MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT__overeenkomstig artikel 294, lid 6, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie__over het standpunt van de Raad over de aanneming van een voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale-beschermingsstatus /* COM/2013/0411 final - 2009/0165 (COD) */
2009/0165 (COD) MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET
EUROPEES PARLEMENT__overeenkomstig artikel 294, lid 6, van het Verdrag
betreffende de werking van de Europese Unie__over het standpunt van de Raad over de aanneming van
een voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad
betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van
de internationale-beschermingsstatus 1. ACHTERGROND Toezending van het voorstel aan het Europees Parlement en de Raad (documenten COM(2009) 554 def. en COM(2011) 319 def. – 2009/0165 COD): || 22.10.2009; gewijzigd voorstel: 6.6.2011. Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité: || 28.4.2010, 26.10.2011. Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing: || 6.4.2011. Standpunt van de Raad: || 7.6.2013. 2. Doelstelling van het voorstel van de
Commissie In het op de Europese Raad van 10 en 11 december
2009 goedgekeurde programma van Stockholm werd de noodzaak onderstreept om
tegen 2012 "een gemeenschappelijke en solidaire ruimte tot stand te
brengen waarin bescherming wordt geboden, op basis van een gemeenschappelijke
asielprocedure en een uniforme status voor personen aan wie internationale
bescherming wordt verleend" en die stoelt op "hoge
beschermingsnormen" en "eerlijke en effectieve procedures". In
dat programma werd met name bevestigd dat mensen die internationale bescherming
behoeven, toegang moeten hebben tot juridisch sluitende en doeltreffende
asielprocedures. Overeenkomstig het programma moeten verzoekers gelijk worden
behandeld qua procedurele regelingen en statusbepaling, ongeacht de lidstaat
waar zij hun verzoek indienen. De vuistregel moet zijn dat gelijke gevallen
gelijk behandeld worden met een gelijk resultaat tot gevolg. In dit verband en zoals aangekondigd in het
asielbeleidsplan van 2008[1], had het voorstel van de
Commissie tot wijziging van richtlijn 2005/85/EG[2] tot doel
doeltreffende en eerlijke procedures tot stand te brengen. Het voorstel is
volledig in overeenstemming met de grondrechten aangezien het is gebaseerd op
de ontwikkelingen in de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese
Unie en het Europees Hof voor de rechten van de mens, vooral wat het recht op
een doeltreffende voorziening in rechte betreft. In vergelijking met Richtlijn
2005/85/EG werden de procedurele waarborgen herzien om te komen tot een meer
samenhangende toepassing van de procedurele beginselen en om eerlijke en
efficiënte procedures te waarborgen. Het voorstel voorziet ook in coherentere
en eenvoudigere procedurele begrippen en instrumenten waardoor de
asielautoriteiten over de nodige procedurele instrumenten beschikken om
misbruik te voorkomen en om kennelijk ongegronde verzoeken snel af te handelen.
3. Opmerkingen over het standpunt van de
Raad Het standpunt van de Raad is een weergave van een
compromis dat is bereikt tijdens informele trialogen tussen het Europees
Parlement en de Raad, gefaciliteerd door de Commissie. Het standpunt behoudt de belangrijkste
doelstellingen van het voorstel van de Commissie en houdt een aanzienlijke
verbetering in ten opzichte van Richtlijn 2005/85/EG. De Commissie betreurt
weliswaar een klein aantal wijzigingen, maar kan het compromis niettemin
onderschrijven en het Parlement aanbevelen het goed te keuren. 3.1. “Frontloading”: betere
procedurele waarborgen om de kwaliteit van de asielprocedures te verbeteren Het standpunt van de Raad is in overeenstemming
met het beginsel van "frontloading" en biedt alle asielzoekers een
solide reeks waarborgen. Het zorgt voor een snelle en gemakkelijke toegang
tot de asielprocedure. Zelfs voordat een persoon de wens uitdrukt om
bescherming te krijgen, moeten de lidstaten onderdanen van derde landen aan
grensdoorlaatposten en in accommodaties voor bewaring op proactieve wijze
informatie verstrekken over de mogelijkheid om om internationale bescherming te
verzoeken, telkens wanneer er aanwijzingen zijn dat zij zouden kunnen wensen om
internationale bescherming te verzoeken. Er moet ook worden voorzien in een
minimumtolkdienst om in die gebieden de toegang tot asielprocedures te waarborgen.
