Voorstel voor een UITVOERINGSVERORDENING VAN DE RAAD tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde bereide of verduurzaamde suikermaïs in korrels van oorsprong uit Thailand naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1225/2009 /* COM/2013/0569 final - 2013/0274 (NLE) */
TOELICHTING 1) Achtergrond van het voorstel || Motivering en doel van het voorstel Dit voorstel betreft de toepassing van Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap ("de basisverordening") in het kader van het nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op de invoer van bepaalde bereide of verduurzaamde suikermaïs in korrels van oorsprong uit Thailand. || Algemene context Dit voorstel wordt gedaan in het kader van de tenuitvoerlegging van de basisverordening en is het resultaat van een onderzoek dat is uitgevoerd overeenkomstig de materiële en procedurele eisen in de basisverordening. || Bestaande bepalingen op het door het voorstel bestreken gebied Een definitief antidumpingrecht op de invoer van bepaalde bereide of verduurzaamde suikermaïs in korrels, momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 2001 90 30 en ex 2005 80 00, van oorsprong uit Thailand werd ingesteld bij Verordening (EG) nr. 682/2007 (PB L 159 van 18 juli 2007, blz. 14), als gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 954/2008 (PB L 260 van 25 september 2008, blz. 1). || Samenhang met andere beleidsgebieden en doelstellingen van de EU Niet van toepassing. 2) Raadpleging van belanghebbende partijen en effectbeoordeling || Raadpleging van belanghebbende partijen || Partijen die belang hebben bij de procedure werden overeenkomstig de bepalingen van de basisverordening in de loop van het onderzoek in de gelegenheid gesteld hun belangen te verdedigen. || Bijeenbrengen en benutten van deskundigheid || Er behoefde geen beroep te worden gedaan op externe deskundigheid. || Effectbeoordeling Dit voorstel vloeit voort uit de tenuitvoerlegging van de basisverordening. De basisverordening voorziet niet in een algemene effectbeoordeling, maar omvat wel een uitputtende lijst van factoren die moeten worden beoordeeld. 3) Juridische elementen van het voorstel || Samenvatting van de voorgestelde maatregelen Op 19 juni 2012 heeft de Commissie een nieuw onderzoek ingesteld in verband met het vervallen van de antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op de invoer van bepaalde bereide of verduurzaamde suikermaïs in korrels van oorsprong uit Thailand. Het nieuwe onderzoek werd ingesteld naar aanleiding van een onderbouwd verzoek ingediend door de Association Européenne des Transformateurs de Maïs Doux (AETMD), die meer dan 50 % van de productie van suikermaïs in de Unie vertegenwoordigt. Uit het nieuwe onderzoek bleek dat voortzetting van dumping waarschijnlijk is en waarschijnlijk opnieuw schade zal optreden als de maatregelen vervallen. Voorts werd vastgesteld dat de handhaving van de maatregelen niet in strijd zou zijn met het belang van de Unie. Daarom wordt voorgesteld dat de Raad zijn goedkeuring hecht aan bijgevoegd voorstel voor een verordening tot verlenging van de bestaande maatregelen; deze verordening moet uiterlijk op 18 september 2013 in het Publicatieblad van de Europese Unie worden bekendgemaakt. || Rechtsgrondslag Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap. || Subsidiariteitsbeginsel Het voorstel betreft een gebied dat onder de exclusieve bevoegdheid van de EU valt. Het subsidiariteitsbeginsel is derhalve niet van toepassing. || Evenredigheidsbeginsel Het voorstel is om de volgende reden in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel: || De vorm van de maatregel wordt voorgeschreven in de basisverordening en laat geen ruimte voor nationale besluitvorming. || Beschrijving van de wijze waarop de financiële en administratieve lasten voor de Unie, de nationale, regionale en plaatselijke overheden, de bedrijven en de burgers zo veel mogelijk worden beperkt en hoe zij in verhouding staan tot het doel van het voorstel: niet van toepassing. || Keuze van instrumenten || Voorgesteld instrument: verordening. || Andere instrumenten zouden om de volgende reden ongeschikt zijn: Andere instrumenten zijn niet geschikt omdat de basisverordening niet in andere mogelijkheden voorziet. 4) Gevolgen voor de begroting || Het voorstel heeft geen gevolgen voor de EU-begroting. 2013/0274 (NLE) Voorstel voor een UITVOERINGSVERORDENING VAN DE RAAD tot instelling van een definitief
antidumpingrecht op bepaalde bereide of verduurzaamde suikermaïs in korrels van
oorsprong uit Thailand naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met
het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van
Verordening (EG) nr. 1225/2009 DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gezien het Verdrag betreffende de werking van
de Europese Unie, Gezien Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de
Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met
dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap[1] ("de
basisverordening"), en met name artikel 9 en artikel 11, lid 2, Gezien het voorstel dat de Europese Commissie,
na raadpleging van het Raadgevend Comité, heeft ingediend, Overwegende hetgeen volgt: A. PROCEDURE 1. Geldende maatregelen (1) Na een antidumpingonderzoek
("het oorspronkelijke onderzoek") heeft de Raad bij Verordening (EG)
nr. 682/2007[2]
een definitief antidumpingrecht ingesteld op bepaalde bereide of verduurzaamde
suikermaïs in korrels, momenteel ingedeeld onder de GN‑codes ex 2001 90
30 en ex 2005 80 00, van oorsprong uit Thailand ("de definitieve
antidumpingmaatregelen"). De maatregelen bestonden uit een ad‑valoremrecht,
dat 3,1 % tot 12,9 % bedroeg. (2) Verordening (EG)
nr. 682/2007 werd gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 954/2008[3], wat het recht voor een van de
ondernemingen en dat voor "alle andere ondernemingen" betreft. De
gewijzigde rechten bedragen 3,1 % tot 14,3 %. De invoer door twee
Thaise producenten-exporteurs van wie verbintenissen werden aanvaard bij
Besluit 2007/424/EG van de Commissie[4],
werd vrijgesteld van het recht. (3) De
Raad was bij Verordening (EG) nr. 847/2009[5] van mening
dat prijsverbintenissen met vaste minimuminvoerprijzen niet langer geschikt
waren om het schade veroorzakende effect van dumping te neutraliseren. De al
aanvaarde verbintenissen werden derhalve opgezegd en het aanbod van tien andere
Thaise producenten-exporteurs werd afgewezen. 2. Verzoek om een nieuw onderzoek in verband met het vervallen
van de maatregelen (4) Na de bekendmaking van een
bericht dat de definitieve antidumpingmaatregelen op korte termijn zouden
vervallen[6],
ontving de Commissie op 19 maart 2012 een verzoek om een nieuw onderzoek op
grond van artikel 11, lid 2, van de basisverordening. Het verzoek werd
ingediend door de Association Européenne des Transformateurs de Maïs Doux
(AETMD) ("de indiener van het verzoek") namens producenten die samen
een groot deel, in dit geval meer dan 50 %, van de totale productie van
bereide of verduurzaamde suikermaïs in de Unie voor hun rekening nemen. (5) Het verzoek was gebaseerd op
de overweging dat het vervallen van de maatregelen waarschijnlijk zou leiden
tot het voortduren of opnieuw optreden van dumping en schade voor de
bedrijfstak van de Unie. 3. Opening van een nieuw onderzoek (6) Daar de Commissie na
raadpleging van het Raadgevend Comité tot de conclusie was gekomen dat er
voldoende bewijsmateriaal was om een procedure voor een nieuw onderzoek in
verband met het vervallen van de maatregelen in te leiden, heeft zij op
19 juni 2012 door de bekendmaking van een bericht in het Publicatieblad
van de Europese Unie[7]
("het bericht van opening") de opening van een nieuw onderzoek op
grond van artikel 11, lid 2, van de basisverordening aangekondigd. 4. Onderzoek 4.1. Tijdvak van het nieuwe onderzoek en
beoordelingsperiode (7) Het onderzoek naar de
voortzetting van dumping had betrekking op de periode van 1 april 2011 tot
en met 31 maart 2012 (het "tijdvak van het nieuwe onderzoek" of
"TNO"). Het onderzoek naar de ontwikkelingen die relevant zijn voor
de beoordeling van de waarschijnlijkheid van voortzetting van schade had
betrekking op de periode van 1 januari 2008 tot het einde van het TNO ("de
beoordelingsperiode"). 4.2. Bij de procedure betrokken partijen (8) De Commissie heeft de
indieners van het verzoek, de overige bekende producenten in de Europese Unie,
de producenten-exporteurs in Thailand, de niet-verbonden importeurs, de bekende
betrokken gebruikers en de vertegenwoordigers van het land van uitvoer
officieel van de opening van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen
van de maatregelen in kennis gesteld. De belanghebbenden werden in de
gelegenheid gesteld om binnen de in het bericht van opening genoemde termijn hun
standpunt schriftelijk kenbaar te maken en te verzoeken te worden gehoord. (9) Alle
belanghebbenden die daar met opgave van redenen om hadden verzocht, werden
gehoord. (10) Gezien het kennelijk grote
aantal producenten-exporteurs in Thailand en niet-verbonden importeurs in de
Unie dat bij het onderzoek betrokken was, werd in het bericht van opening
vermeld dat werd overwogen om overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening
gebruik te maken van steekproeven. Om de Commissie in staat te stellen te beslissen
of een steekproef noodzakelijk was en, zo ja, deze samen te stellen, werd
bovengenoemde partijen verzocht zich binnen vijftien dagen na de opening van
het nieuwe onderzoek bij haar kenbaar te maken en haar de in het bericht van
opening gevraagde gegevens te verstrekken. (11) Wat
betreft het samenstellen van de steekproef van de producenten-exporteurs in
Thailand ontving de Commissie volledige informatie van zeventien
producenten-exporteurs, van wie negen in het TNO exporteerden naar de Europese
Unie. Er werd besloten om een steekproef van drie producenten-exporteurs samen
te stellen van wie de gecombineerde uitvoer 90 % van de totale door de
medewerkende producenten-exporteurs in het TNO naar de Europese Unie
uitgevoerde hoeveelheden vertegenwoordigde. (12) Omdat slechts één antwoord van
een niet-verbonden importeur werd ontvangen, werd geen steekproef van
niet-verbonden importeurs samengesteld. (13) Gezien het kennelijk grote
aantal producenten in de Unie dat bij dit onderzoek betrokken was, werd in het
bericht van opening meegedeeld dat de Commissie voor het vaststellen van de
schade een voorlopige steekproef van producenten in de Unie had samengesteld,
overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening. Die voorselectie was
gemaakt met gebruikmaking van de informatie die de Commissie in de inleidende
fase tot haar beschikking had, en gebaseerd op het verkoopvolume, het
productievolume en de geografische ligging in de Unie van de producenten. De
voorgestelde steekproef komt overeen met het grootste representatieve
productievolume dat binnen de beschikbare tijd redelijkerwijs kon worden
onderzocht en vertegenwoordigt 58 % van de totale productie van de
bedrijfstak van de Unie. De voorgestelde steekproef is bovendien representatief
in termen van de geografische ligging van de ondernemingen, aangezien zij drie
verschillende lidstaten bestrijkt. EU-producenten zijn geraadpleegd over de
voorgestelde steekproef op de datum van bekendmaking van het bericht van
opening. Omdat zich geen andere producenten hebben aangemeld en geen
opmerkingen over de steekproef werden ontvangen, werd de voorgestelde
steekproef bevestigd. (14) Twee belanghebbenden beweerden
dat de steekproef van producenten in de Unie alleen indieners van het verzoek
omvatte en dat de Commissie ook producenten die geen deel uitmaken van die
groep in de steekproef had moeten opnemen. (15) In feite hebben echter alle
bekende producenten in de EU, zowel de indieners van het verzoek als de andere,
een verzoek om medewerking ontvangen. Tien producenten in de Unie, zowel
indieners als niet-indieners, hebben informatie voor de streekproef verstrekt.
