Meubels en constructies in verzamelruimten van onbrandbaar materiaal || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 || 1.1.2006 lid 6 || Brandtestmethode volgens de Code || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 || 1.1.2006 lid 7 || Isolatiemateriaal in verblijfsruimten onbrandbaar || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 || 1.1.2006 Lid 7a || Overdekkingen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat || 1.12.2013 15.11, lid 8, onder a), b), c), tweede zin, en d) || Eisen aan deuren in scheidingsvlakken || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 || 1.1.2006 lid 9 || Wanden || Op hotelschepen zonder automatische sprinkler-installatie einde van de wanden tussen hutten: N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 || 1.1.2006 lid 10 || Scheidingsvlakken || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 || 1.1.2006 lid 12, tweede zin || Traptreden van staal of een ander gelijkwaardig onbrandbaar materiaal || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 || 1.1.2006 lid 13 || Omgeven van inwendig gelegen trappen door wanden als bedoeld in het tweede lid || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 || 1.1.2006 lid 14 || Ventilatie- en airconditioningsystemen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 || 1.1.2006 lid 15 || Ventilatiesystemen in keukens en keukenfornuizen met afzuiging || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 || 1.1.2006 lid 16 || Controleposten, trappenschachten, verzamelruimten en rookafzuiginrichtingen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 || 1.1.2006 lid 17 || Brandmeldsysteem || Voor schepen voor dagtochten: N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 || 1.1.2006 15.12, lid 1, onder c) || Draagbare blustoestellen in keukens || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat || 1.1.2006 lid 2, onder a) || Tweede bluspomp || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 || 1.1.2006 lid 4 || Aansluitingen van blusinstallaties || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat || 1.1.2006 lid 5 || Axiaal aangebrachte haspel || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat || 1.1.2006 lid 6 || Materialen, bescherming tegen uitvallen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 || 1.1.2006 lid 7 || Bescherming van pijpleidingen en blusinstallaties tegen bevriezing || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 || 1.1.2006 lid 8, onder b) || Onafhankelijk functioneren van bluspompen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 || 1.1.2006 onder d) || Opstelling van bluspompen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 || 1.1.2006 lid 9 || Brandblusinstallatie in machinekamers || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2015. De overgangsbepaling geldt niet voor passagiersschepen waarvan de kiel is gelegd na 31.12.1995 en waarvan de romp bestaat uit hout, aluminium of kunststof en waarvan de machinekamers niet zijn gebouwd van een materiaal als bedoeld in artikel 3.04, lid 3 en lid 4. || 1.1.2006 15.13 || Veiligheidsorganisatie || Voor schepen voor dagtochten: N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat || 1.1.2006 15.14(1) || Voorzieningen voor het verzamelen en het verwijderen van huishoudelijk afvalwater || Voor hotelschepen met niet meer dan 50 slaapplaatsen en voor schepen voor dagtochten: N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 || 1.1.2006 lid 2 || Eisen aan verzameltanks voor afvalwater || Voor hotelschepen met niet meer dan 50 slaapplaatsen en voor schepen voor dagtochten met niet meer dan 50 passagiers: N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 || 1.1.2006 15.15 || Afwijkingen voor bepaalde passagiersschepen || || 1.1.2006 lid 1 || Lekstabiliteit || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2045 || 1.1.2006 lid 4 || (Zonder inhoud)) || || lid 5 || Aanwezig zijn van een bijboot, een platform of een vergelijkbare inrichting || Voor passagiersschepen die zijn toegelaten voor ten hoogste 250 passagiers of 50 bedden: N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 || 1.1.2006 lid 6 || Aanwezig zijn van een bijboot, een platform of een vergelijkbare inrichting || Voor passagiersschepen die zijn toegelaten voor ten hoogste 250 passagiers of 50 bedden: N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 || 1.1.2006 lid 9, onder a) || Alarminstallaties voor vloeibaargasinstallaties || N.V.O., uiterlijk bij verlenging van de aantekening bedoeld in artikel 14.15 || 1.1.2006 onder b) || Gemeenschappelijke reddingsmiddelen als bedoeld in artikel 15.09, lid 5 || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2010 || 1.1.2006 Artikel 24.07
(Zonder inhoud) Artikel 24.08
Overgangsbepaling
van toepassing op artikel 2.18 Wanneer een
EU-binnenvaartcertificaat wordt afgegeven voor een schip dat na 31 maart 2007
over een geldig scheepscertificaat beschikt overeenkomstig het Reglement
onderzoek schepen op de Rijn, wordt het reeds toegewezen uniek Europees
scheepsidentificatienummer gebruikt, waar nodig voorafgegaan door het cijfer
"0". HOOFDSTUK 24a OVERGANGSBEPALINGEN VOOR VAARTUIGEN DIE NIET OP DE WATEREN
VAN ZONE R VAREN Artikel 24a.01
Toepasselijkheid
van de overgangsbepalingen op reeds in bedrijf zijnde vaartuigen en geldigheid
van tot dusver afgegeven EU-binnenvaartcertificaten 1.
De onderstaande bepalingen gelden voor vaartuigen
die niet op de wateren van zone R varen: a) waarvoor
voor de eerste maal vóór 30 december 2008 een EU-binnenvaartcertificaat is
afgegeven; b) waarvoor
vóór 30 december 2008 een andere vergunning voor het in de vaart brengen is
afgegeven. 2.
Voor vaartuigen moet worden
bewezen dat ze op de datum van afgifte van hun EU-binnenvaartcertificaat of van
de andere vergunning voor het in de vaart brengen voldoen aan de technische
voorschriften van de hoofdstukken 1 tot en met 12 van bijlage II van Richtlijn
nr. 82/714/EEG. 3.
De EU-binnenvaartcertificaten
die vóór 30 december 2008 afgegeven zijn, blijven tot de op het certificaat
aangegeven datum geldig. Artikel 2.09, lid 2, blijft onverminderd van kracht. Artikel 24a.02
Afwijkingen voor
reeds in bedrijf zijnde vaartuigen 1.
Onverminderd artikel 24a.03 van deze bijlage en
artikel 18, lid - 1, onder g), van deze richtlijn moeten vaartuigen die niet
volledig aan de bepalingen van deze richtlijn voldoen, worden aangepast aan de
voorschriften die na de eerste afgifte van hun EU-binnenvaartcertificaat of van
hun andere vergunning voor het in de vaart brengen van kracht zijn geworden,
volgens de in tabel 4 vermelde overgangsbepalingen. 2.
In de onderstaande tabel 4
betekent: –
„N.V.O.”: de betreffende
bepaling is niet van toepassing op reeds in bedrijf zijnde vaartuigen, tenzij
de betreffende delen worden vervangen of omgebouwd, dat wil zeggen dat deze
bepaling slechts van toepassing is op Nieuwbouw, bij Vervanging of bij Ombouw
van de betreffende delen of sectoren. Worden bestaande delen vervangen door
delen welke in technische zin en bouwwijze gelijk zijn, dan wordt dit niet
beschouwd als vervanging „V” volgens deze overgangsbepalingen. –
"Afgifte of verlenging van
het EU-binnenvaartcertificaat": aan het voorschrift moet zijn voldaan bij
de afgifte of de volgende verlenging van de geldigheidsduur van het
EU-binnenvaartcertificaat na 30 december 2008. Eindigt de geldigheidsduur van
het EU-binnenvaartcertificaat tussen 30 december 2008 en de dag voor 30
december 2009 dan is dit voorschrift pas verplicht vanaf 30 december 2009. Tabel 4 Artikel en lid || Inhoud || Termijn en opmerkingen HOOFDSTUK 3 || || 3.03, lid 1, onder a) || Plaats van het aanvaringsschot || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2049 3.03(2) || Verblijven || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2024 3.03(2) || Noodzakelijke voorzieningen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2029 3.03(4) || Gasdichte afscheiding || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2024 3.03, lid 5, tweede zin || Bewaking op afstand van deuren in het hekschot || 3.03(7) || Voorschip met ankernissen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2049 3.04, lid 3, tweede zin || Isolaties in machinekamers || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat 3.04, lid 3, derde en vierde zin || Openingen en afsluitinrichtingen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat 3.04(6) || Uitgangen van ruimten die ingevolge de wijziging van bijlage II bij Richtlijn 2005/…/EG als machinekamer dienen te worden beschouwd || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2049 HOOFDSTUK 4 || || 4.04 || Inzinkingsmerken || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2024 HOOFDSTUK 5 || || 5.06, lid 1, eerste zin || Minimum snelheid || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2049 HOOFDSTUK 6 || || 6.01(1) || Manoeuvreereigenschappen volgens hoofdstuk 5 || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2049 lid 3 || Helling en omgevingstemperatuur || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2024 6.01(7) || Doorvoering van roerkoningen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU- binnenvaartcertificaat na 30.12.2029 6.02(1) || Aanwezigheid van afzonderlijke hydraulische tanks || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2026 Meerdere stuurventielen in het geval van hydraulische aandrijfinstallaties || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2026 Afzonderlijke leidingen voor de tweede aandrijfinstallatie in het geval van hydraulische aandrijfinstallaties || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2026 lid 2 || In bedrijf brengen van de tweede aandrijfinrichting met slechts één bedieningshandeling || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2026 lid 3 || Voldoen aan de manoeuvreereigenschappen volgens hoofdstuk 5 bij het in bedrijf zijn van de tweede aandrijving/handbedrijf || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2049 6.03(1) || Aansluiten andere verbruikers op hydraulische aandrijfinstallaties || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2026 --- || --- || --- 6.05(1) || Automatische ontkoppeling van het handstuurwerk || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2024 6.06(1) || Twee van elkaar onafhankelijke stuursystemen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2029 6.07, lid 2, onder a) || Niveau alarm van de hydraulische tanks en alarm van de werkdruk || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2026 onder e) || Bewaking van het buffersysteem || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat 6.08(1) || Eisen aan elektronische installaties volgens artikel 9.20 || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2029 HOOFDSTUK 7 || || 7.02, leden 2 tot en met 6 || Vrij zicht vanuit het stuurhuis met uitzondering van de volgende leden || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2049 7.02, lid 3, tweede zin || Vrij uitzicht in de zichtas van de roerganger || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2029 lid 6 || Gekleurde vensters || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2024 7.03(7) || Buiten werking stellen van alarmen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat lid 8 || Automatisch omschakelen op een andere stroombron || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU binnenvaartcertificaat na 30.12.2024 7.04(1) || Bediening aandrijfwerktuigen en stuurinrichtingen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat 7.04(2) || Machinebediening || Voorzover een éénmansstuurstelling voor het varen op radar aanwezig is: N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30 december 2049 in het geval van direct omkeerbare machines; uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30 december 2024 in het geval van overige machines lid 3 || Weergeven || Als er geen stuurhuis is dat geschikt is voor radarnavigatie door één persoon: N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2024 lid 9, derde zin || Controle via een hefboom || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2024 vierde zin || Verbod om de richting van de straal aan te geven || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU- binnenvaartcertificaat na 30.12.2024 7.05(1) || Navigatielichten, hun lantaarnhuizen, toebehoren en lichtbronnen || De navigatielichten, hun lantaarnhuizen, toebehoren en lichtbronnen die voldoen aan – de eisen van de op 30.11.2009 geldende voorschriften omtrent de kleur en de sterkte van lichten, alsmede omtrent de goedkeuring van navigatielantaarns in de Rijnvaart, of - de op 30.11.2009 geldende voorschriften van een lidstaat, kunnen nog steeds worden gebruikt 7.06(1) || Navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers || Navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers die voor 31.12.2012 op grond van de voorschriften van een lidstaat werden goedgekeurd, mogen verder worden ingebouwd en gebruikt tot de afgifte of vervanging van het EU-binnenvaartcertificaat na 31.12.2018. Deze installaties moeten op het EU-binnenvaartcertificaat worden vermeld onder het nummer 52. Navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers die na 1.1.1990 op grond van de voorschriften inzake minimumeisen en keuringsvoorwaarden voor navigatieradarinstallaties voor navigatie op de Rijn en de voorschriften inzake minimumeisen en keuringsvoorwaarden voor bochtaanwijzers voor navigatie op de Rijn zijn goedgekeurd, mogen verder worden ingebouwd en gebruikt indien een overeenkomstig deze richtlijn of Besluit 1989-II-35 van de CCR geldige inbouwverklaring aanwezig is 7.09 || Alarminstallatie || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2024 7.12, eerste zin || In hoogte verstelbare stuurhuizen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat. In het geval van niet hydraulisch kunnen neerlaten: N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2049 tweede en derde zin || || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat HOOFDSTUK 8 || || 8.01(3) || Alleen verbrandingsmotoren waarvan het vlampunt van de brandstof boven 55 °C ligt || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2029 8.02(1) || Beveiliging van machine-installaties tegen onopzettelijke inbedrijfstelling || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2024 4. || Onderzoek van pijpleidingverbindingen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2024 lid 5 || Dubbelwandig leidingsysteem || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2024 lid 6 || Isolatie van motoronderdelen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat 8.03(2) || Aangeven van het kritieke peil || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2024 lid 3 || Inrichting voor automatische reductie van het toerental || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2024 lid 5 || Doorvoeringen van assen van de voortstuwingsinstallaties || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2029 8.05(1) || Brandstoftanks van staal || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2029 8.05(2) || Zelfsluitende afsluitinrichting voor het ontnemen van water || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat lid 3 || Geen brandstoftanks vóór het aanvaringsschot || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2024 lid 4 || Geen dagtank en appendages boven machine-installaties of uitlaatgassenleidingen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2024. Tot aan dat tijdstip moet door opvangcontainers of druipblikken verzekerd zijn dat uitlopende brandstof zonder gevaar kan worden afgevoerd lid 6, derde, vierde en vijfde zin || Inrichting en afmetingen van ontluchtings- en verbindingsleidingen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2024 lid 7, eerste alinea || Snelsluitende afsluiter die van het dek af kan worden bediend, zelfs indien de desbetreffende kamers gesloten zijn || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2029 lid 9, tweede zin || Peilinrichtingen moeten tot aan de hoogste vulstand afleesbaar zijn || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2024 lid 13 || Controle van de hoeveelheid brandstof niet alleen voor de voortstuwingsmotoren maar ook voor de voor de vaart noodzakelijke andere motoren || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2029 8.06 || Smeerolieopslag, -leidingen en toebehoren || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2049 8.07 || Opslag van olie die in krachtoverbrengingssystemen, schakel-, aandrijf- en verwarmingssystemen wordt gebruikt, alsmede leidingen en toebehoren || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2049 8.08(8) || Een afsluiter (zonder terugslagklep) als aansluiting van ballasttanks aan het lenssysteem geldt niet voor laadruimen die zijn ingericht voor het opnemen van ballast || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2024 8.08(9) || Peilmogelijkheden voor vullingen van ruimen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2024 8.09(2) || Inrichtingen voor het verzamelen van lenswater en afgewerkte olie || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2024 8.10(3) || Geluidsgrens van 65 dB(A) voor stilliggende schepen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2029 HOOFDSTUK 8a || || || || De voorschriften zijn niet van toepassing op a) aandrijvingsmotoren en hulpmotoren met een nominaal vermogen meer dan 560 kW van volgende categorieën volgens aanhangsel I, afdeling 4.1.2.4 van Richtlijn 97/68/EG: aa) V1:1 tot V1:3, die tot 31 december 2006 bb) V1:4 en V2:1 tot V2:5, die tot 31 december 2008 in een schip of in machines aan boord zijn geïnstalleerd. b) hulpmotoren met een nominaal vermogen tot 560 kW en veranderlijk toerental, van de volgende categorieën volgens artikel 9.4a van Richtlijn 97/68/EG: aa) H die tot 31 december 2005 bb) I en K die tot 31 december 2006 cc) J die tot 31 december 2007; in een schip of in machines aan boord zijn geïnstalleerd. c) hulpmotoren met een nominaal vermogen tot 560 kW en constant toerental, van de volgende categorieën volgens artikel 9.4a van Richtlijn 97/68/EG: aa) D, E, F en G die tot 31 december 2006[28]; bb) H, I en K die tot 31 december 2010 cc) J die tot 31 december 2011; in een schip of in machines aan boord zijn geïnstalleerd. d) motoren die voldoen aan de waarden als bedoeld in bijlage XIV bij Richtlijn 97/68/EG en die tot 30 juni 2007 in een schip of in machines aan boord zijn geïnstalleerd. e) vervangingsmotoren die tot 31 december 2011 in een schip of in machines aan boord zijn geïnstalleerd ter vervanging van een motor waar de voorschriften, overeenkomstig de bovenstaande punten a) tot en met d), niet van toepassing zijn. De in de punten a), b), c) en d) genoemde data zullen met twee jaar worden verlengd voor motoren die vóór de vermelde data zijn vervaardigd. HOOFDSTUK 9 || || 9.01, lid 1, tweede zin || De benodigde documenten moeten worden voorgelegd aan de commissie van deskundigen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2049 lid 2, tweede streepje || Schema's van hoofd- en noodschakelbord en de verdeelkasten moeten zich aan boord bevinden || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2024 lid 3 || Omgevingstemperatuur in het schip en aan dek || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2024 9.02, lid 1 tot en met 3 || Systemen voor de energieverzorging || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2024 9.03 || Bescherming tegen aanraken, binnendringen van vreemde voorwerpen en water || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2029 9.05(4) || 9.05, lid 4 Doorsnede van de aardleiding || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2029 9.11(4) || 9.11, lid 4 Ventilatie van gesloten ruimten, kisten of kasten waarin accumulatoren zijn opgesteld || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat 9.12 || Directe voeding vanaf het hoofdschakelbord van verbruikers die voor de voortstuwing en het manoeuvreren noodzakelijk zijn || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2029 9.12, lid 3, onder b) || Aardfoutbewakingsinrichting || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2024 9.13 || Noodstopschakelaars || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2024 9.14 || Installatiemateriaal || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2029 9.14, lid 3, tweede zin || Eenpolige schakelaars zijn in was-, bad- en overige natte ruimten niet toegestaan || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2024 9.15(2) || Minimale doorsnede van de aders van 1,5 mm2 || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2024 lid 10 || Kabels naar beweegbare stuurhuizen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2024 9.16, lid 3, tweede zin || Tweede stroomkring || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2029 9.19 || Alarm- en beveiligingssystemen voor werktuigbouwkundige inrichtingen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2029 9.20 || Elektronische installaties || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2049 9.21 || Elektromagnetische compatibiliteit || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2049 HOOFDSTUK 10 || || 10.01 || Ankeruitrusting || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2024 10.02, lid 2, onder a) || Keuringsbewijs voor stalen trossen en andere kabels || Voor de eerste tros die op het schip wordt vervangen: N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2024 Tweede en derde tros: 30 december 2029 10.03, lid 1 || 10.03, lid 1 Europese norm || Bij vervanging, uiterlijk 30 december 2024 lid 2 || Geschiktheid voor brandklasse A, B en C || Bij vervanging, uiterlijk 30 december 2024 lid 4 || Hoeveelheid CO2 en inhoud van de ruimten || Bij vervanging, uiterlijk 30 december 2024 10.03a || Vast ingebouwde brandblusinstallaties in verblijven, stuurhuizen en passagiersruimten || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2049 10.03b || Vast ingebouwde brandblusinstallaties in machinekamers, ketelruimen en pompkamers || Vóór 1 oktober 1985 vast ingebouwde CO2-brandblusinstallaties blijven uiterlijk tot aan de afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30 december 2049 toegelaten, wanneer zij voldoen aan artikel 13.03 van bijlage II van Richtlijn 82/714/EEG 10.04 || Toepassing Europese norm op bijboten || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2029 10.05(2) || Opblaasbare zwemvesten || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2024 Zwemvesten die op de dag vóór 30 december 2008 aan boord zijn mogen tot aan de afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30 december 2024 verder worden gebruikt HOOFDSTUK 11 || || 11.02, lid 4, eerste zin || Voorziening aan de buitenkanten van dekken, gangboorden en andere werkplekken || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2020 || Hoogte van de verschansing of luikhoofden || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2035 11.04(1) || Vrije breedte van het gangboord || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2035, voor vaartuigen met een breedte van minstens 7,30 m lid 2 || Relingen langsheen het schip bij schepen met L<55 m en slechts verblijven op het achterschip || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2020 11.04 || Gangboord || Bij eerste afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat[29] na 30.12.2049 bij een breedte van meer dan 7,30 m 11.05(1) || Toegang tot de werkplekken || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2049 leden 2 en 3 || Deuren, in- en uitgangen en gangen die hoogte verschillen van meer dan 0,50 m hebben || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat lid 4 || Trappen bij permanent bezette werkplekken || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2049 11.06(2) || Uitgangen en nooduitgangen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2049 11.07, lid 1, tweede zin || Klimvoorzieningen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2049 leden 2 en 3 || || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat 11.10 || Luiken || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2024 11.11 || Lieren || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2024 11.12, leden 2 tot en met 6 en 8 tot en met 10 || Kranen: fabriekslabel, maximaal toelaatbare bedrijfslast, beveiliging, rekenkundig bewijs, controle door deskundige, documenten aan boord || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2029 11.13 || Opslag van brandbare vloeistoffen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat HOOFDSTUK 12 || || 12.01, lid 1 || Verblijven voor de gewoonlijk aan boord verblijvende personen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2049 12.02, lid 3 || Positie van de vloer || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2049 lid 4 || Woon- en slaapruimten || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2049 12.02(5) || Geluidshinder en trillingen in verblijven || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2029 lid 6 || Stahoogte in verblijven || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2049 lid 8 || Vloeroppervlak in woonruimten || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2049 lid 9 || Inhoud van ruimten || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2049 lid 10 || Luchtvolume per persoon || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2049 lid 11 || Afmetingen van deuren || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2049 lid 12, onder a) en b) || Aanbrengen van trappen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2049 lid 13 || Leidingen van gevaarlijke gassen en vloeistoffen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2049 12.03 || Sanitaire voorzieningen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2049 12.04 || Keukens || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2049 12.05 || Drinkwaterinstallaties || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat 12.06 || Verwarming en ventilatie || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2049 12.07, lid 1, tweede zin || Overige bepalingen inzake de inrichting van de verblijven || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2049 HOOFDSTUK 14a || || Artikel 14a.02, lid 2, tabellen 1 en 2, en lid 5 || Grens-/controlewaarden en typegoedkeuringen || voor zover a) de grens- en controlewaarden de waarden van artikel 14a.02 met niet meer dan een factor 2 overschrijden, b) de boordzuiveringsinstallatie beschikt over een certificaat van de fabrikant of van een deskundige waarin bevestigd wordt dat de installatie de voor het vaartuig kenmerkende belasting aankan, en c) voorzien is in een systeem voor het beheer van zuiveringsslib dat is aangepast aan het gebruik van een boordzuiveringsinstallatie op een passagiersvaartuig HOOFDSTUK 15 || || || Passagiersschepen || Zie artikel 8 van de richtlijn HOOFDSTUK 15a || || || Zeilende passagiersschepen || Zie artikel 8 van de richtlijn HOOFDSTUK 16 || || 16.01(2) || Speciale lieren of gelijkwaardige inrichtingen op het voor het duwen geschikte vaartuig || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2049 lid 3, laatste zin || Eisen met betrekking tot aandrijvingen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2049 HOOFDSTUK 17 || || || Drijvende werktuigen || Zie artikel 8 van de richtlijn HOOFDSTUK 21 || || || Pleziervaartuigen || Zie artikel 8 van de richtlijn HOOFDSTUK 22b || || 22b.03 || Tweede aandrijfinstallatie voor stuurmachines || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2029 Artikel 24a.03
Afwijkingen voor
vaartuigen waarvan de kiel is gelegd vóór 1 januari 1985 1.
In aanvulling op artikel 24a.02 van deze bijlage
mogen schepen waarvan de kiel vóór 1 januari 1985 is gelegd, van de
onderstaande voorschriften onder de in de derde kolom van tabel 5 vermelde
voorwaarden afwijken, mits de veiligheid van het vaartuig en de bemanning op
passende wijze is gegarandeerd. 2.
In de onderstaande tabel 5
betekent: –
„N.V.O.”: het voorschrift is
niet van toepassing op reeds in bedrijf zijnde vaartuigen, tenzij de
betreffende delen worden vervangen of omgebouwd, dat wil zeggen dat dit
voorschrift slechts van toepassing is op Nieuwbouw, bij Vervanging of bij
Ombouw van de betreffende delen of sectoren. Worden bestaande delen vervangen
door delen welke in technische zin en bouwwijze gelijk zijn, dan wordt dit niet
beschouwd als vervanging „V” volgens deze overgangsbepalingen. –
"Afgifte of verlenging van
het EU-binnenvaartcertificaat": aan het voorschrift moet zijn voldaan bij
de eerste afgifte of de volgende verlenging van de geldigheidsduur van het
EU-binnenvaartcertificaat na 30 december 2008. Eindigt de geldigheidsduur van
het EU-binnenvaartcertificaat tussen 30 december 2008 en één dag voor 30
december 2009 dan is dit voorschrift pas verplicht vanaf 30 december 2009. Tabel 5 Artikel en lid || Inhoud || Termijn en opmerkingen HOOFDSTUK 3 || || 3.03(1) || Waterdichte schotten || N.V.O. 3.03(2) || Verblijven, veiligheidsinstallaties || N.V.O. 3.03(5) || Openingen in waterdichte schotten || N.V.O. 3.04(2) || Begrenzingsvlakken van bunkers || N.V.O. 3.04(7) || Geluidsdrukniveau in machinekamers || N.V.O. HOOFDSTUK 4 || || 4.01 || Veiligheidsafstand || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2019 4.02 || Vrijboord || N.V.O. HOOFDSTUK 6 || || 6.01(3) || Uitvoering van de stuurinrichting || N.V.O. HOOFDSTUK 7 || || 7.01(2) || Geluidsdrukniveau in het stuurhuis || N.V.O. 7.05(2) || Controle van de navigatielichten || N.V.O. 7.12 || In hoogte verstelbare stuurhuizen || N.V.O. HOOFDSTUK 8 || || 8.01(3) || Verbod op bepaalde brandstoffen || N.V.O. 8.04 || Uitlaatgassenleidingen van motoren || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat 8.05(13) || Waarschuwingssysteem voor het brandstofpeil || N.V.O. 8.08(2) || Aanwezigheid van lenspompen || N.V.O. 8.08, leden 3 en 4 || Inwendige diameter van de lensleidingen, capaciteit van de lenspompen || N.V.O. 8.08(5) || Zelfaanzuigende lenspompen || N.V.O. 8.08(6) || Aanwezigheid van lenskorven || N.V.O. 8.08(7) || Zelfsluitende aftapinrichting voor de achterpiek || N.V.O. 8.10(2) || Door schepen voortgebracht geluid || N.V.O. HOOFDSTUK 9 || || 9.01(2) || Certificaten voor de elektrische installaties || N.V.O. 9.01(3) || Uitvoering van elektrische installaties || N.V.O. 9.06 || Ten hoogste toegelaten spanningen || N.V.O. 9.10 || Generatoren en motoren || N.V.O. 9.11(2) || 9.11, lid 2 Accumulatoren || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2029 9.12(2) || Schakelaars, beveiligingen || N.V.O., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 30.12.2029 9.14(3) || Gelijktijdige schakeling || N.V.O. 9.15 || Kabels || N.V.O. 9.16(3) || Verlichting machinekamer || N.V.O. 9.17(1) || Schakelborden voor navigatielantaarns || N.V.O. 9.17(2) || Voeding van navigatielantaarns || N.V.O. HOOFDSTUK 10 || || 10.01(9) || Ankerlieren || N.V.O. 10.04(1) || Bijboot overeenkomstig norm || N.V.O. 10.05(1) || Reddingsboeien overeenkomstig norm || N.V.O. 10.05(2) || Reddingsvesten overeenkomstig norm || N.V.O. HOOFDSTUK 11 || || 11.11(2) || Borging van de lieren || N.V.O. HOOFDSTUK 12 || || 12.02(13) || Leidingen van gevaarlijke gassen en vloeistoffen || N.V.O. Artikel 24a0.04 (zonder inhoud) Artikel 24a.05
Overgangsbepaling
van toepassing op artikel 2.18 Artikel 24.08 is van
overeenkomstige toepassing. Aanhangsel I VEILIGHEIDSTEKENS Figuur 1 Verboden voor onbevoegden || || kleur: rood/wit/zwart Figuur 2 Vuur, open licht en roken verboden || || kleur: rood/wit/zwart Figuur 3 Aanduiding van een brandblusapparaat || || kleur: rood/wit Figuur 4 Waarschuwing voor algemeen gevaar || || kleur: zwart/geel Figuur 5 Brandslang || || kleur: rood/wit Figuur 6 Brandblusinstallatie || || kleur: rood/wit Figuur 7 Gehoorbescherming verplicht || || kleur: blauw/wit Figuur 8 Verbandtrommel || || kleur: groen/wit Figuur 9 Snelsluitende afsluiter op de tank || || kleur: bruin/wit Figuur 10 zwemvesten dragen || || voor kleurenweergave blauw/wit De gebruikte pictogrammen
mogen enigszins variëren of meer gedetailleerd zijn dan de illustraties in deze
bijlage, mits de betekenis ervan niet wordt veranderd en verschillen en
aanpassingen de betekenis niet onbegrijpelijk maken. Aanhangsel II. Administratieve aanwijzingen Nr. 1 || : || Eisen ten aanzien van de uitwijk- en keereigenschappen Nr. 2 || : || Eisen ten aanzien van de voorgeschreven snelheid (vooruit), de stopeigenschappen en de achteruitvaareigenschappen Nr. 3 || : || Eisen ten aanzien van koppelingssystemen en koppelingsinrichtingen voor vaartuigen die geschikt zijn om in een hecht samenstel voort te bewegen of voortbewogen te worden Nr. 4 || : || Toepasselijkheid van de overgangsbepalingen Nr. 5 || : || Geluidsmetingen Nr. 6 || : || Toepasselijkheid van voorschriften in hoofdstuk 15 Nr. 7 || : || Speciale ankers met verminderde massa Nr. 8 || : || Sterkte van waterdichte vensters Nr. 9 || : || Eisen ten aanzien van automatisch werkende sprinklerinstallaties Nr. 10 || : || Zonder inhoud Nr. 11 || : || Invullen van het EU-binnenvaartcertificaat Nr. 12 || : || Brandstoftanks op drijvende werktuigen Nr. 13 || : || Minimumdikte van de scheepswand van sleepschepen Nr. 14 || : || Zonder inhoud Nr. 15 || : || Voortbewegen van een schip op eigen kracht Nr. 16 || : || Zonder inhoud Nr. 17 || : || Adequaat brandmeldsysteem Nr. 18 || : || Document waarmee het drijfvermogen, de trimsituatie en de stabiliteit van de gedeelde stukken van een schip wordt aangetoond Nr. 19 || : || Zonder inhoud Nr. 20 || : || Uitrusting van schepen die volgens de standaarden S1 en S2 worden gevaren Nr. 21 || : || Eisen ten aanzien van Low-Location Lighting Nr. 22 || : || Bijzondere veiligheidsbehoeften van personen met beperkte mobiliteit Nr. 23 || : || Motortoepassing die onder de passende typegoedkeuring valt Nr. 24 || : || Geschikt gasdetectiesysteem Nr. 25 || : || Elektriciteitskabels Nr. 26 || : || Erkende deskundigen/deskundigen Nr. 27 || : || Pleziervaartuigen Opmerking: Voor
onderwerpen die onder bijlage IV vallen, mag elke lidstaat overeenkomstig
artikel 5, lid 7, van deze richtlijn minder strenge eisen toestaan voor de
verschillende waarden die vermeld worden in de volgende administratieve aanwijzingen
voor vaartuigen die uitsluitend waterwegen van de zones 3 en 4 op zijn
grondgebied bevaren. Voor
onderwerpen die onder bijlage III vallen, mag elke lidstaat overeenkomstig
artikel 5, leden 1 en 3, van deze richtlijn strengere eisen vaststellen voor de
verschillende waarden die vermeld worden in de volgende administratieve aanwijzingen
voor vaartuigen die waterwegen van de zones 1 en 2 op zijn grondgebied bevaren. ADMINISTRATIEVE AANWIJZING
Nr. 1 Eisen ten aanzien
van de uitwijk- en keereigenschappen (Artikelen 5.09 en
5.10 in combinatie met artikelen 5.02, lid 1, 5.03, lid 1, 5.04 en 16.06 van
bijlage II) 1. Algemene
en extreme omstandigheden met betrekking tot de uitwijkproef 1.1. Volgens artikel 5.09
moeten schepen en samenstellen tijdig kunnen uitwijken en deze
uitwijkeigenschappen moeten worden aangetoond door uitwijkmanoeuvres in de
proefvaartvakken overeenkomstig artikel 5.03. Dit moet worden aangetoond met
gesimuleerde uitwijkmanoeuvres naar bakboord en stuurboord met voorgeschreven
waarden waarbij voor bepaalde draaisnelheden van het schip als reactie op het
draaien en het vervolgens controleren van het roer aan een bepaalde tijdslimiet
moet worden voldaan. Tijdens proeven moet
worden voldaan aan de eisen van punt 2 waarbij een kielafstand van ten minste 20
% van de diepgang in acht moet worden genomen. Deze mag echter niet minder dan 0,50
m bedragen. 2.
Testmethode uitwijkeigenschappen en opname van gegevens (schema in bijlage 1) 2.1. Uitwijkmanoeuvres
moeten als volgt worden uitgevoerd: Als het schip of het
samenstel met een constante snelheid van V0 = 13 km/u ten opzichte
van het water vaart, moet bij het begin van het manoeuvre (tijd t0 =
0 s, draaisnelheid r = 0°/min, roerhoek δ0 = 0°, het toerental wordt
constant gehouden) de uitwijking naar bakboord of stuurboord op gang gebracht
worden door aan het roer te draaien. Het roer wordt bij het begin van het
manoeuvre in een hoek δ gezet of de stuurinrichting in een hoek δa bij een
actieve stuurinrichting overeenkomstig de aanwijzingen in punt 2.3. De
roerhoek δ (bv. 20° stuurboord) wordt gehandhaafd tot de waarde r1
van de draaisnelheid als bedoeld in punt 2.2 voor de betreffende
afmetingen van het schip of het samenstel is bereikt. Als de draaisnelheid r1
is bereikt, wordt tijd t1 gemeten en wordt het roer in dezelfde hoek
gezet aan de andere kant (bv. 20° bakboord) om het draaien te stoppen en te
beginnen met draaien in de tegenovergestelde richting, bv. om de draaisnelheid
te verminderen tot r2 = 0 en dan weer te laten toenemen
tot de waarde van punt 2.2. Als de draaisnelheid r2 = 0 is
bereikt, wordt t2 gemeten. Als draaisnelheid r3 uit punt 2.2
is bereikt, wordt het roer in de tegenovergestelde richting gedraaid in
dezelfde hoek δ om de draaibeweging te stoppen. Tijd t3 wordt
gemeten. Als draaisnelheid r4 = 0 is bereikt, wordt tijd t4
gemeten en wordt het schip of het samenstel weer in zijn originele koers
gebracht. 2.2. Aan de volgende
grenswaarden moet worden voldaan om draaisnelheid r4 te bereiken
afhankelijk van de afmetingen van de schepen of samenstellen en de waterdiepte
h: || Afmetingen van schepen of samenstellen L × B || Vereiste draaisnelheid r1 = r3 (°/min) || Grenswaarden voor tijd t4 (s) in ondiep en diep water δ = 20° || δ = 45° || 1,2 ≤ h/T ≤ 1,4 || 1,4 < h/T < 2 || h/T > 2 1 || Alle motorschepen; eenrijige samenstellen ≤ 110 × 11,45 || 20°/min || 28°/min || 150 s || 110 s || 110 s 2 || Eenrijige samenstellen tot 193 × 11,45 of gekoppelde samenstellen tot 110 × 22,90 || 12°/min || 18°/min || 180 s || 130 s || 110 s 3 || Tweerijige samenstellen ≤ 193 × 22,90 || 8°/min || 12°/min || 180 s || 130 s || 110 s 4 || Tweerijige samenstellen tot 270 × 22,90 of drierijige samenstellen tot 193 × 34,35 || 6°/min || 8°/min || [30] || [31] || [32] De tijden t1, t2,
t3 en t4 die nodig zijn om de draaisnelheden r1,
r2, r3 en r4 te bereiken, worden opgenomen in
de meetrapporten in bijlage 2. De t4-waarden mogen de grenswaarden
in de tabel niet overschrijden. 2.3. Er moeten ten minste
vier uitwijkmanoeuvres uitgevoerd worden, namelijk: –
één naar stuurboord met een roerhoek
δ = 20° –
één naar bakboord met een
roerhoek δ = 20° –
één naar stuurboord met een
roerhoek δ = 45° –
één naar bakboord met een
roerhoek δ = 45°. Indien nodig (bv. in geval
van twijfel over de gemeten waarden of bij onbevredigende manoeuvres) moeten de
uitwijkmanoeuvres nogmaals uitgevoerd worden. Aan de draaisnelheden van
punt 2.2 en de tijdslimieten moet worden voldaan. Voor actieve
stuurinrichtingen of speciale soorten roeren mag een andere positie δa
van de stuurinrichting of een roerhoek δa niet zijnde δ = 20° en δ =
45° worden gekozen in overeenstemming met de beoordeling van de deskundige en
afhankelijk van het type stuurinrichting. 2.4. Voor het bepalen van
de draaisnelheid dient er een bochtaanwijzer conform aanhangsel VIII van deze
richtlijn aanwezig te zijn. 2.5. Conform artikel 5.04
moet de beladingstoestand tijdens het uitwijkmanoeuvre tussen 70 % en 100 % van
het maximaal laadvermogen liggen. Als de proef met minder lading wordt
uitgevoerd, wordt de toelating voor de afvaart en opvaart beperkt tot die
belading. De procedure voor
uitwijkmanoeuvres en de gebruikte termen staan vermeld in een schema in
bijlage 1. 3.
Keereigenschappen De keereigenschappen van
schepen en samenstellen waarvan de lengte (L) niet meer dan 86 m bedraagt
en de breedte (B) niet meer dan 22,90 m worden geacht voldoende te zijn
volgens artikel 5.10 in combinatie met artikel 5.02, lid 1,
wanneer tijdens een opdraaimanoeuvre met een beginsnelheid ten opzichte van het
water van 13 km/u voldaan wordt aan de grenswaarden van kop vóór stoppen
zoals vastgelegd in administratieve aanwijzing nr. 2. Aan de voorwaarden
betreffende de kielafstand in punt 1.1 moet voldaan worden. 4.