Hoewel de termijnen voor de registratie van een asielverzoek (ook al wordt dat
zeer informeel tot uitdrukking gebracht) werden verlengd in vergelijking met
het voorstel van de Commissie, is verduidelijkt dat een persoon die heeft
aangegeven om internationale bescherming te willen verzoeken, onmiddellijk een
verzoeker wordt en recht heeft op alle relevante rechten, ongeacht enige
formele registratie of indiening van een verzoek. Redactionele of andere kleine wijzigingen
daargelaten houdt de tekst vast aan de essentie van het voorstel van de
Commissie voor wat betreft de meeste garanties voor de verzoekers, met inbegrip
van het beginsel van één enkele beslissingsautoriteit; de inhoud van het
persoonlijk onderhoud; het verstrekken van juridische en procedurele informatie
in eerste aanleg; het verslag over het persoonlijk onderhoud; kosteloze
rechtsbijstand in beroepsprocedures; opheffing van alle stand-still bepalingen
en afwijkingen van fundamentele beginselen en waarborgen. Op het gebied van de opleiding van bij de
procedure betrokken personeel, zijn de normen iets strenger dan in het voorstel
van de Commissie. Het compromis van de Raad specificeert dat andere
autoriteiten dan de beslissingsautoriteiten die een persoonlijk onderhoud
afnemen over de ontvankelijkheid van een verzoek, een basisopleiding moeten
hebben op het gebied van asiel. Een belangrijk element van
"frontloading", zoals voorgesteld door de Commissie, was de algemene
termijn van zes maanden, verlengbaar tot twaalf maanden, om het onderzoek van
een verzoek af te ronden. Dit essentiële element werd gehandhaafd, maar de
maximumtermijn werd verlengd. Ten opzichte van het voorstel, voorziet het
standpunt van de Raad evenwel in een beter kader voor de mogelijkheid om de
procedure uit te stellen indien er sprake is van een onzekere situatie in het
land van herkomst, op grond waarvan het niet redelijk is om een beslissing te
nemen binnen de normale termijnen. 3.2. Verzoekers met bijzondere
procedurele behoeften, zoals niet-begeleide minderjarigen Hoewel de Commissie betreurt dat het niveau van de
waarborgen voor niet-begeleide minderjarigen naar beneden is bijgesteld in het
standpunt van de Raad, kan de Commissie dit compromis wel aanvaarden aangezien
het voorziet in een passend niveau van bescherming. De Commissie stelde voor om niet-begeleide
minderjarigen vrij te stellen van versnelde procedures en grensprocedures,
alsook van de niet-automatische schorsende werking van beroepsprocedures, omdat
deze procedurele instrumenten leiden tot een aanzienlijke vermindering van de
beschikbare tijd om een verzoek te onderbouwen, terwijl minderjarigen speciale
steun behoeven om hen te helpen ten volle uitdrukking te geven aan hun behoefte
aan internationale bescherming. Met grensprocedures gaat bewaring gepaard en de
Commissie is van oordeel dat minderjarigen daaraan in het algemeen niet mogen worden
onderworpen. Ten slotte kan de niet-automatische schorsende werking de toegang
van een niet-begeleide minderjarige tot een doeltreffende voorziening in rechte,
die door het Handvest wordt gewaarborgd, op het spel zetten. Het standpunt van de Raad maakt het mogelijk om de
versnelde procedures op niet-begeleide minderjarigen toe te passen, maar
slechts in een klein aantal omstandigheden. Onder meer de nationaliteit van een
veilig land van herkomst is een objectieve aanwijzing dat het verzoek
waarschijnlijk ongegrond is; een versnelde behandeling van een volgend verzoek
kan gerechtvaardigd zijn door een volledig onderzoek van het vorige verzoek; en
de derde grond is een legitieme bezorgdheid over nationale veiligheid of
openbare orde. Er zijn zes gronden waarop de lidstaten gebruik
kunnen maken van grensprocedures. Naast de drie gronden voor versnelde
procedures, worden twee omstandigheden toegevoegd op het gebied van
ontvankelijkheid toegevoegd (volgende verzoeken en de mogelijke toepassing van
het begrip veilig derde land). Twee andere wezenlijke aanvullingen hebben
betrekking op situaties waarin de verzoeker de autoriteiten misleidt door het