Zoals uiteengezet onder overweging 13 kwam de geselecteerde steekproef overeen
met het grootste representatieve productievolume dat in de beschikbare tijd redelijkerwijs
kon worden onderzocht, en vertegenwoordigde 58 % van de totale productie
van de bedrijfstak van de Unie; de Commissie is van mening dat de steekproef
representatief is in termen van geografische ligging, afgezien van de vraag of
de betreffende producenten tot de indieners van het verzoek behoren. Daarom
wordt het argument verworpen. (16) De Commissie verzamelde en
controleerde alle gegevens die zij nodig achtte om vast te stellen of
voortzetting of herhaling van dumping en de daaruit voortvloeiende schade
waarschijnlijk was en om het belang van de Unie te bepalen. De Commissie zond
de producenten-exporteurs en producenten in de Unie die in de steekproef waren
opgenomen en de niet-verbonden importeur daartoe vragenlijsten. Bij de volgende
ondernemingen werd ter plaatse een controle uitgevoerd: a) Producenten in de Unie: –
Bonduelle Conserve International SAS, Renescure, Frankrijk, –
Compagnie Générale de Conserve France SA, Theix, Frankrijk, –
Compagnie Générale de Conserve Hungary, Debrecen, Hongarije, –
Conserve Italia SCA, San Lazzaro di Savena, Italië; b) Producenten-exporteurs
in Thailand: –
Agri Sol., Ltd., Pathumthani City, –
Lampang Food Products Co., Ltd., Bangkok, –
Sun Sweet Co., Ltd., Chiang Mai City. (17) Alle belanghebbenden die daar
met opgave van redenen om hadden verzocht, werden gehoord. B. BETROKKEN PRODUCT EN
SOORTGELIJK PRODUCT 1. Betrokken
product (18) Bij het betrokken product gaat
het om suikermaïs (Zea mays var. saccharata) in korrels, bereid of verduurzaamd
in azijn of azijnzuur, niet bevroren, momenteel ingedeeld onder GN-code ex 2001
90 30, en suikermaïs (Zea mays var. saccharata) in korrels, op andere wijze
bereid of verduurzaamd dan in azijn of azijnzuur, niet bevroren, andere dan de
producten bedoeld bij post 2006, momenteel ingedeeld onder GN-code ex 2005 80
00, van oorsprong uit Thailand. (19) Uit het onderzoek is gebleken
dat de verschillende soorten van het betrokken product, ondanks verschillen in
bereidingswijze, allemaal dezelfde biologische en chemische basiskenmerken
hebben en in hoofdzaak voor dezelfde doeleinden worden gebruikt. (20) Twee belanghebbenden stelden
dat de GN-codes voor suikermaïs niet alleen voor het betrokken product staan,
maar ook aanzienlijke hoeveelheden babymaïs in blik omvatten, een product dat
in de EU niet geproduceerd wordt en niet als soortgelijk beschouwd kan worden.
Zij stellen dat de Commissie mogelijkerwijs ook babymaïs in haar gegevens heeft
verwerkt. (21) In
feite was het onderzoek echter uitsluitend gericht op het product waarop de
maatregelen betrekking hebben, met uitsluiting van babymaïs, door de
overeenkomstige TARIC-codes als basis voor de analyse te gebruiken. Daarom
wordt het argument als feitelijk onjuist verworpen. 2. Soortgelijk product (22) De suikermaïs die door de
bedrijfstak van de Unie in de Unie geproduceerd en verkocht wordt en de
suikermaïs die in Thailand wordt geproduceerd en verkocht, blijken in wezen
dezelfde fysische en chemische kenmerken te hebben en hetzelfde basisgebruik te
hebben als de suikermaïs die in Thailand wordt geproduceerd en naar de Unie
wordt uitgevoerd. Daarom worden al deze producten beschouwd als soortgelijke
producten in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening. C. WAARSCHIJNLIJKHEID
VAN VOORTZETTING OF HERHALING VAN DUMPING (23) Overeenkomstig artikel 11, lid
2, van de basisverordening werd nagegaan of het waarschijnlijk is dat de
dumping zal worden voortgezet of zich opnieuw zal voordoen indien de bestaande
maatregelen vervallen. 1. Inleidende opmerkingen (24) Zoals vermeld in overweging
(10) hierboven, werd in het bericht van opening steekproefname voorzien,
vanwege het mogelijk grote aantal producenten-exporteurs dat bereid zou zijn om
mee te werken. Om de waarschijnlijkheid van voortzetting of herhaling van
dumping vast te stellen, werd een steekproef van drie producenten-exporteurs
samengesteld, die 90 % vertegenwoordigden van de totale uitvoer van de
producenten-exporteurs die zeiden te willen meewerken. (25) Omdat de door de drie in de
steekproef opgenomen producenten-exporteurs uitgevoerde hoeveelheden samen
ongeveer 25 % van alle uitvoer in het TNO vanuit Thailand naar de Europese
Unie vormden, moest gebruik worden gemaakt van gegevens uit andere bronnen,
zoals het verzoek om een nieuw onderzoek en de beschikbare handelsstatistieken
van de uitvoer (van de Thaise douane) en van de invoer (van Eurostat), om de
waarschijnlijkheid van voortzetting of herhaling van dumping vast te stellen. (26) Bij het vaststellen van de
dumpingmarge werd geen rekening gehouden met verkopen aan handelaren in
Thailand waarbij de goederen waren bestemd voor onbekende uitvoerbestemmingen. (27) Net als in het oorspronkelijke
onderzoek bleek dat bepaalde producenten-exporteurs een deel van hun verkopen
van het betrokken product betrekken van externe leveranciers. Voor het doel van
het onderzoek werd bij het vaststellen van de respectieve dumpingmarges geen
rekening gehouden met de verkopen van het betrokken product voor zover dat
product niet door de producenten-exporteurs zelf was geproduceerd. 2. Invoer met dumping in het TNO 2.1. Vaststelling van de normale waarde (28) Overeenkomstig artikel 2, lid
2, eerste zin van de basisverordening, werd voor de vaststelling van de normale
waarde eerst voor elk van de drie producenten-exporteurs vastgesteld of de
totale, door hen op de binnenlandse markt verkochte hoeveelheid van het
soortgelijke product in het TNO representatief was voor hun totale uitvoer naar
de Europese Unie, d.w.z. of de verkoop van het voor gebruik in het binnenland
bestemde soortgelijke product ten minste 5 % bedroeg van de naar de
Europese Unie verkochte hoeveelheid van het betrokken product. (29) De op de binnenlandse markt
verkochte hoeveelheden van het soortgelijke product bleken representatief voor
een van de drie in de steekproef opgenomen ondernemingen. (30) Vervolgens werd onderzocht of
de door deze onderneming verkochte soorten van het voor binnenlands verbruik
bestemde soortgelijke product identiek waren aan of direct vergelijkbaar waren
met de voor uitvoer naar de Unie bestemde soorten. Voor elk van deze soorten
werd vastgesteld of de verkopen van het voor binnenlands verbruik bestemde
soortgelijke product voldoende representatief waren voor de doeleinden van
artikel 2, lid 2, van de basisverordening. De voor binnenlands
verbruik bestemde hoeveelheden waren voldoende representatief wanneer zij ten
minste 5 % van het totale verkoopvolume van het naar de Europese Unie
uitgevoerde soortgelijke product bedroegen. (31) Het bleek dat voor deze
onderneming slechts een van de soorten van het soortgelijke product direct
vergelijkbaar was met de naar de Europese Unie uitgevoerde soort. Deze
specifieke soort werd bovendien ook op de binnenlandse markt in voldoende
representatieve hoeveelheden verkocht. (32) Vervolgens werd onderzocht of
de productsoort voor de in de vorige overweging genoemde onderneming
overeenkomstig artikel 2, lid 4, van de basisverordening werd verkocht in het
kader van normale handelstransacties. Hiertoe werd voor de betrokken
productsoort het aandeel van de winstgevende binnenlandse verkoop aan
onafhankelijke afnemers bepaald. (33) Meer
dan 80 % van het voor binnenlands verbruik bestemde verkoopvolume bleek
winstgevend, en overeenkomstig artikel 2, lid 4, van de basisverordening werden
alle transacties voor deze specifieke soort gebruikt om de normale waarde vast
te stellen. (34) Voor de betrokken productsoort
waarvan de binnenlandse verkoop representatief was en plaatsvond in het kader
van normale handelstransacties, werd de normale waarde vastgesteld op de
werkelijke binnenlandse prijs, berekend als het gewogen gemiddelde van alle
binnenlandse verkopen van die soort in het TNO. (35) Voor de andere twee
producenten-exporteurs van wie de verkoop op de binnenlandse markt niet
representatief werd geacht (een van de twee verkocht het soortgelijke product
helemaal niet voor binnenlandse consumptie), en voor de derde
producent-exporteur van wie de totale verkopen wel representatief werden
geacht, maar van wie de op de binnenlandse markt verkochte hoeveelheden van een
aantal soorten van het soortgelijk product niet representatief werden geacht,
moest de normale waarde door berekening overeenkomstig artikel 2, lid 3, van de
basisverordening worden vastgesteld. (36) De
normale waarde werd berekend door de productiekosten voor elk van de naar de
Europese Unie uitgevoerde productsoorten op te tellen bij een redelijk bedrag
voor verkoopkosten, algemene kosten en administratiekosten (VVA-kosten) en
winst. (37) Overeenkomstig artikel 2, lid
6, van de basisverordening werden de VVA-kosten en winstmarge voor de twee
producenten-exporteurs die voor binnenlands verbruik verkochten – in
hoeveelheden van meer of minder dan 5 % van hun respectieve verkoopvolumes
aan de Europese Unie – ontleend aan de omzet van de betreffende onderneming in
het kader van normale handelstransacties op de binnenlandse markt. (38) Voor de derde
producent-exporteur, die het soortgelijke product niet voor binnenlandse
