Gewijzigd voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende richtsnoeren voor trans-Europese telecommunicatienetwerken en tot intrekking van Beschikking nr. 1336/97/EG /* COM/2013/0329 final - 2011/0299 (COD) */
TOELICHTING 1. ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL Algemene context Dit initiatief is verankerd in de Europa 2020-strategie
voor slimme, duurzame en inclusieve groei[1],
waarin digitale infrastructuren naar voren worden geschoven als onderdeel van
het vlaggenschipinitiatief "Digitale agenda voor Europa"[2]. Hierin wordt gewezen op De Digitale
agenda beoogt onder meer de introductie van grensoverschrijdende openbare
onlinediensten om de mobiliteit van bedrijven en burgers te bevorderen. In het
bijzonder is de interoperabiliteit van openbare diensten vereist indien
wetgeving en initiatieven inzake de eengemaakte markt (zoals de
dienstenrichtlijn of het actieplan e-aanbesteding) afhankelijk zijn van de
mogelijkheid van bedrijven om te communiceren en zaken te doen met overheidsdiensten
door middel van elektronische middelen en over grenzen heen. In de Digitale
agenda wordt bovendien gewezen op de noodzaak
om de introductie en het gebruik van steeds
snellere, voor iedereen toegankelijke
breedband via zowel vaste als draadloze
technologieën te garanderen en om
investeringen te bevorderen in de nieuwe supersnelle, open en concurrerende
netwerken van het internet, die als de slagaders van de moderne economie van de toekomst zullen fungeren.
De EU heeft zich voor 2020 ambitieuze streefdoelen gesteld met
betrekking tot de introductie en het gebruik van breedband. Op 29 juni 2011 heeft de Commissie de
mededeling "Een begroting voor Europa 2020" goedgekeurd over het
komende meerjarig financieel kader (MFK) (2014-2020)[3], waarin de oprichting van een
financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (CEF,
"Connecting Europe Facility") wordt voorgesteld om te komen tot de
voltooiing van prioritaire energie-, vervoers- en digitale infrastructuren met
één fonds van 40 miljard euro, waarvan de Commissie heeft
voorgesteld 9,2 miljard euro wordt uitgetrokken
uit te trekken voor digitale netwerken en diensten. Op 8 februari 2013 heeft de
Europese Raad zijn goedkeuring gehecht aan conclusies inzake een nieuw MFK,
waarin de begroting voor de "CEF Digital" op 1 miljard euro werd
vastgelegd. Op basis daarvan doet de Commissie thans een voorstel voor een
verordening inzake richtsnoeren voor trans-Europese telecommunicatienetwerken.
Op het ogenblik van de opstelling van dit document waren de onderhandelingen
tussen de Raad en het Europees Parlement over het volgende meerjarig financieel
kader nog niet afgesloten. Ook over het voorstel voor een verordening tot
invoering van de CEF wordt nog onderhandeld. In het aangepaste voorstel
wordt voor zover mogelijk rekening gehouden met de meest recente standpunten
van de Raad en de desbetreffende commissie van het Europees Parlement. Het
voorstel is erop gericht de CEF-interventie toe te spitsen op een kleiner
aantal digitale-diensteninfrastructuren op basis van een strikte reeks criteria
inzake de prioriteitstelling, en op een beperkte bijdrage aan breedband via
financiële instrumenten, teneinde particuliere investeringen alsmede
investeringen uit andere bronnen dan de CEF als hefboom te gebruiken. Het voorstel
levert slechts een beperkte financiële bijdrage inzake breedband, maar biedt
wel een kader waarin grotere bijdragen uit het bedrijfsleven en van
institutionele spelers, zoals de Europese Investeringsbank, mogelijk zijn. Doel van het voorstel Deze verordening heeft tot doel een geheel van
richtsnoeren vast te stellen betreffende de doelstellingen en de prioriteiten
die op telecommunicatiegebied voor breedbandnetwerken en
digitale-diensteninfrastructuren in het vooruitzicht worden gesteld in de
context van de Connecting Europe FacilityCEF. In de bijlage bij de richtsnoeren worden
projecten van gemeenschappelijk belang aangewezen voor de ontwikkeling van breedbandnetwerken en digitale-diensteninfrastructuren en breedbandnetwerken. Deze projecten zullen helpen om het
concurrentievermogen van de Europese economie, waaronder het midden- en
kleinbedrijf (mkb), te versterken, de onderlinge koppeling en
interoperabiliteit van nationale, regionale en lokale
netwerken en de toegang tot die netwerken te bevorderen en de ontwikkeling van
een digitale aangemaakte markt te ondersteunen. Zij moeten
in aanmerking komen voor Europese financiële steun door middel van de
instrumenten die beschikbaar worden gesteld krachtens de verordening
betreffende de Connecting Europe Facility, die deze verordening vergezelt. De doelstelling van deze
verordening isIn deze
verordening wordt als doelstelling gekozen voor de
opheffing van knelpunten die de voltooiing van de interne markt in de weg
staan, namelijk door netwerkconnectiviteit te verlenen alsmede toegang,
waaronder grensoverschrijdende toegang, tot een infrastructuur van openbare
digitale diensten. Anders dan bijvoorbeeld bij het
financieren van de aanleg van een ringweg rond een hoofdstad die belangrijk is
voor de vlotte doorstroming in een vervoerscorridor, doen bBlokkeringen
in de uitvoering van telecomnetwerken doen zich zowel
aan de vraag- als aan de aanbodzijde voor. Aan
de aanbodzijde hebben de beperkingen te maken met een hoge
graad van marktfalen niet-optimale marktsituatie
en de daarmee samenhangende zwakke bedrijfskansen voor investeringen in
breedbandnetwerken en verstrekking van belangrijke diensten van openbaar belang
(bv. eHealth, eIdentity, eProcurement en de grensoverschrijdende
interoperabiliteit daarvan). Aan de vraagzijde
is het voor de digitale interne markt met zijn sterk groeipotentieel
noodzakelijk dat alle burgers, bedrijven en overheidsdiensten
op digitale netwerken aangesloten zijn. De Connecting
Europe-faciliteit beoogt het gebruik van innovatieve financiële instrumenten om
infrastructuurinvesteringen te bevorderen door het investeringsrisico te
verminderen en financiering op langere termijn te verstrekken aan alternatieve
en gevestigde investeerders. Innovatieve financiële instrumenten hebben een
belangrijk hefboomeffect op privé- en andere openbare investeringen terwijl zij
toch op marktmechanismen blijven berusten. Waar de business case voor
infrastructuurinvestering bijzonder zwak blijft, voorziet de Connecting Europe
Facility eveneens in de mogelijkheid tot medefinanciering via subsidies. Met betrekking tot
breedbandnetwerken zullen acties die bijdragen tot projecten van
gemeenschappelijk belang op het gebied van breedband, investeringen
ondersteunen in netwerken waarmee tegen 2020 de streefdoelen van de Digitale
agenda voor Europa inzake de universele dekking met 30 Mbps, of de
beschikbaarheid van snelheden van meer dan 100 Mbps voor minstens 50% van
de huishoudens, kunnen worden gerealiseerd. De projectenportefeuille zal
evenwichtig worden samengesteld uit projecten met de 30 Mbps-doelstelling en
projecten met de 100 Mbps-doelstelling, en er moet rekening worden gehouden met
de investeringsbehoeften van de lidstaten, die voorlopig op 270 miljard euro
worden geraamd. Voor de digitale-diensteninfrastructuurinfrastructuren worden de knelpunten bij de introductie van
diensten in interoperabele raamwerken aangepakt door aanbestedingen
en directe subsidies, in sommige gevallenmeestal met volledige financiering van
platforms op EU-niveau een hoog percentage van
medefinanciering aangezien er geen natuurlijke bezitters van een
Europese interoperabele diensteninfrastructuur bestaan. Noch individuele
lidstaten, noch privé-investeerders zouden immers de
introductie van grensoverschrijdende diensten waarborgen introduceren binnen interoperabele raamwerken. Het
EU-beleid biedt hier derhalve een grote toegevoegde waarde. Projecten van gemeenschappelijk belang op het
gebied van digitale-diensteninfrastructuren zijn in eerste
instantie prioritair op bouwstenen gericht, zoals opgenomen in de
bijlage., omvatten trans-Europese
hogesnelheidsverbindingen in de backbone voor overheidsadministraties,
grensoverschrijdende levering van eGovernment-diensten gebaseerd op
interoperabele identificatie en authentificatie (bv. Europa-brede elektronische
procedures om zaken te kunnen doen; voor grensoverschrijdende aanbestedingen,
e-Justice, grensoverschrijdende eHealth-diensten); het toegankelijk maken van
overheidsinformatie, waaronder digitale informatiebronnen van het Europese
erfgoed, data.eu en meertalige hulpbronnen; veiligheid en beveiliging (veiliger
internet en kritieke diensteninfrastructuur) en slimme energiediensten.
Projecten van gemeenschappelijk belang kunnen ook betrekking hebben op de
werking van elektronische overheidsdiensten die ten uitvoer worden gelegd in
andere programma's van de Gemeenschap zoals het ISA-programma
(“Interoperability solutions for European public administrations”). Op jaarbasis worden naargelang van de beschikbare financiering
specifieke digitale-diensteninfrastructuren in de bijlage aangewezen met het
oog op de introductie ervan. Voor breedbandnetwerken
zullen de op grond van deze verordening beschikbare middelen beperkt zijn. Het
principe achter publieke financiële ondersteuning op gebieden die gebrek hebben
aan particuliere investeringen blijft weliswaar gegrond, maar publieke
ondersteuning moet hoofdzakelijk uit andere bronnen dan de CEF komen, met name
uit nationale bronnen en de Europese structuur- en investeringsfondsen, waarvan
de thematische doestellingen in het kader van de thematische prioritaire
concentratie-eisen naar verwachting informatie- en communicatietechnologieën
omvatten. Gezien het grote belang van
breedbandnetwerken voor de groei en werkgelegenheid en gezien de moeilijkheden
op financieel en technisch vlak waarmee publieke investeringen in deze sector
gepaard gaan, voorziet deze verordening in een beperkte interventie die
bepaalde mogelijkheden biedt. Uit de CEF wordt een beperkte bijdrage aan de
financiële instrumenten op het niveau van de Europese Unie (hierna "de
Unie" genoemd) gefinancierd, met name in samenwerking met de Europese
Investeringsbank, waarmee mogelijkheden worden geboden om andere publieke en
particuliere middelen op een doeltreffende manier te gebruiken. Uit de CEF zelf
kan enkel een beperkt aantal breedbandprojecten worden gefinancierd, maar zij
kan wel worden toegepast om de efficiënte toewijzing van bijvoorbeeld Europese
structuur- en investeringsfondsen (ESIF's) te faciliteren door de
beheersautoriteiten de mogelijkheid te bieden om een bijdrage te leveren uit de
operationele programma’s. Dergelijke bijdragen zijn uitsluitend bestemd voor de
betrokken lidstaat of regio en kunnen helpen een kritieke massa te bereiken en
schaalvoordelen bij de projectuitvoering te behalen. Door een kader te bieden
dat bredere bijdragen uit het bedrijfsleven en van institutionele spelers
mogelijk maakt, streeft het voorstel ernaar het niveau van de bijdragen aan
breedbandprojecten van gemeenschappelijk belang aanzienlijk te verhogen in
vergelijking met de financiering die door de verordening zelf mogelijk is. Acties die bijdragen tot projecten van
gemeenschappelijk belang komen in aanmerking voor Europese financiële steun via
de instrumenten die beschikbaar worden gesteld krachtens de verordening tot
invoering van de CEFConnecting
Europe Facility[4].