overleggen van valse documenten of te kwader trouw een identiteitsbewijs of
reisdocument vernietigt of daarover beschikt. Als zodanig zouden deze gronden
voor de Commissie niet aanvaardbaar zijn, aangezien van niet-begeleide
minderjarigen in het algemeen niet kan worden verwacht dat zij de noodzaak om
met de asielautoriteiten samen te werken, ten volle begrijpen. Volgens het
standpunt van de Raad kunnen deze gronden echter slechts worden toegepast
wanneer er sprake is van ernstige redenen om aan te nemen dat de verzoeker relevante
elementen probeert te verbergen die waarschijnlijk zouden leiden tot een
negatieve beslissing, en er aanvullende procedurele waarborgen zijn. Als
zodanig is het standpunt van de Raad aanvaardbaar, omdat het ervoor zorgt dat
alleen verzoeken waarbij er sterke, objectieve aanwijzingen voor de
ongegrondheid of andere rechtmatige redenen (nationale veiligheid of volgend
verzoek) zijn, volgens de grensprocedure kunnen worden behandeld. Bovendien
kunnen grensprocedures, in tegenstelling tot versnelde procedures, alleen in
uitzonderlijke gevallen worden gebruikt, aangezien zij bewaring impliceren en
niet-begeleide minderjarigen overeenkomstig de nieuwe richtlijn
opvangvoorzieningen alleen in uitzonderlijke omstandigheden in bewaring kunnen
worden genomen. Wat de voorschriften inzake beroep betreft, is het
weliswaar mogelijk dat een beroep niet-automatische schorsende werking heeft,
maar alleen indien er aanzienlijke aanvullende garanties zijn. Met name
beschikt de verzoeker over ten minste één week en de nodige rechtsbijstand en
tolkdiensten ter voorbereiding van zijn verzoek om in de betrokken lidstaat te
mogen blijven. Belangrijk is dat in het kader van dit verzoek de rechterlijke
instantie de negatieve beslissing in feite en in rechte opnieuw moet toetsen,
hetgeen impliceert dat de toetsing verder moet gaan dan alleen de drempel van
de naleving van het beginsel van non-refoulement. De Commissie is van
mening dat deze waarborgen, samen met een kwalitatief hoogstaand onderzoek in
eerste aanleg, een doeltreffende voorziening in rechte kunnen waarborgen, zelfs
zonder volledige automatische schorsende werking in gevallen van kennelijk
ongegronde verzoeken van niet-begeleide minderjarigen. Met betrekking tot andere categorieën personen met
bijzondere behoeften, bevat het standpunt van de Raad de ondubbelzinnige
verplichting om een doeltreffend identificatiemechanisme op te zetten en
passende steun te verlenen in de procedure. Bovendien zijn personen die door
hun bijzondere behoeften niet kunnen deelnemen aan speciale snelle procedures,
uitgesloten van de versnelde procedures en de grensprocedures en krijgen zij
dezelfde aanvullende garanties als niet-begeleide minderjarigen in het geval
van een beroep zonder schorsende werking. Asielprocedures blijven ook gendergevoelig
aangezien verzoekers tolken en ondervragers van hetzelfde geslacht kunnen
vragen en krijgen en er bij de beoordeling van de bijzondere behoeften rekening
wordt gehouden met genderspecifiek geweld. De bepalingen inzake bijzondere
behoeften handhaven derhalve de belangrijkste doelstellingen van de Commissie. De kwestie van de bijzondere behoeften is nauw
verbonden met het gebruik van medische rapporten of onderzoeken in de
asielprocedure. Ook hier houdt het standpunt van de Raad vast aan de
hoofddoelstellingen van het voorstel (de verplichting voor de lidstaten om een
medisch onderzoek uit te voeren, voor zover relevant, en de mogelijkheid voor
de verzoekers om zelf een onderzoek te laten uitvoeren). De Commissie betreurt
evenwel dat het gebruik van het Protocol van Istanbul over de herkenning en
documentatie van symptomen van foltering facultatief is gemaakt, hoewel de Unie
derde landen aanmoedigt om het protocol systematisch toe te passen voor de
documentatie van zaken waarin sprake is van foltering [3].
3.3. Versnelde procedures,
grensprocedures en doeltreffende voorziening in rechte De harmonisatie van alle gevallen waarin het
gebruik van versnelde procedures en grensprocedures krachtens Richtlijn
2005/85/EG is toegestaan, was een van de hoofddoelstellingen van het voorstel.
