Voorstel voor een AANBEVELING VAN DE RAAD over doeltreffende maatregelen voor integratie van de Roma in de lidstaten /* COM/2013/0460 final - 2013/0229 (NLE) */
TOELICHTING 1. CONTEXT VAN HET VOORSTEL Achtergrond Vele Roma in
Europa hebben in hun dagelijks leven te kampen met vooroordelen,
onverdraagzaamheid, discriminatie en sociale uitsluiting. Ze worden
gemarginaliseerd en leven meestal in zeer slechte sociaaleconomische
omstandigheden. Gemiddeld gaat slechts de helft van de Roma-kinderen naar de
kinderopvang of het kleuteronderwijs. Aan het eind van de schoolplichtige
leeftijd daalt het aantal Roma‑leerlingen sterk: slechts 15% van de
jongvolwassen Roma voltooit het hoger secundair onderwijs. Minder dan één op de
drie Roma zegt een baan te hebben. Een vijfde heeft geen ziekteverzekering en
90% leeft onder de armoedegrens[1].
Dit alles ondermijnt de sociale cohesie en de duurzame menselijke ontwikkeling,
drukt het concurrentievermogen en brengt kosten met zich voor de maatschappij
als geheel. De discriminatie van de Roma is ook onverenigbaar met de waarden
waarop de EU is gegrondvest. De kern van het probleem ligt in het nauwe verband
tussen de discriminatie en de sociale uitsluiting van de Roma. Beleidscontext De Commissie keurde op 5 april 2011 een
mededeling betreffende een EU‑kader voor de nationale strategieën voor
integratie van de Roma tot 2020[2]
goed. In juni 2011 volgde goedkeuring door de Europese Raad. In de mededeling
werd uiting gegeven aan de politieke wil van de EU om werk te maken van de
integratie van de Roma. De Europese Commissie wil er met dit kader
voor zorgen dat de lidstaten de integratie van de Roma op een doeltreffende
manier aanpakken en zich achter doelstellingen scharen op de vier
hoofdterreinen onderwijs, werkgelegenheid, gezondheidszorg en huisvesting. In de mededeling is ook vastgesteld dat de
Commissie jaarlijks verslag moet uitbrengen over de vorderingen die de
lidstaten hebben gemaakt. In 2012 heeft zij de nationale strategieën van de
lidstaten voor het eerst beoordeeld. Zij heeft horizontale conclusies
aangenomen (COM(2012) 226 final) en specifieke aanwijzingen vastgesteld
met betrekking tot de sterke en zwakke punten van de strategieën van de
lidstaten (SWD(2012) 133 final). Het verslag van de Commissie van 2013 spitst
zich toe op de vooruitgang die de lidstaten hebben geboekt in verband met een
aantal voorwaarden waaraan moet worden voldaan, willen de nationale strategieën
kans van slagen hebben. Zo moeten de regionale en lokale autoriteiten worden
ingeschakeld en moet er nauw worden samengewerkt met het maatschappelijk
middenveld. Voorts moet de uitvoering van de strategieën worden gecontroleerd
en geëvalueerd. Hiervoor moet de nationale contactpunten voor de Roma een
grotere rol worden toebedeeld, moet de nodige financiering worden toegekend en
moet de strijd tegen discriminatie worden opgevoerd. Dit laatste thema moet ook
worden opgenomen in het beleid op andere terreinen. Bij haar beoordeling heeft
de Commissie rekening gehouden met de input van het maatschappelijk middenveld
en van andere belanghebbenden. Het voorstel voor
een aanbeveling van de Raad bouwt voort op de conclusies van voornoemd verslag
en op het voortgangsverslag van de Commissie van 2012[3]. Om ervoor te zorgen dat er
sneller vooruitgang wordt geboekt, vestigt het de aandacht van de lidstaten op
een aantal concrete maatregelen die van vitaal belang zijn voor een
doeltreffender uitvoering van hun strategieën. Doel van het voorstel Het voorstel voor
een aanbeveling van de Raad is gebaseerd op de mededelingen van de Commissie
van 2011 en 2012[4]
en op de conclusies van de Raad inzake de Roma‑integratie[5] van 2011. Het moet de lidstaten
helpen hun maatregelen voor de integratie van de Roma doeltreffender te maken.
Daarnaast moet het ervoor zorgen dat de lidstaten de uitvoering van hun
nationale strategieën voor de integratie van de Roma en de beleidsmaatregelen
ter bevordering van hun situatie kracht bijzetten. Daarbij moet rekening worden
gehouden met de specifieke problemen waarmee de lidstaten kampen in verband met
de omvang en de situatie van de nationale Roma‑bevolking. Het EU‑kader
wordt op deze manier versterkt met een niet‑bindend rechtsinstrument dat
de lidstaten in staat stelt hun toezeggingen waar te maken. De aanbeveling
bestrijkt met name: ·
op beste praktijken gebaseerde gerichte
maatregelen om de integratie van de Roma te bevorderen,
met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel en zonder overlapping met EU‑wetgeving.
De maatregelen moeten betrekking hebben op onderwijs, werkgelegenheid,
gezondheidszorg en huisvesting; ·
horizontale voorwaarden voor het welslagen van
het Roma-integratiebeleid en de duurzaamheid van het beleid. Het gaat hierbij onder meer om de bestrijding van discriminatie en
stereotypen, de bescherming van kinderen en vrouwen, sociale investeringen en
het verzamelen van informatie over de situatie van de Roma om het effect van
het beleid te controleren, de omzetting van nationale verbintenissen in lokale
maatregelen, de ondersteuning van organen die ijveren voor een gelijke
behandeling van de Roma, een toename van de middelen en capaciteit van de
nationale contactpunten voor de Roma en de ontwikkeling van transnationale
samenwerking; ·
algemene beginselen voor een transparante en
passende toewijzing van middelen voor de integratie van de Roma (zowel EU‑middelen als nationale en lokale middelen). De
algemene aanbevelingen in verband met EU‑financiering steunen op de
ervaringen van de lopende programmeringsperiode en op de voorgestelde
verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds
voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het
Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor
maritieme zaken en visserij. Het zijn in de
eerste plaats de nationale overheden die verantwoordelijk zijn voor de
integratie van de Roma. Dit blijft een moeilijke opdracht, aangezien de sociale
en economische integratie een tweerichtingsproces is dat een
mentaliteitsverandering vraagt van het merendeel van de bevolking en van de
Roma‑gemeenschappen. Samenhang met
andere beleidsgebieden en doelstellingen van de Unie Gelijkheid is op grond van
artikel 2 VEU een van de fundamentele waarden en hoofddoelstellingen van de
Unie. In artikel 3 VEU is
bovendien de strijd van de EU tegen sociale uitsluiting en discriminatie
verankerd. Op grond van artikel 8
VWEU moet de EU er bij elk optreden naar streven de ongelijkheden tussen mannen
en vrouwen op te heffen en de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen.