consumptie verkocht, vormden de voor deze derde producent-exporteur gebruikte
VVA-kosten en de winst overeenkomstig artikel 2, lid 6, onder a), van de
basisverordening het gewogen gemiddelde van de VVA-kosten en de winst voor de
twee andere in de vorige overweging genoemde producenten-exporteurs. (39) Twee belanghebbenden hebben
bezwaar gemaakt tegen de in overweging 37 uiteengezette methodologie, met
name tegen het gebruik van winstcijfers voor het berekenen van een normale
waarde wanneer die winstcijfers gebaseerd zijn op binnenlandse
verkooptransacties betreffende volumes die minder dan 5 % van de verkoop
naar de Europese Unie bedragen. Zij zijn van mening dat wanneer binnenlandse
verkooptransacties geacht worden niet representatief te zijn vanwege de geringe
betrokken hoeveelheden, de winst op deze transacties ook niet als basis voor
berekeningen gebruikt zou moeten worden. (40) Deze zelfde methodologie is
echter ook gebruikt bij het oorspronkelijke onderzoek, en aangezien de
omstandigheden niet wezenlijk veranderd zijn, meent de Commissie dat deze
methodologie nog steeds bruikbaar is voor de doeleinden van deze procedure. 2.2. Vaststelling van de uitvoerprijs (41) Alle verkopen van de
producenten-exporteurs in de steekproef gingen rechtstreeks naar niet-verbonden
afnemers in de Europese Unie. De uitvoerprijs voor die verkopen werd
overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening vastgesteld op basis
van de door die onafhankelijke afnemers in de Europese Unie werkelijk betaalde
of te betalen prijzen. 2.3. Vergelijking en correcties (42) De normale waarde en de
uitvoerprijs werden vergeleken in het stadium af fabriek. Om een eerlijke
vergelijking te waarborgen, werd rekening gehouden met verschillen die van
invloed zijn op de prijsvergelijkbaarheid, overeenkomstig artikel 2, lid 10,
van de basisverordening. (43) In voorkomend geval werden
correcties voor verschillen in de kosten van vervoer, verzekering, lading,
overlading, lossing, commissies en bankkosten toegepast en naar behoren
onderbouwd. (44) Bovendien werden
overeenkomstig artikel 2, lid 10, onder d), van de basisverordening en volgens
de in het oorspronkelijke onderzoek toegepaste methode correcties voor
verschillen in het handelsstadium toegepast voor de producenten-exporteurs van
wie de verkopen op de binnenlandse markt plaatsvinden onder eigen merk, maar
van wie de verkopen aan de Europese Unie plaatsvinden onder het merk van een
detailhandelaar. Het correctieniveau – berekend in de vorm van een reductie van
de winstmarge gebruikt voor het berekenen van de normale waarde zoals bedoeld
in overweging 33 – is geraamd op basis van de verhouding van de winstmarges
van de bedrijfstak van de Unie op hun eigen merkproducten en de winstmarge op
alle andere producten. De winstmarge werd dienovereenkomstig met 20 % tot
50 % verlaagd. (45) Twee belanghebbenden waren van
mening dat de binnenlandse markt in Thailand en de Europese markt niet met
elkaar vergeleken kunnen worden, gezien het verschil in omvang en het feit dat
Thaise producenten op de binnenlandse markt hun producten onder eigen merknaam
verkopen. (46) Er zij allereerst op gewezen
dat onder overweging 22 is vastgesteld dat op de binnenlandse markt in Thailand
verkochte suikermaïs en voor uitvoer naar de Europese markt verkochte
suikermaïs soortgelijk zijn in de zin van artikel 1, lid 4, van de
basisverordening. (47) In de tweede plaats werd
gezien de verschillen van het handelsstadium een correctie van de winstmarge
toegepast, namelijk een reductie van tussen 20 % en 50 % van de
winstmarge op binnenlandse verkoop onder eigen merknaam. Ook dit is in
overeenstemming met de in het oorspronkelijke onderzoek toegepaste
methodologie. 2.4. Dumping in het tijdvak van het nieuwe
onderzoek (48) Op basis van het bovenstaande
bleken de dumpingmarges uitgedrukt als percentage van de cif-prijs, grens Unie,
vóór inklaring, 8 % tot 44 % te zijn. 3. Ontwikkeling van de invoer als de maatregelen worden
ingetrokken 3.1. Productiecapaciteit van de
producenten-exporteurs (49) De
productie van suikermaïs is afhankelijk van de beschikbaarheid van vers
geoogste maïs die direct na de oogst aan de conservenindustrie wordt geleverd.
De vers geoogste maïs moet binnen 24 uur na de oogst worden ingeblikt, en de
capaciteit om het betrokken product te produceren hangt dus direct samen met de
beschikbaarheid van vers geoogste maïs. (50) In Thailand duurt het
oogstseizoen negen tot tien maanden per jaar en kan twee keer per jaar worden
geoogst. Wanneer de beschikbare technische productiecapaciteit wordt bepaald,
moet in de analyse rekening worden gehouden met seizoensgebonden
grondstofbeperkingen. (51) De drie in de steekproef
opgenomen producenten-exporteurs hadden een gecombineerde technische capaciteit
van 130 000 tot 150 000 ton. De feitelijke bezettingsgraad van de
beschikbare technische capaciteit varieerde van 50 % tot 80 %. (52) Enkele belanghebbenden stelden
dat de gebruikte methodologie voor het reduceren van de technische capaciteit
op basis van de beschikbaarheid van grondstoffen weliswaar correct was, maar
dat de beschikbare reservecapaciteit te hoog ingeschat werd. (53) Zoals reeds benadrukt in
overweging 50 kan de technische capaciteit niet volledig benut worden gezien
het seizoensgebonden gebrek aan verse suikermaïs. Het onderzoek heeft echter
uitgewezen date enkele producenten in de steekproef in staat waren een
bezettingsgraad van 80 % of zelfs meer te bereiken; bij de andere producenten
in de steekproef was de bezettingsgraad aanzienlijk lager. Aangezien alle
producenten in ongeveer gelijke mate toegang hebben tot grondstoffen, kan deze
lagere bezettingsgraad niet alleen verklaard worden uit het seizoensgebonden
gebrek aan verse suikermaïs. (54) Volgens door de Thai Food
Processors Association verstrekte informatie nam de totale omvang van de
uitvoer van Thailand naar de rest van de wereld tijdens de beoordelingsperiode
geleidelijk toe met ongeveer 20 % en bereikte een volume van 150 000
tot 200 000 ton gedurende het TNO. Daaruit blijkt dat de hoeveelheden
beschikbare suikermaïs kunnen toenemen en dat in feite ook doen als de vraag
van de kant van de producenten-exporteurs stijgt. In dit verband zij opgemerkt
dat de totale productie van gele maïs in Thailand gedurende de
beoordelingsperiode varieerde van 4,1 miljoen tot 4,5 miljoen ton. De
Commissie ziet in dat de productie niet van gele maïs op suikermaïs kan worden
omgeschakeld op een 1:1 basis, maar gezien het enorme verschil tussen de
productievolumes is het duidelijk dat ook een geringe verschuiving van de
productie van gele maïs naar suikermaïs een aanzienlijk effect kan hebben op de
totale productie van suikermaïs in Thailand. (55) Op deze basis is berekend dat
de drie producenten in de steekproef een aanvullende hoeveelheid van
40 000 tot 60 000 ton zouden kunnen produceren ("effectieve
reservecapaciteit"), ofwel twee à drie maal de totale uitvoer van het
betrokken product vanuit Thailand naar de EU. (56) De effectieve reservecapaciteit
van alleen al de producenten in de steekproef kan daarom als significant
beschouwd worden. Bovendien zijn er 15 andere bekende producenten van het
betrokken product in Thailand, die ook toegang hebben tot de grootschalige
productie van suikermaïs in Thailand. (57) Op grond van de uit andere
bronnen verzamelde gegevens, d.w.z. –
gegevens verzameld uit internetpresentaties van
producenten-exporteurs, –
gegevens verzameld in verband met de steekproef, en
–
gegevens verzameld in het kader van het opzetten
van de gegevensbank uit hoofde van artikel 14, lid 6, van de basisverordening, kan worden geconcludeerd
dat ten minste twee grote producenten-exporteurs, van wie één heeft meegewerkt
aan het nieuwe onderzoek, maar niet in de steekproef was opgenomen (en dus geen
gedetailleerde gegevens op dit punt heeft verstrekt), beschikken over een
gecombineerde capaciteit van 50 000 tot 100 000 ton. (58) Ten slotte zijn er geen
aanwijzingen dat als de reservecapaciteit van de Thaise producenten gebruikt
zou worden, de consumptie op de Thaise binnenlandse markt of op andere markten
van derde landen zou toenemen en de toegenomen productie zou absorberen. De
Thaise binnenlandse markt met name is van (zeer) geringe omvang, en
vertegenwoordigde niet meer dan 1 à 2 % van de totale verkoop van de
Thaise producenten in de steekproef. Dit bevestigt dat eventuele aanvullende
productie van suikermaïs geëxporteerd zal worden. 3.2. Aantrekkelijkheid van de markt van de
Unie (59) Toen
de prijzen van het betrokken product bij uitvoer naar de Europese Unie werden
vergeleken met de prijzen die op de binnenlandse markt voor het soortgelijke
product werden berekend, kwamen twee feiten naar voren: de prijzen op de
binnenlandse markt zijn relatief hoog (door verkopen onder eigen merk) en de
volumes zijn relatief klein vergeleken met de uitvoer. Dit wijst erop dat er
geen klaarblijkelijk risico is van verlegging van het handelsverkeer van
verkopen op de binnenlandse markt naar verkopen aan de Europese Unie, als de
maatregelen worden ingetrokken. (60) Bij vergelijking van de
prijzen van het betrokken product bij uitvoer naar de Europese Unie met de
prijzen die op derde markten voor het soortgelijke product in rekening werden
gebracht, kwam naar voren dat de prijzen voor de drie in de steekproef
