VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD, HET EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ EN HET COMITÉ VAN DE REGIO'S EU-betrekkingen met het Vorstendom Andorra, het Vorstendom Monaco en de Republiek San Marino: Mogelijkheden voor hun deelname aan de interne markt /* COM/2013/0793 final */
VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES
PARLEMENT, DE RAAD, HET EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ EN HET COMITÉ VAN
DE REGIO'S EU-betrekkingen met het Vorstendom Andorra,
het Vorstendom Monaco en de Republiek San Marino: Mogelijkheden voor hun deelname
aan de interne markt INHOUDSOPGAVE 1........... INLEIDING.................................................................................................................. 3 2........... ANALYSE VAN DE OPTIES...................................................................................... 4 2.1........ Optie één: deelname aan de EER.................................................................................... 4 2.1.1..... Beoordeling.................................................................................................................... 4 2.1.2..... Standpunten van de kleine landen.................................................................................... 4 2.2........ Optie twee: één of meer
kader-associatieovereenkomsten............................................... 4 2.2.1..... Beoordeling.................................................................................................................... 4 2.2.2..... Standpunten van de kleine landen.................................................................................... 5 2.2.3..... Eén of meer
kader-associatieovereenkomsten?................................................................ 5 2.2.4..... Horizontale en institutionele thema's................................................................................. 5 3........... AANPASSING AAN DE EU-NORMEN EN
BESTUURLIJKE CAPACITEIT........... 6 4........... ECONOMISCHE ANALYSE...................................................................................... 7 5........... CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN...................................................................... 9 5.1........ Volgende stappen........................................................................................................... 9 5.2........ Grondbeginselen........................................................................................................... 10 5.2.1..... Gedeelde waarden........................................................................................................ 10 5.2.2..... Beginselen betreffende de interne
markt......................................................................... 10 5.2.3..... Specifieke eigenschappen............................................................................................. 10 5.2.4..... Actuele ontwikkelingen................................................................................................. 10 1. INLEIDING Op 20 november 2012 hechtte de Commissie haar
goedkeuring aan een mededeling[1]
inzake de verbetering van de EU-betrekkingen met het Vorstendom Andorra, het
Vorstendom Monaco en de Republiek San Marino, en aan het begeleidende
werkdocument van de diensten van de Commissie[2]
over belemmeringen voor de toegang van deze landen tot de interne markt van de
EU en samenwerking op andere gebieden. In de mededeling worden de bestaande
nauwe betrekkingen tussen de EU en deze kleine Europese landen beschreven. De
conclusie was dat er aanzienlijke mogelijkheden zijn om deze betrekkingen tot
wederzijds voordeel nog verder te ontwikkelen. Meer bepaald belichtte de mededeling, in de
context van de huidige economische en financiële crisis, de bijdrage die
nauwere economische banden kunnen leveren aan duurzaam economisch herstel in
Europa en de Strategie 2020 van de EU, met inbegrip van meer werkgelegenheid,
handel en investeringen in de EU-regio's die grenzen aan deze landen. Het
document stelde vijf opties vast voor deelname van de kleine landen aan de
interne markt. In zijn conclusies[3] van 20 december 2012
verwelkomde de Raad de mededeling en merkte hij twee van de opties als de meest
geschikte aan: i) deelname van
deze kleine landen aan de Europese Economische Ruimte (EER); en ii) het voeren van
onderhandelingen over een of meer kader-associatieovereenkomsten met deze
landen, teneinde hun toegang te verlenen tot de interne markt van de EU, tot de
bijbehorende flankerende maatregelen en horizontale beleidsonderdelen, met
inbegrip van institutionele mechanismen naar het model van de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte. Voorts verwees de
Raad naar de noodzaak om de homogeniteit en de goede werking van de interne
markt te waarborgen, met inachtneming van de specifieke kenmerken van de drie
landen, alsook het belang om een samenhangende aanpak voor alle drie landen te
ontwikkelen. Bijgevolg riep de Raad de Commissie en als
gepast de hoge vertegenwoordiger op hun analyse van deze twee specifieke opties
voort te zetten en in het bijzonder: –
vanaf de eerste helft van 2013 met de regeringen
van Andorra, Monaco en San Marino en andere betrokken partijen in overleg te
treden om na te gaan of deze beide opties haalbaar zijn en in hoeverre zij
gesteund worden, en daarbij in het bijzonder de in de mededeling bedoelde
institutionele voorwaarden in aanmerking te nemen; en –
vóór eind 2013 bij de Raad een verslag in te
dienen, inclusief een analyse van het effect en de voornaamste institutionele,
politieke en economische implicaties van deze opties, alsmede aanbevelingen
voor verdere stappen. Dit verslag is het antwoord op de uitnodiging
van de Raad. Het verslag werd opgesteld op basis van overleg met de kleine
landen en de EER-EVA-staten[4].