Artikel 10 VWEU voegt daaraan toe dat de Unie bij de bepaling en de
uitvoering van haar beleid en optreden moet streven naar bestrijding van iedere
discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of
overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid. Artikel 21 van het Handvest
van de grondrechten van de Europese Unie verbiedt tot slot discriminatie op
grond van onder meer ras en etnische afkomst. Het voorstel stemt overeen met de bestaande
secundaire wetgeving ter bestrijding van discriminatie, voor zover het een
aanvulling vormt op het vastgestelde wettelijke kader. Richtlijn 2000/43/EG van
de Raad over de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen
ongeacht ras of etnische afstamming brengt een bindend kader tot stand door
discriminatie op grond van ras of etnische afstamming op gebieden als
werkgelegenheid en opleiding, onderwijs, sociale bescherming (waaronder sociale
zekerheid en gezondheidszorg), sociale voordelen en toegang tot goederen en
diensten (waaronder huisvesting) in de hele EU te verbieden. De richtlijn
verbiedt directe en indirecte discriminatie, intimidatie en opdracht tot
discrimineren. Alle EU‑lidstaten hebben deze richtlijn omgezet in
nationale wetgeving. De Europese Commissie controleert of de richtlijn correct
ten uitvoer wordt gelegd en zal hierover in 2013 een verslag publiceren. 2. RESULTATEN VAN DE RAADPLEGING VAN DE
BETROKKEN PARTIJEN Het voorstel
steunt op het werk dat is verricht tijdens twee vergaderingen van een groep
lidstaten die in 2012 werd opgericht in het kader van het netwerk van nationale
contactpunten voor de Roma[6].
De vergaderingen hebben plaatsgevonden op 7-8 november en 6-7 december 2012. De
lidstaten hebben op vrijwillige basis deelgenomen en vruchtbare discussies
gevoerd over een aantal kwesties die als essentieel worden beschouwd voor een
betere integratie van de Roma. Overeenkomstig
het EU‑kader werd de lidstaten verzocht om tegen eind 2011 nationale
strategieën voor de integratie van de Roma mee te delen. Alle lidstaten zijn
hun verbintenissen nagekomen en de strategieën zijn gepubliceerd op de website
van de Commissie, zodat alle burgers ze kunnen raadplegen. De Commissie heeft
een groot aantal bijdragen van diverse belanghebbenden ontvangen, onder meer
tijdens de dialoog tussen commissarissen en vertegenwoordigers van het
maatschappelijk middenveld die op 15 mei 2013 heeft plaatsgevonden. De
bijdragen hadden betrekking op de strategieën zelf en recenter ook op de
uitvoering ervan[7]. Voorts hebben
regelmatig vergaderingen plaatsgevonden met de vertegenwoordigers van Europese
overkoepelende Roma‑organisaties[8]
over de problemen en de belangrijkste zaken die op alle niveaus moeten worden
geregeld om de integratie van de Roma actief te bevorderen. Gezien het aantal
bijdragen dat zij in dit kader heeft ontvangen, besloot de Commissie dat er
geen verdere openbare raadpleging over de aanbeveling nodig was. 3. JURIDISCHE ASPECTEN VAN HET VOORSTEL Rechtsgrondslag De inhoud van een
voorstel voor een aanbeveling van de Raad moet verband houden met een
beleidsterrein dat verankerd is in de Verdragen. Dat verband is ook nodig om te
kunnen bepalen welke goedkeuringsvoorschriften gelden (eenparigheid of
gekwalificeerde meerderheid van stemmen). Volgens de vaste
rechtspraak van het Hof van Justitie moet de keuze van de rechtsgrondslag
berusten op objectieve gegevens die voor rechterlijke toetsing vatbaar zijn.