Overige eisen 4.1. Onverminderd punten 1
tot 3 moet voldaan worden aan de volgende eisen: a) Bij
handbediende stuursystemen moet één draaibeweging aan het stuurwiel
overeenstemmen met een roerhoek van ten minste 3°; b) Bij
werktuiglijk aangedreven stuurinrichtingen moet het mogelijk zijn om bij
maximale indompeling van het roer een gemiddelde hoeksnelheid van 4°/s over het
volledige draaibereik van het roer te realiseren. Deze eis dient ook te
worden gecontroleerd wanneer het schip op volle snelheid vaart door het roer te
bewegen over een bereik van 35° bakboord naar 35° stuurboord. Bovendien dient
gecontroleerd te worden of het roer in de maximale hoekpositie blijft bij
maximaal voortstuwingsvermogen. Op actieve stuurinrichtingen of speciale
soorten roeren is dit voorschrift op overeenkomstige wijze van toepassing. 4.2. Als er aanvullende
uitrusting als bedoeld in artikel 5.05 nodig is om de vereiste
manoeuvreereigenschappen te bereiken, dient deze te voldoen aan de eisen van
hoofdstuk 6 en de volgende informatie dient vermeld te worden onder punt 52 van
het EU-binnenvaartcertificaat: "flankingroeren[33]/boogstuurinrichtingen[34]/overige apparatuur[35] als bedoeld onder
punt 34 is[36]/zijn[37] noodzakelijk om
aan de eisen inzake manoeuvreereigenschappen van hoofdstuk 5 te voldoen."» 5.
Opname van gegevens en verslagen De metingen, verslagen en
de opname van gegevens dienen uitgevoerd te worden volgens de procedure in
bijlage 2. BIJLAGE 1 bij administratieve
aanwijzing nr. 1 Schema
van het uitwijkmanoeuvre t0 || = || begin van het uitwijkmanoeuvre t1 || = || tijd om draaisnelheid r1 te bereiken t2 || = || tijd om draaisnelheid r2 = 0 te bereiken t3 || = || tijd om draaisnelheid r3 te bereiken t4 || = || tijd om draaisnelheid r4 = 0 te bereiken (einde van het uitwijkmanoeuvre) δ || = || roerhoek [°] r || = || draaisnelheid [°/min] BIJLAGE 2 bij administratieve
aanwijzing nr. 1 Verslag
van het uitwijkmanoeuvre en de keereigenschappen Controlestructuur : … Datum: … Naam: … Naam van het vaartuig: … Eigenaar: … Soort vaartuig: … || Proefvaarttraject: … of samenstel: … || Betreffende waterstand [m]: … L × B [m × m]: … || Waterdiepte h [m]: … Ttest [m]: … || h/T: … Stroomsnelheid [m/s]: Lading: … % van het
maximum … (tijdens de proef) [t]: …
laadvermogen: … Bochtaanwijzer Soort: … Soort roerconstructie:
normale constructie/speciale constructie[38] Actieve stuurinrichting:
ja/neen[39] Resultaten van de
uitwijkmanoeuvres: Tijdstip t1 tot t4 nodig voor het uitwijken || Roerhoek δ of δa[40] van waaruit het uitwijkmanoeuvre begint en draaisnelheid waaraan voldaan moet worden r1 = r3 || Opmerkingen || δ = 20° STUURBOORD[41] || δ = 20° BAKBOORD[42] || δ = 45° STUURBOORD[43] || δ = 45° BAKBOORD[44] || δa = … STUURBOORD[45] || δa = … BAKBOORD[46] || δa = … STUURBOORD[47] || δa = … BAKBOORD[48] r1 = r3 = … °/min || || r1 = r3 = … °/min || t1 [s] || || || || || || || t2 [s] || || || || || || || t3 [s] || || || || || || || t4 [s] || || || || || || || Grenswaarde t4 volgens 2.2 || Grenswaarde t4 = … [s] || || Keereigenschappen[49] Geografische ligging bij
het begin van het keermanoeuvre … km Geografische ligging aan
het eind van het keermanoeuvre … km Stuurmachine Werking:
handmatig/mechanisch[50] Roerhoek voor elke
draaibeweging van het stuurwiel[51]:
… ° Hoeksnelheid van het roer
over het volledige bereik[52]:
… °/s Hoeksnelheid van het roer
over het bereik 35° bakboord naar 35° stuurboord[53]: … °/s ADMINISTRATIEVE AANWIJZING
Nr. 2 Eisen ten aanzien
van de voorgeschreven snelheid (vooruit), de stopeigenschappen en de
achteruitvaareigenschappen (artikelen 5.06, 5.07
en 5.08 in combinatie met artikelen 5.02, lid 1, 5.03, lid 1, 5.04 en 16.06 van
bijlage II) 1.
Voorgeschreven maximumsnelheid (vooruitvaren) overeenkomstig artikel 5.06 De snelheid ten opzichte
van het water is voldoende volgens artikel 5.06, lid 1, wanneer de snelheid ten
minste 13 km/u bedraagt. Tijdens proeven dient op dezelfde manier als voor de
stopproef voldaan te worden aan de volgende voorwaarden: a) er dient
voldaan te worden aan de kielafstand in punt 2.1, b) de
testgegevens dienen gemeten, opgenomen, geregistreerd en beoordeeld te worden. 2.
Stopeigenschappen en achteruitvaareigenschappen volgens artikelen 5.07
en 5.08 2.1. Schepen en
samenstellen worden beschouwd tijdig kop vóór te kunnen stilhouden
overeenkomstig artikel 5.07, lid 1, wanneer dit is bewezen door een
stopproef ten opzichte van de grond met kop vóór met een beginsnelheid ten
opzichte van het water van 13 km/u, een kielafstand gelijk aan ten minste 20 %
van de diepgang, maar niet minder dan 0,50 m. a) In stromend
water (stroomsnelheid van 1,5 m/s) moet stoppen ten opzichte van het water
aangetoond worden over een maximumafstand ten opzichte van de grond van: 550 m voor
schepen en samenstellen van: –
lengte L > 110 m of –
breedte B > 11,45 m hetzij 480 m voor
schepen en samenstellen van: –
lengte L ≤ 110 m, en –
breedte B ≤ 11,45 m. Het
stopmanoeuvre is voltooid wanneer het schip of het samenstel stilstaat ten
opzichte van de grond. b) In
stilstaand water (stroomsnelheid van minder dan 0,2 m/s) moet stoppen ten
opzichte van het water aangetoond worden over een maximumafstand ten opzichte
van de grond van: 350 m voor
schepen en samenstellen van: –
lengte L > 110 m of –
breedte B > 11,45 m hetzij 305 m voor
schepen en samenstellen van: –
lengte L ≤ 110 m, en –
breedte B ≤ 11,45 m. In stilstaand
water moet ook een proef uitgevoerd worden die aantoont dat een snelheid van
ten minste 6,5 km/u bereikt kan worden tijdens het achteruitvaren. De testgegevens als
bedoeld in a) en b) zullen gemeten, opgenomen en geregistreerd worden
overeenkomstig de procedure in aanhangsel I. Tijdens de volledige test
moet het schip of het samenstel over voldoende manoeuvreereigenschappen
beschikken. 2.2. Overeenkomstig
artikel 5.04 moet de belading van de schepen tijdens de proef zoveel
mogelijk 70-100 % van het laadvermogen bedragen. Deze beladingstoestand
wordt beoordeeld overeenkomstig aanhangsel 2. Wanneer het schip of het
samenstel op het moment van de proef een belading heeft van minder dan 70 %
wordt het toegestane deplacement voor de afvaart beperkt tot de belading van
dat moment, voor zover is voldaan aan de grenswaarden van punt 2.1. 2.3. Als de werkelijke
waarden (actual values) van de beginsnelheid en de stroomsnelheid tijdens de
proef niet voldoen aan de voorwaarden van punt 2.1, moeten de behaalde
resultaten beoordeeld worden overeenkomstig de procedure in aanhangsel 2. De toegestane afwijking
van de beginsnelheid van 13 km/u mag niet meer dan +1 km/u bedragen en de
gemeten stroomsnelheid in stromend water moet tussen 1,3 en 2,2 m/s liggen,
anders dienen de proeven opnieuw uitgevoerd te worden. 2.4. Het toegestane
maximale deplacement of de maximale belading of de maximaal ondergedompelde
doorsnede van schepen en samenstellen voor de afvaart wordt vastgesteld door
middel van proeven en wordt vermeld op het EU-binnenvaartcertificaat. Aanhangsel 1 bij administratieve
aanwijzing nr. 2 METING,
OPNAME EN REGISTRATIE VAN GEGEVENS TIJDENS STOPPROEVEN 1. Stopmanoeuvre De schepen en samenstellen
bedoeld in hoofdstuk 5 moeten in een proefvaarttraject een proef uitvoeren in
stromend of stilstaand water om aan te tonen dat ze kop vóór kunnen stoppen met
alleen hun voortstuwingssysteem zonder het gebruik van ankers. Het
stopmanoeuvre moet in principe uitgevoerd worden overeenkomstig figuur 1. Het
stopmanoeuvre begint wanneer het schip met een constante snelheid vaart die zo
dicht mogelijk ligt bij 13 km/u ten opzichte van het water door de draaizin van
de motoren om te keren van "vooruit" in "achteruit" (punt A
van de instructie "stop") en is voltooid wanneer het schip stilligt
ten opzichte van de grond (punt E: v = 0 ten opzichte van de grond of
punt D: = punt E: v = 0 ten opzichte van het water en ten
opzichte van de grond als het stopmanoeuvre uitgevoerd wordt in stilstaand
water). Wanneer stopmanoeuvres
uitgevoerd worden in stromend water, moeten de stoppositie en het stoptijdstip
ten opzichte van het water ook opgenomen worden (het schip beweegt op de
snelheid van de stroming; punt D: v = 0 ten opzichte van het water). De gemeten gegevens moeten
worden opgenomen in een verslag zoals weergegeven in het schema van tabel 1.
Voordat het stopmanoeuvre wordt uitgevoerd, moeten de gegevens die niet
veranderen bovenaan op het formulier vermeld worden. De gemiddelde
stroomsnelheid (vSTR) in de vaargeul moet bepaald worden op basis
van de gemeten waarde van een erkende peilinrichting voor de waterstand, indien
aanwezig, of door de beweging van een drijvend voorwerp te meten. Deze waarde
wordt in het verslag vermeld. In principe is het gebruik
van gangbare meters om de snelheid van een schip ten opzichte van het water te
bepalen tijdens het stopmanoeuvre toegestaan als het mogelijk is om de beweging
en de vereiste gegevens overeenkomstig bovenstaande procedure te meten. 2. Registratie van de gemeten gegevens en opname
ervan in het verslag (tabel 1) Voor het stopmanoeuvre
moet in de eerste plaats de beginsnelheid ten opzichte van het water bepaald
worden. Dit kan gedaan worden door de tijd te meten die nodig is om van één
baken naar een ander baken te varen. In stromend water dient de gemiddelde stroomsnelheid
in aanmerking te worden genomen. Het stopmanoeuvre wordt in
gang gezet door de instructie „stop A” die gegeven wordt wanneer een
baken op het land wordt gepasseerd. Het passeren van het landbaken wordt
loodrecht op de as van het schip gemeten en vermeld in het verslag. Het
passeren van alle andere landbakens tijdens het stopmanoeuvre wordt op
identieke wijze gemeten en elk baken (bv. kilometerpaal) en de tijd van
voorbijvaren wordt in het verslag genoteerd. De gemeten waarden worden,
indien mogelijk, gemeten met tussenruimten van 50 m. Telkens dient de tijd
genoteerd te worden wanneer punten B en C — indien mogelijk — ook
wanneer punten D en E worden bereikt en de desbetreffende positie
wordt geschat. De gegevens betreffende het toerental hoeven niet te worden
vermeld in het verslag, maar moeten genoteerd worden om de beginsnelheid
nauwkeuriger te kunnen controleren. 3. Beschrijving van het stopmanoeuvre Het stopmanoeuvre
overeenkomstig figuur 1 moet in de vorm van een schema weergegeven worden. Eerst
moet het tijdvolgordediagram getekend worden met behulp van de metingen uit het
testrapport en punten A tot E moeten aangegeven worden. Daarna is
het mogelijk om de gemiddelde snelheid tussen de twee meetpunten te bepalen en
om het snelheid/tijdschema te tekenen. Dit dient als volgt (zie
figuur 1) te gebeuren: Door het quotiënt van het
verschil in positie en het verschil in tijd Δs/Δt te bepalen, kan de gemiddelde
snelheid van het schip voor deze tijdsperiode berekend worden. Bijvoorbeeld: Tijdens het tijdsinterval
tussen 0 sec. en 10 sec. wordt de afstand van 0 m tot 50 m afgelegd. Δs/Δt = 50 m/10 s = 5,0 m/s
= 18,0 km/u Deze waarde wordt vermeld
als gemiddelde snelheid op de plaats van de abscis van 5 sec. Tijdens het
tweede tijdsinterval van 10 sec. tot 20 sec. wordt een afstand van 45 m
afgelegd. Δs/Δt = 45 m/10 s = 4,5
m/s = 16,2 km/u Bij baken D ligt
het schip stil ten opzichte van het water d.w.z. de stroomsnelheid bedraagt ca.
5 km/u. Figuur 1 Stopmanoeuvre Verklaring van de symbolen
in figuur 1 A || || „stop”-instructie B || || schroef gestopt C || || schroef in achteruit D || || v = 0 ten opzichte van het water E || || v = 0 ten opzichte van de grond v || || snelheid van het schip vL || || v ten opzichte van de grond s || || afstand afgelegd ten opzichte van de grond t || || gemeten tijd Tabel 1 Verslag van het
stopmanoeuvre Keurings-orgaan: || … || Soort schip of samenstel: || … || Proefvaarttraject: || … L × B [m]: || … || Gemeten waarde peilinrichting waterstand || [m]: || … Datum: || … || T tijdens proef [m]: || … || Waterdiepte || [m]: || … Naam: || … || Belading tijdens proef [t]: || … || Helling || [m/km]: || … Proefnr.: || … || % van het maximale laadvermogen || … || VSTR || [km/u]: || … || || Vermogen van de aandrijfmotoren PB [kW] || … || [m/s]: || … || || Voortstuwingssysteem overeenkomstig bijlage 2, tabel 2: || … || Max. deplacement || [m3]: || … Positie [river-km] || Tijdstip [sec.] || Δs [m] || Δt [sec.] || vIL [km/h] || Toerental n [min–1] || Opmerkingen || || || || || || || || || || || || || || || || || || || || || || || || || || || || || || Aanhangsel 2
bij administratieve aanwijzing nr. 2 BEOORDELING VAN DE
RESULTATEN VAN HET STOPMANOEUVRE 1.
Aan de hand van de gemeten waarden wordt gecontroleerd
of voldaan wordt aan de grenswaarden overeenkomstig aanhangsel 1. Als de
omstandigheden van het stopmanoeuvre substantieel afwijken van de
standaardomstandigheden of als er twijfel is over de naleving van de
grenswaarden, worden de resultaten beoordeeld. In dat verband mag de volgende
procedure toegepast worden om stopmanoeuvres te berekenen. 2.
Theoretische stopwegen worden
bepaald onder de standaardomstandigheden (Sreference) van punt 2.1 van administratieve
aanwijzing nr. 2 en onder de omstandigheden van het stopmanoeuvre (Sactual) en
worden vergeleken met de gemeten stopweg (Smeasured). De gecorrigeerde stopweg
van het stopmanoeuvre onder standaardomstandigheden (Sstandard) wordt als volgt
berekend: Formule 2.1: SSTANDARD = SMEASURED•(SREFERENCE/SACTUAL)
≤ Grenswaarde overeenkomstig punt 2.1, onder a) of b), van administratieve aanwijzing
nr. 2 Wanneer het stopmanoeuvre is
uitgevoerd met een belading van 70-100 % van het maximale laadvermogen
overeenkomstig punt 2.2 van administratieve aanwijzing nr. 2 om Sstandard
te berekenen, wordt het deplacement (Dreference = Dactual)
dat overeenstemt met de lading op het moment van de proef gebruikt om Sreference
en Sactual te bepalen. Wanneer bij het bereiken van Sstandard
volgens formule 2.1 de betreffende grenswaarde wordt overschreden of niet wordt
gehaald, wordt de waarde Sreference verlaagd of verhoogd door
variatie van Dreference zodat de grenswaarde voldoet aan (Sstandard
= desbetreffende grenswaarde). Het maximaal toegestane deplacement tijdens de
afvaart wordt op dezelfde manier bepaald. 3.
Overeenkomstig de grenswaarden
in punt 2.1, onder a) en b), van administratieve aanwijzing
nr. 2 worden alleen de stopwegen van –
fase I (omschakeling van „volle
kracht vooruit” in „volle kracht achteruit”): SI en –
fase II (einde van de omkering
tot het schip stilligt ten opzichte van het water) SII berekend (zie figuur 1). De
totale stopweg is dan: Formule 3.1: Stotal = SI
+ SII4. De bijzondere stopwegen worden als volgt berekend: BEREKENING VAN HET STOPMANOEUVRE Figuur 2 Schema || Berekeningsformules: || met de volgende coëfficiënten 4.1. || SI = k1 · vL · t1 || tI ≤ 20 s || — k1 volgens tabel 1 4.2. || SII = k2 · vII2 · (D · g)/(k3 · FPOR + RTmII – RG) · (k4 + (VSTR/VII)) || — k2, k3, k4 volgens tabel 1 4.3. || RTmII = (RT/v2) · (k7 · k6 · (vL – vSTR))2 || — k6, k7 volgens tabel 1 — RT/v2 volgens tabel 3 4.4. || RG = i · D · ρ · g · 10–6 || 4.5. || VII = k6 · (VL – VSTR) || — k6 volgens tabel 1 4.6. || FPOR = f · PB || — f volgens tabel 2 4.7. || tII = (SII/(vII · (k4 + (vSTR/vII)))) || — k4 volgens tabel 1 In formules 4.1 tot 4.7: vL || Snelheid ten opzichte van de grond bij het begin van de omkering || (m/s) tI || Omkeertijd || (s) vII || Snelheid ten opzichte van het water aan het einde van de omkering || (m/s) D || Deplacement || (m3) FPOR || Boldertrek achteruit || (kN) PB || Vermogen van aandrijfmotor || (kW) RTmII || De gemiddelde weerstand tijdens fase II dient vastgesteld te worden aan de hand van het schema voor de bepaling van RT/v2 || (kN) RG || Hellingsweerstand || (kN) i || Helling in m/km (indien deze ontbreekt, 0,16 aanhouden) || (m/km) vSTR || Gemiddelde stroomsnelheid || (m/s) g || Versnelling door zwaartekracht (9,81) || (m/s2) ρ || Dichtheid van water, ρ zoet water = 1000 || (kg/m3) T || Grootste inzinking (van schip of samenstel) || (m) h || Waterdiepte || (m) B || Breedte || (m) L || Lengte || (m) De coëfficiënten voor de formules
4.1, 4.2, 4.3, 4.4, 4.5, 4.6 en 4.7 kunnen overgenomen worden uit
onderstaande tabellen. Tabel 1 k-factoren voor: a) Motorschepen
en eenrijige samenstellen b) Tweerijige
samenstellen c) Drierijige
samenstellen || a || b || c || Eenheid k1 || 0,95 || 0,95 || 0,95 || — k2 || 0,115 || 0,120 || 0,125 || (kg · s2)/m4 k3 || 1,20 || 1,15 || 1,10 || — k4 || 0,48 || 0,48 || 0,48 || — k6 || 0,90 || 0,85 || 0,80 || — k7 || 0,58 || 0,55 || 0,52 || — Tabel 2 Coëfficiënt f voor de
verhouding tussen de boldertrek in achteruit en het vermogen van de
aandrijfmotoren Voortstuwingssysteem || f || Eenheid Moderne straalbuizen met afgeronde achterkant || 0,118 || kN/kW Oude straalbuizen met een scherpe achterkant || 0,112 || kN/kW Schroeven zonder straalbuis || 0,096 || kN/kW Roerpropellers met straalbuizen (meestal met scherpe achterkant) || 0,157 || kN/kW Roerpropellers zonder straalbuizen || 0,113 || kN/kW Tabel 3 Schema voor het
berekenen van de weerstand Om de waarde van RT/v2
in verhouding tot D1/3 [B + 2T] te bepalen: Tabel 3: Schema voor het berekenen van de weerstand Om de waarde van RT/v2 in verhouding tot D1/3 [B + 2T] te bepalen: || || || Bijlage bij aanhangsel 2
bij administratieve aanwijzing nr. 2 Voorbeelden voor
het toepassen van aanhangsel 2 (Beoordeling van
de resultaten van het stopmanoeuvre) VOORBEELD
I 1. Gegevens van schepen en samenstel Formatie: gewoon
motorschip met een (Europa IIa) duwbak langszij gekoppeld || L [m] || B [m] || T max [m] || Dwt[54]max [t] || D max [m3] || PB [kW] Motorschip || 110 || 11,4 || 3,5 || 2900 || 3731 || 1500 Duwbak || 76,5 || 11,4 || 3,7 || 2600 || 2743 || — Samenstel || 110 || 22,8 || 3,7 || 5500 || 6474 || 1500 Voortstuwingssysteem van het
motorschip: moderne straalbuizen met afgeronde achterkant 2. Waarden gemeten tijdens het stopmanoeuvre Stroomsnelheid || vSTRactual || = || 1,4 m/s || ≈ || 5,1 km/u Snelheid van het schip (ten opzichte van het water) || VSactual || = || 3,5 m/s || ≈ || 12,5 km/u Snelheid van het schip (ten opzichte van de grond): || VLactual || = || 4,9 m/s || ≈ || 17,6 km/u Omkeertijd (gemeten) (punt A tot C) || tI || = || 16 s || || Stopweg ten opzichte van het water: (punt A tot D) || SMEASURED || = || 340 m || || Beladingstoestand (eventueel geschat): || Dactual || = || 5179 m3 || ≈ || 0,8 Dmax Werkelijke inzinking van het samenstel: || Tactual || = || 2,96 m || ≈ || 0,8 Tmax 3. Grenswaarde volgens punt 2.1, onder a) of b),
die vergeleken dient te worden met Sstandard Omdat B > 11,45 m en
omdat het samenstel zich in stromend water bevindt, is het volgende van
toepassing op dit samenstel onder 2.1, sub a): Sstandard < 550 m 4. Bepaling van de gecorrigeerde stopweg in
vergelijking met de standaardomstandigheden –
Gemeten waarde volgens aanhangsel 1 (zie punt 2) smeasured
= 340 m –
te berekenen: sactual
als de som van sIactual || || (volgens formule 4.1 van aanhangsel 2 met vLactual) en sIIactual || || (volgens formules 4.2, 4.3, 4.4, 4.5 en 4.6 van aanhangsel 2 met de werkelijke snelheden vIIactual, vSTRactual, Dactual) sreference
als de som van sIreference || || (volgens formule 4.1 van aanhangsel 2 met vLreference) en sIIreference || || (volgens formules 4.2 tot 4.6 van aanhangsel 2 met de referentiesnelheden conform 2.1 van de administratieve aanwijzing en gegeven dat de beladingstoestand meer bedraagt dan 70 % van het maximum laadvermogen (≈ 80 %): Dreference = Dactual en Treference = Tactual) –
te controleren: Sstandard
= Smeasured · (Sreference/Sactual)
≤ 550 m 4.1. Coëfficiënten voor de
berekening uit aanhangsel 2 Tabel 1 voor sIactual en sIreference || k1 || = || 0,95 voor sIIactual en sIIreference || k2 || = || 0,12 || k3 || = || 1,15 || k4 || = || 0,48 || k6 || = || 0,85 || k7 || = || 0,55 Tabel 2 (voor moderne
straalbuizen met afgeronde achterkant) f = 0,118 4.2. Berekening van Sactual a) SIactual
met de waarden gemeten tijdens het stopmanoeuvre (formule 4.1) SIactual
= k1 · vLactual · tIactual SIactual
= 0,95 · 4,9 · 16 = 74,5 m b) Formule voor
SIIactual SIIactual
= k · v2IIactual · ((Dactual
· g)/(k3 · FPOR + RTmIIactual
– RG)) · (k4 + ((VSTRactual)/(VIIactual))) c) Berekening
van RTmIIactual volgens tabel 3 en formule 4.3 van aanhangsel 2 (Dactual)1/3 = 51791/3
+ 17,3 [m] (Dactual)1/3
· (B + 2 · Tactual) = 17,3 · (22,8 + 5,92) = 496,8 [m2] volgens tabel 3
(RT/v2) = 10,8 [(kN · s2)/(m2)] vLactual
– vSTRactual = 4,9 – 1,4 = 3, 5 m/s RTmIIactual
= (RT/v2) · (k7
· k6 · (vLactual – vSTRactual))2
= 10,8 · (0,55 · 0,85 · 3,5)2 = 28,8[kN] d)
Berekening van de weerstand tot helling RG volgens formule 4.4 RG = 10-6 · (0,16 · Dactual · ρ
· g) = 10-6 · (0,16 · 5179 · 1000 · 9,81) = 8,13[kN] e) Berekening
van vIIactual volgens formule 4.5 vIIactual = k6(vLactual – vSTRactual)
= 0,85 · 3,5 = 2,97 [m/s] vIIactual2 = 8,85 [m/s]2 f) Berekening
van FPOR volgens formule 4.6 en tabel 2 FPOR
= 0,118 · 1500 = 177[kN] g) Berekening
van sIIactual met formule b) en de resultaten van c), d), e) en f) sIIactual
= ((0,12 · 8,85 · 9,81 · (0,48 + (1,4/2,97)))/(1,15 · 177 + 28,8 – 8,13)) · 5179 sIIactual
= 228,9 m h) Berekening
van de totale afstand volgens formule 3.1 sactual
= 74,51 + 228,9 = 303,4 m Opmerking:
De term (RtmII — RG), die een functie is van D met
een werkelijke waarde van 20,67 kN is duidelijk relatief klein ten opzichte van
k3 • FPOR met een werkelijke waarde van 203,55 kN, dus ter
vereenvoudiging kan sII worden beschouwd als evenredig tot D, d.w.z.
sII = Constant • D. 4.3. Berekening van sreference Beginwaarden vSTRreference = 1,5 m/s = 5,4 km/h || Dreference = Dactual = 5179m3 vSreference = 3,6 m/s = 13 km/h || Treference = Tactual = 2,96 m vLreference = 5,1 m/s = 18,4 km/h || (a)SIreference
= k1 · vLreference · tI SIreference
= 0,95 · 5,1 · 16 = 77,50 m (b)SIIreference
= k2 · v2IIreference · (Dreference · g)/(k3
· FPOR + RTmIIreference – RG)
· (k4 + ((vSTRreference)/vIIreference)) c) berekening van RTmIIreference (RT/v2)
= 10,8 [(kN · s2)/(m2)] zoals in
punt 4.2, omdat B, D en T niet veranderd zijn. vLreference
– vSTRreference = 3,6 [m/s] RTmIIreference
= (RT/v2) · (k7 · k6
· (vLreference – vSTRreference))2
= 10,8 · (0,55 · 0,85 · 3,6)2 = 30,99[kN] d) Weerstand
door helling RG zoals in punt 4.2 e) Berekening
van vIIreference vIIreference
= k6 · (vLreference – vSTRreference)
= 0,85 · 3,6 = 3,06 [m/s], v2IIreference
= 9,36 [m/s]2 f) FPOR
zoals in punt 4.2 g) Berekening
van sIIreference met formule b) en het resultaat van c) tot
f) sIIreference
= (0,12 · 9,36 · 9,81 · (0,48 + (1,5/3,06)))/(1,15 · 177 + 30,99 – 8,13) · 5179 = || 0,0472 || · 5179 = 244,5 m Constantreference h) Berekening
van de totale afstand sreference
= sIreference + sIIreference = 77,5 + 244,5
= 322 m 4.4. Controle op de naleving
van de toelaatbare stopweg onder standaardomstandigheden sstandard overeenkomstig formule 2.1
van aanhangsel 2 sstandard = smeasured · (sreference/sactual)
= 340 · (322/303,4) = 360,8 m < 550 m Conclusie: De toelaatbare grenswaarde
wordt lang niet bereikt, m.a.w.: –
toestemming voor de afvaart is
zonder problemen mogelijk voor de huidige beladingstoestand (0,8 • Dmax), –
een zwaardere beladingstoestand
is mogelijk en kan berekend worden zoals beschreven in punt 5 hierna. 5. Mogelijke toename van Dactual voor
de afvaart (sstandard)Limit
= smeasured · (((sreference)Limit)/sactual)
= 550 m (sreference)Limit
= 550 · (sactual/smeasured) = 550
· (303,4/340) = 490,8 m Met sIIreference
= Constantreference · D volgens de opmerking onder punt 4.2 (sreference)Limit
= (sIreference + sIIreference)Limit
= sIreference + 0,0472 · (Dreference)Limit Daarom (Dreference)Limit
= ((sreference)Limit – sIreference)/0,0472
= (490,8 – 77,5)/0,0472 = (8756m3) Hieruit volgt dat: Omdat (Dreference)Limit
> Dmax (8756 > 6474) mag deze formatie (zie punt 1)
toestemming krijgen om volledig beladen stroomafwaarts te varen. VOORBEELD
II 1. Gegevens van schepen en samenstel Formatie: een groot
motorschip dat 2 duwbakken langszij
ervoor en 1 duwbak langszij
voortbeweegt || L [m] || B [m] || T max [m] || Dwt[55]max [t] || D max [m3] || PB [kW] Motorschip || 110 || 11,4 || 3,5 || 2900 || 3731 || 1500 Elke duwbak || 76,5 || 11,4 || 3,7 || 2600 || 2743 || — Samenstel || 186,5 || 22,8 || 3,7 || 10700 || 11960 || 1500 Voortstuwingssysteem
van het schip met eigen motoraandrijving: moderne straalbuizen met afgeronde
achterkant. 2. Waarden gemeten tijdens het stopmanoeuvre Stroomsnelheid || vSTRactual || = || 1,4 m/s || ≈ || 5,1 km/u Snelheid van het schip (ten opzichte van het water) || VSactual || = || 3,5 m/s || ≈ || 12,5 km/u Snelheid van het schip (ten opzichte van de oever) || VLactual || = || 4,9 m/s || ≈ || 17,6 km/u Omkeertijd (gemeten) (punt A tot C) || tI || = || 16 sec || || Stopweg ten opzichte van het water: (punt A tot D) || smeasured || = || 580 m || || Beladingstoestand (eventueel geschat): || Dactual || = || 9568 m3 || ≈ || 0,8 Dmax Werkelijke inzinking van het samenstel: || Tactual || = || 2,96 m || ≈ || 0,8 Tmax 3. Grenswaarde volgens alinea 2.1,
onder a) of b), van de administratieve aanwijzing die vergeleken dient te
worden met sstandard Omdat B > 11,45
en het samenstel zich in stromend water bevindt, is het volgende van toepassing
voor dit samenstel onder punt 2.1, sub a): sstandard ≤ 550 m 4. Bepaling van de gecorrigeerde stopweg in
vergelijking met de standaardomstandigheden –
Gemeten waarde: smeasured
= 340 m –
uit te voeren berekeningen: sactual
als de som van sIactual || || (volgens formule 4.1 van aanhangsel 2 met VLactual) en sIIactual || || (volgens de formules 4.2, 4.3, 4.4, 4.5 en 4.6 van aanhangsel 2 met werkelijke snelheden vLactual (zie onder 2 hierboven) en Dactual) sreference: sum sIreference + sIIreference || || (volgens de formules 4.1 tot 4.6 van aanhangsel 2 met referentiesnelheden en conform aanhangsel 2, gegeven dat de beladingstoestand > 70 % van het maximale laadvermogen met Dreference = Dactual en Treference = Tactual) –
te controleren: sstandard
= smeasured · (sreference/sactual)
≤ 550 m, anders –
te berekenen: s* standard
= 550 m by reduction of Dactual to D* 4.1. Coëfficiënten voor de
berekening overeenkomstig aanhangsel 2 Tabel 1 voor sIactual en sIreference || k1 || = || 0,95 voor sIactual en sIreference || k2 || = || 0,12 || k3 || = || 1,15 || k4 || = || 0,48 || k5 || = || 0,85 || k7 || = || 0,55 Tabel 2 (voor moderne
straalbuizen met afgeronde achterkant) f = 0,118 4.2. Berekening van sIactual a) sIactual
Met de waarden gemeten tijdens de stopmanoeuvres sIactual
= k1 · vLactual · tIactual sIactual
= 0,95 · 4,8 · 16 = 73 m b) formule voor
sIIactual sIIactual
= k2 · v2IIactual · ((Dactual
· g)/(k3 · FPOR + RTmIIactual
– RG)) · (k4 +(vSTRactual/vIIactual)) c) Berekening
van RTmIIactual volgens tabel 3 en formule 4.3 van aanhangsel 2 Dactual1/3 = 95681/3
= 21,2 [m] Dactual1/3
· (B + 2 · Tactual) = 21,2 · (22,8 – 5,92) = 609 [m2] van tabel 3 (RT/v2)
= 14,0 [(kN · s2)/(m2)] vLactual
– vSTRactual = 4,8 – 1,4 = 3,4 m/s RTmIIactual = (RT/v2) · (k7
· k6 · (vLactual – vSTRactual))2
= 14,0 · (0,55 · 0,85 · 3,4)2 = 35,4[kN] d) Berekening
van de weerstand door helling RG volgens formule 4.4 van aanhangsel 2 RG
= 10-6 · (0,16 · Dactual · ρ · g) = 10-6
· (0,16 · 9568 · 1000 · 9,81) = 15,02[kN] e) Berekening
van vIIactual volgens formule 4.5 van aanhangsel 2 vIIactual = k6 · (vLactual
· vSTRactual) = 2,89[m/s] v2IIactual = 8,35[m/s]2 f) Berekening
van FPOR volgens formule 4.6 en tabel 2 FPOR
= 0,118 · 1500 = 177[kN] g) Berekening
van sIIactual met formule b) en het resultaat van c), d), e) en f) SIIactual
= ((0,12 · 8,35 · 9,81 (0,48 + (1,4/2,89)))/(1,15 · 177 + 35,4 – 15,02)) · 9568 SIIactual
= 402 m h) Berekening
van de totale afstand volgens formule 3.1 sactual
= 73 + 402 = 475 m 4.3. Berekening van sreference Beginwaarden: VSTRreference = 1,5 m/s ≈ 5,4 km/h || Dreference = Dactual = 9568m3 VSreference = 3,6 m/s ≈ 13 km/h || Treference = Tactual = 2,96 m VLreference = 5,1 m/s ≈ 18,4 km/h || (a)SIreference
= k1 · vLreference · t1 SIreference
= 0,95 · 5,1 · 16 = 77, 50 m (b)SIIreference
= k2 · vIIreference2 · ((Dreference
· g)/(k3 · FPOR + RTmIIreference – RG))
· (k4 + (vSTRreference/vIIreference)) c) Berekening van RTmIIreference (RT/v2
= 14,0[(kN · s2)/m2]) zoals onder
punt 4.2 omdat B, D en T niet veranderd zijn vLreference
– vSTRreference = 3,6 [m/s] RTmIIreference
= 14,0 · (0,55 · 0,85 · 3,6)2 = 39,6[kN] d) Weerstand
door helling RG zoals onder punt 4.2 e) Berekening
van vIIreference vIIreference
= 0,85 · 3,6 = 3,06[m/s], vIIreference2 = 9,36
[m/s]2 f) FPOR
zoals onder punt 4.2 g) Berekening
van SIIreference met formule b) en het resultaat van c) tot
f) SIIreference
= ((0,12 · 9,36 · 9,81 · (0,48 + (1,5/3,06)))/(1,15 · 177 + 39,6 – 15,02)) · 9568 SIIreference = || 0,04684 || · 9568 = 448 m Constantreference h) Berekening van de totale
afstand Sreference
= SIreference + SIIreference = 77,5 + 448 =
525,5 m 4.4. Controle op de
naleving van de toelaatbare stopweg onder standaardomstandigheden Sstandard overeenkomstig formule 2.1
van aanhangsel 2 Sstandard = Smeasured · (Sreference/Sactual)
= 580 · (525,5/475) = 641 m > 550 m Conclusie: De grenswaarde is duidelijk overschreden;
toestemming voor afvaart is alleen mogelijk met een belastingsbeperking. Deze
beperkte belading kan vastgesteld worden conform nr. 5 hierna. 5. D* toelaatbaar voor de afvaart volgens formule 2.1
van aanhangsel 2 Sstandard = Smeasured · (Sreference*/Sactual)
= 550 m Om die reden geldt het
volgende: Sreference* = 550 · (Sactual/Smeasured)
= SIreference + SIIreference* SIIreference* =
Constantreference · D* = 0,04684 · D* D* =
((550 · (475/580) – 77,5)/0,04684) = 7950[m3] Gevolg: Omdat het toegelaten deplacement D* voor
de afvaart slechts 7950 m3 bedraagt, is het toegelaten laadvermogen
(perm. Dwt) in deze formatie ongeveer: (perm.Dwt./max.Dwt.)
= (D*/Dmax) = (7950/11960) = 0,66 Toegelaten laadvermogen
(zie punt 1) 0,66 • 10700 = 7112 t ADMINISTRATIEVE AANWIJZING
Nr. 3 Eisen ten aanzien
van koppelingssystemen en koppelingsinrichtingen voor vaartuigen die geschikt
zijn om in een hecht samenstel voort te bewegen of voortbewogen te worden (Artikelen 16.01, 16.02,
16.06, 16.07 van bijlage II) In aanvulling van de eisen
in hoofdstuk 16 van bijlage II moet worden voldaan aan de betreffende
bepalingen van de binnenvaartvoorschriften van de lidstaten voor schepen. 1.
Algemene voorschriften 1.1. Elk koppelingssysteem moet de hechte koppeling van
alle vaartuigen in een samenstel waarborgen, d.w.z. onder voorspelbare normale
bedrijfsomstandigheden moet het koppelingssysteem bewegingen tussen de schepen
in de langs- en dwarsrichting voorkomen, zodat het samenstel gezien kan worden
als een "nautische eenheid". 1.2. Het koppelingssysteem
en de onderdelen ervan moeten veilig en gemakkelijk bediend kunnen worden en de
vaartuigen moeten snel en zonder gevaar voor het personeel gekoppeld kunnen
worden. 1.3. De krachten die
optreden onder voorspelbare bedrijfsomstandigheden moeten naar behoren worden
opgenomen door of veilig worden overgebracht op de scheepsconstructie door het
koppelingssysteem en de onderdelen ervan. 1.4. Er moeten voldoende
aankoppelpunten aanwezig zijn. 2.