Daarom moet dit voorstel worden gezien in samenhang met dat andere voorstel van
verordening. De verordening bepaalt ook aan de hand van
welke criteria nieuwe projecten van gemeenschappelijk belang worden aangewezen,
op basis van de beoordeling door de Commissie van veranderende politieke
prioriteiten, technologische ontwikkelingen of de toestand op de desbetreffende
markten. 2. RESULTATEN VAN DE RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELING Wat de uitrol van
breedband betreft, hebben tal van raadplegingen plaatsgevonden met lidstaten,
bedrijven en belanghebbenden uit de samenleving. Zo organiseerde vicevoorzitter
Kroes een rondetafel met CEO's van aanbieders van inhoud, fabrikanten van
apparatuur, investeerders en telecomaanbieders, van 's werelds meest
toonaangevende bedrijven zoals Nokia, Alcatel Lucent, Google, Ericsson, News
Corp, enz., en op 16 en 17 juni 2011 vond in Brussel de eerste vergadering van
de Digitale agenda plaats, met deelname van meer dan 1 000 belanghebbenden
uit de particuliere en de openbare sector alsmede uit het maatschappelijk
middenveld. Op deze en op tal van andere gelegenheden verklaarden
belanghebbenden hun ruime instemming met het oordeel van de Commissie dat het
bestaande model van telecominvesteringen niet toereikend is om te komen tot de
uitrol van betaalbare breedbandinfrastructuren van hoge kwaliteit voor alle
Europese burgers, en zij kijken uit naar de plannen van de Commissie met
betrekking tot het gebruik van doelgerichte overheidsinvesteringen, bv. door
middel van innovatieve financiële instrumenten om de noodzakelijke
infrastructuurinvesteringen aan te wenden als hefboom ter ondersteuning van
alternatieve en duurzamere investeringsmodellen. Het Europees Parlement
heeft in een ontwerpverslag over het toekomstige meerjarig financieel kader
(MFF) erkend dat het belangrijk is de begroting te gebruiken om meer
investeringen in breedband aan te trekken. Wat grensoverschrijdende
digitale-diensteninfrastructuren betreft, werkt de Commissie sinds jaren samen
met diverse groepen van belanghebbenden. In evaluaties en deskundigenadviezen
over bestaande activiteiten, zoals Europeana (voor cultureel erfgoed) of het
programma Safer Internet, wordt alom opgeroepen deze activiteiten voort te
zetten en uit te breiden. Aangezien de begroting naar
verwachting wordt teruggebracht van 9,2 miljard naar 1 miljard euro, moet het
toepassingsgebied van het programma aanzienlijk worden ingeperkt. Met
betrekking tot digitale-diensteninfrastructuren kan daartoe het aanvankelijk
voorgestelde aantal diensten worden teruggebracht of een strengere reeks
financieringscriteria worden ingevoerd. Het onderhavige Commissievoorstel
voorziet in beide mogelijkheden: om begrotingsredenen zijn er twee diensten
geschrapt uit de bijlage bij dit voorstel ("trans-Europese
hogesnelheidsverbindingen in de backbone voor overheidsadministraties" en
"ICT-oplossingen voor slimme energienetten voor de levering van slimme
energie") en is er een algemene diensteninfrastructuur toegevoegd (zie
hieronder). Tijdens de
wetgevingsberaadslagingen die tot nu toe hebben plaatsgevonden heeft de
werkgroep telecommunicatie van de Raad voorgesteld aanvullende
digitale-diensteninfrastructuren toe te voegen op het gebied van
"elektronische procedures voor de verhuizing van het ene Europese land
naar het andere", een "Europees platform voor de koppeling van
diensten inzake arbeidsbemiddeling en sociale zekerheid" en "online
platforms voor administratieve samenwerking". Om begrotingsredenen zijn
deze niet allemaal opgenomen in de bijlage bij het onderhavige voorstel. De Commissie industrie,
onderzoek en energie van het Europees Parlement heeft aanvullende
digitale-diensteninfrastructuren toegevoegd op het gebied van "de introductie
van infrastructuur in openbaar vervoer die het gebruik van veilige en
interoperabele mobiele persoonlijke dienstverlening mogelijk maakt", een
"platform voor onlinegeschillenbeslechting", een "Europees
platform voor toegang tot leermiddelen" en "grensoverschrijdende
interoperabele elektronische factureringsdiensten". Een aantal daarvan
zijn opgenomen in de bijlage bij het onderhavige voorstel. Op het gebied van breedband
bestond de mogelijkheid om geen enkele interventie in het programma op te nemen
of om te zorgen voor een beperkte interventie als hefboom voor particuliere en
andere publieke middelen. Aangezien er in het kader van de ESIF's EU-middelen
beschikbaar zijn voor breedband, met name als vierde prioritaire
concentratiethema binnen het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, en het
gebruik van structuurfondsen voor breedband enige moeilijkheden heeft
opgeleverd, voorziet het onderhavige voorstel in de toepassing van financiële
instrumenten om op doeltreffende wijze onder meer structuurfondsen toe te
wijzen. Zowel de Raad als het
Parlement zijn van mening dat de interventie particuliere investeringen niet
mag vervangen. Beide instellingen zijn het er bovendien over eens dat de
interventie moet worden gebaseerd op het beginsel van de technologische
neutraliteit. Het EP bracht wel zeer ambitieuze streefsnelheden voor de
transmissie naar voren ("1Gbps en meer indien mogelijk"), terwijl een
aantal lidstaten ernaar streefden het aanvankelijke voorstel van de Commissie
te versoepelen, waarbij de CEF-interventie werd verbonden aan het tweede doel
van 30 Mbps in het kader van de Digitale agenda voor Europa. In het huidige
voorstel wordt eraan vastgehouden dat EU-middelen prioritair aan de meest
geavanceerde technologieën worden toegewezen en dat de lidstaten op flexibele
wijze zelf kunnen kiezen welke projecten in hun landen in aanmerking komen voor
financiering op lange termijn. Daardoor wordt het verband met de doelstellingen
van de Digitale agenda bevestigd en wordt tegemoet gekomen aan de ideeën achter
de voorkeuren die beide instellingen tot uitdrukking hebben gebracht. Er is
tevens gediscussieerd over voorkeuren voor de interventiemethode, dat wil
zeggen subsidies of financiële instrumenten (leningen, waarborgen,
projectobligaties of aandelen). Gezien de beperkte middelen voorziet het
onderhavige voorstel enkel in de toepassing van financiële instrumenten als
bron voor voordelige en op de infrastructuurbehoeften afgestemde financiering
op lange termijn. Met betrekking tot de
horizontale punten omvatte het oorspronkelijke voorstel van de Commissie de
bevoegdheid tot vaststelling van gedelegeerde handelingen om de lijst van
projecten van gemeenschappelijk belang in de bijlage aan te passen. In het
onderhavige voorstel is rekening gehouden met de bezorgdheid die met name door
lidstaten tot uitdrukking is gebracht. Op basis daarvan is de bijlage op
afdoende flexibele wijze verwoord en is er in het voorstel voor gezorgd dat de
nodige programma-aanpassingen door middel van uitvoeringshandelingen worden verricht. Tijdens de onderhandelingen
over de wetgeving en de begroting hebben talrijke organisaties van
belanghebbenden steun aan de CEF gegeven, waaronder Digital Europe, de
Europeana Foundation, de Public Sector Information Alliance, de Multilingual
Europe Technology Alliance, de European Telecommunications Network Operators'
Association, de European Competitive Telecommunications Association en de FTTH
Council. In de oorspronkelijke effectbeoordeling,
die in 2011 is uitgevoerd, zijnkomen twee opties aan bod gekomen. In de eerste optie, de basisoptie, worden werden geen andere
Europese financiële middelen voor breedband uitgetrokken dan potentieel, via de structuurfondsen ESIF's en door de voortzetting van het kaderprogramma voor
concurrentievermogen en innovatie voor digitale-diensteninfrastructuren in de
vorm van proefprojecten. In dit scenario zou
geen kritische massa worden bereikt of zou er geen introductie van digitale
diensten plaatsvinden, investeringen in breedband zouden in vele streken
ontoereikend en onvoldoende gefinancierd blijven door
een gebrek aan concurrentiedruk en hoge commerciële risico's. Ook kan worden verwacht dat openbare onlinediensten
onderontwikkeld blijven en over de grenzen heen niet interoperabel zullen zijn
ten gevolge van de versnippering van of niet-optimale interventies en technische oplossingen, een
gebrek aan kritische massa, hoge kosten voor dienstverrichters en afnemers van
diensten. Deze optie zou derhalve niet helpen
om de digitale interne markt tot stand te brengen en vele Europeanen zouden
verstoken blijven van kansen in de digitale wereld. In de tweede optie wordenwordt een financieringsinstrumenten
voorgesteld ter aanvulling van en als hefboom voor de
financiële middelen die in de eerste optie beschikbaar zijn. Dit actiemiddel ligt vervat in
het MFF-voorstel dat de Europese Commissie op 29 juni 2011 heeft voorgelegd om
een financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen ("Connecting Europe
Facility") voor financiering van infrastructuur te creëren. De
nieuwe faciliteit zal infrastructuurprojecten met hoge toegevoegde waarde voor
de EU financieren, niet alleen 'harde' infrastructuur maar ook 'zachte en
slimme' infrastructuur alsmede beheersstructuren om het 'kernnetwerk' voor
vervoer, de 'prioritaire corridors' voor energie en digitale infrastructuur tot
stand te brengen. De faciliteit zou worden
toegespitst op projecten met hoge Europese toegevoegde waarde, zoals
grensoverschrijdende verbindingen of de introductie van pan-Europese systemen,
die tegen 2020 voltooid moeten zijn. Om een
maximaal effect te bereiken moeten passende maatregelen zorgen voor een
combinatie van marktgerichte instrumenten en directe Europese steun om gespecialiseerde infrastructuurinvesteerders tot medewerking
aan te zetten. In het geval van subsidies blijft de
Commissie verantwoordelijk voor de algemene planning en selectie van projecten,
met mogelijke ondersteuning door een uitvoerend agentschap, terwijl
projectontwikkelaars zorgen voor de fysieke uitvoering op het terrein. In het
geval van financiële instrumenten wordt de uitvoering gedelegeerd aan
gespecialiseerde financiële instellingen maar bepaalt de Commissie welke
projecten in aanmerking komen. De lidstaten zullen de inspanningen ondersteunen
door overeenkomstig de breedbandstreefdoelen nationale plannen voor
hogesnelheidsinternet te ontwikkelen terwijl door inventarisering van
breedbandinfrastructuur en -diensten (op Europees en nationaal/regionaal
niveau) lacunes in de dekking worden aangewezen en initiatieven van een breed
gamma van particuliere en openbare investeerders worden gestimuleerd. In het nieuwe voorstel zijn de in
de tweede optie geanalyseerde beginselen of de interventiemethoden niet
wezenlijk gewijzigd, maar de subsidiabiliteitscriteria zijn strenger, waardoor
het toepassingsgebied wordt verkleind. Er is al een groot aantal
grensoverschrijdende digitale diensten verwezenlijkt die worden gebruikt voor
interactie tussen Europese overheidsdiensten ter ondersteuning van het
EU-beleid. Bij het bieden van nieuwe oplossingen is het van belang gebruik te
maken van bestaande oplossingen die in het kader van andere Europese
initiatieven tot stand zijn gekomen, dubbel werk te vermijden en te zorgen voor
coördinatie en onderlinge afstemming van benaderingen en oplossingen met
betrekking tot alle initiatieven en beleidsterreinen, zoals het ISA-programma,
het Fiscalis-programma en Horizon 2020. 3. JURIDISCHE ASPECTEN VAN HET VOORSTEL Wettelijke grondslag De voorgestelde verordening strekt tot
intrekking en vervanging van Beschikking nr. 1336/97/EG van het Europees
Parlement en de Raad van 17 juni 1997 betreffende een geheel van richtsnoeren
voor trans-Europese telecommunicatienetwerken. Het voorgestelde optreden is in
overeenstemming met artikel 172 VWEU, dat een rechtsgrondslag biedt voor de
bijdrage van de EU tot de totstandbrenging en ontwikkeling van trans-Europese
netwerken op het gebied van vervoers-, telecommunicatie- en
energie-infrastructuren. Subsidiariteit
en evenredigheid Voor een
gecoördineerde ontwikkeling van trans-Europese telecommunicatienetwerken met
het oog op de uitbouw van breedbandinfrastructuren en de bevordering van
diensten binnen de Europese interne markt en voor de economische, sociale en
territoriale samenhang moet actie worden ondernemen op het niveau van de Unie, aangezien
deze acties niet individueel door de lidstaten kunnen worden verricht. Het voorstel
voldoet aan het evenredigheidsbeginsel en valt binnen de werkingssfeer van het
optreden op het gebied van trans-Europese telecommunicatienetwerken, zoals
omschreven in artikel 170 van het Verdrag betreffende de werking van de
Europese Unie. Keuze van het
rechtsinstrument De huidige
telecommunicatierichtsnoeren zijn voorgesteld en goedgekeurd in de vorm van een
beschikking van het Europees Parlement en de Raad die specifiek gericht is tot
de lidstaten, waardoor de richtsnoeren in hun geheel bindend zijn voor alle
lidstaten. Het instrument zal
echter in het bijzonder de uitbouw van telecommunicatie-infrastructuur en de
introductie van diensten door particuliere instanties (waaronder exploitanten,
nutsvoorzieningen, fabrikanten van apparatuur, enz.) en regionale en lokale
overheden bevorderen. Nu naast de lidstaten
nog meer spelers bij de planning, de ontwikkeling en het operationeel gebruik
van digitale telecommunicatienetwerken worden betrokken, moet ervoor worden
gezorgd dat de richtsnoeren bindend worden voor iedereen. Derhalve heeft de Commissie gekozen voor een
verordening als rechtsinstrument voor dit voorstel. Financiering Projecten van
gemeenschappelijk belang zullen in aanmerking komen voor Europese financiële
steun via de instrumenten die beschikbaar worden gesteld krachtens de
verordening betreffende de Connecting Europe Facility
CEF [XXX/20012]. Financiële
steun wordt verstrekt overeenkomstig de door de Unie vastgestelde toepasselijke
regels en procedures, de financieringsprioriteiten en de beschikbaarheid van
middelen. Delegatie van bevoegdheden Telecommunicatienetwerken evolueren snel en wellicht zal de lijst van
projecten van gemeenschappelijk belang in de toekomst moeten worden aangepast
aan deze snelle ontwikkelingen. Met het oog daarop wordt voorgesteld aan de
Commissie de bevoegdheid over te dragen om overeenkomstig artikel 290 van het
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te
stellen. Gevolgen
voor andere Commissievoorstellen De wijziging van het
onderhavige Commissievoorstel heeft invloed op een ander dossier dat momenteel
het wetgevingsproces doorloopt, namelijk de verordening
tot invoering van de CEF. Deze verordening bepaalt de
voorwaarden, methoden en procedures om financiële steun van de Unie te verlenen
aan trans-Europese netwerken in de sectoren vervoer, energie en
telecommunicatie. De noodzakelijke wijzigingen
zullen niet van invloed zijn op de horizontale elementen van de
CEF-verordening, afgezien van het feit dat de verordening als relevant voor de
EER wordt beschouwd, waardoor de EER-landen kunnen deelnemen. De CEF-verordening zal een
beperkt aantal wijzigingen omvatten. Zo kan de formulering van bepaalde
overwegingen worden gewijzigd om de veranderde oriëntering van de interventie
weer te geven en kunnen er bepaalde bepalingen worden aangepast of gewijzigd,
waaronder artikel 7, lid 4, inzake de subsidiabiliteit inzake steun op het
gebied van telecommunicatie en artikel 10, lid 4, onder b), inzake de
financieringspercentages voor acties op het gebied van breedband. De in artikel
20 vastgestelde bevoegdheidsdelegatie tot wijziging van het deel van de bijlage
dat betrekking heeft op telecommunicatie, is niet meer noodzakelijk. 4. GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING Het voorstel houdt geen extra kosten voor de
EU-begroting in. Het voorstel voor een verordening betreffende
richtsnoeren voor de tenuitvoerlegging van trans-Europese
telecommunicatienetwerken is verbonden met het voorstel voor een verordening
tot invoering van de CEFConnecting
Europe Facility (CEF), waarmee het wettelijke en financiële kader wordt
vastgesteld. An Het Commissievoorstel voor een nieuw MFK omvatte een bedrag van 9,2 miljard euro[5]
voor telecommunicatie binnen de aan de CEF toegewezen financiering. In de conclusies van de Europese Raad van 8 februari 2013 inzake
het MFK 2014-2020 betreffende het telecommunicatiegedeelte van de CEF is een
bedrag van 1,0 miljard vastgelegd (in prijzen van 2011). Het definitie bedrag
dat aan telecommunicatie wordt toegewezen, zal bekend zijn zodra er politieke
overeenstemming is bereikt over de MFK-cijfers en de nieuwe rechtsgrondslag
door de wetgever is vastgesteld. 2011/0299 (COD) Gewijzigd voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN
DE RAAD betreffende richtsnoeren voor trans-Europese
telecommunicatienetwerken en tot intrekking van Beschikking nr. 1336/97/EG (Voor de EER relevante tekst) HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN
DE EUROPESE UNIE, Gezien het Verdrag betreffende de werking van
de Europese Unie, en met name artikel 172, Gezien het voorstel van de
Europese Commissie, Na toezending van het ontwerp van
wetgevingshandeling aan de nationale parlementen, Gezien het advies van het Europees Economisch
en Sociaal Comité[6], Gezien het advies van het Comité van de
Regio's[7], Handelend volgens de gewone
wetgevingsprocedure, Overwegende hetgeen volgt: (1) Telecommunicatienetwerken en
-diensten zijn infrastructuren die steeds vaker op het internet zijn geënt en
breedbandnetwerken en digitale diensten zijn nauw met elkaar verbonden. Het
internet wordt het overheersende platform voor communicatie, diensten en het bedrijfslevenzakendoen.
Daarom is het voor de economische groei en de interne markt belangrijk dat over
heel Europa snelle internettoegang en digitale diensten van openbaar belang
beschikbaar zijn. (2) Op 17 juni 2010
heeft de Europese Raad de Digitale agenda voor Europa bekrachtigd[8], die beoogt een route uit te stippelen om het
sociale en economische potentieel van informatie- en communicatietechnologieën
te maximaliseren. Hiermee wordt gestreefd naar bevordering van het aanbod van
en de vraag naar concurrerende infrastructuur voor snel internet en op internet
gebaseerde digitale diensten om vooruitgang te boeken naar een daadwerkelijke
eengemaakte digitale markt die essentieel is voor slimme, duurzame en
inclusieve groei. (3) Verordening (EU) nr. […/…] van het Europees Parlement en de Raad van
[…] tot invoering van de Connecting Europe Facility (CEF)[9] bepaalt de
voorwaarden, methoden en procedures om aan trans-Europese netwerken in de
sectoren vervoer, energie en digitale communicatie financiële bijstand van de
Unie te verlenen. Gezien de vergelijkbare uitdagingen en
kansen binnen de sectoren die onder de CEF-verordening vallen, kunnen er
belangrijke synergieën worden benut, onder meer door CEF-financiering te
combineren met andere financieringsbronnen. (4) Er is al
een groot aantal grensoverschrijdende digitale diensten verwezenlijkt die
worden gebruikt voor interactie tussen Europese overheidsdiensten ter
ondersteuning van het EU-beleid. Bij het bieden van nieuwe oplossingen is het
van belang gebruik te maken van bestaande oplossingen die in het kader van
andere Europese initiatieven tot stand zijn gekomen, dubbel werk te vermijden
en te zorgen voor coördinatie en onderlinge afstemming van benaderingen en
oplossingen met betrekking tot alle initiatieven en beleidsterreinen, zoals het
ISA-programma, het Fiscalis-programma en Horizon 2020. Het is tevens van belang
dat de oplossingen voldoen aan de overeengekomen normen, specificaties en
richtsnoeren, zoals het Europees interoperabiliteitskader voor Europese
overheidsdiensten (EIF)[10]. (5) Belangrijke
grensoverschrijdende digitale diensten op de interne markt die zijn gebaseerd
op gezamenlijke bouwstenen, zijn in verschillende lidstaten gevalideerd door
middel van grootschalige proefprojecten die medefinanciering hebben ontvangen
uit het kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie, zoals PEPPOL,
STORK, epSOS, eCODEX en SPOCS. Zij hebben het voor introductie vereiste stadium
van volwassenheid al bereikt of zullen dit in de nabije toekomst bereiken.
