8.7.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 214/13


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de handelsbetrekkingen tussen de EU en Marokko (initiatiefadvies)

2014/C 214/03

Rapporteur: Pedro Narro

Corapporteur: Juan Moreno

Administrateur: Guy Harrison

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn zitting van februari 2013 besloten overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde een initiatiefadvies op te stellen over

De handelsbetrekkingen tussen de EU en Marokko.

De afdeling Externe Betrekkingen, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 4 februari 2014 goedgekeurd.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 26 en 27 februari 2014 gehouden 496e zitting (vergadering van 26 februari 2014) onderstaand advies uitgebracht, dat met 179 stemmen vóór en 3 tegen, bij 3 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies

1.1

Het EESC neemt nota van de verdieping van de handelsbetrekkingen tussen de EU en Marokko. Wel vraagt het een grotere betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld bij de formulering en uitvoering van de handelsovereenkomsten, en pleit het voor een doeltreffende en brede integratie van het thema duurzame ontwikkeling.

1.2

Het EESC neemt nota van de Marokkaanse vrees dat de nieuwe handelsovereenkomsten met de EU een negatieve uitwerking op zijn handelsbalans zullen hebben. De EU moet het toenemende scepticisme van het Marokkaanse maatschappelijk middenveld counteren met een handelsstrategie die niet alleen de handel in goederen bevordert maar ook de basis legt voor het scheppen van fatsoenlijke en kwalitatief hoogwaardige arbeidsplaatsen, bevordering van het verenigingsleven, consolidatie van de rechten van werknemers (1) en respect voor het milieu.

1.3

Om ervoor te zorgen dat de normen inzake duurzame ontwikkeling na de inwerkingtreding van de DCFTA worden nageleefd, zou DG Handel van de Europese Commissie erop moeten hameren dat in de overeenkomst een hoofdstuk over duurzame ontwikkeling wordt opgenomen, en mechanismen voor de follow-up door het maatschappelijk middenveld.

1.4

Om volledig te profiteren van de nieuwe handelsovereenkomst met Marokko dient de EU vooruitgang te boeken met de bescherming van investeringen, en moet zij investeerders rechtszekerheid bieden. Het EESC wijst erop dat het nieuwe mechanisme voor de beslechting van handelsgeschillen een gunstig handelsklimaat in de hand werkt.

1.5

Het EESC hamert er echter op dat de follow-up van het hoofdstuk inzake duurzame ontwikkeling door het maatschappelijk middenveld moet worden gecoördineerd door de Marokkaanse sociaaleconomische en milieuraad en het Europees Economisch en Sociaal Comité, aangezien zij samen voldoende representatief zijn en de deskundigheid in huis hebben om deze follow-up te kunnen uitvoeren.

1.6

De EU en Marokko zouden het volledige potentieel van een dergelijke overeenkomst moeten trachten te versterken door meer te investeren in opleiding op alle gebieden en maatregelen op het gebied van gendergelijkheid, en wel zo snel mogelijk. Zij moeten prioriteit geven aan de specifieke behoeften van jongeren, vrouwen en personen uit achtergestelde gebieden. Het EESC is van mening dat de financiële steunprogramma's van de EU moeten bijdragen aan de vooruitgang op het vlak van de mensenrechten, de arbeidsrechten en de wetgeving ter bevordering van gelijke kansen.

1.7

De tenuitvoerlegging van het mobiliteitspartnerschap tussen Marokko en de EU zal nieuwe ontwikkelingsperspectieven openen in de meest kwetsbare gebieden, mits er voldoende financiële middelen worden uitgetrokken om de wettelijke en operationele capaciteiten en instrumenten te versterken. Het beheer van de migratiestromen en het vrije verkeer van personen kan worden verbeterd indien de organisaties van het maatschappelijk middenveld hierbij een actievere rol krijgen.

1.8

Marokko zet in op de landbouw als een van de belangrijkste motoren van zijn economie. De nieuwe afzetmogelijkheden voor de Marokkaanse landbouw op de Europese markt mogen er niet toe leiden dat het land voor basisgrondstoffen afhankelijk wordt van het buitenland, dat de biodiversiteit verloren gaat en dat de gezinslandbouw verdwijnt (2). Marokko en de EU moeten samenwerken om de voedselveiligheid te garanderen.