opgenomen producenten-exporteurs bij uitvoer naar de Europese Unie – gemiddeld
– 14 % hoger zijn. (61) Handelsstatistieken
van de Thaise douanedienst bevestigen deze bevinding. Na omzetting van het
gerapporteerde logistieke gewicht (blik + maïs + vloeistof) in ingeblikt
nettogewicht (maïs + vloeistof) volgens de in het verzoek om een nieuw
onderzoek toegepaste methode, zijn de aan de Europese Unie in rekening
gebrachte prijzen per kilo – gemiddeld – 5 % hoger dan de aan derde landen
in rekening gebrachte prijzen. (62) Verschillende
partijen hebben twijfels geuit of een prijsverschil van 5 % of 14 %
groot genoeg is om verlegging van het handelsverkeer naar de EU tot gevolg te
hebben, maar uit het onderzoek blijkt dat dit inderdaad waarschijnlijk is wat
de markt voor suikermaïs betreft. In de onderhavige procedure verkreeg een
Thaise onderneming (Karn Corn) eerder een recht dat 8 %-10 % lager is
dan dat van de meeste andere Thaise exporteurs. Dit voordeel van 8 à 10 %
bleek voldoende te zijn om het aandeel van deze onderneming in de uitvoer naar
de EU te verzevenvoudigen tussen het OT van het oorspronkelijke onderzoek en
het TNO van het huidige onderzoek. (63) Bovendien kon Karn Corn,
ondanks het geldende antidumpingrecht van 3,1 %, de naar de EU geëxporteerde
hoeveelheden meer dan verdubbelen sinds de instelling van de
antidumpingrechten. Dit toont wel aan dat de EU-markt aantrekkelijk blijft in
vergelijking met andere markten, ook bij een klein prijsverschil. (64) Concluderend kan worden
gesteld dat het risico op verlegging van het handelsverkeer van de binnenlandse
markt naar de markt van de Unie vrij beperkt is door het bestaan van verkopen
onder eigen merk op eerstgenoemde markt, maar dat er een aanzienlijk risico is
op verlegging van het handelsverkeer van derde landen naar de markt van de Unie
door de hogere prijzen op laatstgenoemde markt. (65) Verschillende belanghebbenden
hebben aangevoerd dat de prijzen op de Europese markt relatief minder
aantrekkelijk zijn vergeleken met prijzen in andere landen zoals Japan. Het
risico van verlegging van het handelsverkeer bij eventuele intrekking van de
maatregelen zou dan ook overdreven worden. (66) Er zij aan herinnerd dat
verkopen aan derde landen in hun geheel beschouwd worden en de conclusie in
overweging 64 is gebaseerd op de gemiddelde prijzen in alle derde
landen. De Commissie erkent dat er binnen deze groep van derde landen landen
zijn waarnaar tegen hogere uitvoerprijzen wordt geëxporteerd, en landen
waarvoor de uitvoerprijzen lager zijn. Hoe lager de uitvoerprijs, des te hoger
natuurlijk het risico van verlegging van het handelsverkeer als de maatregelen
ingetrokken zouden worden. (67) Eén belanghebbende partij
voerde aan dat contractuele banden met importeurs in derde landen een
omschakeling naar klanten in andere landen zouden bemoeilijken. (68) Dergelijke contractuele banden
tussen producenten-exporteurs in Thailand en importeurs in verschillende derde
landen kunnen zeker bestaan en op de korte termijn ook in stand blijven, maar
er zijn geen redenen om aan te nemen dat deze contractuele verplichtingen niet
geleidelijk afgebouwd zouden kunnen worden om meer verkoop op markten met
hogere prijzen, zoals de Europese Unie, mogelijk te maken. (69) Ten slotte voeren
belanghebbenden aan dat uitvoer naar bepaalde derde landen zoals Zuid-Korea
geen basis voor vergelijking biedt, aangezien de productmix (bv. afmetingen van
blikken) en de verkoopvoorwaarden (bv. vervoerskosten) anders kunnen zijn. (70) Er zij aan herinnerd dat de
resultaten van de vergelijkingen in de punten 59 t/m 61 indicatoren
zijn van de verschillen van de uitvoerprijzen naar alle derde landen.
Het effect van een bepaalde variabele betreffende de Thaise uitvoer naar een
klein aantal markten op de algemene vergelijking betreffende alle derde landen is
dus logischerwijze beperkt. Aangezien bovendien de Thaise uitvoergegevens
geregistreerd worden op "vrij aan boord"-basis (FOB) blijft het
effect van verschillen in transportvoorwaarden of vervoerskosten beperkt tot
het binnenlands vervoer in Thailand, en zal dus onbetekenend zijn. (71) Aangezien er geen aanwijzingen
zijn dat de gemiddelde prijs naar alle derde landen niet vergelijkbaar is met
de uitvoerprijs naar de Europese Unie, blijft de conclusie in overweging 64
geldig. 4. Conclusie betreffende de waarschijnlijkheid
van voortzetting of herhaling van dumping (72) Het lijkt waarschijnlijk dat
het relatief hogere prijsniveau op de markt van de Europese Unie aanzienlijke
volumes van het betrokken product zal aantrekken die momenteel tegen lagere
prijzen aan derde landen worden verkocht, als de maatregelen worden
ingetrokken. (73) De producenten-exporteurs van
Thailand hebben hun dumpingpraktijken tijdens het TNO voortgezet. (74) De beschikbare
reservecapaciteit in Thailand en het feit dat de prijzen op de markt van de
Europese Unie aanzienlijk hoger zijn dan die op de markten van derde landen,
leiden bovendien tot de conclusie dat er een risico van toename van de uitvoer
van het betrokken product is, als de maatregelen worden ingetrokken. (75) Concluderend kan worden
gesteld dat het zeer waarschijnlijk is dat de dumping zal worden voortgezet,
als de maatregelen worden ingetrokken. D. DEFINITIE VAN DE BEDRIJFSTAK
VAN DE UNIE (76) Gedurende het TNO werd het
soortgelijke product vervaardigd door twintig producenten in de Unie. De output
van die producenten (vastgesteld op grond van informatie van medewerkende
producenten, en voor de andere producenten in de Unie op grond van de gegevens
in het verzoek om een nieuw onderzoek) wordt bijgevolg geacht de productie in
de Unie te vormen in de zin van artikel 4, lid 1, van de basisverordening. (77) Zoals hiervoor uitgelegd in
overweging 13, werd vanwege het grote aantal producenten in de Unie een
steekproef samengesteld. De indicatoren voor de schadeanalyse zijn op de
volgende twee niveaus vastgesteld: - De macro-economische indicatoren (productie,
capaciteit, omvang van de verkoop, marktaandeel, groei, werkgelegenheid,
productiviteit, gemiddelde prijzen per eenheid, hoogte van de dumpingmarges en
herstel van de gevolgen van dumping in het verleden) voor de totale productie
in de Unie werden beoordeeld aan de hand van de bij de medewerkende producenten
verzamelde gegevens en voor de overige producenten in de Unie aan de hand van
een schatting op basis van de gegevens in het verzoek om een nieuw onderzoek. - De micro-economische indicatoren (voorraden,
lonen, winstgevendheid, rendement van investeringen, kasstroom, vermogen om
kapitaal of investeringen aan te trekken) werden geanalyseerd voor de in de
steekproef opgenomen producenten in de Unie, op basis van de door hen
verstrekte gegevens. E. SITUATIE OP DE MARKT VAN DE
UNIE 1. Verbruik in de Unie (78) Het
verbruik in de Unie werd vastgesteld aan de hand van het verkoopvolume van de
bedrijfstak van de Unie op de markt van de Unie, de gegevens over invoervolumes
op de markt van de Unie verkregen uit de gegevensbank conform artikel 14, lid
6, van de basisverordening, en, wat betreft de overige producenten in de Unie,
de in het verzoek beschikbare gegevens. (79) In de loop van de
beoordelingsperiode is het verbruik in de EU met 9 % toegenomen. Hoewel
het verbruik van 2008 tot 2009 met 5 % daalde, steeg het in 2010 en 2011
met respectievelijk 6 en 9 procentpunten (d.w.z. ten opzichte van het
voorgaande jaar). Vervolgens stabiliseerde het in het TNO min of meer op een
niveau van ongeveer 350 000 ton. || 2008 || 2009 || 2010 || 2011 || TNO Totaal verbruik in de Europese Unie (t) || 318 413 || 301 594 || 320 027 || 351 279 || 347 533 Index (2008 = 100) || 100 || 95 || 101 || 110 || 109 2. Invoer uit het betrokken land a) Omvang (80) De invoer van het betrokken
product uit het betrokken land in de Unie nam af met 43 %, van ongeveer
38 000 ton in 2008 tot ongeveer 22 000 ton in het TNO. De invoer nam
in 2009 met 15 % af, in 2010 met nog eens 20 procentpunten en in 2011 met
11 procentpunten, waarna er in het TNO weer een lichte toename met 3 procentpunten
was. || 2008 || 2009 || 2010 || 2011 || TNO Omvang van de invoer uit Thailand || 38 443 || 32 616 || 24 941 || 20 710 || 21 856 Index (2008 = 100) || 100 || 85 || 65 || 54 || 57 Marktaandeel van de invoer uit Thailand || 12% || 11% || 8% || 6% || 6% Prijs van de invoer uit Thailand (€/ton) || 835 || 887 || 806 || 775 || 807 Index (2008 = 100) || 100 || 106 || 96 || 93 || 97 Bron : Gegevensbank
conform artikel 14, lid 6, van de basisverordening b) Marktaandeel (81) Het corresponderende
marktaandeel van Thaise exporteurs op de markt van de Unie in het betrokken
land nam in de beoordelingsperiode geleidelijk af met ongeveer 50 % of 6 procentpunten,
van 12 % in 2008 tot 6 % in het TNO. Preciezer gezegd, nam het Thaise
marktaandeel af van 12 % in 2008 tot 11 % in 2009, 8 % in 2010
en 6 % in 2011/TNO. c) Prijzen i) Prijsontwikkeling (82) Tussen 2008 en het TNO daalde de gemiddelde prijs van de
invoer van het betrokken product van oorsprong uit het betrokken land met
3 %, van 835 EUR/ton in 2008 tot 807 EUR/ton in het TNO. Meer
bepaald, zijn de prijzen eerst met 6 % gestegen in 2008, maar daarna in
2010 met 10 procentpunten gedaald en in 2011 nog eens met 3 procentpunten
gedaald. Van 2011 tot het TNO stegen deze prijzen weer met 4 procentpunten.
