Voorstel voor een UITVOERINGSVERORDENING VAN DE RAAD tot uitbreiding van het bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 511/2010 ingestelde definitieve antidumpingrecht op molybdeendraad met ten minste 99,95 gewichtspercenten molybdeen en een grootste afmeting der dwarsdoorsnede van meer dan 1,35 mm doch niet meer dan 4,0 mm, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, tot molybdeendraad met ten minste 97 gewichtspercenten molybdeen en een grootste afmeting der dwarsdoorsnede van meer dan 1,35 mm doch niet meer dan 4,0 mm, van oorsprong uit de Volksrepubliek China. /* COM/2013/0564 final - 2013/0272 (NLE) */
TOELICHTING 1. ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL Motivering en doel van het voorstel Dit voorstel betreft de toepassing van
Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende
beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn
van de Europese Gemeenschap ("de basisverordening") in het kader van
het onderzoek naar de mogelijke ontwijking van de bij Uitvoeringsverordening
(EU) nr. 511/2010 van de Raad ingestelde antidumpingmaatregelen ten aanzien van
de invoer van molybdeendraad met ten minste 99,95 gewichtspercenten molybdeen
en een grootste afmeting der dwarsdoorsnede van meer dan 1,35 mm doch niet meer
dan 4,0 mm, van oorsprong uit de Volksrepubliek China ("het betrokken
product") door de invoer van bepaald enigszins gewijzigd molybdeendraad,
bevattende 97 of meer doch minder dan 99,95 gewichtspercenten molybdeen, van
oorsprong uit de Volksrepubliek China. Algemene context Dit voorstel past in het kader van de tenuitvoerlegging van de basisverordening en is het resultaat van een onderzoek dat werd verricht in overeenstemming met de materiële en procedurele eisen in de basisverordening, en met name artikel 13. Bestaande bepalingen op het door het voorstel bestreken gebied De maatregelen zijn ingevoerd bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 511/2010 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op molybdeendraad met ten minste 99,95 gewichtspercenten molybdeen en een grootste afmeting der dwarsdoorsnede van meer dan 1,35 mm doch niet meer dan 4,0 mm in diameter ("het betrokken product"), van oorsprong uit de Volksrepubliek China. Samenhang met andere beleidsgebieden en doelstellingen van de Unie Niet van toepassing. 2. RESULTATEN VAN RAADPLEGINGEN
VAN DE BELANGHEBBENDE PARTIJEN EN EFFECTBEOORDELINGEN Raadpleging van belanghebbende partijen Partijen die belang bij de procedure hebben, werden overeenkomstig de basisverordening in de loop van het onderzoek in de gelegenheid gesteld hun belangen te verdedigen. Bijeenbrengen en benutten van deskundigheid Er behoefde geen beroep te worden gedaan op externe deskundigheid. Effectbeoordeling Dit voorstel vloeit voort uit de tenuitvoerlegging van de basisverordening. De basisverordening voorziet niet in een algemene effectbeoordeling, maar bevat wel een uitputtende lijst van factoren die moeten worden beoordeeld. 3. JURIDISCHE ELEMENTEN VAN HET
VOORSTEL Samenvatting van de voorgestelde maatregelen Het bijgevoegde voorstel voor een uitvoeringsverordening van de Raad is gebaseerd op de bevindingen van het onderzoek, dat heeft bevestigd dat er ontwijking van de maatregelen plaatsvindt en dat aan alle andere criteria voor de vaststelling van ontwijking, als vermeld in artikel 13, lid 1, van de basisverordening, is voldaan. Derhalve wordt voorgesteld dat de Raad het bijgevoegde voorstel goedkeurt om de antidumpingmaatregelen die gelden voor molybdeendraad met ten minste 99,95 gewichtspercenten molybdeen van oorsprong uit de Volksrepubliek China, uit te breiden tot enigszins gewijzigd molybdeendraad, bevattende 97 of meer doch minder dan 99,95 gewichtspercenten molybdeen, van oorsprong uit de Volksrepubliek China. De desbetreffende verordening van de Raad moet uiterlijk op 19 september 2013 in het Publicatieblad van de Europese Unie worden bekendgemaakt. Rechtsgrondslag Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap, en met name artikel 13. Subsidiariteitsbeginsel Het voorstel betreft een gebied dat onder de exclusieve bevoegdheid van de Unie valt. Het subsidiariteitsbeginsel is derhalve niet van toepassing. Evenredigheidsbeginsel Het voorstel is om de volgende reden in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel: De vorm van de maatregel is beschreven in de hierboven vermelde basisverordening en laat geen ruimte voor nationale besluiten. De beschrijving van de wijze waarop de financiële en administratieve lasten voor de Unie, de nationale, regionale en plaatselijke overheden, de bedrijven en de burgers zo veel mogelijk worden beperkt en hoe zij in verhouding staan tot het doel van het voorstel is niet van toepassing. Keuze van instrumenten Voorgesteld instrument: verordening. Andere instrumenten zouden om de volgende reden ongeschikt zijn: de hierboven vermelde basisverordening voorziet niet in andere mogelijkheden. 4. GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING Het voorstel heeft geen gevolgen voor de
begroting van de Unie. 2013/0272 (NLE) Voorstel voor een UITVOERINGSVERORDENING VAN DE RAAD tot uitbreiding van het bij
Uitvoeringsverordening (EU) nr. 511/2010 ingestelde definitieve
antidumpingrecht op molybdeendraad met ten minste 99,95 gewichtspercenten
molybdeen en een grootste afmeting der dwarsdoorsnede van meer dan 1,35 mm
doch niet meer dan 4,0 mm, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, tot
molybdeendraad met ten minste 97 gewichtspercenten molybdeen en een grootste
afmeting der dwarsdoorsnede van meer dan 1,35 mm doch niet meer dan 4,0 mm,
van oorsprong uit de Volksrepubliek China. DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gezien het Verdrag betreffende de werking van
de Europese Unie, Gezien Verordening (EG) nr. 1225/2009 van
de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen
invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap[1] ("de basisverordening"),
en met name artikel 13, Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
ingediend na raadpleging van het raadgevend comité, Overwegende hetgeen volgt: 1. DE PROCEDURE 1.1. Bestaande maatregelen (1) In december 2009 heeft de
Europese Commissie ("de Commissie") bij Verordening (EU) nr.
