MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD, HET EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ EN HET COMITÉ VAN DE REGIO'S Voortgang bij de uitvoering van de agenda van de Europese Unie inzake procedurele waarborgen voor verdachten en beklaagden – De grondvesten van de Europese strafrechtelijke ruimte versterken /* COM/2013/0820 final */
MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET
EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD, HET EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ EN HET
COMITÉ VAN DE REGIO'S Voortgang bij de uitvoering van de agenda van
de Europese Unie inzake procedurele waarborgen voor verdachten en beklaagden –
De grondvesten van de Europese strafrechtelijke ruimte versterken "Not only must justice be done; it
must also be seen to be done", luidt een
bekende Engelse spreuk. In de Europese rechtsruimte moeten
burgers niet alleen overal recht op een eerlijk proces hebben, maar daarop ook
kunnen vertrouwen wanneer zij gebruikmaken van hun recht zich binnen de
Europese Unie vrij te verplaatsen. De justitiële autoriteiten in de lidstaten
moeten vertrouwen kunnen stellen in elkaars strafrechtsstelsels. Om deze rechtsruimte op basis van wederzijdse
erkenning en onderling vertrouwen te ontwikkelen, is de Commissie in het
programma van Stockholm[1]
gevraagd om voorstellen in te dienen ter versterking van de procedurele rechten
van verdachten en beklaagden[2].
Dit politieke mandaat om werk te maken van de versterking van de
strafrechtelijke rechten van de burger, teneinde het recht op een eerlijk
proces in de hele Europese Unie te waarborgen, leidde tot de Commissie-agenda
inzake procedurele rechten. Het huidige pakket is de voortzetting van een
succesvol wetgevingsprogramma. Stap voor stap wordt grote vooruitgang geboekt
en de Europese Unie heeft drie richtlijnen inzake procedurele rechten
vastgesteld. ·
In 2010 is een richtlijn betreffende het recht op vertolking
en vertaling in strafprocedures vastgesteld, die uiterlijk op 27 oktober
2013 moest zijn omgezet[3].
Beklaagden krijgen kosteloze vertolking: niet alleen tijdens het proces, maar
ook tijdens politieverhoren en belangrijke ontmoetingen met hun advocaat.
Daarnaast wordt hen een schriftelijke vertaling verstrekt van documenten die
essentieel zijn voor de uitoefening van hun recht van verdediging. ·
In 2012 is een richtlijn betreffende het recht op informatie
in strafprocedures vastgesteld, die uiterlijk op 2 juni 2014 moet zijn
omgezet[4].
Verdachten moeten na aanhouding altijd een schriftelijke verklaring
van rechten ontvangen, die hen in eenvoudige bewoordingen informeert
over hun rechten. Zo nodig wordt deze verklaring vertaald. ·
In oktober 2013[5]
is een richtlijn vastgesteld betreffende het recht op toegang tot een
advocaat en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de
vrijheidsbeneming. Deze maatregel is een centraal onderdeel van de agenda
voor procedurele rechten. Elke verdachte heeft recht op een onderhoud met een
advocaat, van de vroegste fase van de procedure tot en met de afsluiting
daarvan. Bovendien heeft een ieder wie de vrijheid is ontnomen, de mogelijkheid
om contact op te nemen met zijn familie en, bij aanhouding in een andere
EU-lidstaat, zijn consulaat. Deze richtlijnen zijn van groot belang voor de
versterking van de procedurele rechten van de EU-burgers. De bij het Verdrag
van Lissabon ingevoerde vernieuwingen op het gebied van het strafrecht –
waaronder de stemming met gekwalificeerde meerderheid in de Raad en het
optreden van het Europees Parlement als medewetgever – hebben geleid tot deze
baanbrekende instrumenten, die het resultaat zijn van nauwe samenwerking tussen
de instellingen. Verder is in juni 2011 een groenboek over de
toepassing van EU-strafwetgeving op het gebied van detentie uitgebracht, waarin
de verbanden tussen detentie en onderling vertrouwen in de EU
worden onderzocht. De detentieomstandigheden kunnen
rechtstreeks van invloed zijn op het soepele functioneren van de wederzijdse
erkenning van justitiële beslissingen, aangezien een rechter de uitlevering van
een gezochte persoon (bv. in een procedure ter uitvoering van een Europees
aanhoudingsbevel) zou kunnen weigeren wegens ondermaatse detentieomstandigheden[6]. De
antwoorden en een analyse van deze antwoorden zijn op de website van de
Commissie geplaatst. De conclusie van het groenboek is dat de lidstaten en de
civiele samenleving terecht aandacht vragen voor voorlopige hechtenis en de
bevordering van alternatieven daarvoor, maar dat correcte en tijdige tenuitvoerlegging
van de bestaande EU-wetgeving prioriteit verdient[7]. Deze mededeling vergezelt een pakket van
vijf wetgevingsmaatregelen die uitvoering geven aan de agenda inzake procedure
rechten en die de grondslag voor de Europese strafrechtelijke ruimte verder
versterken. Dit pakket volgt op de drie richtlijnen betreffende procedurele
rechten die onlangs zijn vastgesteld. Het omvat drie voorstellen voor richtlijnen
betreffende: 1) het versterken van bepaalde aspecten van het
vermoeden van onschuld en van het recht om in een strafprocedure bij het
proces aanwezig te zijn, 2) speciale waarborgen voor kinderen die
verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure, en 3) voorlopige rechtsbijstand voor
verdachten en beklaagden wie de vrijheid is ontnomen, en rechtsbijstand in
procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel. Aangezien de maatregelen evenredig moeten zijn
met het doel van het EU-optreden, stelt de Commissie ook twee aanbevelingen
vast betreffende: 4) procedurele waarborgen voor kwetsbare
personen die verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure, en 5) het recht op rechtsbijstand voor verdachten
en beklaagden in strafprocedures. 1. De reden voor optreden op
EU-niveau ·
De gemeenschappelijke basis: het EU-Handvest en
het EVRM De EU kent een sterke traditie van het
ontwikkelen en bevorderen van fundamentele rechten. Het Handvest van de
grondrechten van de Europese Unie (het Handvest) en het Europees Verdrag tot
bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)
vormen de basis voor de bescherming van de rechten van verdachten en beklaagden
in de strafrechtstelsels in de Europese Unie. Het Verdrag maakt het EU-Handvest
wettelijk bindend[8]
en bepaalt dat de Europese Unie tot het EVRM zal toetreden[9]. Alle lidstaten zijn
partij bij het EVRM. Het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op
een eerlijk proces, het vermoeden van onschuld en de rechten van de
verdediging, neergelegd in de artikelen 47 en 48 van het EU-Handvest en in
artikel 6 van het EVRM, moeten in de EU-rechtsruimte hoog worden gehouden. Dit
betekent dat de lidstaten al over een aanzienlijk rechtskader beschikken voor
de rechten uit hoofde van dit pakket. Een nieuw accent: procedurele rechten als
aanvulling op veiligheid en onderling vertrouwen als voorwaarde voor
wederzijdse erkenning In de laatste tien jaar voor de
inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon stond EU-wetgeving hoofdzakelijk
in het teken van het vergemakkelijken van de criminaliteitsbestrijding. Dit
heeft geleid tot een indrukwekkend aantal instrumenten voor justitiële
samenwerking en wederzijdse erkenning met het oog op het vervolgen van daders.