Bestaande projecten van gemeenschappelijk belang hebben de meerwaarde van
acties op Europees niveau al aangetoond, onder meer op het gebied van cultureel
erfgoed (Europeana), bescherming van kinderen (Safer Internet) en sociale
zekerheid (EESSI). Voor andere projecten, bijvoorbeeld op het gebied van
consumentenbescherming (ODR), zijn voorstellen gedaan. (6) Digitale-diensteninfrastructuren
overeenkomstig Besluit 922/2009/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16
september 2009 inzake interoperabiliteitsoplossingen voor Europese
overheidsdiensten[11] zullen de elektronische grens- en
sectoroverschrijdende interactie tussen Europese overheidsdiensten bevorderen.
Hierdoor wordt de levering van essentiële diensten mogelijk, onder meer op
gebieden als elektronische identificatie en aanbesteding, grensoverschrijdende
koppeling van bedrijfsregisters, interoperabele elektronische
grensoverschrijdende gezondheidszorg en grensoverschrijdende samenwerking
inzake cyberveiligheid, hetgeen bijdraagt aan de digitale aangemaakte markt.
Dergelijke interactie tussen overheidsdiensten kan worden bereikt door de
schepping en/of verbetering van interoperabele centrale dienstenplatforms die
zijn gestoeld op bestaande gezamenlijke bouwstenen en/of het beschikbaar
stellen van voor de ontwikkeling van andere centrale dienstenplatforms
essentiële aanvullende bouwstenen, en aanverwante generieke diensten die
nationale infrastructuren koppelen met centrale dienstenplatforms om
grensoverschrijdende digitale diensten te leveren. (7) Met
betrekking tot digitale-diensteninfrastructuren krijgen bouwstenen voorrang ten
opzichte van andere digitale-diensteninfrastructuren, aangezien bouwstenen
onontbeerlijk zijn voor deze infrastructuren. Digitale-diensteninfrastructuren
dienen onder meer meerwaarde op Europees niveau te creëren en tegemoet te komen
aan bestaande behoeften. Zij dienen op technisch en operationeel vlak klaar
voor introductie te zijn; dit moet met name zijn aangetoond door middel van
geslaagde proefprojecten. Zij dienen op een concreet duurzaamheidsplan te zijn
gebaseerd, zodat exploitatie van de centrale dienstenplatforms op lange termijn
en na afloop van de CEF is gewaarborgd. Financiële bijstand in het kader van
deze verordening dient derhalve voor zover nodig na verloop van tijd te worden
uitgefaseerd en financiering uit andere bronnen dan de CEF dient te worden
gemobiliseerd. (8) Digitale-diensteninfrastructuren
die op grond van de EU-wetgeving noodzakelijk zijn om te voldoen aan wettelijke
verplichtingen en/of die worden gebruikt om bouwstenen te ontwikkelen of te
leveren en die mogelijk een aanzienlijk effect hebben op ontwikkeling van
pan-Europese overheidsdiensten, dienen bij de financiering voorrang te krijgen
om meervoudige digitale-diensteninfrastructuren te ondersteunen en geleidelijk
een Europees interoperabiliteitsecosysteem op te bouwen. Wettelijke
verplichtingen hebben in deze context betrekking op specifieke bepalingen op
basis waarvan de ontwikkeling of het gebruik van
digitale-diensteninfrastructuren, dan wel resultaten die alleen kunnen worden
bereikt door middel van Europese digitale-diensteninfrastructuren, vereist is. (9) De
lidstaten moeten hun lokale en regionale autoriteiten aanmoedigen om op
alomvattende en doeltreffende wijze betrokken te zijn bij de governance van
digitale-diensteninfrastructuren en ervoor zorgen dat er bij projecten van
gemeenschappelijk belang betreffende de grensoverschrijdende levering van
eGovernment-diensten rekening wordt gehouden met de EIF-aanbevelingen. (10) In zijn
resolutie van 6 juli 2011 over Breedband in Europa: investeren in digitale
groei[12] heeft het Europees Parlement benadrukt dat
breedbanddiensten van essentieel belang zijn voor het concurrentievermogen van
de industrie in de Unie en binnen de Unie in hoge mate bijdragen aan de
economische en sociale samenhang en het scheppen van hoogwaardige
werkgelegenheid. (11) In de
Digitale agenda voor Europa is bepaald dat in 2020 alle Europeanen toegang
moeten hebben tot internet met een snelheid boven de 30 Mbps en dat 50 %
of meer van de Europese huishoudens moet beschikken over een internetverbinding
boven de 100 Mbps. (12) De private sector
moet een voortrekkersrol spelen bij het uitrollen en moderniseren van
breedbandnetwerken, waarbij steun wordt verleend door een regelgevingskader dat
concurrentie en investeringen bevordert. Voor zover particuliere investeringen
tekortschieten, nemen de lidstaten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen
dat de doelstellingen van de Digitale agenda worden behaald. Publieke
financiële bijstand voor breedband dient beperkt te blijven tot programma's of
initiatieven die zijn gericht op projecten die niet geheel door de private
sector kunnen worden gefinancierd. Dit dient te worden bevestigd door een
beoordeling vooraf, waarin sprake is van onvolkomenheden van de markt of
niet-optimale investeringssituaties. (13) Financiële
instrumenten voor breedbandnetwerken mogen de mededinging niet verstoren,
particuliere investeringen niet verdringen en particuliere exploitanten niet
ontmoedigen om te investeren. Zij dienen met name te voldoen aan de artikelen 101,
102, 106 en 107 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. (14) Aangezien er
in het kader van de CEF slechts beperkte financiële middelen ter beschikking
staan, dient de financiële bijstand te worden geconcentreerd op de oprichting
van financieringsmechanismen op EU-niveau, zodat er aanvullende investeringen
worden aangetrokken, er een multiplicatoreffect wordt bereikt en het efficiënte
gebruik van particuliere en overige publieke middelen voor investeringen wordt
bevorderd. Door deze benadering kunnen het bedrijfsleven en institutionele spelers
een bijdrage leveren die veel groter is dan de financiering die via de CEF
toegankelijk is. (15) De steun via
de CEF aan de introductie van breedband dient als aanvulling van bijstand uit
andere dan de programma's en initiatieven van de Unie, waaronder de Europese
structuur- en investeringsfondsen (ESIF's), voor zover er bij een beoordeling
vooraf onvolkomenheden van de markt of niet-optimale investeringssituaties zijn
vastgesteld en de beheersautoriteiten tot deze bijstand zijn overgegaan.
Financiële bijstand in het kader van de CEF aan de introductie van breedband
dient bij te dragen aan de inspanningen van de lidstaten, zowel rechtstreeks
als door het beschikbaar stellen van een investeringsinstrument voor
vrijwillige, toegespitste bijdragen uit andere bronnen, met inbegrip van
ESIF'S, waardoor de lidstaten kunnen profiteren van de expertise en
schaalvoordelen van door de EU beheerde faciliteiten om de doeltreffendheid van
overheidsuitgaven te verhogen. (16) De Unie kan
steun verlenen aan de introductie van breedbandnetwerken die bijdragen aan de
doelstellingen van de Digitale agenda voor Europa in alle soorten gebieden,
waaronder verstedelijkte, landelijke, dunbevolkte en minder ontwikkelde
regio's. Hieronder vallen de introductie van breedbandnetwerken om eilanden en
niet aan zee grenzende, bergachtige, afgelegen en perifere regio's, waaronder
insulaire lidstaten, te verbinden met de centrale regio's van de Unie en/of
acties om de betrouwbaarheid of prestaties van de verbindingen tussen
dergelijke regio's en centrale regio's van de Unie te verbeteren. (17) Bij de
tenuitvoerlegging van deze verordening dient de interventiemethode te zijn
afgestemd op de karakteristieke kenmerken van de desbetreffende acties. Zo
moeten op het gebied van digitale-diensteninfrastructuren centrale
dienstenplatforms die niet uit andere bronnen kunnen worden gefinancierd met
voorrang worden gefinancierd door middel van aanbesteding of, bij wijze van
uitzondering, subsidies. Generieke diensten dienen daarentegen slechts beperkte
financiële bijstand uit de CEF te krijgen. Bovendien dient elke financiële
bijstand uit de CEF te zijn gericht op het doeltreffende gebruik van de
middelen van de Unie. Breedbandnetwerken dienen daarom te worden gesteund door
middel van financiële instrumenten, waardoor een beter hefboomeffect dan bij
subsidies wordt bereikt. (18) De
interventie op grond van deze verordening dient te zijn gericht op het bereiken
van synergieën en interoperabiliteit tussen verschillende projecten van
gemeenschappelijk belang die in de bijlage zijn vermeld, evenals met andere
infrastructuren, waaronder vervoers- en energie-infrastructuren die door de CEF
worden ondersteund, relevante onderzoeksinfrastructuren die onder meer via
Horizon 2020 worden ondersteund en relevante infrastructuren die door de ESIF'S
worden ondersteund, waarbij dubbel werk en een te grote administratieve last
dienen te worden vermeden. (19) Financiële
bijstand aan projecten van gemeenschappelijk belang dient te worden aangevuld
met horizontale acties, waaronder technische bijstand en maatregelen ter
stimulering en coördinatie van de vraag, waarbij moet worden gestreefd naar het
maximaliseren van de impact van de interventie door de EU. (20) Bij het
toewijzen van middelen aan de interventie inzake breedbandnetwerken moet de
Commissie rekening houden met de resultaten van de evaluaties van bestaande
financiële instrumenten van de Unie. (21) De selectie
van nieuwe in het kader van de CEF te financieren acties alsmede van de hoogte
van de financiering dient te worden verricht als onderdeel van een door de
Commissie voorgesteld jaarlijks werkprogramma. (22) De Commissie wordt bijgestaan door een
deskundigengroep met vertegenwoordigers van de lidstaten, die wordt
geraadpleegd en bijdragen levert over onder meer het toezicht op de uitvoering
van deze richtsnoeren, de planning, de evaluatie en het aanpakken van
uitvoeringsproblemen. (2) Op 26
maart 2010 verwelkomde de Europese Raad het voorstel van de Commissie om de
Europa 2020-strategie te lanceren. Een van de drie prioriteiten van Europa 2020
is slimme groei door de ontwikkeling van een op kennis en innovatie gebaseerde
economie. Investeringen in telecommunicatie, met name breedbandnetwerken en
digitale-diensteninfrastructuren, zijn een noodzakelijke voorwaarde voor een
slimme maar ook duurzame en inclusieve economische groei van de Unie. (3) Op 17
juni 2010 hechtte de Europese Raad zijn goedkeuring aan de Digitale agenda voor
Europa[13]
en riep hij alle instellingen op zich in te zetten voor de volledige uitvoering
daarvan. De Digitale agenda beoogt een route uit te stippelen om het sociale en
economische potentieel van informatie- en communicatietechnologieën te
maximaliseren, in het bijzonder door de ontwikkeling van supersnelle
breedbandnetwerken, waarbij ernaar wordt gestreefd dat alle Europeanen tegen 2020
toegang hebben tot internetsnelheden van meer dan 30 Mbps en 50% of meer van de
Europese huishoudens beschikken over een internetverbinding van meer dan 100 Mbps.
De Digitale agenda beoogt het opstellen van een stabiel rechtskader ter
bevordering van investeringen in een open en concurrerende infrastructuur voor
snel internet en in aanverwante diensten; een echte interne markt voor
online-inhoud en -diensten; actieve steun voor de digitalisering van Europa's
rijke culturele erfgoed en de bevordering van toegang tot en gebruik van het
internet door iedereen, in het bijzonder door verbetering van digitale
vaardigheden en de toegankelijkheid van het internet. Daarnaast moeten de
lidstaten operationele nationale plannen voor snel internet ten uitvoer leggen
en publieke middelen afstemmen op gebieden waar de particuliere investeringen
in internetinfrastructuren onvoldoende zijn, en moeten zij de introductie en
het gebruik van moderne, toegankelijke onlinediensten bevorderen. (4) In de
mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees
Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's – Breedband in
Europa: investeren in digitale groei[14]
luidt het dat wegens de cruciale rol van het internet de voordelen voor de
maatschappij als geheel veel groter blijken te zijn dan de voordelen die
particulieren halen uit investeringen in snellere netwerken. Daarom is
overheidssteun op dit gebied noodzakelijk maar mag de mededinging niet worden verstoord. (5) In de
mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees
Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's – Een begroting voor
Europa 2020[15]
wordt voorgesteld in het kader van het meerjarig financieel kader een
financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen ("Connecting Europe
Facility") te creëren, om de behoeften aan infrastructuur van de EU op het
gebied van vervoer, energie en informatie- en communicatietechnologieën te
ondervangen. Synergieën tussen deze sectoren en met andere
investeringsprogramma's van de Unie zijn belangrijk omdat er zich soortgelijke
uitdagingen voordoen om oplossingen te vinden die groei op gang brengen,
versnippering vermijden, de samenhang versterken, het gebruik van innovatieve
financiële instrumenten bevorderen en marktfalen tegengaan alsmede knelpunten
wegnemen die de voltooiing van de interne markt in de weg staan. (6) Verordening
(EU) nr […/…] van het Europees Parlement en de Raad van […] tot invoering van
de Connecting Europe Facility[16]
bepaalt de voorwaarden, methoden en procedures om aan trans-Europese netwerken
financiële steun van de Unie te verlenen ter ondersteuning van projecten op het
gebied van vervoers-, energie- en telecommunicatie-infrastructuren. (7) Acties op
het gebied van breedbandnetwerken zullen sporen met de desbetreffende
beleidslijnen, regelgeving en leidraden van de EU. Hiertoe behoort het geheel
van regels en richtsnoeren voor de telecommunicatiemarkten, in het bijzonder
het in 2009 goedgekeurde regelgevingskader voor
elektronische-communicatienetwerken en -diensten, dat een samenhangende,
betrouwbare en flexibele aanpak biedt voor de reglementering van
elektronische-communicatienetwerken en -diensten in snel evoluerende markten.
Deze regels worden ten uitvoer gelegd door de nationale regelgevende instanties
en het Orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische
communicatie (BEREC). De in 2010 vastgestelde NGA-aanbeveling[17]
heeft tot doel de ontwikkeling van de eengemaakte markt te stimuleren door de
rechtszekerheid te verbeteren en investeringen, concurrentie en innovatie in de
markt voor breedbanddiensten te bevorderen, in het bijzonder in de omschakeling
naar toegangsnetwerken van de nieuwe generatie (NGA's). (8) Deze
acties zullen ook in overeenstemming zijn met de artikelen 101, 102 en 106 van
het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en met de in 2009
vastgestelde communautaire richtsnoeren voor de toepassing van de
staatssteunregels in het kader van de snelle uitrol van breedbandnetwerken, die
belanghebbenden en lidstaten een duidelijk en voorspelbaar kader bieden om de
ontwikkeling van breedband te versnellen en te verruimen. De EU-richtsnoeren
voor NGA-investeringsmodellen voor Europese beheersautoriteiten en andere relevante
agentschappen (gepubliceerd in oktober 2011) voorzien in een stapsgewijze
aanpak voor de tenuitvoerlegging van een reeks modellen die moeten zorgen voor
eerlijke concurrentie tussen alle leveranciers en de doelstellingen van het
beleid voor cohesie en plattelandsontwikkeling moeten nastreven. (9) In het
kader van een stelsel van open en concurrerende markten is optreden van de Unie
noodzakelijk om markttekortkomingen aan te pakken. Door financiële steun en
bijkomende financiële draagkracht te verstrekken aan infrastructuurprojecten,
kan de Unie bijdragen tot de oprichting en uitbouw van trans-Europese netwerken
op het gebied van telecommunicatie en dus hogere baten genereren wat
markteffecten, administratieve efficiëntie en het gebruik van hulpbronnen betreft. (10) Aan hogere
breedbandsnelheden zijn aanzienlijke economische en sociale voordelen
verbonden, die niet kunnen worden vastgesteld of verrekend door investeerders.