1247/2009[2]
("de voorlopige antidumpingverordening") een voorlopig
antidumpingrecht ingesteld op molybdeendraad met ten minste 99,95
gewichtspercenten molybdeen en een grootste afmeting der dwarsdoorsnede van
meer dan 1,35 mm doch niet meer dan 4,0 mm, van oorsprong uit de
Volksrepubliek China ("de VRC"). (2) In juni 2010 heeft de Raad
bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 511/2010[3]
een definitief antidumpingrecht van 64,3 % ingesteld op hetzelfde product. Deze maatregelen worden hierna "de
geldende maatregelen" genoemd en het onderzoek dat tot de bij de
oorspronkelijke verordening ingestelde maatregelen heeft geleid, wordt hierna
aangeduid als "het oorspronkelijke onderzoek". (3) In januari 2012 heeft de
Raad, na een onderzoek naar de ontwijking van de maatregelen overeenkomstig
artikel 13 van de basisverordening, de geldende maatregelen bij
Uitvoeringsverordening (EU) nr. 14/2012[4]
uitgebreid tot het vanuit Maleisië verzonden betrokken product, al dan niet
aangegeven als van oorsprong uit Maleisië. 1.2. Verzoek (4) In november 2012 heeft de
Commissie een verzoek ontvangen op grond van artikel 13, lid 3, en artikel 14,
lid 5, van de basisverordening om een onderzoek in te stellen naar de mogelijke
ontwijking van de antidumpingmaatregelen ten aanzien van bepaald molybdeendraad
van oorsprong uit de VRC door de invoer van enigszins gewijzigd molybdeendraad,
bevattende 97 of meer doch minder dan 99,95 gewichtspercenten molybdeen, van oorsprong
uit de VRC, en deze invoer aan registratieplicht te onderwerpen. (5) Het verzoek was ingediend
door Plansee SE ("Plansee"), een producent van bepaald molybdeendraad
in de Unie die deelnam aan het oorspronkelijke onderzoek. (6) Het verzoek bevatte voldoende
voorlopig bewijsmateriaal waaruit bleek dat de antidumpingmaatregelen ten
aanzien van de invoer van bepaald molybdeendraad van oorsprong uit de
Volksrepubliek China worden ontweken door de invoer van bepaald enigszins
gewijzigd molybdeendraad, bevattende 97 of meer doch minder dan 99,95
gewichtspercenten molybdeen, van oorsprong uit de VRC. 1.3. Opening van het onderzoek (7) Daar de Commissie na overleg
met het Raadgevend Comité tot de conclusie was gekomen dat er voldoende
voorlopig bewijsmateriaal was om op grond van artikel 13, lid 3, en artikel 14,
lid 5, van de basisverordening een onderzoek te openen, heeft zij bij
Verordening (EU) nr. 1236/2012[5]
("de openingsverordening") een onderzoek geopend naar de mogelijke
ontwijking van de antidumpingmaatregelen die waren ingesteld ten aanzien van de
invoer van bepaald molybdeendraad van oorsprong uit de VRC, en heeft zij tevens
de douaneautoriteiten de opdracht gegeven de invoer van molybdeendraad met 97
of meer doch minder dan 99,95 gewichtspercenten molybdeen en een grootste
afmeting der dwarsdoorsnede van meer dan 1,35 mm doch niet meer dan 4,0 mm,
momenteel ingedeeld onder GN-code ex 8102 96 00 (Taric-code 8102 96
00 30), van oorsprong uit de Volksrepubliek China, met ingang van 21 december
2012 te registreren. 1.4. Betrokken product en
onderzocht product (8) De definitie van het
betrokken product komt overeen met die in het oorspronkelijke onderzoek, d.w.z.