Het bekendste instrument is het kaderbesluit betreffende het Europees
aanhoudingsbevel, op grond waarvan gezochte personen snel van de ene naar de
andere lidstaat kunnen worden overgedragen. Het doel is in de eerste plaats te
waarborgen dat het vrije verkeer van burgers over de EU-grenzen de
grensoverschrijdende rechtshandhaving niet hindert. Dankzij deze EU-instrumenten kunnen de
nationale justitiële autoriteiten in de hele Europese Unie onderling
gemakkelijk en snel onderzoeksmaatregelen en punitieve beslissingen tegen beklaagden
erkennen. Zij nemen aan dat het verzoek dient
te worden erkend en ingewilligd, omdat elke lidstaat een rechtsstelsel heeft
dat de rechten inzake een eerlijk proces in min of meer vergelijkbare mate
waarborgt. Het systeem van wederzijdse erkenning kan
alleen goed functioneren als de lidstaten vertrouwen stellen in elkaars strafrechtstelsels.
De bescherming van de procedurele rechten van verdachten en beklaagden varieert
echter nog sterk van lidstaat tot lidstaat. Hierdoor is het onderlinge
vertrouwen tussen de lidstaten nog niet optimaal. Om hierin verandering te
brengen, moet de Europese Unie waarborgen dat alle lidstaten gemeenschappelijke
procedurele minimumrechten hooghouden en dat deze rechten op grond van het
EU-recht kunnen worden gehandhaafd. Daarom kan krachtens het Verdrag van Lissabon (artikel
82, lid 2, onder b), VWEU) optreden op EU-niveau worden ondernomen met
betrekking tot de rechten van personen in de strafvordering Dit staat ook in
het mandaat dat de Europese Raad de Commissie heeft gegeven voor de periode
2010-2014: "Op het gebied van de justitiële en politiële samenwerking
is (...) veel vooruitgang geboekt met maatregelen die de vervolging
vergemakkelijken. Nu moet er actie worden ondernomen om het evenwicht tussen
deze maatregelen en de bescherming van de procedurele rechten van het individu
te verbeteren. Wij moeten onze burger veiligheid en rechtsstatelijkheid kunnen
garanderen, ongeacht waar in de Unie hij gaat studeren, werken of wonen."[10] ·
Vertrouwen van de burger in vergelijkbare
procedurele rechten Het feit dat de rechten inzake een eerlijk
proces van verdachten en beklaagden moeten worden beschermd, heeft ook een
duidelijke grensoverschrijdende dimensie. Circa 14,1 miljoen EU-burgers
verblijven permanent buiten hun eigen land[11],
10 % van de EU-burgers heeft ooit in het buitenland gewoond en gewerkt, en 13 %
is naar het buitenland gegaan voor onderwijs en opleiding[12]. Aangezien mensen
voortdurend binnen de EU reizen en zich over de binnengrenzen verplaatsen, en
dus in een strafprocedure buiten hun eigen land betrokken kunnen raken, moet de
Europese Unie waarborgen dat de procedurele rechten bij strafprocedures
vergelijkbaar zijn. 2. Tijd voor weloverwogen
maatregelen om vooruitgang te boeken bij de uitvoering van de EU-agenda inzake
procedurele rechten ·
Waarom verder gaan op EU-niveau? Wanneer de onlangs vastgestelde richtlijnen
betreffende procedurele rechten eenmaal door de lidstaten zijn omgezet, zullen
zij verdachten en beklaagden verzekeren van een breed pakket essentiële
waarborgen. De agenda inzake procedurele rechten moet echter worden versterkt. ·
Verdachten en beklaagden worden direct geïnformeerd
over hun zwijgrecht, maar wat gebeurt er als zij zich hierop beroepen? In een
aantal lidstaten kunnen de justitiële autoriteiten dit zwijgen opvatten als
aanvullend bewijs tegen de betrokkene. Het recht op een eerlijk proces moet op
een stevige grondslag worden gebaseerd en het vermoeden van onschuld
moet in de hele EU worden beschermd. ·
Wie de taal van de strafprocedure niet spreekt of
begrijpt, wordt vertolking en vertaling aangeboden, maar hoe zit het met
degenen die, bijvoorbeeld door hun jonge leeftijd of een mentale handicap, niet
in staat zijn tot het naar behoren volgen van en deelnemen aan een
strafprocedure? De bestaande EU-richtlijnen betreffende waarborgen voor
verdachten en beklaagden gelden ook voor kinderen. Vanwege hun inherente
kwetsbaarheid erkennen belanghebbenden en lidstaten alom dat kinderen
specifieke, betere bescherming nodig hebben; zo moeten zij verplicht worden
bijgestaan door een advocaat wanneer zij te maken krijgen met de politie of het
strafrechtstelsel[13].