Snelle en supersnelle breedband is de sleutelinfrastructuur die aan de basis
ligt van de ontwikkeling en introductie van digitale diensten, welke
afhankelijk zijn van de beschikbaarheid, de snelheid, de betrouwbaarheid en de
veerkracht van de fysieke netwerken. De introductie en het gebruik van snellere
netwerken maken de weg vrij voor innovatieve diensten die met hogere snelheden
werken. Actie op het niveau van de Unie is noodzakelijk om de synergie en
interactie tussen deze twee componenten van digitale telecommunicatienetwerken
te maximaliseren. (11) De
ontwikkeling van supersnelle breedband zal in het bijzonder ten goede komen aan
het midden- en kleinbedrijf (MKB), dat wegens ontoereikende connectiviteit en
snelheid van bestaande breedbandverbindingen vaak geen gebruik kan maken van
webdiensten zoals 'cloud computing'. Hiermee wordt het potentieel voor
aanzienlijke productiviteitswinst in het MKB ontsloten. (12) Door het
bevorderen van bedrijfskansen zal de ontwikkeling van breedbandnetwerken en
digitale-diensteninfrastructuren het scheppen van banen in de Unie stimuleren.
De aanleg van breedbandnetwerken zal ook een onmiddellijke weerslag hebben op
de werkgelegenheid, in het bijzonder bij civieltechnische werken. (13) De
ontwikkeling van breedbandnetwerken en digitale-diensteninfrastructuren zal
bijdragen tot de doelstelling van de Unie om de uitstoot van broeikasgassen te
verminderen door energie-efficiënte oplossingen mogelijk te maken in tal van
Europese bedrijfssectoren. Dit positieve effect zal, zij het slechts in
beperkte mate, verminderen door de groeiende vraag naar energie en hulpbronnen
die hoofdzakelijk voortvloeit uit de aanleg van breedbandnetwerken en de
werking van digitale-diensteninfrastructuren. (14) Interoperabiliteit
tussen breedbandnetwerken en de infrastructuur voor digitale communicatie die
aan energienetwerken is verbonden, maakt geconvergeerde communicatie voor de
introductie van energie-efficiënte, betrouwbare en kosteneffectieve digitale
netwerken mogelijk. Naast de connectiviteit zal ook de convergentie nog
toenemen zodat het mogelijk wordt dat energie en telecomdiensten in pakketten
worden geleverd door aanbieders van respectievelijk energie- en
telecomdiensten. (15) Door het
ontwikkelen, het introduceren en het aanbieden op lange termijn van
interoperabele grensoverschrijdende eGovernment-diensten wordt de werking van
de interne markt versterkt. Van regeringen wordt verwacht dat zij openbare
onlinediensten verstrekken die bijdragen tot een grotere efficiëntie en
effectiviteit van de openbare en particuliere sector. (16) Door de
operationele invoering van gemeenschappelijke elektronische dienstverlening van
de overheid overeenkomstig Besluit nr. 922/2009/EG van het Europees Parlement
en de Raad van 16 september 2009[18]
worden gemeenschappelijke diensten beschikbaar gesteld ter ondersteuning van
grensoverschrijdende en sectoroverschrijdende interactie tussen Europese
overheidsdiensten. (17) Richtlijn 2011/24/EU
van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2011 betreffende de
toepassing van de rechten van patiënten bij grensoverschrijdende
gezondheidszorg[19]
verschaft een wettelijk kader voor grensoverschrijdende verstrekking van
gezondheidszorg, waaronder eHealth-diensten, in Europa. Verwacht wordt dat dit
de zorgkwaliteit en de veiligheid van de patiënt zal verbeteren, de medische
kosten zal doen dalen, zal bijdragen tot de modernisering van de nationale
gezondheidsstelsels en tot meer efficiëntie, zodat zij beter aangepast zijn aan
de individuele behoeften van burgers, patiënten, beroepsmensen uit de
gezondheidssector en aan de uitdagingen van de vergrijzende samenleving. (18) Door de
toegang tot Europa's rijke en diverse culturele inhoud en tot de gegevens van
overheidsinstanties te verbeteren en te beschermen en door deze open te stellen
voor hergebruik, met volle naleving van het auteursrecht en de naburige rechten,
zal er ruimte vrijkomen voor creativiteit en worden innovatie en
ondernemerschap bevorderd. Onbelemmerde toegang tot herbruikbare meertalige
hulpmiddelen zal helpen taalbarrières neer te halen die de interne markt voor
onlinediensten ondermijnen en de toegang tot kennis beperken. (19) Op het
gebied van veiligheid en beveiliging zal een EU-breed platform voor het delen
van hulpbronnen, informatiesystemen en software voor onlineveiligheid ertoe
bijdragen dat kinderen zich veiliger online kunnen begeven. In heel Europa
zullen daardoor centra kunnen opereren die jaarlijks honderdduizenden hulp- of
alarmoproepen kunnen behandelen. Kritieke informatie-infrastructuren zullen de
capaciteit van de Unie verbeteren op het gebied van paraatheid, informatie-uitwisseling,
coördinatie en respons ten aanzien van bedreigingen van de cyberveiligheid. (20) Verwacht
wordt dat er op de digitale-diensteninfrastructuren innovatieve applicaties van
commerciële aard zullen ontstaan. Het exploreren en het testen daarvan kan in
aanmerking komen voor medefinanciering als onderdeel van projecten voor
onderzoek en innovatie in het Horizon 2020-programma en de introductie daarvan
in het cohesiebeleid. (21) Om
rekening te houden met ontwikkelingen op het gebied van informatie- en
communicatietechnologieën dient aan de Commissie de bevoegdheid te worden
overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de
werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen met betrekking tot de
wijziging van de bijlage bij deze verordening. Het is bijzonder belangrijk dat
de Commissie tijdens haar voorbereidende werkzaamheden passende raadplegingen
houdt, inclusief op het niveau van deskundigen. Deze bevoegdheidsoverdracht
heeft tot doel een antwoord te bieden op nieuwe technologische en
marktontwikkelingen, waardoor nieuwe politieke prioriteiten opkomen of kansen
ontstaan om gebruik te maken van synergieën tussen verschillende
infrastructuren, waaronder de infrastructuren voor vervoer en energie. De
bevoegdheidsoverdracht blijft beperkt tot het wijzigen van de beschrijving van
de projecten van gemeenschappelijk belang, door toevoeging van een project van
gemeenschappelijk belang of weglating van een verouderd project van
gemeenschappelijk belang, overeenkomstig voorafbepaalde, duidelijke en
transparante criteria. (22) De
Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde
handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste
wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad. (23) Beschikking
nr. 1336/97/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 1997
betreffende een geheel van richtsnoeren voor trans-Europese
telecommunicatienetwerken[20]
bepaalt de doelstellingen, de prioriteiten en de grote actielijnen die in
trans-Europese netwerken op het gebied van telecommunicatie-infrastructuur in
het vooruitzicht worden gesteld. In het licht van de recente ontwikkelingen
dient die beschikking te worden vervangen. (24) Beschikking
nr. 1336/97/EG dient daarom te worden ingetrokken, HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING
VASTGESTELD: Artikel 1
Voorwerp 1. In deze verordening worden
richtsnoeren vastgesteld betreffende de tijdige introductie
en de interoperabiliteit van projecten van gemeenschappelijk belang op het
gebied van trans-Europese telecommunicatienetwerkentot
aanwijzing van die trans-Europese telecommunicatienetwerken waarvan de
ontwikkeling, tenuitvoerlegging, introductie, interconnectie en
interoperabiliteit worden ondersteund overeenkomstig Verordening XXX (de
CEF-verordening). In deze richtsnoeren worden de
doelstellingen en de prioriteiten van projecten van gemeenschappelijk belang
bepaald, worden projecten van gemeenschappelijk belang aangewezen en worden
criteria vastgesteld voor de aanwijzing van nieuwe projecten van
gemeenschappelijk belang. 2. Deze
verordening voorziet in het bijzonder in: (a)
de doelstellingen met
betrekking tot projecten van gemeenschappelijk belang; (b)
de voorwaarden waaronder
projecten van gemeenschappelijk belang in aanmerking komen voor financiële
bijstand door de Unie overeenkomstig Verordening (EU) nr. xxx/2012
[CEF-verordening] voor de ontwikkeling, uitvoering, introductie, koppeling en
interoperabiliteit ervan; (c)
de criteria voor de
prioriteitstelling op basis waarvan projecten van gemeenschappelijk belang
financiële bijstand van de Unie ontvangen of daarvan profiteren. Artikel 2
Doelstellingen Projecten van
gemeenschappelijk belang: (1)
dragen bij tot
economische groei en ondersteunen de ontwikkeling van de interne markt, hetgeen
leidt tot verbetering van het concurrentievermogen van het Europese
bedrijfsleven, waaronder het midden- en kleinbedrijf (MKB); (2)
dragen bij tot
verbeteringen in het dagelijks leven voor burgers, bedrijven en overheden door
bevordering van interconnectie en interoperabiliteit van nationale
telecommunicatienetwerken en toegang tot deze netwerken; (3)
stimuleren de Europa-wijde
introductie van snelle en supersnelle breedbandnetwerken die op hun beurt de
ontwikkeling en introductie van trans-Europese digitale diensten bevorderen; (4)
bevorderen de duurzame
introductie van trans-Europese digitale-diensteninfrastructuren, de
interoperabiliteit en coördinatie daarvan op Europees niveau, de exploitatie,
het onderhoud en de opwaardering daarvan; (5)
dragen bij tot de vermindering
van de uitstoot van broeikasgassen en tot de bescherming en verbetering van het
milieu. Artikel 2 3
Definities 1. Voor de toepassing van deze
verordening gelden de definities van artikel 2 van Verordening (EU) nr. xxx/2012 (CEF-verordening).In
deze verordening wordt verstaan onder: 2. Bovendien
gelden de volgende definities: (a)
"Telecommunicatienetwerken":
breedbandnetwerken en digitale-diensteninfrastructuren. (b)
"Digitale-diensteninfrastructuur":
infrastructuur waarmee diensten op netwerken op elektronische wijze, meestal
via het internet, worden geleverd, en die trans-Europese interoperabele
dienstverlening in het gezamenlijk belang aanbiedt aan burgers, bedrijven en/of
regeringen. Digitale-diensteninfrastructuur bestaat uit centrale
dienstenplatforms en generieke diensten. (c)
“Bouwsteen”: herbruikbare
digitale-diensteninfrastructuur. (d)
“Centraal dienstenplatform”:
centraal element van digitale-diensteninfrastructuren dat gericht is op het
waarborgen van trans-Europese connectiviteit, toegang en interoperabiliteit. Centrale
dienstenplatforms staan open voor de lidstaten en kunnen ook voor andere
entiteiten openstaan. (e)
"Generieke dienst”:
dienst die een of meer nationale infrastructuren verbindt met een of meer
centrale dienstenplatforms om grensoverschrijdende digitale diensten te
leveren. (f)
"bBreedbandnetwerken": toegangsnetwerken via draad of
draadloos (waaronder satellietnetwerken), aanvullende infrastructuur en
kernnetwerken die connectiviteit tegen zeer hoge snelheden kunnen leveren en daardoor bijdragen tot de breedbanddoelstellingen van de
Digitale agenda voor Europa. (g)
"digitale-diensteninfrastructuur":
diensten op netwerken die elektronisch, meestal via het internet, worden
geleverd, die trans-Europese interoperabele dienstverlening in het openbaar
belang aanbieden en die ontsluitend van aard zijn voor burgers, bedrijven en/of
regeringen; (h)
"Europese
meerwaarde": de waarde die voortvloeit uit een EU-interventie en die een
meerwaarde vertegenwoordigt ten opzichte van de waarde die anders tot stand zou
zijn gebracht door de actie van één lidstaat of door de actie van een groep van
lidstaten.