ii) Prijsonderbieding (83) Er werd een prijsvergelijking
voor soortgelijke productsoorten gemaakt tussen de verkoopprijzen in de Unie
van de producenten-exporteurs en van de bedrijfstak van de Unie. Hiertoe zijn
de prijzen van de bedrijfstak van de Unie af fabriek, na aftrek van alle
kortingen en belastingen, vergeleken met de cif-prijzen, grens Unie, van de
producenten-exporteurs van het betrokken land, naar behoren gecorrigeerd voor
conventionele rechten en de kosten van het lossen en de inklaring. Uit de
vergelijking bleek dat de prijzen van het betrokken product van oorsprong uit
het betrokken land dat in het TNO in de Unie werd verkocht in het algemeen
hoger waren dan de prijzen van de bedrijfstak van de Unie. Ook was er, op basis
van statistieken van de invoer (gegevensbank conform artikel 14, lid 6, van de
basisverordening), geen onderbiedingsmarge voor alle Thaise invoer in de EU
(voor zowel medewerkende exporteurs als niet-medewerkende exporteurs, ongeacht
de productmix). 3. Situatie van de bedrijfstak van
de Europese Unie (84) Overeenkomstig
artikel 3, lid 5, van de basisverordening heeft de Commissie een beoordeling
gemaakt van alle relevante economische factoren en indicatoren die op de
situatie van de bedrijfstak van de Unie van invloed zijn. (85) Deze markt wordt onder meer gekenmerkt door het bestaan van
twee verkoopkanalen: verkopen onder het merk van de producent en verkopen onder
het merk van de detailhandelaar. Verkopen via het eerste kanaal zullen,
vergeleken met het tweede kanaal, doorgaans hogere verkoopkosten met zich
meebrengen, met name voor marketing en reclame, en de verkoopprijzen zijn
gewoonlijk hoger. (86) Uit het onderzoek bleek dat
alle invoer van de medewerkende Thaise exporteurs verliep via het tweede
kanaal, d.w.z. verkoop onder het merk van de detailhandelaar. Het werd daarom
passend geacht om, waar dit relevant was, bij de schadeanalyse onderscheid te
maken tussen verkopen van de bedrijfstak van de Unie onder eigen merk en onder
het merk van een detailhandelaar, omdat vooral soortgelijke producten van de
bedrijfstak van de Unie onder het merk van een detailhandelaar onder de invoer
met dumping te lijden hadden. Dit onderscheid werd vooral gemaakt voor de
vaststelling van het verkoopvolume, de verkoopprijzen en de winstgevendheid.
Omwille van de volledigheid worden in onderstaande tabel echter ook totalen
(eigen merken en merken van detailhandelaren) aangegeven en besproken. In het
TNO namen de verkopen van de bedrijfstak van de Unie onder het merk van een
detailhandelaar ongeveer 70 % van het totale verkoopvolume van de
bedrijfstak van de Unie voor hun rekening en ongeveer 60 % van de
verkoopwaarde. (87) Omdat suikermaïs in de Unie
alleen tijdens de zomermaanden wordt verwerkt, is een aantal schade-indicatoren
vrijwel gelijk voor 2011 en voor het TNO (1 april 2011 tot en met 31 maart
2012). Dit geldt in het bijzonder voor de productie en de productiecapaciteit. 3.1. Macro-economische indicatoren a) Productie (88) De productie van de
bedrijfstak van de Unie nam tijdens de beoordelingsperiode met 8 % af ten
opzichte van een niveau van ongeveer 372 000 ton in 2008. Om precies te
zijn, de productie nam in 2009 met 25 % af en in 2010 met nog eens 13 procentpunten,
en steeg weer met 31 procentpunten in 2011/TNO. || 2008 || 2009 || 2010 || 2011 || TNO Productie (ton) || 371 764 || 279 265 || 231 790 || 344 015 || 343 873 Index (2008 = 100) || 100 || 75 || 62 || 93 || 92 b) Capaciteit en bezettingsgraad (89) De productiecapaciteit was
ongeveer 488 000 ton in 2008, 2009 en 2010 en nam in 2011/TNO met 9 %
af. Deze afname was het gevolg van het feit dat een van de in de steekproef
opgenomen producenten in de EU een van zijn fabrieken sloot. || 2008 || 2009 || 2010 || 2011 || TNO Productiecapaciteit (ton) || 488 453 || 488 453 || 488 453 || 444 055 || 444 055 Index (2008 = 100) || 100 || 100 || 100 || 91 || 91 Bezettingsgraad || 76% || 57% || 47% || 77% || 77% Index (2008 = 100) || 100 || 75 || 62 || 102 || 102 Bron : Onderzoek (90) De bezettingsgraad bedroeg in
2008 76 %. Hij nam in 2009 af naar 57 % en in 2010 verder af naar
47 %, waarna hij in 2011/TNO weer toenam tot 77 %. Over de gehele
periode bezien is de bezettingsgraad stabiel geweest, omdat de afnemende
productie overeenkwam met de afnemende productiecapaciteit. c)
Verkoopvolume (91) De verkopen van de bedrijfstak
van de Unie van de eigen, voor het merk van een detailhandelaar bestemde
productie op de markt van de Unie aan niet-verbonden afnemers namen in 2009
eerst met 6 % af, waarna zij in 2010 weer met 17 procentpunten en in
2011 met nog eens 24 procentpunten toenamen. Van 2011 tot het TNO namen deze
verkopen weer met 4 procentpunten af. In totaal namen deze verkopen tussen 2008
en het einde van het TNO met ongeveer 31 % toe. || 2008 || 2009 || 2010 || 2011 || TNO Verkoopvolume in EU (merk detailhandelaar) aan niet-verbonden afnemers (ton) || 161 544 || 151 058 || 179 562 || 218 876 || 212 425 Index (2008 = 100) || 100 || 94 || 111 || 135 || 131 Verkoopvolume in EU (eigen merk en merk detailhandelaar) aan niet-verbonden afnemers (ton) || 262 902 || 248 995 || 280 586 || 318 237 || 312 623 Index (2008 = 100) || 100 || 95 || 107 || 121 || 119 Bron : Onderzoek (92) De totale verkopen van de
bedrijfstak van de Unie van de eigen productie op de markt van de Unie (eigen
merk en merk detailhandelaar) aan niet-verbonden afnemers volgde min of meer
hetzelfde patroon, hoewel minder uitgesproken. Zij namen in 2009 met 5 %
af, maar namen in 2010 met 12 procentpunten en in 2011 met nog eens 14 procentpunten
toe. Van 2011 tot het TNO namen deze verkopen weer met 2 procentpunten af.
In totaal namen deze verkopen tussen 2008 en het einde van het TNO met ongeveer
19 % toe. d) Marktaandeel (93) Het marktaandeel van de
bedrijfstak van de Unie was in 2008 en 2009 gelijk aan 83 %. Het steeg in
2010 tot 88 % en in 2011 tot 91 %, waarna het enigszins daalde tot
90 % in het TNO. In totaal nam het marktaandeel van de bedrijfstak van de
Unie in de beoordelingsperiode toe met 7 procentpunten. || 2008 || 2009 || 2010 || 2011 || TNO Marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie (eigen merk en merk detailhandelaar) || 83% || 83% || 88% || 91% || 90% Index (2008 = 100) || 100 || 100 || 106 || 110 || 109 Bron : Onderzoek e) Groei (94) Tussen 2008 en het einde van
het TNO, waarin het verbruik in de Unie met 9 % steeg, nam het volume van
de voor het merk van een detailhandelaar bestemde verkopen van de bedrijfstak
van de Unie op de markt van de Unie met 31 % toe, terwijl het volume van
de voor eigen merk en merk van een detailhandelaar bestemde verkopen van de bedrijfstak
van de Unie op de markt van de Unie met 19 % toenam. Tussen 2008 en het
einde van het TNO vergrootte de bedrijfstak van de Unie zijn marktaandeel met
ongeveer 7 procentpunten, terwijl het marktaandeel van de invoer met
dumping met ongeveer 6 procentpunten afnam. Er wordt derhalve
geconcludeerd dat de bedrijfstak van de Unie heeft kunnen profiteren van een
groeiende markt. f) Werkgelegenheid (95) De werkgelegenheid in de
bedrijfstak van de Unie daalde eerst van 2008 op 2009 met 17 %, nam in
2010 verder af met 5 procentpunten en steeg in 2011/TNO met
11 procentpunten. In totaal daalde de werkgelegenheid van de bedrijfstak
van de Unie in de beoordelingsperiode met 11 %, d.w.z. van ongeveer
2 300 personen tot ongeveer 2 000 personen. || 2008 || 2009 || 2010 || 2011 || TNO Werkgelegenheid (personen) || 2 278 || 1 896 || 1 786 || 2 038 || 2 035 Index (2008 = 100) || 100 || 83 || 78 || 89 || 89 Bron : Onderzoek g) Productiviteit (96) De productiviteit van de
arbeidskrachten van de bedrijfstak van de Unie, gemeten als output (ton) per
werknemer per jaar, lag aanvankelijk op een niveau van 163 ton per werknemer;
zij daalde eerst in 2009 met 10 %, daalde in 2010 met nog eens
10 procentpunten, waarna zij in 2011 weer met 23 procentpunten en in
het TNO met 1 procentpunt toenam. In totaal is de productiecapaciteit van
de bedrijfstak van de Unie in de beoordelingsperiode met 4 % gestegen. Uit
deze ontwikkeling blijkt dat de werkgelegenheid sterker terugliep dan de
productie. || 2008 || 2009 || 2010 || 2011 || TNO Productiviteit (ton per werknemer) || 163 || 147 || 130 || 169 || 169 Index (2008 = 100) || 100 || 90 || 80 || 103 || 104 Bron : Onderzoek h) Factoren die van invloed zijn op de verkoopprijzen (97) De prijzen per eenheid van de
verkopen van de bedrijfstak van de Unie van producten onder merk van een
detailhandelaar aan niet-verbonden afnemers stegen in 2009 met 7 % en
daalden in 2010 met 8 % en in 2011 met nog eens 5 procentpunten. Van 2011
tot het einde van het TNO stegen ze met 3 procentpunten. In totaal daalden deze
prijzen in de beoordelingsperiode met 3 %, van 1 073 EUR/ton tot
1 041 EUR/ton in het TNO. || 2008 || 2009 || 2010 || 2011 || TNO Prijs per eenheid op interne markt (merk detailhandelaar) (EUR/ton) || 1 073 || 1 152 || 1 057 || 1 008 || 1 041 Index (2008 = 100) || 100 || 107 || 99 || 94 || 97 Prijs per eenheid op interne markt (eigen merk en merk detailhandelaar) (EUR/ton) || 1 248 || 1 305 || 1 219 || 1 182 || 1 215 Index (2008 = 100) || 100 || 105 || 98 || 95 || 97 Bron : Onderzoek (98) De prijs van alle verkopen van
de bedrijfstak van de Unie samen (eigen merk en merk van een detailhandelaar)
aan niet-verbonden afnemers op de markt van de Unie volgde min of meer
hetzelfde patroon. De prijzen stegen in 2009 met 5 % en daalden in 2010
met 7 procentpunten en in 2011 met nog eens 3 procentpunten. Van 2011 tot het
einde van het TNO stegen ze met 2 procentpunten. In totaal daalden deze prijzen
in de beoordelingsperiode met 3 %, van 1 248 EUR/ton tot 1 215
EUR/ton in het TNO. i) Hoogte van de dumpingmarge (99) In het onderzoek is een
voortzetting van de dumping vastgesteld, en de hoogte van de werkelijke
dumpingmarges (tot wel 44 %) kan niet als verwaarloosbaar worden
beschouwd. j) Herstel van dumping in het verleden (100) De hierboven onderzochte
macro-indicatoren en de hieronder onderzochte micro-indicatoren laten zien dat
de bedrijfstak zich nog steeds in een kwetsbare en zwakke situatie bevindt, ook
al hebben de antidumpingmaatregelen gedeeltelijk geleid tot het beoogde
resultaat van opheffing van de door producenten in de Unie geleden schade. De
prestaties van het segment van de producten onder merk van een detailhandelaar,
dat direct concurreert met de Thaise invoer, zijn op het punt van de
winstgevendheid zelfs slecht te noemen. De verkoopprijzen van de bedrijfstak
van de Unie daalden in de beoordelingsperiode in dit marktsegment met 3 %,
terwijl de productiekosten in dezelfde periode met ongeveer 10 % stegen.