Momenteel is het recht op een eerlijk proces van kinderen en andere kwetsbare
personen onvoldoende gewaarborgd in de EU en ontbreekt een overkoepelende
bescherming. Het programma van Stockholm bepaalt uitdrukkelijk dat er een
specifieke maatregel dient te worden genomen om gemeenschappelijke
minimumregels voor kwetsbare personen vast te stellen. Dergelijke minimumregels
zullen het vertrouwen van de lidstaten in het strafrechtstelsel van andere
lidstaten versterken en de wederzijdse erkenning van beslissingen in strafzaken
bevorderen. Speciale waarborgen zijn nodig om te voorzien in de
behoeften van kinderen en kwetsbare personen tijdens strafprocedures. ·
De richtlijn betreffende het recht op toegang tot
een advocaat verleent verdachten en beklaagden recht op een advocaat vanaf het
eerste stadium van de procedure, bv. bij verhoor door de politie. Maar wat als
de betrokkenen zich geen advocaat kunnen veroorloven? Dan zijn zij aangewezen
op rechtsbijstand om hun recht op toegang tot een advocaat te kunnen
uitoefenen. ·
Behoefte aan evenwichtig optreden De Commissie presenteert een evenwichtig
pakket maatregelen die rekening houden
met de verschillen tussen de rechtstradities en rechtsstelsels van de
lidstaten, en die deze verschillen eerbiedigen, overeenkomstig artikel 82, lid
2, VWEU, ter bevordering van het onderling vertrouwen en met inachtneming van
het evenredigheidsbeginsel (artikel 5, VEU). Elk element is zorgvuldig
beoordeeld alvorens te besluiten of er een maatregel op EU-niveau diende te
worden genomen, en zo ja, op welk niveau en in welke vorm; hierbij werd ook
gekeken naar de kosten die dit voor de lidstaten zou kunnen meebrengen.
Voorzichtigheid is uiteraard des te meer geboden in deze tijden van
begrotingsconsolidatie, waarin de financiële implicaties zorgvuldig moeten
worden beoordeeld. Daarom stelt de Commissie in het pakket bijvoorbeeld geen
richtlijn voor met wettelijk bindende criteria aan de hand waarvan kan worden
getoetst of iemand voor rechtsbijstand in aanmerking komt. Het verstrekken van
voorlopige rechtsbijstand en rechtsbijstand in procedures ter uitvoering van
een Europees aanhoudingsbevel zal beperkte kosten meebrengen voor de lidstaten. ·
Een breder perspectief: procedurele waarborgen
en het Europees openbaar ministerie Dit pakket zal ook de juridische waarborgen
versterken voor personen die betrokken zijn bij procedures van het Europees
openbaar ministerie. In het onlangs gepresenteerde voorstel voor een
verordening van de Raad[14]
wordt verduidelijkt dat een verdachte alle rechten geniet uit hoofde van de
EU-wetgeving, het EU-Handvest en het toepasselijke nationale recht; daarbij
wordt uitdrukkelijk verwezen naar het recht op rechtsbijstand en het vermoeden
van onschuld. Betere rechten zijn bevorderlijk voor de procedurele waarborgen
die van toepassing zijn op de procedures van het Europees openbaar ministerie
en sterken het publieke vertrouwen in de werking van deze instantie. 3. De belangrijkste elementen
van de voorstellen 3.1. Een stevige grondslag voor
het recht op een eerlijk proces – het vermoeden van onschuld ·
Het vermoeden van onschuld — een fundamenteel
rechtsbeginsel Dat beklaagden onschuldig worden geacht totdat
hun schuld in rechte definitief is komen vast te staan en dat het aan de
vervolgende instantie is om hun schuld aan te tonen, is een van de oudste en
belangrijkste strafrechtelijke beginselen, dat is verankerd in alle belangrijke
internationale en regionale mensenrechteninstrumenten. In de geest van artikel
6, lid 2, EVRM en artikel 11, lid 1, van de Universele Verklaring van de
Rechten van de Mens bepaalt artikel 48, lid 1, van het EU-Handvest: "Eenieder
tegen wie een vervolging is ingesteld, wordt voor onschuldig gehouden totdat
zijn schuld in rechte is komen vast te staan." Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens
(EHRM) heeft het toepassingsgebied van het beginsel van het vermoeden van
onschuld door de jaren heen verduidelijkt. Artikel 6, lid 2, EVRM omvat drie
belangrijke punten[15]:
het recht om niet door de overheid als schuldig te worden aangemerkt vóór het
eindvonnis[16],
het beginsel dat de bewijslast bij de vervolgende instantie berust en dat elke
gerede twijfel aan de schuld in het voordeel van de beklaagde moet gelden,[17] en het recht om in
kennis te worden gesteld van de aanklacht[18].
Het vermoeden van onschuld is een essentiële voorwaarde voor een eerlijk proces
en het EHRM heeft verklaard dat een schending van dit beginsel het recht op een
eerlijk proces aantast[19].