Voor de toepassing van deze verordening gelden eveneens de definities van
verordening XXX (de CEF-verordening). Artikel
3
Doelstellingen 1. De
projecten van gemeenschappelijk belang dragen bij tot het verwezenlijken van de
algemene doelstellingen van artikel 3 van Verordening (EU) nr. xxx/2012
[CEF-verordening]. 2. Behalve dat
de projecten van gemeenschappelijk belang bijdragen aan het verwezenlijken van
de algemene doelstellingen, helpen zij bij het bereiken van een of meer van de
volgende specifieke doelstellingen: (a)
economische groei en het
ondersteunen van de voltooiing van de eengemaakte digitale markt ter
verbetering van het concurrentievermogen van de Europese economie, waaronder
het midden- en kleinbedrijf (mkb); (b)
verbeteringen in het
dagelijks leven voor burgers, bedrijven en overheden door bevordering van
interconnectie en interoperabiliteit van nationale, regionale en lokale
telecommunicatienetwerken en toegang tot deze netwerken. 3. De volgende
operationele prioriteiten dragen bij aan het bereiken van de doelstellingen in
lid 1 en 2: (a)
interoperabiliteit,
connectiviteit, duurzame introductie, exploitatie en opwaardering van
trans-Europese digitale-diensteninfrastructuren en hun gezamenlijke bouwstenen,
alsmede coördinatie op Europees niveau; (b)
een efficiënte stroom
van particuliere en publieke investeringen om de introductie en modernisering
van breedbandnetwerken te bevorderen en daardoor bij te dragen aan het behalen
van de breedbanddoelstellingen van de Digitale agenda voor Europa. Artikel 4
Prioriteiten voor projecten van gemeenschappelijk belang Rekening houdend met de in
artikel 2 genoemde doelstellingen wordt voor projecten van gemeenschappelijk
belang prioriteit gegeven aan: (a)
de introductie van supersnelle
breedbandnetwerken met datatransmissiesnelheden van 100 Mbps en meer; (b)
de introductie van
breedbandnetwerken om insulaire, niet aan zee grenzende en perifere regio's met
de centrale regio's van de Unie te verbinden, waarbij ervoor wordt gezorgd dat
de datatransmissiesnelheden in deze regio's toereikend zijn om
breedbandverbindingen van 30 Mbps en meer mogelijk te maken; (c)
ondersteuning van centrale
dienstenplatforms op het gebied van digitale-diensteninfrastructuren; (d)
acties die synergieën en
interoperabiliteit tot stand kunnen brengen tussen verschillende projecten van
gemeenschappelijk belang op het gebied van telecommunicatie, tussen projecten
van gemeenschappelijk belang betreffende verschillende soorten infrastructuur,
waaronder vervoer en energie, tussen projecten van gemeenschappelijk belang op
het gebied van telecommunicatie en door de structuurfondsen en het Cohesiefonds
ondersteunde projecten, alsmede desbetreffende onderzoeksinfrastructuren. Artikel 4 5
Projecten van gemeenschappelijk belang 1. De in de
bijlage omschreven projecten van gemeenschappelijk belang dragen bij tot de
verwezenlijking van de in artikel 2 genoemde doelstellingen. 1. Projecten
van gemeenschappelijk belang hebben de volgende kenmerken: (a)
zij zijn gericht op het creëren
en/of verbeteren van interoperabele en voor zover mogelijk internationaal
compatibele centrale dienstenplatforms en hun gezamenlijke bouwstenen,
vergezeld van generieke diensten voor digitale-diensteninfrastructuren; (b)
zij bieden efficiënte
investeringsinstrumenten voor breedband, trekken nieuwe categorieën
investeerders en projectontwikkelaars aan en bevorderen de dupliceerbaarheid
van innovatieve projecten en zakelijke modellen. 2. Een
projectProjecten van gemeenschappelijk belang kankunnen de volledige cyclus
daarvan omvatten, waaronder haalbaarheidsstudies, tenuitvoerlegging, permanente
exploitatie, coördinatie en evaluatie. 3. Projecten
van gemeenschappelijk belang kunnen door middel van horizontale acties worden
ondersteund. 4. Projecten
van gemeenschappelijk belang en acties die daaraan bijdragen zijn nader
omschreven in de bijlage bij deze verordening. 3. Lidstaten
en/of andere instanties die belast zijn met de tenuitvoerlegging van projecten
van gemeenschappelijk belang of die tot de tenuitvoerlegging daarvan bijdragen,
nemen de nodige wettelijke, bestuursrechtelijke, technische en financiële
maatregelen in overeenstemming met de desbetreffende specificaties van deze
verordening. 4. De Unie
kan de tenuitvoerlegging van projecten van gemeenschappelijk belang bevorderen
door middel van regelgevende maatregelen waar passend, door coördinatie,
steunmaatregelen en financiële ondersteuning om de introductie en het gebruik
ervan te stimuleren, alsmede door openbare en particuliere investeringen. 5. Acties
die bijdragen tot projecten van gemeenschappelijk belang komen in aanmerking
voor financiële steun van de EU op basis van de voorwaarden en de instrumenten
die beschikbaar worden gesteld krachtens de verordening tot invoering van de
Connecting Europe Facility. Financiële steun wordt verstrekt overeenkomstig de
door de Unie vastgestelde toepasselijke regels en procedures, de
financieringsprioriteiten en de beschikbaarheid van middelen. 6. De
Commissie wordt gemachtigd om gedelegeerde handelingen vast te stellen met
betrekking tot de wijziging van de omschrijving van de in de bijlage
vastgestelde projecten van gemeenschappelijk belang, door in overeenstemming
met de leden 7, 8 en 9 hieronder en overeenkomstig artikel 8 nieuwe projecten
van gemeenschappelijk belang aan de bijlage toe te voegen of verouderde
projecten van gemeenschappelijk belang uit de bijlage te verwijderen. 7. Wanneer
de Commissie de in lid 6 bedoelde gedelegeerde handeling vaststelt,
beoordeelt zij of de wijziging van de omschrijving van het project van
gemeenschappelijk belang dan wel de toevoeging van een nieuw project van
gemeenschappelijk belang overeenstemt met de behoeften die voortspruiten uit: (a)
nieuwe technologische en
marktontwikkelingen; of (b)
opkomende politieke
prioriteiten; of (c)
nieuwe kansen voor het
benutten van synergieën tussen verschillende infrastructuren, inclusief op het
gebied van vervoer en energie. 8. Indien de
gedelegeerde handeling betrekking heeft op de toevoeging van een nieuw project
van gemeenschappelijk belang, beoordeelt de Commissie naast de in lid 7
vastgestelde criteria eveneens of dit project cumulatief voldoet aan de
volgende criteria: (a)
het draagt bij tot de in artikel 2
genoemde doelstellingen; (b)
het is gebaseerd op
rijpe technologie die klaar is voor introductie; (c)
het vertoont Europese
meerwaarde. 9. Wanneer
de Commissie een gedelegeerde handeling vaststelt waarbij een verouderd project
van gemeenschappelijk belang uit de bijlage wordt verwijderd, beoordeelt zij of
dit project niet langer voldoet aan de in lid 7 vastgestelde behoeften en of
het niet langer voldoet aan de in lid 8 vastgestelde criteria. Artikel 5
Interventiemethoden 1. Op het
gebied van digitale-diensteninfrastructuren worden centrale dienstenplatforms
hoofdzakelijk door de Unie uitgevoerd; generieke diensten worden uitgevoerd
door partijen die verbindingen met het desbetreffende centrale dienstenplatform
tot stand brengen. Investeringen in breedbandnetwerken worden voornamelijk door
de private sector gedaan. Publieke steun wordt alleen verleend bij marktfalen
of een niet-optimale investeringssituatie. 2. Lidstaten,
waaronder lokale en regionale autoriteiten, en/of andere instanties die belast
zijn met de tenuitvoerlegging van projecten van gemeenschappelijk belang of die
tot de tenuitvoerlegging daarvan bijdragen, nemen de nodige wettelijke,
bestuursrechtelijke, technische en financiële maatregelen in overeenstemming
met de desbetreffende specificaties van deze verordening. 3. Acties die
bijdragen tot projecten van gemeenschappelijk belang komen in aanmerking voor
financiële steun van de EU op basis van de voorwaarden en de instrumenten die
beschikbaar worden gesteld krachtens Verordening (EU) nr. xxx/2012
[CEF-verordening]. Financiële steun wordt verstrekt overeenkomstig de door de
Unie vastgestelde toepasselijke regels en procedures, de
financieringsprioriteiten en de beschikbaarheid van middelen. Meer in het
bijzonder: (a)
Acties die bijdragen tot
projecten van gemeenschappelijk belang op het gebied van digitale-diensteninfrastructuren
kunnen worden gesteund door: (a)
aanbesteding en/of (b)
subsidies. (b)
Acties die bijdragen tot
projecten van gemeenschappelijk belang op het gebied van breedbandnetwerken
kunnen worden gesteund door: (a)
financiële instrumenten als
gedefinieerd in Verordening (EU) nr. xxx/2012 [CEF-verordening] die openstaan
voor aanvullende bijdragen uit andere delen van de Connecting Europe Facility,
andere instrumenten, programma's en begrotingslijnen van de EU-begroting,
lidstaten, met inbegrip van regionale en lokale autoriteiten en alle andere
investeerders, met inbegrip van particuliere investeerders overeenkomstig
artikel 15, lid 2, van Verordening (EU) nr. xxx/2012 [CEF-verordening] en/of (b)
de combinatie van
financiële instrumenten en subsidies uit andere publieke bronnen dan de CEF, op
Europees of nationaal vlak. (c)
Horizontale acties worden
ondersteund door (a)
aanbesteding en/of (b)
subsidies. 4. Voor zover
de steun uit de CEF de ESIF's en andere rechtstreekse publieke steun aanvult,
kan het behalen van synergieën tussen de CEF-acties en steun uit de ESIF's
worden versterkt door een passend coördinatiemechanisme te gebruiken. Artikel 6 Subsidiabiliteitscriteria
en prioriteiten voor financiering 1. Acties die
bijdragen tot projecten van gemeenschappelijk belang op het gebied van
digitale-diensteninfrastructuren moeten om in aanmerking voor financiering te
komen aan alle onderstaande voorwaarden voldoen: (a)
zij moeten een stadium van
volwassenheid hebben bereikt op basis waarvan zij kunnen worden geïntroduceerd;
dit moet met name zijn aangetoond door middel van geslaagde proefprojecten in
het kader van programma's, zoals EU-programma's op het gebied van innovatie en
onderzoek; (b)
zij moeten bijdragen aan
het beleid en de activiteiten van de EU ter ondersteuning van de eengemaakte
markt; (c)
zij moeten meerwaarde op Europees
niveau en duurzaamheid op lange termijn creëren, indien van toepassing door
middel van financiering uit andere bronnen dan de CEF, hetgeen moet zijn
vastgesteld in een haalbaarheidsstudie en kosten-batenanalyse; (d)
zij moeten voldoen aan
overeengekomen normen, specificaties en richtsnoeren voor interoperabiliteit,
zoals het Europees interoperabiliteitskader voor Europese overheidsdiensten, en
gebruikmaken van bestaande oplossingen. 2. Essentiële
bouwstenen met aantoonbare vooruitzichten te worden gebruikt in de
ontwikkeling, introductie en exploitatie van andere
digitale-diensteninfrastructuren als vermeld in de bijlage, hebben bij de
financiering eerste prioriteit. 3. Tweede
prioriteit krijgen digitale-diensteninfrastructuren die specifieke bepalingen
van de EU-wetgeving ondersteunen en zijn gebaseerd op bestaande bouwstenen. 4. Op basis
van de doelstellingen van artikel 3 en afhankelijk van het beschikbare budget
kunnen er in de werkprogramma's verdere criteria inzake subsidiabiliteit en
prioriteiten op het gebied van digitale-diensteninfrastructuren worden
vastgesteld. 5. Acties die
bijdragen tot projecten van gemeenschappelijk belang op het gebied van
breedbandnetwerken moeten om in aanmerking voor financiering te komen aan alle
onderstaande voorwaarden voldoen: (a)
zij moeten een aanzienlijke
bijdrage leveren aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de Digitale
agenda voor Europa; (b)
zij moeten wat betreft de
projectontwikkeling en -voorbereiding een afdoende stadium van volwassenheid
hebben bereikt en worden ondersteund door doeltreffende mechanismen voor de
uitvoering; (c)
zij moeten reageren op
onvolkomenheden van de markt of niet-optimale investeringssituaties; (d)
zij mogen er niet toe
leiden dat de mededinging wordt verstoord of particuliere investeringen worden
verdrongen; (e)
zij moeten de technologie
gebruiken die als meest geschikt wordt beschouwd om tegemoet te komen aan de
behoeften van het desbetreffende gebied, rekening houdend met geografische,
sociale en economische factoren op basis van objectieve criteria en de
technologische neutraliteit; (f)
zij moeten de meest
geavanceerde technologie introduceren en/of zijn gebaseerd op innovatieve
zakelijke modellen, en een hoge mate van dupliceerbaarheid bieden. 6. De criteria
onder punt f van het voorafgaande lid zijn niet vereist voor projecten die
worden gefinancierd uit aanvullende toegespitste bijdragen die worden verleend
overeenkomstig artikel 15, lid 2, van Verordening (EU) nr. xxx/2012
[CEF-verordening]. 7. De subsidiabiliteitscriteria
voor horizontale acties worden vastgesteld in de werkprogramma's. Artikel 7 6 Samenwerking met derde landen en
internationale organisaties De Unie kan contacten leggen, besprekingen
aangaan, informatie uitwisselen en samenwerken met overheden of andere
organisaties in derde landen om een van de bij deze richtsnoeren nagestreefde
doelstellingen te verwezenlijken wanneer deze samenwerking
leidt tot Europese meerwaarde. Tot de doelstellingen van deze
samenwerking behoort onder meer de bevordering van de interoperabiliteit tussen
trans-Europese telecommunicatienetwerken telecommunicatienetwerken in de Unie en
telecommunicatienetwerken van derde landen. 2. De Unie
kan verder contacten leggen, besprekingen aangaan, informatie uitwisselen en
samenwerken met internationale organisaties en in derde landen gevestigde
wettelijke entiteiten, om een van de bij deze richtsnoeren nagestreefde
doelstellingen te verwezenlijken. Artikel 8 7
Informatie-uitwisseling, toezicht en rapportageevaluatie 1. Op basis van de informatie
die zij ontvangen overeenkomstig artikel 21 van Verordening XXX tot invoering
van de CEFConnecting Europe
Facility, wisselen de lidstaten en de Commissie informatie uit over de
voortgang in de tenuitvoerlegging van deze richtsnoeren. 2. De Commissie wordt bijgestaan
door een groep van deskundigen, bestaande uit een vertegenwoordiger van elke
lidstaat, en raadpleegt dezevoor
toezicht op de tenuitvoerlegging van deze richtsnoeren, ondersteuning bij de
planning via de nationale strategieën voor hogesnelheidsinternet en
inventarisering van infrastructuren, en uitwisseling van informatie. De groep van deskundigen kan zich eveneens buigen over ieder
ander onderwerp met betrekking tot de ontwikkeling van trans-Europese
telecommunicatienetwerken. De groep van deskundigen
steunt de Commissie met name op de volgende gebieden: (a)
toezicht op de toepassing
van deze richtsnoeren; (b)
uitstippelen van nationale
plannen of nationale strategieën, indien van toepassing; (c)
nemen van maatregelen om
de uitvoering van de werkprogramma's op financieel en technisch niveau te
beoordelen; (d)
aanpakken van bestaande of
opkomende problemen bij de uitvoering van projecten. De groep van deskundigen kan
zich eveneens buigen over ieder ander onderwerp met betrekking tot de
ontwikkeling van trans-Europese telecommunicatienetwerken. 3. Samen met de tussentijdse
evaluatie en de ex-postevaluatie van Verordening XXX tot invoering van de CEFConnecting Europe Facility en
na raadpleging van de groep van deskundigen publiceert de Commissie een verslag
over de voortgang in de tenuitvoerlegging van deze richtsnoeren. Dit verslag
wordt aan het Europees Parlement, en
de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het
Comité van de Regio's voorgelegd. 4. In deze verslagen evalueert
de Commissie eveneens of de werkingssfeer van de projecten van
gemeenschappelijk belang de politieke prioriteiten,
technologische ontwikkelingen en innovaties alsmede de
ontwikkelingen op het gebied van regelgeving of de markt en de economie blijft
weerspiegelen, en of, gezien dergelijke ontwikkelingen en de noodzaak van
duurzaamheid op lange termijn, financiering voor een of meer van de
ondersteunde projecten van gemeenschappelijk belang moet worden uitgefaseerd
dan wel dat deze uit andere bronnen moeten worden gefinancierd. of de situatie in de desbetreffende markten blijft
weerspiegelen. Voor grote projecten die naar verwachting aanzienlijke effecten op het milieu hebben, bevatten
deze verslagen een analyse van de milieu-effecten, indien van
toepassing rekening houdend met de behoeften inzake aanpassing aan en
matiging van de klimaatverandering en inzake rampbestendigheid. Deze evaluatie
kan eveneens op enig ander ogenblik worden verricht wanneer dit passend wordt
geacht. 5. De
verwezenlijking van de sectorspecifieke doelstellingen van artikel 3 wordt ex
post gemeten, onder meer door te kijken naar: (a)
de beschikbaarheid van
digitale-diensteninfrastructuren, berekend aan de hand van het aantal lidstaten
dat met elke digitale-diensteninfrastructuur is verbonden; (b)
het percentage burgers en
bedrijven dat gebruikmaakt van digitale-diensteninfrastructuren en de
beschikbaarheid van dergelijke diensten over grenzen heen; (c)
het investeringsvolume dat is
aangetrokken op het gebied van breedband en het bereikte hefboomeffect. Artikel 8
Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie 1. De
bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie
toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden. 2. De in
artikel 5, lid 6, bedoelde bevoegdheidsdelegatie wordt aan de Commissie
verleend voor een onbepaalde periode vanaf de inwerkingtreding van deze
verordening. 3. De in
artikel 5, lid 6, bedoelde bevoegdheidsdelegatie kan te allen tijde door het
Europees Parlement of de Raad worden ingetrokken. Het besluit tot intrekking
beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het besluit
treedt in werking op de dag na de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van
de Europese Unie of op een latere datum die in het besluit wordt vermeld. Het
laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen
onverlet. 4. Zodra de
Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan
gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad. 5. Een
krachtens artikel 5, lid 6, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt pas
in werking als noch het Europees Parlement noch de Raad binnen een termijn van
twee maanden na de datum van kennisgeving van die handeling aan het Europees
Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt tegen de gedelegeerde handeling, of
indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van deze
termijn aan de Commissie hun voornemen hebben meegedeeld om geen bezwaar te
maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad
met twee maanden verlengd. Artikel 9
Intrekking Beschikking nr. 1336/97/EG, als gewijzigd bij
Beschikking nr. 1376/2002/EG, wordt ingetrokken. Artikel 10
Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op de
twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de
Europese Unie. Zij is van toepassing met ingang van 1 januari
2014. Deze
verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk
in elke lidstaat. Gedaan te Brussel, Voor het Europees Parlement Voor de Raad De voorzitter De
voorzitter BIJLAGE PROJECTEN
VAN GEMEENSCHAPPELIJK BELANG Afdeling 1.