De bedrijfstak van de Unie heeft zijn kosten duidelijk niet kunnen
terugverdienen, wat tot aanzienlijke verliezen heeft geleid. Gezien het belang
van de verkoop onder merk van een detailhandelaar in bij de verkoop van
suikermaïs in de EU (verkoop onder merknaam vertegenwoordigt 70 % van het
totale verkoopvolume en 60 % van de totale verkoopwaarde) heeft dit de
algemene winstgevendheid onder druk gezet. De bedrijfstak van de Unie kon zich
bijgevolg niet echt van eerdere dumping herstellen en blijft kwetsbaar voor de
schadelijke gevolgen van invoer met dumping op de markt van de Unie. 3.2. Micro-economische indicatoren a) Voorraden (101) De omvang van de eindvoorraden
van de bedrijfstak van de Unie is in de beoordelingsperiode voortdurend gedaald.
Die omvang daalde in 2009 met 2 %, in 2010 met 27 procentpunten, in
2011 met 2 procentpunten en in het TNO met nog eens 24 procentpunten. Er
moet evenwel worden opgemerkt dat de omvang van de voorraden voor deze
specifieke bedrijfstak geen zinvolle schade-indicator is. De grote omvang van
de voorraden aan het einde van elk jaar hangt samen met het feit dat de oogst
en het inblikken doorgaans in oktober van elk jaar eindigen. Bij de voorraden
gaat het dus om goederen die klaarstaan om tussen november en juli te worden
verzonden. || 2008 || 2009 || 2010 || 2011 || TNO Eindvoorraad (ton) || 193 834 || 189 741 || 136 703 || 133 884 || 88 108 Index (2008 = 100) || 100 || 98 || 71 || 69 || 45 Bron : Onderzoek b) Lonen (102) Tussen 2008 en het einde van
het TNO zijn de arbeidskosten met 7 % gedaald. Meer in het bijzonder was
er een daling van 16 % in 2009, een verdere daling met 1 procentpunt
in 2010 en een stijging met 10 procentpunten in 2011/TNO. De algemene daling in
de loop van de beoordelingsperiode was vooral het gevolg van de afname van de
werkgelegenheid. || 2008 || 2009 || 2010 || 2011 || TNO Jaarlijkse arbeidskosten (EUR) || 34 343 788 || 28 850 250 || 28 370 188 || 31 952 596 || 31 923 505 Index (2008 = 100) || 100 || 84 || 83 || 93 || 93 Bron : Onderzoek c) Winstgevendheid en rendement van investeringen (103) In de beoordelingsperiode
daalde de winstgevendheid van de verkoop van producten van de bedrijfstak van
de Unie onder merk van een detailhandelaar, uitgedrukt als percentage van de
netto-omzet, van een winst van 5,6 % in 2008 naar een verlies van
5,4 % in het TNO. || 2008 || 2009 || 2010 || 2011 || TNO Winstgevendheid van EU (merk detailhandelaar) (% van netto-omzet) || 5.6% || 9.6% || -3.3% || -8.2% || -5.4% Index (2008 = 100) || 100 || 169 || -59 || -145 || -95 Winstgevendheid van EU (eigen merk en merk detailhandelaar) (% van netto-omzet) || 8.5% || 10.8% || 0.7% || -0.5% || 1.6% Index (2008 = 100) || 100 || 127 || 8 || -6 || 19 Opbrengst van investeringen (eigen merk en merk detailhandelaar) (winst in % van nettoboekwaarde van investeringen) || 24.3% || 40.4% || 2.9% || -3.0% || 4.4% Index (2008 = 100) || 100 || 166 || 12 || -13 || 18 Bron : Onderzoek (104) De winstgevendheid van de
verkoop van producten van de bedrijfstak van de Unie voor eigen merk en merken
van een detailhandelaar samen nam ook af, en wel van 8,5 % in 2008 tot
1,6 % in het TNO. De daling is dus minder sterk dan voor de verkoop onder
merk van een detailhandelaar alleen. De daling van de winstgevendheid kan
verklaard worden uit het feit dat de verkoopprijzen in de loop van de
beoordelingsperiode daalden met 3 % terwijl de productiekosten
(hoofdzakelijk van niet verwerkte suikermaïs en blikken) met 5 % toenamen
in dezelfde periode. De bedrijfstak van de Unie is kennelijk niet in staat
geweest de gestegen productiekosten door te berekenen aan de afnemers. (105) Het rendement van de
investeringen, uitgedrukt als winst in procenten van de nettoboekwaarde van de
investeringen (voor eigen merk en merken van detailhandelaren samen), liep
grotendeels gelijk op met bovengenoemde ontwikkeling van de winstgevendheid.
Het daalde van een niveau van ongeveer 24,3 % in 2008 tot 4,4 % in
het TNO, waarmee het in de beoordelingsperiode dus met 82 % afnam. d) Kasstroom en vermogen om kapitaal aan te
trekken (106) De nettokasstroom uit
ondernemingsactiviteiten bedroeg in 2008 ongeveer 27 000 EUR. Dit cijfer
nam toe tot ongeveer 23 miljoen EUR in 2009 en ongeveer 58 miljoen EUR in
2010 alvorens weer te dalen tot ongeveer 8 miljoen EUR in 2011. Van 2011 tot
het TNO daalde het tot ongeveer 11 miljoen EUR. Geen van de medewerkende
producenten in de Unie gaf aan dat zij problemen hadden met het verkrijgen van
kapitaal. || 2008 || 2009 || 2010 || 2011 || TNO Kasstroom (eigen merk en merk detailhandelaar) (000 EUR) || 26 698 || 23 239 572 || 58 654 064 || 7 845 330 || 11 077 815 Index (2008 = 100) || 100 || 87 047 || 219 698 || 29 386 || 41 494 Bron : Onderzoek e) Investeringen (107) De jaarlijkse investeringen van
de bedrijfstak van de Unie in de productie van het soortgelijke product namen
van 2008 op 2009 met 45 % toe, daalden met 34 procentpunten van 2009
tot 2010, stegen weer met 57 procentpunten in 2011 en daalden uiteindelijk met
4 procentpunten van 2011 tot het TNO. Alles samen genomen stegen de
investeringen in de beoordelingsperiode met 64 %, en deze stijging kwam
ten goede aan het onderhoud en de vernieuwing van bestaande apparatuur, en niet
aan capaciteitsuitbreiding. || 2008 || 2009 || 2010 || 2011 || TNO Netto-investeringen (EUR) || 6 590 078 || 9 545 749 || 7 329 354 || 11 093 136 || 10 802 751 Index (2008 = 100) || 100 || 145 || 111 || 168 || 164 Bron : Onderzoek 4. Conclusie betreffende schade (108) Een aantal indicatoren
vertoonde een negatieve ontwikkeling tussen 2008 en het TNO. Het rendement op
investeringen nam af, het productievolume daalde met 8 %, de
productiecapaciteit daalde met 9 % en de werkgelegenheid nam met 11 %
af. Wat de lagere productieniveaus betreft, moet worden opgemerkt dat de oogst
in 2008 beter was dan verwacht en in dat jaar tot een grotere output van de
bedrijfstak van de Unie leidde. In dezelfde periode werd invoer vanuit Thailand
(die hoofdzakelijk wordt gefactureerd in Amerikaanse dollars) aantrekkelijker
door de zwakke dollar. Deze toename van het aanbod van (zowel Europese als
Thaise) suikermaïs vond plaats tijdens de economische en financiële crisis in
de EU, die gevolgen had voor het verbruik. Hierdoor kon de grotere productie in
de EU niet helemaal op de markt van de EU worden afgezet. Dit heeft in de
daaropvolgende jaren geleid tot een lager productieniveau en tot
voorraadvermindering, maar kan de geleden schade niet geheel verklaren. (109) De winstgevendheid van de
verkoop van suikermaïs door de bedrijfstak van de Unie (zowel onder eigen merk
als onder dat van detailhandelaren) nam significant af gedurende de
beoordelingsperiode. Het segment van de producten onder merk van een
detailhandelaar, waar de bedrijfstak van de EU te maken heeft met concurrentie
van de Thaise invoer, maakt duidelijk verlies (de winstgevendheid is afgenomen
van een winst van meer dan 5 % in 2008 tot een verlies van meer dan
5 % in het TNO). De producenten in de EU verlaagden hun verkoopprijzen op
de markt van de Unie met 3 % en slaagden erin marktaandeel terug te winnen
ten koste van hun winstgevendheid. De bedrijfstak heeft de verkoop van
producten onder merk van een detailhandelaar nodig, omdat er onvoldoende vraag
is naar de producten onder eigen merk, en omdat de verkopen onder merk van een
detailhandelaar ongeveer 60 % van de totale verkoopwaarde betreffen, nam
de algehele winstgevendheid in de beoordelingsperiode af van 8,5 % tot
1,6 %. (110) Enkele indicatoren wijzen erop
dat de bedrijfstak dankzij de ingestelde maatregelen zijn positie heeft
herwonnen. Het volume van de Thaise invoer en het marktaandeel daarvan zijn
bijna gehalveerd, van 12 % in 2008 tot slechts 6 % in het TNO. Het
marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie nam toe van 83 % in 2008 tot
90 % in het TNO. In het TNO was er bovendien geen sprake van onderbieding
van de prijzen van de bedrijfstak van de Unie door de gemiddelde prijzen van de
Thaise invoer, maar laatstgenoemde prijzen hebben de bedrijfstak van de Unie
wel verhinderd om kostenstijgingen door te berekenen aan afnemers. Ook andere
indicatoren lieten een positieve ontwikkeling zien. De bezettingsgraad steeg in
de beoordelingsperiode met 2 % en was met 77 % in het TNO vrij hoog.