Tot die gegevens behoren met name het doel en de inhoud van de handeling[9]. Artikel 292 VWEU
bepaalt het mandaat van de Raad om aanbevelingen vast te stellen en luidt als
volgt: “De Raad stelt
aanbevelingen vast. De Raad besluit op voorstel van de Commissie in alle
gevallen waarin in de Verdragen is bepaald dat hij handelingen op voorstel van
de Commissie vaststelt. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen op de
gebieden waarop handelingen van de Unie met eenparigheid van stemmen moeten
worden vastgesteld. De Commissie, alsmede de Europese Centrale Bank in de in de
Verdragen bepaalde specifieke gevallen, stellen aanbevelingen vast.” Het recht van de
EU om op te treden tegen discriminatie, met name op grond van ras of etnische
afstamming, vloeit voort uit artikel 19, lid 1, VWEU. Deze bepaling vormt de
wettelijke basis voor alle bindende en niet-bindende maatregelen ter
bestrijding van discriminerende handelingen en praktijken en luidt als volgt: ‘1. Onverminderd
de andere bepalingen van de Verdragen, kan de Raad, binnen de grenzen van de
door de Verdragen aan de Unie verleende bevoegdheden, met eenparigheid van
stemmen, volgens een bijzondere wetgevingsprocedure, op voorstel van de
Commissie en na goedkeuring door het Europees Parlement, passende maatregelen
nemen om discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afstamming,
godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid te
bestrijden.” Artikel 292 VWEU moet bijgevolg samen met de
passende rechtsgrondslag voor de inhoud van het voorstel worden gelezen,
namelijk artikel 19, lid 1, VWEU. Subsidiariteit en evenredigheid Overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel
treedt de Unie slechts op indien en voor zover de doelstellingen van het
overwogen optreden niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt
(noodzakelijkheidstoets), maar vanwege de omvang of de gevolgen van het
overwogen optreden beter door de Unie kunnen worden bereikt (toets van
toegevoegde waarde van de EU). De maatregelen die bepaalde lidstaten hebben
genomen, lopen sterk uiteen wat betreft reikwijdte en doeltreffendheid. Bovendien
heeft een groot deel van de lidstaten nog geen specifieke actie ondernomen voor
de integratie van de Roma. Volgens de conclusies van het voortgangsverslag 2013
over de uitvoering van de nationale strategieën voor integratie van de Roma[10] heeft de Commissie opgemerkt
dat hoewel de lidstaten de wettelijke mogelijkheid hebben gehad om de Roma‑integratie
aan te pakken, de tot nog toe geplande maatregelen onvoldoende zijn. Doordat de
integratie van de Roma onvoldoende wordt gecoördineerd, worden de verschillen
tussen de lidstaten steeds groter. Nationale regelingen die versnipperd zijn en
onderling afwijken, zullen nog meer praktische problemen veroorzaken tussen de
lidstaten en de situatie zo nog verslechteren. Het is dan ook gebleken dat een
ongecoördineerde aanpak van de integratie van de Roma in de EU, waar het vrij
verkeer van burgers is gewaarborgd, inefficiënt is. Een gebrek aan coördinatie
kan leiden tot een grote toename van het aantal Roma dat migreert naar
lidstaten waar de levensomstandigheden gunstiger zijn en waar betere
maatregelen worden getroffen om mensen uit achtergestelde groepen te integreren
in de maatschappij. In dat opzicht moet het voorstel de bestaande
EU‑maatregelen op de betrokken gebieden aanvullen (met name Richtlijn
2004/38/EG betreffende het vrij verkeer van burgers en Richtlijn 2000/43/EG
betreffende rassendiscriminatie) en zorgen voor een betere coördinatie van de
door de lidstaten te nemen maatregelen. Op deze manier kunnen meer efficiënte
resultaten worden geboekt. De doelstellingen van het beoogde optreden
kunnen dus niet voldoende door de lidstaten afzonderlijk worden verwezenlijkt.
Ze kunnen beter worden gerealiseerd door gecoördineerde maatregelen op
EU-niveau dan door nationale initiatieven, waarvan de werkingssfeer, het beoogde
effect en de doeltreffendheid uiteenlopen. Krachtens het evenredigheidsbeginsel
mogen de inhoud en de vorm van het optreden van de Unie niet verder gaan dan
wat nodig is om de doelstellingen van de Verdragen te verwezenlijken. Uit
ervaring blijkt dat in de lidstaten en op EU-niveau de afgelopen jaren
weliswaar enige vooruitgang is geboekt, maar er weinig veranderd is in het
dagelijks leven van de meeste Roma. Volgens de bevindingen van de Commissie
zijn er nog steeds geen krachtige en proportionele maatregelen genomen om de
sociale en economische problemen van een groot deel van de Roma‑bevolking
in de EU aan te pakken. Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel
beperkt het niet-bindende voorstel zich tot de vaststelling van
gemeenschappelijke doelstellingen en aanbevelingen voor specifieke maatregelen.
Daartoe behoren ook positieve acties waar artikel 5 van Richtlijn 2000/43/EG
uitdrukkelijk in voorziet om de nadelen die verband houden met ras of etnische
afstamming te voorkomen of te compenseren, volgens de in de rechtspraak van het
Europees Hof van Justitie op het gebied van discriminatie op grond van geslacht
ontwikkelde voorwaarden[11].
Dit geeft de lidstaten voldoende speelruimte om zelf te bepalen hoe zij de
gemeenschappelijke doelstellingen op nationaal niveau het beste kunnen
verwezenlijken, rekening houdend met de nationale, regionale en lokale
omstandigheden. Het voorstel doet geen afbreuk aan de
bevoegdheid van de lidstaten op het gebied van sociale integratie van
achtergestelde groepen als de Roma, aangezien het geen verplichtingen oplegt.
Het stelt slechts verschillende mogelijkheden voor en laat de lidstaten zelf
bepalen hoe de doelstellingen het best kunnen worden verwezenlijkt. Keuze van instrument De keuze voor een niet-bindend instrument is
erop gericht de lidstaten praktische aanwijzingen te geven met betrekking tot
de integratie van de Roma, zonder dwingende regels op te leggen. De keuze voor een aanbeveling van de Raad moet
de politieke verbintenissen die de lidstaten zijn aangegaan versterken en
ervoor zorgen dat de minimumnormen voor de uitvoering van doeltreffende
nationale strategieën voor de integratie van de Roma in de hele EU op elkaar
zijn afgestemd. De aanbeveling zal ook de transnationale samenwerking ten goede
komen en geeft de lidstaten tegelijkertijd voldoende speelruimte om zelf de
vormen en methodes te kiezen. 4. GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING Het
voorstel heeft geen gevolgen voor de begroting van de EU. 2013/0229 (NLE) Voorstel voor een AANBEVELING VAN DE RAAD over doeltreffende maatregelen voor
integratie van de Roma in de lidstaten DE RAAD VAN DE EUROPESE
UNIE, Gezien het Verdrag betreffende de werking
van de Europese Unie, en met name artikel 19, lid 1, en artikel 292, Gezien het voorstel van de Europese
Commissie, Overwegende hetgeen volgt: (1) In artikel 2 en artikel 3 VEU
liggen het recht op gelijkheid en de bestrijding van sociale uitsluiting en
discriminatie verankerd als essentiële waarden en doelstellingen van de
Europese Unie. (2) Artikel 10 VWEU bepaalt
dat de Unie “bij de bepaling en de uitvoering van haar beleid en optreden
streeft […] naar bestrijding van iedere discriminatie op grond van […] ras of
etnische afkomst […]”. (3) Overeenkomstig
artikel 19, lid 1 VWEU kunnen maatregelen worden genomen om discriminatie
op grond van geslacht, ras of etnische afstamming, godsdienst of overtuiging,
handicap, leeftijd of seksuele geaardheid te bestrijden. (4) Artikel 21, lid 1 van het
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie verplicht de instellingen,
organen en instanties van de EU en de lidstaten om bij de tenuitvoerlegging van
de EU‑wetgeving het verbod van elke discriminatie, zoals die op grond van
ras, kleur, etnische of sociale afkomst en het behoren tot een nationale
minderheid, te eerbiedigen; de lidstaten moeten voorts de toepassing van dit
verbod overeenkomstig hun bevoegdheden bevorderen. (5) Richtlijn 2000/43/EG[12] van de Raad voorziet in een
bindend kader dat discriminatie op grond van ras of etnische afstamming op het gebied
van werk en opleiding, onderwijs, sociale bescherming (waaronder sociale
zekerheid en gezondheidszorg), sociale voordelen en toegang tot goederen en
diensten (waaronder huisvesting) in de hele EU verbiedt. (6) De term “Roma” wordt – net
als in andere beleidsdocumenten van het Europees Parlement en de Europese Raad
– gebruikt als een overkoepelende term voor al dan niet sedentair levende
groepen mensen met min of meer vergelijkbare culturele kenmerken, zoals de
Sinti, travellers, Kalé en gens du voyage[13].