Digitale-diensteninfrastructuren Bij interventie op het gebied
van digitale-diensteninfrastructuren wordt over het algemeen een tweeledige aanpak
gehanteerd, waarbij centrale dienstenplatforms en generieke diensten worden
betrokken. Aangezien het centrale dienstenplatform onontbeerlijk is voor het
opzetten van een digitale-diensteninfrastructuur, krijgt steun voor centrale
dienstenplatforms en hun gezamenlijke bouwstenen voorrang ten opzichte van
generieke diensten. De centrale dienstenplatforms en
hun gezamenlijke bouwstenen zijn van belang voor de behoeften aan
interoperabiliteit en veiligheid binnen projecten. Zij zijn erop gericht
digitale interactie tussen enerzijds overheidsdiensten en anderzijds burgers,
het bedrijfsleven en organisaties of tussen overheidsdiensten van verschillende
lidstaten onderling mogelijk te maken door middel van gestandaardiseerde,
grensoverschrijdende en gebruiksvriendelijke platforms voor interactie.
Digitale-diensteninfrastructuren met bouwstenen zijn onontbeerlijk voor andere
digitale-diensteninfrastructuren, waardoor de eerste categorie voorrang krijgt.
Generieke diensten zorgen voor de verbinding met de centrale dienstenplatforms
en maken het mogelijk dat nationale diensten met toegevoegde waarde
gebruikmaken van de centrale dienstenplatforms. Zij bieden portalen tussen
nationale diensten en centrale dienstenplatforms en geven nationale
overheidsdiensten en organisaties, bedrijven en/of burgers toegang tot het
centrale dienstenplatform ten behoeve van hun grensoverschrijdende
activiteiten. De kwaliteit van dienstverlening en de steun voor belanghebbenden
die betrokken zijn bij grensoverschrijdende activiteiten wordt gewaarborgd. Zij
steunen en bevorderen het gebruik van centrale dienstenplatforms. Er dient niet alleen aandacht te
worden besteed aan het creëren van digitale-diensteninfrastructuren en
aanverwante diensten, maar ook aan de governance betreffende de exploitatie van
dergelijke platforms. Nieuwe centrale
dienstenplatforms worden hoofdzakelijk gebaseerd op bestaande platforms en hun
bouwstenen en/of voegen zo mogelijk nieuwe bouwstenen toe. 1. Digitale-diensteninfrastructuren
met bouwstenen die a priori worden opgenomen in de werkprogramma's
overeenkomstig artikel 6, lid 1 en 2: (a)
Elektronische identificatie en
authenticatie: diensten voor grensoverschrijdende herkenning en validering van
elektronische identificatie en elektronische handtekeningen. (b)
Elektronische levering van
documenten: diensten voor de beveiligde, traceerbare grensoverschrijdende
transmissie van elektronische documenten. (c)
Geautomatiseerde vertaling:
automatische vertaalmotoren en gespecialiseerde taalhulpmiddelen, waaronder de
vereiste tools en programmeerinterfaces om pan-Europese digitale diensten in
een meertalige omgeving te exploiteren. (d)
Steun voor kritieke digitale
infrastructuur: communicatiekanalen en -platforms om de capaciteit binnen de
Unie inzake paraatheid, informatiedeling, coördinatie en respons ten aanzien
van bedreigingen van de cyberveiligheid te verbeteren. (e)
Elektronisch factureren: diensten
voor de elektronische uitwisseling van facturen. 2. Overige
digitale-diensteninfrastructuren die a priori in aanmerking kunnen komen
overeenkomstig artikel 6, lid 1: (a)
Interoperabele
grensoverschrijdende elektronische aanbestedingen: een reeks diensten die door
dienstverleners op het gebied van elektronische aanbesteding uit de publieke en
de private sector kunnen worden gebruikt om grensoverschrijdende platforms voor
elektronische aanbesteding op te zetten. Deze infrastructuur zal elke
onderneming in de EU in staat stellen deel te nemen aan openbare
aanbestedingsprocedures van elke aanbestedende dienst of entiteit in elke
lidstaat, zowel voor de activiteiten vóór als na de elektronische gunning,
inclusief functionaliteiten als het elektronisch indienen van aanbiedingen, het
Virtual Company Dossier, elektronische catalogi, elektronische bestellingen en
elektronische facturen. (b)
Interoperabele
grensoverschrijdende eHealth-diensten: deze diensten maken interactie tussen
burgers/patiënten en zorgverstrekkers mogelijk, alsmede transmissie van
gegevens tussen instellingen en tussen organisaties, of
peer-to-peercommunicatie tussen burgers/patiënten en/of medisch personeel en
instellingen. De diensten omvatten grensoverschrijdende toegang tot
elektronische patiëntendossiers en elektronische recepten alsmede telediensten
op het gebied van gezondheidszorg/assisted living enz. (c)
Europees platform voor interconnectie
van Europese bedrijfsregisters: een platform dat voorziet in een reeks centrale
instrumenten en diensten die bedrijfsregisters in alle lidstaten in staat
stellen informatie uit te wisselen over geregistreerde ondernemingen, de
dochterondernemingen daarvan, fusies en sluitingen. Ook wordt voorzien in een
meertalige en landoverschrijdende zoekfunctie voor gebruikers die een via het
eJustitie-portaal toegankelijk centraal toegangspunt bezoeken. (d)
Toegang tot herbruikbare
overheidsinformatie: een platform dat één toegangspunt biedt tot meertalige
gegevensreeksen (in officiële EU-talen) die in de EU in het bezit zijn van
overheidsinstanties op Europees, nationaal, regionaal en lokaal niveau;
instrumenten voor het zoeken en visualiseren van de gegevens; de garantie dat
de beschikbare gegevensreeksen naar behoren geanonimiseerd zijn, over een
licentie beschikken en indien van toepassing van prijzen zijn voorzien om te
worden gepubliceerd, herverspreid en hergebruikt, inclusief een controlespoor
voor de herkomst van de gegevens. (e)
Elektronische procedures voor het
oprichten en exploiteren van een onderneming in een ander Europees land: deze
dienst maakt het mogelijk alle nodige administratieve procedures
grensoverschrijdend via één elektronisch contactpunt (één loket) af te
wikkelen. Deze dienst is een vereiste van Richtlijn 2006/123/EG betreffende
diensten op de interne markt. (f)
Toegang tot het digitale
materiaal van het Europese erfgoed: het centrale dienstenplatform dat is
gebaseerd op het huidige Europeana-portaal. Het platform biedt één punt voor
toegang tot specifieke items met betrekking tot het Europese cultuurerfgoed,
alsmede een reeks interfacespecificaties voor communicatie met de
infrastructuur (zoeken naar gegevens, downloaden van gegevens), ondersteuning
voor de aanpassing van metadata en integratie van nieuwe inhoud, en informatie
over de voorwaarden voor hergebruik van de via de infrastructuur toegankelijke
inhoud. (g)
Veiliger
internetdiensteninfrastructuur: het platform voor de verwerving, de exploitatie
en het beheer van gedeelde computingfaciliteiten, databanken en software voor
de Safer Internet Centres (SIC's) in de lidstaten. Dit omvat tevens het
back-office voor de verwerking van meldingen van inhoud van seksueel misbruik,
met een verbinding naar politieautoriteiten, inclusief internationale
organisaties zoals Interpol, en wanneer nodig, de handelingen voor het
verwijderen van deze inhoud door de desbetreffende websites. Dit zal worden
ondersteund door gemeenschappelijke databanken. (h)
Interoperabele
grensoverschrijdende onlinediensten: platforms ter bevordering van de
interoperabiliteit en samenwerking tussen de lidstaten op gebieden van
gemeenschappelijk belang, in het bijzonder om de werking van de eengemaakte
markt te verbeteren, zoals eJustice, waardoor grensoverschrijdende
onlinetoegang voor burgers, bedrijven, organisaties en rechtsbeoefenaars tot
rechtsmiddelen/stukken en rechtsprocedures mogelijk is,
onlinegeschillenbeslechting (ODR) voor het online beslechten van
grensoverschrijdende geschillen tussen consumenten en handelaren en Electronic
Exchange of Social Security Information (EESSI) waarmee sociale-
zekerheidsinstellingen in de hele EU op een snellere en veiligere manier
informatie kunnen uitwisselen. Afdeling 2. Breedbandnetwerken 1. De
reikwijdte van de acties De acties moeten in het
bijzonder bestaan uit een of meer van de volgende onderdelen: (a)
de aanleg van passieve
fysieke infrastructuur, actieve fysieke infrastructuur of een combinatie
daarvan, en aanvullende infrastructuur, aangevuld met diensten die noodzakelijk
zijn om deze infrastructuur te exploiteren; (b)
bijbehorende faciliteiten
en bijbehorende diensten, zoals bekabeling van gebouwen, antennes, torens en
andere dragende constructies, kabelgoten, leidingen, masten, mangaten en kasten; (c)
de exploitatie van
potentiële synergieën tussen de uitrol van breedbandnetwerken en andere
netwerken van nutsvoorzieningen (energie, vervoer, water, riolering enz.), met
name die welke betrekking hebben op slimme elektriciteitsvoorziening. 2. Bijdrage
aan het behalen van de doelstellingen van de Digitale agenda voor Europa Alle projecten die op grond van
deze verordening financiële steun ontvangen, dienen een wezenlijke bijdrage te
leveren aan het behalen van de doelstellingen van de Digitale agenda voor
Europa. (a)
Rechtstreeks door de Unie
gefinancierde acties moeten: (a)
zijn gebaseerd op de meest
geavanceerde al dan niet draadloze technologie die in staat is zeer snelle
breedbanddiensten te leveren en zodoende te voldoen aan de behoeften van
toepassingen die grote bandbreedte vereisen, of (b)
zijn gebaseerd op innovatieve
zakelijke modellen en/of nieuwe categorieën projectontwikkelaars of
investeerders aantrekken, of (c)
een hoge mate van
dupliceerbaarheid bieden, waardoor er als gevolg van het demonstratie-effect
een bredere impact op de markt mogelijk is. (b)
Acties die zijn gefinancierd uit
aanvullende toegespitste bijdragen overeenkomstig artikel 15, lid 2, van
Verordening (EU) nr. xxxx/2012 [CEF-verordening] moeten aanzienlijke nieuwe
capaciteiten op de markt brengen wat betreft de beschikbaarheid, snelheden en
capaciteiten van breedbanddiensten. Projecten die datatransmissiesnelheden van
minder dan 30 Mbps bieden, moeten na verloop van tijd die snelheden verhogen
tot minstens 30 Mbps. 3. Projectevaluatie
om optimale financieringsstructuren te bepalen De uitvoering van acties moet
worden gebaseerd op een alomvattende projectevaluatie. Bij een dergelijke
projectevaluatie moeten onder meer de marktsituatie, met inbegrip van
informatie over bestaande en/of geplande infrastructuur, wettelijke
verplichtingen voor projectontwikkelaars alsmede commerciële en
marketingstrategieën worden betrokken. Met de projectevaluatie moet in het
bijzonder worden bepaald of het programma: (a)
noodzakelijk is om
onvolkomenheden van de markt of niet-optimale investeringssituaties aan te
pakken; (b)
niet leidt tot verstoring van de
mededinging of verdringing van particuliere investeringen. Deze criteria worden
hoofdzakelijk gebaseerd op het vermogen van het project om inkomsten te
genereren, het risico dat met een project is verbonden en het type geografisch
gebied waar de actie wordt uitgevoerd. 4. Modaliteiten
voor de financiering (a)
Projecten van gemeenschappelijk
belang op het gebied van breedband worden gefinancierd door middel van financiële
instrumenten. Het budget dat aan deze instrumenten wordt toegewezen, is
afdoende maar ligt niet hoger dan het bedrag dat nodig is om een volledig
operationele interventie op te zetten en een minimale efficiënte omvang van het
instrument te bereiken. (b)
Overeenkomstig de regels
van het Financieel Reglement, Verordening (EU) nr. xxxx/2012 [CEF-verordening]
en de Verordeningen (EU) nr. xxxx (2013) [alle verordeningen betreffende de
ESIF's] mogen de onder punt (a) genoemde financiële instrumenten worden gecombineerd
met aanvullende bijdragen uit: (a)
andere delen van de
Connecting Europe Facility; (b)
andere instrumenten,
programma's en begrotingslijnen van de EU-begroting; (c)
lidstaten, met inbegrip van
regionale en lokale autoriteiten, die besluiten eigen middelen of middelen uit
de ESIF's te benutten. Bijdragen uit de ESIF's moeten geografisch worden
ingeperkt om ervoor te zorgen dat deze worden uitgegeven binnen een lidstaat of
regio die een bijdrage levert; (d)
alle overige investeerders, met
inbegrip van particuliere investeerders. (c)
De in de punten (a) en (b)
genoemde financiële instrumenten mogen ook worden gecombineerd met subsidies
van de lidstaten, met inbegrip van regionale en lokale autoriteiten, die
besluiten eigen middelen of middelen uit de ESIF's te benutten, op voorwaarde
dat: (a)
de desbetreffende actie voldoet
aan alle criteria inzake financiering van deze verordening, en (b)
goedkeuring inzake staatssteun is
verleend. Afdeling 3. Horizontale acties De ontwikkeling van
trans-Europese telecommunicatienetwerken waarmee de bestaande knelpunten in de
digitale interne markt kunnen worden weggenomen, gaat samen met studies en
programmaondersteunende acties. Deze acties kunnen bestaan uit: (a)
technische bijstand ter
voorbereiding of ondersteuning van uitvoeringsmaatregelen op het vlak van de
introductie, de governance en het aanpakken van bestaande of opkomende
problemen bij de uitvoering; (b)
acties om de bestaande vraag naar
digitale-diensteninfrastructuren te bevorderen of nieuwe vraag te creëren; (c)
de coördinatie van EU-steun op
grond van deze verordening met steun uit alle andere beschikbare bronnen,
waarbij dubbele infrastructuur en de vervanging van particuliere investeringen
wordt voorkomen. Projecten van
gemeenschappelijk belang beogen knelpunten weg te nemen die de voltooiing van
de interne markt in de weg staan, d.w.z. door netwerkconnectiviteit te verlenen
alsmede toegang, waaronder grensoverschrijdende toegang, tot
digitale-diensteninfrastructuren. De aanleg en uitbreiding van
trans-Europese telecommunicatienetwerken (breedbandnetwerken en
digitale-diensteninfrastructuren) draagt bij tot meer economische groei, helpt
banen te scheppen en baant de weg voor een dynamische digitale interne markt.