1.9

De lopende onderhandelingen voor een diepe en brede vrijhandelsovereenkomst moeten de Marokkaanse wetgeving dichter bij het acquis communautaire brengen. Dit zal een complex proces zijn, waarvoor intensief en voortdurend moet worden samengewerkt en waarvoor realistische termijnen moeten worden vastgesteld, op gebieden als intellectuele eigendom of sanitaire en fytosanitaire voorschriften.

1.10

Het EESC dringt erop aan dat de sociaaleconomische actoren van Marokko en de EU actiever deelnemen aan de formulering, uitvoering en follow-up van handelsovereenkomsten. In dit verband stelt het EESC voor om op grond van artikel 85 van de associatieovereenkomst een gemengd raadgevend comité op te richten bestaande uit vertegenwoordigers van de Marokkaanse sociaaleconomische en milieuraad en het EESC, zodat de organisaties van het maatschappelijk middenveld de impact van alle overeenkomsten tussen de EU en Marokko, en de totale impact van de handelsovereenkomsten tussen de EU en Marokko, kunnen monitoren. Daarnaast moeten de rechtstreekse betrekkingen tussen vergelijkbare organisaties uit Marokko en de EU worden versterkt, door hun initiatieven op het gebied van de sociale dialoog tussen werknemers en ondernemers en op andere gebieden, te steunen.

2.   Inleiding

2.1

De EU en Marokko onderhouden sterke bilaterale betrekkingen die hebben geleid tot belangrijke overeenkomsten, waarbij de handelsbetrekkingen een voorname plaats innemen. De EU is niet alleen de belangrijkste handelspartner van Marokko, maar zij beschouwt Marokko tevens als een prioritaire strategische partner voor het bereiken van democratie en welvaart in het Middellandse Zeegebied.

2.2

De handelsbetrekkingen tussen de EU en Marokko worden van oudsher gekenmerkt door intense en soms moeilijke onderhandelingen over markttoegang en de geleidelijke liberalisering van de douanetarieven. De landbouw stond vaak centraal in deze discussies, maar nu de liberalisering van de landbouw bijna voltooid is wordt een bredere dynamiek gekozen, met nieuwe instrumenten, om het algemene handelsklimaat te verbeteren.

2.3

Marokko staat voor een complex proces, om zijn wetgeving dichter bij het communautaire acquis te brengen. De Marokkaanse inspanningen moeten leiden tot een betere benutting van de instrumenten van het nieuwe Europese nabuurschapsbeleid, en een hogere mate van integratie. Het Koninkrijk Marokko blijft de belangrijkste begunstigde van de Europese middelen voor technische en financiële samenwerking.

2.4

Het antwoord van de EU op de „Arabische lente” concentreerde zich op de bevordering van de handelsbetrekkingen met vier landen in het Middellandse Zeegebied: Egypte, Tunesië, Jordanië en Marokko. De EU heeft de onderhandelingen met Marokko en andere mediterrane partners opgevoerd, terwijl zij haar lezing van de politieke en sociale situatie in de regio heeft geheroriënteerd, en zij haar politieke strategie voor het hele Middellandse Zeegebied ingrijpend heeft herzien.

2.5

Marokko heeft op zijn beurt een reeks hervormingen doorgevoerd die hebben geleid tot een nieuwe Grondwet, om deze aan te passen aan de veranderingen die zich hebben voltrokken in het Middellandse Zeegebied, en te voldoen aan de Europese voorwaarden voor een verdergaande integratie. Het EESC is echter van mening dat de uitdagingen op sociaal gebied nog enorm zijn en dat de inspanningen met het oog op de sociale herverdeling op lange termijn moeten worden voortgezet en samenhangend moeten zijn.

2.6

In deze nieuwe benadering van de handel moet er absoluut over worden nagedacht hoe het maatschappelijk middenveld van de EU en Marokko doeltreffend kan worden betrokken bij de formulering en uitvoering van de handelsovereenkomsten, door het voorbeeld te volgen van andere recente handelsovereenkomsten die de EU heeft gesloten . In deze gezamenlijke discussie moet ook aandacht worden besteed aan de integratie van sociale en milieuoverwegingen in de toekomstige handelsovereenkomsten, waarbij de duurzaamheid steeds meer voorop moet komen te staan.