Koppelingskrachten en dimensionering van koppelingssystemen De koppelingssystemen van
samenstellen en formaties van schepen die toegelaten worden, moeten zodanig van
afmeting zijn dat een toereikend veiligheidsniveau gegarandeerd is. Aan deze
voorwaarde wordt geacht te zijn voldaan als de koppelingskrachten die
vastgesteld zijn overeenkomstig de punten 2.1, 2.2 en 2.3 worden
beschouwd als de treksterkte voor de afmetingen van de koppelingsonderdelen in
de langsrichting. 2.1. Aankoppelpunten
tussen duwboot en geduwde duwbak of andere vaartuigen: FSB = 270 · PB · (LS/Bs)
· 10–3[kN] 2.2. Aankoppelpunten
tussen duwend motorschip en geduwd vaartuig FSF = 80 · PB · (LS/hK)
· 10–3[kN] 2.3. Aankoppelpunten
tussen geduwde vaartuigen FSL = 80 • PB • (L′S/h′K)
• 10–3[kN]Een waarde van 1200 kN wordt als voldoende beschouwd voor de
maximale koppelingskracht voor een duwend vaartuig op het aankoppelpunt tussen
het eerste geduwde vaartuig en het ervoor gekoppelde vaartuig, ook als de
formule in punt 2.3 een hogere waarde geeft. Voor de aankoppelpunten
van alle andere verbindingen in de langsrichting tussen geduwde vaartuigen,
moeten de dimensionering van de koppelingssystemen gebaseerd zijn op de
koppelingskracht die berekend is met de formule in punt 2.3. Daarbij betekent: FSB, FSF, FSL [kN] || || Koppelingskracht van de verbinding in de langsrichting; PB [kW] || || Geïnstalleerde vermogen van de aandrijfmotor; LS [m] || || Afstand van de steven van de duwboot of het duwende vaartuig tot het aankoppelpunt; L'S [m] || || Afstand van de steven van het duwend vaartuig tot het aankoppelpunt tussen het eerste geduwde vaartuig en het vaartuig dat ervoor is gekoppeld; hK, h'K [m] || || Desbetreffende hefboomarm van de verbinding in langsrichting; BS [m] || || Breedte van het duwend vaartuig; 270 en 80 [kN/kW] || || Empirisch vastgestelde waarden voor de omzetting van geïnstalleerd vermogen in stuwkracht terwijl een toereikend veiligheidsniveau gewaarborgd wordt. 2.4.1. Voor de
koppeling in langsrichting van losse vaartuigen moeten ten minste twee
aankoppelpunten worden gebruikt. Elk aankoppelpunt moet bemeten zijn voor de
koppelingskracht die bepaald is volgens de punten 2.1, 2.2 of 2.3. Als harde
koppelingsonderdelen worden gebruikt, mag een enkel aankoppelpunt worden
toegestaan, als dat punt een veilige verbinding van de vaartuigen garandeert. De treksterkte van de kabels
moet gekozen worden afhankelijk van het aantal beoogde windingen. Er mogen niet
meer dan drie windingen bij het aankoppelpunt zitten. Kabels dienen gekozen te
worden afhankelijk van het beoogde gebruik. 2.4.2. In het
geval van duwboten met één geduwde duwbak, kan de formule in punt 2.2 worden
gebruikt om de koppelingskracht te bepalen als de duwboten toestemming hebben
gekregen om meer dan één van dergelijke duwbakken voort te bewegen. 2.4.3. Er moeten
voldoende bolders of gelijkwaardige inrichtingen aanwezig zijn en ze moeten
geschikt zijn om de koppelingskrachten die optreden op te nemen. 3.
Speciale eisen voor scharnierkoppelingen Scharnierkoppelingen
moeten zodanig zijn uitgevoerd dat ze een hechte koppeling tussen vaartuigen
waarborgen. Tijdens proefvaarten moet gecontroleerd worden of hechte
samenstellen voldoen aan de eisen overeenkomstig artikel 16.06 van hoofdstuk 5. De aandrijving van de
scharnierkoppeling moet het mogelijk maken om op bevredigende wijze terug te
keren uit de scharnierstand. De eisen van artikelen 6.02 tot 6.04 moeten
op overeenkomstige wijze toegepast worden. Bijgevolg moet bij gebruik van een
mechanische aandrijving een tweede onafhankelijke aandrijving en energiebron
aanwezig zijn voor het geval dat er storingen optreden. Het moet mogelijk zijn
om de scharnierkoppeling (of ten minste de scharnierbeweging ervan) te bedienen
en te controleren vanuit het stuurhuis. De voorschriften van
artikelen 7.03 en 7.05 moeten op overeenkomstige wijze toegepast
worden. ADMINISTRATIEVE AANWIJZING
Nr. 4 Toepassing van de overgangsbepalingen (hoofdstukken 15 tot en met 22b, hoofdstuk 24 en hoofdstuk 24a
van bijlage II) 1.
Toepasselijkheid van de overgangsbepalingen bij het
samenvoegen van vaartuigdelen 1.1.
Beginselen Bij het samenvoegen van delen
van verschillende vaartuigen wordt status-quobescherming uitsluitend toegekend
voor de delen die tot het schip behoren dat het EU-binnenvaartcertificaat
behoudt. Overgangsbepalingen kunnen daarom enkel voor deze delen worden
toegepast. Andere delen worden beschouwd als nieuwbouw. 1.2.
Toepasselijkheid van de
overgangsbepalingen in detail 1.2.1. Bij het
samenvoegen van delen van verschillende vaartuigen kunnen overgangsbepalingen
enkel worden toegepast voor de delen die tot het schip behoren dat het EU-binnenvaartcertificaat
behoudt. 1.2.2 Delen die
niet behoren tot het schip dat het binnenvaartcertificaat behoudt, worden
beschouwd als een nieuwbouw. 1.2.3 Na het
toevoegen van een deel van een ander schip aan een bepaald schip, krijgt dit
schip het Europese scheepsidentificatienummer van het vaartuig, dat het
EU-binnenvaartcertificaat als omgebouwd vaartuig behoudt. 1.2.4 Bij behoud
van een bestaand EU-binnenvaartcertificaat of bij de afgifte van een nieuw
EU-binnenvaartcertificaat voor een vaartuig dat is omgebouwd, wordt tevens het
bouwjaar van het oudste deel van het vaartuig op het EU-binnenvaartcertificaat
vermeld. 1.2.5 Indien een
nieuw voorschip aan een vaartuig wordt gezet, moet ook de motor van de in het
voorschip ingebouwde boegschroefinstallatie voldoen aan de geldende
voorschriften. 1.2.6 Indien een
nieuw achterschip aan een vaartuig wordt gezet, moeten tevens de in het
achterschip ingebouwde motoren aan de geldende voorschriften voldoen. 1.3 Voorbeelden
ter illustratie 1.3.1 Een schip
wordt uit twee oudere schepen (schip 1 bouwjaar 1968; schip 2 bouwjaar 1972)
samengesteld. Van schip 1 wordt alles behalve het voorschip overgenomen, van
schip 2 het voorschip. Het samengestelde schip krijgt het
EU-binnenvaartcertificaat van schip 1. Het voorschip van het samengestelde
schip moet nu met onder andere ankernissen worden uitgerust. 1.3.2 Een schip
wordt uit twee oudere schepen (schip 1 bouwjaar 1975; schip 2 bouwjaar 1958,
oudste deel 1952) samengesteld. Van schip 1 wordt alles behalve het voorschip
overgenomen, van schip 2 het voorschip. Het samengestelde schip krijgt het
EU-binnenvaartcertificaat van schip 1. Het voorschip van het samengestelde
schip moet nu met onder andere ankernissen worden uitgerust. Bijkomend wordt in
het EU-binnenvaartcertificaat het oudste deel van het oorspronkelijke schip 2,
dat met het bouwjaar 1952, vermeld. 1.3.3 Bij een
schip met bouwjaar 1988 wordt het achterschip van een schip met bouwjaar 2001
aangebouwd. De motor van het schip met bouwjaar 1988 moet in het schip blijven.
In dit geval moet de motor eerst een typegoedkeuring krijgen. De motor zou ook
een typegoedkeuring moeten krijgen wanneer het de motor uit het achterschip met
bouwjaar 2001 zou betreffen. 2. Toepassing
van de overgangsbepalingen bij de wijziging van het vaartuigtype (bestemming
van het vaartuig) 2.1 Beginselen 2.1.1 Bij
beslissingen over de toepasselijkheid van de overgangsbepalingen bij de
wijziging van het vaartuigtype (scheepstype; bestemming van het schip) zijn,
met betrekking op bijlage II bij deze richtlijn, veiligheidsaspecten
maatgevend. 2.1.2 Een
vaartuigtype wordt als gewijzigd beschouwd wanneer voor het nieuwe vaartuigtype
andere veiligheidsvoorschriften gelden dan voor het oude type; dit is het geval
wanneer op het nieuwe type bijzondere bepalingen van hoofdstuk 15 tot en met 22b
van bijlage II van toepassing zijn, die op het oude type niet van toepassing
waren. 2.1.3 Bij een
wijziging van het vaartuigtype moet aan alle bijzondere bepalingen en aan alle
voor dit vaartuigtype specifieke voorschriften zijn voldaan; voor deze
voorschriften kunnen geen overgangsbepalingen worden toegepast. Dit geldt ook
voor delen die van het bestaande schip worden overgenomen en waarop deze
bijzondere bepalingen van toepassing zijn. 2.1.4 De ombouw
van een tankschip tot een drogeladingschip houdt geen wijziging van het
vaartuigtype in de zin van punt 2.1.2 in. 2.1.5 Bij de
ombouw van een hotelschip tot een schip voor dagtochten moeten alle nieuwe
delen volledig aan de geldende voorschriften voldoen. 2.2 Toepasselijkheid
van de overgangsbepalingen in detail 2.2.1 Artikel 24.02,
lid 2, (nvO), resp. artikel 24a.02, lid 2, is van toepassing op de delen van
het vaartuig die zijn vernieuwd; de overgangsbepalingen kunnen dus niet van
toepassing zijn op nieuwe delen van het vaartuig. 2.2.2 Voor de
delen van het vaartuig die niet worden omgebouwd, blijven de
overgangsbepalingen van toepassing met uitzondering van de delen bedoeld in 2.1.3,
tweede zin. 2.2.3 Indien de
afmetingen van een vaartuig zijn gewijzigd, zijn de overgangsbepalingen niet
meer van toepassing op de delen van het vaartuig die met deze wijziging
samenhangen (bv. afstand van het aanvaringsschot, vrijboord, anker). 2.2.4 Bij
wijziging van het vaartuigtype zijn de bijzondere voorschriften van bijlage II,
die slechts voor het nieuwe vaartuigtype gelden, van toepassing. Alle door de
ombouw van het vaartuig betroffen delen en uitrusting moeten aan de geldende
voorschriften in deel II en III van bijlage II voldoen. 2.2.5 Aan het
vaartuig wordt dan een nieuw of een gewijzigd EU-binnenvaartcertificaat
toegekend en in de velden 7 en 8 van dit certificaat wordt een aantekening over
de oorspronkelijke bouw en de ombouw gemaakt. 2.3 Voorbeelden
ter illustratie 2.3.1 Een
goederenschip (bouwjaar 1996) wordt tot een passagiersschip omgebouwd.
Hoofdstuk 15 van bijlage II geldt dan voor het gehele schip, zonder toepassing
van overgangsbepalingen. Indien het voorschip noch volgens de ombouwplannen
noch krachtens hoofdstuk 15 werd gewijzigd, hoeft het vaartuig geen ankernissen
overeenkomstig artikel 3.03 te hebben. 2.3.2 Een
sleepboot (bouwjaar 1970) wordt tot een duwboot omgebouwd. De materiële ombouw
bestaat uitsluitend uit een wijziging van de dekuitrusting en het installeren
van een duwinrichting. Alle overgangsbepalingen voor een schip van 1970 blijven
van toepassing met uitzondering van hoofdstukken 5 en 7 (gedeeltelijk) en van
de artikelen 10.01 en 16.01. 2.3.3 Een
motortankschip (bouwjaar 1970) wordt tot een duwboot omgebouwd. De materiële
ombouw houdt in dat het voorschip en het ladingdeel worden verwijderd, dat de
dekuitrusting wordt gewijzigd en een duwinrichting wordt geïnstalleerd. Alle
overgangsbepalingen voor een schip van 1970 blijven van toepassing met
uitzondering van de bepalingen van hoofdstukken 5 en 7 (gedeeltelijk) en van
artikelen 10.01 en 16.01. 2.3.4 Een
motortankschip wordt tot een motorvrachtschip omgebouwd. Het motorvrachtschip
dient te voldoen aan de geldende eisen met betrekking tot de veiligheid op
werkplekken, met name die genoemd in bijlage II, hoofdstuk 11, artikel 11.04. 3. Toepassing
van de overgangsbepalingen bij de ombouw van passagiersschepen 3.1 Toepasselijkheid
van de overgangsbepalingen 3.1.1 Ombouwmaatregelen
die noodzakelijk zijn om te voldoen aan de voorschriften van hoofdstuk 15
betekenen — ongeacht de datum waarop ze zijn uitgevoerd — geen ombouw
"O" in de zin van artikel 24.02, lid 2, artikel 24.03, lid 1 of
artikel 24.06, lid 5, van bijlage II, resp. artikel 24a.02, artikel 24a.03. 3.1.2 Bij de
ombouw van een hotelschip tot een schip voor dagtochten moeten alle nieuwe
delen volledig aan de geldende voorschriften voldoen. 3.2 Voorbeelden
ter illustratie 3.2.1 Een
passagiersschip (bouwjaar 1995) moet uiterlijk op 1 januari 2015 met een tweede
onafhankelijke aandrijving zijn uitgerust. Voor zover aan dit passagiersschip
geen andere vrijwillige ombouwen worden uitgevoerd, hoeft geen
stabiliteitberekening volgens de nieuwe voorschriften te worden gemaakt, maar,
indien dit daadwerkelijk nodig is, kan een stabiliteitsberekening worden
gemaakt volgens de originele stabiliteitsvoorschriften van een lidstaat. 3.2.2 Een
passagiersschip (bouwjaar 1994, laatste verlenging van het certificaat van
onderzoek 2012), wordt in 2016 met 10 m verlengd. Dit vaartuig moet daarenboven
een tweede onafhankelijke aandrijving krijgen. Er zal ook een nieuwe
stabiliteitsberekening nodig zijn, die volgens hoofdstuk 15 voor de 1- en 2-compartimentstatus
moet worden gemaakt. 3.2.3 Een
passagiersschip (bouwjaar 1988) wordt met een sterkere aandrijving inclusief
schroeven uitgerust. Deze ombouw is zo ingrijpend dat een
stabiliteitsberekening is vereist. Deze stabiliteitsberekening moet volgens de
geldende voorschriften worden gemaakt. ADMINISTRATIEVE AANWIJZING
Nr. 5 Geluidsmetingen (Artikel 3.04, lid 7, artikel 7.01, lid 2, artikel 7.03,
lid 6, artikel 7.09, lid 3, artikel 8.10, artikel 11.09, lid 3, artikel 12.02,
lid 5, artikel 17.02, lid 3, onder b), en artikel 17.03, lid 1, van bijlage II) 1. Algemene bepaling Om het geluidsdrukniveau
volgens bijlage II te controleren, moeten de gemeten waarden,
meetprocedures en voorwaarden voor de kwantitatieve, reproduceerbare
registratie van het geluidsdrukniveau overeenkomstig punten 2 en 3 worden
vastgesteld. 2. Meetinstrumenten Het meetinstrument moet
voldoen aan de eisen van klasse 1 volgens EN 60651:1994. Voor en na elke serie
metingen moet er een geluidskalibrator van klasse 1 volgens EN 60942:1998 op de
microfoon geplaatst worden om het meetsysteem te ijken. Jaarlijks moet worden
gecontroleerd of de geluidskalibrator voldoet aan de eisen van EN 60942:1998.
Om de twee jaar moet gecontroleerd worden of de meetapparatuur voldoet aan de
eisen van EN 60651:1994. 3. Geluidsmetingen 3.1. Aan boord van
vaartuigen De metingen moeten worden
uitgevoerd volgens norm ISO2923:2003, punten 5 tot 8, met de beperking dat
alleen de A-gewogen geluidsdrukniveaus moeten worden gemeten. 3.2. Door de
vaartuigen voortgebracht luchtgeluid Geluidshinder van
vaartuigen op binnenwateren en in havens moet worden vastgesteld door metingen
conform EN ISO 22922:2000, punten 7 tot 11. Deuren en vensters van
machinekamers moeten gesloten zijn tijdens de metingen. 4. Documentatie Metingen moeten worden
uitgevoerd volgens het „geluidsmetingrapport” (bijlage). Geluidsmetingrapport –
aan boord van vaartuigen
overeenkomstig ISO 2923:2003 –
door de vaartuigen
voortgebracht luchtgeluid overeenkomstig EN ISO 2922:2000[56] A. Gegevens van de vaartuigen 1. Type vaartuig en naam: Uniek Europees
identificatienummer van het schip: 2. Eigenaar: 3. Belangrijkste
voortstuwingssysteem: 3.1. Hoofdmotoren: Nummer || Fabrikant || Type || Bouwjaar || Vermogen (kW) || Motortoerental (min–1) || Tweetakt/viertakt || Met drukvulling ja/neen 1 || || || || || || || 2 || || || || || || || 3.2. Toezending Fabrikant: … Type: …
Reductiekast: 1: … 3.3. Schroeven Nummer: … Aantal
schroefbladen: … Diameter: … mm Straalbuis: ja/neen[57] 3.4. Stuurinrichtingen Soort: 4. Hulpaggregaten: Nummer || Voor de aandrijving van || Fabrikant || Type || Bouwjaar || Vermogen (kW) || Toerental van de motor (min–1) 1 || || || || || || 2 || || || || || || 3 || || || || || || 4 || || || || || || 5 || || || || || || 5. Uitgevoerde maatregelen
ter beperking van de geluidsoverlast: 6. Opmerkingen: B. Toegepaste meetinstrumenten 1. Geluidsdrukmeter: Fabrikant: … Type: …
Laatste controle: … 2. Analysator van de
octaaf-/tertsband Fabrikant: … Type: …
Laatste controle: … 3. Geluidskalibrator Fabrikant: … Type: …
Laatste controle: … 4. Accessoires: 5. Opmerkingen: C. Meetomstandigheden — vaartuig 1. Samenstelling tijdens
de metingen: 2. Belading/deplacement: …
t/m3[58]
(ca. … % van de maximale waarde) 3. Toerental van de
hoofdmotor: … min–1 (ca. … % van de maximale waarde) 4. Aantal meedraaiende
hulpaggregaten: 5. Opmerkingen: D. Meetomstandigheden — omgeving 1. Meettraject: … in
opvaart/in afvaart[59] 2. Waterdiepte: … m
(waterstand … = … m) 3. Weer: … Temperatuur: …
°C; Windsterkte: … BF 4. Geluid van buitenaf:
ja/neen[60],
zo ja, gelieve toe te lichten: … 5. Opmerkingen: E. Uitvoering van de metingen 1. Meting uitgevoerd door: 2. Datum: 3. Opmerkingen: 4. Handtekening: F0,1. Meetresultaten Geluidsmetingen aan boord
van vaartuigen: Nummer || Meetpunt || Deuren || Ramen || Gemeten waarde in dB(A) || Opmerkingen open || dicht || open || dicht || || || || || || || || || || || || || || || || || || || || || F.2. Meetresultaten Meting van het door
vaartuigen voortgebrachte luchtgeluid: Nummer || Meetpunt || Gemeten waarden in dB(A) || Opmerkingen || || || || || || || || || ADMINISTRATIEVE AANWIJZING
Nr. 6 Toepasselijkheid van de voorschriften van hoofdstuk 15
Plaatselijke indelingen Overgangsbepalingen voor overdekkingen uit dekzeilen
of dergelijke mobiele inrichtingen (Artikelen 15.02, lid 5, 15.03,
lid 4, 15.03, lid 9, van bijlage II)
1.
Plaatselijke indelingen (artikel 15.02, lid 5)
De toepassing van artikel 15.02,
lid 5, kan ertoe leiden dat plaatselijke waterdichte indelingen, zoals
dwarsverdeelde dubbelebodemtanks, waarvan de lengte groter is dan de in
aanmerking te nemen leklengte, niet in de beoordeling worden opgenomen. In dit
geval is het mogelijk dat de dwarsverdeling niet in aanmerking kan worden
genomen, indien deze niet tot boven het schottendek is opgetrokken. Dat zou tot
inadequate schotindelingen kunnen leiden. English || Dutch bulkhead deck || schottendek required by § 15.02(5) || vereist krachtens § 15.02, lid 5 damage length || leklengte Uitleg van het
voorschrift: Indien een waterdichte
afdeling langer is dan krachtens artikel 15.03, lid 9, vereist is, en
plaatselijke indelingen bevat die waterdichte onderafdelingen vormen,
waartussen de minimumleklengte aanwezig is, kunnen deze in de
lekstabiliteitsberekening worden opgenomen.
2.
Overgangsbepaling voor overdekkingen uit dekzeilen of
dergelijke mobiele inrichtingen met betrekking tot de stabiliteit (artikel 15.03,
lid 5)
Overdekkingen uit
dekzeilen of dergelijke mobiele inrichtingen kunnen tot problemen leiden voor
de stabiliteit van het schip, aangezien deze — afhankelijk van hun afmetingen —
het kenterende moment ten gevolge van wind kunnen beïnvloeden. Uitleg van het
voorschrift: Voor passagiersschepen
waaraan voor 1 januari 2006 voor het eerst een certificaat van onderzoek is
afgegeven, of waarvoor artikel 24.06, lid 2, tweede zin, van toepassing is,
moet na opbouw van een overdekking uit dekzeilen of dergelijke mobiele
inrichtingen een nieuwe stabiliteitsberekening volgens deze richtlijn worden
gemaakt, voor zover het zijdelingse oppervlak Awz meer dan 5% van het gehele in
aanmerking te nemen zijdelingse oppervlak Aw bedraagt. ADMINISTRATIEVE AANWIJZING
Nr. 7 Speciale ankers
met verminderde massa (artikel 10.01,
lid 5, van bijlage II) Deel 1:
Toegelaten speciale ankers Speciale
ankers met een verminderde massa die worden toegestaan door bevoegde instanties
overeenkomstig artikel 10.01, lid 5, worden in de volgende tabel weergegeven. Anker nr. || Toegestane vermindering van de ankermassa (%) || Bevoegde instantie 1. HA-DU || 30% || Duitsland 2. D'Hone Spezial || 30% || Duitsland 3. Pool 1 (hol) || 35% || Duitsland 4. Pool 2 (massief) || 40% || Duitsland 5. De Biesbosch-Danforth || 50% || Duitsland 6. Vicinay-Danforth || 50% || Frankrijk 7. Vicinay AC 14 || 25% || Frankrijk 8. Vicinay type 1 || 45% || Frankrijk 9. Vicinay type 2 || 45% || Frankrijk 10. Vicinay type 3 || 40% || Frankrijk 11. Stockes || 35% || Frankrijk 12. D'Hone-Danforth || 50% || Duitsland 13. Schmitt HHP-anker || 40% || Nederland 14. SHI HHP-anker, type ST (standaard) || 30 % || Nederland 15. SHI HHP-anker, type FB (volledig gebalanceerd) || 30 % || Nederland 16. Klinsmann-anker || 30 % || Nederland 17. HA-DU-POWER anker || 50% || Duitsland Deel 2 Toelatings- en
keuringsprocedure van speciale ankers met verminderde massa (Vermindering
van de ankermassawaarden bepaald overeenkomstig artikel 10.01, leden 1 tot 4,
van bijlage II) 1. Hoofdstuk 1 — Toelatingsprocedure 1.1. Speciale
ankers met verminderde massa overeenkomstig artikel 10.01, lid 5, van bijlage
II moeten worden toegelaten door de bevoegde instanties. De bevoegde instantie
bepaalt de toegestane vermindering van de ankermassa voor speciale ankers
overeenkomstig onderstaande procedure. 1.2. Toelating
als speciaal anker is alleen mogelijk als de vermindering van de ankermassa ten
minste 15 % bedraagt. 1.3. Toelatingsaanvragen
voor een speciaal anker overeenkomstig punt 1.1 moeten worden voorgelegd aan de
bevoegde instantie van een lidstaat. Enkele aanvraag dient te bestaan uit de
volgende documenten in tienvoud: a) Een schets van
de afmetingen en de massa van het speciale anker met de belangrijkste
afmetingen en typeaanduiding voor elke beschikbare ankermaat; b) Een
remkrachtschema voor het referentieanker A (overeenkomstig punt 2.2) en het
speciale anker B dat goedgekeurd dient te worden. Dit remkrachtschema moet
opgesteld en beoordeeld zijn door een instituut dat is aangewezen door de bevoegde
instantie. 1.4. De bevoegde
instantie brengt de andere bevoegde instanties op de hoogte van alle aanvragen
ter vermindering van de ankermassa die de instantie na onderzoek overweegt toe
te laten. 2. Hoofdstuk 2 — Keuringsprocedure 2.1. Het
remkrachtschema overeenkomstig punt 1.3 moet de remkrachten in relatie tot de
snelheid weergeven voor het referentieanker A en het speciale anker B dat
toegelaten dient te worden op basis van de proeven overeenkomstig punten 2.2
tot 2.5 hieronder. Bijlage I toont een mogelijke remkrachtproef. 2.2. Het in de
proeven gebruikte referentieanker A dient een conventioneel opklapbaar stokloos
anker te zijn volgens onderstaande figuur en specificaties, met een massa van
ten minste 400 kg. Een tolerantie van ±5 %
is toegestaan voor de opgegeven afmetingen en massa. De oppervlakte van elke
vloei moet ten minste 0,15 m2 bedragen. 2.3. De massa
van het in de proeven gebruikte speciale anker B mag niet meer dan 10 %
afwijken van de massa van het referentieanker A. Als de toleranties groter
zijn, moeten de krachten herberekend worden in verhouding tot de massa. 2.4. Remkrachtschema's
moeten de snelheid (v) lineair weergeven binnen een bereik van 0 tot 5 km/u
(snelheid over de grond). Hiertoe worden stroomopwaarts drie proeven uitgevoerd
voor het referentieanker A en het speciale anker B, beurtelings op één van twee
door de bevoegde instantie aangewezen riviervakken, een met grof grind en een
met fijn zand. Op de rivier de Rijn kan het riviervak tussen 401 en 402 km
dienen als referentievak voor de proeven met grof grind en het vak tussen 480
en 481 km voor de proeven met fijn zand. 2.5. Voor elke
proef moet het geteste anker met een staaldraadkabel gesleept worden waarvan de
lengte tussen de verbindingspunten op het anker en het slepende vaartuig of de
sleepinrichting 10 maal zo groot is als de hoogte van het verbindingspunt op
het vaartuig tot de ankergrond. 2.6. Het
percentage waarmee de ankermassa wordt verminderd, wordt berekend volgens de
volgende formule: r = 75 • (1 – 0,5(PB/PA)((FA/FB)
+ (AA/AB)))[%]Met r || || het percentage waarmee de ankermassa van het speciale anker B wordt verminderd in verhouding tot referentieanker A; PA || || de massa van referentieanker A; PB || || de massa van het speciale anker B; FA || || houdkracht van referentieanker A met v = 0,5 km/u; FB || || houdkracht van het speciale anker B met v = 0,5 km/u; AA || || de oppervlakte van het remkrachtschema bepaald door: – de lijn parallel aan de y-as met v = 0 – de lijn parallel aan de y-as met v = 5 km/u – de lijn parallel aan de x-as met houdkracht F = 0 – de remkrachtcurve voor referentieanker A; Model remkrachtschema (Bepaling van de oppervlakken AA en AB) AB dezelfde definitie als voor AA behalve dat de remkrachtcurve wordt gebruikt voor het speciale anker B. AB || || dezelfde definitie als voor AA behalve dat de remkrachtcurve wordt gebruikt voor het speciale anker B. 2.7. Het aanvaardbare
percentage is het gemiddelde van de zes waarden van r die berekend zijn
overeenkomstig punt 2.6. Bijlage I van de
regelingen voor de keuring en toelating van speciale ankers Voorbeeld
van een ankeronderzoeksmethode met een eenrijig tweedelig geduwd samenstel Duwboot || 2de duwbak || || || 1ste duwbak || Anker || Kraan || Tros || Sleep-kabel || Trekkrachtmeter || Ankerplaats 500 kg || 750 kg || 12 mm Æ || 24 mm Æ || 20 t || zand/grind Sleepsnelheid: 0 ® 5 km/u Hellingshoek sleepkabel £ 1:10 ADMINISTRATIEVE AANWIJZING
Nr. 8 Sterkte van
waterdichte vensters (Artikel 15.02,
lid 16, van bijlage II) 1.
Algemene bepaling Volgens artikel 15.02,
lid 16, van bijlage II mogen waterdichte vensters onder de
indompelingsgrenslijn liggen, indien zij waterdicht zijn, niet geopend kunnen
worden, een voldoende sterkte bezitten en voldoen aan artikel 15.06,
lid 14. 2.
Constructie van waterdichte vensters Aan de eisen van
artikel 15.02, lid 16, van bijlage II wordt geacht te zijn
voldaan als de constructie van waterdichte vensters voldoet aan de volgende
bepalingen. 2.1. Er mag
alleen voorgespannen glas conform ISO norm 614, uitgave 04/94, worden gebruikt. 2.2. Ronde
vensters dienen te voldoen aan ISO norm 1751, uitgave 04/94, serie B: halfzware
vensters Type: vaste vensters die niet kunnen worden geopend 2.3. Hoekige
vensters moeten voldoen aan ISO norm 3903, uitgave 04/94, serie E: zware
vensters Type: vaste vensters die niet kunnen worden geopend 2.4. In plaats
van vensters van het ISO-type mogen ook vensters worden gebruikt waarvan de
constructie ten minste gelijkwaardig is aan de eisen van de punten 2.1 tot
2.3. ADMINISTRATIEVE AANWIJZING
Nr. 9 Eisen ten aanzien
van automatisch werkende sprinklerinstallaties (Artikel 10.03a,
lid 1, van bijlage II) Automatisch werkende
sprinklerinstallaties als in artikel 10.03a, lid 1, moeten voldoen aan de
volgende eisen: 1. De automatisch
werkende sprinklerinstallatie moet te allen tijde gereed zijn voor gebruik
wanneer er mensen aan boord zijn. Er mag geen aanvullende actie van de
bemanningsleden vereist zijn om de installatie in werking te stellen. 2. De installatie
wordt continu onder de vereiste druk gehouden. De leidingen zijn te allen tijde
tot aan de sproeiers gevuld met water. De installatie moet een continu werkende
watervoorziening hebben. Verontreinigingen die de werking kunnen schaden, mogen
de installatie niet kunnen binnendringen. Geschikte signaleringsinstrumenten en
controlesystemen (d.w.z. drukmeters, waterpeilglazen drukhouder, testleidingen
pomp) moeten worden aangebracht om de installatie te controleren en te testen. 3. De pomp voor de
watertoevoer naar de sproeiers moet automatisch in werking gesteld worden door
een drukval in de installatie. De pomp moet zo zijn uitgevoerd dat hij continu
voldoende water onder de noodzakelijke druk kan toevoeren wanneer alle
sproeiers, die nodig zijn om de oppervlakken van de grootste te beschermen
ruimte te dekken, tegelijkertijd geactiveerd worden. De pomp voorziet
uitsluitend de automatisch werkende sprinklerinstallatie van water. Indien de
pomp defect is, moet een andere pomp aan boord de sproeiers van voldoende water
kunnen voorzien. 4. De installatie
wordt verdeeld in groepen. Elke groep mag maximaal 50 sproeiers hebben. 5. Het aantal en
het ontwerp van de sproeiers waarborgt een efficiënte verdeling van het water
over de te beschermen ruimten. 6. De sproeiers
worden ingeschakeld bij een temperatuur tussen 68 °C en 79 °C. 7. De installatie
van onderdelen van automatisch werkende sprinklerinstallaties in te beschermen
ruimten wordt beperkt tot het noodzakelijke minimum. Er mogen geen onderdelen
van de sprinklerinstallatie worden geïnstalleerd in de hoofdmachinekamers. 8. Op een of meer
geschikte plaatsen moeten optische en akoestische aanwijzers worden aangebracht
die weergeven of de automatisch werkende sprinklerinstallatie voor elke groep
is ingeschakeld. Ten minste één aanwijzer dient permanent bemand te zijn. 9. De
energievoorziening van de automatisch werkende sprinklerinstallaties moet
worden gewaarborgd door twee onafhankelijke energiebronnen die niet op dezelfde
plaats zijn geïnstalleerd. Elke energiebron moet de volledige installatie
zelfstandig van energie kunnen voorzien. 10. Een
installatieschema van de automatisch werkende sprinklerinstallatie moet ter
goedkeuring aan de commissie van deskundigen worden overlegd vóór installatie
van het systeem. In het schema moeten alle types en prestatiewaarden van de
gebruikte machines en uitrusting vermeld worden. Een door een erkend
classificatiebureau geteste en goedgekeurde installatie die ten minste aan
bovenstaande voorschriften voldoet, kan zonder extra onderzoek worden
toegelaten. 11. De aanwezigheid
van een automatisch werkende sprinklerinstallatie moet in het
EU-binnenvaartcertificaat vermeld worden onder punt 43. ADMINISTRATIEVE AANWIJZING
Nr. 10 (Zonder inhoud)) ADMINISTRATIEVE AANWIJZING
Nr. 11 Invullen van het
EU-binnenvaartcertificaat 1.
ALGEMENE BEPALINGEN 1.1. Formulieren Voor het invullen van het
EU-binnenvaartcertificaat mogen alleen door de bevoegde instantie toegestane
formulieren worden gebruikt. De formulieren mogen slechts aan één kant worden
ingevuld. Wanneer er een nieuw
EU-binnenvaartcertificaat wordt afgegeven, dienen alle bladzijden van 1 tot 13
aanwezig te zijn, ook al is op sommige bladzijden niets ingevuld. 1.2. Wijze van invullen Vermeldingen op het
EU-binnenvaartcertificaat moeten getypt of geprint worden. Handgeschreven
vermeldingen zijn alleen in uitzonderlijke situaties toegestaan. De
vermeldingen moeten onuitwisbaar zijn. De kleur van de letters mag alleen zwart
of blauw zijn. Doorhalingen moeten in rood gemaakt worden. 2.
VERMELDINGEN 2.1. Doorhalingen van alternatieven Waar vermeldingen met (*) zijn aangeduid, moeten de vermeldingen die niet van
toepassing zijn, worden doorgestreept. 2.2. Punten zonder vermeldingen Als er bij bepaalde punten
van 1 tot 48 niets ingevuld hoeft te worden of kan worden, moet er een streep
door het volledige veld getrokken worden. 2.3. Laatste bladzijde van het
EU-binnenvaartcertificaat Als er na bladzijde 13
(zie punt 3.2.3) geen extra bladzijden nodig zijn, moeten de woorden
"vervolg op blz."[61]
onderaan bladzijde 13 doorgestreept worden. 2.4. Wijzigingen 2.4.1. Eerste
handgeschreven wijziging op een bladzijde Een bladzijde kan slechts
één keer gewijzigd worden, maar er mogen op dat moment meerdere wijzigingen
tegelijkertijd worden uitgevoerd. Door de gegevens die gewijzigd moeten worden,
wordt een rode streep getrokken. Een eerder doorgehaald alternatief (zie punt 2.1)
of een punt waar eerst niets was ingevuld (zie punt 2.3) wordt onderstreept in
het rood. De nieuwe gegevens mogen niet in het gewijzigde veld vermeld worden,
maar moeten op dezelfde bladzijde in de rubriek „Wijzigingen” opgenomen worden.
De regel „Deze bladzijde is vervangen” moet doorgestreept worden. 2.4.2. Nog meer
handgeschreven wijzigingen op een bladzijde Als er nog meer
wijzigingen aangebracht moeten worden, dient de bladzijde vervangen te worden
en moeten de noodzakelijke wijzigingen evenals eerdere wijzigingen direct onder
het betreffende punt ingevuld worden. In de rubriek „Wijzigingen” moet de regel
„wijzigingen van punt(en)” worden geschrapt. De oude bladzijde dient
bewaard te worden door de commissie van deskundigen die het
EU-binnenvaartcertificaat oorspronkelijk heeft afgegeven. 2.4.3. Wijzigingen
met behulp van elektronische gegevensverwerking Als de wijzigingen met
behulp van elektronische gegevensverwerking worden uitgevoerd, moet de
bladzijde vervangen worden en moeten de noodzakelijke wijzigingen evenals
eerdere wijzigingen direct onder het betreffende punt vermeld worden. In de
rubriek „Wijzigingen” moet de regel „wijzigingen van punt(en)” worden
geschrapt. De oude bladzijde dient
bewaard te worden door de commissie van deskundigen die het
EU-binnenvaartcertificaat oorspronkelijk heeft afgegeven. 2.5. Correcties door overplakken Het is niet toegestaan om
vermeldingen te overplakken of om meer gegevens toe te voegen onder een punt. 3.
BLADZIJDEN VERVANGEN EN TOEVOEGEN 3.1. Bladzijden vervangen Bladzijde 1 van het
EU-binnenvaartcertificaat mag nooit vervangen worden. Voor het vervangen van
andere bladzijden dienen de procedures in punt 2.4.2 of punt 2.4.3 in acht
genomen te worden. 3.2. Bladzijden toevoegen Als er onvoldoende ruimte
is voor meer informatie op bladzijde 10, 12 of 13 van het
EU-binnenvaartcertificaat mogen er extra bladzijden worden toegevoegd. 3.2.1.
Verlenging/bevestiging van de geldigheid Als het certificaat
opnieuw verlengd moet worden nadat het al zes keer verlengd is, moeten de
woorden "Vervolg op bladzijde 10a" onderaan op bladzijde 10 worden
toegevoegd en moet er een nieuwe bladzijde 10 worden gekenmerkt als bladzijde 10a
en worden toegevoegd na bladzijde 10. De betreffende gegevens worden dan
vermeld onder punt 49 bovenaan op bladzijde 10a. Onderaan bladzijde 10a wordt
vermeld „Vervolg op bladzijde 11”. 3.2.2. Verlenging van
het certificaat voor een vloeibaargasinstallatie Een soortgelijke procedure
als in punt 3.2.1 moet worden toegepast waarbij bladzijde 12a wordt toegevoegd
na bladzijde 12. 3.2.3. Bijlage bij
het EU-binnenvaartcertificaat Onderaan bladzijde 13
moeten de woorden "Einde van het EU-binnenvaartcertificaat" in het
rood worden doorgestreept, de geschrapte woorden "Vervolg op bladzijde[62]"moeten in het
rood worden onderstreept en hierna moet paginanummer 13a worden ingevuld. Deze
wijziging dient een officiële stempel te dragen. Een nieuwe bladzijde 13 wordt
gekenmerkt als bladzijde 13a en toegevoegd na bladzijde 13. De bepalingen van
de punten 2.2 en 2.3 zijn op overeenkomstige wijze van toepassing op bladzijde 13a. Dezelfde procedure wordt
toegepast voor alle andere bijlagen (bladzijde 13b, 13c enz.). 4.