molybdeendraad met ten minste 99,95 gewichtspercenten molybdeen en een grootste
afmeting der dwarsdoorsnede van meer dan 1,35 mm doch niet meer dan 4,0 mm ("zuiver
molybdeen"), van oorsprong uit de VRC, momenteel ingedeeld onder GN-code
ex 8102 96 00. (9) Het onderzochte product,
d.w.z. het product waarmee de antidumpingmaatregelen zouden worden ontweken, is
hetzelfde als het in overweging 7 gedefinieerde product met ten minste 97 doch minder
dan 99,95 gewichtspercenten molybdeen en een grootste afmeting der
dwarsdoorsnede van meer dan 1,35 mm doch niet meer dan 4,0 mm, van oorsprong
uit de VRC. 1.5. Onderzoek en bij het onderzoek
betrokken partijen (10) De
Commissie heeft de autoriteiten van de VRC officieel in kennis gesteld van de
opening van het onderzoek en heeft een vragenlijst gestuurd naar de
producenten-exporteurs in de VRC en de haar bekende betrokken importeurs in de
Unie. De belanghebbenden werden in de gelegenheid gesteld om binnen de bij de
openingsverordening vastgestelde termijn contact met de Commissie op te nemen,
hun standpunt schriftelijk uiteen te zetten en te verzoeken te worden gehoord. Alle partijen werden ervan op de hoogte gesteld dat niet-medewerking
kan leiden tot de toepassing van artikel 18 van de basisverordening en tot
bevindingen die op de beschikbare gegevens zijn gebaseerd. (11) Twee
producenten-exporteurs hebben bij de Commissie een ingevulde vragenlijst
ingediend. Een van deze ondernemingen, die ook aan het oorspronkelijke
onderzoek meewerkte, is daadwerkelijk een producent-exporteur van het
onderzochte product. De tweede onderneming meldde geen enkele verkoop van het
onderzochte product. Derhalve werden haar opmerkingen
buiten beschouwing gelaten. (12) Vier importeurs hebben bij de
Commissie een ingevulde vragenlijst ingediend. Een van hen meldde geen invoer
van het onderzochte product en bleek een gebruiker van molybdeendraad te zijn. (13) De Commissie verrichte
onderzoeken ter plaatse op de twee bedrijfslocaties van de medewerkende Chinese
producent-exporteur: --- Jinduicheng Molybdenum Co., Ltd.,
No. 88, Jinye 1st Road, Hi-Tech Industry Developing Zone, Xi’an,
Shaanxi Province, VRC ("JDC"); --- Jinduicheng GuangMing Co., Ltd.,
No. 104 Mihe Road, Zhoucun District, Zibo City, VRC, en op de bedrijfslocatie van de volgende
importeur in de Unie: --- GTV Verschleißschutz GmbH, Vor der
Neuwiese 7, D-57629 Luckenbach, Duitsland ("GTV"). (14) De drie andere importeurs
werden niet bezocht, maar hun opmerkingen werden in de loop van het onderzoek
zorgvuldig bestudeerd. 1.6. Onderzoek en
rapportageperioden (15) Om te onderzoeken of zich een
verandering in de structuur van het handelsverkeer had voorgedaan, werd een
onderzoektijdvak van 1 januari 2008 tot en met 30 september 2012 vastgesteld ("het
OT"). Om te onderzoeken of invoer plaatsvindt tegen prijzen die lager zijn
dan de geen schade veroorzakende prijs die werd vastgesteld in het kader van
het onderzoek dat tot de constatering van dumping en tot de geldende
maatregelen had geleid, werd een verslagperiode van 1 oktober 2011 tot en met
30 september 2012 vastgesteld ("de VP"). 2. RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK 2.1. Algemene overwegingen (16) Overeenkomstig artikel 13, lid
1, van de basisverordening werd uitgemaakt of er sprake was van
ontwijkingspraktijken door achtereenvolgens na te gaan of: 1) zich een
verandering in de structuur van het handelsverkeer tussen de VRC en de Unie had
voorgedaan; 2) deze verandering het gevolg was van praktijken, processen of
werkzaamheden waarvoor, afgezien van de instelling van het recht, onvoldoende
reden of economische rechtvaardiging bestond, 3) uit bewijsmateriaal bleek dat
er sprake was van schade of dat de corrigerende werking van het recht, gezien
de prijzen en/of de hoeveelheden van het onderzochte product, werd ondermijnd,
en 4) uit bewijsmateriaal bleek dat dumping plaatsvond ten aanzien van de voor
het soortgelijke product eerder vastgestelde normale waarden, zo nodig
overeenkomstig artikel 2 van de basisverordening. 2.2. Lichte wijziging en wezenlijke
kenmerken (17) Uit
het onderzoek is gebleken dat het bij het onderzochte product om een draad gaat
die van molybdeen (tussen de 99,6 en 99,7 %) en doorgaans lanthaan
("La") (tussen de 0,25 en 0,35 %) is vervaardigd. Deze legering
bevat tevens andere scheikundige elementen en staat bekend als "doped"
molybdeen of als "MoLa" dan wel "ML". Het betrokken product
en het onderzochte product vallen momenteel beide onder de GN-code 8102 96 00.
Zoals hieronder wordt uiteengezet, werd in het kader van het onderzoek geen
verschil tussen het productieproces van het onderzochte product en dat van het
betrokken product vastgesteld, afgezien van het feit dat bij het mengen een
laag percentage lanthaan aan het zuivere molybdeen wordt toegevoegd. Bovendien
bevestigde de medewerkende producent-exporteur dat de productiekosten van het
onderzochte product gelijk zijn aan die van het betrokken product. Dit betekent
dat het enige economische voordeel dat de producent-exporteur met de productie
van het onderzochte product behaalt, in het vermijden van de geldende
maatregelen bestaat. Voorts werd geconstateerd dat de
gebruikers van het betrokken product na de instelling van de voorlopige
maatregelen zijn overgestapt op het onderzochte product, wat betekent dat er
voor de gebruikers geen verschil is tussen het betrokken product en het onderzochte
product. (18) Zoals
vermeld in overweging 15 van de voorlopige antidumpingverordening wordt het
betrokken product voornamelijk gebruikt voor coatings bij de productie van
auto-onderdelen (met name versnellingsbakken) en vliegtuigonderdelen of voor
elektrische contacten. Het betrokken product wordt het
meest verhandeld met dwarsdoorsnedes van 2,31 mm en 3,17 mm, die worden
toegepast bij vlamspuiten of boogspuiten. (19) Drie
partijen voerden aan dat het onderzochte product en het betrokken product
verschillende wezenlijke kenmerken zouden hebben. Op verzoek van twee van de partijen
vond in april 2013 een door de raadadviseur-auditeur voorgezeten confronterende
hoorzitting met GTV, JDC en Plansee plaats. Zoals
hieronder nader wordt uiteengezet, ging de aandacht tijdens de hoorzitting