(7) Een groot deel van de Roma in
de EU bevindt zich in een slechtere sociaaleconomische situatie dan de
bevolking in het algemeen en zij worden minder dan andere achtergestelde groepen
ondersteund bij hun sociale integratie. Voor hun integratie moeten bijgevolg aanvullende
maatregelen worden genomen, die van meer ambitie getuigen en op hun situatie en
behoeften zijn afgestemd. Aangezien de Roma vaak te maken krijgen met
discriminatie, sociale uitsluiting en grote armoede, worden zij beschouwd als
kwetsbare personen en lopen zij een groter risico slachtoffer te worden van
mensenhandel. (8) De Roma die onderdaan zijn
van een derde land en legaal in de lidstaten verblijven zijn extra kwetsbaar,
aangezien zij in dezelfde barre omstandigheden leven als vele Roma die
EU-burgers zijn en tegelijk kampen met de problemen waar migranten van buiten
de EU voor staan. (9) In de context van het vrij
verkeer en de mobiliteit binnen de EU moet de volledige uitoefening van het
recht op vrij verkeer gepaard gaan met een verbetering van de
levensomstandigheden van de Roma en met hun economische en sociale integratie
in de lidstaten van oorsprong en van verblijf. (10) In de resoluties van het
Europees Parlement over de situatie van de Roma in de EU (9 september
2010) en over de EU-strategie voor de integratie van de Roma (9 maart 2011)
werd de Commissie en de lidstaten verzocht de bestaande strategieën en
instrumenten van de EU te gebruiken om de sociaaleconomische integratie van de
Roma te realiseren. (11) In de mededeling van de
Commissie “Een EU-kader voor de nationale strategieën voor integratie van de
Roma tot 2020”[14]
van 2011 werd de lidstaten verzocht om tot een alomvattende aanpak van de
integratie van de Roma te komen of deze verder uit te werken , en zich achter een
aantal gemeenschappelijke doelstellingen te scharen op het gebied van
onderwijs, werkgelegenheid, gezondheidszorg en huisvesting, om de integratie
van de Roma te bespoedigen. (12) Op 19 mei 2011 nam de Raad
conclusies[15]
aan over het EU-kader voor de nationale strategieën voor integratie van de Roma
tot 2020, waarin uiting wordt gegeven aan de wil van de lidstaten om de sociale
en economische integratie van de Roma te verbeteren. (13) In de conclusies van de
Europese Raad van 23 en 24 juni 2011 werd opgeroepen tot een snelle
tenuitvoerlegging van de conclusies van de Raad van 19 mei 2011 over het
EU-kader voor de nationale strategieën voor integratie van de Roma tot 2020,
met name wat betreft de voorbereiding, actualisering en ontwikkeling van de
nationale strategieën van de lidstaten voor de integratie van de Roma en van de
geïntegreerde pakketten beleidsmaatregelen ter bevordering van hun situatie. (14) In de mededeling van de
Commissie “Nationale strategieën voor integratie van de Roma: eerste stap van
de uitvoering van het EU‑kader”[16]
van 2012 en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie[17] werd verslag uitgebracht over
de eerste beoordeling van de nationale strategieën voor integratie van de Roma
en werd de lidstaten verzocht om een aantal aanpassingen te overwegen ter
bevordering van hun strategie. (15) De Commissie heeft haar
dialoog met de lidstaten over de integratie van de Roma geïntensiveerd, met
name door in oktober 2012 het netwerk van nationale contactpunten voor de Roma
in te stellen met het oog op overleg over oplossingen voor de vastgestelde
problemen. In november en december 2012 heeft een groep van nationale
contactpunten verder besproken op welke manier de doeltreffendheid van de
maatregelen voor integratie van de Roma in de lidstaten kan worden verhoogd,
waarna verslag is uitgebracht aan het hele netwerk. (16) In haar mededeling "Verdere
stappen bij de uitvoering van de nationale strategieën voor integratie van de
Roma” van 2013 wijst de Commissie erop dat verdere actie moet worden ondernomen
om de verschillende randvoorwaarden tot stand te brengen die nodig zijn voor
een geslaagde uitvoering van maatregelen die de integratie van de Roma zo
spoedig mogelijk moeten bevorderen. (17) De in het kader van de Europa
2020-strategie vastgestelde gemeenschappelijke Europese doelstellingen om het
aantal personen dat wordt bedreigd door armoede en sociale uitsluiting te
verkleinen, het percentage voortijdige schoolverlaters te verminderen en het
opleidings‑ en werkgelegenheidsniveau te verhogen, hebben de strijd tegen
armoede en sociale uitsluiting een nieuwe impuls gegeven. De integratie van de
Roma is in deze context een essentieel onderdeel van de coherente inspanningen
die de EU en de lidstaten leveren. De huidige governance in het kader van het
Europees semester bevordert de uitvoering van de relevante landenspecifieke
aanbevelingen en het pakket sociale-investeringsmaatregelen[18] zorgt voor verdere sturing van
de inspanningen gericht op inclusieve groei. (18) In het licht van de
bovenstaande overwegingen en de vastgestelde tekortkomingen, moet, met
volledige inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel en zonder afbreuk te
doen aan de primaire verantwoordelijkheid van de lidstaten op dit gebied, de
doeltreffendheid van de maatregelen voor integratie van de Roma worden verbeterd. (19) Deze aanbeveling beoogt voort
te bouwen op de aanbevelingen die in de mededelingen van de Commissie, de
resoluties van het Europees Parlement en de conclusies van de Raad met
betrekking tot integratie van de Roma zijn gedaan, en moet de huidige EU‑wetgeving
ter bestrijding van discriminatie aanvullen alsook de tenuitvoerlegging en
handhaving ervan doeltreffender maken. (20) Deze aanbeveling heeft geen
betrekking op verschillen in behandeling op grond van nationaliteit en doet
geen afbreuk aan bepalingen en voorwaarden die verband houden met de wettelijke
status van de Roma op grond van het nationaal of EU‑recht of met de
juridische gevolgen van die status. (21) In 2011 heeft de Commissie in de
ontwerpverordening inzake gemeenschappelijke bepalingen[19] voorgesteld dat de lidstaten
een geïntegreerde aanpak zouden vaststellen om te voorzien in de specifieke
behoeften van de geografische gebieden die het hardst door armoede worden
getroffen of van doelgroepen waarvoor het risico van discriminatie of uitsluiting
het grootst is, met bijzondere aandacht voor gemarginaliseerde gemeenschappen.