VERDUIDELIJKING VAN BEPAALDE PUNTEN Punten die geen uitleg
behoeven, worden hieronder niet vermeld. 2. Vul
benamingen in volgens artikel 1.01 indien van toepassing. Andere
scheepstypes moeten vermeld worden onder hun algemeen aanvaarde benaming. 10. Met betrekking tot
vaartuigen die op de Rijn mogen varen, d.w.z. a) degene die
volledig voldoen aan bijlage II, met inbegrip van de overgangsbepalingen voor
hoofdstuk 24, en b) degene die geen
gebruikmaken van de overgangsbepalingen van hoofdstuk 24a noch van de
beperkingen in bijlage IV, moet het volgende worden
toegevoegd aan het streepje "- op waterwegen van de Unie in zone(s)": a) Rijn, of b) zone R. 15. Dit onderdeel mag alleen worden ingevuld voor
vaartuigen waarvan ten minste een van de eigenschappen 1.1 of 1.2 of 3 in punt 14
niet is geschrapt, anders dient de volledige tabel geschrapt te worden. 15.1. In de
kolom "nr. samenstellen" van de tabel moeten de nummers van de
afgebeelde formaties ingevuld worden. Lege regels dienen te worden doorgehaald. Er kunnen meer
formaties worden getekend onder „Andere samenstellen”, die worden aangeduid als
18, 19, 20 enz. Als uit de
eigenschap "in staat te duwen" op het vorige binnenvaartcertificaat
niet duidelijk blijkt welke formaties toegestaan zijn, kunnen de gegevens van
het vorige certificaat overgenomen worden onder punt 52. "Zie punt 52"
dient vermeld te worden in regel 1 van de tabel "Toegestane formaties". 15.2.
Koppelinrichtingen Alleen de
gegevens over de koppeling tussen het duwende vaartuig en het geduwde gedeelte
van het samenstel dienen vermeld te worden. 17-20. punten 17-19
met twee decimalen en punt 20 zonder decimalen. Met lengte over alles en
breedte over alles worden de maximumafmetingen van het vaartuig inclusief alle
uitstekende vaste delen bedoeld. Met lengte L en breedte B worden de
maximumafmetingen van de scheepsromp (zie ook artikel 1.01 Definities) bedoeld. 21. Het
laadvermogen voor vrachtschepen in t volgens de meetbrief voor de grootste
inzinking volgens punt 19. Deplacement
voor alle andere vaartuigen in m3. Als er geen meetbrief beschikbaar
is, moet het deplacement van het product van de blokcoëfficiënt en de lengte LWL,
breedte BWL en de gemiddelde diepgang bij de grootste inzinking
berekend worden. 23. Aantal
beschikbare slaapplaatsen voor passagiers (inclusief vouwbedden en dergelijke). 24. Alleen
waterdichte schotten die reiken van boordwand tot boordwand worden in aanmerking
genomen. 26. Indien van
toepassing worden de volgende benamingen gebruikt: –
handbediende luiken; –
handbediende rolluiken; –
handbediende schuifluiken; –
mechanisch bediende
schuifluiken; –
mechanisch bediende luiken. Andere
luiktypes moeten vermeld worden onder hun algemeen aanvaarde benaming. Alle ruimen die
geen luik hebben, moeten vermeld worden, bv. onder punt 52. 28. Getal
zonder decimalen. 30, 31 en 33
Elke liertrommel moet geteld worden als één lier, ongeacht het aantal ankers of
sleepkabels dat ermee verbonden is. 34. Onder
"Andere installaties" moeten systemen vermeld worden zonder
roerbladen (bv. roerpropeller-, cycloïdaalschroef-
en waterstraalinstallaties). Vul ook alle
elektrische hulpmotoren voor handmatige besturing in. Bij boegschroefinstallaties
verwijst „afstandsbediening” alleen naar de bediening op afstand vanaf de
stuurstelling in het stuurhuis. 35. Alleen de
theoretische waarden overeenkomstig artikel 8.08, leden 2 en 3, artikel 15.01,
lid 1, onder c), en artikel 15.08, lid 5, moeten worden ingevuld en alleen voor
vaartuigen waarvan de kiel is gelegd na 31.12.1984. 36. Ter
verduidelijking kan een schets nodig zijn. 37. Alleen de
theoretische waarden zonder vermindering overeenkomstig artikel 10.01,
leden 1 tot 4, moeten worden ingevuld. 38. Alleen de
minimumlengte overeenkomstig artikel 10.01, lid 10, en de waarden van
de minimumbreeksterkte overeenkomstig artikel 10.01, lid 11, moeten
worden ingevuld. 39, 40 Alleen
de herberekende waarden van de minimumlengte en minimumtreksterkte
overeenkomstig artikel 10.02, lid 2, moeten worden ingevuld. 42. De
commissie van deskundigen mag punten toevoegen aan de lijst van de benodigde
inrichting. Deze punten moeten essentieel zijn voor de scheepsveiligheid van
het betreffende scheepstype of voor het gebied waar het actief is. Toevoegingen
moeten vermeld worden onder punt 52. Linkerkolom,
rijen 3 en 4: voor passagiersschepen moet de eerste vermelding worden
doorgestreept en moet onder de tweede vermelding de lengte van de loopplank
zoals vastgesteld door de keuringsinstantie worden ingevuld. Voor alle andere
schepen moet de tweede vermelding volledig worden doorgestreept of, indien de keuringsinstantie
een kortere lengte heeft toegestaan dan is bepaald in artikel 10.02, lid 2,
onder d), dient enkel de eerste helft te worden doorgestreept en de lengte van
de loopplank te worden ingevuld. Linkerkolom,
rij 6: hier moet het aantal voorgeschreven verbanddozen overeenkomstig artikel 10.02,
lid 2, onder f), en artikel 15.08, lid 9, worden ingevuld. Linkerkolom,
rij 10: hier moet het aantal voorgeschreven brandvrije recipiënten
overeenkomstig artikel 10.02, lid 1, onder d) tot f) worden ingevuld. 43. Draagbare
brandblussers die verplicht zijn volgens andere veiligheidsvoorschriften, zoals
het Europees verdrag inzake het internationale vervoer van gevaarlijke goederen
over de binnenwateren (ADN), worden hier niet vermeld. 44. Rij 3: in
de EU-binnenvaartcertificaten die vóór 1.1.2010, of 1.1.2025 waar hoofdstuk 24a
van toepassing is, moeten worden verlengd, dient de vermelding
"overeenkomstig EN 395:1998 of 396:1998" te worden doorgestreept
indien er geen reddingsvesten overeenkomstig deze norm aan boord zijn. Rij 4: wanneer
EU-binnenvaartcertificaten na 1.1.2015, of 1.1.2030 waar hoofdstuk 24a van
toepassing is, worden verlengd of wanneer een nieuwe boot aan boord is genomen,
dient de vermelding "met een stel roeispanen, een meertros en een
hoosvat" te worden doorgestreept. De vermelding „overeenkomstig EN 1914:1997”
dient te worden doorgestreept indien er geen boot overeenkomstig deze norm aan
boord is. 46. In de regel
is continubedrijf niet toegestaan als er te weinig slaapplaatsen zijn of als de
geluidsdruk te hoog is. 50. De
deskundige mag alleen zijn handtekening zetten als hij bladzijde 11 zelf heeft
ingevuld. 52. Hier kunnen
aanvullende beperkingen, vrijstellingen en toelichtingen of dergelijke
genoteerd worden die van toepassing zijn op de vermeldingen onder de
afzonderlijke punten. 5.
OVERGANGSBEPALINGEN 5.1. Bestaande EU-binnenvaartcertificaten Met uitzondering van
artikel 2.09, lid 2, worden er geen verlengingen van bestaande
EU-binnenvaartschepen verleend. 5.2. Vervanging na een periodiek onderzoek Na een periodiek onderzoek
van een schip dat nog geen EU-binnenvaartcertificaat overeenkomstig het model
in bijlage V, deel 1, heeft, wordt er een EU-binnenvaartcertificaat afgegeven.
Artikel 2.09, lid 4, en artikel 2.17 zijn van toepassing. ADMINISTRATIEVE AANWIJZING
Nr. 12 Brandstoftanks op
drijvende werktuigen (Artikel 8.05, lid
1, en artikel 17.02, lid 1, onder d), van bijlage II) Overeenkomstig artikel 8.05,
lid 1, moeten brandstoftanks tot de scheepsromp behoren of vast aan het schip
bevestigd zijn. Brandstoftanks voor
motoren van werkinrichtingen op drijvende uitrusting hoeven niet tot de
scheepsromp te behoren of vast aan het schip bevestigd te zijn. Mobiele tanks
mogen gebruikt worden als ze voldoen aan de volgende voorwaarden: (1)
De inhoud van deze tanks mag niet groter zijn dan 1000
liter. (2)
Het moet mogelijk zijn om de
tanks voldoende stevig te bevestigen en te aarden. (3)
De tanks moeten gemaakt zijn
van staal met een toereikende wanddikte en ze moeten in een lekbak geplaatst
worden. De lekbak moet ontworpen zijn om te voorkomen dat lekkende brandstof de
binnenwateren vervuilt. Van de lekbak mag worden afgezien als dubbelwandige
tanks met een antileksysteem of een waarschuwingssysteem voor lekkages worden
gebruikt die alleen gevuld worden met een automatische persklep. Aan de
bepalingen van punt 3 wordt geacht te zijn voldaan als de constructie van
een tank gecertificeerd en goedgekeurd is overeenkomstig de voorschriften van
een lidstaat. Dit wordt op de daarvoor
bedoelde plaats vermeld in het EU-binnenvaartcertificaat. ADMINISTRATIEVE AANWIJZING
Nr. 13 Minimumdikte van
de scheepswand van sleepschepen (artikel 3.02, lid
1, van bijlage II) Tijdens periodieke
onderzoeken overeenkomstig artikel 2.09 van schepen die uitsluitend
gesleept worden, mag de commissie van deskundigen kleine afwijkingen ten
opzichte van artikel 3.02, lid 1, onder b), toestaan met
betrekking tot de minimumdikte van de scheepshuid. De afwijking mag niet groter
zijn dan 10 % en de minimumdikte van de scheepshuid moet ten minste 3 mm
bedragen. Deze afwijkingen moeten in
het aanvullend EU-binnenvaartcertificaat worden aangetekend. Onder punt 14 van het
EU-binnenvaartcertificaat is alleen eigenschap nr. 6.2 "Wordt gesleept als
een vaartuig zonder eigen mechanische middelen tot voortbeweging" van
toepassing. Eigenschappen nr. 1
tot 5.3 en 6.1 moeten worden geschrapt. ADMINISTRATIEVE AANWIJZING
Nr. 14 (Zonder inhoud)) ADMINISTRATIEVE AANWIJZING
Nr. 15 Voortbewegen van
een schip op eigen kracht (Artikel 10.03b,
lid 2, onder a), artikel 15.07, lid 1, artikel 22a.05, lid 1, onder a), van
bijlage II) 1.
Minimumeisen voor de voortbeweging van een schip Aan het voortbewegen van
een schip op eigen kracht overeenkomstig artikelen 10.03b, lid 2, onder a), 15.07,
lid 1, en 22a.05, lid 1, onder a), wordt geacht te zijn voldaan als — wanneer
een boegschroefinstallatie wordt gebruikt — het schip of de formatie die door
het schip wordt voortgeduwd een snelheid bereikt van 6,5 km/u ten opzichte van
het water en een draaisnelheid van 20°/min opgewekt en gehandhaafd kan worden
terwijl men vaart tegen een snelheid van 6,5 km/u ten opzichte van het water. 2.
Proefvaarten Nagegaan dient te worden
of aan de minimumeisen van artikelen 5.03 en 5.04 voldaan wordt. ADMINISTRATIEVE AANWIJZING
Nr. 16 (Zonder inhoud)) ADMINISTRATIEVE AANWIJZING
Nr. 17 Adequaat
brandmeldsysteem (artikel 10.03b,
lid 3, artikel 15.11, lid 17, artikel 22b.11, lid 1, van bijlage II) Brandmeldsystemen worden
geschikt geacht als ze aan de volgende voorwaarden voldoen: 0.
ONDERDELEN 0.1. Brandmeldsystemen
bestaan uit a) branddetectiesysteem, b) brandalarmsysteem, c) bedieningspaneel, en de externe
stroomvoorziening. 0.2. Het
branddetectiesysteem kan verdeeld worden in een of meer brandsecties. 0.3. Het brandalarmsysteem
kan bestaan uit een of meer alarmpanelen. 0.4. Het bedieningspaneel
is de centrale bedieningseenheid van het brandmeldsysteem. Het bevat ook
onderdelen van het brandalarmsysteem (bv. een alarmpaneel). 0.5. Een brandsectie kan
een of meer branddetectoren hebben. 0.6. Branddetectoren
kunnen uitgevoerd zijn als a) warmtedetectoren, b) rookdetectoren, c) ionisatiedetectoren, d) vlamdetectoren, e) gecombineerde
detectoren (branddetectoren die een combinatie zijn van twee of meer van de
onder a) tot d) genoemde detectoren). Branddetectoren die
reageren op andere factoren die het begin van brand aangeven, kunnen door de
commissie van deskundigen worden toegelaten indien ze niet minder gevoelig zijn
dan de onder a) tot e) genoemde detectoren. 0.7. Branddetectoren
kunnen geïnstalleerd worden a) met of b) zonder individuele identificatie. 1.
CONSTRUCTIEVOORSCHRIFTEN 1.1. Algemene bepaling 1.1.1. Verplichte
brandmeldsystemen moeten te allen tijde operationeel zijn. 1.1.2. Branddetectoren die
voorgeschreven zijn ingevolge punt 2.2 moeten automatisch werken. Extra
handbediende branddetectoren mogen worden ingebouwd. 1.1.3. Het systeem inclusief
toebehoren moet zodanig ontworpen zijn dat het bestand is tegen variaties en
kortstondige onderbrekingen van de voedingsspanning, schommelingen in de
omgevingstemperatuur, trillingen, vocht, schokken, stoten en corrosie, zoals
deze normalerwijze op schepen voorkomen. 1.2. Energievoorziening 1.2.1. Energiebronnen en
stroomcircuits die voor het functioneren van het brandmeldsysteem nodig zijn,
moeten bewaakt worden door een eigen controlesysteem. Het optreden van
storingen moet een optisch en akoestisch alarmsignaal op het bedieningspaneel
in werking stellen dat van een brandalarmsignaal kan worden onderscheiden. 1.2.2. Er moeten ten
minste twee energiebronnen voor het elektrische deel van het brandmeldsysteem
aanwezig zijn, één van deze bronnen moet een noodstroominstallatie
(noodstroombron en noodschakelbord) zijn. Er moeten twee afzonderlijke
voedingsbronnen aanwezig zijn die uitsluitend voor dit doel zijn bestemd. Ze
moeten zijn aangesloten op een automatische schakelaar in of in de nabijheid
van het bedieningspaneel van het brandmeldsysteem. Op schepen voor dagtochten
met LWL tot 25 m en op motorschepen is een afzonderlijke
noodstroombron voldoende. 1.3. Branddetectiesysteem 1.3.1. Branddetectoren
moeten zijn gegroepeerd in brandsecties. 1.3.2. Branddetectiesystemen
mogen niet voor een ander doel worden gebruikt. In afwijking daarvan mogen het
sluiten van de deuren bedoeld in artikel 15.11, lid 8, en vergelijkbare
functies via het bedieningspaneel ingeschakeld worden en daarop aangegeven. 1.3.3. Branddetectiesystemen
moeten zo zijn uitgevoerd dat een eerste aangeduid brandalarm niet verhindert
dat verdere brandalarmen door andere brandmelders worden gegeven. 1.4 Brandsecties 1.4.1. Indien de
branddetectoren op afstand niet afzonderlijk geïdentificeerd kunnen worden, mag
een brandsectie niet meer dan één dek omvatten. Dit is echter niet van
toepassing op een brandsectie die een in een schacht gelegen trap omvat. Ter vermijding van
vertragingen bij het ontdekken van de brandhaard moet het aantal omsloten
ruimten in iedere brandsectie beperkt blijven. Meer dan vijftig omsloten
ruimten binnen één brandsectie zijn niet toegelaten. Indien het
brandmeldsysteem identificatie van individuele brandmeldingen op afstand
mogelijk maakt, mogen de brandsecties meerdere dekken en een willekeurig aantal
omsloten ruimten omvatten. 1.4.2. Op
passagiersschepen die geen brandmeldsysteem hebben dat identificatie van
individuele brandmelding op afstand mogelijk maakt, mag een brandsectie geen
groter bereik hebben dan in artikel 15.11, lid 10, is aangegeven. Het in
werking treden van een branddetector in één hut binnen deze brandsectie moet in
de gang vóór die hut een optisch en akoestisch signaal in werking stellen. 1.4.3. Keukens,
machinekamers en ketelruimten moeten afzonderlijke brandsecties vormen. 1.5. Branddetectoren 1.5.1. Als branddetectoren
moeten warmtedetectoren, rookdetectoren of ionisatiedetectoren worden gebruikt.
Andere detectoren mogen slechts ter aanvulling worden gebruikt. 1.5.2. Branddetectoren
moeten een type-goedkeuring hebben. 1.5.3. Alle automatische
branddetectoren moeten zo zijn uitgevoerd dat ze op hun functioneren kunnen
worden gecontroleerd en weer in bedrijf kunnen worden gesteld zonder dat een
bestanddeel wordt vervangen. 1.5.4. Rookdetectoren
moeten zo zijn ingesteld dat ze ook bij een door rook veroorzaakte vermindering
van het zicht van meer dan 2 % tot 12,5 % per meter in werking treden.
Rookdetectoren die in keukens, machinekamers en ketelruimten zijn ingebouwd,
moeten in werking treden binnen grenzen van gevoeligheid die voldoen aan de
eisen van de commissie van deskundigen. Hierbij moet een te sterke of te zwakke
reactie van de rookdetectoren worden vermeden. 1.5.5. Warmtedetectoren
moeten zo zijn ingesteld dat ze in werking treden bij een temperatuurstijging
van minder dan 1 °C/min bij temperaturen tussen 54 °C en 78 °C. Bij hogere waarden van de
temperatuurstijging moet de warmtedetector binnen zodanige temperatuurgrenzen
in werking treden dat daarbij een te geringe of te sterke gevoeligheid van de
warmtedetector wordt vermeden. 1.5.6. Met toestemming van
de commissie van deskundigen kan de temperatuur waarbij warmtedetectoren
reageren tot 30 °C boven de hoogste temperatuur in het bovenste deel van de
ruimte van machinekamers en ketelruimten worden verhoogd. 1.5.7. De gevoeligheid van
vlamdetectoren moet voldoende zijn om vlammen vast te stellen tegen een
verlichte achtergrond. Vlamdetectoren moeten bovendien zijn uitgerust met een
systeem voor het vaststellen van foutieve waarschuwingen. 1.6. Branddetectiesysteem en bedieningspaneel 1.6.1. Het activeren van
een branddetector moet op het bedieningspaneel en op de alarmpanelen een
optisch en akoestisch brandalarmsignaal in werking stellen. 1.6.2. Het
bedieningspaneel en de alarmpanelen moeten op een plaats zijn aangebracht die
constant door de bemanning of het scheepspersoneel bezet is. Eén alarmpaneel
moet zich op de stuurstelling bevinden. 1.6.3. De alarmpanelen
moeten minstens de brandsectie aangeven waarin een branddetector in werking is
getreden. 1.6.4. Op of naast ieder
alarmpaneel moet duidelijke informatie over de bewaakte ruimten en de plaats
van de brandsecties worden gegeven. 2.
MONTAGEVOORSCHRIFTEN 2.1. Branddetectoren
moeten zo zijn aangebracht dat een zo goed mogelijk functioneren van het
systeem verzekerd is. Plaatsen in de nabijheid van balken en uitmondingen van
ventilatiekokers of andere plaatsen waar het patroon van de luchtstromen het
goed functioneren van het systeem negatief zou kunnen beïnvloeden, en plaatsen
waar zij aan stoten of mechanische beschadigingen zouden zijn blootgesteld,
moeten vermeden worden. 2.2. Over het algemeen
moeten branddetectoren in het plafond op minstens 0,5 meter van de
schotten verwijderd zijn. De maximale afstand tussen de branddetectoren en de
schotten moet voldoen aan de waarden in de volgende tabel: Soort branddetector || Maximale bodemoppervlak per branddetector || Maximale afstand tussen branddetectoren || Maximale afstand van branddetectoren tot de schotten Warmte || 37 m2 || 9 m || 4,5 m Rook || 74 m2 || 11 m || 5,5 m De commissie van
deskundigen kan andere afstanden voorschrijven of toestaan op grond van proeven
die de eigenschappen van de detectoren aantonen. 2.3. De elektrische
leidingen voor het brandmeldsysteem moeten zodanig zijn aangelegd dat zij niet
door machinekamers en ketelruimten of andere ruimten lopen die een verhoogd
brandrisico opleveren, behalve wanneer deze leidingen noodzakelijk zijn voor de
branddetectie in dergelijke ruimten of voor de verbinding met de
overeenkomstige energiebronnen. 3. KEURING 3.1 Brandmeldsystemen
moeten door een erkende deskundige worden gecontroleerd: a) vóór de eerste
ingebruikstelling; b) vóór een hernieuwde
ingebruikstelling na een wezenlijke verandering of reparatie; c) regelmatig, ten
minste om de twee jaar. Voor machinekamers en
ketelruimten worden deze keuringen uitgevoerd onder verschillende bedrijfs- en
wisselende ventilatieomstandigheden. Keuringen overeenkomstig onderdeel c
kunnen ook worden uitgevoerd door een deskundige van een bedrijf dat deskundig
is op het gebied van blussystemen. 3.2 Er moet een
verklaring worden afgegeven, ondertekend door de erkende deskundige of de
deskundige die de keuring heeft verricht, en waarop de datum van de keuring is
vermeld. ADMINISTRATIEVE AANWIJZING
Nr. 18 Document waarmee
het drijfvermogen, de trimsituatie en de stabiliteit van de gedeelde stukken
van een schip wordt aangetoond (artikel 22a.05,
lid 2, in combinatie met artikel 22.02 en artikel 22.03 van bijlage II) 1. Bij het aantonen van
het drijfvermogen, de trim en de stabiliteit van de overeenkomstig
artikel 22a.05, lid 2, onder a), gedeelde onderdelen van een
schip moet ervan worden uitgegaan dat beide delen voordien geheel of
gedeeltelijk zijn gelost of dat de containers die boven het luikhoofd uitsteken
op geschikte wijze zijn verzekerd tegen verschuiven. 2. Voor elk van de twee
onderdelen moeten in dit verband bij de berekening van de stabiliteit
overeenkomstig artikel 22.03 (Criteria en rekenmethode voor de
stabiliteitsberekening van schepen die vastgezette containers vervoeren) de
volgende eisen in acht genomen worden: –
de metacentrumhoogte MG mag
niet minder bedragen dan 0,50 m, –
er moet een resterende
veiligheidsafstand van 100 mm aanwezig zijn, –
de in acht te nemen snelheid
bedraagt 7 km/u, –
voor de winddruk moet worden
uitgegaan van 0,01 t/m2. 3. De hellingshoek
(≤ 5°) hoeft bij de overeenkomstig artikel 22a.05, lid 2,
gedeelde onderdelen van het schip niet te worden aangehouden, aangezien deze
hoek — afgeleid uit de wrijvingscoëfficiënten — voor niet-vastgezette
containers was voorgeschreven. De arm van het moment
veroorzaakt door de vrije vloeistofoppervlakken moet volgens de formule in
artikel 22.02, lid 1, onder e), in acht worden genomen. 4. Aan de eisen,
bedoeld in de punten 2 en 3, wordt ook geacht te zijn voldaan indien voor elk
van beide onderdelen aan de stabiliteitseisen overeenkomstig het ADN in deel 9.1.0.95.2
is voldaan. ADMINISTRATIEVE AANWIJZING
Nr. 19 (Zonder inhoud)) ADMINISTRATIEVE AANWIJZING
Nr. 20 Uitrusting van
schepen die volgens de standaarden S1 en S2 worden gevaren (artikel 23.09 van
bijlage II) 1.
ALGEMENE INLEIDING Volgens artikel 23.09,
lid 1, van bijlage II moeten schepen die bedoeld zijn om volgens de
standaarden S1 en S2 te worden gevaren, voldoen aan de bepalingen van dit
artikel. Volgens artikel 23.09, lid 1, moet de commissie van deskundigen in het
EU-binnenvaartcertificaat bevestigen dat het schip voldoet aan deze bepalingen. Deze bepalingen zijn
voorschriften betreffende aanvullende uitrusting die van toepassing is in
aanvulling op de voorschriften waaraan een schip moet voldoen voor de afgifte
van een EU-binnenvaartcertificaat. De bepalingen van artikel 23.09 die op
verschillende wijzen kunnen worden geïnterpreteerd, worden in deze administratieve
aanwijzing verduidelijkt. Bijgevolg moeten de bepalingen van artikel 23.09,
lid 1, van bijlage II als volgt geïnterpreteerd worden: 2.
ARTIKEL 23.09 2.1. (1.1, onder a)) — Inrichting van het
voortstuwingssysteem Als een schip uitgerust is
met een direct omkeerbare hoofdmotor moet het persluchtsysteem dat nodig is om
de richting van de stuwdruk om te keren: a) permanent onder druk
gehouden worden door een zich automatisch instellende compressor, of b) als er een alarm in
werking gesteld wordt in het stuurhuis onder druk gehouden worden door een
hulpmotor die van op de stuurstelling gestart kan worden. Als de hulpmotor een
eigen brandstoftank heeft, moet er — overeenkomstig artikel 8.05, lid 13 — een
alarmtoestel in het stuurhuis aanwezig zijn dat aangeeft dat de hoeveelheid
brandstof in de tank niet meer voldoende is voor een veilige voortzetting van
de vaart. 2.2. (1.1, onder b)) — Lenswater in de
hoofdmachinekamer Als een
boogstuurinrichting nodig is om aan de manoeuvreervoorschriften van hoofdstuk 5
te voldoen, moet de ruimte met de boogstuurinrichting gezien worden als een
hoofdmachinekamer. 2.3. (1.1, onder c)) — Automatische
brandstoftoevoer 2.3.1. Als het
voortstuwingssysteem een dagtank heeft, a) moet de inhoud
voldoende zijn om de werking van het voortstuwingssysteem gedurende 24 uur te
garanderen onder aanname van een brandstofverbruik van 0,25 liter per kW per
uur, b) moet de brandstofpomp
voor het vullen van de dagtank continu werken, of c) moet de brandstofpomp
uitgerust zijn met –
een schakelaar die de
brandstofpomp automatisch inschakelt wanneer de dagtank een bepaald
minimumniveau bereikt, en –
met een schakelaar die de
brandstofpomp automatisch uitschakelt wanneer de dagtank vol is. 2.3.2. De dagtank moet
beschikken over een alarm voor het brandstofniveau dat voldoet aan de
voorschriften van artikel 8.05, lid 13. 2.4. (1.1, onder d)) — Geen bijzondere
krachtsinspanning vereist voor de stuurinrichting Hydraulisch werkende
stuurinrichtingen voldoen aan deze eis. Om handbediende stuurinrichtingen in
werking te stellen, mag ten hoogste een kracht van 160 N nodig zijn. 2.5. (1.1, onder e)) — Optische en akoestische
signalen vereist tijdens het varen Onder optische signalen
vallen niet de cilinders, bollen, kegels of dubbele kegels die volgens de
scheepvaartpolitiereglementen van de lidstaten vereist zijn. 2.6. (1.1, onder f)) — Directe communicatie en
communicatie met de machinekamer 2.6.1. Directe
communicatie wordt geacht te zijn gewaarborgd als a) er direct visueel
contact mogelijk is tussen het stuurhuis en de controleposities voor de lieren
en de bolders op het voorschip of achterschip en bovendien de afstand van het
stuurhuis tot deze controleposities niet meer dan 35 m bedraagt, en b) het verblijf vanuit
het stuurhuis direct toegankelijk is. 2.6.2. Communicatie met de
machinekamer moet geacht worden te zijn gewaarborgd als het signaal bedoeld in
artikel 7.09, lid 3, tweede zin, onafhankelijk functioneert van de
schakelaar waarnaar verwezen wordt in artikel 7.09, lid 2. 2.7. (1.1, onder i)) — Zwengels en
soortgelijke draaibare voorzieningen Enkele voorbeelden zijn: a) handmatig bediende
ankerlieren (als de grootste vereiste kracht wordt de kracht beschouwd die
nodig is wanneer de ankers vrij hangen); b) zwengels om luiken op
te heffen; c) zwengels op de mast-
en kokerlieren. Hieronder vallen niet: a) verhaal- en koppellieren; b) zwengels op kranen,
behalve bedoeld voor bijboten. 2.8. (1.1, onder m)) — Ergonomische inrichting Aan de bepalingen wordt
geacht te zijn voldaan als a) het stuurhuis is
ingericht volgens de Europese norm EN 1864:2008, of b) bij een éénmansstuurstelling
voor het varen op radar, of c) als het stuurhuis aan
de volgende eisen voldoet: aa) De voornaamste
bedieningsinrichtingen en controle-instrumenten moeten zich in het voorwaartse
gezichtsveld en binnen een boog van ten hoogste 180° (90° stuurboord en 90°
bakboord) bevinden, inclusief de vloer en het plafond. Ze moeten goed leesbaar
en zichtbaar zijn vanuit de normale positie van de roerganger. bb) De belangrijkste
controle-instrumenten zoals het stuurwiel of de stuurarm, de motorbediening, de
marifoonbediening en de bediening voor de akoestische signalen en de
waarschuwings- en manoeuvreersignalen die vereist zijn volgens de nationale of
internationale politiereglementen, indien van toepassing, zullen zodanig
ingericht worden dat de afstand tussen de instrumenten aan stuurboordzijde en
die aan bakboordzijde niet meer dan 3 m bedraagt. De roerganger moet de motoren
kunnen bedienen zonder de bediening van de stuurinrichting los te laten en moet
tegelijkertijd andere instrumenten kunnen bedienen zoals de marifoon, de
instrumenten voor de akoestische signalen en de waarschuwings- en
manoeuvreersignalen conform de nationale en internationale
scheepvaartpolitiereglementen, indien van toepassing. cc) De waarschuwings- en
manoeuvreersignalen die vereist zijn volgens de nationale en internationale
scheepvaartpolitiereglementen, indien van toepassing, moeten elektrisch,
pneumatisch, hydraulisch of mechanisch aangedreven worden. In afwijking daarvan
mogen ze bediend worden met behulp van een spankabel, als een veilige werking
van op de stuurstelling alleen op deze manier mogelijk is. 3.
ARTIKEL 23.09 3.1. (1.2, onder a)) — Alleen varend
motorschip Motorschepen die volgens
het EU-binnenvaartcertificaat ook geschikt zijn om te duwen maar die a) geen hydraulisch of
elektrisch aangedreven koppellieren hebben, of b) waarvan de
hydraulisch of elektrisch aangedreven koppellieren niet voldoen aan de eisen
van punt 3.3 van deze administratieve aanwijzing krijgen de standaard S2
als alleen varend motorschip. De aantekening "Standaard
S2 is niet van toepassing op het motorschip wanneer het duwt" dient te
worden vermeld onder punt 47 van het EU-binnenvaartcertificaat. 3.2. (1.2, onder c)) — Geduwde samenstellen Motorschepen die volgens
hun EU-binnenvaartcertificaat geschikt zijn om te duwen en uitgerust zijn met
hydraulisch en elektrisch aangedreven koppellieren die voldoen aan de eisen van
punt 3.3 van deze administratieve aanwijzing, maar die geen eigen
boegschroefinstallatie hebben, krijgen de standaard S2 als motorschip dat een
samenstel voortbeweegt. De aantekening "Standaard S2 is niet van
toepassing op het motorschip wanneer het alleen vaart" dient te worden
vermeld onder punt 47 van het EU-binnenvaartcertificaat. 3.3. (1.2, onder c), eerste zin, en 1.2,
onder d), eerste zin) — Speciale lieren of gelijkwaardige inrichtingen
voor het spannen van de kabels (koppelingsinrichtingen) De vereiste
koppelingsinrichtingen bestaan uit de minimale uitrusting volgens artikel 16.01,
lid 2; volgens punten 2.1 en 2.2 van administratieve aanwijzing
nr. 3 (verbindingen in de langsrichting) dienen zij om de
koppelingskrachten op te nemen en moeten zij voldoen aan de volgende eisen: a) De inrichting mag
alleen op mechanisch wijze zorgen voor de spankrachten die nodig zijn voor de
koppeling. b) De bediening van de
inrichting moet zich op de inrichting zelf bevinden. In afwijking daarvan is
een afstandsbediening toegestaan op voorwaarde dat –
de persoon die de inrichting
bedient vrij uitzicht heeft op de inrichting vanuit de bedieningspositie; –
er een inrichting is op de
bedieningspositie die onopzettelijke bediening voorkomt; –
de inrichting een noodstop
heeft. c) De
inrichting moet een reminrichting hebben die onmiddellijk reageert als de
bedieningsknoppen losgelaten worden of als de aandrijving uitvalt. d) Het moet
mogelijk zijn om de koppelingskabel handmatig los te maken als de aandrijving
uitvalt. 3.4. (1.2, onder c), tweede zin, en 1.2, onder d),
tweede zin) — De boegschroefinstallatie bedienen De bediening van de
boogschroefinstallatie moet permanent geïnstalleerd zijn in het stuurhuis. Aan
de eisen van artikel 7.04, lid 8, moet voldaan worden: De elektrische
bekabeling om de boogschroefinstallatie te bedienen, moet vast aan het voorste
gedeelte van het duwende motorschip of de duwboot bevestigd zijn. 3.5. (1.2, onder e)) — Gelijkwaardige
manoeuvreereigenschappen Gelijkwaardige
manoeuvreereigenschappen worden gewaarborgd door het voortstuwingssysteem dat
bestaat uit: a) een
meerschroefsaandrijving en ten minste twee onafhankelijke voortstuwingssystemen
met een gelijkwaardige vermogensafgifte, b) ten minste één
cycloïdaalschroef, c) ten minste één
roerpropeller, of d) ten minste één 360°
waterstraalvoortstuwingssysteem. ADMINISTRATIEVE AANWIJZING
Nr. 21 Eisen ten aanzien
van Low-Location Lighting (Artikel 15.06,
lid 7; artikel 22b.10, onder d), van bijlage II) 1.
Algemene bepaling 1.1. Volgens bovenstaande
bepalingen, moeten passagiersschepen en snelle schepen over geschikte systemen
beschikken om vluchtwegen en nooduitgangen duidelijk aan te geven wanneer de
normale noodverlichting slecht zichtbaar is door de rook. Het moeten
Low-Location Lighting (LLL)-systemen zijn (laag bij de grond aangebrachte
verlichtingssystemen). Deze administratieve aanwijzing behandelt de
goedkeuring, installatie en het onderhoud van dergelijke systemen. 1.2. Naast de
overeenkomstig artikel 15.10, lid 3, vereiste noodverlichting moeten
vluchtwegen, inclusief trappen, uitgangen en nooduitgangen aangegeven worden
door Low-Location Lighting (LLL-verlichting) langs de volledige vluchtroute,
vooral in hoeken en aan kruisingen. 1.3. Het LLL-systeem moet
uiterlijk 30 minuten na inschakeling werken. 1.4. LLL-producten mogen
niet radioactief of giftig zijn. 1.5. Aanwijzingen
betreffende het LLL-systeem moeten zijn opgenomen in het veiligheidsplan
overeenkomstig artikel 15.13, lid 2, en in iedere hut. 2.
Definities 2.1. Low-Location Lighting
(LLL) — Elektrische verlichting of fotoluminescente markering langs vluchtwegen
om te waarborgen dat dergelijke routes gemakkelijk herkend kunnen worden. 2.2. Fotoluminescent
(FL)-systeem — Een LLL-systeem dat fotoluminescent materiaal gebruikt.
Fotoluminescent materiaal bevat een chemische stof (bijvoorbeeld: zinksulfide)
dat de eigenschap heeft dat het energie opslaat wanneer het verlicht wordt door
zichtbaar licht. Het FL-materiaal geeft licht af dat zichtbaar wordt wanneer de
lichtbron in de buurt minder sterk is. Zonder de lichtbron die energie
toevoert, geeft het FL-materiaal de opgeslagen energie gedurende een bepaalde
tijd af met een afnemende lichtsterkte. 2.3. Elektrisch systeem —
Een LLL-systeem dat elektriciteit nodig heeft om te werken, zoals systemen met
gloeilampen, lichtdiodes, elektroluminescente banden of lampen, fluorescerende
lampen enz. 3.
Gangen en trappen 3.1. In alle gangen moet
de LLL-verlichting ononderbroken zijn aangebracht, behalve bij gangen en
hutdeuren, zodat de vluchtroute zichtbaar wordt afgebakend. LLL-systemen
conform een internationale norm met een zichtbare afbakening die onderbroken
is, worden toegestaan. De LLL-verlichting moet ten minste aan een zijde van de
gang worden aangebracht, hetzij op de muur ten hoogste 0,3 m van de vloer,
hetzij op de vloer niet verder dan 0,15 m van de muur. In gangen die breder
zijn dan twee meter, moet LLL aan beide zijden worden aangebracht. 3.2. In doodlopende gangen
moeten er op maximaal 1 m afstand van elkaar pijlen of gelijkwaardige
richtingaanwijzers in LLL geplaatst worden die in de richting van de
vluchtroute wijzen. 3.3. In alle gangen moet
LLL aan ten minste één zijde op ten hoogste 0,3 m boven de traptreden zijn
aangebracht, zodat de plaats van elke traptrede goed zichtbaar is voor iemand
die boven of onder die traptrede staat. Low-Location Lighting moet aan beide
zijden worden aangebracht als de gang breder is dan twee meter. De boven- en
onderkant van iedere trap wordt gemarkeerd om aan te geven dat er geen
traptreden meer zijn. 4.
Deuren 4.1. Low-Location Lighting
moet naar de klink van de deur van de nooduitgang leiden. Om verwarring te
voorkomen, mogen er geen andere deuren op deze manier worden aangeduid. 4.2. Als er schuifdeuren
in scheidingsvlakken gemonteerd zijn conform art. 15.11, lid 2, en in schotten
conform art. 15.02, lid 5, moet de schuifrichting aangegeven worden. 5.
Aanduidingen en markeringen 5.1. Alle vluchtwegaanduidingen
moeten in fotoluminescent materiaal uitgevoerd zijn of elektrisch verlicht
worden. De afmetingen van dergelijke aanduidingen en markeringen moeten gelijk
zijn aan de rest van het LLL-systeem. 5.2. Low-Location
Lighting-aanduidingen van de uitgang moeten bij alle uitgangen aanwezig zijn.
De aanduidingen moeten in de voorgeschreven gebieden naast de deuren van de
uitgangen aan de zijde van de deurklink aangebracht worden. 5.3. Alle aanduidingen
moeten uitgevoerd zijn in een kleur die contrasteert met de achtergrond (muur
of vloer) waartegen ze bevestigd zijn. 5.4. Gestandaardiseerde
symbolen (bv. de symbolen van IMO-Besluit A.760 (18)) moeten voor de LLL
gebruikt worden. 6.
Fotoluminescente systemen 6.1. FL-banden moeten ten
minste 0,075 m breed zijn. Smallere banden mogen echter gebruikt worden als de
lichtsterkte verhoudingsgewijs zoveel groter is dat de kleinere breedte
gecompenseerd wordt. 6.2. Fotoluminescente
materialen moeten 10 minuten na het verwijderen van alle externe lichtbronnen
een lichtsterkte hebben van ten minste 15 mcd/m2. Het systeem moet
daarna gedurende 20 minuten beschikken over een lichtsterkte van ten minste 2
mcd/m2. 6.3. Alle materialen van
fotofluorescentiesystemen moeten minimaal worden belicht met het minimumniveau
aan omgevingslicht dat nodig is om het fotofluorescentiemateriaal op te laden,
zodat aan bovenstaande eisen betreffende de lichtsterkte voldaan kan worden. 7.