Deze doelstelling is behouden aangezien het standpunt van de Raad een limitatieve
lijst bevat van gronden voor het gebruik van deze procedures. Het compromis voegt nog drie gronden toe aan de
lijst van de Commissie: volgende verzoeken die niet onontvankelijk zijn;
verzoekers die weigeren hun vingerafdrukken te laten nemen voor gebruik in het
Eurodac-systeem; en verzoekers die op onrechtmatige wijze het grondgebied zijn
binnengekomen of er hun verblijf onrechtmatig hebben verlengd, en zich zonder
wettige reden niet hebben aangemeld bij de autoriteiten en/of gelet op de
omstandigheden van hun binnenkomst, niet zo spoedig mogelijk een asielverzoek
hebben ingediend. De laatste aanvullende grond heeft de meest
substantiële impact. Hij bevat echter belangrijke waarborgen die de verzoeker
toereikende bescherming garanderen. Ten eerste zullen de lidstaten deze grond
alleen kunnen toepassen in het geval van oneigenlijke verzoeken. Verzoekers die
redenen kunnen geven waarom zij zich gelet op de omstandigheden van hun
binnenkomst niet bij de autoriteiten hebben aangemeld (aantonen waarom hun
verzoek niet oneigenlijk is), zullen niet worden onderworpen aan een
versnelde/grensprocedure. Ten tweede moeten de lidstaten, anders dan bij alle
andere gronden voor de versnelde/grensprocedure, wanneer zij deze grond
toepassen, in de beroepsfase altijd voorzien in een automatisch recht om op het
grondgebied te blijven (volledig automatische schorsende werking). Het voorstel had ook als doel het recht op een doeltreffende
voorziening in rechte bij een rechterlijke instantie te versterken door te
voorzien in het beginsel van de automatische schorsende werking van beroep,
behoudens beperkte uitzonderingen. Dit beginsel blijft behouden in het
standpunt van de Raad. Er zijn echter ook nog andere uitzonderingen: naast de
twee hieronder beschreven gronden voor een versnelde procedure, worden gevallen
van impliciete intrekking en de toepassing van het begrip Europees veilig derde
land toegevoegd aan de lijst. Wat impliciete intrekking betreft, werd in
relevante waarborgen voorzien vóór de beroepsfase; met name kan de betrokkene
om de heropening van zijn zaak verzoeken en is het altijd mogelijk het verzoek
als een volgend verzoek te behandelen. Ook het risico dat het beginsel van
non-refoulement niet wordt nageleefd wanneer het begrip Europees veilig derde
land wordt gebruikt, is vrij laag, gelet op de strikte eisen waaraan een derde
land moet voldoen om als een Europees veilig derde land te worden beschouwd. Wanneer een beroep geen automatische schorsende
werking heeft, kan bovendien om schorsende werking worden verzocht en moet de
betrokkene op het grondgebied kunnen blijven terwijl dat verzoek wordt
behandeld. Derhalve is er geen risico op terugkeer zonder voorziening in
rechte. Ten slotte heeft de Commissie, in lijn met de
rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, voorgesteld dat
een beroep tegen een negatieve beslissing in een grensprocedure automatische
schorsende werking zou hebben. Wat beroep in grensprocedures betreft, voorziet
het standpunt van de Raad daarentegen in dezelfde waarborgen als voor
niet-begeleide minderjarigen. In kennelijk ongegronde zaken kunnen deze
garanties de negatieve gevolgen van de niet-automatische schorsende werking matigen.
Meer in het bijzonder verduidelijken zij dat geen verwijdering kan plaatsvinden
in afwachting van het resultaat van het verzoek om schorsende werking (wat,
zoals hierboven uiteengezet, een algemeen beginsel is dat ook van toepassing is
op andere beroepen zonder schorsende werking); zij zorgen ervoor dat de
verzoeker steeds een beroep kan doen op effectieve juridische en taalkundige
bijstand; zij voorzien in een redelijke termijn voor de voorbereiding van het
verzoek; en, wat belangrijk is, zij bepalen de reikwijdte van de toetsing door
de rechterlijke instantie van het verzoek om schorsende werking om ervoor te
zorgen dat die toetsing nauwkeurig en zorgvuldig is. Zo krijgen de verzoekers
voldoende mogelijkheden om aan te tonen dat hun verzoeken onderbouwd zijn en dus
worden de verplichtingen op het gebied van de grondrechten, zoals omschreven in
de rechtspraak van de Europese gerechten, nagekomen. 3.4. Bestrijding van misbruik Met het oog op een evenwicht tussen de
doelstellingen de echte asielzoekers te beschermen enerzijds en de misbruiken
in verband met herhaalde verzoeken te bestrijden anderzijds, heeft de Commissie