Het verkoopvolume van producten van de bedrijfstak van de Unie onder merk van
een detailhandelaar, die direct concurreren met Thaise invoer, nam met
31 % toe en de totale verkoop voor beide segmenten samen nam met 19 %
toe. De investeringen zijn met 64 % gestegen. Deze factoren wijzen erop dat de
bedrijfstak zich kon herstellen. De bedrijfstak wist echter geen bevredigende
winstgevendheidsniveaus te realiseren om een aanzienlijk marktaandeel te
behouden op een markt waar alleen de bedrijfstak van de EU en Thaise invoer
concurreren (de invoer uit andere derde landen is verspreid en onbetekenend). (111) De
mededingingssituatie op de markt van de EU is zeker moeilijk. Enerzijds heeft
de bedrijfstak van de EU voor één deel van de markt – het segment van de
producten onder eigen merk – geen concurrentie van buitenaf. De
onderhandelingspositie van merkeigenaren ten opzichte van detailhandelaren is sterk.
Zij bepalen in feite de prijzen. De markt is ook geconsolideerd; de vier in de
steekproef opgenomen producenten hebben een marktaandeel van 54 %. De
detailhandelaren hebben daarentegen de overhand in het segment van de private
merken. Door externe concurrentie en concurrentie binnen de Unie staan de
prijzen voortdurend onder druk. Het is hierdoor voor producenten in de EU
moeilijker om stijgingen in de productiekosten (hoofdzakelijk suikermaïs of
blikken) door te berekenen aan hun afnemers (de productiekosten van de
bedrijfstak van de Unie zijn in de beoordelingsperiode met 5 % gestegen),
door de prijsdruk die de Thaise invoer uitoefent. (112) De bedrijfstak van de Unie is
er duidelijk in geslaagd om zijn marktaandeel te vergroten door te kiezen voor een
hoger volume in plaats van hogere prijzen. Anderzijds mag niet worden genegeerd
dat de bedrijfstak er voor het leeuwendeel van de suikermaïshandel (de handel
onder merk van een detailhandelaar) niet in is geslaagd om zijn kosten terug te
verdienen. Er kan derhalve worden geconcludeerd dat de situatie van de
bedrijfstak van de Unie nog steeds kwetsbaar en zwak is. (113) Verschillende partijen hebben
opgemerkt dat de bedrijfstak van de Unie zich heeft hersteld, gezien het feit
dat een aantal indicatoren is verbeterd en meer in het bijzonder gezien het
grote marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie en de negatieve onderbieding.
(114) De Commissie erkent dat het
beeld van de schade van de bedrijfstak van de Unie niet eenduidig is. De
antidumpingmaatregelen hebben hun doel gedeeltelijk bereikt door een deel van
de schade die de bedrijfstak van de Unie ondervond als gevolg van de invoer met
dumping vanuit Thailand weg te nemen. Alles bij elkaar, en vooral gezien de
lage en dalende winstgevendheid, is de situatie van de bedrijfstak van de Unie
echter nog steeds kwetsbaar. (115) Negatieve onderbieding en een
relatief groot marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie betekenen niet
noodzakelijk dat er geen schade meer is. De situatie van voortgezette invoer
met dumping vanuit Thailand (met dumpingmarges van maximaal 44%) heeft
prijsverhogingen op de EU-markt verhinderd. De bedrijfstak van de Unie heeft
getracht verloren marktaandeel te veroveren en moest daarom de prijzen laag
houden, wat tot een verslechtering van de winstgevendheid heeft geleid. (116) Eén belanghebbende voerde aan
dat de beoordeling van de schade gebaseerd zou moeten zijn op de prestaties van
de bedrijfstak van de Unie als geheel en niet op de prestaties van één bepaald
marktsegment. (117) In aansluiting op het
oorspronkelijke onderzoek is de beoordeling van de schade gebaseerd op de
totale prestaties van de bedrijfstak van de Unie (eigen merk + merk van
detailhandelaren) en voor een aantal schade-indicatoren (winstgevendheid,
verkoopvolume en verkoopprijzen) op het merk van detailhandelaren. Er zijn geen
gewijzigde omstandigheden die een afwijking van deze methodologie zouden
rechtvaardigen, die dus geldig blijft voor het beoordelen van de situatie van
de bedrijfstak van de EU. Zoals opgemerkt in de overwegingen 85 en 86 wordt de
suikermaïsmarkt nog steeds gekenmerkt door het bestaan van twee verkoopkanalen
en alle invoer van de medewerkende Thaise exporteurs betrof het kanaal van de
verkoop onder het merk van detailhandelaren. Bovendien, ook als alleen rekening
gehouden zou worden met de prestaties van de bedrijfstak van de Unie als
geheel, zou dat gezien de lage en dalende winstgevendheid, nauwelijks van
invloed zijn op de conclusie dat de bedrijfstak van de Unie zich in een
kwetsbare situatie bevindt. Op basis van deze overwegingen wordt het argument
verworpen. (118) Twee belanghebbenden voerden
aan dat de kwetsbare situatie van de bedrijfstak van de Unie het gevolg zou
kunnen zijn van concurrentie binnen de EU. (119) De situatie op de EU-markt ten
aanzien van concurrentie is echter niet fundamenteel verschillend van de
situatie in de beoordelingsperiode van het oorspronkelijke onderzoek (twee
verkoopkanalen, ongeveer 20 EU-producenten). Er zij op gewezen dat in 2002,
voordat de uitvoer tegen dumpingprijzen vanuit Thailand op de EU-markt kwam, de
bedrijfstak van de Unie een winstmarge van meer dan 20 % in totaal (eigen
merk + merk van detailhandelaren ) en van 17 % op het merk van
detailhandelaren heeft bereikt. Dit toont aan dat concurrentie in de EU de
bedrijfstak van de Unie er niet van weerhoudt gezonde winstmarges te
realiseren. Het is veeleer de voortdurende aanwezigheid van invoer met dumping
en de verhindering van prijsverhogingen als gevolg daarvan die de bedrijfstak
van de Unie beletten zijn prijzen aan te passen. F. WAARSCHIJNLIJKHEID
VAN HERHALING VAN DE SCHADE (120) Uit bovenstaande ontwikkelingen
blijkt dat de antidumpingmaatregelen gedeeltelijk hebben geleid tot het beoogde
resultaat van opheffing van de door producenten in de Unie geleden schade.
Anderzijds laat de negatieve ontwikkeling van een aantal schade-indicatoren
zien dat de bedrijfstak zich nog steeds in een kwetsbare en zwakke situatie
bevindt. (121) Zoals hierboven is aangegeven,
beschikken Thaise exporteurs over de nodige reservecapaciteit om hun uitvoer
zeer snel te vergroten. Bovendien bevestigen de Thaise handelsstatistieken dat
Thailand in 2011 ongeveer 140 000 ton naar derde landen heeft uitgevoerd,
ongeveer het zevenvoudige van de Thaise uitvoer naar de EU. Gezien de
lucratievere prijzen op de markt van de EU vergeleken met de markten van
sommige derde landen is het waarschijnlijk dat aanzienlijke hoeveelheden die
momenteel naar deze landen worden uitgevoerd, zullen worden verlegd naar de
markt van de EU als de antidumpingmaatregelen vervallen. Een dergelijke abrupte
ontwikkeling werd al in het oorspronkelijke onderzoek geconstateerd, toen het
marktaandeel van de invoer in de EU vanuit Thailand bijna verdubbelde in
slechts drie jaar, namelijk van 6,8 % in 2002 tot 12,7 % in 2005. (122) Op basis van het bovenstaande
kan derhalve worden geconcludeerd dat er kans op herhaling van de schade
bestaat als de maatregelen worden ingetrokken. (123) Verschillende belanghebbenden
hebben twijfels geuit over de conclusie dat een herhaling van de schade
waarschijnlijk is. Met name wordt aangevoerd dat een prijsverschil van 5 %
tussen de EU-markt en de markten van derde landen te klein is om de uitvoer van
suikermaïs om te leiden naar de EU-markt. Dit argument is al besproken in overweging
62. Verder wordt aangevoerd dat suikermaïs niet een product is dat gemakkelijk
van de ene naar de andere markt omgeleid kan worden. Dit argument werd echter
niet onderbouwd en stemt ook niet overeen met de bevindingen van dit onderzoek. (124) Hoewel de waarschijnlijkheid
van de herhaling van schade een conclusie betreffende de toekomst is, is deze
beoordeling gebaseerd op de in overweging 121 genoemde feiten. Daarom wordt het
argument verworpen. G. BELANG VAN DE UNIE (125) Overeenkomstig artikel 21 van
de basisverordening werd onderzocht of handhaving van de bestaande
antidumpingmaatregelen in strijd is met het belang van de hele Unie. Dit werd
vastgesteld aan de hand van een beoordeling van alle verschillende betrokken
belangen. Alle belanghebbenden werden overeenkomstig artikel 21, lid 2, van de
basisverordening in de gelegenheid gesteld hun standpunt uiteen te zetten. 1. Belang van de
bedrijfstak van de Unie (126) Zoals hierboven gezegd, bevindt
de bedrijfstak van de Unie zich nog steeds in een enigszins zwakke en kwetsbare
situatie. De bedrijfstak zou de ondersteuning van een voortzetting van de
maatregelen gebruiken om zijn verkoopprijzen te verhogen (in het bijzonder die
voor producten onder merk van een detailhandelaar) om de gestegen productiekosten
terug te verdienen. Dit zou de bedrijfstak in staat stellen om zijn financiële
positie te verbeteren. 2. Belangen van de detailhandelaren en de
consumenten (127) Meer dan veertig
importeurs/detailhandelaren en twee consumenten-/brancheorganisaties werden om
medewerking verzocht. Slechts één detailhandelaar heeft medewerking verleend.