3.   De handelsbetrekkingen tussen de EU en Marokko: een lang parcours

3.1

De EU is de belangrijkste handelspartner van Marokko, en de belangrijkste buitenlandse investeerder. Op grote afstand volgen grote mogendheden zoals de VS en China, die de laatste jaren inspanningen hebben geleverd om de handelsbetrekkingen met een mediterrane partner te intensiveren.

3.2

Marokko is een diensteneconomie, die de afgelopen jaren sterk heeft ingezet op de diversifiëring van sectoren. Het grootste deel van de handel tussen de EU en Marokko voltrekt zich in de sector verwerkte producten, machines en vervoermateriaal, levensmiddelen en chemisch materiaal. Het potentieel van de Marokkaanse economie is zeer hoog; toch vertoonde de economische groei het afgelopen jaar een dalende lijn.

3.3

Binnen de EU is Frankrijk de belangrijkste handelspartner, gevolgd door Spanje en het Verenigd Koninkrijk. Zij investeren vooral in sectoren als toerisme, diensten, banken en vervoer. Hoewel de internationale economische crisis Marokko niet in zijn greep heeft gekregen, begint het land te lijden onder de „collaterale schade” van een onzekere economische context in sectoren als toerisme, vervoer of overmakingen van migranten. De armoede en werkloosheid die daarvan het gevolg zijn veroorzaken economische, migratie- en veiligheidsproblemen in de regio. De vertraging van de Europese economie is hierop ook van invloed.

3.4

Het afgelopen decennium zijn de handelsbetrekkingen geconsolideerd dankzij de inwerkingtreding van de associatieovereenkomst in 2000 en de goedkeuring van het actieplan in juli 2005, als integraal onderdeel van het Europese nabuurschapsbeleid. De geavanceerde status die in 2008 werd toegekend was het startsein voor een nieuwe fase van een ambitieuzere en verdergaande associatie. In 2012 is een nieuw mechanisme voor de beslechting van handelsgeschillen in werking getreden. Dat zelfde jaar waren de landbouw en de visserij onderwerp van controversiële handelsovereenkomsten. In 2013 heeft de EU onderhandelingen opgestart met Marokko met het oog op een overeenkomst inzake de wederzijdse bescherming van geografische aanduidingen, die de partijen voor 2014 hopen af te sluiten.

4.   De Arabische lente en de ontwikkeling van een nieuwe handelsbenadering

4.1

De Arabische lente heeft de Europese Unie wakker geschud: zij wenst haar rol in de regio te herdefiniëren middels een diepgaande herziening van haar activiteiten, instrumenten en betrekkingen. De EU heeft, met behulp van nieuwe instrumenten, snel en op gecoördineerde wijze willen reageren om via een evenwichtige en geleidelijke liberalisering van de handel een zone van vrede en welvaart tot stand te brengen in het Middellandse Zeegebied.

4.2

In mei 2012 heeft de Commissie een routekaart gepubliceerd voor de tenuitvoerlegging van het Europese nabuurschapsbeleid ten aanzien van de Mediterrane partnerlanden.

4.3

De bevordering van handelsbetrekkingen met de partnerlanden in het Middellandse Zeegebied, met name Marokko, is een belangrijke doelstelling van de EU geworden in deze nieuwe strategie, die ernaar streeft de onzekere politieke en economische context te boven te komen.

4.4

Op 1 maart 2013 heeft de EU formeel onderhandelingen gestart met Marokko, over een ambitieuze en volledige nieuwe vrijhandelsovereenkomst. Net als bij vergelijkbare overeenkomsten (waarover wel al is onderhandeld, maar die nog niet zijn ondertekend) tussen de EU en de landen van het oostelijk partnerschap, met name Oekraïne, Georgië en Moldavië, is het doel hiervan om „over de grenzen heen” te werken en te zorgen voor een grotere samenhang tussen de regelgeving van de EU en specifieke buurlanden. Verder wordt getracht om de traditionele handelskwesties uit te breiden en fundamentele thema's aan te pakken ten einde het algemene handelsklimaat te verbeteren (bescherming van investeringen, openbare aanbestedingen, diensten, enz.), Marokko dichter bij de regels van de Europese interne markt te brengen en dieper in te gaan op specifieke vraagstukken die bij eerdere onderhandelingen buiten beschouwing zijn gebleven (intellectuele eigendom, sanitaire en fytosanitaire maatregelen, enz.).