Ter aanvulling van de andere Europese structuur- en investeringsfondsen heeft
zij in de ontwerpverordening betreffende het Europees Sociaal Fonds[20] voor de programmeringsperiode
2014-2020 voorgesteld de integratie van gemarginaliseerde gemeenschappen als de
Roma als een investeringsprioriteit aan te merken. BEVEELT AAN: 1. DOEL 1.1. Het voorstel heeft als doel de
lidstaten te helpen de doeltreffendheid van hun maatregelen voor de integratie
van de Roma te verhogen en ervoor te zorgen dat de nationale strategieën voor
hun integratie en de pakketten beleidsmaatregelen ter bevordering van hun
situatie beter worden uitgevoerd. 2. ESSENTIËLE
BELEIDSVRAAGSTUKKEN Gerichte beleidsmaatregelen 2.1. De lidstaten moeten gerichte
maatregelen nemen om gelijke behandeling en eerbiediging van de grondrechten te
waarborgen en zo volledige en daadwerkelijke gelijkheid te realiseren, waarbij
de Roma gelijke toegang hebben tot onderwijs, werk, gezondheidszorg,
huisvesting en openbare voorzieningen. Overeenkomstig de rechtspraak van het
Hof van Justitie van de Europese Unie moeten hierbij specifieke maatregelen
worden genomen om de nadelen die verband houden met ras of etnische afstamming
te voorkomen of te compenseren. 2.2. De maatregelen moeten
gebaseerd zijn op sociaaleconomische of geografische indicatoren, zoals hoge
langdurige werkloosheid, laag opleidingsniveau of achtergestelde en/of
gesegregeerde gebieden. Toegang tot onderwijs 2.3. De lidstaten moeten specifieke
maatregelen nemen om gelijke behandeling te waarborgen en ervoor zorgen dat de
Roma toegang hebben tot hoogwaardig algemeen onderwijs, teneinde de kloof
tussen de Roma en andere leerlingen te dichten en ervoor te zorgen dat alle Roma-leerlingen
ten minste het verplichte onderwijs voltooien, en in het bijzonder het
basisonderwijs. Hiertoe is het nodig: (a)
een einde te maken aan gescheiden onderwijs, onder
meer door Roma‑leerlingen niet langer zonder bijzondere reden op speciale
scholen te plaatsen; (b)
voortijdig schoolverlaten te verminderen[21], ook in het secundair
onderwijs, met bijzondere aandacht voor het beroepsonderwijs; (c)
de toegang tot en de kwaliteit van de voorschoolse
educatie en opvang te verbeteren, met inbegrip van gerichte ondersteuning,
indien nodig; (d)
inclusieve en op het individu toegesneden onderwijs-
en leermethoden toe te passen, met ondersteuning voor leerlingen die
leermoeilijkheden hebben en maatregelen om analfabetisme tegen te gaan; (e)
de ouders aan te moedigen meer betrokkenheid te
tonen en de gezinnen te ondersteunen door specifiek voor de Roma onderwijsconsulenten
aan te stellen; (f)
de docenten beter op te leiden en de onderwijsbemiddeling
voor de Roma te verbeteren; (g)
de toegang tot het tweedekansonderwijs te
verbeteren, ondersteuning te bieden bij de overgang tussen onderwijsniveaus en
ervoor te zorgen dat de Roma de juiste vaardigheden ontwikkelen om
gemakkelijker te kunnen toetreden tot de arbeidsmarkt. 2.4. De lidstaten moeten specifieke
maatregelen nemen om de Roma aan te zetten tot het volgen van secundair en
hoger onderwijs. Toegang tot werk 2.5. De lidstaten kunnen gerichte
maatregelen nemen en moeten daarnaast gelijke behandeling waarborgen en de
kloof tussen de Roma en andere werknemers dichten, teneinde de situatie van de
Roma op het gebied van werk te verbeteren in het kader van hun algemene beleid.