Het verslag bevat informatie die is verzameld naar aanleiding van bezoeken door
de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en de diensten van de Commissie
aan Andorra, Monaco en San Marino in maart 2013, aangevuld door de antwoorden
van de betrokken landen op een gedetailleerde vragenlijst betreffende hun
wetgeving en bestuurlijke capaciteit. 2. ANALYSE
VAN DE OPTIES 2.1. Optie
één: deelname aan de EER 2.1.1. Beoordeling Deze optie impliceert de deelname van de
kleine landen aan de Europese Economische Ruimte (EER) op dezelfde basis als de
huidige deelname van landen van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA) aan de
EER[5]. Het voornaamste voordeel van
de EER is dat zij gebaseerd is op een beproefd verdrag en institutioneel kader,
met inbegrip van de EER-EVA-instellingen (secretariaat, toezichtsautoriteit en
hof). De kleine landen zouden echter eerst lid moeten worden van de Europese
Vrijhandelsassociatie (EVA), waarvoor de unanieme instemming van haar leden[6] is vereist, om vervolgens tot
de EER-overeenkomst[7]
toe te treden. Tot dusver hebben de kleine landen geen aanvraag ingediend om
tot de EVA toe te treden. De EVA-staten hebben daarom deze optie nog niet
formeel bezien. Deze optie kan enkele extra nadelen hebben,
aangezien de EER-EVA-staten handelen op basis van een gemeenschappelijk
standpunt in de gezamenlijke EER-instellingen[8].
Indien de kleine landen zouden gaan deelnemen aan de EER, zou een
gemeenschappelijk standpunt met zes staten allicht moeilijker te bereiken zijn
dan met de huidige drie. Dit kan de problemen van de EU en haar partners in de
EER-EVA om tot een tijdige EER-besluitvorming te komen, nog vergroten.
Bovendien zouden de kleine landen verplicht zijn ook toe te treden tot de
handelsovereenkomsten van de EVA met derde landen. 2.1.2. Standpunten
van de kleine landen Andorra heeft verklaard belangstelling te
hebben voor deelname aan de EER, op voorwaarde dat deelname gebaseerd is op een
stabiel institutioneel kader en rekening houdt met de specifieke situatie van
Andorra. San Marino staat ook open voor deze optie. Monaco sluit deze optie uit
omdat zij niet gemakkelijk kan worden aangepast aan de specifieke
omstandigheden van het land. 2.2. Optie
twee: één of meer kader-associatieovereenkomsten 2.2.1. Beoordeling De tweede optie is onderhandelingen aan te
gaan tussen de EU en de kleine landen over een of meerdere
associatieovereenkomsten. Hierdoor zouden de kleine landen deelnemen aan de
interne markt, maar er zou indien gewenst ook samenwerking kunnen zijn op
andere gebieden, zoals justitie en binnenlandse zaken, landbouw, visserij,
regionaal beleid, en buitenlands beleid. In tegenstelling tot de eerste optie
zou deze optie los staan van de EER en geen instemming vereisen van de
EER-EVA-staten. Een ander voordeel van deze optie is de flexibiliteit,
aangezien de associatieovereenkomsten op maat kunnen worden gesneden volgens de
specifieke behoeften van de EU en de betrokken kleine landen. Ten slotte is het
perfect mogelijk om een aangepast institutioneel kader op te zetten om deze
overeenkomsten op te baseren (zie verder). 2.2.2. Standpunten
van de kleine landen Andorra heeft verklaard belangstelling te
hebben voor een associatieovereenkomst, op voorwaarde dat deze gebaseerd is op
een stabiel institutioneel kader en volledig rekening houdt met de specifieke
situatie van Andorra. Monaco en San Marino staan ook open voor deze optie, mits
volledig rekening gehouden wordt met hun specificiteiten. Andorra en San Marino
staan open voor een multilaterale associatieovereenkomst waarbij alle drie
kleine landen betrokken worden. Monaco sluit deze optie niet uit, maar zou een
bilaterale overeenkomst met de EU verkiezen, die rekening houdt met zijn
specifieke situatie en met de nauwe banden van het land met Frankrijk. 2.2.3. Eén of
meer kader-associatieovereenkomsten? De Commissie is initieel van oordeel dat één
enkele multilaterale associatieovereenkomst tussen de EU en alle drie kleine
landen te verkiezen is boven drie afzonderlijke overeenkomsten, aangezien in
dit laatste geval het risico bestaat van complexiteit en onnodige
differentiatie. Een multilaterale overeenkomst kan een gemeenschappelijk kader
omvatten met een aantal sleutelbeginselen en institutionele bepalingen, en toch
voldoende flexibel zijn om rekening te houden met de unieke omstandigheden van
elk land. Dit kan worden verwezenlijkt door aparte bepalingen voor elk land in
te voegen, hetzij in de hoofdtekst van de overeenkomst, hetzij in de vorm van
protocollen. Een enkele overeenkomst kan desgewenst ook de wederzijdse betrekkingen
van de landen omvatten. Hoe dan ook moet deze kwestie verder worden besproken
met de regeringen van de kleine landen om tot een juiste oplossing te komen. 2.2.4. Horizontale
en institutionele thema's In voornoemde mededeling wordt verwezen naar
een aantal horizontale en institutionele kwesties met het oog op het garanderen
van de homogeniteit van de interne markt en rechtszekerheid voor de
marktdeelnemers en burgers. Elke overeenkomst met de kleine landen moet daarom
aandacht hebben voor het volgende: (a)
de dynamische aanpassing van de overeenkomst(en)
aan de ontwikkeling van de EU-normen; (b)
de eenvormige interpretatie van de
overeenkomst(en); (c)
onafhankelijk toezicht op en onafhankelijke
handhaving van de wet; (d)
de beslechting van geschillen. Wat betreft de dynamische aanpassing als
bedoeld onder a), kan een associatieovereenkomst het EER-model volgen[9], zodat in algemene termen de
kleine landen een verplichting zouden aangaan om de EU-normen toe te passen op
gebieden die binnen de werkingssfeer van de overeenkomst vallen. Hiervoor
zouden een aantal souvereiniteitsgaranties gelden, rekening houdend met de
respectieve grondwettelijke procedures in de betrokken landen. De
besluitvorming in gemeenschappelijke instellingen moet zo doeltreffend mogelijk
zijn met het oog op een onmiddellijke aanpassing van de overeenkomst aan de
EU-normen. Er moet een mechanisme worden opgezet om de kleine landen in kennis
te stellen van ontwikkelingen in de wetgeving, speciaal voorgestelde
wijzigingen aan de EU-normen, teneinde hen in staat te stellen hun opvattingen
kenbaar te maken betreffende ontwerp-wetgeving die hen bijzonder aanbelangt.