Elektrische systemen 7.1. Elektrische systemen
moeten worden aangesloten op het volgens art. 15.10, lid 4, vereiste
noodschakelbord, zodat ze onder normale omstandigheden gevoed worden door de
hoofdenergiebron en ook door de noodstroominstallatie wanneer deze laatste in
bedrijf is. Voor het berekenen van de capaciteit van de noodstroominstallatie,
moeten de elektrische systemen opgenomen worden in de lijst met
noodstroomverbruikers. 7.2. Elektrische systemen
moeten automatisch aanspringen of ingeschakeld kunnen worden door een handeling
op de stuurstelling. 7.3. Als er elektrische
systemen zijn ingebouwd, zijn de volgende normen voor de lichtsterkte van
toepassing: (a)
de actieve delen van de
elektrische systemen moeten over een minimumlichtsterkte van 10 cd/m2
beschikken; (b)
de puntbronnen van kleine
gloeilampen moeten ten minste 150 mcd gemiddelde sferische lichtsterkte
voortbrengen bij een afstand van ten hoogste 0,1 m tussen de lampen; (c)
de puntbronnen van
lichtdiodesystemen moeten een minimale volledige lichtsterkte van 35 mcd
hebben. De hoek van de kegel voor halve lichtsterkte moet geschikt zijn voor de
richting van waaruit de lichtdiodes benaderd en gezien worden. De afstand
tussen de lampen moet ten minste 0,3 m bedragen; en (d)
de puntbronnen van
elektroluminescente systemen moeten 30 minuten blijven werken na het uitvallen
van de hoofdenergiebron waarmee het systeem verbonden moet zijn volgens punt 7.1. 7.4. Alle elektrische
systemen moeten zo zijn ingericht dat een defect van een enkele lamp, lichtband
of batterij niet resulteert in een inefficiënte markering. 7.5. Elektrische systemen
moeten voldoen aan de eisen van artikel 9.20 betreffende trillingen en
hittebestendigheid. In afwijking van artikel 9.20, lid 2, onder c), mag de
warmteproef uitgevoerd worden bij een referentieomgevingstemperatuur van 40 °C. 7.6. Elektrische systemen
moeten voldoen aan de eisen betreffende elektromagnetische compatibiliteit uit
artikel 9.21. 7.7. Elektrische systemen
moeten ten minste voldoen aan beschermingsklasse IP 55 overeenkomstig IEC 60529:1992. 8. Keuring 8.1 De
lichtsterkte van LLL-systemen moet door een erkende deskundige worden
gecontroleerd: a) vóór de eerste
ingebruikstelling; b) vóór een hernieuwde
ingebruikstelling na een wezenlijke verandering of reparatie; c) regelmatig, ten
minste om de vijf jaar. Keuringen overeenkomstig
onderdeel c kunnen ook worden uitgevoerd door een deskundige die in
veiligheidsgeleidesystemen is opgeleid. 8.2 Er moet
een verklaring worden afgegeven, ondertekend door de erkende deskundige of de
deskundige die de keuring heeft verricht, en waarop de datum van de keuring is
vermeld. 8.3 Als na een
enkele meting de lichtsterkte niet aan de eisen van deze administratieve aanwijzing
voldoet, moeten er opnieuw metingen op ten minste tien plaatsen op gelijke
afstand van elkaar worden uitgevoerd. Als meer dan 30 % van de meetwaarden
niet voldoen aan de eisen van deze administratieve aanwijzing moeten de
veiligheidsgeleidesystemen worden vervangen. Als tussen 20 en 30 % van de
meetwaarden niet voldoen aan de eisen van deze administratieve aanwijzing
moeten de veiligheidsgeleidesystemen binnen een jaar opnieuw worden
gecontroleerd. ADMINISTRATIEVE AANWIJZING
Nr. 22 Bijzondere
veiligheidsbehoeften van personen met beperkte mobiliteit (Artikel 1.01, lid
104, artikel 18, lid 1, onder c), van deze richtlijn, artikel 15.06, leden 3
tot en met 5, 9, 10, 13 en 17, artikel 15.08, lid 3, artikel 15.10, lid 3,
artikel 15.13, leden 1 tot en met 4, van bijlage II) 1.
Inleiding Personen met beperkte
mobiliteit hebben veiligheidsbehoeften die verder gaan dan die van andere
passagiers. Met deze behoeften wordt rekening gehouden in de voorschriften van
hoofdstuk 15, die als volgt uiteengezet worden. Deze eisen zijn bedoeld om
te waarborgen dat mensen met beperkte mobiliteit veilig aan boord van schepen
kunnen verblijven en zich veilig kunnen bewegen. Bovendien dient voor
dergelijke personen in geval van nood hetzelfde veiligheidsniveau gewaarborgd
te zijn als voor als andere passagiers. Het is niet nodig dat alle
passagiersgedeelten voldoen aan de speciale veiligheidseisen voor mensen met
beperkte mobiliteit. Derhalve gelden die voorschriften alleen voor bepaalde
gedeelten. De personen in kwestie moeten echter wel de mogelijkheid hebben om
geïnformeerd te worden over de gedeelten die speciaal voor hen zijn aangepast
met het oog op veiligheid, zodat ze hun verblijf aan boord dienovereenkomstig
kunnen inrichten. De eigenaar van het schip is verantwoordelijk voor het tot
stand brengen van deze gedeelten, het bekend maken en het verstrekken van
informatie over deze gedeelten aan mensen met beperkte mobiliteit. De bepalingen betreffende
personen met beperkte mobiliteit kunnen nageslagen worden in: –
Richtlijn 2003/24/EG van het
Europees Parlement en de Raad van 14 april 2003 tot wijziging van Richtlijn 98/18/EG
van de Raad inzake veiligheidsvoorschriften en normen voor passagiersschepen,
en –
De leidraad voor de aanpassing
van binnenvaartpassagiersschepen aan mensen met beperkingen overeenkomstig
resolutie nr. 25 van de Europese Economische Commissie van de Verenigde Naties. De definitie van de term
"personen met beperkte mobiliteit" die gebruikt wordt in bijlage II
is nagenoeg identiek aan die van Richtlijn 2003/24/EG en de meeste technische
voorschriften zijn op de leidraad gebaseerd. In geval van twijfel kunnen beide
nageslagen worden voor het nemen van beslissingen. Over het algemeen gaan de
eisen van Richtlijn 2003/24/EG en resolutie nr. 25 van de VN-ECE met de titel
"Guidelines for Passenger Vessels also suited for carrying Disabled
Persons" verder dan die van bijlage II. De eisen in bijlage II
hebben geen betrekking op slaapplaatsen en soortgelijke inrichtingen. Deze
inrichtingen vallen onder nationale bepalingen. 2.
Artikel 1.01, lid 104 — Begrip "Personen met beperkte
mobiliteit" „Personen met beperkte
mobiliteit” zijn personen die zich ingevolge lichamelijke handicaps niet op
dezelfde manier kunnen bewegen of de omgeving niet op dezelfde manier kunnen
waarnemen als andere passagiers. Deze definitie omvat ook personen met beperkt
gezichtsvermogen of gehoor of personen met kinderen in buggy's of kinderen die
gedragen moeten worden. Voor de toepassing van deze bepalingen vallen personen
met mentale handicaps niet onder personen met beperkte mobiliteit. 3.
Artikel 18, lid 1, onder c) van deze richtlijn — Gebieden bedoeld om
te worden gebruikt door personen met beperkte mobiliteit Gebieden bedoeld om te
worden gebruikt door personen met beperkte mobiliteit gaan, in het eenvoudigste
geval, van het toegangsgedeelte tot de plaatsen van waaruit geëvacueerd wordt
in geval van nood. Deze gebieden omvatten: –
een plaats waar
reddingsmiddelen worden bewaard of verstrekt in geval van nood, –
zitplaatsen, –
een aangepast toilet (nr. 10
van deze richtlijnen), en –
verbindingsgangen. Het aantal zitplaatsen
moet bij benadering overeenkomen met het aantal personen met beperkte
mobiliteit dat — over een langere periode gezien — meestal tegelijkertijd aan
boord is. Het aantal moet ingeschat worden door de eigenaar van het schip op
basis van ervaring, omdat de bevoegde instantie hier geen kennis van heeft. Op hotelschepen moet ook
rekening worden gehouden met verbindingsgangen naar passagiershutten die
gebruikt worden door personen met beperkte mobiliteit. Het aantal van
dergelijke hutten moet door de eigenaar van het schip ingeschat worden op
dezelfde manier als het aantal zitplaatsen. Met uitzondering van de breedte van
de deuren worden er geen speciale eisen gesteld aan de inrichting van de
hutten. De eigenaar is verantwoordelijk voor het uitvoeren van andere speciale
aanpassingen. 4.
Artikel 15.06, lid 3, onder g) — Uitgangen van verblijven Ten aanzien van de eisen
betreffende de breedte van verbindingsgangen, uitgangen en openingen in
verschansingen of relingen bestemd om te worden gebruikt door personen met
beperkte mobiliteit of die meestal gebruikt worden voor het embarkeren en
debarkeren van personen met beperkte mobiliteit, moet rekening gehouden worden
met buggy's en het feit dat mensen afhankelijk kunnen zijn van diverse soorten
loophulpmiddelen en rolstoelen. In het geval van uitgangen of openingen voor
het embarkeren en debarkeren moet rekening worden gehouden met extra ruimte die
nodig is voor het begeleidende personeel. 5.
Artikel 15.06, lid 4, onder d) — Deuren De eisen betreffende de
inrichting van gebieden in de omgeving van deuren bedoeld om te worden gebruikt
door personen met beperkte mobiliteit moet waarborgen dat personen die
bijvoorbeeld afhankelijk zijn van loophulpmiddelen de deuren veilig kunnen
openen. 6.
Artikel 15.06, lid 5, onder c) — Verbindingsgangen Zie punt 4 van deze administratieve
aanwijzing. 7.
Artikel 15.06, lid 9 — Trappen en liften De eisen voor de
inrichting van trappen moeten niet alleen rekening houden met een mogelijke
beperkte mobiliteit, maar ook met beperkt gezichtsvermogen. 8.
Artikel 15.06, lid 10, onder a) en b) — Verschansingen en relingen De eisen voor verschansingen
en relingen van dekken die bestemd zijn om te worden gebruikt door personen met
beperkte mobiliteit moeten inhouden dat deze hoger zijn, omdat dergelijke
personen gemakkelijker hun evenwicht verliezen en zich moeten kunnen
vasthouden. Zie ook punt 4 van
deze administratieve aanwijzing. 9.
Artikel 15.06, lid 13 — Doorgangsruimten Om diverse redenen zoeken
personen met beperkte mobiliteit vaak steun of iets om zich aan vast te houden.
Daarom moeten de muren in doorgangsruimten die bestemd zijn om te worden
gebruikt door personen met beperkte mobiliteit voorzien zijn van handrelingen
op een geschikte hoogte. Zie ook punt 4 van
deze administratieve aanwijzing. 10.
Artikel 15.06, lid 17 — Toiletten Personen met beperkte
mobiliteit moeten ook in staat zijn om zich veilig naar toiletten te bewegen en
veilig in toiletten te verblijven. Daarom moet ten minste één toilet
dienovereenkomstig worden aangepast. 11.
Artikel 15.08, lid 3, onder a) en b) — Alarmsysteem Personen met beperkte
mobiliteit komen vaker situaties tegen waarin ze afhankelijk zijn van de hulp
van anderen. In ruimten waarin ze doorgaans niet gezien kunnen worden door
bemanningsleden, boordpersoneel of passagiers, moet de mogelijkheid geboden
worden om een alarm in werking te stellen. Dit is van toepassing op toiletten
die bedoeld zijn om te worden gebruikt door personen met beperkte mobiliteit. Onder personen met
beperkte mobiliteit vallen ook personen met beperkt gezichtsvermogen of gehoor.
Bijgevolg moet ten minste in gebieden die bestemd zijn om te worden gebruikt
door personen met beperkte mobiliteit het passagiersalarmsysteem bestaan uit
geschikte optische en akoestische alarmen. 12.
Artikel 15.10, lid 3, onder d) — Voldoende verlichting Onder personen met
beperkte mobiliteit vallen ook personen met beperkt gezichtsvermogen. Voldoende
verlichting in gebieden die bestemd zijn om te worden gebruikt door personen
met beperkte mobiliteit is daarom uiterst belangrijk en moet voldoen aan
strengere eisen dan verlichting voor andere passagiersgedeelten. 13.
Artikel 15.13, lid 1 — Veiligheidsrol De speciale
veiligheidsmaatregelen die nodig zijn voor personen met beperkte mobiliteit en
die opgenomen moeten worden in de veiligheidsrol moeten rekening houden met
zowel de mogelijkheid van een beperkte mobiliteit als verminderd gehoor en
verminderd gezichtsvermogen. Voor dergelijke personen worden maatregelen
getroffen die zowel rekening gehouden met normale omstandigheden als met
noodgevallen. 14.
Artikel 15.13, lid 2 — Veiligheidsplan De gebieden die onder punt
3 vallen van deze administratieve aanwijzing moeten worden aangegeven. 15.
Artikel 15.13, lid 3, onder b) — Bekendmaking van de veiligheidsrol en het
veiligheidsplan De exemplaren van de
veiligheidsrol en het veiligheidsplan die opgehangen worden in de gebieden die
bestemd zijn om te worden gebruikt door personen met beperkte mobiliteit
moeten, indien mogelijk, ook gelezen kunnen worden door personen met beperkt
gezichtsvermogen. Dit kan bijvoorbeeld bereikt worden door een goed gebruik van
kleurcontrasten en lettergrootte. De plannen moeten
bovendien opgehangen worden op een hoogte die ook voor rolstoelgebruikers
geschikt is. 16.
Artikel 15.13, lid 4 — Gedragscode voor passagiers Punt 15 van deze administratieve
aanwijzing is op overeenkomstige wijze van toepassing. ADMINISTRATIEVE AANWIJZING
Nr. 23
Motortoepassing die onder de passende typegoedkeuring valt (artikel 8a.03,
lid 1, van bijlage II) 1.Inleiding Volgens artikel 8a.03, lid
1, worden typegoedkeuringen overeenkomstig Richtlijn 97/68/EG en typegoedkeuringen
die overeenkomstig Richtlijn 97/68/EG als gelijkwaardig worden erkend, erkend
op voorwaarde dat de motortoepassing onder de passende typegoedkeuring valt. Bovendien is het mogelijk
dat de motoren aan boord van binnenschepen voor meer dan één toepassing worden
gebruikt. In afdeling 2 van deze administratieve
aanwijzing wordt aangegeven wanneer motortoepassingen beschouwd kunnen worden
als vallend onder de passende typegoedkeuring. In afdeling 3 wordt
verduidelijking gegeven met betrekking tot de vraag hoe men dient om te gaan
met motoren die in de loop van de activiteiten aan boord voor meer dan één
motortoepassing worden gebruikt. 2.
Passende typegoedkeuring Motortoepassingen worden
geacht onder de passende typegoedkeuring te vallen als de motor aan de
typegoedkeuring is toegewezen op basis van de onderstaande tabel. De
motortypes, de fasen van de grenswaarden en de testcycli worden vermeld
overeenkomstig de toewijzing van het typegoedkeuringsnummer. Motortoepassing || Rechtsgrondslag || Motorcategorie || Fase grenswaarde || Meting || || || || || || vereiste || cyclus ISO 8178 Voortstuwingsmotoren met propellerkenmerken || I || Richtlijn 97/68/EG || V || IIIA || C[63] || E3 ROSR || — || I, II[64] || — || E3 Hoofdvoortstuwingsmotoren met constant toerental (met inbegrip van installaties met dieselelektrische aandrijving en variabele schuine propeller) || II || Richtlijn 97/68/EG || V || IIIA || C[65] || E2 ROSR || — || I, II[66] || — || E2 Hulpmotoren met || constant toerental || III || Richtlijn 97/68/EG || D, E, F,G || II || B || D2 H, I, J, K || IIIA V[67] ROSR || — || I, II[68] || — || D2 variabel toerental en variabele belasting || IV || Richtlijn 97/68/EG || D,E,F,G || II || A || C 1 H, I, J, K || IIIA V[69] L, M, N, P || IIIB Q, R || IV ROSR || — || I, II[70] || — || C1 3.Speciale
motortoepassingen 3.1. Motoren die tijdens
de activiteiten aan boord voor meer dan één motortoepassing moeten worden
gebruikt, zijn als volgt geregeld: a) hulpmotoren die
eenheden of machines aandrijven die overeenkomstig de tabel in afdeling 2
moeten worden ondergebracht bij de toepassingen III of IV, moeten over een
typegoedkeuring beschikken voor elk van de respectieve toepassingen die in deze
lijst worden bedoeld. b) hoofdvoortstuwingsmotoren
die extra eenheden of machines aandrijven moeten enkel over de typegoedkeuring
beschikken die vereist is voor het desbetreffende type van hoofdvoortstuwing
overeenkomstig de tabel in afdeling 2, voor zover de belangrijkste toepassing
van de motor de voortstuwing van het schip is. Als de tijd die de enige
hulptoepassing in beslag neemt, meer dan 30 % bedraagt, dient de motor, naast
de typegoedkeuring voor de hoofdvoortstuwingstoepassing, over een extra
typegoedkeuring voor de hulptoepassing te beschikken. 3.2. Motoren die
boegschroeven aandrijven, rechtstreeks of met behulp van een generator met: a) variabel toerental en
belasting, kunnen worden ondergebracht bij de toepassingen I of IV
overeenkomstig de lijst in afdeling 2; b) constant toerental,
kunnen worden ondergebracht bij de toepassingen II of III overeenkomstig de
lijst in afdeling 2. 3.3. De motoren worden
geïnstalleerd met het vermogen als toegestaan in de typegoedkeuring en als
vermeld op de motor door middel van type-identificatie. Als dergelijke motoren
eenheden of machines met een lager energieverbruik moeten aandrijven, mag het
vermogen slechts worden verminderd door ingrepen die losstaan van de motor, om
het vermogensniveau te bereiken dat nodig is voor de toepassing. ADMINISTRATIEVE AANWIJZING
Nr. 24 Geschikt
gasdetectiesysteem (Artikel 15.15,
lid 9, van bijlage II) 1. Overeenkomstig
artikelen 24.02, lid 2, en 24.06, lid 5 (in beide gevallen overgangsbepalingen
van artikel 15.01, lid 2, onder e), mogen systemen op vloeibaar petroleumgas
(LPG) voor huishoudelijke doeleinden aan boord van bestaande passagiersschepen
alleen toegepast worden tot de eerste verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat
na 1 januari 2045 op voorwaarde dat een gasdetectiesysteem overeenkomstig
artikel 15.15, lid 9, aanwezig is. Overeenkomstig artikel 15.15, lid 9, mogen
LPG-systemen voor huishoudelijke doeleinden in de toekomst ook geïnstalleerd
worden op passagiersschepen die voor het eerst in gebruik genomen worden en die
een lengte van ten hoogste 45 m hebben, indien op hetzelfde moment een
dergelijk systeem wordt geïnstalleerd. 2. Overeenkomstig
artikelen 24.02, lid 2, en 24.06, lid 5 (in beide gevallen overgangsbepalingen
van artikel 15.15, lid 9), moet dit gasdetectiesysteem geïnstalleerd zijn bij
de eerste verlenging van het certificaat overeenkomstig artikel 14.15. 3. Dit
gasdetectiesysteem bestaat uit sensoren, inrichtingen en leidingen en moet geschikt
worden geacht als het aan de volgende voorschriften voldoet: 3.1. Eisen
waaraan het systeem (sensoren, inrichtingen, leidingen) moet voldoen: 3.1.1. Het
gasalarm moet ten laatste afgegeven worden wanneer een van de volgende waarden
wordt bereikt of overschreden: a) 10 %
onderste explosiegrens (LEL) van een propaan-luchtmengsel, en b) 30 ppm CO
(koolmonoxide). 3.1.2. De
tijdspanne die nodig is om het alarm voor het gehele systeem te activeren, mag
niet langer duren dan 20 s. 3.1.3. De
grenswaarden onder nummers 3.1.1 en 3.1.2 mogen niet instelbaar zijn. 3.1.4. De
testgasproductie moet zodanig ontworpen zijn dat een onderbreking of
verstopping wordt gedetecteerd. Verstoringen door luchttoevoer of verlies van
testgas ten gevolge van lekkage moeten voorkomen worden of aan het licht
gebracht en gerapporteerd worden. 3.1.5. De
inrichtingen moeten ontworpen zijn voor temperaturen van –10 tot 40 °C en een
luchtvochtigheid van 20-100 %. 3.1.6. Het
gasdetectiesysteem moet een eigen controlesysteem hebben. Het moet onmogelijk
zijn voor onbevoegden om het systeem uit te schakelen. 3.1.7. Gasdetectiesystemen
die van stroom voorzien worden door het boordnet moeten gebufferd worden tegen
stroomuitval. Apparatuur op accumulatoren moet voorzien worden van een alarm dat
aangeeft dat de accuspanning afneemt. 3.2. Voorschriften
waaraan het systeem moet voldoen: 3.2.1. Het systeem
moet bestaan uit een beoordelings- en een beeldschermeenheid. 3.2.2. Het alarm
dat waarschuwt dat de grenswaarden onder punt 3.1.1., onder a) en b), zijn
bereikt of overschreden, moet optisch en akoestisch gegeven worden, zowel in de
ruimte die wordt bewaakt als in het stuurhuis of op een andere permanent
bemande plaats. Het alarm moet duidelijk zichtbaar en hoorbaar zijn, zelfs
onder de bedrijfsomstandigheden met de hoogste geluidsdruk. Het alarm moet
duidelijk onderscheiden kunnen worden van andere akoestische en optische
signalen in de ruimte die wordt beschermd. Het akoestische alarm moet duidelijk
hoorbaar zijn met gesloten verbindingsdeuren aan de ingangen en in de
aangrenzende ruimten. Het akoestische alarm mag na activering uitgezet worden,
het optische alarm mag alleen uitgeschakeld worden als de grenswaarden onder de
in punt 3.1.1 genoemde waarden zakken. 3.2.3. Het moet
mogelijk zijn om de rapporten, die aangeven dat de grenswaarden in punt 3.1.1,
onder a) en b), zijn bereikt of overschreden, onafhankelijk van elkaar te
vinden en duidelijk toe te wijzen. 3.2.4. Als de
apparatuur een speciale status heeft (opstarten, storing, ijken, parametrering,
onderhoud enz.) moet dit aangegeven worden. Het uitvallen van het gehele
systeem of van een van de onderdelen moet gemeld worden door een alarm
overeenkomstig punt 3.2.2. Het akoestische alarm mag na activering uitgezet
worden, het optisch alarm mag alleen uitgeschakeld worden nadat de storing is
verholpen. 3.2.5. Als het
mogelijk is om verschillende rapporten uit te draaien (grenswaarden, speciale
status) moet het ook mogelijk zijn om deze van elkaar te onderscheiden en
duidelijk toe te wijzen. Indien nodig, verschijnt er een gezamenlijk signaal
dat aangeeft dat het niet mogelijk is om alle rapporten te verstrekken. In dit
geval worden de rapporten in volgorde van belangrijkheid verstrekt, te beginnen
met het rapport dat het belangrijkst is voor de veiligheid. De rapporten die
niet verstrekt kunnen worden, moeten weergegeven kunnen worden met een druk op
een knop. De volgorde van belangrijkheid moet duidelijk blijken uit de
documentatie van de apparatuur. 3.2.6. Het systeem
moet zodanig zijn ontworpen dat tussenkomst door onbevoegden niet mogelijk is. 3.2.7. Telkens
wanneer detectie- en alarmapparatuur wordt gebruikt, moeten de bewakings- en
alarmeenheid en de signaleringsinrichting bediend kunnen worden van buiten de
ruimten met gasopslag en verbruikstoestellen. 3.3. Voorschriften
waaraan sensoren/bemonsteringsapparatuur moet(en) voldoen: 3.3.1. In elke
ruimte met verbruikstoestellen moeten sensoren van het gasdetectiesysteem
aangebracht zijn in de nabijheid van deze toestellen. De sensoren/bemonsteringsapparatuur
moet(en) zodanig aangebracht worden dat een concentratie van gas waargenomen
wordt voordat de in punt 3.1.1 genoemde grenswaarden worden bereikt. De
opstelling en montage van de sensoren moeten worden gedocumenteerd. De keuze
van de opstelling moet gemotiveerd worden door de fabrikant of het bedrijf dat
gespecialiseerd is in de installatie van deze systemen. De leidingen van de
bemonsteringsapparatuur moeten zo kort mogelijk zijn. 3.3.2. De sensoren
moeten gemakkelijk toegankelijk zijn, zodat ze regelmatig geijkt, onderhouden
en op veiligheid gecontroleerd kunnen worden. 3.4. Voorschriften
waaraan de installatie moet voldoen: 3.4.1. Het volledige
gasdetectiesysteem moet geïnstalleerd worden door een bedrijf dat hierin
gespecialiseerd is. 3.4.2. Bij de
installatie moet rekening gehouden worden met de volgende aspecten: a)
ventilatiesystemen ter plaatse, b) constructie
van het schip (ontwerp van de muren, scheidingsvlakken enz.) die een
concentratie van gas vergemakkelijken of bemoeilijken, en c) het
voorkomen van nadelige gevolgen door mechanische schade, water- of
warmteschade. 3.4.3. Alle
leidingen van bemonsteringsapparatuur moeten zodanig gelegd worden dat
condensvorming niet mogelijk is. 3.4.4. Het systeem
moet zodanig geïnstalleerd worden dat ongeoorloofde manipulatie niet mogelijk
is. 4. IJking en
controle van de gasdetectiesystemen, vervanging van onderdelen met beperkte
levensduur. 4.1 Gasdetectiesystemen
moeten geijkt en gecontroleerd worden door een erkende deskundige of een
deskundige overeenkomstig de aanwijzingen van de fabrikant. a) vóór de eerste
ingebruikstelling; b) vóór een hernieuwde
ingebruikstelling na een wezenlijke verandering of reparatie; c) regelmatig. Er moet een verklaring
betreffende de ijking en controle worden afgegeven, ondertekend door de erkende
deskundige of de deskundige die de keuring heeft verricht, en waarop de datum
van de keuring is vermeld. 4.2 Onderdelen
van de gasdetectiesystemen met een beperkte levensduur moeten tijdig vóór het
aangegeven einde van de levensduur worden vervangen. 5. Merktekens 5.1. Op alle
apparaten moeten ten minste de volgende gegevens op een duidelijk leesbare en
onuitwisbare wijze vermeld staan: a) naam van de
fabrikant en diens adres, b) wettelijke
merktekens, c) serie- en typeaanduiding, d) indien
mogelijk, serienummer, e) indien
nodig, onontbeerlijke adviezen voor veilig gebruik, en f) voor iedere
sensor, vermelding van het ijkgas. 5.2. Elementen
van het gasdetectiesysteem met beperkte levensduur moeten duidelijk als zodanig
zijn gemarkeerd. 6. Gegevens
van de fabrikant betreffende het gasdetectiesysteem: a) alle
voorschriften, tekeningen en schema's betreffende de veilige en correcte
werking en installatie, het opstarten en het onderhoud van het
gasdetectiesysteem, b) handleidingen
die ten minste omvatten: aa) maatregelen die
getroffen moeten worden bij een alarm of een storingsmelding, bb)
veiligheidsmaatregelen die getroffen moeten worden als het systeem niet
beschikbaar is (bv. ijking, keuring, storing), en cc) personen die
verantwoordelijk zijn voor de installatie en het onderhoud, c) instructies
m.b.t. ijking voor het opstarten en m.b.t. routinematige ijkingen inclusief aan
te houden tijdsintervallen, d)
voedingsspanning, e) soorten
alarmen en schermen (bv. speciale status) en de betekenis ervan, f) informatie
betreffende het opsporen van bedrijfsproblemen en het verhelpen van storingen, g) soort en
omvang van de vervanging van onderdelen met beperkte levensduur, en h) soort,
omvang en tijdsinterval van de keuringen. ADMINISTRATIEVE AANWIJZING
Nr. 25 Elektriciteitskabels (artikel 9.15 en 15.10,
lid 6, van bijlage II) Algemeen
(alle schepen) — artikel 9.15 1. Bij de toepassing van
artikel 9.15, lid 5, moet rekening gehouden worden met beperkte ventilatie van
kabels in volledig gesloten kabelgoten. 2. Volgens artikel 9.15,
lid 9, moet het aantal kabelverbindingen beperkt worden tot een minimum.
Ze mogen gebruikt worden voor reparatie- of vervangingsdoeleinden en in
uitzonderlijke gevallen om de installatie te vergemakkelijken.
Kabelverbindingen conform punt 3.28 en bijlage D van IEC 60092-352:2005 of
gelijkwaardige door een van de lidstaten erkende regelingen, worden
aanvaardbaar geacht. Passagiersschepen
— artikel 15.10, lid 6 1. Op passagiersschepen
worden kabels en de wijze waarop ze gelegd zijn als toereikend beschouwd als ze
voldoen aan de voorwaarden in 2 en 3. 2. Kabels die in geval van
nood de in artikel 15.10, lid 4 genoemde inrichtingen van noodstroom voorzien,
moeten overeenkomstig artikel 15.10, lid 6, tweede alinea, voldoen aan de
volgende eisen: a) de kabels
moeten zodanig worden gelegd dat ze niet buiten werking gesteld kunnen worden
door de hitte van de schotten en dekken die veroorzaakt wordt door een brand in
een aangrenzende ruimte. b) kabels die
inrichtingen van stroom voorzien in gebieden met een groot brandrisico, moeten
zodanig gelegd worden dat voorkomen wordt dat ze over of vlak boven
dieselmotoren en petroleumtoestellen lopen of vlakbij hete oppervlakken zoals
uitlaatgassenleidingen van dieselmotoren. Als het niet mogelijk is om dit te
vermijden, moeten de kabels beschermd worden tegen hitte en brandschade. Een
dergelijke brandbeveiliging kan bestaan uit een stalen plaat of kabelgoot. c) de kabels en
de daarbij behorende inrichtingen van de noodstroomvoorziening, moeten, voor
zover haalbaar, binnen het veilige gebied geïnstalleerd worden. d)
kabelsystemen moeten zodanig worden ingericht dat een brand in een gebied dat
conform artikel 15.11, lid 2, door scheidingsvlakken van type A wordt begrensd,
geen belemmering kan vormen voor diensten die noodzakelijk zijn voor de
veiligheid in een ander gebied. Aan deze eis wordt voldaan als de hoofd- en
noodstroomkabels niet door hetzelfde gebied lopen. Als ze door hetzelfde gebied
lopen, wordt aan de eis voldaan indien: aa) ze zo ver uit
elkaar gelegd worden als haalbaar is, of bb) als de
noodstroomkabel brandbestendig is. 3. Kabelbundels dienen
zodanig gelegd te worden dat gewaarborgd wordt dat de brandvertragende
eigenschappen van de kabels niet in het geding komen. Aan deze eis wordt
voldaan, indien kabels conform IEC 60332-3:2000 worden toegepast. Als niet
voldaan wordt aan IEC 60332-3:2000 of gelijkwaardige door een van de lidstaten
erkende regelingen, moeten brandstoppen in lange kabelbundeltrajecten (meer dan
6 m verticaal en 14 m horizontaal) overwogen worden, behalve wanneer
de kabels volledig in kabelgoten zijn weggewerkt. Het gebruik van ongeschikte
verfsoorten, kabelgoten en kabelmantels kan de brandwerende eigenschappen van
kabels aantasten en moet voorkomen worden. Het gebruik van speciale soorten
kabels zoals radiofrequentiekabels mag worden toegestaan zonder dat voldaan
moet worden aan de hiervoor genoemde eisen. ADMINISTRATIEVE AANWIJZING Nr. 26 Erkende deskundigen en deskundigen (Artikel 1.01, leden 106 en 107, van
bijlage II) Deskundigen Erkende deskundigen voeren
keuringen uit die, ofwel wegens de complexiteit van de systemen ofwel wegens
het vereiste veiligheidsniveau, bijzondere technische kennis vereisen. Tot de
groep personen of instellingen die bevoegd zijn dergelijke keuringen uit te
voeren, behoren: 1.
classificatiebureaus die hetzij intern over de
nodige kennis beschikken of verantwoordelijkheid dragen, hetzij in het kader
van hun bevoegdheden een beroep doen op externe personen of instellingen en
hebben de nodige kwaliteitscontrolesystemen voor het selecteren van deze
personen of instellingen; 2.
leden van de commissies van
deskundigen of medewerkers van de relevante instanties; 3.
door de instanties erkende
personen of instellingen met erkende deskundigheid op het specifieke gebied van
deze erkenning, waarbij de organen die de vaartuigkeuringen uitvoeren deze
erkenning ook kunnen afgeven in hun hoedanigheid als overheidsinstelling,
idealiter op basis van een kwaliteitsborgingsysteem. Een persoon of instelling
wordt geacht te zijn erkend indien hij of zij een officiële selectieprocedure
heeft doorstaan waarin in het bijzonder naar de vereiste deskundigheid en
ervaring werd gepeild. Deskundigen Deskundigen voeren
bijvoorbeeld gangbare visuele en functiecontroles uit op veiligheidsuitrusting.
Kunnen als deskundigen worden beschouwd: 1.
personen die op grond van hun beroepsopleiding en
ervaring voldoende deskundig zijn om bepaalde situaties en omstandigheden te
beoordelen, bijvoorbeeld, schippers, personen belast met de veiligheid bij
scheepvaartondernemingen, bemanningsleden met relevante ervaring; 2.
ondernemingen die op grond van
hun gangbare activiteiten, bv. als scheepswerf of inbouwfirma, voldoende
vakkennis hebben verworven; 3.
fabrikanten van specifieke
installaties (bv. blussystemen, bedieningsapparatuur). Terminologie Duits || Engels || Frans || Nederlands Sachverständiger || expert || expert || erkende deskundige Sachkundiger || competent person || spécialiste || deskundige Fachfirma || competent firm || société spécialisée || deskundig bedrijf Keuringen De onderstaande tabel geeft een overzicht van de voorziene
keuringen, de regelmaat ervan en welke keurder is voorzien voor het uitvoeren
van deze keuringen. Deze tabel is enkel ter informatie opgesteld. Voorschrift || Voorwerp || Maximale tussentijd tussen twee keuringen || Inspecteur Artikel 6.03, lid 5 || Hydraulische cilinders, pompen en motoren || 8 jaar || Deskundig bedrijf Artikel 6.09, lid 3 || Gemotoriseerde bedieningsapparatuur || 3 jaar || Deskundige Artikel 8.01, lid 2 || Drukvaten || 5 jaar || Uitstekend Artikel 10.03, lid 5 || Draagbare blustoestellen || 2 jaar || Deskundige Artikel 10.03a, lid 6, onder d) || Ingebouwde blussystemen || 2 jaar || Deskundige of deskundig bedrijf Artikel 10.03 ter, lid 9, onder b), punt dd) || Ingebouwde blussystemen || 2 jaar || Deskundige of deskundig bedrijf Artikel 10.04, lid 3 || Opblaasbare sloepen || Gespecificeerd door de fabrikant || Artikel 10.05, lid 3 || Reddingsvesten || Gespecificeerd door de fabrikant || Artikel 11.12, lid 6 || Hijskranen || 10 jaar || Uitstekend Artikel 11.12, lid 7 || Hijskranen || 1 jaar || Deskundige Artikel 14.13 || Vloeibaargasinstallaties || 3 jaar || Uitstekend Artikel 15.09, lid 9 || Reddingsmiddelen || Gespecificeerd door de fabrikant || Artikel 15.10, lid 9 || Isolatieweerstand, aarding || Vóór het aflopen van de geldigheidsduur van het EU-binnenvaartcertificaat || Administratieve aanwijzing nr. 17 || Brandmeldsystemen || 2 jaar || Erkende deskundige of deskundige Administratieve aanwijzing nr. 21 || Veiligheidsgeleidesystemen || 5 jaar || Erkende deskundige of deskundige Administratieve aanwijzing nr. 24 || Gasdetectiesystemen || Gespecificeerd door de fabrikant || Erkende deskundige of deskundige ADMINISTRATIEVE AANWIJZING Nr. 27 Pleziervaartuigen
(Artikel 21.02, lid 2, juncto artikel 7.02, artikel 8.05, lid 5, artikel 8.08,
lid 2, en artikel 8.10 van bijlage II) 1. Algemene
bepaling Pleziervaartuigen met een
lengte van maximaal 24 m die in de handel worden gebracht, moeten voldoen aan
de voorschriften van Richtlijn 94/25/EG*, als gewijzigd bij Richtlijn 2003/44/EG.