Hiertoe is het nodig: (a)
de eerste werkervaring, opleiding op de werkplek, een
leven lang leren en ontwikkeling van vaardigheden te ondersteunen; (b)
zelfstandige arbeid en ondernemerschap te
ondersteunen; (c)
de Roma gelijke toegang te geven tot algemene openbare
diensten voor arbeidsvoorziening, de werkzoekende Roma specifieke en
individuele diensten aan te bieden en de aanwerving van gekwalificeerde Roma
als ambtenaar aan te moedigen; (d)
gekwalificeerde Roma op te leiden en in dienst te
nemen als consulenten die hulp bieden en advies geven op het gebied van
loopbaanontwikkeling; (e)
belemmeringen bij het (opnieuw) betreden van de
open arbeidsmarkt, zoals discriminatie, uit de weg te ruimen. Toegang tot gezondheidszorg 2.6. De lidstaten moeten specifieke
maatregelen nemen om gelijke behandeling te waarborgen en zij moeten de kloof
tussen de Roma en andere patiënten dichten teneinde ervoor te zorgen dat zij
gelijke toegang hebben tot preventieve, primaire, spoedeisende en
gespecialiseerde gezondheidszorg. Hiertoe is het nodig: (a)
de Roma toegang te verlenen tot de basisdiensten
van sociale zekerheid en tot alomvattende gezondheidsdiensten; (b)
regelmatige medische controles, pre- en postnatale
zorg en voorlichting over gezinsplanning aan te bieden; (c)
gratis vaccinatieregelingen toe te passen, met name
voor personen die in gemarginaliseerde en afgelegen gebieden wonen; (d)
gekwalificeerde Roma op te leiden tot zorgconsulent. Toegang tot huisvesting 2.7. De lidstaten moeten specifieke
maatregelen nemen om gelijke behandeling te waarborgen en zij moeten de kloof
tussen de Roma en de bevolking in het algemeen dichten, teneinde hun beleid en
maatregelen op het vlak van huisvesting uit te breiden naar de Roma. Hiertoe is
het nodig: (a)
ruimtelijke segregatie weg te nemen en desegregatie
aan te moedigen; (b)
ervoor te zorgen dat de Roma niet worden
gediscrimineerd op het gebied van toegang tot sociale woningen, ook wat betreft
de kwaliteit van de woningen waarvoor de Roma in aanmerking komen en de
beschikbaarheid van verblijfslocaties voor travellers/niet‑sedentaire
Roma; (c)
gekwalificeerde Roma op te leiden tot consulenten die
de Roma aanmoedigen om gebruik te maken van sociale woningen en openbare
voorzieningen en infrastructuur. 2.8. De lidstaten moeten erop
toezien dat lokale autoriteiten in hun stadsvernieuwingsprojecten indien nodig
ook geïntegreerde huisvesting voor gemarginaliseerde gemeenschappen opnemen.
Voorts moeten de lidstaten de in het kader van de Europese structuur- en
investeringsfondsen[22]
ondersteunde lokale ontwikkelingsinitiatieven en geïntegreerde territoriale
investeringen bevorderen. Financiering 2.9. De lidstaten moeten voor hun
nationale en lokale strategieën en actieplannen voldoende middelen toewijzen uit
alle beschikbare financieringsbronnen (lokaal, nationaal, Europees en
internationaal), teneinde de doelstellingen op het gebied van de integratie van
de Roma te verwezenlijken. Hiertoe moeten via het Europees Sociaal Fonds
voldoende EU-cohesiemiddelen worden toegewezen voor investeringen in menselijk
kapitaal; per lidstaat moet ten minste 20% van het betrokken bedrag worden
uitgetrokken voor sociale integratie. 2.10. De lidstaten moeten ervoor
zorgen dat passende maatregelen worden genomen om de integratie van de Roma als
prioriteit op te nemen in de partnerschapsovereenkomsten over het gebruik van
de Europese structuur- en investeringsfondsen[23]
in de periode 2014-2020, rekening houdend met de omvang van de Roma‑gemeenschappen,
hun armoedecijfer en de kloof tussen de Roma en niet‑Roma, alsook met de problemen
die in het kader van het Europees semester voor de meest betrokken lidstaten
zijn vastgesteld. 2.11. De lidstaten moeten hun beheer,
controles en evaluaties verbeteren met technische bijstand van de Europese
structuur- en investeringsfondsen. 2.12. De lidstaten moeten voorts gebruikmaken
van nationale en EU‑fondsen om de lokale autoriteiten en maatschappelijke
organisaties te ondersteunen bij de opbouw van hun capaciteit, zodat deze hun
projecten daadwerkelijk kunnen uitvoeren. 2.13. De publieke middelen voor de
uitvoering van nationale strategieën of geïntegreerde pakketten
beleidsmaatregelen voor de integratie van de Roma moeten gericht worden
toegewezen voor de specifieke behoeften van geografische gebieden of voor de
doelgroepen die het meest getroffen worden door armoede of sociale uitsluiting,
zoals de Roma. 3. HORIZONTALE
BELEIDSMAATREGELEN Bestrijding van discriminatie 3.1. De lidstaten moeten ervoor
zorgen dat Richtlijn 2000/43/EG daadwerkelijk wordt gehandhaafd, in het
bijzonder door de nationale, regionale en lokale administratieve voorschriften
en praktijken te controleren en discriminerende of segregerende maatregelen te
identificeren en in te trekken. Om vast te stellen of bepalingen of praktijken illegaal
zijn, kunnen deze ook worden getoetst aan de relevante rechtspraak van het
Europees Hof voor de Rechten van de Mens. 3.2. De lidstaten moeten op
regionaal en lokaal niveau maatregelen toepassen om de segregatie van de Roma
tegen te gaan. Het beleid en de maatregelen ter bestrijding van segregatie
moeten vergezeld gaan van passende opleidings- en voorlichtingsprogramma’s voor
ambtenaren van de lokale overheid, vertegenwoordigers van het maatschappelijk
middenveld en de Roma zelf. 3.3. Eveneens moeten de lidstaten
ervoor zorgen dat in gevallen van gedwongen ontruiming naast het acquis van de
EU ook de internationale verplichtingen inzake de mensenrechten, met name die uit
hoofde van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, ten volle worden
gerespecteerd. 3.4. De lidstaten moeten
maatregelen nemen om discriminatie van de Roma tegen te gaan, met name door: (a)
de Roma-gemeenschappen en het grote publiek ervan
bewust te maken dat de integratie van de Roma voordelen met zich brengt; (b)
het grote publiek bewust te maken van de
multiculturele aard van de samenleving en dit punt indien relevant op te nemen