Dit geldt in het bijzonder voor het recht van de betrokkene om niet tegen
zichzelf te getuigen, het recht niet mee te werken en het zwijgrecht.[20] Bij het recht om voor onschuldig te worden
gehouden, wordt een onderscheid gemaakt tussen natuurlijke en rechtspersonen
wat betreft hun behoeften en hun vereiste niveau van bescherming; dit volgt ook
uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie over het recht om niet tegen
zichzelf te getuigen.[21]
Het voorstel voor een richtlijn houdt rekening met deze verschillen en is dan
ook alleen van toepassing op natuurlijke personen. ·
Het vermoeden van onschuld als fundament en
cement van de in de richtlijnen betreffende procedurele rechten vervatte
rechten De in de bestaande EU-instrumenten vervatte
rechten betreffende een eerlijk proces, met inbegrip van het recht op
informatie, het recht op het begrijpen en volgen van de procedure en het recht
op toegang tot een advocaat, zijn dus een aanvulling op en onlosmakelijk
verbonden met het vermoeden van onschuld wat betreft het waarborgen van een
eerlijk proces en onderling vertrouwen. Het programma van Stockholm bevatte een oproep
aan de Commissie om de procedurele minimumrechten van verdachten en beklaagden
nader te onderzoeken; daarbij werd met name het vermoeden van onschuld vermeld.
De Commissie stelt in een richtlijn voor om het vermoeden van onschuld in
strafprocedures op een aantal nauw samenhangende punten te versterken. Het gaat
om punten die onmisbaar zijn voor het klimaat van onderling vertrouwen waarin
zowel de procedurele rechten als de instrumenten inzake wederzijdse erkenning
kunnen functioneren. Verder bevordert deze richtlijn een justitiële cultuur
waarin terughoudend gebruik wordt gemaakt van maatregelen als voorlopige
hechtenis. ·
Bepaalde aspecten van het recht om voor
onschuldig te worden gehouden op EU-niveau versterken De voorgestelde richtlijn heeft betrekking op
bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld, die voortvloeien uit de
rechtspraak van het EHRM en voor onderling vertrouwen moeten zorgen door te
voorzien in de behoefte aan gemeenschappelijke minimumnormen. Dit legt een
stevige basis voor andere instrumenten betreffende procedurele rechten die al
zijn vastgesteld of samen met deze richtlijn worden voorgesteld. Aangezien het recht van de beklaagde om bij
het proces aanwezig te zijn, een essentieel recht van de verdediging is en deel
uitmaakt van het recht op een eerlijk proces, overeenkomstig de uitleg van het
EHRM[22],
strekt het voorstel tevens tot versterking van dit recht, dat ook het recht op
een eerlijk proces ten goede komt. De waarborgen in de wetgeving van de lidstaten
zijn over het geheel genomen van een aanvaardbaar niveau en er lijken zich op
dit gebied geen systematische problemen voor te doen. Wel dienen de wettelijke
waarborgen op bepaalde punten nog steeds te worden versterkt. Het vermoeden van
onschuld wordt in de Europese Unie nog al te vaak geschonden. (a)
Geen openbare uitlatingen over schuldvraag
voor veroordeling Een openbare verklaring van politie of
justitie die suggereert dat iemand die nog niet onherroepelijk veroordeeld is,
schuldig is, schaadt de reputatie van de betrokkene en kan de jury of rechter
die zich over de zaak moet uitspreken, beïnvloeden. In de richtlijn is duidelijk het beginsel
verankerd dat een verdachte of beklaagde in officiële besluiten en verklaringen
van bijvoorbeeld politie en justitie niet als schuldig mag worden voorgesteld,
overeenkomstig de rechtspraak van het EHRM[23].
Zo beschermt de richtlijn de reputatie en persoonlijke levenssfeer van personen
die bij een strafprocedure betrokken zijn. (b)
De bewijslast – elke twijfel aan de schuld
moet in het voordeel van de verdachte of beklaagde gelden In strafprocedures dient de bewijslast
bij de vervolgende instantie te berusten en moet elke twijfel aan de schuld in
het voordeel van de verdachte of beklaagde gelden, onverlet de
onafhankelijkheid van de rechterlijke macht bij de beoordeling van de schuld
van de verdachte of beklaagde. Een veroordeling moet worden gebaseerd op het
aangevoerde bewijs en niet op beweringen of vermoedens. Het EHRM heeft echter
aanvaard dat in specifieke en beperkte gevallen de bewijslast bij de
verdediging mag worden gelegd en deze norm is ook opgenomen in de richtlijn;
daarbij is een balans gevonden tussen het openbare belang van doeltreffende
vervolging en de rechten van de verdediging [24]. (c)
Het zwijgrecht – geen dwang om tegen zichzelf
te getuigen of mee te werken Het zwijgrecht, het recht om niet tegen
zichzelf te getuigen en het recht om niet mee werken zijn algemeen erkende
internationale normen liggen ten grondslag aan een eerlijk proces[25]. Deze rechten
waarborgen dat een verdachte of beklaagde niet op oneigenlijke wijze wordt
gedwongen bewijs te verschaffen, hetgeen in strijd zou zijn met het beginsel
dat de bewijslast bij de vervolgende instantie berust. De voorgestelde richtlijn houdt deze
beginselen met betrekking tot natuurlijke personen niet alleen hoog, maar
voorziet ook in een specifiek rechtsmiddel. Bewijs dat verkregen is op een
wijze die strijdig is met deze rechten, mag uitsluitend worden gebruikt in
uitzonderlijke gevallen, waarin het gebruik van dergelijk bewijs geen afbreuk
doet aan de algehele eerlijkheid van de procedure. (d)
Het recht het proces bij te wonen – een
gemeenschappelijke minimumnorm en een rechtsmiddel Indien een verdachte of beschuldigde bij
verstek wordt berecht (zonder aanwezig te zijn bij het proces), komt het recht
van de verdediging in gevaar: zo wordt beklaagden de mogelijkheid ontzegd om de
rechter hun versie van de feiten te geven en bewijs te weerleggen. Kaderbesluit 2009/299/JBZ[26] verbeterde de
bescherming van dergelijke beklaagden op grond van verscheidene andere
EU-instrumenten voor wederzijdse erkenning van justitiële beslissingen