voornamelijk uit naar de beweerde technische verschillen tussen het betrokken
product en het onderzochte product en naar de economische redenen voor de
invoer van het laatstgenoemde product naar de Unie. (20) GTV en
JDC stelden tijdens de hoorzitting en in hun schriftelijke opmerkingen dat het
onderzochte product wezenlijke fysieke kenmerken vertoont die aanzienlijk
verschillen van die van het betrokken product. Meer
specifiek beweerden zij dat de rekbaarheid van het materiaal, d.w.z. de mate
waarin het zonder te breken door trekkracht kan worden gerekt tot een draad met
een kleinere doorsnede, de rekparameters en de coatingeigenschappen van het
onderzochte product in bijzondere mate zijn verbeterd ten opzichte van het
betrokken product. (21) Ter staving van deze bewering
dienden de beide partijen een aantal artikelen en studies in met de bedoeling
om aan te tonen dat een legering van molybdeen en lanthaan een product oplevert
dat minder breekbaar is en door een grotere rekbaarheid is gekenmerkt dan het
betrokken product. Deze partijen beweerden tevens dat de op de website van
Plansee gepubliceerde informatie aantoont dat het onderzochte product betere
eigenschappen heeft dan het betrokken product. (22) Wat de kenmerken van het
product betreft, stelde Plansee voor om het betrokken product en het onderzochte
product door een onafhankelijke instelling te laten vergelijken om uit te maken
of het onderzochte product en het betrokken product verschillende wezenlijke
kenmerken hebben. (23) Na de
hoorzitting werd het hierboven genoemde verzoek beoordeeld op basis van het
gedurende het onderzoek vergaarde bewijsmateriaal, met name de door de
importeurs aan de producent-exporteur verzonden bestellingen, de toelichting
van de producent-exporteur over zijn productieproces, de chemische
samenstelling en de rek- en trekeigenschappen als vermeld op certificaten
betreffende de productkwaliteit, de door de producent-exporteur opgestelde
facturen en het feit dat aan de klanten geen handelsinformatie werd verstrekt
over de ten opzichte van het betrokken product verbeterde kenmerken van het
onderzochte product. Door al deze informatie werd bevestigd dat de klanten niet
om producten met verbeterde eigenschappen hadden verzocht en dat deze ook niet
door de producent van het onderzochte product werden geleverd. Daarom werd geconcludeerd
dat het niet nodig was om het advies van een deskundige in te winnen. Dientengevolge werd dit verzoek afgewezen. (24) Met betrekking tot dit aspect heeft het onderzoek bevestigd
dat de in overweging 20 genoemde verbeterde kwaliteit afhankelijk is van het
lanthaangehalte en van de vraag of een geoptimaliseerd productieproces wordt
toegepast. De medewerkende producent-exporteur heeft evenwel niet aangetoond
dat hij voor het tijdens het OT naar de EU geëxporteerde onderzochte product
een geoptimaliseerd productieproces heeft toegepast. Het
argument werd daarom als ongegrond afgewezen. (25) Eén partij beweerde dat het
onderzochte product over verbeterde coatingeigenschappen beschikt. Deze partij
heeft echter niet voldoende bewijsmateriaal aangedragen om die bewering te
staven. Het argument werd daarom als ongegrond afgewezen. (26) Twee partijen stelden dat het
onderzochte product beter bestand is tegen breuken. Dit betekent dat het draad
nooit breekt bij het afrollen in een spuitmachine. Deze partijen werden
verzocht bewijsstukken ter staving van deze bewering in te dienen, wat zij
echter hebben nagelaten. Gezien het gebrek aan de nodige bewijsstukken werd dit
argument niet aanvaard. (27) In het licht van het
bovenstaande werd geconcludeerd dat het onderzochte product niet over andere
eigenschappen beschikt dan het betrokken product. (28) Voorts
blijkt uit de tijdens de controlebezoeken verzamelde bewijzen dat de
gebruikers/importeurs bij hun bestellingen niet specifiek hebben verzocht om
het product met de beweerde betere fysieke kenmerken als bedoeld in overweging
20. Geen van hen heeft om een specifiek lanthaangehalte verzocht, terwijl zij
wel om een gehalte van ten minste 99 gewichtspercenten zuiver molybdeen hebben
verzocht. Slechts één klant verzocht om specifieke kenmerken voor wat betreft
de rek- en trekparameters. In dit geval heeft de producent-exporteur deze
parameters getest en aan zijn klant kwaliteitscertificaten verstrekt. Aangezien
ook voor het betrokken product dergelijke certificaten werden geleverd, was het
mogelijk om de twee producten met betrekking tot deze parameters met elkaar te
vergelijken. Uit de vergelijking bleek dat de aan de
beide producten gestelde eisen met betrekking tot rek- en trekeigenschappen
identiek waren. (29) Bovendien kwam uit het
onderzoek naar voren dat de producent-exporteur de markt of zijn klanten niet
van de beweerde voordelen van het onderzochte product ten opzichte van het
betrokken product op de hoogte heeft gesteld en het licht gewijzigde MoLa-draad
niet als nieuw of ander product in de handel heeft gebracht. (30) Op grond van een door Plansee
in januari 1996 verkregen octrooi voerde één partij aan dat het bij het
betrokken product en het onderzochte product om verschillende producten gaat. Uit
een analyse van dit argument bleek dat het octrooi geen betrekking heeft op het
onderzochte product, maar op het gebruik van een molybdeenlegering als steekcontact
voor lampen, elektronenbuizen en soortgelijke componenten. Bovendien is de
dwarsdoorsnede van deze productsoort kleiner dan de voor het onderzochte
product gedefinieerde dwarsdoorsnedes. Zoals reeds in overweging 24 vermeld, is
daarnaast de beweerde betere kwaliteit van MoLa in vergelijking met het
betrokken product afhankelijk van de toepassing van een geoptimaliseerd
productieproces. Het argument werd derhalve afgewezen. (31) Daarom moet worden
geconcludeerd dat het betrokken product en het onderzochte product vanuit het
oogpunt van een klant zeer gelijksoortig zijn. (32) Eén
partij voerde aan dat uit de commerciële aanbiedingen die door Plansee op haar
website worden gepubliceerd, blijkt dat die onderneming het onderzochte product
niet alleen voor toepassingen op het gebied van thermisch spuiten aanbood, maar
ook voor toepassingen op tal van andere gebieden (zoals lamponderdelen,
industriële draadsnijtoepassingen). Plansee merkte evenwel op dat in de op haar