De Europese Commissie erkent het belang van het hoofdstuk inzake de sociale en milieuduurzaamheid bij de ondertekening van deze nieuwe overeenkomst, en volgt hiermee het voorbeeld van alle recente handelsovereenkomsten van de EU. Ook het EESC heeft verscheidene adviezen uitgebracht waarin de EU wordt gevraagd om bij de onderhandelingen over vrijhandelsovereenkomsten tevens prioritair rekening te houden met sociale en milieuoverwegingen.

5.   Handelsaspecten van duurzame ontwikkeling. Onderhandelingen tussen de EU en Marokko over een diepe en brede vrijhandelsovereenkomst.

5.1

De laatste fase in de handelsbetrekkingen tussen de EU en Marokko staat in het teken van de start van de onderhandelingen over een diepe en brede vrijhandelsovereenkomst. Als de douanerechten voor landbouw- en industrieproducten eenmaal zijn afgeschaft, zal alle aandacht uitgaan naar verbetering van het handelsklimaat en inspanningen om de Marokkaanse wetgeving dichter bij het acquis communautaire te brengen (3). Deze bilaterale overeenkomst is van het grootste belang omdat deze het model zal zijn voor vergelijkbare overeenkomsten tussen de EU en enkele van de belangrijkste partnerlanden ten zuiden van de Middellandse Zee.

5.2

De Europese Commissie heeft besloten om in de onderhandelingen een specifiek hoofdstuk op te nemen over duurzame ontwikkeling. Op verzoek van de EU heeft het consultancybedrijf ECORYS een effectbeoordeling uitgevoerd van het hoofdstuk „duurzame ontwikkeling” (4) van de overeenkomst.

5.3

Deze studie bestrijkt fundamentele vraagstukken waaraan het EESC een constructieve bijdrage wenst te leveren, opdat beide onderhandelingspartners voor ogen houden dat de handel ten dienste moet staan van de duurzame ontwikkeling. Hieronder worden enkele aspecten beschreven waarmee de EU en Marokko volgens het EESC absoluut rekening dienen te houden, willen zij dat de verdieping van de handelsbetrekkingen hand in hand gaat met een duurzame ontwikkeling op economisch, sociaal en milieugebied.

Economische ontwikkeling

5.4

Het handelstekort van Marokko ten aanzien van de EU is de afgelopen jaren toegenomen, in zekere zin als gevolg van de vrijhandelsovereenkomsten, en heeft ertoe geleid dat Marokko nogal sceptisch is over de „mogelijkheden” van een nieuwe overeenkomst. De ervaringen van eerdere overeenkomsten met de VS of Turkije versterken de Marokkaanse vrees voor een overdreven afhankelijkheid van externe middelen. Een vlaggenschipsector als de landbouw laat zien dat Marokko steeds afhankelijker wordt van de invoer van grondstoffen als melk en graan, wat negatief doorwerkt op zijn voedselsoevereiniteit. De handelsstrategie van beide partijen zou de productdiversificatie moeten bevorderen.

5.5

De Europese sector blijft aandringen op een betere bescherming van investeringen: door voor de nodige rechtszekerheid te zorgen zullen meer rechtstreekse buitenlandse investeringen worden gedaan. De vooruitgang van de afgelopen jaren moet leiden tot bijkomende aanpassingen van de Marokkaanse regelgeving. Europese ondernemingen beschouwen Marokko nog altijd als een land waarnaar bepaalde fases van de „off shore”-productie kunnen worden verplaatst. De automobiel-, luchtvaart- en elektronicasector zijn pioniers op dit gebied, maar een transparante regelgeving en nieuwe samenwerkingsvormen met nationale ondernemingen zouden nieuwe mogelijkheden kunnen openen.

5.6

De EU ziet een groot potentieel voor haar ondernemingen, die zouden kunnen profiteren van nieuwe mogelijkheden in de financiële en dienstensector. Marokko vraagt op zijn beurt meer Europese middelen om het complexe proces van wetgevingsharmonisatie tot een goed einde te brengen.