overeenkomstig de normen van het EHRM[27],
door te voorzien in de mogelijkheid om justitiële samenwerking te weigeren
indien niet wordt voldaan aan bepaalde gemeenschappelijke minimumnormen. De voorgestelde richtlijn maakt derhalve van
het door de het EHRM vastgestelde grondrecht van de beklaagde om bij het proces
aanwezig te zijn, een EU-minimumnorm die tevens van toepassing is op
binnenlandse strafprocedures. Hierop is slechts een zeer beperkt aantal
uitzonderingen mogelijk om te waarborgen dat het recht niet onnodig wordt
vertraagd door beklaagden te kwader trouw. Er is voorzien in een concreet
rechtsmiddel in de vorm van een nieuw proces, zoals vastgesteld door het EHRM[28], voor zaken waarin het
recht om het proces bij te wonen, is geschonden. 3.2. Bescherming voor wie daaraan
het meest behoefte heeft – speciale waarborgen voor kwetsbare personen ·
Wie heeft speciale bescherming nodig en waarom? Het programma van Stockholm bepleit een
versterking van de rechten van kwetsbare personen bij strafprocedures: "(Er)
moet (...) speciale aandacht worden besteed aan verdachten of beklaagden die de
inhoud of de betekenis van het proces niet kunnen begrijpen of volgen,
bijvoorbeeld ten gevolge van leeftijd, of geestelijke of lichamelijke
toestand."[29]
Internationale normen en de rechtspraak van
het EHRM weerspiegelen hun specifieke behoeften. Iemand kan kwetsbaar zijn
doordat hij niet in staat is daadwerkelijk aan de strafprocedure deel te nemen.
Effectieve participatie in deze context veronderstelt dat de beschuldigde
een algemeen begrip heeft van de aard van het proces en wat er voor hem op het
spel staat, met inbegrip van de strekking van eender welke straf die kan worden
opgelegd.[30]
Kinderen worden per definitie als kwetsbaar
beschouwd vanwege hun jonge leeftijd, onvolledige
fysieke en psychische ontwikkeling en emotionele onrijpheid[31]. Kinderen lopen ook
meer risico op mishandeling en gezondheidsproblemen dan andere verdachten en
beklaagden; zij zijn niet altijd in staat om hun moeilijkheden of
gezondheidsproblemen duidelijk kenbaar te maken. Alle lidstaten veronderstellen
dan ook dat kinderen in strafprocedures bijzondere waarborgen en bescherming
nodig hebben. Voor volwassenen ligt de situatie anders. Er
zijn vele redenen waarom een volwassene niet daadwerkelijk kan deelnemen aan de
procedure, zoals geestesziekte en fysieke of cognitieve handicaps. Er is geen
standaarddefinitie van "kwetsbare volwassene" met betrekking tot
strafprocedures in de EU-lidstaten. ·
Een richtlijn betreffende cruciale waarborgen
voor kinderen De drie reeds vastgestelde richtlijnen
betreffende procedurele rechten gelden voor alle verdachten en beklaagden, met
inbegrip van kinderen. Hoewel hierin ook een aantal specifieke waarborgen voor
kinderen is opgenomen, houden deze richtlijnen onvoldoende rekening met de
specifieke behoeften die zij kunnen hebben; zo kan het begrijpen en volgen van
de procedures voor kinderen moeilijk of onmogelijk zijn en lopen zij vanwege hun
kwetsbaarheid een groter risico op mishandeling. De voorgestelde richtlijn waarborgt: ·
dat de procedurele waarborgen voor kinderen gelden
vanaf het moment waarop zij ervan verdacht of beschuldigd worden een strafbaar
feit te hebben gepleegd (toepassingsgebied); ·
dat kinderen door hun ouders of andere geschikte
personen worden bijgestaan wanneer zij worden aangehouden en dat zowel de
kinderen als hun ouders op hun rechten worden gewezen; ·
dat kinderen geen afstand kunnen doen van hun recht
zich door een advocaat te laten bijstaan, aangezien er een groot risico is dat
zij de gevolgen van hun daden niet overzien; verplichte toegang tot een
advocaat is de belangrijkste maatregel van de voorgestelde richtlijn; ·
dat hun persoonlijke en gezinssituatie en behoeften
voor het vonnis zorgvuldig worden beoordeeld en dat kinderen bij vrijheidsbeneming
een medisch onderzoek ondergaan; dat gedurende de hele procedure verhoren
worden afgenomen onder omstandigheden die aansluiten bij de leeftijd en de
rijpheid van het kind, en dat van politieverhoren audiovisuele opnames worden
gemaakt, tenzij dit niet evenredig zou zijn; ·
dat kinderen niet bij verstek kunnen worden
veroordeeld; dat kinderen niet schuldig kunnen worden bevonden zonder in de
gelegenheid te zijn gesteld de gronden voor een dergelijke veroordeling te
weerleggen, en dat zij de gronden voor een eventuele veroordeling begrijpen
teneinde recidive bij kinderen te voorkomen en sociale integratie te
bevorderen; ·
dat justitiële autoriteiten die zich met kinderen
bezighouden, speciale opleiding krijgen; dat de persoonlijke levenssfeer van
het kind wordt beschermd teneinde de sociale herintegratie te vergemakkelijken,
bijvoorbeeld door erop toe te zien dat de procedures in beginsel niet openbaar
toegankelijk zijn; ·
dat kinderen alleen de vrijheid wordt ontnomen als
uiterste maatregel, en dat kinderen gescheiden van volwassenen worden
vastgehouden. Internationale normen dicteren dat kinderen
die met het strafrechtssysteem in aanraking komen, zowel alternatieven voor detentie
als onderwijs beschikbaar moeten zijn en dat hun slechts in uitzonderlijke
omstandigheden de vrijheid dient te worden ontnomen. Kinderen verkeren in een
bijzonder kwetsbare positie wanneer hun de vrijheid wordt ontnomen, gelet op de
inherente risico's die dit meebrengt voor hun fysieke, mentale en sociale
ontwikkeling. Teneinde mishandeling en misbruik in geval van vrijheidsbeneming te
voorkomen, dienen bepaalde beschermende maatregelen te worden genomen. Met het
oog op deze specifieke behoeften van kinderen bevat de richtlijn speciale
regels inzake de specifieke behandeling van kinderen wie de vrijheid is
ontnomen. De richtlijn bevordert zo de rechten van het
kind, overeenkomstig internationale richtlijnen en aanbevelingen inzake
kindvriendelijke justitie, en maakt deel uit van de EU-agenda voor de rechten
van het kind[32].