website gepubliceerde commerciële informatie is aangegeven welke draaddiameters
de onderneming kan leveren. Daarnaast bleek uit het onderzoek dat de verkoop
van Plansee voor andere toepassingsgebieden zeer beperkt is (namelijk minder
dan 2 % van de verkoop van het betrokken product) en dat de onderneming
gebruikmaakt van een geoptimaliseerd productieproces. Dit
argument werd derhalve afgewezen. (33) Eén partij voerde aan dat het
onderzochte product reeds door Plansee werd geproduceerd toen deze onderneming
de klacht indiende die tot de opening van het oorspronkelijke onderzoek leidde,
en aangezien Plansee van mening is dat het onderzochte product en het betrokken
product dezelfde wezenlijke kenmerken hebben, zou zij het eveneens aan het
onderzoek hebben moeten laten onderwerpen. Zoals in overweging 32 uiteengezet,
heeft het onderzoek echter bevestigd dat dit specifieke MoLa-draad van het
onderzochte product verschilt. De dwarsdoorsneden zijn over het algemeen
kleiner dan 1 mm en het draad wordt voornamelijk toegepast in de
verlichtingsindustrie. Zoals vermeld in tabel 1 begon de invoer van het
onderzochte product bovendien pas nadat de voorlopige maatregelen ten aanzien
van het betrokken product waren ingesteld. Gezien het feit dat er tijdens het
OT van het oorspronkelijke onderzoek geen invoer van het onderzochte product
plaatsvond, was er dus geen reden om dit product in de productomschrijving op
te nemen. Het argument werd daarom als ongegrond afgewezen. (34) Eén
partij voerde aan dat door de uitbreiding van producten met een gehalte van
99,95 % tot producten met een gehalte van ten minste 97 % allerlei
molybdeenlegeringen onder het toepassingsgebied komen te vallen, waardoor deze
producten niet beschikbaar zouden zijn op de EU-markt (bijvoorbeeld voor de
markt voor fijngetrokken draad). Ten eerste heeft deze partij geen
bewijsstukken ter staving van deze bewering overgelegd. Ten tweede blijkt uit
het onderzoek dat slechts één producent-exporteur tijdens het OT weliswaar MoLa
naar de Unie uitvoerde, maar geen andere legeringen die onder de definitie van
het onderzochte product vallen. Ten derde kwam uit het onderzoek naar voren dat
de markt in de EU voor fijngetrokken draad en de verkoop van
molybdeenlegeringen zeer klein is. Tot slot zal de uitbreiding van de
maatregelen het niet onmogelijk maken om het onderzochte product in te voeren. Het argument werd daarom afgewezen. (35) Wat betreft de vraag of wezenlijke
kenmerken van het betrokken product door de in overweging 19 genoemde wijziging
zijn veranderd, bleek uit de in de overwegingen 24 tot en met 32 geanalyseerde
informatie die door de medewerkende partijen was verstrekt, dat het onderzochte
product dezelfde fysieke basiskenmerken heeft en voor dezelfde doeleinden wordt
gebruikt als het betrokken product. (36) Dientengevolge werd
vastgesteld dat er qua fysieke kenmerken geen relevante verschillen bestaan
tussen het onderzochte product en het betrokken product. Daarom werd
geconcludeerd dat het onderzochte product als soortgelijk product wordt
beschouwd in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening. (37) Derhalve moet worden
geconcludeerd dat het onderzochte product slechts licht is gewijzigd ten
opzichte van het betrokken product en dat voor de invoer van dat product geen
andere economische rechtvaardiging kon worden gevonden dan de ontwijking van de
geldende antidumpingrechten. 2.3. Verandering in de structuur
van het handelsverkeer 2.3.1. Invoer van molybdeendraad in de
Unie (38) Het
was niet mogelijk om aan de Eurostat-gegevens rechtstreeks informatie over de
invoer in de Unie te ontlenen, aangezien de GN-code waaronder het onderzochte
product wordt gedeclareerd eveneens betrekking heeft op andere producten dan
het onderzochte product. Bij gebrek aan specifieke invoerstatistieken voor het
onderzochte product werden de Eurostat-gegevens daarom gecorrigeerd
overeenkomstig de in het verzoek voorgestelde methode. Dienovereenkomstig werd
de invoer van het onderzochte product in de Unie bepaald op basis van een
raming van het EU-verbruik van molybdeendraad, gecorrigeerd aan de hand van de
totale EU-productie van het betrokken product. Deze
methode bleek betrouwbaar voor het verkrijgen van gegevens betreffende het
onderzochte product. (39) Zoals
reeds vermeld in overweging 11, heeft slechts één producent-exporteur in de VRC
aan het onderzoek meegewerkt. Op basis van een
vergelijking van de door deze producent-exporteur verstrekte informatie met de
in de vorige overweging bedoelde gecorrigeerde Eurostat-gegevens werd echter
vastgesteld dat deze onderneming in het OT het grootste deel van de totale
invoer van het onderzochte product in de EU voor haar rekening nam en dus
representatief werd geacht voor de totale invoer van molybdeendraad in de EU. (40) Zoals in de tabel hieronder is
aangegeven, werd de invoer van het betrokken product in de Unie na de
instelling van de definitieve maatregelen in juni 2010 geheel beëindigd en werd
deze onmiddellijk vervangen door de invoer van het onderzochte product. Tabel
1: Ontwikkeling van de invoer van het betrokken product en het onderzochte
product van oorsprong uit de VRC Invoer in de EU || 2008 || 2009 || 1/1/2010* - 16/6/2010 || 17/6/2010** - 31/12/2010 || 2010 || 2011 || RP*** (1) Totale invoer in ton (geïndexeerd) || 100 || 31 || 10 || 17 || 27 || 128 || 99 Totale invoer || 100 % || 100 % || 100 % || 100 % || 100 % || 100 % || 100 % Betrokken product || 100 % || 100 % || 20 % || 0 % || 7 % || 0 % || 0 % Onderzocht product || 0 % || 0 % || 80 % || 100 % || 93 % || 100 % || 100 % (1) Geïndexeerd op basis van de door de medewerkende producent-exporteur gerapporteerde hoeveelheid in kg (d.w.z. 2008 = 100). Zie overweging 39. Invoer = betrokken product + onderzocht product * Periode gedurende welke de voorlopige maatregelen van kracht waren ** Periode gedurende welke de definitieve maatregelen van kracht waren *** VP = verslagperiode van 1 oktober 2011 tot en met 30 september 2012 Bron: opmerkingen van JDC (41) Het onderzoek bevestigde dat
partijen die het onderzochte product na de instelling van de voorlopige recht
inkochten, vóór de instelling van de maatregelen het betrokken product afnamen.