5.7

De economische voordelen van de vrijhandel met Marokko waren vaak geconcentreerd in bepaalde sectoren of regio's van het land, waardoor de meest kansarme gebieden helemaal buiten de boot vielen. De effectbeoordelingen moeten prioritair de voor- en nadelen voor de lokale en regionale gemeenschappen analyseren.

Sociale ontwikkeling

5.8

De nieuwe stimulering van de handel mag niet leiden tot een achteruitgang van de rechten van werknemers. Het is zaak de vakbondsrechten te versterken en de basis te leggen voor een hoogwaardige en fatsoenlijke werkgelegenheid, overeenkomstig de parameters van de Internationale Arbeidsorganisatie. Een van de zwakke punten in de handelsbetrekkingen tussen de EU en Marokko is altijd geweest dat nauwelijks nieuwe banen worden gecreëerd.

5.9

De EU en Marokko moeten investeren in opleiding zodat ook de laaggeschoolde categorieën, werknemers in achtergestelde gebieden, jongeren en vrouwen van de nieuwe mogelijkheden kunnen profiteren. De bevordering van het ondernemerschap, de versterking van coöperatieve vennootschappen en de ontwikkeling van kleine en middelgrote ondernemingen moet een van de pijlers van de nieuwe opleidingsstrategie zijn. Ook de initiatieven ten behoeve van de sociale economie moeten worden uitgebouwd.

5.10

Het mobiliteitspartnerschap tussen de EU en Marokko (5) is het resultaat van grote inspanningen van beide partijen, om het vrij verkeer van personen en het beheer van de migratiestromen in goede banen te leiden. Het EESC is ingenomen met de toezegging van de EU en Marokko om de organisaties van het maatschappelijk middenveld een grotere rol te geven bij de follow-up van de verschillende afspraken tussen de partijen.

5.11

Het genoemde partnerschap zou moeten bijdragen aan een verbetering van de uitwisseling tussen universiteiten, de overdracht van onderzoeksresultaten en de bevordering van het culturele en toeristenverkeer. De brain drain is een evident probleem, waarvoor specifieke maatregelen moeten worden getroffen.

5.12

De financiële steun van de EU voor het bevorderen van de wetgevingsconvergentie moet worden gebruikt om ervoor te zorgen dat de wetgeving inzake gendergelijkheid en grondrechten daadwerkelijk wordt toegepast. Het volstaat niet om meer wetten uit te vaardigen die vrouwen meer rechten moeten geven; daarnaast moet regelmatig in het veld worden nagegaan welke vooruitgang er is geboekt, en de initiatieven van maatschappelijke organisaties moeten worden gesteund.

Ontwikkeling van het milieu

5.13

De instandhouding van de natuurlijke hulpbronnen en het respecteren van de biodiversiteit zijn niet in strijd met een grotere handelsdynamiek. De liberalisering van de handel mag niet leiden tot een toename van bepaalde activiteiten met een potentiële negatieve milieu-impact. De EU en Marokko moeten prioriteit geven aan de geleidelijke en gefaseerde harmonisatie op milieugebied, ook al kost het veel geld om de regelgeving inzake sanitaire en fytosanitaire bescherming, beheer van industrieel afval of waterverontreiniging meer op één lijn te brengen.

5.14

De effectbeoordelingsstudies die de EU uitvoert met betrekking tot de duurzaamheid van haar handelsbetrekkingen met Marokko laten zien dat er nog steeds een grote lacune bestaat in de overeenkomsten: een gedetailleerde monitoring van de milieueffectbeoordeling naarmate de liberalisering van de handel voortschrijdt. Het is dan ook van essentieel belang dat het maatschappelijk middenveld van de EU en Marokko instrumenten krijgen waarmee zij hun overheden kunnen steunen in de moeilijke taak om de economische groei en de intensivering van de handel te verzoenen met de o zo belangrijke bescherming van het milieu.

5.15

De onderhandelingen over een visserijovereenkomst tussen de EU en Marokko (6) zijn er een voorbeeld van dat alle handelsinitiatieven eerbiediging van de mensenrechten en milieuduurzaamheid moeten nastreven, en aan de lokale bevolking ten goede moeten komen. De legitimiteit van dit soort overeenkomsten is alleen verzekerd indien ze gepaard gaan met instrumenten en indicatoren die hun duurzaamheid garanderen.