Overeenkomstig artikel 3 juncto artikel 2 van deze richtlijn, moeten
pleziervaartuigen met een lengte van minstens 20 m beschikken over een
EU-binnenvaartcertificaat ten bewijze dat het vaartuig voldoet aan de
technische voorschriften van bijlage II. Om te vermijden dat bepaalde
uitrusting, inrichtingen en installaties van nieuw gebouwde pleziervaartuigen
dubbel zouden worden gecontroleerd of gecertificeerd als gevolg van bepaalde
bepalingen in artikel 21.02 van bijlage II, geeft deze administratieve aanwijzing
informatie over deze voorschriften in artikel 21.02 waarop Richtlijn 94/25/EG
al voldoende van toepassing is. 2. Voorschriften
in artikel 21.02 waarop Richtlijn 94/25/EG al van toepassing is Voor pleziervaartuigen die
vallen onder Richtlijn 94/25/EG verlangt de commissie van deskundigen met betrekking
tot de afgifte van het EU-binnenvaartcertificaat (eerste keuring) geen verder
onderzoek of certificering voor de volgende eisen uit artikel 21.02, lid 2, van
bijlage II, op voorwaarde dat het vaartuig dat voor keuring wordt aangeboden
niet langer dan 3 jaar vóór de datum van aanbieding aan de commissie van
deskundigen in de handel werd gebracht en dat geen aanpassingen aan het
vaartuig zijn uitgevoerd, en dat de overeenstemmingsverklaring verwijst naar de
volgende geharmoniseerde normen of hieraan gelijkwaardige normen: –
Artikel 7.02 : EN
ISO 11591:2000, (Vrij zicht) –
Artikel 8.05, lid 5: EN
ISO 10088:2001, (Brandstoftanks en -leidingen) –
Artikel 8.08, lid 2: EN
ISO 15083:2003, (Lensinrichtingen) –
Artikel 8.10 : EN
ISO 14509, (Geluidsemissie) (*) PB L 164 van 30.6.1994, blz. 15. Aanhangsel III Model van het uniek Europees scheepsidentificatienummer A || A || A || x || x || x || x || x [Code van de bevoegde instantie die het Europees scheepsidentificatie-nummer toewijst] || [Serienummer] In dit model staat
"AAA" voor de code van drie cijfers die de bevoegde instantie toekent
bij de toewijzing van het Europees scheepsidentificatienummer, waarbij de
volgende nummers moeten worden gerespecteerd voor de landen in kwestie: 001-019 || Frankrijk 020-039 || Nederland 040-059 || Duitsland 060-069 || België 070-079 || Zwitserland 080-099 || Bestemd voor schepen uit landen die geen partij zijn bij de Akte van Mannheim en waaraan een Rijnvaartcertificaat is verstrekt vóór 1.4.2007 100-119 || Noorwegen 120-139 || Denemarken 140-159 || Verenigd Koninkrijk 160-169 || IJsland 170-179 || Ierland 180-189 || Portugal 190-199 || GERESERVEERD 200-219 || Luxemburg 220-239 || Finland 240-259 || Polen 260-269 || Estland 270-279 || Litouwen 280-289 || Letland 290-299 || GERESERVEERD 300-309 || Oostenrijk 310-319 || Liechtenstein 320-329 || Tsjechië 330-339 || Slowakije 340-349 || GERESERVEERD 350-359 || Kroatië 360-369 || Servië 370-379 || Bosnië en Herzegovina 380-399 || Hongarije 400-419 || Rusland 420-439 || Oekraïne 440-449 || Belarus 450-459 || Moldavië 460-469 || Roemenië 470-479 || Bulgarije 480-489 || Georgië 490-499 || GERESERVEERD 500-519 || Turkije 520-539 || Griekenland 540-549 || Cyprus 550-559 || Albanië 560-569 || Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië 570-579 || Slovenië 580-589 || Montenegro 590-599 || GERESERVEERD 600-619 || Italië 620-639 || Spanje 640-649 || Andorra 650-659 || Malta 660-669 || Monaco 670-679 || San Marino 680-699 || GERESERVEERD 700-719 || Zweden 720-739 || Canada 740-759 || Verenigde Staten van Amerika 760-769 || Israël 770-799 || GERESERVEERD 800-809 || Azerbeidzjan 810-819 || Kazachstan 820-829 || Kirgizstan 830-839 || Tadzjikistan 840-849 || Turkmenistan 850-859 || Oezbekistan 860-869 || Iran 870-999 || Gereserveerd. „xxxxx” staat voor het
serienummer van vijf cijfers dat door de bevoegde instantie is toegekend. Aanhangsel
IV Gegevens voor de
identificatie van schepen A.
Alle vaartuigen 1. Uniek Europees
Scheepsidentificatienummer overeenkomstig artikel 2.18 van deze bijlage
(bijlage V, deel 1, vak 3, van het model en bijlage VI, 5e kolom) 2. Naam van het
vaartuig/schip (bijlage V, deel 1, vak 1, van het model en bijlage VI, 4e
kolom) 3. Type vaartuig als
bepaald in artikel 1.01, punt 1 t/m 28, van deze bijlage (bijlage V, deel 1,
vak 2, van het model) 4. Totale lengte als
bepaald in artikel 1.01, punt 70, van deze bijlage (bijlage V, deel 1, vak 17a) 5. Totale breedte als
bepaald in artikel 1.01, punt 73, van deze bijlage (bijlage V, deel 1, vak 18a) 6. Diepte als bepaald in
artikel 1.01, punt 76, van deze bijlage (bijlage V, deel 1, vak 19) 7. Gegevensbron (=
EU-binnenvaartcertificaat) 8. Laadvermogen (bijlage
V, deel 1, vak 21 en bijlage VI, 11e kolom) cargoschepen 9. Deplacement als bepaald
in artikel 1.01, punt 60, van deze bijlage (bijlage V, deel 1, vak 21 en
bijlage VI, 11e kolom) voor andere dan cargoschepen 10. Exploitant (eigenaar
of zijn vertegenwoordiger, bijlage II, hoofdstuk 2) 11. Instantie van afgifte
(bijlage V, deel 1, en bijlage VI) 12. Nummer van het
EU-binnenvaartcertificaat (bijlage V, deel 1, en bijlage VI, 1e kolom, van het
model) 13. Vervaldatum (bijlage
V, deel 1, vak 11, van het model en bijlage VI, 17e kolom van het model) 14. Maker van het
gegevensbestand B.
Indien beschikbaar 1. Nationaal nummer 2. Type schip
overeenkomstig de technische specificaties voor elektronische
scheepsrapportering in de binnenvaart 3. Enkele of dubbele romp
overeenkomstig ADN/ADNR 4. Hoogte als bepaald in
artikel 1.01, punt 75 5. Brutotonnage (voor
zeeschepen) 6. IMO-nummer (voor
zeeschepen) 7. Roepnaam (voor
zeeschepen) 8. MMSI-nummer 9. ATIS-code 10. Type, nummer,
instantie van afgifte en vervaldatum van andere certificaten Aanhangsel V Motorparameterprotocol 0 || Algemene bepaling 0.1 || Informatie over de motor 0.1.1 || Merk:__________________________________________________________________________ 0.1.2 || Beschrijving van de fabrikant:________________________________________________________ 0.1.3 || Typegoedkeuringsnummer:_________________________________________________________ 0.1.4 || Motoridentificatienummer:__________________________________________________________ || ______________________________________________________________________________ 0.2 || Documentatie || De motorparameters moeten worden getest en de testresultaten moeten worden gedocumenteerd. De documentatie moet bestaan uit afzonderlijke bladen, die individueel genummerd zijn en ondertekend door de controle-instantie, en moet als bijlage aan dit protocol worden gehecht. 0.3 || Test || De test moet worden uitgevoerd op basis van de instructies van de motorfabrikant betreffende de controle van onderdelen en motorparameters die van belang zijn voor de uitlaatgassen. In behoorlijk gemotiveerde gevallen kunnen de controle-instanties naar eigen goeddunken afzien van de controle van bepaalde motorparameters. 0.4 || Dit motorparameterprotocol, met inbegrip van de begeleidende grafieklezingen, telt in totaal … (*) pagina’s. 1. || Motorparameters || Hierbij moet worden verklaard dat de geteste motor niet buitensporig afwijkt van de voorgeschreven parameters. 1.1 || Controle van de installatie || Naam en adres van de testfaciliteit:____________________________________________________ || ______________________________________________________________________________ || ______________________________________________________________________________ || Naam van de controleur:____________________________________________________________ || Plaats en datum:__________________________________________________________________ || Handtekening:___________________________________________________________________ || Test erkend door bevoegde instantie:__________________________________________________ || ______________________________________________________________________________ || ______________________________________________________________________________ || Plaats en datum:__________________________________ || Stempel van de bevoegde || Handtekening:___________________________________ || instantie ----------------- * In te vullen door de controleur. 1.2 || Tussentijdse test Speciale test || Naam en adres van de testfaciliteit:____________________________________________________ || ______________________________________________________________________________ || ______________________________________________________________________________ || Naam van de controleur:____________________________________________________________ || Plaats en datum:__________________________________________________________________ || Handtekening:___________________________________________________________________ || Test erkend door bevoegde instantie:__________________________________________________ || ______________________________________________________________________________ || ______________________________________________________________________________ || Plaats en datum:__________________________________ || Stempel van de bevoegde || Handtekening:___________________________________ || instantie 1.2 || Tussentijdse test Speciale test || Naam en adres van de testfaciliteit:____________________________________________________ || ______________________________________________________________________________ || ______________________________________________________________________________ || Naam van de controleur:____________________________________________________________ || Plaats en datum:__________________________________________________________________ || Handtekening:___________________________________________________________________ || Test erkend door bevoegde instantie:__________________________________________________ || ______________________________________________________________________________ || ______________________________________________________________________________ || Plaats en datum:__________________________________ || Stempel van de bevoegde || Handtekening:___________________________________ || instantie 1.2 || Tussentijdse test Speciale test || Naam en adres van de testfaciliteit:____________________________________________________ || ______________________________________________________________________________ || ______________________________________________________________________________ || Naam van de controleur:____________________________________________________________ || Plaats en datum:__________________________________________________________________ || Handtekening:___________________________________________________________________ || Test erkend door bevoegde instantie:__________________________________________________ || ______________________________________________________________________________ || ______________________________________________________________________________ || Plaats en datum:__________________________________ || Stempel van de bevoegde || Handtekening:___________________________________ || instantie BIJLAGE bij het MOTORPARAMETERPROTOCOL || || Naam van het schip: || || Europees scheepsidentificatienummer: || || || || || Controle van de installatie || || Tussentijdse test || || Speciale test || || || || || || || || Fabrikant: || || Motortype: || || || (Handelsnaam/handelsmerk/handelsnaam van de fabrikant) || || (Motorfamilie/beschrijving van de fabrikant) || || Nominaal vermogen (kW) || || Nominaal toerental [1/min]: || || Aantal cilinders || || || Gebruik waarvoor de motor is bestemd || || || (Hoofdvoortstuwing van het schip/generatorvoortstuwing/voorwaartse straalvoortstuwing/hulpmotor, enz.) || || Typegoedkeurings-nummer || || Bouwjaar van de motor || || Motoridentificatienummer || || Plaats van installatie: || || || (Serienummer/uniek identificatienummer) || || || || || || De motor en motoronderdelen die van belang zijn voor de uitlaatgassen zijn bepaald op grond van de details op het gegevensplaatje. De test is uitgevoerd op basis van de instructies van de motorfabrikant betreffende de controle van onderdelen en motorparameters die van belang zijn voor de uitlaatgassen. || || A) Test van de onderdelen Aanvullende onderdelen die van belang zijn voor de uitlaatgassen en die zijn opgenomen in de instructies van de motorfabrikant betreffende de controle van voor de uitlaatgassen relevante onderdelen en motorparameters, moeten in de tabel worden vermeld. || || Onderdeel || Geregistreerd onderdeelnummer || Overeenstemming || || Nokkenas/zuiger || || Ja || Neen || N/A || || Injectieklep || || Ja || Neen || N/A || || Gegevensreeks/softwarenummer || || Ja || Neen || N/A || || Inspuitpomp || || Ja || Neen || N/A || || Cilinderkop || || Ja || Neen || N/A || || Uitlaatgasturbocompressor || || Ja || Neen || N/A || || Tussenkoeler || || Ja || Neen || N/A || || || || Ja || Neen || N/A || || || || Ja || Neen || N/A || || || || Ja || Neen || N/A || || B) Visuele keuring van de aanpasbare kenmerken en motorparameters || || Parameter || Geregistreerde waarde || Overeenstemming || || Injectietijd, injectieperiode || || Ja || Neen || || C) Keuring van de luchtinlaat en het uitlaatsysteem || || || Er zijn metingen gedaan om de overeenstemming met de toegestane waarden na te gaan Inlaat onder druk: kPa bij nominaal toerental en volle belasting Uitlaatgastegendruk: Pa bij nominaal toerental en volle belasting || || || Er is een visuele keuring van de luchtinlaat en het uitlaatgassysteem uitgevoerd. Er zijn geen afwijkingen vastgesteld die kunnen wijzen op een gebrek aan overeenstemming met de toegestane waarden. || || || D) Opmerkingen: || || || (De volgende afwijkende afstellingen, wijzigingen of veranderingen aan de geïnstalleerde motor werden vastgesteld.) || || || || || || || || || || || Naam van de controleur: || || || Plaats en datum: || || || Handtekening: || || Aanhangsel VI Boordzuiveringsinstallaties
- Aanvullende voorschriften en modellen van certificaten - Inhoudsopgave Deel I Aanvullende voorschriften 1. Merktekens van boordzuiveringsinstallaties 2. Keuring 3. Beoordeling van de conformiteit van de productie Deel II Inlichtingenformulier (model) Addendum 1— Essentiële eigenschappen van een
boordzuiveringsinstallatietype (model) Deel III Typegoedkeuringscertificaat (model) Addendum 1 - Testresultaten voor de typegoedkeuring (model) Deel IV Systeem voor de nummering van typegoedkeuringen Deel V Lijst van afgegeven typegoedkeuringen voor
boordzuiveringsinstallatietypes Deel VI Lijst van vervaardigde boordzuiveringsinstallaties (model) Deel VII Gegevensformulier van typegoedgekeurde
boordzuiveringsinstallaties (model) Deel VIII Proces-verbaal van de kenmerken van de
boordzuiveringsinstallaties voor de bijzondere keuring (model) Addendum 1 - Aanhangsel bij het proces-verbaal van
kenmerken van de boordzuiveringsinstallaties Deel IX Equivalente typegoedkeuringen Deel I Aanvullende voorschriften 1. Merktekens van boordzuiveringsinstallaties 1.1 Op de
typegeteste boordzuiveringsinstallatie moeten de volgende gegevens (merktekens)
vermeld staan: 1.1.1 handelsmerk of
handelsnaam van de fabrikant; 1.1.2 type en
serienummer van de boordzuiveringsinstallatie; 1.1.3 nummer van de
typegoedkeuring overeenkomstig Deel IV van dit aanhangsel; 1.1.4 bouwjaar van de
boordzuiveringsinstallatie. 1.2 De merktekens,
bedoeld in punt 1.1, moeten tijdens de gehele nuttige levensduur van de
boordzuiveringsinstallatie duurzaam, duidelijk leesbaar en onuitwisbaar zijn.
Indien zelfklevende etiketten of plaatjes worden gebruikt, moeten deze zodanig
worden bevestigd dat ook de bevestiging duurzaam is voor de levensduur van de
boordzuiveringsinstallatie en de etiketten/plaatjes niet kunnen worden
verwijderd zonder deze te vernietigen of onleesbaar te maken. 1.3 De merktekens
moeten worden aangebracht op een onderdeel van de boordzuiveringsinstallatie
dat noodzakelijk is voor het normale bedrijf ervan en normaliter niet behoeft
te worden vervangen gedurende de levensduur van de boordzuiveringsinstallatie. 1.3.1 De merktekens
moeten zich op een zodanige plaats bevinden dat zij goed zichtbaar zijn, nadat
de boordzuiveringsinstallatie volledig is uitgerust met alle hulpvoorzieningen
die nodig zijn voor de werking van de installatie. 1.3.2 Zo nodig moet de
boordzuiveringsinstallatie bovendien voorzien zijn van een afneembaar plaatje
van duurzaam materiaal met alle in punt 1.1 genoemde gegevens, dat zo is
aangebracht dat de gegevens, bedoeld in punt 1.1, na de inbouw van de
boordzuiveringsinstallatie in een vaartuig goed zichtbaar en gemakkelijk
bereikbaar zijn. 1.4 Alle onderdelen
van de boordzuiveringsinstallatie die van invloed kunnen zijn op de
afvalwaterzuivering moeten ondubbelzinnig gekenmerkt en geïdentificeerd zijn. 1.5 De precieze
plaats van de merktekens, bedoeld in punt 1.1, moet in Deel 1 van het
typegoedkeuringscertificaat worden vermeld. 2. Keuring De procedure voor de
keuring van boordzuiveringsinstallaties is vastgesteld in Aanhangsel VII. 3. Beoordeling van de conformiteit van de productie 3.1 Om, alvorens een
typegoedkeuring wordt verleend, na te gaan of toereikende regelingen en procedures
ter garantie van een effectieve controle van de conformiteit van de productie,
gaat de bevoegde instantie ervan uit dat de fabrikant bij een registratie
overeenkomstig de geharmoniseerde norm EN ISO 9001:2008 (waaronder ook de
productie van de desbetreffende boordzuiveringsinstallaties valt) of een
equivalente accrediteringsnorm aan de voorschriften voldoet. De fabrikant moet
bijzonderheden van de verklaring overleggen en de bevoegde instantie op de
hoogte stellen van veranderingen aangaande de geldigheid of het
toepassingsgebied. Om na te gaan of voortdurend aan artikel 14a.02, leden 2 tot
en met 5, wordt voldaan, moet de productie op passende wijze worden
gecontroleerd. 3.2 De houder van de
typegoedkeuring moet: 3.2.1 ervoor zorgen dat
er procedures bestaan voor de effectieve controle van de kwaliteit van het
product; 3.2.2 toegang hebben
tot de controleapparatuur die nodig is voor de controle van de conformiteit met
ieder typegoedgekeurd type; 3.2.3 ervoor zorgen dat
de testresultaten vastgelegd worden en de testnotities en de bijbehorende
documenten beschikbaar blijven voor een periode die wordt vastgesteld in
overleg met de bevoegde instantie; 3.2.4 de resultaten van
elk type test grondig analyseren om de bestendigheid van de eigenschappen van
de boordzuiveringsinstallatie, rekening houdend met de gebruikelijke
afwijkingen bij serieproductie, te kunnen aantonen en garanderen; 3.2.5 ervoor zorgen dat
bij alle steekproeven van boordzuiveringsinstallaties of testonderdelen die bij
een bepaalde test niet conform lijken te zijn, steeds een nieuwe steekproef en
test worden uitgevoerd. Daarbij moeten alle maatregelen worden getroffen die
noodzakelijk zijn om de conformiteit van de betrokken productie te herstellen. 3.3 De bevoegde
instantie die de typegoedkeuring heeft verleend, kan te allen tijde de methoden
ter controle van de conformiteit in de verschillende productieafdelingen
controleren. 3.3.1 Bij iedere keuring
moeten de testdocumentatie en productieoverzichten aan de keurder worden
overgelegd. 3.3.2 Wanneer het
kwaliteitsniveau ontoereikend blijkt te zijn, moet de volgende procedure worden
gevolgd: 3.3.2.1 er wordt een
boordzuiveringsinstallatie uit de serie genomen en door middel van
steekproefmetingen in de normale belastingsfase van Aanhangsel VII na één dag
gebruik getest. De vastgestelde waarden voor het gereinigde afvalwater mogen
overeenkomstig de testprocedure als bedoeld in Aanhangsel VII niet hoger zijn
dan de in artikel 14a.02, lid 2, tabel 2, genoemde waarden; 3.3.2.2 indien de
boordzuiveringsinstallatie uit de serie niet aan de eisen van punt 3.3.2.1
voldoet, kan de fabrikant vragen metingen te verrichten op een steekproef van
enkele andere boordzuiveringsinstallaties met dezelfde specificaties uit de
serie. Deze nieuwe steekproef moet ook de oorspronkelijk gekozen
boordzuiveringsinstallatie bevatten. De fabrikant bepaalt de omvang n van de
serie in overleg met de bevoegde instantie. De boordzuiveringsinstallaties
worden getest aan de hand van steekproefmetingen, met uitzondering van de oorspronkelijk
gekozen installatie. Vervolgens wordt het rekenkundige gemiddelde () van
de verkregen resultaten van de steekproefmetingen op
boordzuiveringsinstallaties berekend. De serieproductie voldoet aan de eisen
als de volgende voorwaarde is vervuld: In
deze formule betekent: k een
statistische factor die afhangt van n en die in de volgende tabel staat
vermeld: n || 2 || 3 || 4 || 5 || 6 || 7 || 8 || 9 || 10 k || 0,973 || 0,613 || 0,489 || 0,421 || 0,376 || 0,342 || 0,317 || 0,296 || 0,279 n || 11 || 12 || 13 || 14 || 15 || 16 || 17 || 18 || 19 k || 0,265 || 0,253 || 0,242 || 0,233 || 0,224 || 0,216 || 0,210 || 0,203 || 0,198 St
= ,
waarbij xi = elk individueel resultaat verkregen uit de steekproef
n; L =
de in artikel 14a.02, lid 2, tabel 2, vastgestelde toegestane grenswaarde voor
elke onderzochte verontreinigende stof. 3.3.3 Wanneer niet
wordt voldaan aan de in artikel 14a.02, lid 2, tabel 2 uiteengezette waarden,
wordt een nieuwe test uitgevoerd overeenkomstig punt 3.3.2.1 en, wanneer die
test geen positieve resultaten oplevert, wordt overeenkomstig punt 3.3.2.2 een
volledige test uitgevoerd volgens de testprocedure in aanhangsel VII. De in
artikel 14a.02, lid 2, tabel 1 vermelde grenswaarden mogen niet worden
overschreden, noch voor het mengmonster, noch voor de steekproef. 3.3.4 De bevoegde
instantie moet boordzuiveringsinstallaties keuren die volgens de informatie van
de fabrikant gedeeltelijk of volledig functioneren. 3.3.5 Normaliter mag de
bevoegde instantie één test van de conformiteit van de productie per jaar
uitvoeren. In geval van niet-overeenstemming met de eisen van punt 3.3.2 ziet
de bevoegde instantie erop toe dat alle nodige stappen worden genomen om de
conformiteit van de productie onverwijld te herstellen. Deel II (Model) Inlichtingenformulier nr. betreffende de typegoedkeuring van
boordzuiveringsinstallaties
die bestemd zijn voor inbouw in binnenvaartuigen Type boordzuiveringsinstallatie:
……………………………………………………………… 0. Algemene
bepaling 0.1 Merk (bedrijfsnaam van de
fabrikant): ...………………...……………………………... 0.2 Fabrikantenaanduiding van het
type boordzuiveringsinstallatie: …………... ………………………………………………………………………………………………. 0.3 Fabrikantencode zoals
aangegeven op de boordzuiveringsinstallatie: …………………………………………………………………. ……………………………………………………………………………………………… 0.4 Naam en adres van de fabrikant:
………………………………………………………... Naam en adres van de gemachtigde
vertegenwoordiger van de fabrikant, indien van toepassing: ……………… ……………………………………………………………………………………………… 0.5 Plaats, code en
bevestigingswijze van het serienummer van de boordzuiveringsinstallatie:
……………………………………………………………………………. ………………………………………………………………………………………………. 0.6 Plaats en wijze van aanbrengen
van het typegoedkeuringsnummer: ……………………… ……………………………………………………………………………………………… 0.7 Adres(sen) van
productie-eenheden: .………………………………………………………... ……………………………………………………………………………………………… Bijlagen 1. Essentiële
eigenschappen van het boordzuiveringsinstallatietype 2. Toegepaste
bouw- en dimensioneringscriteria, dimensioneringsvoorschriften en regelgeving 3. Schematische
voorstelling van de boordzuiveringsinstallatie, met een lijst van onderdelen 4. Schematische
voorstelling van de testinstallatie, met een lijst van onderdelen 5 Elektrisch
bedradingsschema's (R+I-schema) 6. Verklaring
dat alle voorschriften inzake de mechanische, elektrische en technische
veiligheid van de boordzuiveringsinstallaties en de voorschriften inzake
scheepsveiligheid zijn nageleefd 7. Eigenschappen
van de met de boordzuiveringsinstallatie verband houdende onderdelen van het
vaartuig 8. Inlichtingenformulier
van de fabrikant ter controle van de componenten betrekking hebbend op de
afvalwaterreiniging en kenmerken van de boordzuiveringsinstallatie,
overeenkomstig artikel 14a.01, lid 10 9. Foto's
van de boordzuiveringsinstallatie 10. Bedrijfsfasen[71] 10.1. Instructies
voor manuele bediening van de boordzuiveringsinstallatie 10.2. Informatie
over het beheer van restslib (lozingsintervallen) 10.3. Informatie
over onderhoud en herstellingen 10.4. Informatie over de
vereiste handelingen in de stand-byfase van de boordzuiveringsinstallatie 10.5. Opmerkingen over de
vereiste handelingen in de noodbedrijfsfase van de boordzuiveringsinstallatie 10.6. Informatie over de
vereiste handelingen voor uitschakeling, stillegging en heropstart van de
boordzuiveringsinstallatie 10.7. Informatie over de
vereiste handelingen voor de voorbehandeling van keukenafvalwater 11. Andere aanhangsels
(lijst) Datum,
handtekening van de fabrikant van de boordzuiveringsinstallatie …………………………………………… …………………………………………. Addendum Essentiële eigenschappen van het
boordzuiveringsinstallatietype (Model) 1. Beschrijving van de
boordzuiveringsinstallatie 1.1 Fabrikant:
…..……………………………………………………………………….. 1.2 Serienummer
van de installatie: ..……………………………………………………………… 1.3 Behandelingswijze:
biologisch of mechanisch-chemisch [72] 1.4 Voorgeschakelde
verzameltank? Ja, … m³ / Neen4 2. Criteria voor het
concept en de dimensionering (met inbegrip van specifieke inbouwinstructies of
gebruiksbeperkingen) 2.1 …………………………………………………………………………………………… 2.2 …………………………………………………………………………………………… 3. Dimensionering van de
boordzuiveringsinstallatie 3.1 Dagelijkse
maximale afvalwatervolumestroom Qd (m³/d): ..…………………………… 3.2 Dagelijkse
hoeveelheid verontreinigde massa uitgedrukt als BZB5-massa (kg/d)
………….…………………………………………... Deel III Typegoedkeuringscertificaat (Model) Stempel van de bevoegde instantie Typegoedkeuringsnr.:
………………………………... Uitbreiding nr.: ……….……………………. Toekenning/uitbreiding/weigering/intrekking[73] van de
typegoedkeuring voor een type boordzuiveringsinstallatie overeenkomstig deze
richtlijn. Reden
voor uitbreiding (indien van toepassing): ………………………………………………………………... Deel I 0. Algemene bepaling 0.1 Merk
(bedrijfsnaam van de fabrikant): ………………………………………………..... 0.2 Fabrikantenaanduiding
van het type boordzuiveringsinstallatie: ………………………………………………………………………….………………….. ……………………………………………………………………………………………… 0.3 Fabricantencode
zoals aangegeven op de boordzuiveringsinstallatie:
.……………………………………………………………………………………….. ……………………………………………………………………………………………… Plaats:
………………………………………………………………………………………. Wijze
van aanbrengen: ….……………………………………………………………….. 0.4 Naam
en adres van de fabrikant: …………………………………………………...... …………………………………………………………………………………………… Naam
en adres van de gemachtigde vertegenwoordiger van de fabrikant, indien van
toepassing: ……………………………………………………………..……………………... …………………………………………………………………………………………… 0.5 Plaats,
code en wijze van aanbrengen van het serienummer van de
boordzuiveringsinstallatie: ………………………………………………………………………………. …………………………………………………………………………………………… …………………………………………………………………………………………… 0.6 Plaats
en wijze van aanbrengen van het typegoedkeuringsnummer: …………………... ……………………………………………………………………………………………. 0.7 Adres(sen)
van productie-eenheden: .……………………………………………………….. ……………………………………………………………………………………………… Afdeling II 1. Eventuele
gebruiksbeperkingen: ….……………………………………………………………… 1.1 Speciale voorwaarden
voor de inbouw van de boordzuiveringsinstallatie in het vaartuig: …………………………………………………………………………………………… 1.1.1
…………………………………………………………………………………………… 1.1.2
…………………………………………………………………………………………… 2. Technische
dienst die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de tests[74] …………………………..… ……………………………………………………………………………………………. ……………………………………………………………………………………………. 3. Datum
van het testrapport: ……………………………………………………………….……… 4. Nummer
van het testrapport: …………………………………………………………………… 5. Ondergetekende
verklaart hierbij dat de beschrijving van de fabrikant in het bijgevoegde
inlichtingenformulier van de hierboven bedoelde boordzuiveringsinstallatie
juist is en dat de bijgevoegde testresultaten als bedoeld in aanhangsel VII van
deze richtlijn en de geldigheid daarvan op dit boordzuiveringsinstallatietype
van toepassing zijn. Het testexemplaar/de testexemplaren (is) zijn met
toestemming van de bevoegde instantie door de fabrikant geselecteerd en
beschikbaar gesteld als proefmodel van de boordzuiveringsinstallatie De typegoedkeuring
wordt afgegeven/uitgebreid/geweigerd/ingetrokken[75]: Plaats:……………………………………………………………………………………. Datum:
…………………………………………………………………………………….. Handtekening:
………………………………………………………………………………. Bijlage: Informatiedossier Testresultaten (zie Bijlage 1) Bijlage 1 Testresultaten voor de typegoedkeuring (Model) 0. Algemene bepaling 0.1 Merk
(bedrijfsnaam van de fabrikant): ………………………………………………...... 0.2 Fabrikantenaanduiding
van het type boordzuiveringsinstallatie: …...………... 1. Informatie over de
uitvoering van de test(s)[76].
1.1 Toevoerwaarden 1.1.1 Dagelijkse afvalwater
volumestroom Qd (m³/d): ……………………………………….. 1.1.2 Dagelijkse
hoeveelheid verontreinigde massa uitgedrukt als BZB5-massa (kg/d)
.……………………………………………………... 1.2 Zuiveringsefficiëntie 1.2.1 Evaluatie van de
afvoerwaarden Evaluatie
van de afvoerwaarden BZB5 (mg/l) Plaats: || Monstertype || Aantal monsters dat voldoet aan de grenswaarden || Min. eisen || Max. || Gemiddelde Waarde || Fase Toevoer || 24u-mengmonsters || --[77] || || || || Afvoer || 24u-mengmonsters || || || || || Toevoer || Steekproeven || -- || || || || Afvoer || Steekproeven || || || || || Evaluatie
van de afvoerwaarden CZB (mg/l) Plaats: || Monstertype || Aantal monsters dat voldoet aan de grenswaarden || Min. eisen || Max. || Gemiddelde Waarde || Fase Toevoer || 24u-mengmonsters || -- || || || || Afvoer || 24u-mengmonsters || || || || || Toevoer || Steekproeven || -- || || || || Afvoer || Steekproeven || || || || || Evaluatie
van de afvoerwaarden TOC (mg/l) Plaats: || Monstertype || Aantal monsters dat voldoet aan de grenswaarden || Min. eisen || Max. || Gemiddelde Waarde || Fase Toevoer || 24u-mengmonsters || -- || || || || Afvoer || 24u-mengmonsters || || || || || Toevoer || Steekproeven || -- || || || || Afvoer || Steekproeven || || || || || Evaluatie
van de afvoerwaarden AFS (mg/l) Plaats: || Monstertype || Aantal monsters dat voldoet aan de grenswaarden || Min. eisen || Max. || Gemiddelde Waarde || Fase Toevoer || 24u-mengmonsters || -- || || || || Afvoer || 24u-mengmonsters || || || || || Toevoer || Steekproeven || -- || || || || Afvoer || Steekproeven || || || || || 1.2.2 Reinigingsprestatie
(Eliminatieprestatie) (%) Parameter || Monstertype || Min. eisen || Max. || Gemiddelde BZB5 || 24u-mengmonsters || || || BZB5 || Steekproeven || || || CZB || 24u-mengmonsters || || || CZB || Steekproeven || || || TOC || 24u-mengmonsters || || || TOC || Steekproeven || || || AFS || 24u-mengmonsters || || || AFS || Steekproeven || || || 1.3 Overige gemeten
kenmerken 1.3.1 Aanvullende toevoer-
en afvoerkenmerken: Parameter || Toevoer || Afvoer pH || || Geleidingsvermogen || || Temperatuur van de vloeibare fasen || || 1.3.2 Tijdens
het nemen van de steekproeven moeten de volgende bedrijfskenmerken – indien
aanwezig - worden gemeten: Concentratie van de opgeloste zuurstof in de bioreactor || || Gehalte droge stoffen in de bioreactor || || Temperatuur in de bioreactor || || omgevingstemperatuur, || || 1.3.3 Overige
bedrijfskenmerken overeenkomstig het desbetreffende inlichtingenformulier van
de fabrikant ………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………................................................. 1.4 Bevoegde
instantie of technische dienst: Plaats, datum:……………………..………….Handtekening:
…………………………………………….. Deel IV Systeem voor de
nummering van typegoedkeuringen 1. Systeemgegevens Het nummer bestaat uit
vier door het teken '*' gescheiden delen. Afdeling 1: De kleine letter "e"
gevolgd door het kengetal van de staat die de typegoedkeuring verleent: 1 || voor Duitsland || 18 || voor Denemarken 2 || voor Frankrijk || 19 || voor Roemenië 3 || voor Italië || 20 || voor Polen 4 || voor Nederland || 21 || voor Portugal 5 || voor Zweden || 23 || voor Griekenland 6 || voor België || 24 || voor Ierland 7 || voor Hongarije || 26 || voor Slovenië 8 || voor Tsjechië || 27 || voor Slowakije 9 || voor Spanje || 29 || voor Estland 11 || voor het Verenigd Koninkrijk || 32 || voor Letland 12 || voor Oostenrijk || 34 || voor Bulgarije 13 || voor Luxemburg || 36 || voor Litouwen 14 || voor Zwitserland: || 49 || voor Cyprus 17 || voor Finland || 50 || voor Malta Afdeling 2: Aanduiding van het eisenniveau.
De eisen inzake reinigingsvermogen zullen in de toekomst waarschijnlijk worden
opgetrokken. De verschillende eisenniveaus worden aangeduid met Romeinse
cijfers, beginnende bij niveau I. Afdeling 3: Een uit vier cijfers bestaand
volgnummer (zo nodig met nullen beginnend) om het basistypegoedkeuringsnummer
aan te geven. De serie begint met 0001. Afdeling 4: Een uit twee cijfers bestaand
volgnummer (zo nodig met nullen beginnend) om de uitbreiding aan te geven. De
serie begint met 01 voor elk nummer. 2. De Commissie erkent dat het GBCS in Griekenland in
het verleden problemen heeft opgeleverd. a) Een derde goedkeuring verleend door
Nederland overeenkomstig niveau I (vooralsnog zonder uitbreiding): e 4*I*0003*00 b) Een tweede uitbreiding van een vierde
goedkeuring verleend door Duitsland overeenkomstig niveau II: e 1*II* 0004*02 Deel V Lijst van afgegeven
typegoedkeuringen voor boordzuiveringsinstallatietypes (Model) Stempel van de bevoegde instantie Lijst
nr: ………………………………………. Voor
de periode van ……………………………………. tot ……………………………………………………… 1 || 2 || 3 || 4 || 5 || 6 || 7 Merk(1) || Fabrikantenaanduiding || Typegoedkeuringsnummer || Datum van de typegoedkeuring || Uitbreiding / weigering / intrekking (2) || Reden voor de uitbreiding / weigering / intrekking: || Datum van de uitbreiding / weigering / intrekking (2) || || || || || || || || || || || || || || || || || || || || || || || || 1) overeenkomstig het
typegoedkeuringscertificaat 2) invullen wat van
toepassing is Deel VI (Model) Lijst
van vervaardigde boordzuiveringsinstallaties Stempel van de bevoegde instantie Lijst nr:
……………………………………………………………………………………………… Voor de periode van: ………………………..……….tot:
………….……………………….………. Voor
types boordzuiveringsinstallaties en typegoedkeuringsnummers van
boordzuiveringsinstallaties die in de bovenvermelde periode zijn vervaardigd,
wordt overeenkomstig deze richtlijn de volgende informatie verstrekt: Merk (bedrijfsnaam van de fabrikant):
……………………………………….……..………… Fabrikantenaanduiding van het type
boordzuiveringsinstallatie: ……….…………… ………………………………………………………………………………………………………… Typegoedkeuringsnummer:
………………………..………………………………………………….. Datum van afgifte:
……………………………………………………………………………………... Datum van eerste afgifte (in het geval van
uitbreidingen): …………………………………………………... Serienummer
van de boordzuiveringsinstallatie: ... 001 || ... 001 || ... 001 ... 002 || ... 002 || ... 002 . || . || . . || . || . . || . || . ..... m || ..... p || ..... q Deel VII Gegevensformulier van
typegoedgekeurde boordzuiveringsinstallaties (Model) Stempel van de bevoegde instantie || Kenmerken van de boordzuiveringsinstallatie || Zuiveringsefficiëntie Nr. || Datum van de typegoedkeuring || Typegoed-keurings-nummer || Merk || Type boordzuiveringsinstallatie || Dagelijkse afvalwater-volumestroom Qd (m³/d): || Dagelijkse hoeveelheid verontreinigd afval als BZB5-massa (kg/d) || || || BZB5 || CZB || TOC || 24u-mengmonster || Steekproef || 24u-mengmonster || Steekproef || 24u-mengmonster || Steekproef || || || || || || || || || || || || || || || || || || || || || || || || || || || || || || || || || || || || || || || || || || || || || || || || || || || || || || || || || || || || || Deel VIII Proces-verbaal van de kenmerken van
boordzuiveringsinstallaties voor de bijzondere keuring (Model) 1. Algemene bepaling 1.1 Kenmerken van de
boordzuiveringsinstallatie 1.1.1 Merk:
……………………………………………………………………………..….. 1.1.2 Fabrikantenaanduiding:
………………………………………………………….. ………………………………………………………………………………………..…… 1.1.3 Typegoedkeuringsnummer:
………………………………………………………….……… 1.1.4 Serienummer
van de boordzuiveringsinstallatie: ………………………………. ………………………………………………………………………………..…………… 1.2 Documentatie De
boordzuiveringsinstallatie wordt getest en de testresultaten worden
geregistreerd op apart genummerde bladen die door de keurder worden ondertekend
en bij dit proces-verbaal worden gevoegd. 1.3 Testen De test wordt
uitgevoerd volgens het inlichtingenformulier van de fabrikant ter controle van
de componenten betrekking hebbend op de afvalwaterreiniging en kenmerken van de
boordzuiveringsinstallatie overeenkomstig artikel 14a.01, lid 10. In
gerechtvaardigde individuele gevallen mogen de keurders zelf beslissen bepaalde
onderdelen of kenmerken van de installatie vrij te stellen van controle. Tijdens de test
wordt minstens één steekproef genomen. De resultaten van de steekproefmeting
worden vergeleken met de controlewaarden in artikel 14 a.02, lid 2, tabel 2. 1.4 Dit testrapport,
inclusief bijlagen, bestaat uit ...................[78] bladzijden. 2. Parameters Hiermee wordt
officieel bevestigd dat de gekeurde boordzuiveringsinstallatie binnen de
toegestane tolerantie aan de voorgeschreven kenmerken voldoet en de
controlewaarden voor gebruik niet hoger zijn dan de in artikel 14 a.02, lid 2,
tabel 2, genoemde waarden. Naam
en adres van de keuringsinstantie: ………………………………………………... …………………………………………………………………………………………… …………………………………………………………………………………………… Naam
van de keurder: ……………………………………….………………………….… Plaats en datum:
……………………...……………………………..………………….…. Handtekening:
……………………………………………………….……….…………….…. Test
erkend door bevoegde instantie: ………………..…………………………… …………………………………………………………………………………………… …………………………………………………………………………………………… Plaats en datum:
………..…………………………………………………………………. Handtekening:
..………………………………………………………………………………. Stempel van de bevoegde instantie Naam
en adres van de keuringsinstantie: ………………………..……………………... …………………………………………………………………………………………… …………………………………………………………………………………………… Naam
van de keurder: ……………………………………………………………………… Plaats
en datum: …….……………………………………………………………..……. Handtekening:
………………………………………………………………………………. Test
erkend door bevoegde instantie: …………….……………………………….. ……………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………… Plaats
en datum: …………………………………………………………………………... Handtekening:
………………………………………………………………………………... Stempel van de bevoegde instantie Naam
en adres van de keuringsinstantie: ……………………………………………….. …………………………………………………………………………………………… …………………………………………………………………………………………… Naam
van de keurder: ……………………………………………………………………. Plaats
en datum: ………………………………………………………………………... Handtekening:
……………………………………………………………………………………... Test
erkend door bevoegde instantie: …………………………………………………. ……………………………………………………………………………………………… ……………………………………………………………………………………………… Plaats
en datum: …………………………………………………………………………... Handtekening:
……………………………………………………………………………………... Stempel van de bevoegde instantie Addendum I Aanhangsel bij het proces-verbaal van de kenmerken van de boordzuiveringsinstallaties (Model) Naam van het vaartuig: || …………………… || Uniek Europees vaartuigidentificatienummer: || ……………………. || || || || || Fabrikant: || …………………………………………. || Type installatie: || ………………………………… || (Merk/handelsmerk of handelsnaam van de fabrikant) || || (Fabrikantenaanduiding) Typegoedkeuringsnr.: || ……………………………………….. || Bouwjaar van de boordzuiveringsinstallatie: || ………………… Serienr. van de boordzuiveringsinstallatie: || ……………………………………….. || Inbouwplaats: || ………………..…………….. || (Serienummer) De boordzuiveringsinstallatie en de onderdelen daarvan die betrekking hebben op de afvalwaterreiniging zijn geïdentificeerd op basis van het gegevensplaatje. De keuring heeft plaatsgevonden aan de hand van het inlichtingenformulier van de fabrikant ter controle van de parameters en componenten die relevant zijn voor de afvalwaterreiniging. (A) Test van de onderdelen Overige onderdelen die relevant zijn voor de reiniging van afvalwater en die in het inlichtingenformulier van de fabrikant ter controle van de componenten en parameters van de installatie die relevant zijn voor de afvalwaterreiniging, respectievelijk in deel II, aanhangsel 4 zijn opgesomd, moeten hieronder worden ingevuld. || Onderdeel || Vastgesteld onderdeelnummer || Conformiteit[79] || || || Ja || Neen || n.v.t. || || || Ja || Neen || n.v.t. || || || Ja || Neen || n.v.t. || || || Ja || Neen || n.v.t. || || || Ja || Neen || n.v.t. || || || Ja || Neen || n.v.t. || || || Ja || Neen || n.v.t. || || || Ja || Neen || n.v.t. || || || Ja || Neen || n.v.t. (B) Resultaten
van de steekproefmeting: || Parameter || Gemeten waarde || Conformiteit(1) || || BZB5 || || Ja || Neen || || CZB || || Ja || Neen || || TOC || || Ja || Neen || (C) Opmerkingen: || || (De volgende afwijkende instellingen, veranderingen of wijzigingen aan de ingebouwde boordzuiveringsinstallatie zijn geconstateerd.) || || || || || || Naam van de keurder: || || Plaats en datum: || || || Handtekening: || (1) Aankruisen wat van toepassing is. || || Deel IX Equivalente typegoedkeuringen Typegoedkeuringen volgens Besluit 2010-II-27 van de
Centrale Commissie voor de Rijnvaart op 9 december 2010. Aanhangsel VII Boordzuiveringsinstallaties - Testprocedure - 1 Algemene bepaling 1.1 Grondslag Het keuringsvoorschrift wordt
gebruikt om de geschiktheid te controleren van boordzuiveringsinstallaties aan
boord van passagiersvaartuigen. In deze procedure wordt aan de
hand van een testinstallatie de toegepaste proces- en behandelingstechniek
onderzocht en goedgekeurd. De overeenstemming tussen de testinstallatie en de
boordzuiveringsinstallaties die later aan boord worden gebruikt, wordt gewaarborgd
door de toepassing van identieke criteria voor het ontwerp en de
dimensionering. 1.2. Verantwoordelijkheid en plaats van de
test De testinstallatie voor een
reeks boordzuiveringsinstallatietypes moet door een technische dienst worden
gekeurd. De omstandigheden op de testplaats vallen onder de
verantwoordelijkheid van de technische dienst en moeten overeenstemmen met de
onderstaande omstandigheden. 1.3 In te dienen documenten De keuring wordt uitgevoerd op
basis van het inlichtingenformulier als bedoeld in Aanhangsel VI, Deel II. 1.4 Eisen inzake de dimensionering van de
boordzuiveringsinstallatie Een boordzuiveringsinstallatie
moet zodanig worden gedimensioneerd en ontworpen dat de grenswaarden die zijn
vastgesteld in artikel 14 a.02, lid 2, tabellen 1 en 2, tijdens de afvoer niet
worden overschreden. 2 Voorbereidende maatregelen voor de
uitvoering van de keuring 2.1 Algemene bepaling Vóór het begin van de keuring
moet de fabrikant aan de technische dienst bouw- en procestechnische gegevens
betreffende de testinstallatie, inclusief een volledige serie tekeningen en
verklarende berekeningen overeenkomstig Aanhangsel VI, Deel II, evenals
volledige informatie over de eisen voor de inbouw, de werking en het onderhoud
van de boordzuiveringsinstallatie voorleggen. De fabrikant moet aan de
technische dienst informatie over de mechanische, elektrische en technische
veiligheid van de te testen boordzuiveringsinstallatie verstrekken. 2.2 Inbouw en ingebruikname Met het oog op de test moet de
fabrikant de testinstallatie zodanig installeren dat zij overeenstemt met de
voorziene inbouwomstandigheden aan boord van passagiersvaartuigen. De fabrikant
moet vóór de test de boordzuiveringsinstallatie monteren en in gebruik nemen.