De ontwikkeling van deze netwerken zal met name de toegang tot het internet
sneller maken en zal door middel van informatietechnologie verbeteringen
brengen in het dagelijkse leven van burgers, ook van kinderen en jongeren,
bedrijven en overheden, terwijl de interoperabiliteit zal verhogen en het
gemakkelijker zal worden gemeenschappelijke normen af te spreken of op elkaar
af te stemmen. Afdeling 1. Horizontale
prioriteiten De ontwikkeling van
trans-Europese telecommunicatienetwerken waarmee de bestaande knelpunten in de
digitale interne markt kunnen worden weggenomen, gaat samen met studies en
programmaondersteunende acties. Het betreft: (a)
Innovatief beheer,
inventarisering en diensten. Maatregelen voor technische bijstand, waar nodig
voor introductie en beheer, omvatten project- en investeringsplanning en
haalbaarheidsstudies, ter ondersteuning van investeringsmaatregelen en
financiële instrumenten. Bij het in kaart brengen van pan-Europese
breedbandinfrastructuur worden onder meer de volgende punten ontwikkeld:
permanente gedetailleerde fysieke verkenning en documentatie van relevante
sites, onderzoek van de doorgangsrechten, beoordeling van het potentieel voor
het upgraden van bestaande faciliteiten, enz. Daarbij moeten de beginselen van
Richtlijn 2007/2/EG (INSPIRE-richtlijn) en daarbij betrokken
normaliseringsactiviteiten worden gevolgd. Maatregelen van technische bijstand
kunnen ook het repliceren van succesvolle investerings- en introductiemodellen
ondersteunen.
Deze acties kunnen ook gericht zijn op klimaatbestendigheid om de
klimaatrisico's te beoordelen en de rampbestendigheid van de infrastructuur te
verzekeren, in overeenstemming met de desbetreffende vereisten van de Europese
of nationale regelgeving. (b)
Ondersteunende acties en andere
technische ondersteuningsmaatregelen. Deze acties zijn noodzakelijk ter
voorbereiding of ondersteuning van de tenuitvoerlegging van projecten van
gemeenschappelijk belang of om de introductie ervan te versnellen. Op het
gebied van digitale diensten moeten ondersteunende acties ook stimulerend en
bevorderend zijn voor de introductie van nieuwe
digitale-diensteninfrastructuren die noodzakelijk of nuttig kunnen blijken op
basis van technologische ontwikkelingen, veranderingen in de desbetreffende
markten of nieuwe politieke prioriteiten. Afdeling 2. Breedbandnetwerken
Alle breedbandinvesteringen op
het grondgebied van de Unie verhogen de netwerkcapaciteit en leveren baten op
voor alle potentiële gebruikers, ook in andere lidstaten dan die waarin de
investeringen plaatsvinden. Investeringen in deze netwerken zullen in het
bedrijfsleven meer concurrentie en meer innovatie teweegbrengen, efficiëntere
en effectievere overheidsdiensten opleveren en bijdragen tot de
EU-doelstellingen met betrekking tot een koolstofarme economie en tot het
concurrentievermogen en de productiviteit van de EU in het algemeen. Investeringen in
breedbandinfrastructuur zijn hoofdzakelijk verricht door privé-investeerders en
dit zal naar verwachting zo blijven. Om de doelstellingen van de Digitale
agenda te verwezenlijken zijn echter investeringen nodig in gebieden waar er geen
duidelijke business case bestaat of waar de business case ruimer dient te
worden opgevat binnen het tijdskader van de streefdoelen. Op basis van de
waarschijnlijkheid van investeringen kunnen de volgende soorten gebieden worden
onderscheiden: In verstedelijkte gebieden met
een gemiddelde bevolkingsdichtheid worden over het algemeen verbindingen met
matige snelheden geleverd terwijl hogere snelheden minder blijken voor te
komen. Waar aangetoond is dat de business case voor investeringen in
geavanceerde technologieën op korte termijn ontoereikend is voor
privé-investeerders, kan financiële steun de investeringen op langere termijn
rendabel maken door de financieringskloof te dichten en concurrentie te
bevorderen. Rurale gebieden met een lage
bevolkingsdichtheid worden over het algemeen bediend met verbindingen met lage
snelheden of worden zelfs helemaal niet bediend. De business case voor
investeringen is waarschijnlijk niet levensvatbaar en het is niet
waarschijnlijk is dat de Europese streefdoelen tegen 2020 zullen worden
bereikt. Investeringen in deze gebieden moeten kunnen rekenen op hogere
financiële steun, door middel van subsidies, mogelijk gecombineerd met
financiële instrumenten. Het gaat ook om afgelegen en dunbevolkte gebieden waar
de kosten van de investeringen zeer hoog zijn of waar de inkomens laag zijn. De
steun van de Connecting Europe Facility in deze gebieden kan wellicht een
aanvulling zijn op beschikbare financiering uit het Cohesiefonds of afkomstig
van plattelandsontwikkeling en andere rechtstreekse overheidssteun. Stedelijke gebieden met een
hoge bevolkingsdichtheid – met uitzondering van een aantal
lage-inkomensgebieden – worden over het algemeen goed bediend met matige of
hoge snelheden en de verbindingen worden vaak aangeboden in concurrerende
pakketten van kabel- en telecomexploitanten. Toch zijn er wegens deze relatief
bevredigende situatie beperkte marktstimulansen om te investeren in supersnelle
netwerken zoals glasvezel in de huiskamer. Voor investeringen in stedelijke en
dichtbevolkte gebieden die ondanks de eruit voortvloeiende maatschappelijke
voordelen niet voldoende investeringen aantrekken, kan dan ook financiële
ondersteuning worden overwogen op voorwaarde dat dit in overeenstemming is met
de artikelen 101, 102 en 106 van het Verdrag betreffende de werking van de
Europese Unie en, indien van toepassing, met de communautaire richtsnoeren voor
de toepassing van de staatssteunregels in het kader van de snelle uitrol van
breedbandnetwerken. In minder ontwikkelde regio's
moet de introductie van breedbandnetwerken in de eerste plaats worden
ondersteund via de instrumenten van de Structuurfondsen en het Cohesiefonds.
Subsidies en/of financiële instrumenten van de Connecting Europe Facility
kunnen deze steun waar nodig aanvullen om de doelstellingen van deze
verordening te verwezenlijken. Om tussen de CEF-acties in deze regio's en de
steun van de Structuurfondsen en het Cohesiefonds sterkere synergieën tot stand
te brengen, kan gebruik worden gemaakt van een passend coördinatiemechanisme[21]. De onderstaande kaart toont op
indicatieve wijze de indeling van regio's in de vermelde categorieën. Acties die bijdragen tot het
project van gemeenschappelijk belang op het gebied van breedbandnetwerken
moeten evenwichtig zijn samengesteld uit acties die zowel het 30
Mbps-streefdoel als het 100 Mbps-streefdoel van de Digitale agenda nastreven,
en betrekking hebben op verstedelijkte en rurale gebieden in het bijzonder en
gebieden in heel de Europese Unie. Acties die bijdragen tot een
project van gemeenschappelijk belang op het gebied van breedbandnetwerken,
moeten ongeacht de gebruikte technologie: (a)
investeringen ondersteunen in
breedbandnetwerken die het streefdoel van de Digitale agenda voor 2020 met
betrekking tot de universele dekking met 30 Mbps-verbindingen kunnen bereiken;
of (b)
investeringen
ondersteunen in breedbandnetwerken die het streefdoel van de Digitale agenda
voor 2020 kunnen bereiken met betrekking tot het vereiste dat ten minste 50%
van de huishoudens over snelheden van 100 Mbps of meer kunnen beschikken; (c)
voldoen aan het
toepasselijke recht, in het bijzonder het mededingingsrecht en moeten in het bijzonder
bestaan uit een of meer van de volgende acties: (a)
de aanleg van passieve
fysieke infrastructuur of de aanleg van een combinatie van elementen van
passieve en actieve fysieke infrastructuur en aanvullende infrastructuur,
aangevuld met diensten die noodzakelijk zijn om deze infrastructuur te
exploiteren; (b)
bijbehorende
faciliteiten en bijbehorende diensten, zoals bekabeling van gebouwen, antennes,
torens en andere dragende constructies, kabelgoten, leidingen, masten, mangaten
en kasten; (c)
benutting van potentiële
synergieën tussen de uitrol van breedbandnetwerken en andere netwerken van
nutsvoorzieningen (energie, vervoer, water, riolering, enz.), in het bijzonder
met betrekking tot slimme elektriciteitsdistributie. De introductie van
breedbandnetwerken om insulaire, niet aan zee grenzende en perifere regio's met
de centrale regio's van de Unie te verbinden, waar nodig door middel van
onderzeese kabels, wordt ondersteund wanneer dit noodzakelijk is om geïsoleerde
gemeenschappen toegang te verlenen tot breedbandsnelheden van 30 Mbps en
meer. Deze steun vormt een aanvulling op andere financiering die daartoe op
Europees of nationaal vlak ter beschikking staat. Om elke twijfel uit te
sluiten, vallen diensten waarbij met behulp van
elektronische-communicatienetwerken en -diensten overgebrachte inhoud wordt
geleverd of redactioneel wordt gecontroleerd, en diensten van de
informatiemaatschappij zoals omschreven in artikel 1 van Richtlijn 98/34/EG,
die niet geheel of hoofdzakelijk bestaan in het overbrengen van signalen via
elektronische-communicatienetwerken, niet binnen de toepassingssfeer van de
acties die bijdragen tot een project van gemeenschappelijk belang op het gebied
van breedbandnetwerken. Begunstigden van EU-steun voor
een project van gemeenschappelijk belang op het gebied van breedband zijn,
zonder zich daartoe te beperken: (a)
telecomexploitanten (gevestigde
exploitanten, die rechtstreeks of via een filiaal investeren, of nieuwe
toetreders) die investeringen verrichten in snelle en supersnelle
breedbandnetwerken; (b)
nutsbedrijven (bv. water,
riolering, energie, vervoer) waarvan kan worden verwacht dat zij alleen of in
partnerschap met exploitanten investeren in passieve breedbandnetwerken; (c)
beleidvoerders in plaatselijke
besturen, waaronder gemeenten, die concessies kunnen verlenen voor
breedbandinfrastructuren. Fabrikanten van apparatuur kunnen in een dergelijke
regeling geïnteresseerd zijn, door de oprichting van een speciaal daartoe
bestemde onderneming; (d)
partnerschappen tussen
verschillende exploitanten in markten van vaste en draadloze verbindingen, om
een nieuwe generatie infrastructuur te bouwen. Bij de samenstelling van het
portfolio moet rekening worden gehouden met de investeringsbehoeften van de
lidstaten, wat betreft het aantal met steun van de Connecting Europe Facility
aan te sluiten huishoudens. Daarnaast worden ook
hogesnelheidsverbindingen naar openbare internettoegangspunten ondersteund, met
name in openbare infrastructuur zoals scholen, ziekenhuizen, plaatselijke
besturen en bibliotheken. Afdeling 3.
Digitale-diensteninfrastructuren De tenuitvoerlegging van
digitale-diensteninfrastructuren zal bijdragen tot de verwezenlijking van de
digitale interne markt door bestaande knelpunten bij de introductie van
diensten weg te nemen. Dit wordt bereikt door de totstandbrenging en/of
uitbreiding van interoperabele platforms voor digitale-diensteninfrastructuren,
samen met belangrijke basisinfrastructuren voor digitale-dienstverlening. Dit
berust op een tweelagige benadering: (1)
Centrale dienstenplatforms zijn
het (de) centrale element(en) of hub(s) van de digitale-diensteninfrastructuur
die noodzakelijk zijn om trans-Europese connectiviteit, toegang en
interoperabiliteit tot stand te brengen. Dit kan ook fysieke apparatuur
omvatten, zoals servers, specifiek bestemde netwerken en software-instrumenten.
Centrale dienstenplatforms staan open voor entiteiten in alle lidstaten. (2)
Generieke diensten leveren de
functionaliteit en de inhoud van digitale-diensteninfrastructuur. Deze diensten
kunnen met elkaar worden verbonden via een centraal dienstenplatform. Projecten van
gemeenschappelijk belang op het gebied van digitale-diensteninfrastructuur
omhelzen het volgende: Snelle trans-Europese
backbone-verbindingen voor overheidsdiensten Een openbare trans-Europese
backbone-diensteninfrastructuur zal zeer snelle verbindingen en connectiviteit
bieden tussen overheidsinstellingen in de EU op gebieden zoals overheidsdiensten,
cultuur, onderwijs en gezondheidszorg. Deze backbone-infrastructuur zal
openbare diensten van Europese waarde ondersteunen door gecontroleerde
kwaliteit van dienstverlening en veilige toegang. Daarmee zal een digitaal
continuüm van openbare dienstverlening worden gegarandeerd ten behoeve van
burgers, bedrijfsleven en overheid. Op die wijze kan de vraag naar
connectiviteit worden gebundeld, ontstaat er een kritische massa en worden de
kosten teruggedrongen. Centraal dienstenplatform: De infrastructuur zal
gebaseerd zijn op de bestaande internet-backbone en waar nodig zullen nieuwe
netwerken worden ontwikkeld. Verbindingen worden rechtstreeks aangelegd of via
regionaal of nationaal beheerde infrastructuren. Dit zal in het bijzonder
connectiviteit verschaffen aan andere trans-Europese diensten, onder meer die
welke in deze bijlage zijn genoemd. Deze infrastructuur zal volledig in het
internet worden geïntegreerd als basiscapaciteit voor trans-Europese
overheidsdiensten en zal de vaststelling van nieuwe normen ondersteunen (bv.
internetprotocols zoals IPv6[22]).
Specifiek bestemde onderliggende infrastructuur voor verbindingen tussen
overheidsinstanties kan indien nodig om veiligheidsredenen worden overwogen. Generieke diensten: De integratie van het centrale
platform in de Europese overheidsdiensten zal worden bevorderd door de
introductie van generieke diensten: autorisatie, authentificatie,
domeinoverschrijdende beveiliging (inter-domain security) en bandbreedte op
verzoek, gefedereerde organisatie van diensten, mobiliteitsbeheer,
kwaliteitscontrole en prestatiecontrole, integratie van nationale
infrastructuren. Interoperabele 'cloud
computing'-dienstverlening zal de backbone-infrastructuurfunctionaliteit bieden
waarop clouds voor trans-Europese overheidsdiensten kunnen worden aangeboden.
Daartoe behoren trans-Europese diensten in de vorm van netwerken, zoals
videoconferencing, gevirtualiseerde opslag en ondersteunende
computing-intensive toepassingen, waaronder die welke betrekking hebben op andere
projecten van gemeenschappelijk belang. Grensoverschrijdende levering
van eGovernment-diensten eGovernment heeft betrekking
op de digitale interactie tussen overheidsinstanties en burgers,
overheidsinstanties en bedrijven en organisaties, en tussen overheidsinstanties
van verschillende landen. Gestandaardiseerde, grensoverschrijdende en
gebruiksvriendelijke platforms voor interactie leveren een winst aan
efficiëntie op in het bedrijfsleven en in de overheidssector en dragen bij tot
de interne markt. Centraal dienstenplatform: Interoperabele elektronische
identificatie en authentificatie over heel Europa. Er zal een reeks onderling
verbonden en beveiligde authentificatieservers en -protocols worden
geïntroduceerd die de interoperabiliteit verzekeren van de diverse in Europa
bestaande authentificatie- en identificatiesystemen. Dit platform zal burgers
en bedrijven wanneer nodig toegang verlenen tot onlinediensten, bijvoorbeeld
voor studie, werk, reizen, gezondheidszorg en zakendoen in het buitenland. Het zal
de kernlaag vormen voor alle digitale diensten waarvoor elektronische
identificatie en authentificatie vereist is: bv. elektronische aanbestedingen,
onlinegezondheidszorg, gestandaardiseerde bedrijfsrapportage, elektronische
uitwisseling van gerechtelijke informatie, trans-Europese onlineregistratie
voor bedrijven, inclusief communicatie tussen bedrijfsregisters met betrekking
tot grensoverschrijdende fusies en buitenlandse dochterondernemingen. Dit
platform kan ook gebruik maken van hulpbronnen en instrumenten van het
meertalige centrale platform. Generieke diensten: (a)
Elektronische procedures voor
het oprichten en exploiteren van een onderneming in een ander Europees land:
deze dienst maakt het mogelijk alle nodige administratieve procedures
grensoverschrijdend via één elektronisch contactpunt (één loket) af te
wikkelen. Deze dienst is ook een vereiste van Richtlijn 2006/123/EG betreffende
diensten op de interne markt. (b)
Interoperabele
grensoverschrijdende elektronische aanbestedingen: deze dienst zal elke
onderneming in de EU in staat stellen in te gaan op Europese aanbestedingen van
elke lidstaat, zowel voor de activiteiten vóór als na de elektronische gunning,
inclusief activiteiten als het Virtual Company Dossier, elektronische catalogi,
elektronische bestellingen en elektronische facturen. (c)
Interoperabele
grensoverschrijdende eJustitie-diensten: deze dienst biedt burgers, bedrijven,
organisaties en rechtsbeoefenaars grensoverschrijdende onlinetoegang tot
rechtsmiddelen/stukken en rechtsprocedures. Daarmee wordt grensoverschrijdende
interactie tussen overheidsinstanties in verschillende lidstaten mogelijk (via
online-uitwisseling van gegevens en stukken) en kunnen grensoverschrijdende
rechtszaken efficiënter worden afgehandeld. (d)
Interoperabele grensoverschrijdende
eHealth-diensten: deze diensten zullen interactie tussen burgers/patiënten en
zorgverstrekkers mogelijk maken alsmede transmissie van gegevens tussen
instellingen en tussen organisaties, of peer-to-peercommunicatie tussen
burgers/patiënten en/of medisch personeel en instellingen. De te introduceren
infrastructuur moet voldoen aan de beginselen van gegevensbescherming, zoals
met name omschreven in de Richtlijnen 95/46/EG en 2002/58/EG, en de
internationale en nationale ethische regels met betrekking tot het gebruik van
patiëntendossiers en andere persoonsgegevens.