De richtlijn doet geen afbreuk aan de nationale regels inzake strafrechtelijke
verantwoordelijkheid[33]. ·
Een aanbeveling van de Commissie die waarborgt
dat kwetsbare personen als zodanig worden erkend en dat rekening wordt gehouden
met hun behoeften Het is op dit moment niet mogelijk te
omschrijven wat mensen in een strafprocedure kwetsbaar maakt; iedere
omschrijving zou zelfs als stigmatiserend kunnen worden aangemerkt. Dit is
duidelijk geworden uit verscheidene raadplegingen en ontmoetingen met
belanghebbenden en lidstaten. Wel erkennen de belanghebbenden dat voor
bepaalde mensen speciale strafrechtelijke waarborgen nodig zijn, willen zij hun
rechten kunnen begrijpen en uitoefenen. Als mensen de procedures of de
consequenties van bepaalde stappen, zoals het afleggen van een bekentenis, niet
begrijpen – hetzij omdat hun kwetsbaarheid niet herkend is, hetzij omdat
speciale waarborgen ontbreken – verstoort dit het billijk evenwicht tussen de
procespartijen ("inequality of arms"), hetgeen hun kans op een
eerlijk proces beperkt en de integriteit van het rechtsproces aantast. Als er
niet op EU-niveau wordt opgetreden, blijft de mate van bescherming in de EU
ongelijk. De enige evenwichtige aanpak waarbij enerzijds recht wordt gedaan aan
overwegingen inzake evenredigheid en subsidiariteit en anderzijds de
bescherming van kwetsbare personen wordt verbeterd, is een aanbeveling van de
Commissie die de fundamentele rechten van kwetsbare personen in een strafrechtprocedure
bevordert. ·
Het voornaamste punt van de aanbeveling betreft het
opzetten van beoordelingsmechanismen die moeten waarborgen dat kwetsbare
personen worden ontdekt en erkend, en dat in strafprocedures rekening wordt
gehouden met hun speciale behoeften. Zo wordt aanbevolen een beoordeling te
laten verrichten door een onafhankelijke deskundige teneinde te verzekeren dat
de mate van kwetsbaarheid correct wordt vastgesteld en dat de specifieke
behoeften van de persoon worden onderkend. ·
Passende waarborgen voor kwetsbare personen
vaststellen: de aanbeveling roept de lidstaten op om naar gelang de beoordeling
concrete waarborgen in te voeren, zoals verplichte toegang tot een advocaat,
bijstand door een geschikte derde, audiovisuele opnames van politieverhoren en
medische zorg. Hoewel een aanbeveling de lidstaten meer
manoeuvreerruimte biedt dan een richtlijn, draagt zij niettemin bij tot een
verbetering van de normen inzake de procedurele rechten van kwetsbare personen
en tot de bevordering van het onderlinge vertrouwen. De Commissie zal
beoordelen in hoeverre de lidstaten vier jaar na de bekendmaking ervan
maatregelen hebben getroffen om gevolg te geven aan de aanbeveling, en zo nodig
wetgevingsmaatregelen voorstellen om de procedurele rechten van kwetsbare
personen te verbeteren. 3.3. Een doeltreffend recht op
toegang tot een advocaat – het recht op rechtsbijstand De derde alinea van artikel 47 van het
EU-Handvest is geïnspireerd op artikel 6, lid 3, onder c), EVRM en luidt:
"Rechtsbijstand wordt verleend aan degenen die niet over toereikende
financiële middelen beschikken, voor zover die bijstand noodzakelijk is om de
daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen." Het recht op rechtsbijstand is onlosmakelijk
verbonden met het recht op toegang tot een advocaat. Voor personen die niet
over toereikende financiële middelen beschikken, heeft het recht op toegang tot
een advocaat alleen waarde wanneer de staat in rechtsbijstand voorziet. Om te
waarborgen dat het recht op toegang tot een advocaat functioneert en het
onderlinge vertrouwen in de Europese Unie nader te versterken, moet er voor hen
die daaraan behoefte hebben, rechtsbijstand beschikbaar zijn. Een richtlijn betreffende bepaalde
aspecten van het recht op rechtsbijstand ·
Rechtsbijstand waarborgen wanneer toegang tot
een advocaat het meest nodig is – "voorlopige rechtsbijstand" In de vroegste stadia van de procedure is de
verdachte of beklaagde bijzonder kwetsbaar, met name als hem de vrijheid is ontnomen.