De ingebruikname moet overeenkomstig het handboek van de fabrikant geschieden
en moet door de technische dienst worden gecontroleerd. 2.3 Inloopfase De fabrikant stelt de
technische dienst in kennis van de nominale tijdsduur van de inloopfase tot het
normale bedrijf, uitgedrukt in weken. De fabrikant geeft aan wanneer de
inloopfase is beëindigd en met de test kan worden begonnen. 2.4 Toevoerkengetallen Voor de keuring van de
testinstallatie wordt onbehandeld huishoudelijk afvalwater gebruikt. De
toevoerkengetallen betreffende concentraties van verontreinigende stoffen
worden vastgesteld aan de hand van de dimensioneringsdocumenten van de
fabrikant van de boordzuiveringsinstallatie overeenkomstig aanhangsel VI, deel
II, door het quotiënt van de doorstromingshoeveelheid van organische stoffen
zoals BZrB5-massa in kg/d en het voorziene debiet van het afvalwatervolume Qd
in m³/d te berekenen. De toevoerkengetallen worden dienovereenkomstig door de
technische dienst ingesteld. Formule 1 – Berekening van de toevoerkengetallen Indien aan de hand van formule
1 een geringere gemiddelde BZB5-concentratie van minder dan CBZB5,gem. = 500
mg/l wordt verkregen, dan moet in het toevoerwater ten minste een BZB5-concentratie
van CBZB5,min = 500 mg/l worden ingesteld. De technische dienst mag het
instromende onbehandelde afvalwater niet eerst behandelen in een
vermaalinrichting. Het verwijderen (o.a. afzeven) van zand is toegestaan. 3. Testprocedure 3.1 Belastingsfasen en hydraulische aanvoer De testperiode beslaat 30
testdagen. De testinstallatie wordt op het testveld met huishoudelijk
afvalwater gevuld, overeenkomstig de in tabel 1 genoemde belasting. Er worden
verschillende belastingsfasen onderzocht: bij het verloop van de test zijn
fasen van normale en bijzondere belasting voorzien, zoals over-, en
onderbelasting en stand-bybedrijfsmodus. De duur van de elke belastingsfase
(aantal testdagen) is in tabel 1 gespecificeerd. De gemiddelde dagelijkse
hydraulische belasting voor de dienovereenkomstige belastingsfasen wordt
volgens tabel 1 vastgesteld. De gemiddelde concentratie verontreinigende
stoffen, die overeenkomstig punt 2.4 moet worden ingesteld, wordt constant
gehouden. Tabel 1: In
te stellen belasting voor elke belastingsfase Fase || Aantal testdagen || Dagelijkse hydraulische belasting || Concentratie verontreinigende stoffen Normale belasting || 20 dagen || Qd || CBZB5 conform punt 2.4 Overbelasting || 3 dagen || 1,25 Qd || CBZB5 conform punt 2.4 Onderbelasting || 3 dagen || 0,5 Qd || CBZB5 conform punt 2.4 Stand-by || 4 dagen || Dag 1 en dag 2: Qd= 0 Dag 3 en dag 4: Qd || CBZB5 conform punt 2.4 De bijzondere belastingsfasen
"overbelasting", "onderbelasting" en
"stand-bybedrijf" moeten achtereenvolgens zonder onderbreking worden
uitgevoerd; de normale belastingsfase moet in meerdere deelfasen worden
onderverdeeld. De test begint en eindigt met een telkens minstens vijf dagen
durende normale belastingsfase. Afhankelijk van het ingestelde
bedrijf van de boordzuiveringsinstallatie wordt een lineair verloop op dagbasis
van de hydraulische aanvoer ingesteld. De keuze van het dagelijks lineair
verloop van de hydraulische aanvoer moet overeenkomen met het werkingsconcept
van de boordzuiveringsinstallatie. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen
een boordzuiveringsinstallatie met of zonder een voorgeschakelde
afvalwaterverzameltank. De lineaire verlopen van de aanvoer (lineair verloop op
dagbasis) zijn in figuur 1 en figuur 2 weergegeven. Over de volledige duur van de
test moet worden gewaarborgd dat de toevoer per uur gelijkmatig verloopt. De
gemiddelde stroom van het afvalwatervolume per uur Qh,gemiddelde komt overeen
met 1/24 van de dagelijkse hydraulische belasting in overeenstemming met tabel 1.
De technische dienst moet de toevoer voortdurend meten. Het dagelijkse lineaire
verloop moet binnen een tolerantie van ± 5% blijven. English || Dutch Percentage share of Qh,mean (%) || Percentage aandeel Qh, gemiddelde (%) Hour || Uur On-board sewage treatment plant with upstream sewage storage tank || Boordzuiveringsinstallatie met voorgeschakelde afvalwaterverzameltank On-board sewage treatment plant without upstream sewage storage tank || Boordzuiveringsinstallatie zonder voorgeschakelde afvalwaterverzameltank Figuur 1: Dagelijks lineair verloop van de aanvoer
voor een boordzuiveringsinstallatie met voorgeschakelde afvalwaterverzameltank English || Dutch Percentage share of Qh,mean (%) || Percentage aandeel Qh, gemiddelde (%) Hour || Uur On-board sewage treatment plant with upstream sewage storage tank || Boordzuiveringsinstallatie met voorgeschakelde afvalwaterverzameltank On-board sewage treatment plant without upstream sewage storage tank || Boordzuiveringsinstallatie zonder voorgeschakelde afvalwaterverzameltank Figuur 2: Dagelijks
lineair verloop van de aanvoer voor een boordzuiveringsinstallatie zonder voorgeschakelde
afvalwaterverzameltank 3.2 Onderbreking
of annulering van de test Een onderbreking van de test
kan noodzakelijk zijn wanneer de testinstallatie door het uitvallen van de
stroom of van een component niet meer naar behoren kan functioneren. De test
mag voor de duur van de reparatie worden onderbroken. In dit geval moet de test
niet geheel worden herhaald, maar uitsluitend de belastingsfase tijdens dewelke
de component is uitgevallen. Na de tweede onderbreking van
de test beslist de technische dienst de test kan worden voortgezet of moet
worden geannuleerd. De redenen voor de beslissing moeten in het testrapport
worden vermeld en met documenten worden gestaafd. Als de test wordt
geannuleerd, dan moet hij volledig worden herhaald. 3.3 Onderzoek naar de reinigingsprestatie
en de naleving van afvoergrenswaarden De technische dienst moet
monsters nemen in de toevoer naar de testinstallatie en deze analyseren om de
overeenstemming met de toevoerkengetallen te bevestigen. Om de
reinigingsprestatie en de naleving van de vereiste afvoergrenswaarden te kunnen
vaststellen, moeten monsters uit de afvoer van de testinstallatie worden
genomen en geanalyseerd. Er worden zowel steekproeven als 24u-mengmonsters
genomen. In het geval van 24u-mengmonsters kunnen debiet- of tijdproportionele
monsters worden genomen. De aard van een 24u-mengmonster wordt door de
technische dienst bepaald. De monsternemingen in de aan- en afvoer moeten
gelijktijdig en in dezelfde mate worden uitgevoerd. Voor de beschrijving en de
weergave van de omgevings- en testomstandigheden moeten behalve de
controlekenmerken BZB5, CZB en TOC de volgende kenmerken voor de toevoer en
voor de afvoer worden gemeten: ·
affiltreerbare vaste stoffen
(AFS) ·
pH; ·
geleidingsvermogen; ·
temperatuur van vloeistoffasen.
Het aantal onderzoeken
varieert naar gelang van de desbetreffende belastingsfase en is in tabel 2
gespecificeerd. Het aantal monsternemingen betreft telkens de toe- en afvoer
van de testinstallatie. Tabel 2: Eisen
met betrekking tot het aantal en tijdstip van de bemonsteringen in de toe- en
afvoer van de testinstallatie Belastingsfase || Aantal testdagen || Aantal bemonsteringen || Tijdstip van de monstername Normale belasting || 20 dagen || 24u-mengmonsters: 8 Steekproeven: 8 || Met regelmatige tussenpozen gedurende de hele periode Overbelasting || 3 dagen || 24u-mengmonsters: 2 Steekproeven: 2 || Met regelmatige tussenpozen gedurende de hele periode Onderbelasting || 3 dagen || 24u-mengmonsters: 2 Steekproeven: 2 || Met regelmatige tussenpozen gedurende de hele periode Stand-by || 4 dagen || 24u-mengmonsters: 2 Steekproeven: 2 || 24u-mengmonsters: monstername na ingeschakelde toevoer en 24 uur later. Steekproef: 1 uur na ingeschakelde toevoer en 24 uur later. Totaal aantal 24u-mengmonsters: 14 Totaal aantal steekproeven: 14 Verder moeten, voor zover beschikbaar, de volgende
bedrijfskenmerken worden gemeten tijdens het nemen van de steekproeven: ·
concentratie van de opgeloste
zuurstof in de bioreactor; ·
gehalte droge stoffen in de
bioreactor; ·
temperatuur in de bioreactor; ·
omgevingstemperatuur; ·
overige werkingskenmerken
volgens de bedieningsinstructies van de fabrikant. 3.4 Evaluatie van de onderzoeken Om de vastgestelde
reinigingsprestatie te documenteren en de naleving van de werkingsgrenswaarden
te controleren, moeten het minimumresultaat van het monster (min), het
maximumresultaat van het monster (max) en het rekenkundige gemiddelde
(gemiddelde waarde) worden vermeld, alsook de individuele meetresultaten voor
de controlekenmerken BZB5, CZB en TOC. Voor de maximumwaarde van het
monster moet bovendien de belastingsfase worden vermeld. Alle belastingsfasen
worden gezamenlijk geëvalueerd. De resultaten worden overeenkomstig de volgende
tabel gepresenteerd: Tabel 3a: Eisen met betrekking tot de statistische
verwerking van verzamelde gegevens – evaluatie om de naleving van de
afvoergrenswaarden te documenteren Parameter || Monstertype || Aantal tests die beantwoorden aan de grenswaarden || Gemiddelde || Min. eisen || Max. Waarde || Fase Toevoer BZB5 || 24u-mengmonsters || --[80] || || || || Afvoer BZB5 || 24u-mengmonsters || || || || || Toevoer BZB5 || steekproeven || -- || || || || Afvoer BZB5 || steekproeven || || || || || Toevoer CZB || 24u-mengmonsters || -- || || || || Afvoer CZB || 24u-mengmonsters || || || || || Toevoer CZB || steekproeven || -- || || || || Afvoer CZB || steekproeven || || || || || Toevoer TOC || 24u-mengmonsters || -- || || || || Afvoer TOC || 24u-mengmonsters || || || || || Toevoer TOC || steekproeven || -- || || || || Afvoer TOC || steekproeven || || || || || Toevoer AFS || 24u-mengmonsters || -- || || || || Afvoer AFS || 24u-mengmonsters || || || || || Toevoer AFS || steekproeven || -- || || || || Afvoer AFS || steekproeven || || || || || Tabel 3b: Eisen met betrekking tot
de statistische verwerking van verzamelde gegevens – evaluatie om de
zuiveringsefficiëntie te documenteren Parameter || Monstertype || Gemiddelde || Min. eisen || Max. Verwijderprestatie BZB5 || 24u-mengmonsters || || || Verwijderprestatie BZB5 || Steekproeven || || || Verwijderprestatie CZB || 24u-mengmonsters || || || Verwijderprestatie CZB || Steekproeven || || || Verwijderprestatie TOC || 24u-mengmonsters || || || Verwijderprestatie TOC || Steekproeven || || || Verwijderprestatie AFS || 24u-mengmonsters || || || Verwijderprestatie AFS || Steekproeven || || || De overige kenmerken, bedoeld in punt 3.3, onder
(b) tot en met (d), evenals de bedrijfskenmerken, bedoeld in punt 3.3, moeten
in een tabel worden weergegeven, met vermelding van het minimumresultaat (min),
het maximumresultaat (max) en het rekenkundige gemiddelde (gemiddelde waarde)
van de monsters. 3.5 Naleving van de eisen van hoofdstuk 14a
Aan de grenswaarden, bedoeld in
artikel 14a.02, lid 2, tabellen 1 en 2, wordt geacht te zijn voldaan indien
voor de kenmerken CZB, BZB5 en TOC: a) de gemiddelde waarden van
alle 14 afvoermonsters en b) ten minste 10 van alle 14
afvoermonsters de voorgeschreven grenswaarden voor de 24u-mengmonsters en
steekproeven niet overschrijden. 3.6 Werking en onderhoud tijdens de tests Gedurende de gehele test wordt de
testinstallatie volgens de aanwijzingen van de fabrikant gebruikt.
Routinecontrole en -onderhoud worden uitgevoerd volgens de gebruiks- en
onderhoudsinstructies van de fabrikant. Het overtollig slib dat door de
biologische reinigingsprocedure ontstaat, mag uitsluitend uit de zuiveringsinstallatie
worden verwijderd als de fabrikant dit in de gebruiks- en onderhoudsinstructies
heeft bepaald. Alle uitgevoerde onderhoudswerkzaamheden worden door de
technische dienst geregistreerd en in het testverslag vastgelegd. Tijdens de
test mogen onbevoegden geen toegang tot de testinstallatie krijgen. 3.7 Monsteranalyse/analyseprocedure De te onderzoeken kenmerken worden
geanalyseerd met erkende standaardprocedures. De gebruikte standaardprocedure
moet worden vermeld. 4 Testrapport 4.1 Het keuringsorgaan is verplicht over de uitgevoerde
typekeuring een verslag op te stellen. Het verslag moet ten minste de volgende
gegevens bevatten: a) bijzonderheden over de geteste
boordzuiveringsinstallatie, zoals het type, gegevens over de nominale
dagelijkse massa afvalwater evenals de door de fabrikant gebruikte
dimensioneringsbeginselen; b) gegevens over de conformiteit van de
geteste boordzuiveringsinstallatie met de vóór de keuring ter beschikking
gestelde documenten; c) gegevens over de afzonderlijke meetresultaten
en over de evaluatie van de reinigingsprestatie en de naleving van de vereiste
afvoergrenswaarden; d) bijzonderheden over de verwijdering van
het overtollig slib, zoals de frequentie en het volume van de verwijderingen; gegevens
over alle tijdens de test uitgevoerde bedrijfs-, onderhouds- en
reparatiewerkzaamheden; e) gegevens over alle tijdens de test
opgetreden kwaliteitsverslechteringen van boordzuiveringsinstallatie en over de
onderbrekingen van de test; f) gegevens
over problemen die zich tijdens de test hebben voorgedaan; g) lijst van de verantwoordelijke personen,
met vermelding van naam en functie, die aan de typekeuring van de
boordzuiveringsinstallatie hebben deelgenomen; h) naam en adres van het laboratorium dat
de afvalwatermonsters heeft geanalyseerd; i) toegepaste analysemethoden. Voorbeelden van het verloop van een test Voorbeeld 1 Voorbeeld
2 DE || NL Unterlast || Normale belasting Überlast || Overbelasting Unterlast || Onderbelasting Überlast || Stand-by Hydraulische Belastung Qd || Hydraulische belasting Qd Tag || Dag Opmerkingen
over de bepaling van de biochemische zuurstofbehoefte
na 5 dagen (BZB5) in 24u-mengmonsters In de internationale
normen ISO 5815 en 5815-2:2003 is bepaald dat, om de analyse uit te voeren voor
de bepaling van de biochemische zuurstofbehoefte na vijf dagen, de
watermonsters onmiddellijk na de monsterneming in een tot de rand gevulde, goed
gesloten fles bij een temperatuur van 0 tot 4 °C moeten worden bewaard tot
de uitvoering van de analyse. De bepaling van de BZB5-waarde moet zo
snel mogelijk of binnen 24 uur na beëindiging van de monsterneming worden
gestart. Teneinde te voorkomen dat
in de 24u-mengmonsters biochemische afbraakprocessen op gang komen, wordt het
watermonster in de praktijk tijdens de periode van monsterneming gekoeld tot
hoogstens 4 °C en op deze temperatuur gehouden tot de monsterneming is
voltooid. De daartoe benodigde monsternemingsapparatuur is op de
markt beschikbaar. Aanhangsel
VIII Radarinstallaties en
bochtaanwijzers
in de binnenvaart Inhoud
Definities Deel I
Minimumeisen en testvoorschriften voor
radarinstallaties in de binnenvaart Deel
II
Minimumeisen en testvoorschriften voor
bochtaanwijzers in de binnenvaart Deel III
Voorschriften omtrent de inbouw en
het testen van de werking van radarinstallaties en bochtaanwijzers in de
binnenvaart Deel IV
Inbouw- en werkingscertificaat voor radarinstallaties
en bochtaanwijzers in de binnenvaart Deel V
Lijsten van de bevoegde instanties,
technische diensten, goedgekeurde navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers
en erkende bedrijven Deel VI
Gelijkwaardige installaties
Definities: 1. "typekeuring": de
testprocedure als bedoeld in deel I, artikel 4, of deel II, artikel 1.03,
waarmee de technische dienst de conformiteit met de eisen als bedoeld in deze
bijlage controleert. De typekeuring is een onderdeel van de typegoedkeuring; 2. "typegoedkeuring": de
procedure, waarbij een lidstaat verklaart dat apparatuur aan de eisen van deze
bijlage voldoet. Voor
navigatieradarinstallaties omvat deze procedure de bepalingen als bedoeld in
deel I, artikel 5 tot en met 7 en artikel 9. Voor bochtaanwijzers omvat deze
procedure de bepalingen als bedoeld in deel II, artikel 1.04 tot en met 1.06 en
artikel 1.08; 3. "keuringsbewijs": het
document waarin de resultaten van de typekeuring worden vermeld; 4. "aanvrager" of
"fabrikant": een rechtspersoon of natuurlijk persoon onder wiens
naam, handelsmerk of andere specifieke aanduiding de ter typekeuring aangeboden
installatie wordt vervaardigd of verhandeld en die tegenover de technische
dienst en de keuringsinstantie verantwoordelijk is voor alles wat de
typekeurings- en typegoedkeuringsprocedure betreft; 5. "technische dienst": de
instelling, instantie of inrichting die de typekeuring uitvoert; 6. "verklaring fabrikant": de
verklaring waarin de fabrikant waarborgt dat de installatie aan de geldende minimumeisen
voldoet en op alle gebieden identiek is aan het gekeurde prototype is; 7. "overeenstemmingsverklaring":
overeenkomstig Richtlijn 1999/5/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9
maart 1999 betreffende radioapparatuur en telecommunicatie-eindapparatuur en de
wederzijdse erkenning van hun conformiteit"*: de verklaring overeenkomstig
Richtlijn 1999/5/EG, bijlage II, lid 1, waarmee de fabrikant bevestigt dat de
betrokken producten aan de voor deze producten geldende eisen van de richtlijn
voldoen; 8. "bevoegde instantie": de
officiële instantie die de typegoedkeuring afgeeft. (*) PB
L 91 van 7.4.1999, blz. 10. Deel I Minimumeisen en testvoorschriften voor
radarinstallaties in de binnenvaart Inhoudsopgave Artikel
1 - Toepassingsgebied Artikel
2 - Doel van de navigatieradarinstallatie Artikel
3 - Minimumvereisten Artikel
4 - Typekeuringen Artikel
5 - Aanvraag voor een typekeuring Artikel
6 - Typegoedkeuring Artikel
7 – Labeling van de apparatuur en typegoedkeuringsnummer Artikel
8 - Verklaring fabrikant Artikel
9 - Wijzigingen aan typegoedgekeurde installaties Artikel 1
Toepassingsgebied In deze voorschriften zijn
de minimumeisen voor radarinstallaties voor de binnenvaart vastgelegd, alsmede
de omstandigheden waarin de conformiteit met de minimumeisen moet worden getest.
Artikel 2
Doel van de navigatieradarinstallatie De
navigatieradarinstallatie moet een voor het besturen van een schip bruikbaar
beeld geven van de positie van het schip ten opzichte van de bebakening, de
contouren van de oever en de voor de scheepvaart van belangrijke structuren en
moet tijdig en op betrouwbare wijze de aanwezigheid aangeven van andere schepen
en van boven het wateroppervlak van het vaarwater uitstekende obstakels. Artikel 3
Minimumvereisten 1. Uitgezonderd de eisen inzake
elektromagnetische compatibiliteit (artikel 3, lid 1, onder b), van Richtlijn 1999/5/EG)
en de eisen in artikel 3, lid 2, van Richtlijn 1999/5/EG inzake het efficiënte
gebruik van het spectrum om schadelijke interferentie te vermijden, moeten
navigatieradarinstallaties in de binnenvaart voldoen aan de eisen van de
Europese norm EN 302194-1:2006. 2. Lid 1 is van toepassing op Inland
ECDIS-apparaten die in de navigatiemodus kunnen worden gebruikt. Deze apparaten
voldoen bovendien aan de eisen van de Inland ECDIS-normen in de op de dag van
de afgifte van de typegoedkeuring geldende versie. Artikel 4
Typekeuringen ·
Het voldoen aan de minimumeisen
van artikel 3, lid 1, wordt door een typekeuring aangetoond. ·
Na een geslaagde typekeuring
geeft de instelling die de keuring heeft uitgevoerd, een keuringsbewijs af. Indien
de apparatuur niet aan de minimumeisen voldoet, ontvangt de aanvrager een
schriftelijke motivering van de reden waarom geen keuringscertificaat wordt
afgegeven. Artikel 5
Aanvraag voor een typekeuring De
aanvraag voor een typekeuring van een navigatieradarinstallatie moet bij een
technische dienst worden ingediend. De
technische diensten worden aangemeld bij de bevoegde instanties van de
lidstaten. ·
Bij de aanvraag moet de
volgende documentatie worden overgelegd: ·
gedetailleerde technische
beschrijvingen; ·
volledige schakelschema’s en
servicedocumentatie; ·
gedetailleerde
gebruiksaanwijzingen; ·
beknopte gebruiksaanwijzingen,
en ·
indien van toepassing,
bewijsstukken van eerder uitgevoerde keuringen. ·
Indien de aanvrager niet
voornemens is de overeenstemmingsverklaring overeenkomstig Richtlijn 1999/5/EG
met de daarbij behorende typegoedkeuring te laten opstellen, moet samen met de
aanvraag voor typekeuring een conformiteitsverklaring worden overgelegd. Artikel 6
Typegoedkeuring 1.
De typegoedkeuring wordt door de bevoegde instantie
verleend op basis van het keuringscertificaat. 2.
Iedere bevoegde instantie of
technische dienst die door de bevoegde instantie is aangesteld, mag op een
willekeurig ogenblik een toestel uit de serieproductie controleren. Worden
tijdens deze controle gebreken geconstateerd, dan kan de verleende
typegoedkeuring worden ingetrokken. De
intrekking gebeurt door de instantie de typegoedkeuring heeft verleend. Artikel 7
Labeling van de apparatuur en typegoedkeuringsnummer 1.
Op alle componenten die tot de installatie behoren,
moeten op duurzame wijze de volgende opschriften worden aangebracht: a) de naam van de fabrikant,
b) de handelsnaam van de
installatie; c) het type installatie,
en d) het serienummer. 2.
Het door de bevoegde instantie
toegekende typegoedkeuringsnummer moet duurzaam op de beeldschermeenheid zijn
aangebracht en ook na de inbouw duidelijk zichtbaar zijn. Het
typegoedkeuringsnummer is als volgt samengesteld: e -NN-NNN e = European
Unie NN = aanduiding
van het land van de typegoedkeuring, waarbij 01 || = || Duitsland || 18 || = || Denemarken 02 || = || Frankrijk || 19 || = || Roemenië 03 || = || Italië || 20 || = || Polen 04 || = || Nederland || 21 || = || Portugal 05 || = || Zweden || 23 || = || Griekenland 06 || = || België || 24 || = || Ierland 07 || = || Hongarije || 26 || = || Slovenië 08 || = || Tsjechië || 27 || = || Slowakije 09 || = || Spanje || 29 || = || Estland 11 || = || Verenigd Koninkrijk || 32 || = || Letland 12 || = || Oostenrijk || 34 || = || Bulgarije 13 || = || Luxemburg || 36 || = || Litouwen 14 || = || Zwitserland || 49 || = || Cyprus 17 || = || Finland || 50 || = || Malta NNN = nummer
van drie cijfers, te bepalen door de bevoegde instantie. 3.
Het typegoedkeuringsnummer mag
uitsluitend met de daarbij behorende typegoedkeuring worden gebruikt. De
aanvrager zorgt zelf voor de aanmaak en het aanbrengen van het
typegoedkeuringsnummer. Artikel 8
Verklaring fabrikant Bij elk onderdeel van een
installatie moet een verklaring van de fabrikant worden meegeleverd. Artikel 9
Wijzigingen aan typegoedgekeurde installaties 1.
Bij wijzigingen aan een goedgekeurde installatie
vervalt de goedkeuring. Alle geplande wijzigingen moeten schriftelijk aan de
bevoegde technische dienst worden gemeld. 2.
De bevoegde instantie beslist
na raadpleging van de technische dienst of de typegoedkeuring kan worden
gehandhaafd of dat een herkeuring dan wel een nieuwe typekeuring nodig is. In
geval van een nieuwe typekeuring wordt een nieuw typegoedkeuringsnummer
toegekend. Deel II
Minimumeisen en de testvoorschriften voor bochtaanwijzers in de binnenvaart Inhoudsopgave Hoofdstuk 1
Algemeen Artikel
1.01 - Toepassingsgebied Artikel
1.02 - Doel van de bochtaanwijzer Artikel 1.03 -
Typekeuring Artikel
1.04 - Aanvraag voor een typekeuring Artikel 1.05
- Typegoedkeuring Artikel
1.06 – Labeling van de apparatuur en typegoedkeuringsnummer Artikel
1.07 - Verklaring fabrikant Artikel
1.08 - Wijzigingen aan typegoedgekeurde installaties Hoofdstuk 2
Algemene minimumeisen voor bochtaanwijzers Artikel
2.01 - Constructie en uitvoering Artikel
2.02 - Uitgezonden radiostoringen en elektromagnetische compatibiliteit (EMC) Artikel
2.03 - Bediening Artikel
2.04 - Bedieningshandleiding Artikel
2.05 - Inbouw van de sensor Hoofdstuk 3
Operationele minimumeisen voor bochtaanwijzers Artikel
3.01 - Operationele beschikbaarheid van de installatie Artikel
3.02 - Aanwijzen van de draaisnelheid Artikel
3.03 - Meetbereiken Artikel 3.04
- Nauwkeurigheid van de draaisnelheidsaanwijzing Artikel
3.05 - Gevoeligheid Artikel
3.06 - Controle van het functioneren Artikel
3.07 - Ongevoeligheid voor andere typische bewegingen van het schip Artikel
3.08 - Ongevoeligheid voor magnetische velden Artikel 3.09 -
Dochterindicatoren Hoofdstuk 4
Technische minimumeisen voor bochtaanwijzers Artikel
4.01 - Bediening Artikel
4.02 - Dempinrichtingen Artikel
4.03 - Aansluiten van toegevoegde apparatuur Hoofdstuk 5
Keuringsvoorwaarden en -methoden voor bochtaanwijzers Artikel
5.01 - Veiligheid, bestendigheid en elektromagnetische compatibiliteit Artikel
5.02 - Uitgezonden radiostoringen Artikel 5.03 - Keuringsprocedure Aanhangsel: Tolerantiegrenzen voor bochtaanwijzers HOOFDSTUK
1
ALGEMEEN Artikel 1.01
Toepassingsgebied In deze voorschriften zijn
de minimumeisen voor bochtaanwijzers voor de binnenvaart vastgelegd, alsmede de
testvoorschriften om de conformiteit met die minimumeisen te testen. Artikel 1.02
Doel van de bochtaanwijzer Het doel van de
bochtaanwijzer is het vergemakkelijken van het varen met behulp van radar en de
snelheid waarmee het schip naar bakboord of stuurboord draait te meten en weer
te geven. Artikel 1.03
Typekeuring 1 Het voldoen aan de minimumeisen voor
bochtaanwijzers overeenkomstig hoofdstukken 2 tot en met 4 wordt door een
typekeuring aangetoond. 2. Na een geslaagde typekeuring geeft de
technische dienst een keuringsbewijs af. Wanneer niet aan de minimumeisen is
voldaan, wordt aan de aanvrager schriftelijk meegedeeld waarom de typekeuring
wordt geweigerd. Artikel 1.04
Aanvraag voor een typekeuring 1. De aanvraag voor typekeuring van een
bochtaanwijzer moet bij een technische dienst worden ingediend. De
technische diensten worden aangemeld bij de bevoegde instanties van de
lidstaten. 2. Bij de aanvraag moet de volgende
documentatie worden overgelegd: (a)
gedetailleerde technische beschrijvingen; (b)
volledige schakelschema’s en
servicedocumentatie; (c)
de bedieningshandleiding. 3. De aanvrager moet zelf door middel van
testen controleren of laten controleren of de apparatuur aan de in deze
voorschriften vastgestelde minimumeisen voldoet. Het
resultaat van deze test en de meetrapporten moeten bij de aanvraag worden
gevoegd. Deze
certificaten en de bij de typekeuring verkregen gegevens worden door de bevoegde
instantie bewaard. Artikel 1.05
Typegoedkeuring 1. De typegoedkeuring wordt door de bevoegde
instantie verleend op basis van het keuringscertificaat. 2 Iedere bevoegde instantie of
technische dienst die door de bevoegde instantie is aangesteld, mag op een
willekeurig ogenblik een toestel uit de serieproductie controleren. Worden
tijdens deze controle gebreken geconstateerd, dan kan de verleende
typegoedkeuring worden ingetrokken. De
intrekking gebeurt door de instantie de typegoedkeuring heeft verleend. Artikel 1.06
Labeling van de apparatuur en typegoedkeuringsnummer 1. Op alle componenten die tot de
installatie behoren, moeten op een duurzame manier de volgende opschriften
worden aangebracht: (d)
de naam van de fabrikant, (e)
de handelsnaam van de
installatie; (f)
het type installatie, en (g)
het serienummer. 2. Het door de bevoegde instantie
toegekende typegoedkeuringsnummer moet op duurzame wijze op de
bedieningseenheid van de installatie zijn aangebracht en ook na de inbouw
duidelijk zichtbaar zijn. Het
typegoedkeuringsnummer is samengesteld als volgt: e -NN-NNN e = European
Unie NN = aanduiding
van het land van de typegoedkeuring, 01 || = || Duitsland || 18 || = || Denemarken 02 || = || Frankrijk || 19 || = || Roemenië 03 || = || Italië || 20 || = || Polen 04 || = || Nederland || 21 || = || Portugal 05 || = || Zweden || 23 || = || Griekenland 06 || = || België || 24 || = || Ierland 07 || = || Hongarije || 26 || = || Slovenië 08 || = || Tsjechië || 27 || = || Slowakije 09 || = || Spanje || 29 || = || Estland 11 || = || Verenigd Koninkrijk || 32 || = || Letland 12 || = || Oostenrijk || 34 || = || Bulgarije 13 || = || Luxemburg || 36 || = || Litouwen 14 || = || Zwitserland || 49 || = || Cyprus 17 || = || Finland || 50 || = || Malta NNN = nummer
van drie cijfers, te bepalen door de bevoegde instantie. 3. Het typegoedkeuringsnummer mag
uitsluitend met de daarbij behorende typegoedkeuring worden gebruikt. De
aanvrager zorgt zelf voor de aanmaak en het aanbrengen van het
typegoedkeuringsnummer. Artikel 1.07
Verklaring fabrikant Bij elk onderdeel van een
installatie moet een verklaring van de fabrikant worden meegeleverd. Artikel 1.08
Wijzigingen aan typegoedgekeurde installaties 1. Bij wijzigingen aan een goedgekeurde
installatie vervalt de goedkeuring. Geplande
wijzigingen moeten schriftelijk aan de bevoegde technische dienst worden
gemeld. 2. De bevoegde instantie beslist na
raadpleging van de technische dienst of de typegoedkeuring kan worden gehandhaafd
of een herkeuring dan wel een nieuwe typekeuring nodig is. In
geval van een nieuwe typekeuring wordt een nieuw typegoedkeuringsnummer
toegekend. HOOFDSTUK
2
ALGEMENE MINIMUMEISEN
VOOR BOCHTAANWIJZERS Artikel 2.01
Constructie en uitvoering 1. De bochtaanwijzers moeten geschikt
zijn voor de binnenvaart. 2. Constructie en het ontwerp van de
installatie moeten zowel mechanisch als elektrisch in overeenstemming zijn met
de bestaande eisen van goed vakmanschap. 3. Bij ontstentenis van specifieke
bepalingen in bijlage II of in de onderhavige bijlage gelden voor de eisen aan
de elektrische voeding, de veiligheid, de wederzijdse interferentie van de
toestellen aan boord, de veilige kompasafstand, de mechanische sterkte,
klimatologische bestendigheid, de beïnvloeding door het milieu, de
geluidsproductie, alsmede voor de labeling van de toestellen de in Europese
norm EN 60945:2002 opgenomen eisen en meetmethodes. De
installaties moeten aan alle in deze bijlage genoemde eisen voldoen bij
omgevingstemperaturen tussen 0 en 40 °C. Artikel 2.02
Uitgezonden radiostoringen en elektromagnetische compatibiliteit (EMC) 1. Algemene voorschriften Bochtaanwijzers
voldoen aan de voorschriften van Richtlijn 2004/108/EG van het Europees
Parlement en de Raad van 15 december 2004 betreffende de onderlinge aanpassing
van de wetgevingen van de lidstaten inzake elektromagnetische compatibiliteit
en tot intrekking van Richtlijn 89/336/EEG. 2. Uitgezonden radiostoringen In
de frequentiegebieden 156-165 MHz, 450-470 MHz, en 1,53-1,544 GHz mag
de veldsterkte niet hoger zijn dan 15 μV/m. Deze veldsterktes gelden voor een
meetafstand van 3 m ten opzichte van het te keuren apparaat. Artikel 2.03
Bediening 1. Er mogen niet meer bedieningsorganen
aanwezig zijn dan voor een goede bediening noodzakelijk is. Uitvoering,
markering en werking moeten een eenvoudige, ondubbelzinnige en snelle bediening
mogelijk maken. De bedieningsorganen moeten zo zijn geplaatst, dat fouten bij
de bediening zoveel mogelijk worden vermeden. De
niet voor het normale gebruik noodzakelijke bedieningsorganen mogen niet direct
bereikbaar zijn. 2. Alle bedieningsorganen en
aanwijsinstrumenten moeten zijn voorzien van symbolen of Engelse opschriften
dragen. De symbolen moeten voldoen aan de bepalingen van Europese norm EN 60417:1998.