Tijdens de VP namen deze partijen 99,8 % van de totale hoeveelheid van het
onderzochte product af. (42) Twee belanghebbenden voerden
aan dat zij reeds in 2007 een aanvang hadden gemaakt met een project ter
ontwikkeling van het onderzochte product in de VRC en dat de uitvoer van het
onderzochte product derhalve geen verband hield met de instelling van de
maatregelen ten aanzien van het betrokken product. Door het onderzoek werd het
bestaan van een dergelijk project evenwel niet bevestigd. Al met al werden één
e-mail, het verslag van een conferentiegesprek en een monster van het
onderzochte product voor verdere analyse overgelegd. Bovendien resulteerde dit
project vóór de instelling van de voorlopige maatregelen ten aanzien van het
betrokken product in oktober 2010 niet in de uitvoer van het onderzochte
product naar de EU. Het feit dat een project beweerdelijk in 2007 werd gestart
verandert echter niets aan de bevinding dat het betrokken product en het
onderzochte product gelijksoortig zijn. Ook de conclusie van het onderzoek dat
er afgezien van de instelling van de maatregelen ten aanzien van het betrokken
product geen economische rechtvaardiging was voor de uitvoer van het onderzochte
product, blijft geldig. (43) Uit het onderzoek bleek
eveneens dat het onderzochte product in het OT niet naar landen buiten de EU
werd uitgevoerd en dat slechts kleine hoeveelheden ervan op de Chinese markt
werden verkocht (zie tabel 2). Tabel
2: Markt voor het onderzochte product || 2008 || 2009 || 1/1/2010-16/6/2010 || 17/6/2010-31/12/2010 || 2010 || 2011 || 1/10/2011-30/9/2012 (1) Totale omzet (geïndexeerd) || 100 || 96 || 863 || 1529 || 2393 || 11168 || 8123 Totale omzet || 100 % || 100 % || 100 % || 100 % || 100 % || 100 % || 100 % Binnenlandse verkoop (VRC) || 100 % || 100 % || 5 % || 4 % || 4 % || 0,4 % || 2 % Uitvoer naar EU || 0 % || 0 % || 95 % || 96 % || 95 % || 99,6 % || 98 % Uitvoer naar andere landen || 0 % || 0 % || 0 % || 0 % || 0 % || 0 % || 0 % (1) Methodologie als omschreven voor tabel 1. Bron: opmerkingen van JDC (44) Op grond van het bovenstaande
werd het argument afgewezen. 2.3.2. Conclusie over de verandering
in de structuur van het handelsverkeer (45) De totale toename van de
uitvoer van het onderzochte product vanuit de VRC naar de EU na de instelling
van de voorlopige en de definitieve maatregelen en de parallel daaraan
verlopende daling van de invoer van het betrokken product vormden een
verandering in de structuur van het handelsverkeer tussen de VRC en de Unie. 2.4. Aard van de
ontwijkingspraktijken en onvoldoende reden of economische rechtvaardiging (46) In artikel 13, lid 1, van de
basisverordening is bepaald dat de verandering in de structuur van het
handelsverkeer het gevolg moet zijn van praktijken, processen of werkzaamheden
waarvoor, afgezien van de instelling van het recht, onvoldoende reden of
economische rechtvaardiging bestaat. (47) Zoals vermeld in overweging 45
werd geconcludeerd dat er sprake is van een verandering in de structuur van het
handelsverkeer. (48) Zoals vermeld in de
overwegingen 28 en 29 werd geconcludeerd dat noch de producent-exporteur noch
de importeurs de markt of hun klanten op de hoogte hebben gesteld van de beweerde
voordelen van het onderzochte product boven het betrokken product en dat zij
het onderzochte product niet als nieuw of ander product in de handel hebben
gebracht. (49) Voorts wordt zowel het
betrokken product als het onderzochte product voornamelijk gebruikt als
spuitdraad in de automobielindustrie en hebben beide producten dezelfde eindgebruikers.