Toegang tot een advocaat is in die eerste fase van het allerhoogste belang voor
de bescherming van het recht op een eerlijk proces, met inbegrip van het recht
om niet tegen zichzelf te getuigen, zoals is vastgesteld in de rechtspraak van
het EHRM. Artikel 6 EVRM bepaalt dat verdachten en beklaagden toegang tot
rechtsbijstand moet worden geboden vanaf het moment dat zij in politiehechtenis
of voorarrest worden genomen en dat dergelijke bijstand zo nodig officieel
wordt toegewezen. Zij moeten niet op toegang tot een advocaat hoeven te wachten
tot hun verzoek om rechtsbijstand is verwerkt en beoordeeld. De voorgestelde richtlijn betreffende het
recht op rechtsbijstand houdt dan ook in dat verdachten of beklaagden bij vrijheidsbeneming
toegang moeten hebben tot voorlopige rechtsbijstand vanaf de eerste fase van de
procedure en totdat de bevoegde autoriteit een definitieve beslissing heeft
genomen over het verzoek om rechtsbijstand. ·
Bijzondere aandacht voor personen tegen wie een
Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd Ter bevordering van het onderlinge vertrouwen
in de Europese Unie voorziet de richtlijn betreffende toegang tot een advocaat
in het recht op dubbele wettelijke vertegenwoordiging bij procedures ter
uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel, namelijk zowel in de uitvoerende
als in de uitvaardigende lidstaat. Dit vereist echter dat de procedure ter
uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel de toegang tot rechtsbijstand
waarborgt. Personen die worden gezocht op grond van een
Europees aanhoudingsbevel, moeten ook recht op voorlopige rechtsbijstand hebben
wanneer hun in de uitvoerende lidstaat de vrijheid wordt ontnomen; zij moeten
niet op juridische bijstand hoeven te wachten tot hun verzoek om rechtsbijstand
is behandeld. Een aanbeveling betreffende overige
kwesties in verband met rechtsbijstand in strafprocedures ·
Naar verdere harmonisatie van de criteria voor
beslissingen over het recht op rechtsbijstand Uit artikel 47, lid 3, van het EU-Handvest en
artikel 6, lid 3, onder c), EVRM volgt dat de lidstaten mogen bepalen of iemand
recht heeft op rechtsbijstand wanneer de betrokkene niet over voldoende
middelen beschikt (toetsing van draagkracht) en/of de belangen van een
behoorlijke rechtspleging dit eisen, bijvoorbeeld vanwege de complexiteit van
een zaak, de persoonlijke situatie van de verdachte en de ernst van het
strafbare feit en van de sanctie die zou kunnen worden opgelegd (toetsing van
de juridisch merites). De manier waarop deze criteria worden
gecombineerd en beoordeeld verschilt sterk per lidstaat. Sommige lidstaten
toetsen alleen de draagkracht, andere toetsen de juridische merites en weer
andere combineren beide toetsingen. Ook worden de toetsingen van de juridische
merites en de toetsing van de draagkracht heel verschillend uitgelegd en
begrepen. Aangezien er zeer veel regelingen inzake
rechtsbijstand zijn en de maatregelen evenredig moeten blijven, zeker nu het
economisch en financieel tij tegenzit, is dit punt voorwerp van een
aanbeveling. Hierin zijn gemeenschappelijke objectieve criteria opgenomen
waarmee rekening dient te worden gehouden bij het beoordelen of iemand voor
rechtsbijstand in aanmerking komt. De aanbeveling verduidelijkt het
beoordelingskader dat is ontwikkeld in de rechtspraak van het EHRM en bevordert
de harmonisatie van de verschillende rechtsstelsels, ter bevordering van het
onderling vertrouwen. ·
Kwaliteit en doeltreffendheid van rechtsbijstand
waarborgen Het EHRM heeft bepaald dat een staat zijn
verplichting om kosteloos rechtsbijstand de verstrekken, niet nakomt door
alleen een met publieke middelen bezoldigde advocaat aan te stellen[34]. De staat moet
waarborgen dat de rechtsbijstand die de pro-deo-advocaten verstrekken praktisch
en doeltreffend is. De aanbeveling roept de lidstaten derhalve op mechanismen
in te voeren voor het waarborgen van de kwaliteit van de rechtsbijstand en
systemen te bevorderen voor de erkenning van advocaten en voor permanente
beroepsopleiding van rechtsbijstandverleners en pro-deo-advocaten. De
tenuitvoerlegging van deze aanbeveling zal de kwaliteit en doeltreffendheid van
de rechtsbijstand ten goede komen en het vertrouwen in de rechtsstelsels van de
andere lidstaten bevorderen. Om het effect en de toepassing van de
aanbeveling te bevorderen, zal de Commissie een beroep doen op de bestaande
deskundigengroep voor justitiële samenwerking in strafzaken. Deze groep kan de
Commissie helpen bij het opstellen van richtsnoeren voor de toepassing van de
aanbeveling en het gemakkelijker maken voor de lidstaten om beste praktijken
uit te wisselen. De Commissie zal beoordelen in hoeverre de lidstaten vier jaar
na de bekendmaking ervan maatregelen hebben getroffen om gevolg te geven aan de
aanbeveling, en zo nodig wetgevingsmaatregelen voorstellen om het recht op
rechtsbijstand in strafprocedures te verbeteren. 4. Conclusie Met dit pakket betreffende gemeenschappelijke
normen voor het recht op een eerlijk proces in de Europese Unie is opnieuw een
stap gezet ter verwezenlijking van de Commissie-agenda inzake procedurele
rechten. In combinatie met alle bestaande instrumenten voor
grensoverschrijdende justitiële samenwerking in een klimaat van onderling
vertrouwen bevordert de aanbeveling de ontwikkeling van een Europese ruimte van
vrijheid, veiligheid en recht door middel van gemeenschappelijke minimumnormen.