voorgesteld dat de lidstaten een verzoeker kunnen verwijderen na een tweede
volgend verzoek (dat wil zeggen derde verzoek), op voorwaarde dat het beginsel
van non-refoulement wordt geëerbiedigd. Het standpunt van de Raad bevestigde de
doelstellingen van het voorstel, maar voegde een extra geval toe waarin het
recht van de verzoeker om op het grondgebied te blijven, vervalt: na een niet-ontvankelijk
eerste volgend verzoek dat alleen werd ingediend om een op handen zijnde
terugkeer te verhinderen. De Raad voerde aan dat dit noodzakelijk is om
oneigenlijke last minute volgende verzoeken aan te pakken. De Commissie kan instemmen met deze bepalingen
omdat de fundamentele waarborgen uit het voorstel, namelijk ervoor te zorgen
dat verzoekers met echte volgende verzoeken niet van het grondgebied worden
verwijderd zonder zorgvuldig onderzoek van hun verzoek, behouden blijven. De
toepassing van bijzondere afwijkende bepalingen voor volgende verzoeken blijft
alleen mogelijk na een definitieve beslissing over het eerste verzoek en bovendien
alleen na ten minste een volgend verzoek dat hetzij ongegrond is, hetzij geen
nieuwe elementen bevat in vergelijking met het vorige verzoek wat duidelijk op
misbruik wijst. Bovendien specificeert de Raad in zijn standpunt duidelijk dat
de uitzonderingen op het recht om te blijven, moeten worden toegepast
overeenkomstig het beginsel van non-refoulement. Het standpunt van de Raad wijzigt het voorstel van
de Commissie ook met betrekking tot de regels inzake het impliciet intrekken of
afzien van het verzoek. Het voorstel had als doel de voorschriften betreffende
deze situaties te harmoniseren en in het bijzonder het risico te vermijden dat
een verzoek nooit inhoudelijk wordt onderzocht alvorens het wordt afgewezen.
Deze doelstelling wordt in het standpunt van de Raad gehandhaafd, aangezien het
bepaalt dat een verzoek niet kan worden afgewezen zonder een adequaat onderzoek
ten gronde. De Commissie betreurt de opname van de bepaling dat een zaak van
een verzoeker slechts een keer kan worden heropend wanneer de verzoeker zich
opnieuw aanmeldt nadat het verzoek was onderbroken. De negatieve consequenties
van deze bepaling worden echter grotendeels afgezwakt door aanvullende
waarborgen, die ervoor zorgen dat wanneer een verzoeker kan aantonen dat het
verzoek als impliciet ingetrokken werd beschouwd om redenen waarover hij geen
controle had, het verzoek niet als impliciet ingetrokken mag worden beschouwd. 4. Conclusie Het standpunt van de Raad behoudt de voornaamste
doelstellingen van het voorstel van de Commissie. Het betekent een belangrijke
stap in de harmonisatie van de procedurele waarborgen in asielprocedures door
de invoering van duidelijke, gedetailleerde en dwingende voorschriften, en door
de opheffing van afwijkingen en stand-still bepalingen. Het zal leiden tot
gemakkelijk toegankelijke, snellere en eerlijkere procedures, gebaseerd op het
kostenefficiënte concept van "frontloading". Het standpunt
harmoniseert het gebruik van versnelde procedures en grensprocedures, en
garandeert het recht op een doeltreffende voorziening in rechte door de
invoering van gedetailleerde regels op EU-niveau. Het verhoogt de kwaliteit en
de snelheid van asielprocedures, en voorziet in nieuwe instrumenten om misbruik
door middel van herhaalde verzoeken aan te pakken. Het bevat stringente
bepalingen inzake bijzondere procedurele behoeften, onder meer
genderspecifieke. Ten slotte zal het ook voorzien in een passende bescherming
van niet-begeleide minderjarigen, en tegelijk rekening houden met de
bezorgdheid over mogelijk misbruik. Het standpunt van de Raad is dan ook grotendeels
in overeenstemming met het voorstel van de Commissie en kan worden ondersteund.
[1] Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement,
de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's
- Asielbeleidsplan - Een geïntegreerde aanpak van bescherming in de hele EU,
COM (2008)360, 17.6.2008. [2] Richtlijn 2005/85/EG van de Raad van 1 december 2005
betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning
of intrekking van de vluchtelingenstatus, PB L 326 van 13.12.2005, blz. 13-34. [3] Richtsnoeren voor het EU-beleid ten aanzien van derde
landen met betrekking tot folteringen en andere wrede, onmenselijke of
vernederende behandelingen of bestraffingen, document van de Raad nr. 6129/12
van 15 maart 2012.