(50) Eén
partij voerde aan dat het onderzochte product significante voordelen biedt
wanneer het als spuitdraad wordt gebruikt. Deze voordelen hebben een effect op
de productiviteit van coatingapparatuur, doordat productieonderbrekingen als
gevolg van draadbreuk tot een minimum worden beperkt. Het onderzoek heeft
echter uitgewezen dat deze partij het onderzochte product niet in de handel
heeft gebracht en evenmin haar klanten op de hoogte heeft gesteld van de beweerde
andere technische kenmerken of de voordelen van het onderzochte product. Bovendien hebben de klanten niet specifiek om dergelijke verbeteringen
verzocht. Het argument werd daarom als ongegrond afgewezen. (51) Eén
partij voerde aan dat één gebruiker vanwege de technische gebreken van het
betrokken product op het onderzochte product is overgestapt. Deze partij werd
verzocht bewijsstukken ter staving van deze bewering in te dienen, wat zij
echter heeft nagelaten. Gezien het gebrek aan de
nodige bewijsstukken werd dit argument niet aanvaard. (52) GTV
voerde aan dat voor spuitcoating gebruikt MoLa-draad betere resultaten oplevert
wat betreft de microhardheid van de coating. Hierdoor kan slijtage van het
materiaaloppervlak als gevolg van wrijving tussen onderdelen worden vermeden. GTV
legde testresultaten van een onafhankelijk laboratorium voor waaruit blijkt dat
de microhardheid door het gebruik van MoLa kan worden verhoogd. De door het
onafhankelijke laboratorium gehanteerde methodologie bood echter geen garantie
voor deze testresultaten, aangezien de test slechts op één partij
molybdeendraad werd uitgevoerd, waarbij GTV stelde dat een nadere testanalyse
betrekking zou moeten hebben op een groot aantal partijen van het product. Bovendien
werd de chemische samenstelling van het beproefde monster niet geanalyseerd,
wat betekent dat er geen garantie bestaat dat het bij de geanalyseerde partij
daadwerkelijk om het onderzochte product ging. Het
argument werd daarom als ongegrond afgewezen. (53) Uit het onderzoek zijn
afgezien van de ontwijking van de betaling van het geldende recht geen andere
redenen of economische rechtvaardigingen voor de invoer van het onderzochte
product naar voren gekomen. (54) In afwezigheid van enige
andere voldoende reden of economische rechtvaardiging in de zin van artikel 13,
lid 1, tweede zin, van de basisverordening wordt derhalve geconcludeerd dat de
verandering in de structuur van het handelsverkeer tussen de VRC en de Unie was
toe te schrijven aan de instelling van de geldende maatregelen. 2.5. Ondermijning van de
corrigerende werking van het recht, gezien de prijzen en/of de hoeveelheden van
het soortgelijke product (55) Om te beoordelen of de invoer
van het onderzochte product, gezien de hoeveelheden en de prijzen, de
corrigerende werking van de geldende maatregelen heeft ondermijnd, werd
gebruikgemaakt van gegevens van de enige medewerkende producent-exporteur,
zoals vermeld in overweging 39. (56) De ingevoerde hoeveelheid van
het onderzochte product van oorsprong uit de VRC nam vanaf de instelling van de
voorlopige maatregelen in aanzienlijke mate toe. De omvang van de invoer vanuit
de VRC naar de EU in het OT komt overeen met de omvang van de invoer in de EU
van het betrokken product van oorsprong uit de VRC in 2008, vóór de instelling
van maatregelen. (57) Uit de vergelijking van de schademarge,
zoals vastgesteld in de oorspronkelijke verordening, en de gewogen gemiddelde
uitvoerprijs is gebleken dat er sprake is van aanzienlijk prijsbederf. Derhalve
werd geconcludeerd dat de corrigerende werking van de geldende maatregelen,
zowel gezien de hoeveelheid als de prijs, wordt ondermijnd. 2.6. Bewijs van dumping ten aanzien
van de voor het soortgelijke product eerder vastgestelde normale waarde (58) De uitvoerprijzen van het
onderzochte product werden vastgesteld aan de hand van de gecontroleerde
gegevens van de medewerkende producent-exporteur. (59) Deze
uitvoerprijzen bleken iets lager te zijn dan de eerder bij het oorspronkelijke
onderzoek vastgestelde uitvoerprijzen voor het betrokken product. Twee belanghebbenden hebben bevestigd dat er tussen het betrokken
product en het onderzochte product bijna geen prijsverschillen zijn. (60) Overeenkomstig artikel 13, lid
1, van de basisverordening werd het derhalve passend geacht de eerder bij het
oorspronkelijke onderzoek vastgestelde normale waarde te vergelijken met de
uitvoerprijs van het onderzochte product. (61) Zoals
in de overwegingen 24 en 25 van de voorlopige antidumpingverordening werd
vermeld, werden de VS als geschikt referentieland met een markteconomie
beschouwd. Er zij aan herinnerd dat de producent in het referentieland slechts
marginaal op de Amerikaanse binnenlandse markt verkocht, zodat het onredelijk
werd geacht de gegevens met betrekking tot de binnenlandse verkoop in de VS te
gebruiken voor de vaststelling of berekening van de normale waarde. Bijgevolg werd de normale waarde voor de VRC vastgesteld aan de hand
van de prijzen bij uitvoer uit de VS naar andere derde landen, waaronder de
Unie. (62) Eén partij voerde aan dat de
in het kader van het oorspronkelijke onderzoek vastgestelde normale waarde
dient te worden gecorrigeerd omdat de prijs van molybdeenoxide, die een
doorslaggevende factor vormt bij de prijsstelling voor zowel het betrokken
product als het onderzochte product, tijdens de verslagperiode van het
onderhavige onderzoek scherp is gedaald. Zoals vermeld in overweging 61 werd de