De nieuwe ordening die bij het Verdrag van Lissabon
is ingevoerd, wordt binnenkort volledig van kracht. De in het Verdrag
vastgestelde overgangsregeling voor justitie en binnenlandse zaken (voorheen de
zogeheten derde pijler) loopt op 30 november 2014 ten einde. Vanaf dan heeft de
Commissie handhavingsbevoegdheden met betrekking tot het hele acquis
betreffende justitie en binnenlandse zaken en heeft het Europese Hof van
Justitie volledige rechtsbevoegdheid voor pre-Lissaboninstrumenten voor
wederzijdse erkenning. Het Europees strafrechtelijk landschap zal ingrijpend
veranderen door deze ontwikkeling, zeker nu tegelijkertijd op Europese schaal
een vervolgingssysteem wordt ingesteld voor de bestrijding van fraude die de
financiële belangen van de EU schaadt. Gelet op de internationalisering van de criminaliteit
zal door de uitvoering van de vele maatregelen op het gebied van wederzijdse
erkenning het aantal verzoeken om onderzoek en om handhaving van beslissingen
in strafzaken in de hele EU toenemen. Dit is een reden temeer om de EU-agenda
inzake procedurele rechten verder uit te voeren en dit nieuwe pakket snel goed
te keuren. Op de langere termijn wordt dit EU-kader
inzake procedurele rechten omgezet in nationale wetgeving. In hoeverre dit
kader in de praktijk bijdraagt tot de eerbiediging van het recht op een eerlijk
proces, zal zorgvuldig moeten worden beoordeeld en daarbij moeten ook de
leemten moeten worden vastgesteld, zulks met het oog op een eventueel
geconsolideerd voorstel betreffende de rechten inzake een eerlijk proces. [1] PB C 115 van 4.5.2010, blz. 1. [2] PB C 291 van 4.12.2009, blz. 1. [3] Richtlijn 2010/64/EG van 20 oktober 2010, PB L 280 van
26.10.2010, blz. 1–7. [4] Richtlijn 2012/13/EG van 22 mei 2012, PB L 142 van
1.6.2012, blz. 1–10. [5] Richtlijn 2013/48/EG van 22 oktober 2013, PB L 294 van
6.11.2013, blz. 1-12. [6] Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002
betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering
tussen de lidstaten, PB L 190 van 18.7.2002, blz. 1-18. [7] http://ec.europa.eu/justice/newsroom/criminal/opinion/110614_en.htm [8] Artikel 6, lid 1, VEU. [9] Artikel 6, lid 3, VEU. [10] Overweging 10, PB C 291 van 4.12.2009, blz. 1. [11] Eurostat, "Migration and migrant population statistics",
maart 2013. [12] Eurobarometer 337/2010. [13] Zie bv. de richtsnoeren over kindvriendelijke justitie van
het Comité van Ministers van de Raad van Europa. [14] Voorstel voor een verordening van de Raad tot instelling
van het Europees Openbaar Ministerie, COM(2013) 534 final, 17.7.2013. [15] Barberà, Messegué en Jabardo/Spanje,
verzoekschriften nr. 10588/83, nr. 10589/83 en nr. 10590/83, arrest van 6
december 1988. [16] Minelli/Zwitserland, verzoekschrift nr. 8660/79,
arrest van 25 maart 1983. [17] Zie voetnoot 14. [18] Hierop wordt ingegaan in Richtlijn 2012/13/EU van 22 mei
2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures. [19] John Murray/VK, verzoekschrift nr. 18731/91, arrest
van 26 januari 1996. [20] Murray/VK, zie hierboven, Funke/Frankrijk,
verzoekschrift nr. 10828/84, verzoekschrift nr. 25 februari 1993,
Saunders/VK, verzoekschrift nr. 19187/91, arrest van 17 december 1996. [21] Zie onder meer zaak C-301/04 P Commissie/SGL Carbon
[2006] Jurispr. I-5915 en zaak T-112/98 Mannesmannröhren-Werke/Commissie
[2001] Jurispr. II-732. [22] Colozza/ Italy, verzoekschrift nr. 9024/80, arrest
van 12 februari 1985. [23] Minelli/Switzerland, verzoekschrift nr. 8660/79,
arrest van 25 maart 1983; Allenet de Ribemont/Frankrijk, verzoekschrift
nr. 15175/89, arrest van 10 februari 1995; Pandy/België,
verzoekschrift nr. 13583/02, arrest van 21 september
2006; Garlicki/Polen, verzoekschrift nr. 36921/07, arrest van 14 juni
2011. [24] Salabiaku/Frankrijk, verzoekschrift nr. 10519/83,
arrest van 7 oktober 1988; Barberà, Messegué en Jabardo/Spanje, verzoekschrift
nr. 10590/83, arrest van 6 december 1988. [25] Heaney en McGuiness/Ierland, verzoekschrift nr.
34720/97, arrest van 21 december 2000. [26] Kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009
tot wijziging van Kaderbesluit 2002/584/JBZ, Kaderbesluit 2005/214/JBZ,
Kaderbesluit 2006/783/JBZ, Kaderbesluit 2008/909/JBZ en Kaderbesluit
2008/947/JBZ, PB L 81 van 27.3.2009, blz.
24-36. [27] Colozza/Italië, verzoekschrift nr. 9024/80, arrest
van 12 februari 1985. [28] Zie voetnoot 25. [29] PB C 291 van 4.12.2009, blz. 1. [30] S.C./VK, verzoekschrift nr. 60958/00, arrest van 10
november 2004. [31] Krachtens artikel 1 van het VN-Verdrag inzake de rechten
van het kind, dat door alle EU-lidstaten en de EU is geratificeerd, wordt onder
een kind verstaan ieder mens jonger dan achttien jaar.
[32] Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de
Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de regio’s,
15.2.2011, COM(2011) 60 definitief. [33] Bedoeld is de leeftijd waarop een kind strafrechtelijk
aansprakelijk wordt voor zijn daden. [34] EHRM-zaak Pavlenko/Rusland, verzoekschrift nr.
42371/02, arrest van 4 oktober 2010, punt 99.