De diensten omvatten grensoverschrijdende toegang tot elektronische
patiëntendossiers, elektronische voorschriften alsmede telediensten op het
gebied van gezondheidszorg/assisted living, grensoverschrijdende meertalige
semantische diensten die verbonden zijn aan het meertalige centrale platform,
toegang tot socialezekerheidsinformatie, voortbouwend op de
EESSI-infrastructuur (Electronic Exchange of Social Security Information), enz. (e)
Europees platform voor
interconnectie van Europese bedrijfsregisters: deze faciliteit voorziet in een
reeks centrale instrumenten en diensten die bedrijfsregisters in alle lidstaten
in staat stellen informatie uit te wisselen over geregistreerde ondernemingen,
de dochterondernemingen daarvan, fusies en sluitingen. Ook wordt voorzien in
een meertalige en landoverschrijdende zoekfunctie voor gebruikers die een via
het eJustitie-portaal toegankelijk centraal toegangspunt bezoeken. Openstellen van toegang tot
overheidsinformatie en veeltalige diensten Toegang tot het digitale
materiaal van het Europese erfgoed Deze infrastructuur heeft tot
doel grote collecties van Europees cultuurmateriaal in digitale vorm ter
beschikking te stellen en het hergebruik ervan door derden te bevorderen, met
volledige naleving van het auteursrecht en de aanverwante rechten. Centraal dienstenplatform: De ontwikkeling van het
centraal dienstenplatform zal voortbouwen op het huidige Europeana-portaal. Het
platform – dat de ontwikkeling, de exploitatie en het beheer van verspreide
faciliteiten voor computing, gegevensopslag en software vereist – biedt één
punt voor toegang tot specifieke items met betrekking tot het Europese
cultuurerfgoed, alsmede een reeks interfacespecificaties voor communicatie met
de infrastructuur (zoeken naar gegevens, downloaden van gegevens),
ondersteuning voor de aanpassing van metadata en integratie van nieuwe inhoud,
en informatie over de voorwaarden voor hergebruik van de via de infrastructuur
toegankelijke inhoud. Het zal ook voorzien in
middelen voor interactie met aanbieders van inhoud, gebruikers (burgers die
toegang zoeken tot het portaal) en hergebruikers (creatieve industrieën),
promotie van het platform, coördinatie van aanverwante netwerken en informatie-uitwisseling.
Generieke diensten: (a)
samenvoeging van inhoud die in
het bezit is van culturele instellingen en van particuliere bezitters van
inhoud in de lidstaten; (b)
faciliteiten voor
crowd-sourcing waarin interactiviteit wordt aangemoedigd en gebruikers een
actieve bijdrage kunnen leveren tot de site; (c)
gebruiksvriendelijke
diensten voor de portaalsite met aandacht voor onder meer de verbetering van
zoek- en surfoperaties alsmede voor taaloverschrijdende toegang; (d)
uitwisseling van informatie
over rechten en licentie-infrastructuren; (e)
kenniscentra betreffende
digitalisering en bescherming van het digitale cultuurerfgoed; (f)
bewaarplaatsen voor
inhoud die door culturele instellingen en gebruikers is gegenereerd, en de
langetermijnbewaring daarvan. Toegang tot herbruikbare
overheidsinformatie Deze
digitale-dienstverleningsinfrastructuur zal voor vrijgeving in aanmerking
komende informatie die in het bezit van de overheidssector in de EU is,
toegankelijk maken voor hergebruik. Centraal dienstenplatform: Verspreide faciliteiten voor
computing, gegevensopslag en software bieden: één toegangspunt tot meertalige
gegevensreeksen (alle officiële EU-talen) die in de EU in het bezit zijn van
overheidsinstanties op Europees, nationaal, regionaal en lokaal niveau;
instrumenten voor het zoeken en visualiseren van de gegevens; de garantie dat
de beschikbare gegevensreeksen over een licentie voor publicatie en
herverspreiding beschikken, inclusief een controlespoor voor de herkomst van de
gegevens; een reeks interfaces voor applicatieprogrammering voor
softwareklanten om te communiceren met de infrastructuur (zoekoperaties voor
gegevens, verzamelen van statistieken, downloaden van gegevens) voor de
ontwikkeling van applicaties door derden; hiermee ontstaat ook de mogelijkheid
tot vergaring en publicatie van statistieken over de werking van de
portaalsite, de beschikbaarheid van gegevens en applicaties en de manier waarop
zij worden gebruikt. Generieke diensten: Geleidelijke verruiming van de
toegang tot alle gegevensreeksen die in het bezit zijn van en openbaar worden
gemaakt door bijna alle overheidsinstanties binnen de EU, inclusief meertalige
zoekoperaties, door middel van: (a)
samenvoeging van
internationale/Europese/nationale/regionale/lokale gegevensreeksen; (b)
interoperabiliteit van
gegevensreeksen, waaronder wettelijke regelingen en licenties, om beter
hergebruik mogelijk te maken; (c)
interface voor
open-gegevensinfrastructuren in derde landen; (d)
bewaarplaatsen voor
gegevens en diensten voor langetermijnbewaring. Meertalige toegang tot
onlinediensten Deze
dienstverleningsinfrastructuur zal huidige en toekomstige
onlinedienstenaanbieders de mogelijkheid bieden hun inhoud en diensten op de
meest kostenefficiënte wijze aan te bieden in een zo ruim mogelijk gamma van
officiële EU-talen. Centraal dienstenplatform: Het platform zal verwerving,
beheer en beschikbaarstelling van grote collecties levende-taalgegevens en
herbruikbare taalverwerkingsinstrumenten mogelijk maken. Het zal alle EU-talen
dekken en voldoen aan de toepasselijke normen en de overeengekomen dienst- en
wettelijke vereisten. Het platform zal de mogelijkheid bieden tot flexibele
samenvoeging, conservering en verfijning van taalgegevens door medewerkers, en
zal vlotte, billijke en veilige toegang alsmede herbestemming van deze
hulpmiddelen mogelijk maken door organisaties die op taal gebaseerde diensten
aanbieden of ontwikkelen. Het zal ook steun verlenen voor samenwerking en
interworking met soortgelijke initiatieven en bestaande of toekomstige
gegevenscentra binnen of buiten de EU. Generieke diensten: Het platform zal worden
voorzien van een breed gamma van herbruikbare gegevens en softwaremiddelen in
alle EU-talen. Het zal deze gegevens en software samenvoegen, harmoniseren en
integreren in de verspreide dienstverleningsinfrastructuur. Het zal gegevens en
software ter beschikking stellen en in sommige gebieden verder ontwikkelen of
uitbreiden, als bouwstenen voor de ontwikkeling, aanpassing en levering van
meertalige diensten of meertalige portalen voor onlinediensten. Veiligheid en beveiliging Veiliger
internetdiensteninfrastructuur De steun zal betrekking hebben
op geïntegreerde en interoperabele diensten op Europees niveau, gebaseerd op
gedeeld bewustzijn, hulpmiddelen, instrumenten en praktijken en gericht op
responsabilisering van kinderen, hun ouders en verzorgers, en leerkrachten om
het internet zo goed mogelijk te gebruiken. Centraal dienstenplatform: Het centraal dienstenplatform
zal de verwerving, de exploitatie en het beheer van gedeelde
computingfaciliteiten, databanken en software mogelijk maken voor de Safer
Internet Centres (SIC's) in de lidstaten, en eveneens dienen als back-office
voor verwerking van meldingen van inhoud van seksueel misbruik, met een
verbinding naar politieautoriteiten, inclusief internationale organisaties
zoals Interpol, en wanneer nodig, de handelingen voor het verwijderen van deze
inhoud door de desbetreffende websites. Dit zal worden ondersteund door
gemeenschappelijke databanken. Generieke diensten: (a)
hulplijnen voor kinderen,
ouders en verzorgers over de beste wijze van gebruik van het internet door
kinderen, door het vermijden van gevaren ten gevolge van schadelijke en
illegale inhoud en gedragingen, en de ondersteunende
back-office-infrastructuur; (b)
hotlines voor het melden
van illegale inhoud over misbruik van kinderen op het internet; (c)
instrumenten om toegang te
verstrekken tot aan de leeftijd aangepaste inhoud en diensten; (d)
software die vlotte en
snelle melding van illegale inhoud en de verwijdering ervan alsmede melding van
kinderlokkerij en pesten op het internet mogelijk maakt; (e)
softwaresystemen die betere
identificatie van (niet gemelde) inhoud van kindermisbruik op het internet
mogelijk maakt alsmede technologieën ter ondersteuning van politieonderzoek, in
het bijzonder met het oog op de identificatie van kindslachtoffers, daders en
commerciële verspreiding van deze inhoud. Kritieke
informatie-infrastructuren Er zullen communicatiekanalen
en -platforms worden ontwikkeld en geïntroduceerd om de capaciteit binnen de
Unie inzake paraatheid, informatiedeling, coördinatie en respons te verbeteren. Centraal dienstenplatform: Het centraal dienstenplatform
zal bestaan uit een netwerk van nationale/gouvernementele Computer Emergency
Response Teams (CERT's), gebaseerd op een minimumset van basiscapaciteiten. Het
netwerk zal de ruggengraat vormen van een Europees informatiedelings- en
alarmeringssysteem (EISAS) voor EU-burgers en voor het midden- en kleinbedrijf.
Generieke diensten: (a)
Proactieve diensten –
technologiebewaking en verspreiding en uitwisseling van informatie in verband
met veiligheid; veiligheidsbeoordelingen; verstrekking van richtsnoeren over
beveiligingsconfiguratie; aanbieding van indringerdetectiediensten; (b)
Reactieve diensten –
behandeling en respons ten aanzien van incidenten; alarmering en waarschuwing;
kwetsbaarheidsanalyse en -verwerking, goederenbehandeling (aanbod van
kwalitatief hoogstaande alarmering over nieuwe malware en andere goederen). Introductie van
ICT-oplossingen voor slimme energienetten voor de levering van slimme energie Diensten op het gebied van
slimme energie maken gebruik van informatie- en communicatietechnologieën om te
voldoen aan de behoeften van burgers (die zowel producent als consument van
energie kunnen zijn), energieleveranciers en overheidsinstanties.
Slimme-energiediensten hebben betrekking op de interactie tussen burgers en
energieaanbieders, gegevenstransmissie tussen organisaties en
peer-to-peercommunicatie tussen burgers. Daardoor ontstaan kansen voor
bestaande en nieuwe actoren zowel op de telecom- als op de energiemarkten (bv.
energiedienstenbedrijven - ESCO's). Het wordt voor bedrijven en burgers ook
mogelijk de uitstoot van broeikasgassen ten gevolge van hun aankoopbeslissingen
te traceren. Centrale dienstenplatforms: Communicatie-infrastructuur,
die meestal door nutsbedrijven in partnerschap met telecomexploitanten wordt
ontwikkeld, alsmede de nodige IT-hardware die in de energiecomponenten moet
worden aangebracht (bv. onderstations). Deze omvat ook de kerndiensten die
toezicht op bedrijfsmiddelen, controle van het energiebeheer, automatisering en
gegevensbeheer en -communicatie tussen de verschillende actoren
(dienstverleners, netwerkexploitanten en andere nutsvoorzieningen, consumenten,
enz.) mogelijk maken. Generieke diensten: Generieke diensten worden over
het algemeen geleverd door een grote groep van nieuwe en innovatieve actoren,
zoals energiedienstenleveranciers, ESCO's, energieaggregators, die in het
bijzonder de toetreding van verschillende soorten plaatselijke kleine en
middelgrote ondernemingen mogelijk maken en monopolisering van de retailmarkt
verhinderen. Klanten beschikken zo over de
functionaliteit om hun energievraag, hun hernieuwbare energiebronnen en hun
opslagcapaciteit te beheren, met het doel het energiegebruik te optimaliseren,
de energiefactuur te verminderen en de uitstoot van broeikasgassen te verlagen,
met inachtneming van gegevensbescherming en veiligheid. (a)
Infrastructuur voor slimme
meters ("smart metering") om informatie over energieverbruik te meten
en door te zenden. Generieke diensten omvatten ook de uitrusting voor
energiebeheer in de gebouwen van de klant, d.w.z. de aan het plaatselijke
netwerk verbonden IT-hardware die aangesloten is op de slimme meter. (b)
Software-elementen
die kunnen beslissen over het moment van aankoop/verkoop van energie op basis
van prijssignalen van de energieleverancier, weersvoorspellingen,
gegevensbeheer en -communicatie, toestellen voor controle en automatisering en
de oplossingen in netwerkverband. [1] COM(2010) 2020. [2] COM(2010) 245. [3] COM(2011) 500/I definitief en COM(2011) 500/II definitief (Policy
Fiches). [4] PB C [...] van [...], blz. [...]. [5] De bedragen zijn vermeld in constante prijzen van 2011. [6] PB C […] van […], blz. […]. [7] PB C […] van […], blz. […]. [8] COM(2010) 245 definitief/2. [9] PB L […] van […], blz. […]. [10] Bijlage II van COM(2011) 744 definitief. [11] Besluit nr. 922/2009/EG van het Europees Parlement en
de Raad van 16 september 2009 inzake interoperabiliteitsoplossingen voor
Europese overheidsdiensten (ISA); PB L 260 van 3.10.2009, blz. 20. [12] 2013/C 33 E/09. [13] COM(2010) 245 definitief/2. [14] COM(2010) 472. [15] COM(2011) 500 final. [16] PB L […] van […], blz. […]. [17] PB L 251 van 25.9.2010, blz. 35. [18] PB L 260 van 3.10.2009, blz. 20. [19] PB L 88 van 04.04.2011, blz. 45. [20] PB L 183 van 11.07.1997, blz. 12. [21] Zoals voorgeschreven in artikel 11, onder e), van de
Verordening van het Europees Parlement en de Raad houdende gemeenschappelijke
bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees
Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor
Plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij,
die onder het gemeenschappelijk strategisch kader vallen, en houdende algemene
bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees
Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006.
COM(2011) 615 definitief. [22] Referentie naar de IPv6-mededeling: COM(2008) 313
definitief: "Actieplan voor de toepassing van Internet Protocol versie 6
(IPv6) in Europa".