6.   De kwestie van de landbouw: een bedreiging of een kans?

6.1

De landbouwsector vormt een belangrijk onderdeel van het sociaaleconomisch weefsel van Marokko. In 2012 was de sector goed voor 15 % van het bbp, en het blijft de belangrijkste bron van werkgelegenheid, met 43 % van de werknemers en meer dan 78 % van de werkgelegenheid in plattelandsgebieden. Het gemiddelde loon in Marokko ligt tussen de 0,55- 0,65 euro per uur, seizoenarbeiders zijn er niet in staat om hun arbeidsrechten ten volle uit te oefenen en in Marokkaanse landbouwbedrijven is kinderarbeid nog steeds schering en inslag. De veeteelt speelt ook een belangrijke rol in de Marokkaanse economie: deze sector vertegenwoordigt zo'n 30 % van de toegevoegde waarde in de landbouw, en 20 % van de arbeidskrachten in plattelandsgebieden.

6.2

Ook de levensmiddelenindustrie speelt een strategische rol in de Marokkaanse economie. De sector telt meer dan 1.700 ondernemingen, die een vierde van de totale industriële productie van het land vertegenwoordigen.

7.   Landbouwovereenkomst EU-Marokko

7.1

De sterke landbouwbetrekkingen tussen de EU en Marokko zijn van start gegaan met de ondertekening op 26 februari 1996 van de Euromediterrane associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en het Koninkrijk Marokko, en de daarop volgende wijzigingen die door nieuwe overeenkomsten werden ingevoerd. De laatste fase werd afgerond in 2012 met een nieuwe landbouwovereenkomst, die het Europees Parlement met meerderheid van stemmen heeft goedgekeurd.

7.2

Als we alleen naar de landbouwovereenkomst kijken dan zijn de betrekkingen tussen de partijen stormachtig geweest, met name met de zuidelijke EU-landen, als gevolg van de concurrentie in de groenten- en fruitsector, onenigheid over quotumoverschrijdingen en aantijgingen dat de afspraken inzake de invoerprijzen voor Marokkaanse tomaten — het hoofdproduct van de overeenkomst — niet altijd werden nagekomen.

7.3

Naar het oordeel van het EESC zouden er in de landbouwovereenkomst EU-Marokko criteria en clausules moeten worden opgenomen om het effect van de openstelling van de handel op beide partijen te kunnen inschatten, met name de impact op het milieu en de arbeidsrechten.

8.   Het plan voor een groen Marokko („Plan Maroc Vert” — PMV)

8.1

De landbouwovereenkomst wordt vervolledigd met nog twee andere acties die in de toekomst nauw met elkaar verweven zullen zijn: het Plan Maroc Vert en de zogenaamde „geavanceerde status”.

8.2

Het PMV 2020 is erop gericht de toegevoegde waarde van het bbp van de landbouwsector te verhogen, en de productie van olijfolie in 2020 te verviervoudigen tot 3 40  000 ton. De productie van citrusvruchten moet worden opgevoerd van 1,5 miljoen ton tot 3,7 miljoen ton, en de productie van groenten en fruit moet stijgen van de huidige 4,45 miljoen ton naar 10 miljoen ton. Ondertussen is het aantal hectaren waarop graan wordt verbouwd teruggegaan van 5,3 miljoen naar 4,2 miljoen ha. De Marokkaanse regering beweert dat zij de productiviteit wil verhogen, hoewel de buitenlandse investeringen naar de groenten- en fruitsector zullen gaan. Het is de prioriteit van Marokko om zijn handelsbalans te verbeteren, en daarvoor moet het de export ondersteunen.

9.   Geavanceerde status

9.1

Op 17 april jl. heeft de Commissie een voorstel gepubliceerd voor een besluit van de Raad over de tenuitvoerlegging van het Actieplan EU-Marokko waarbij uitvoering wordt gegeven aan de geavanceerde status (2007-2013). Hierin wordt als eerste maatregel voor de landbouw „Modernisering en versterking van de capaciteiten in de landbouwsector in het kader van de liberalisering van de handel en in samenhang met de perspectieven van het Marokkaanse „Plan vert” (groene plan — PMV)” genoemd.