Cijfers
en letters moeten minstens 4 mm hoog zijn. Indien kan worden aangetoond
dat om technische redenen een hoogte van 4 mm niet mogelijk is, en uit
operationeel oogpunt gezien kleinere karakters acceptabel zijn, wordt een
vermindering van de hoogte tot 3 mm toegestaan. 3. De installatie moet zo zijn uitgevoerd
dat zij door bedieningsfouten niet buiten bedrijf kan raken. 4. Functies die de minimumeisen teboven
gaan, alsmede aansluitmogelijkheden voor toegevoegde apparatuur, moeten zo zijn
uitgevoerd dat de installatie onder alle omstandigheden aan de minimumeisen
blijft voldoen. Artikel 2.04
Bedieningshandleiding Bij elke installatie moet
een uitvoerige bedieningshandleiding worden meegeleverd. Deze moet in het
Duits, Engels, Frans en Nederlands verkrijgbaar zijn en moet ten minste de volgende
informatie bevatten: inbedrijfstelling
en bediening; ·
onderhoud; ·
algemene
veiligheidsvoorschriften. Artikel 2.05
Inbouw van de sensor Op het sensorgedeelte van
de bochtaanwijzer moet de inbouwrichting ten opzichte van de lengteas van het
schip worden aangegeven. Aanwijzingen voor de inbouw moeten worden verstrekt om
de gevoeligheid voor andere typische bewegingen van het schip tot een minimum
te beperken. HOOFDSTUK
3
OPERATIONELE MINIMUMEISEN VOOR
BOCHTAANWIJZERS Artikel 3.01
Operationele beschikbaarheid van de bochtaanwijzer 1. De bochtaanwijzer moet uiterlijk
binnen 4 minuten na het inschakelen operationeel zijn en binnen de vereiste
nauwkeurigheidsgrenzen werken. 2. Een optisch signaal geeft aan dat het
toestel is ingeschakeld. De bediening en de waarneming van de bochtaanwijzer
moeten gelijktijdig mogelijk zijn. 3. Draadloze afstandsbediening is niet
toegestaan. Artikel 3.02
Aanwijzen van de draaisnelheid 1. De snelheid waarmee het vaartuig
draait, moet op een schaal met lineaire verdeling met het nulpunt in het midden
worden weergegeven. Het aflezen van de draaisnelheid moet in richting en
grootte met de vereiste nauwkeurigheid mogelijk zijn. Het gebruik van andere
indicatoren dan wijzers en staafindicatoren (bar-graphs) is niet toegestaan. 2. De schaal van het aanwijsinstrument
moet ten minste 20 cm lang zijn en mag zowel cirkelvormig als recht zijn
uitgevoerd. Rechte schalen mogen uitsluitend
horizontaal worden geplaatst. 3. Een uitsluitend digitale weergave is
niet toegestaan. Artikel 3.03
Meetbereiken Bochtaanwijzers mogen over
één, maar ook over verscheidene meetbereiken beschikken. De volgende
meetbereiken worden geadviseerd: 30 °/min 60 °/min 90 °/min 180 °/min 300 °/min. Artikel 3.04
Nauwkeurigheid van de draaisnelheidsweergave De aangegeven waarde mag
niet méér dan 2 % van de eindwaarde van het bereik afwijken of niet meer
dan 10 % van de werkelijke waarde, indien dit hoger is (zie aanhangsel). Artikel 3.05
Gevoeligheid Het reactiepunt moet lager
liggen dan of gelijk zijn aan een wijziging van de hoeksnelheid overeenkomend
met 1 % van de aangegeven waarde. Artikel 3.06
Controle van het functioneren 1. Indien de bochtaanwijzer niet binnen
de vereiste nauwkeurigheidsgrenzen werkt, moet dit worden gesignaleerd. 2. Indien een gyroscoop wordt gebruikt,
moet elke kritieke afname van het toerental door middel van een aanduiding
worden gesignaleerd. Als kritiek geldt een wijziging van het toerental waardoor
de nauwkeurigheid met 10 % vermindert. Artikel 3.07
Ongevoeligheid voor typische bewegingen van het schip 1. Slingeren met hellinghoeken tot 10°
mag bij hoeksnelheden tot 4°/s geen meetfouten veroorzaken die de
tolerantiegrenzen overschrijden. 2. Schokbelastingen, die bijvoorbeeld bij
het aanleggen kunnen optreden, mogen geen blijvende en tolerantiegrenzen
overschrijdende fouten in de aanwijzing veroorzaken. Artikel 3.08
Ongevoeligheid voor magnetische velden De bochtaanwijzer moet
ongevoelig zijn voor magnetische velden die normaal aan boord kunnen voorkomen. Artikel 3.09
Dochterindicatoren Dochterindicatoren moeten
aan dezelfde eisen voldoen die aan bochtaanwijzers worden gesteld. HOOFDSTUK
4
TECHNISCHE MINIMUMEISEN
VOOR BOCHTAANWIJZERS Artikel 4.01
Bediening 1. Alle bedieningsorganen moeten zodanig
zijn opgesteld dat tijdens de bediening daarvan geen informatie wordt afgedekt
en de navigatie met behulp van radar zonder beperking mogelijk blijft. 2. Alle bedieningsorganen en indicatoren moeten
een niet verblindende en een voor alle omstandigheden geschikte verlichting
hebben, die met een onafhankelijke instelling tot nul kan worden gereduceerd. 3. De werking van de bedieningsorganen
moet zo zijn dat het verstellen naar rechts of naar boven een positieve en naar
links of naar beneden een negatieve uitwerking op de ingestelde waarde teweegbrengt. 4. Eventuele drukknopen moeten zo zijn
geconstrueerd dat ze ook op de tast kunnen worden gevonden en bediend.
Bovendien moeten zij een duidelijk voelbaar drukpunt hebben. Ingeval een
druktoets meer dan één functie heeft, moet duidelijk herkenbaar zijn welk
hiërarchisch niveau actief is. Artikel 4.02
Dempinrichtingen 1. Het sensorsysteem moet kritisch
gedempt zijn. De tijdconstante van de demping (63 % van de eindwaarde) mag
niet meer dan 0,4 s bedragen. 2. De indicator moet voor kritieke
waarden gedempt zijn. Voor
de extra vergroting van de demping mag een bedieningsorgaan aanwezig zijn. De
tijdconstante mag echter niet meer dan 5 s zijn. Artikel 4.03
Aansluiten van toegevoegde apparatuur 1. Indien de bochtaanwijzer een
mogelijkheid tot het aansluiten van bijvoorbeeld dochterindicatoren heeft, dan
moet het draaisnelheidssignaal als analoog elektrisch signaal beschikbaar
blijven. Bovendien kan de bochtaanwijzer een digitale interface als bedoeld in
lid 2 hebben. Het
signaal moet galvanisch van massa zijn gescheiden en moet als proportionele
analoge spanning van 20 mV/°/min ± 5 % bij een inwendige weerstand
van maximaal 100 Ohm beschikbaar zijn. De
polariteit moet positief zijn voor een koerswijziging van het schip naar
stuurboord en negatief voor een koerswijziging van het schip naar bakboord. Het
reactiepunt mag een waarde van 0,3°/min niet overschrijden. De
afwijking van het nulpunt mag 1°/min niet overschrijden bij
omgevingstemperaturen van 0 tot 40 °C. Bij
ingeschakelde bochtaanwijzer en een bewegingloze opstelling van de sensor mag
de stoorspanning op het uitgangssignaal, gemeten achter een laagdoorlaatfilter
van de eerste orde met een bandbreedte van 10 Hz, niet meer dan 10 mV
zijn. Het
draaisnelheidssignaal moet beschikbaar zijn met een demping die binnen de
grenzen bedoeld in artikel 4.02, lid 1, blijft. 2. Een digitale interface moet overeenkomstig de
Europese normen EN 61162-1:2008, EN 61162-2:1998 en EN 61162-3:2008 zijn
uitgevoerd. 3. Er moet een schakelcontact voor het
inschakelen van een extern alarm aanwezig zijn. Dit schakelcontact moet
galvanisch van de bochtaanwijzer zijn gescheiden. Het
externe alarm moet telkens door het sluiten van het schakelcontact worden
geactiveerd, als: ·
de bochtaanwijzer uitgeschakeld
is, of ·
de bochtaanwijzer niet operationeel
is, of ·
de controle op het functioneren
een ontoelaatbaar grote fout signaleert (zie artikel 3.06). HOOFDSTUK
5 keuringsvoorwaarden en -methoden voor bochtaanwijzers Artikel 5.01
Veiligheid, bestendigheid en elektromagnetische compatibiliteit Voor het testen van de
voeding, de veiligheid, de wederzijdse interferentie van de installaties aan
boord, de veilige kompasafstand, de mechanische sterkte, klimatologische
bestendigheid, de beïnvloeding door het milieu en de geluidshinder, gelden de
eisen overeenkomstig de Europese norm EN 60945:2002. Artikel 5.02
Uitgezonden radiostoringen De metingen van de
uitgezonden storingen worden overeenkomstig de Europese norm EN 60945:2002 in
het frequentiegebied tussen 30 MHz en 2000 MHz uitgevoerd. Aan de eisen bedoeld in
artikel 2.02, lid 2, moet zijn voldaan. Artikel 5.03
Keuringsprocedure 1. De bochtaanwijzer wordt zowel onder
nominale als extreme omstandigheden op zijn goede werking getest. Daarbij
worden de omgevingstemperatuur en de bedrijfsspanning tot aan de voorgeschreven
grenzen gewijzigd. Bovendien
worden radiozenders voor het opwekken van de grenswaarden van de veldsterkte in
de omgeving van de bochtaanwijzers ingeschakeld. 2. Met inachtneming van de voorwaarden van
lid 1, moeten fouten in de weergave binnen de in de bijlage aangegeven
tolerantiegrenzen liggen. 3. Aan alle minimumeisen van hoofdstukken
2 tot en met 4 moet zijn voldaan. Bijlage Figuur 1:
Tolerantiegrenzen voor bochtaanwijzers English || Dutch Relative display of rate of turn from the end-scale value in % || Relatieve weergave van de draaisnelheid van de eindschaalwaarde in % Relative deviation of the display value from the reading in % || Relatieve afwijking van de weergavewaarde van de stand in % Deel III
Eisen voor inbouw en controle van het functioneren van
radarinstallaties en bochtaanwijzers in de binnenvaart Inhoudsopgave Artikel 1- Algemeen Artikel 2 – Erkende gespecialiseerde bedrijven Artikel 3
- Eisen voor de stroomvoorziening aan boord Artikel 4 - Inbouw radarantenne Artikel 5 - Inbouw beeldscherm- en
bedieningseenheid Artikel 6 - Inbouw bochtaanwijzer Artikel 7 - Inbouw van de positiesensor Artikel 8 - Inbouw en controle van de werking Artikel 9 - Verklaring betreffende inbouw en
functionering Artikel 1
Algemeen 1. De inbouw en de controle van de
werking van navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers moeten overeenkomstig
de volgende bepalingen worden uitgevoerd. 2. Uitsluitend installaties met een
typegoedkeuring overeenkomstig aa)
deel I, artikel 6, of bb)
deel II, artikel 1.05, of
·
een typegoedkeuring die als
gelijkwaardig wordt erkend overeenkomstig deel VI, en ·
met een overeenkomstig
typegoedkeuringsnummer mogen
worden ingebouwd. Artikel 2
Erkende gespecialiseerde bedrijven 1. De inbouw of de vervanging dan wel de reparatie
of het onderhoud van navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers mag slechts
door gespecialiseerde bedrijven worden uitgevoerd die door de bevoegde
instantie zijn erkend. 2. De typegoedkeuring kan door de bevoegde
instantie worden ingetrokken. 3. De bevoegde instantie deelt per
omgaande aan de andere bevoegde instanties mee welke gespecialiseerde bedrijven
zij heeft erkend. Artikel
3
Eisen voor de stroomvoorziening aan boord Iedere stroomtoevoer voor
de navigatieradarinstallatie en de bochtaanwijzer moet een eigen zekering
hebben en zo goed mogelijk tegen uitval zijn beveiligd. Artikel 4
Inbouw radarantenne 1. De radarantenne dient zo dicht
mogelijk boven de lengteas van het schip te worden geplaatst. In het
stralingsbereik van de antenne mogen zich geen objecten bevinden die valse
echo’s of ongewenste schaduwen kunnen veroorzaken; eventueel moet de antenne op
het voorschip worden geïnstalleerd. De opstelling en bevestiging van de
radarantenne in de operationele positie moeten zo stabiel zijn dat de navigatieradarinstallatie
met de vereiste nauwkeurigheid kan werken. 2. Na correctie van de hoekverdraaiing
die bij de inbouw is ontstaan en het inschakelen van het apparaat mag de
afwijking tussen de koerslijn en de lengteas van het schip niet meer dan 1 °
bedragen. Artikel 5
Inbouw beeldscherm- en bedieningseenheid 1. De beeldschermeenheid en de
bedieningseenheid moeten zo in de stuurhut worden ingebouwd dat de beoordeling
van het radarbeeld en de bediening van de navigatieradarinstallatie moeiteloos
mogelijk zijn. De positie van het radarbeeld ten opzichte van het schip moet
met de natuurlijke situatie van de omgeving overeenstemmen. Houders en
verstelbare consoles moeten zo zijn vervaardigd dat zij in elke positie zonder
eigen trilling kunnen worden vastgezet. 2. Gedurende het varen met behulp van
radar mag kunstlicht geen reflecties in de richting van de radaroperator veroorzaken. 3. Als de bedieningsorganen niet in de
beeldschermeenheid zijn ingebouwd, moeten zij in een behuizing worden
ondergebracht die hoogstens 1 m van het beeldscherm is verwijderd. Draadloze
afstandsbediening is niet toegestaan. 4. Indien dochtereenheden worden
geïnstalleerd, gelden hiervoor dezelfde voorschriften als voor
radarinstallaties. Artikel 6
Inbouw bochtaanwijzer 1. De bochtaanwijzer moet vóór de
roerganger in zijn gezichtsveld zijn geplaatst. 2. Het sensordeel moet bij voorkeur
midscheeps, horizontaal en in lijn met de lengteas van het schip worden
ingebouwd. De hiervoor gekozen plaats moet zoveel mogelijk trillingsvrij en zo
min mogelijk aan temperatuurschommelingen onderhevig zijn. De indicator moet,
indien mogelijk, net boven de beeldschermeenheid worden aangebracht. 3. Indien dochtereenheden worden
geïnstalleerd, gelden hiervoor dezelfde voorschriften als voor bochtaanwijzers. Artikel 7
Inbouw van de positiesensor Voor Inland
ECDIS-apparatuur die in de navigatiemodus wordt gebruikt, moet de positiesensor
(bv. DGPS-antenne) zodanig worden ingebouwd dat een zo groot mogelijke precisie
wordt gewaarborgd en dat de sensor zo min mogelijk nadelig wordt beïnvloed door
opbouwen en zendapparatuur aan boord. Artikel 8
Inbouw en controle van de werking Vóór de eerste
inbedrijfstelling na de inbouw, bij verlenging of vernieuwing van het
EU-binnenvaartcertificaat (met uitzondering van artikel 2.09, lid 2, van
bijlage II), alsmede na elke ombouw van het schip die de operationele toestand
van deze installaties zou kunnen beïnvloeden, moet door de bevoegde instantie
of de door de bevoegde instantie aangestelde technische dienst of door een overeenkomstig
artikel 2 erkend bedrijf een controle op de inbouw en de werking worden
uitgevoerd. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: de
voeding beschikt over een eigen zekering; ·
de bedrijfsspanning ligt binnen
de gegeven toleranties; ·
de bekabeling voldoet aan de
voorschriften van bijlage II bij deze richtlijn en eventueel het ADN; ·
het aantal omwentelingen van de
antenne bedraagt minimaal 24/min; ·
in het stralingsbereik van de
antenne bevindt zich aan boord geen voor de radarnavigatie hinderlijk object; ·
de veiligheidsschakelaar van de
antenne, indien aanwezig, is bedrijfsklaar; ·
beeldschermeenheden,
bochtaanwijzers en bedieningsorganen zijn ergonomisch verantwoord geplaatst; ·
de koerslijn van de
navigatieradarinstallaties wijkt maximaal 1° af van de lengteas van het schip; ·
de nauwkeurigheid bij het
weergeven van afstand en azimut voldoet aan de eisen (meting aan de hand van
bekende doelen); ·
de lineariteit op korte afstand
(pushing en pulling) is in orde; ·
de af te beelden minimumafstand
is ten hoogste 15 m; ·
het middelpunt van het
radarbeeld is zichtbaar en niet groter dan 1 mm in doorsnede; ·
valse echo’s door reflecties en
ongewenste afschaduwing vooruit komen niet voor of beïnvloeden de veilige vaart
niet; ·
de golfonderdrukking en de
neerslagonderdrukking (STC- en FTC-preset), alsmede de voorinstellingen functioneren
correct; ·
de instelbaarheid van de
versterking is in orde; ·
de beeldscherpte en het
oplossend vermogen zijn in orde; ·
de draairichting van het schip
is in overeenstemming met de indicatie op de bochtaanwijzer, en de nulstand bij
het rechtuit varen is in orde; ·
de navigatieradarinstallatie is
ongevoelig voor uitzendingen van de boordradio-installatie of storingen uit
andere bronnen aan boord; ·
er komen geen storingen van
andere boordapparatuur door de navigatieradarinstallatie of door de
bochtaanwijzer voor. Voorts mag voor Inland
ECDIS-apparatuur: ·
de statische-positieafwijking
van de kaart niet meer bedragen dan 2 m; ·
de statische-hoekafwijking van
de kaart niet meer bedragen dan 1°. Artikel 9
Verklaring betreffende inbouw en functioneren Na een succesvolle keuring
overeenkomstig artikel 8 geeft de bevoegde instantie, de technische dienst of
het erkende bedrijf een verklaring volgens het model in deel IV af. Deze
verklaring moet steeds aan boord worden bewaard. Bij het niet voldoen aan
de keuringseisen wordt een lijst van geconstateerde gebreken opgemaakt. Een
eventueel nog aanwezige verklaring wordt ingetrokken dan wel door de technische
dienst of het erkende bedrijf aan de bevoegde instantie toegezonden. Deel IV (model) Verklaring betreffende de inbouw en werking
voor navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers in de binnenvaart Naam/type van het schip: ……………………………………………………………………… Europees scheepsidentificatienummer: …………………………………………………….. Eigenaar van het schip: ……………………………………………………………… Naam: ……………………………………………………………………………… Adres: ……………………………………………………………………………… _______________________________________________________________________________ __________________________________________________________________________________ Navigatieradarinstallatie Nummer:
……………….. Punt nr. || Type || Fabrikant || Typegoedkeurings-nummer || Serie-nummer || || || || Bochtaanwijzers Nummer:
……………….. Punt nr. || Type || Fabrikant || Typegoedkeurings-nummer || Serie-nummer || || || || Hierbij wordt verklaard
dat de navigatieradarinstallatie en de bochtaanwijzers van dit schip aan de
voorschriften van deze richtlijn, bijlage IX, deel III, inzake de inbouw en
controle van de werking van navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers voor
de binnenvaart voldoen. Erkend gespecialiseerd bedrijf/erkende
technische dienst/bevoegde instantie (*) Naam: ……………………………………………………………………………………… Adres: ……………………………………………………………………………………… Stempel/Zegel Plaats
……………….. Datum ……………………. Handtekening _______________________________________________________________________________________________________________________ (*) Doorhalen wat niet van toepassing
is Deel V (model)
1.
Lijst van de bevoegde instanties voor typegoedkeuring van
navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers
Land || Naam || Adres || Telefoonnummer || E-mailadres België || || || || Bulgarije || || || || Kroatië || || || || Denemarken || || || || Duitsland || || || || Estland || || || || Finland || || || || Frankrijk || || || || Griekenland || || || || Italië || || || || Ierland || || || || Letland || || || || Litouwen || || || || Luxemburg || || || || Malta || || || || Nederland || || || || Oostenrijk || || || || Polen || || || || Portugal || || || || Roemenië || || || || Zweden || || || || Zwitserland || || || || Spanje || || || || Slowakije || || || || Slovenië || || || || Tsjechië || || || || Hongarije || || || || Verenigd Koninkrijk || || || || Cyprus || || || || Indien geen instantie is vermeld, werd door het land in
kwestie geen bevoegde instantie opgegeven. ·
Lijst van erkende
navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers Punt nr. || Type || Fabrikant || Houder van de typegoedkeuring || Datum van de type-goedkeuring || Bevoegde instantie || Typegoed-keuringsnummer || || || || || || ·
Lijst van
navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers die op basis van gelijkwaardige
typegoedkeuringen zijn erkend Punt nr. || Type || Fabrikant || Houder van de typegoedkeuring || Datum van de type-goedkeuring || Bevoegde instantie || Typegoed-keuringsnummer || || || || || || ·
Lijst van deskundige bedrijven
die zijn erkend voor de inbouw of vervanging van navigatieradarinstallaties en
bochtaanwijzers België Punt nr. || Naam || Adres || Telefoonnummer || E-mailadres || || || || Indien geen erkend bedrijf is vermeld, is in dit land geen
enkele erkenning voor bedrijven afgegeven. Bulgarije Punt nr. || Naam || Adres || Telefoonnummer || E-mailadres || || || || Indien geen erkend bedrijf is vermeld, is in dit land geen
enkele erkenning voor bedrijven afgegeven. Kroatië Punt nr. || Naam || Adres || Telefoonnummer || E-mailadres || || || || Indien geen erkend bedrijf is vermeld, is in dit land geen
enkele erkenning voor bedrijven afgegeven. Denemarken Punt nr. || Naam || Adres || Telefoonnummer || E-mailadres || || || || Indien geen erkend bedrijf is vermeld, is in dit land geen
enkele erkenning voor bedrijven afgegeven. Duitsland Punt nr. || Naam || Adres || Telefoonnummer || E-mailadres || || || || Indien geen erkend bedrijf is vermeld, is in dit land geen
enkele erkenning voor bedrijven afgegeven. Estland Punt nr. || Naam || Adres || Telefoonnummer || E-mailadres || || || || Indien geen erkend bedrijf is vermeld, is in dit land geen
enkele erkenning voor bedrijven afgegeven. Finland Punt nr. || Naam || Adres || Telefoonnummer || E-mailadres || || || || Indien geen erkend bedrijf is vermeld, is in dit land geen
enkele erkenning voor bedrijven afgegeven. Frankrijk Punt nr. || Naam || Adres || Telefoonnummer || E-mailadres || || || || Indien geen erkend bedrijf is vermeld, is in dit land geen
enkele erkenning voor bedrijven afgegeven. Griekenland Punt nr. || Naam || Adres || Telefoonnummer || E-mailadres || || || || Indien geen erkend bedrijf is vermeld, is in dit land geen
enkele erkenning voor bedrijven afgegeven. Italië Punt nr. || Naam || Adres || Telefoonnummer || E-mailadres || || || || Indien geen erkend bedrijf is vermeld, is in dit land geen
enkele erkenning voor bedrijven afgegeven. Ierland Punt nr. || Naam || Adres || Telefoonnummer || E-mailadres || || || || Indien geen erkend bedrijf is vermeld, is in dit land geen
enkele erkenning voor bedrijven afgegeven. Letland Punt nr. || Naam || Adres || Telefoonnummer || E-mailadres || || || || Indien geen erkend bedrijf is vermeld, is in dit land geen
enkele erkenning voor bedrijven afgegeven. Litouwen Punt nr. || Naam || Adres || Telefoonnummer || E-mailadres || || || || Indien geen erkend bedrijf is vermeld, is in dit land geen
enkele erkenning voor bedrijven afgegeven. Luxemburg Punt nr. || Naam || Adres || Telefoonnummer || E-mailadres || || || || Indien geen erkend bedrijf is vermeld, is in dit land geen
enkele erkenning voor bedrijven afgegeven. Malta Punt nr. || Naam || Adres || Telefoonnummer || E-mailadres || || || || Indien geen erkend bedrijf is vermeld, is in dit land geen
enkele erkenning voor bedrijven afgegeven. Nederland Punt nr. || Naam || Adres || Telefoonnummer || E-mailadres || || || || Indien geen erkend bedrijf is vermeld, is in dit land geen
enkele erkenning voor bedrijven afgegeven. Oostenrijk Punt nr. || Naam || Adres || Telefoonnummer || E-mailadres || || || || Indien geen erkend bedrijf is vermeld, is in dit land geen
enkele erkenning voor bedrijven afgegeven. Polen Punt nr. || Naam || Adres || Telefoonnummer || E-mailadres || || || || Indien geen erkend bedrijf is vermeld, is in dit land geen
enkele erkenning voor bedrijven afgegeven. Portugal Punt nr. || Naam || Adres || Telefoonnummer || E-mailadres || || || || Indien geen erkend bedrijf is vermeld, is in dit land geen
enkele erkenning voor bedrijven afgegeven. Roemenië Punt nr. || Naam || Adres || Telefoonnummer || E-mailadres || || || || Indien geen erkend bedrijf is vermeld, is in dit land geen
enkele erkenning voor bedrijven afgegeven. Zweden Punt nr. || Naam || Adres || Telefoonnummer || E-mailadres || || || || Indien geen erkend bedrijf is vermeld, is in dit land geen
enkele erkenning voor bedrijven afgegeven. Zwitserland Punt nr. || Naam || Adres || Telefoonnummer || E-mailadres || || || || Indien geen erkend bedrijf is vermeld, is in dit land geen
enkele erkenning voor bedrijven afgegeven. Spanje Punt nr. || Naam || Adres || Telefoonnummer || E-mailadres || || || || Indien geen erkend bedrijf is vermeld, is in dit land geen
enkele erkenning voor bedrijven afgegeven. Slowakije Punt nr. || Naam || Adres || Telefoonnummer || E-mailadres || || || || Indien geen erkend bedrijf is vermeld, is in dit land geen
enkele erkenning voor bedrijven afgegeven. Slovenië Punt nr. || Naam || Adres || Telefoonnummer || E-mailadres || || || || Indien geen erkend bedrijf is vermeld, is in dit land geen
enkele erkenning voor bedrijven afgegeven. Tsjechië Punt nr. || Naam || Adres || Telefoonnummer || E-mailadres || || || || Indien geen erkend bedrijf is vermeld, is in dit land geen
enkele erkenning voor bedrijven afgegeven. Hongarije Punt nr. || Naam || Adres || Telefoonnummer || E-mailadres || || || || Indien geen erkend bedrijf is vermeld, is in dit land geen
enkele erkenning voor bedrijven afgegeven. Verenigd Koninkrijk Punt nr. || Naam || Adres || Telefoonnummer || E-mailadres || || || || Indien geen erkend bedrijf is vermeld, is in dit land geen
enkele erkenning voor bedrijven afgegeven. Cyprus Punt nr. || Naam || Adres || Telefoonnummer || E-mailadres || || || || Indien geen erkend bedrijf is vermeld, is in dit land geen
enkele erkenning voor bedrijven afgegeven. ·
Lijst van deskundige
keuringsinstellingen voor typekeuringen van navigatieradarinstallaties en
bochtaanwijzers Punt nr. || Naam || Adres || Telefoonnummer || E-mailadres || Land || || || || || || || || || || || || || || || || || || || || || || || || || Deel VI
Gelijkwaardige installaties Navigatieradarinstallaties:
Typegoedkeuringen op basis van Besluit 1989-II-33 van de Centrale Commissie
voor de Rijnvaart van 19 mei 1989, laatstelijk gewijzigd in Besluit 2008-II-11 van
27 november 2008*: ·
Bochtaanwijzers:
Typegoedkeuringen gebaseerd op Besluit 1989-II-34 van de Centrale Commissie
voor de Rijnvaart van 19 mei 1989, laatstelijk gewijzigd in Besluit 2008-II-11 van
27 november 2008* ·
Navigatieradarinstallaties en
bochtaanwijzers die zijn ingebouwd en functioneren overeenkomstig Besluit 1989-II-35
van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart van 19 mei 1989, laatstelijk
gewijzigd in Besluit 2008-II-11 van 27 november 2008* (*) Voorschriften omtrent de inbouw en het
functioneren van navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers voor navigatie
op de Rijn. [1] Ten aanzien van schepen met een
andere thuishaven moet artikel 32 van het Eems-Dollardverdrag van 8 april 1960
(BGBl. 1963 II, blz. 602) in acht worden genomen. [2] PB L 59 van 27.2.1998,
blz. 1. [3] De overeenkomstig Richtlijn 97/68/EG
erkende alternatieve typegoedkeuringen worden opgesomd in bijlage XII, punt 2,
van Richtlijn 97/68/EG. [4] Indien het apparaat of het
schakelbord zelf niet aan de minimum beschermingsgraad voldoet, moet de plaats
van opstelling de minimum beschermingsgraad volgens de tabel hebben. [5] Voor apparaten met een hoge
warmteontwikkeling: IP 12. [6] Indien het apparaat of het
schakelbord zelf niet aan de minimum beschermingsgraad voldoet, moet de plaats
van opstelling de minimum beschermingsgraad volgens de tabel hebben. [7] Erkend veilige elektrische
inrichting, bijvoorbeeld volgens a)
Europese norm EN 50014: 1997; 50015: 1998; 50016: 2002; 50017: 1998; 50018: 2000;
50019: 2000 en 50020: 2002; hetzij b)
de overeenkomstige IEC-publicatie 60079 in de versie geldig op 1 oktober 2003. [8] Indien deze spanning vanuit een net
met hogere spanning wordt verkregen moet een galvanische scheiding
(veiligheidstransformator) worden toegepast. [9] Indien deze spanning vanuit een net
met hogere spanning wordt verkregen moet een galvanische scheiding
(veiligheidstransformator) worden toegepast. [10] De secundaire stroomkring moet geheel
van aarde zijn geïsoleerd. [11] Indien deze spanning vanuit een net
met hogere spanning wordt verkregen moet een galvanische scheiding
(veiligheidstransformator) worden toegepast. [12] Indien deze spanning vanuit een net
met hogere spanning wordt verkregen moet een galvanische scheiding
(veiligheidstransformator) worden toegepast. [13] Afstand van zaling tot aan het dek. [14] De totale lengte van de steng, zonder
de top. [15] Diameter van de steng ter plaatse van
het topbeslag. [16] Totale lengte van de boegspriet. [17] Totale lengte van de kluiverboom. [18] Totale lengte van de giek. [19] Totale lengte van de gaffel. [20] Afstand van top of zaling tot aan het
dek. [21] Afstand van top of zaling tot aan het
dek. [22] PB L 207 van 23.7.1998, blz. 1.
Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 98/79/EG (PB L 331 van 7.12.1998,
blz. 1). [23] PB L 164 van 30.6.1994, blz. 15.
Richtlijn zoals laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003. [24] Ruimgedeelten van vrije
vloeistofoppervlakken ontstaan, indien door waterdichte langs- en/of
dwarsverdelingen van elkaar onafhankelijke vrije vloeistofoppervlakken worden
gevormd. [25] Ruimgedeelten van vrije
vloeistofoppervlakken ontstaan, indien door waterdichte langs- en/of
dwarsverdelingen van elkaar onafhankelijke vrije vloeistofoppervlakken worden
gevormd. [26] 1. Vóór 1.10.1980 vast ingebouwde CO2-brandblusinstallaties
blijven uiterlijk tot aan de afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat
na 1.1.2035 toegelaten, wanneer zij voldoen aan artikel 7.03, vijfde lid, in de
versie van protocol 1975-I-23 van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart. 2.
Tussen 1.4.1992 en 1.1.1995 vast ingebouwde CO2-brandblusinstallaties
blijven uiterlijk tot aan de afgifte of verlenging van het
EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2035 toegelaten, wanneer zij voldoen aan
artikel 7.03, vijfde lid, van het op 31.12.1994 van kracht zijnde Reglement
onderzoek schepen op de Rijn. 3.
Tussen 1.4.1992 en 1.1.1995 verstrekte aanbevelingen van de Centrale Commissie
voor de Rijnvaart voor de toepassing van artikel 7.03, vijfde lid, van het op 31.12.1994
van kracht zijnde Reglement onderzoek schepen op de Rijn blijven uiterlijk tot
aan de afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2035
geldig. 4.
Artikel 10.03b, tweede lid, onder a), geldt uiterlijk tot aan de afgifte of
verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2035 alleen dan, wanneer
deze installaties worden ingebouwd in schepen waarvan de kiel is gelegd na 1.10.1992.
[27] 1. Tussen 1.1.1995 t/m 31.3.2003 vast
ingebouwde CO2-brandblusinstallaties blijven uiterlijk tot aan de
afgifte of verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2035 toegelaten,
wanneer zij voldoen aan artikel 10.03, vijfde lid, van het op 31 maart 2002 van
kracht zijnde Reglement onderzoek schepen op de Rijn. 2.
Tussen 1.1.1995 t/m 31.3.2002 verstrekte aanbevelingen van de Centrale
Commissie voor de Rijnvaart voor de toepassing van artikel 10.03, vijfde lid,
van het op 31.3.2002 van kracht zijnde Reglement onderzoek schepen op de Rijn
blijven uiterlijk tot aan de afgifte of verlenging van het
EU-binnenvaartcertificaat na 1.1.2035 geldig. 3.
Artikel 10.05, tweede lid, onder a), geldt uiterlijk tot aan de afgifte of
verlenging van het EU-binnenvaartcertificaat na 1 januari 2035 alleen dan,
wanneer deze installaties worden ingebouwd in schepen waarvan de kiel is gelegd
ná 1.10.1992. [28] Overeenkomstig bijlage I, onder 1A,
punt (ii), van Richtlijn 2004/26/EG, tot wijziging van Richtlijn 97/68/EG, zijn
de waarden voor deze hulpmotoren met constant toerental slechts vanaf deze
datum van toepassing. [29] Dit artikel geldt voor schepen waarvan
de kiel is gelegd twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn
en voor in bedrijf zijnde schepen met inachtneming van het volgende: bij
vernieuwingswerkzaamheden, het gehele laadruim omvattend, is artikel 11.04 van
toepassing. bij een verbouwing
die de totale lengte van de gangboorden omvat en waardoor de vrije breedte van
het gangboord wordt gewijzigd: a)
is artikel 11.04 van toepassing, indien de vóór de verbouwing beschikbare vrije
breedte van het gangboord tot een hoogte van 0,90 m, of de vrije breedte
daarboven, moet worden verminderd; b)
mag de vóór de verbouwing beschikbare vrije breedte van het gangboord tot een
hoogte van 0,90 m, of de vrije breedte daarboven, niet worden verminderd,
indien deze afmetingen kleiner zijn dan die bedoeld in artikel 11.04. [30] In overeenstemming met het besluit van
de nautisch deskundige. [31] In overeenstemming met het besluit van
de nautisch deskundige. [32] In overeenstemming met het besluit van
de nautisch deskundige. [33] Schrappen wat overbodig is. [34] Schrappen wat overbodig is. [35] Schrappen wat overbodig is. [36] Schrappen wat overbodig is. [37] Schrappen wat overbodig is. [38] Schrappen wat overbodig is. [39] Schrappen wat overbodig is. [40] Schrappen wat overbodig is. [41] Schrappen wat overbodig is. [42] Schrappen wat overbodig is. [43] Schrappen wat overbodig is. [44] Schrappen wat overbodig is. [45] Schrappen wat overbodig is. [46] Schrappen wat overbodig is. [47] Schrappen wat overbodig is. [48] Schrappen wat overbodig is. [49] Schrappen wat overbodig is. [50] Schrappen wat overbodig is. [51] Schrappen wat overbodig is. [52] Schrappen wat overbodig is. [53] Schrappen wat overbodig is. [54] Dwt =
deadweight (laadvermogen). [55] Dwt =
deadweight (laadvermogen). [56] Schrappen wat overbodig is. [57] Schrappen wat overbodig is. [58] Schrappen wat overbodig is. [59] Schrappen wat overbodig is. [60] Schrappen wat overbodig is. [61] Schrappen wat overbodig is. [62] Schrappen wat overbodig is. [63] De toepassing „aandrijving met
propellerkenmerken” of „aandrijving tegen constant toerental” moet in het
typegoedkeuringsdocument worden gespecificeerd. [64] De in het ROSR (Reglement onderzoek
schepen op de Rijn) bepaalde fase II-grenswaarden zijn van toepassing vanaf 1
juli 2007. [65] De toepassing „aandrijving met
propellerkenmerken” of „aandrijving tegen constant toerental” moet in het
typegoedkeuringsdocument worden gespecificeerd. [66] De in het ROSR (Reglement onderzoek
schepen op de Rijn) bepaalde fase II-grenswaarden zijn van toepassing vanaf 1
juli 2007. [67] Alleen van toepassing voor motoren met
nominaal vermogen van meer dan 560 kW. [68] De in het ROSR (Reglement onderzoek
schepen op de Rijn) bepaalde fase II-grenswaarden zijn van toepassing vanaf 1
juli 2007. [69] Alleen van toepassing voor motoren met
nominaal vermogen van meer dan 560 kW. [70] De in het ROSR (Reglement onderzoek
schepen op de Rijn) bepaalde fase II-grenswaarden zijn van toepassing vanaf 1
juli 2007. [71] Bedrijfsfasen Voor de keuring
worden de volgende bedrijfsfasen gedefinieerd: a) Stand-byfase:
de boordzuiveringsinstallatie is in werking, maar er is langer dan een dag geen
afvalwater aangevoerd. Een boordzuiveringsinstallatie kan zich bijvoorbeeld in
de stand-byfase bevinden als het passagiersvaartuig gedurende langere tijd niet
wordt geëxploiteerd en op zijn ligplaats stilligt. b) Noodbedrijfsfase:
verschillende aggregaten van de boordzuiveringsinstallatie zijn uitgevallen,
zodat het afvalwater niet meer zoals voorzien kan worden gereinigd. c) Uitschakeling,
stillegging en heropstart: de boordzuiveringsinstallatie wordt gedurende
langere tijd buiten gebruik gesteld (als het vaartuig in de winter ligt
aangemeerd) en de stroomtoevoer wordt onderbroken; aan het begin van het
seizoen wordt de boordzuiveringsinstallatie opnieuw opgestart. [72] Doorhalen wat overbodig is. [73] Invullen wat van toepassing is. [74] Als de bevoegde instantie de testen
zelf uitvoert vermelden: n.v.t. [75] Invullen wat van toepassing is. [76] In geval van meerdere testcycli voor
iedere cyclus aangeven. [77] Voor de toevoer bestaan geen
grenswaarden. [78] In te vullen door de keurder. [79] Doorhalen wat overbodig is. [80] Voor de toevoer bestaan geen
grenswaarden.