normale waarde in het kader van het oorspronkelijke onderzoek vastgesteld op
basis van de uitvoerprijzen die door een in de VS gevestigde producent werden
toegepast, en niet op basis van de productkosten. Een correctie op basis van de
kosten lijkt daarom in dit geval niet gepast. Daar de prijs van de
belangrijkste grondstof aanzienlijk is gedaald, kan nog duidelijker worden
geconcludeerd dat in dit geval prijselementen moeten worden gebruikt om de
relevante normale waarde vast te stellen. (63) De correctie van de normale
waarde vond derhalve plaats op basis van de evolutie van de prijzen van het
betrokken product. Gezien het feit dat de producent in de VS zijn activiteiten
heeft gestaakt en geen gegevens uit het referentieland beschikbaar waren, werd
de correctie berekend op basis van de prijzen die door Plansee in het kader van
het oorspronkelijke onderzoek en tijdens de VP zijn gemeld. Dit resulteerde in
een neerwaartse correctie van de in het oorspronkelijke onderzoek vastgestelde
normale waarde met rond 20 %. (64) Overeenkomstig artikel 2,
leden 11 en 12, van de basisverordening werd de dumping berekend door de gecorrigeerde
gewogen gemiddelde normale waarde die was vastgesteld bij het oorspronkelijke
onderzoek, te vergelijken met de gewogen gemiddelde uitvoerprijzen van het
onderzochte product die bij dit onderzoek voor de VP zijn vastgesteld,
uitgedrukt als een percentage van de nettoprijs, franco grens Unie, vóór
inklaring. (65) Uit de vergelijking tussen de
gecorrigeerde gewogen gemiddelde normale waarde en de gewogen gemiddelde
uitvoerprijzen bleek dat er sprake was van dumping. 3. VERZOEKEN OM VRIJSTELLING (66) Eén producent-exporteur in de
VRC verzocht overeenkomstig artikel 13, lid 4, van de basisverordening om
vrijstelling van de eventuele uitgebreide maatregelen en diende een ingevulde
vragenlijst in. (67) Door het onderzoek werd echter
bevestigd dat deze producent de geldende maatregelen heeft ontweken. Daarom
werd besloten het verzoek af te wijzen. 4. MAATREGELEN (68) Gezien bovenstaande
bevindingen werd geconcludeerd dat het definitieve antidumpingrecht op
molybdeendraad van oorsprong uit de VRC werd ontweken door de invoer van
bepaald enigszins gewijzigd molybdeendraad van oorsprong uit de VRC. (69) Overeenkomstig artikel 13, lid
1, eerste zin, van de basisverordening moeten de bestaande
antidumpingmaatregelen ten aanzien van de invoer van het betrokken product van
oorsprong uit de VRC worden uitgebreid tot de invoer van het onderzochte
product. (70) Ingevolge artikel 13, lid 3,
en artikel 14, lid 5, van de basisverordening, waarin is bepaald dat eventuele
uitgebreide maatregelen ten aanzien van geregistreerde invoer vanaf de datum
van registratie moeten worden toegepast, dient het antidumpingrecht te worden
geïnd op de gehele aan de bij de openingsverordening ingestelde
registratieplicht onderworpen invoer in de Unie van molybdeendraad met 97 of
meer doch minder dan 99,95 gewichtspercenten molybdeen en een grootste afmeting
der dwarsdoorsnede van meer dan 1,35 mm doch niet meer dan 4,0 mm, momenteel
ingedeeld onder GN-code ex 8102 96 00 (Taric-code
8102 96 00 30). 5. MEDEDELING VAN FEITEN EN
OVERWEGINGEN (71) Alle belanghebbenden werden op
de hoogte gebracht van de belangrijkste feiten en overwegingen die tot voornoemde
conclusies hebben geleid, en werden in de gelegenheid gesteld opmerkingen te
maken. De mondelinge en schriftelijke opmerkingen van de partijen werden
onderzocht. Geen van de aangevoerde argumenten heeft tot een wijziging van de
bevindingen geleid, HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING
VASTGESTELD: Artikel 1 Het bij Uitvoeringsverordening (EU) nr.
511/2010 ingestelde definitieve antidumpingrecht op molybdeendraad met ten
minste 99,95 gewichtspercenten molybdeen en een grootste afmeting der
dwarsdoorsnede van meer dan 1,35 mm doch niet meer dan 4,0 mm, van oorsprong
uit de Volksrepubliek China, wordt uitgebreid tot de invoer in de Unie van
molybdeendraad met ten minste 97 gewichtspercenten molybdeen en een grootste
afmeting der dwarsdoorsnede van meer dan 1,35 mm doch niet meer dan
4,0 mm, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, momenteel ingedeeld
onder GN-code ex 8102 96 00 (Taric-code
8102 96 00 30). Artikel 2 Het recht wordt geïnd op de overeenkomstig
artikel 2 van Verordening (EU) nr. 1236/2012 en artikel 13, lid 3, en artikel
14, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1255/2009 geregistreerde invoer in de Unie
van molybdeendraad met 97 of meer doch minder dan 99,95 gewichtspercenten
molybdeen en een grootste afmeting der dwarsdoorsnede van meer dan 1,35 mm doch
niet meer dan 4,0 mm, momenteel ingedeeld onder GN-code ex 8102 96 00
(Taric-code 8102 96 00 30), van oorsprong uit de Volksrepubliek
China. Artikel 3 De douaneautoriteiten wordt de opdracht
gegeven de bij artikel 2 van Verordening (EU) nr. 1236/2012 ingestelde
registratie van de invoer te beëindigen. Artikel 4 Deze
verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het
Publicatieblad van de Europese Unie. Deze verordening is verbindend in al
haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat. Gedaan te Brussel, Voor
de Raad De
voorzitter [1] PB L 343 van 22.12.2009, blz. 51. [2] PB L 336 van 18.12.2009, blz. 16. [3] PB L 150 van 16.6.2010, blz. 17. [4] PB L 8 van 12.1.2012, blz. 22. [5] PB L 350 van 20.12.2012, blz. 51.