9.2

De EU verstrekt nu al middelen voor de verbetering van de landbouw in het kader van het plan ter uitvoering van de geavanceerde status. Deze middelen worden rechtstreeks en uitsluitend besteed ter ondersteuning van de tweede pijler van het PMV. De afgelopen 10 jaar heeft de EU 1.330 miljoen euro in Marokkaanse ontwikkelingsfondsen gestopt. Tussen 2011 en 2013 is nog eens 565 miljoen euro uitgetrokken, waarvan 70 miljoen via het programma voor ondersteuning van Marokkaanse beleidsmaatregelen voor de landbouwsector (PAPSA), gevolgd door 60 miljoen euro voor een tweede programma. Deze EU-steun wordt deels gebruikt voor de ontwikkeling van de mediterrane boomkwekerij, met name olijfbomen.

10.   Voedselveiligheid

10.1

Al deze maatregelen voor de ontwikkeling van de Marokkaanse landbouweconomie zullen ongetwijfeld bijdragen aan de doelstellingen van de eerste pijler van het groene plan: een toename van de export van groenten en fruit, met name afkomstig van geïrrigeerde gronden. De modellen in de op 17 oktober 2013 door ECORYS gepubliceerde effectbeoordeling voorspellen niet voor niets een mogelijke expansie van de groenten- en fruitsector en de sector bewerkte plantaardige producten, dankzij de diepe en brede vrijhandelsovereenkomst.

10.2

De lovenswaardige inspanningen van Marokko om de efficiëntie van zijn landbouwsector te vergroten ketsen af op het gebrek aan akkerland. 65 % van het landbouwareaal wordt gebruikt voor de productie van graan, 11 % voor boomgaarden (citrusvruchten, olijven), 4 % voor industriële gewassen (suikerbiet en rietsuiker), nog eens 4 % voor peulvruchten en 3 % voor andere tuinbouwproducten (tomaten, aardbeien, meloenen, enz.). Groenten- en fruitgewassen zijn de topproducten van de Marokkaanse export.

10.3

De ontwikkeling van de tweede pijler van het groene plan wordt bemoeilijkt door een grote handicap: slechts 12 % van het land is bruikbaar als landbouwgrond, veelal zonder irrigatie. Het agrarisch landschap wordt gedomineerd door kleine gezinsbedrijven: meer dan 70 % van alle Marokkaanse landbouwbedrijven bestrijken minder dan een derde van het landbouwareaal.

10.4

De transitie in Marokko van een op graanteelt gebaseerde landbouw naar een intensieve landbouw verergert de verzilting, een fenomeen dat ook de landen aan de noordoever van de Middellandse Zee treft, en dat 5 % van het Marokkaanse oppervlakte kenmerkt. De EU moet ertoe bijdragen dat een evenwicht kan worden gevonden tussen de twee pijlers van het groene plan, en dat een landbouwsector wordt bevorderd waarin kleine landbouwbedrijven meer gewicht in de schaal leggen. De Marokkaanse landbouw wordt momenteel namelijk beheerst door de exportlandbouw, waarvan de overgrote meerderheid van de Marokkaanse producenten is uitgesloten. Het volgende programma van proefprojecten voor de plattelandsontwikkeling (ENPARD) in Marokko kan ook nieuwe mogelijkheden bieden.

11.   Rol van het maatschappelijk middenveld

11.1   Hervormingen, vrijheid van vereniging en maatschappelijk middenveld

11.1.1

In sommige landen in de regio is er pas sinds de jongste democratische hervormingen sprake van een min of meer geconsolideerde vrijheid van vereniging. In Marokko bestaan al langer onafhankelijke verenigingen van werknemers, werknemers en andere sectoren van het maatschappelijk middenveld, die over een zekere vrijheid van handelen beschikken, zij het onderworpen aan beperkingen en restricties die door de politieke machthebbers zijn opgelegd.

11.1.2

De hervormingen van de afgelopen jaren hebben de situatie nog verbeterd, zodat de politieke liberalisering van Marokko vaak als voorbeeld voor andere Arabische landen wordt genoemd. Toch zijn er nog verbeteringen mogelijk.

11.1.3

De organisaties van het maatschappelijk middenveld beleven een periode van bloei, hoewel veel activisten klagen over het voortbestaan van administratieve belemmeringen, vooral bij de registratie van verenigingen.