in leerprogramma’s en ‑materiaal. Bescherming van Roma-kinderen en -vrouwen 3.5. De lidstaten moeten de
(meervoudige) discriminatie van Roma-kinderen en vrouwen bestrijden, door
wetgeving tegen kinderhuwelijken en gedwongen huwelijken te handhaven en door
het bedelen met kinderen te verbieden. De lidstaten moeten hierbij ook alle
relevante actoren betrekken, waaronder gezondheids- en arbeidsinspecteurs,
politie, onderwijsdeskundigen, leden van de rechterlijke macht en
vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld. Armoedebestrijding en sociale integratie 3.6. De lidstaten moeten de armoede
en sociale uitsluiting van de Roma bestrijden met investeringen in menselijk
kapitaal en een beleid ter bevordering van de sociale cohesie, in het bijzonder
door: a) de tenuitvoerlegging van het beleid voor
de integratie van de Roma mogelijk te maken via gerichte en voorwaardelijke
steunregelingen, met toelagen en diensten die het (opnieuw) betreden van de
arbeidsmarkt vereenvoudigen, en door de arbeidsmarkt meer open te stellen voor
de Roma en hen passende inkomenssteun te bieden; b) de Roma meer duurzame en passende sociale
voordelen en diensten te bieden door maatregelen beter te richten, procedures
te vereenvoudigen, fraude te bestrijden en fouten tegen te gaan,
socialebijstandsregelingen ruimer toe te passen en de overstap van zwartwerk
naar legaal werk te stimuleren. 3.7. Afhankelijk van de omvang van
hun Roma‑bevolking moeten de lidstaten de integratie van de Roma als
essentieel punt opnemen in hun nationale hervormingsprogramma’s in het kader
van de Europa 2020-strategie. Bevordering van zelfredzaamheid 3.8. De lidstaten moeten de
zelfredzaamheid van de Roma bevorderen en hen ondersteunen in alle fasen van
hun leven en zij moeten investeren in gerichte jeugdgarantieregelingen, een
leven lang leren en programma’s voor actief ouder worden. 3.9. De lidstaten moeten
voorlichtingsactiviteiten organiseren om de Roma meer bewust te maken van hun
rechten (met name in verband met discriminatie en de mogelijkheden die zij
hebben om verhaal te zoeken) en plichten. 4. STRUCTURELE MAATREGELEN Lokale maatregelen 4.1. De lidstaten moeten, met
inachtneming van de autonomie van de lokale en regionale autoriteiten, lokale
actieplannen of strategieën aanmoedigen die uitgangswaarden, benchmarks en
meetbare doelstellingen voor de integratie van de Roma omvatten, alsook in passende
financiering voorzien. 4.2. De lidstaten moeten de
regio’s, de lokale autoriteiten en het lokale maatschappelijke middenveld
betrekken bij de beoordeling, het beheer, de tenuitvoerlegging en de controle
van hun nationale strategieën. De lidstaten moeten de belanghebbenden betrekken
bij de partnerschapsovereenkomsten en de door de Europese structuur- en
investeringsfondsen medegefinancierde operationele programma’s. De centrale en
lokale autoriteiten moeten bij de tenuitvoerlegging van de strategieën voortdurend
samenwerken. De lidstaten moeten voldoende financiering toekennen aan lokale
autoriteiten om de lokale tenuitvoerlegging van gerichte pakketten
beleidsmaatregelen te vergemakkelijken. Controle en evaluatie van het beleid 4.3. De lidstaten moeten de
doeltreffendheid van hun nationale strategieën of geïntegreerde pakketten
beleidsmaatregelen alsook de resultaten van lokale actieplannen, programma’s of
strategieën controleren. Daartoe dienen zij ervoor te zorgen dat de verzameling
van kwalitatieve en kwantitatieve gegevens over de integratie van de Roma en
over de vooruitgang die wordt geboekt met de bovenvermelde strategieën en
maatregelen, verbetert. De tenuitvoerlegging van de strategieën moet worden
geëvalueerd en vergeleken met de uitgangswaarden, om de relevantie,
doeltreffendheid en duurzaamheid van de strategieën te beoordelen en om na te
gaan of ze goed worden gecoördineerd. 4.4. De lidstaten moeten met de
steun van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten en
overeenkomstig het toepasselijk nationaal en EU‑recht kernindicatoren en
methoden voor gegevensverzameling identificeren om de geboekte vooruitgang
regelmatig te meten, met name op lokaal niveau, zodat er op doeltreffende wijze
kan worden gerapporteerd en in en tussen de lidstaten een vergelijking kan
worden gemaakt van de situatie van Roma en niet‑Roma. Eveneens moeten zij
voor hun strategieën en actieplannen basisscenario’s en meetbare doelstellingen
vastleggen. Organen voor de bevordering van gelijke
behandeling 4.5. De lidstaten moeten het werk
en de institutionele capaciteit van organen die ijveren voor gelijke
behandeling ondersteunen, door hen passende middelen toe te kennen, die hen in
staat stellen daadwerkelijk rechtsbijstand te verlenen en juridisch advies te
geven aan de Roma die het slachtoffer zijn van discriminatie. 4.6. De lidstaten moeten ervoor
zorgen dat de nationale contactpunten voor de Roma en de nationale organen ter
bevordering van gelijke behandeling regelmatig overleg plegen. Nationale contactpunten voor de integatie
van de Roma 4.7. De lidstaten moeten de
nationale contactpunten voor de integratie van de Roma een passend mandaat
geven en voldoende financiële en personele middelen toekennen om de
sectoroverschrijdende tenuitvoerlegging en controle van het Roma-integratiebeleid
op nationaal en lokaal niveau daadwerkelijk te kunnen coördineren. Zij moeten
ervoor zorgen dat de nationale contactpunten voor de integratie van de Roma
tijdens het besluitvormingsproces worden geraadpleegd over de vaststelling,
financiering en tenuitvoerlegging van het relevante beleid. De nationale
contactpunten moeten ervoor zorgen dat de maatschappelijke Roma‑organisaties
sneller en beter worden betrokken bij de uitvoering van nationale strategieën
en lokale actieplannen voor de integratie van de Roma. Transnationale samenwerking 4.8. De lidstaten treffen
maatregelen in het EU‑kader voor nationale strategieën voor de integratie
van de Roma en moeten daarnaast deelnemen aan transnationale