Zijn invoer vertegenwoordigde een klein deel van de totale invoer uit Thailand
in het TNO. Het aandeel van zijn suikermaïsgerelateerde omzet in zijn totale
omzet was verwaarloosbaar. De wederverkoop van suikermaïs genereerde bovendien
een zeer hoge winst in het TNO. Deze factoren wijzen erop dat detailhandelaren
niet onevenredig zwaar getroffen zouden worden als de maatregelen verlengd
zouden worden. (128) Tegelijkertijd dienden meerdere
brancheorganisaties opmerkingen in en woonden zij een hoorzitting bij. Zij
beweren dat de antidumpingmaatregelen moeten worden beëindigd omdat het
marktaandeel van de Thaise invoer laag en dalende is, terwijl dat van de
bedrijfstak van de Unie hoog is en toeneemt. (129) Wat de consument betreft, is de
gemiddelde besteding aan suikermaïs per huishouden zeer beperkt, tot 5 EUR
per jaar. Rekening houdend met het gematigde karakter van de bestaande
maatregelen, zouden de gevolgen van verlenging van de maatregelen voor de
consument waarschijnlijk verwaarloosbaar zijn. (130) Gelet op het voorgaande en
gezien de geringe medewerking wordt derhalve geoordeeld dat de voorgestelde
maatregelen waarschijnlijk geen ingrijpende gevolgen voor de situatie van de
detailhandelaren en de consumenten in de Unie zullen hebben. 3. Risico van schaarste / concurrentie op
de EU-markt (131) Er zij aan herinnerd dat het
doel van antidumpingmaatregelen niet is om producten waarvoor maatregelen
worden genomen, niet langer tot de Unie toe te laten, maar om het effect van de
marktverstoring als gevolg van invoer met dumping op te heffen. (132) Het verbruik in de EU is in het
TNO met 9 % toegenomen tot ongeveer 350 000 ton. De capaciteit van de
bedrijfstak van de Unie was in de beoordelingsperiode steeds groter dan de
vraag in de EU en bereikte een niveau van ongeveer 440 000 ton in het TNO.
Er is voldoende concurrentie tussen de EU-producenten. De bedrijfstak van de
Unie, die in het TNO werkte met een bezettingsgraad van 77 %, blijkt te
beschikken over voldoende reservecapaciteit om zijn productie verder te
verhogen in geval van een toenemende vraag. Invoer uit andere derde landen, met
name uit de VS en de VRC, kan ook in een deel van de vraag voorzien. Zoals
hierboven opgemerkt, is het niet de bedoeling van de antidumpingmaatregelen de
invoer vanuit Thailand in de EU te stoppen. Gezien het lage niveau van de
maatregelen is het te verwachten dat de invoer uit Thailand een zeker aandeel
van de EU-markt zal blijven vertegenwoordigen. (133) Gelet op bovenstaande
overwegingen kan niet worden geconcludeerd dat handhaving van de
antidumpingmaatregelen waarschijnlijk zal leiden tot schaarste op de markt van
de EU of tot minder concurrentie op die markt. 4. Conclusie inzake het belang van de
Unie (134) Uit het bovenstaande blijkt dat
de negatieve gevolgen van voortzetting van de maatregelen beperkt zullen zijn
en in geen geval buiten verhouding zullen staan tot de voordelen van verlenging
van de maatregelen voor de bedrijfstak van de Unie. H. ANTIDUMPINGMAATREGELEN (135) Alle partijen zijn in kennis
gesteld van de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan de
Commissie wilde aanbevelen de bestaande maatregelen te handhaven. Zij konden
hierover ook binnen een bepaalde termijn opmerkingen maken. Wanneer deze
opmerkingen gegrond waren, werd daarmee rekening gehouden. (136) Uit het bovenstaande volgt dat
de antidumpingmaatregelen die overeenkomstig artikel 11, lid 2, van
de basisverordening werden ingesteld op de invoer van bepaalde bereide of
verduurzaamde suikermaïs in korrels van oorsprong uit de Thailand moeten worden
gehandhaafd. Er wordt aan herinnerd dat deze maatregelen uit ad-valoremrechten
van verschillende hoogte bestaan. (137) De individuele
antidumpingrechten voor ondernemingen die in de verordening met name worden
genoemd, zijn uitsluitend van toepassing op de invoer van het betrokken product
dat door deze ondernemingen en dus door de specifiek vermelde juridische
entiteiten is geproduceerd. Deze rechten zijn niet van toepassing op het
ingevoerde betrokken product dat is geproduceerd door andere, niet specifiek in
het dispositief van deze verordening met naam en adres genoemde ondernemingen,
ook al gaat het hierbij om entiteiten die verbonden zijn met de specifiek genoemde
ondernemingen; op die producten is het recht van toepassing dat geldt voor
"alle andere ondernemingen". (138) Verzoeken in verband met de
toepassing van een individueel antidumpingrecht (bijvoorbeeld na een
naamswijziging van de onderneming of na de oprichting van een nieuwe productie-
of handelsmaatschappij) moeten onverwijld aan de Commissie worden gericht[8] en vergezeld gaan van alle
relevante gegevens, met name over wijzigingen in de activiteiten van de
onderneming die verband houden met de productie, de binnenlandse verkoop en de
uitvoer die bijvoorbeeld tot die naamswijziging of de oprichting van een
productie- of handelsmaatschappij hebben geleid. Indien het verzoek
gerechtvaardigd is, zal de verordening dienovereenkomstig worden gewijzigd door
bijwerking van de lijst van ondernemingen waarvoor een individueel recht geldt, HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING
VASTGESTELD: Artikel 1 1. Er wordt een definitief
antidumpingrecht ingesteld op suikermaïs (Zea mays var. saccharata) in korrels,
bereid of verduurzaamd in azijn of azijnzuur, niet bevroren, momenteel vallende
onder GN-code ex 2001 90 30 (TARIC-code 2001 90 30 10), en suikermaïs (Zea mays
var. saccharata) in korrels, op andere wijze bereid of verduurzaamd dan in
azijn of azijnzuur, niet bevroren, andere dan de producten bedoeld bij post
2006, momenteel vallende onder GN-code ex 2005 80 00 (TARIC-code 2005 80 00
10), van oorsprong uit Thailand. 2. Het definitieve antidumpingrecht,
dat van toepassing is op de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring, voor
de in lid 1 omschreven producten die door onderstaande ondernemingen
worden geproduceerd, is als volgt: Onderneming || Antidumpingrecht (%) || Aanvullende Taric-code Karn Corn Co Ltd, 68 Moo 7 Tambol Saentor, Thamaka, Kanchanaburi 71130, Thailand || 3,1 || A789 Kuiburi Fruit Canning Co., Ltd, 236 Krung Thon Muang Kaew Building, Sirindhorn Rd., Bangplad, Bangkok 10700, Thailand || 14,3 || A890 Malee Sampran Public Co., Ltd, Abico Bldg. 401/1 Phaholyothin Rd., Lumlookka, Pathumthani 12130, Thailand || 12,8 || A790 River Kwai International Food Industry Co., Ltd, 52 Thaniya Plaza, 21st Floor, Silom Rd., Bangrak, Bangkok 10500, Thailand || 12,8 || A791 Sun Sweet Co., Ltd, 9 M. 1, Sanpatong, Chiang Mai 50120, Thailand || 11,1 || A792 In bijlage I vermelde producenten || 12,9 || A793 Alle andere ondernemingen || 14,3 || A999 3. Tenzij anders vermeld zijn de
bepalingen inzake douanerechten van toepassing. Artikel
2 Artikel 1, lid 2, kan
gewijzigd worden door de nieuwe producent-exporteur toe te voegen aan de
medewerkende ondernemingen die niet in de steekproef zijn opgenomen, en
waarvoor bijgevolg het gewogen gemiddeld recht van 12,9 % geldt, wanneer
een nieuwe producent-exporteur in Thailand ten genoegen van de Commissie
aantoont dat: a) hij het in artikel 1, lid
1, beschreven product in het tijdvak van het nieuwe onderzoek (1 april
2011 tot en met 31 maart 2012) niet naar de Unie heeft uitgevoerd, b) hij niet verbonden is met
een exporteur of producent in Thailand voor wie de bij deze verordening
ingestelde maatregelen gelden; alsmede c) hij het betrokken product naar de Unie
heeft uitgevoerd na het verstrijken van het tijdvak van het nieuwe onderzoek of
een onherroepelijke contractuele verplichting is aangegaan om een aanzienlijke
hoeveelheid van het product naar de Unie uit te voeren. Artikel 3 Deze verordening treedt in werking op de dag
na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie. Deze
verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk
in elke lidstaat. Gedaan te Brussel, Voor
de Raad De
voorzitter BIJLAGE I Lijst van de in artikel 1, lid 2, bedoelde
medewerkende producenten die onder de aanvullende Taric-code A793 vallen: Naam || Adres Agro-On (Thailand) Co., Ltd. || 50/499-500 Moo 6 Baan Mai, Pakkret, Monthaburi 11120, Thailand B.N.H. Canning Co., Ltd. || 425/6-7 Sathorn Place Bldg., Klongtonsai, Kongsan Bangkok 10600, Thailand Boonsith Enterprise Co., Ltd. || 7/4 M.2, Soi Chomthong 13, Chomthong Rd., Chomthong, Bangkok 10150, Thailand Erawan Food Public Company Limited || Panjathani Tower 16e floor, 127/21 Nonsee Rd., Chongnonsee, Yannawa, Bangkok 10120, Thailand Great Oriental Food Products Co., Ltd. || 888/127 Panuch Village Soi Thanaphol 2, Samsen-Nok, Huaykwang, Bangkok 10310, Thailand Lampang Food Products Co., Ltd. || 22K Building, Soi Sukhumvit 35, Klongton Nua, Wattana, Bangkok 10110, Thailand O.V. International Import-Export Co., Ltd. || 121/320 Soi Ekachai 66/6, Bangborn, Bangkok 10500, Thailand Pan Inter Foods Co., Ltd. || 400 Sunphavuth Rd, Bangna, Bangkok 10260, Thailand Siam Food Products Public Co., Ltd. || 3195/14 Rama IV Road, Vibulthani Tower 1, 9th Fl., Klong Toey, Bangkok, 10110 Thailand Viriyah Food Processing Co., Ltd. || 100/48 Vongvanij B Bldg, 18th Fl, Praram 9 Rd., Huay Kwang, Bangkok 10310 Thailand Vita Food Factory (1989) Ltd. || 89 Arunammarin Rd., Banyikhan, Bangplad, Bangkok 10700, Thailand [1] PB L 343 van 22.12.2009, blz. 51. [2] PB L 159 van 20.6.2007, blz. 14. [3] PB L 260 van 25.9.2008, blz. 1. [4] PB L 159 van 20.6.2007, blz. 42. [5] PB L 246 van 18.9.2009, blz. 1. [6] PB C 258 van 2.9.2011, blz. 11. [7] PB C 175 van 19.6.2012, blz. 22. [8] Europese Commissie, Directoraat-generaal Handel,
Directoraat H, 1049 Brussel, BELGIË.