11.1.4

Van de institutionele instrumenten die in het kader van de politieke hervormingen zijn goedgekeurd dient vooral de oprichting in februari 2011 van de Marokkaanse SER, de „Sociaaleconomische en Milieuraad” te worden vermeld. Deze heeft een adviserende functie ten aanzien van de regering, het Huis van Afgevaardigden en het Huis van Raadsleden op het gebied van economisch, milieu- en beroepsopleidingsbeleid. Verder is de Marokkaanse SER verantwoordelijk voor het bevorderen en versterken van de betrekkingen tussen de economische en sociale actoren.

11.1.5

Sommige verenigingen zijn niet vertegenwoordigd in de Marokkaanse SER, maar hebben een goede staat van dienst op het gebied van de rechten van vrouwen, mensenrechten in het algemeen of de bestrijding van corruptie.

11.1.6

Andere adviesorganen die in de grondwet zijn vastgelegd zijn de nationale mensenrechtenraad, de centrale waarnemingspost voor de bestrijding van corruptie, de jeugdraad, de raad van de Marokkaanse gemeenschap in het buitenland, de mededingingsraad en de veiligheidsraad. De raad van justitie, de raad van het gezin, de raad van gelijke kansen en de nationale raad van de Marokkaanse taal en cultuur moeten nog worden opgericht.

11.2   De participatie van het Europese en Marokkaanse maatschappelijk middenveld aan de overeenkomsten tussen de EU en Marokko

11.2.1

Zoals opgemerkt in het eerdere EESC-advies over Marokko (7) zijn de onderhandelingen over de associatieovereenkomst beëindigd zonder dat de sociaaleconomische organisaties voldoende zijn geraadpleegd.

11.2.2

De tekst van de huidige associatieovereenkomst bevat geen concreet mechanisme voor de participatie van het maatschappelijk middenveld aan de follow-up en ontwikkeling van die overeenkomst.

11.2.3

In artikel 85 van de associatieovereenkomst wordt bepaald dat het hoogste leidinggevende orgaan, de associatieraad, maatregelen neemt om de samenwerking tussen het Europees Economisch en Sociaal Comité en de soortgelijke instelling van Marokko te vergemakkelijken.

11.2.4

Aangezien de Marokkaanse SER al operationeel is en nauw samenwerkt met het EESC, zou het wenselijk zijn dat beide adviesorganen de associatieraad verzoeken een gemengd raadgevend comité op te richten, dat rapporten en verzoeken kan voorleggen aan de associatieraad en het associatiecomité.

11.2.5

Het gemengd raadgevend comité zou moeten bestaan uit 6 vertegenwoordigers van de Marokkaanse SER en 6 vertegenwoordigers van het EESC van de EU, en zou twee keer per jaar moeten bijeenkomen, afwisselend in Marokko en de EU.

11.2.6

Ook zouden andere mechanismen moeten worden vastgesteld om de deelname aan de betrekkingen tussen de EU en Marokko aan te vullen, bijvoorbeeld op het gebied van de sociale dialoog tussen werkgevers en werknemers.

Brussel, 26 februari 2014

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Henri MALOSSE


(1)  Overeenkomstig de bepalingen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO).

(2)  Zie de definitie van de FAO van gezinslandbouw. www.fao.org/family-farming-2014

(3)  Verwacht wordt dat Marokko in 2015 een plan voor convergentie van de regelgeving met het acquis communautaire zal presenteren.

(4)  „Trade sustainability impact assesment (TSIAs) in support of negotiations of DCFTAs between the EU and the kingdom of Morocco and the Republic of Tunisia”.

(5)  Op 3 juni jl. is in Brussel een gezamenlijke verklaring ondertekend waarmee een partnerschap voor de mobiliteit tussen het Koninkrijk Marokko, de Europese Unie en haar lidstaten tot stand wordt gebracht.

(6)  Op 24 juli jl. hebben de Europese Commissie en het Koninkrijk Marokko een nieuwe visserijovereenkomst ondertekend, die een einde moet maken aan het anderhalf jaar durend visserijverbod voor Europese vissers in Marokkaanse wateren. Het Europees Parlement moet de overeenkomst nog goedkeuren of verwerpen, waarbij het moet toezien op de milieuduurzaamheid.

(7)  Advies 264/2010, rapporteur Margarita López Almendáriz.