samenwerkingsvormen op nationaal, regionaal en lokaal niveau en deze
samenwerkingsvormen via beleidsinitiatieven, in het bijzonder projecten en
bilaterale of multilaterale overeenkomsten, bevorderen, teneinde: a) oplossingen te bieden voor problemen in
verband met de grensoverschrijdende mobiliteit van de Roma in de Europese Unie;
b) het wederzijdse
leerproces te ondersteunen en meer goede praktijken te ontwikkelen; zo zouden autoriteiten
die structuurfondsen beheren kunnen samenwerken om doeltreffende maatregelen
voor de integratie van de Roma te bedenken. 5. VERSLAGLEGGING EN FOLLOW-UP 5.1. De lidstaten moeten de nodige
maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat uiterlijk op [datum 24 maanden na
publicatie] gevolg is gegeven aan deze aanbeveling en zij moeten de Commissie
tegen die datum in kennis stellen van de maatregelen die zij overeenkomstig
deze aanbeveling hebben genomen. 5.2. De lidstaten moeten de
Commissie daarna aan het eind van elk jaar in kennis stellen van de nieuwe
maatregelen die zij hebben genomen. 5.3. De informatie die de lidstaten
verstrekken, zal worden gebruikt voor de jaarverslagen over de
tenuitvoerlegging van de nationale strategieën voor de integratie van de Roma
die de Commissie opstelt en voorlegt aan het Europees Parlement en de Raad,
alsook voor de landenspecifieke aanbevelingen van het Europees semester van de
Europa 2020-strategie. 5.4. Aldus zal de Commissie de
situatie van nabij volgen; drie jaar na de vaststelling van deze aanbeveling zal
zij onderzoeken of een herziening en actualisering gewenst is. Gedaan te Brussel, Voor
de Raad De
voorzitter [1] The Situation of Roma in 11 Member States; Survey
Results at a Glance, Bureau voor de grondrechten en Ontwikkelingsprogramma
van de Verenigde Naties, 2012. [2] COM(2011) 173 definitief. [3] COM(2012) 226 final. [4] Mededeling betreffende een EU‑kader voor de
nationale strategieën voor integratie van de Roma tot 2020,
COM(2011) 173; mededeling betreffende een eerste stap van de uitvoering
van het EU‑kader, COM(2012) 226. [5] Conclusies van de Raad van 19 mei 2011 betreffende een
EU‑kader voor de nationale strategieën voor integratie van de Roma tot
2020. [6] De
lidstaten die tot de groep behoren zijn België, Bulgarije, Duitsland, Finland,
Frankrijk, Hongarije, Italië, Roemenië, Slowakije, Spanje, Tsjechië, het
Verenigd Koninkrijk en Zweden. [7] Het betreft onder meer verslagen van coalities van het
maatschappelijk middenveld die door de Decade of Roma Inclusion Secretariat
Foundation zijn georganiseerd in zes lidstaten (Bulgarije, Hongarije, Roemenië,
Slowakije, Spanje en Tsjechië) en in twee uitbreidingslanden (Albanië en de
voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië), verslagen van het netwerk van
onafhankelijke deskundigen inzake maatschappelijke integratie (http://ec.europa.eu/social/main.jsp?catId=1025&langId=en),
het verslag “Discrimination against Roma in the EU in 2012” van de
European Roma Information Office, de schriftelijke feedback van Eurocities en
van Eurodiaconia en onderzoeksverslagen van het academisch netwerk voor
Roma-studies (http://romanistudies.eu/news/contributions_from_members/). [8] Deze organisaties werden vertegenwoordigd door de
Coalitie voor een Europees Romabeleid (ERPC). Leden van de ERPC die hebben
deelgenomen aan de vergaderingen waren onder meer het European Roma Information
Office (ERIO), de Open Society Foundations (OSF), het European Network Against
Racism (ENAR), de European Roma Grassroots Organisation (ERGO) en Amnesty
International (AI). [9] Zie onder meer het arrest van het Hof van Justitie van
26 maart 1996 in zaak C-271/94, Parlement/Raad, punt 14. [10] Dit verslag werd opgesteld op basis van informatie en
bevindingen die door de lidstaten en een aantal belanghebbenden werden
meegedeeld. [11] Zie zaak C-409/95, Marshall, Jurispr. 1997, blz.
I-6363, punt 35; zaak C-450/93, Kalanke, Jurispr. 1995, blz. I-3051,
punten 22 tot en met 24; zaak C-158/97, Badeck, Jurispr. 2000, blz.
I-1875 en zaak C-407/98, Abrahamsson, Jurispr. 2000, blz. I-5539. [12] PB L 180 van 19.7.2000, blz. 22. [13] SEC(2010) 400. [14] COM(2011) 173 definitief. [15] Conclusies van de Raad van 19 mei 2011 over het
EU-kader voor de nationale strategieën voor integratie van de Roma tot 2020,
document 106665/11. [16] COM(2012) 226 final. [17] SWD(2012) 133 final. [18] Mededeling “Naar sociale investering voor groei en
cohesie — inclusief de uitvoering van het Europees Sociaal Fonds 2014-2020”,
COM(2013) 83 final. [19] Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement
en de Raad houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds
voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het
Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor
maritieme zaken en visserij, die onder het gemeenschappelijk strategisch kader
vallen, en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale
ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds, en tot intrekking
van Verordening nr. 1083/2006, COM(2011) 615. [20] Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement
en de Raad betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van
Verordening (EG) nr. 1081/2006, COM(2011) 607. [21] Zie: aanbeveling van de Raad van 28 juni 2011 inzake
beleid ter bestrijding van voortijdig schoolverlaten, PB C 191 van 1.7.2011.
Volgens een van de door de Europese Raad overeengekomen kerndoelen van
Europa 2020 moet het percentage voortijdige schoolverlaters onder de 10% komen
te liggen en moet ten minste 40% van de jongeren een diploma in het hoger
onderwijs of een equivalent daarvan halen. [22] Het Europees Sociaal Fonds (ESF), het Europees Fonds voor
regionale ontwikkeling (EFRO), het Cohesiefonds (CF), het Europees
Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en het Europees Fonds voor
maritieme zaken en visserij (EFMZV). [23] Het EFRO kan worden gebruikt voor infrastructuur voor de
sectoren gezondheidzorg, onderwijs en huisvesting.