Hun zou echter geen formele besluitvormingsbevoegdheid worden verleend (in de
EER-context vaak "beleidvorming" genoemd). In de EER-context speelt het EVA-secretariaat
een belangrijke rol bij de evaluatie van nieuwe EU-wetgeving op haar
EER-relevantie en bij het opstellen van lijsten met wetgeving die mogelijk kan
worden opgenomen in de EER-overeenkomst. Het zou de moeite lonen na te gaan of
de uitwisseling van informatie tussen het secretariaat en Andorra, Monaco en
San Marino op dit punt mogelijk is, eerder dan een nieuw orgaan in te stellen.
Hiervoor is overleg nodig met de EER-EVA-staten, de kleine landen en het
EVA-secretariaat zelf. Wat betreft de eenvormige interpretatie van de
overeenkomsten als bedoeld onder b), en het onafhankelijke toezicht op en de
onafhankelijke handhaving van de wet als bedoeld onder c), moet een oplossing
worden gevonden om de homogeniteit en de goede werking van de interne markt te
garanderen. Een oplossing zou zijn deze taken toe te vertrouwen respectievelijk
aan de Commissie en het Europees Hof van Justitie, waardoor geen nieuwe organen
moeten worden opgericht. Ook kan worden overwogen specifiek een EU-lidstaat aan
te wijzen om de Commissie in het toezicht bij te staan, indien alle betrokken
partijen het daarmee eens zijn. Er dient een doeltreffend systeem voor de
beslechting van geschillen als bedoeld onder d) te worden ontworpen. Ten slotte
zou de overeenkomst ook moeten vaststellen in welke mate en onder welke
voorwaarden besluiten van EU-agentschappen met uitvoerende bevoegdheid direct
van toepassing zijn in de kleine landen. 3. AANPASSING
AAN DE EU-NORMEN EN BESTUURLIJKE CAPACITEIT Als
niet-EU-lidstaten hebben de kleine landen momenteel geen verplichting om hun
wettelijke kader en bestuurlijke capaciteit aan te passen aan de EU-normen,
behalve als deze vereisten een onderdeel vormen van overeenkomsten die zij met
de EU hebben gesloten. De monetaire overeenkomsten die de drie landen hebben
ondertekend met de EU in verband met het gebruik van de euro als officiële
munteenheid, impliceren bijvoorbeeld de verplichting tot overname van grote
onderdelen van de EU-wetgeving op het gebied van financiële diensten en de
bestrijding van witwassen en valsemunterij, enz. Toch zijn de
aanpassing van de kleine landen aan de relevante EU-normen en de nodige
capaciteit om deze uit te voeren en toe te passen essentiële voorwaarden voor
hun deelname aan de interne markt. In dit verband wezen de conclusies van de
Raad van 20 december 2012 op inspanningen die door Andorra, Monaco en San
Marino waren gedaan. De Raad moedigde deze landen verder aan zich te blijven
inzetten voor de verdere convergentie van hun wetgeving met de EU-normen betreffende
de interne markt en het verder uitbouwen van hun bestuurlijke capaciteit om
gemakkelijker uitvoering te kunnen geven aan verdere EU-wetgeving ter zake[10]. Over het algemeen gaat de mate van aanpassing
van de kleine landen van gedeeltelijk tot beperkt, behalve voor een klein
aantal subsectoren waarvoor de aanpassing volledig of nagenoeg volledig is. De
gebieden waarop over het algemeen de respectieve wettelijke kaders van deze
landen gedeeltelijk zijn aangepast, omvatten het vrije verkeer van goederen en
financiële diensten. Op een aantal gebieden is de aanpassing gedeeltelijk, zo
onder meer voor het vrije kapitaalverkeer en overheidsopdrachten, en de
aanpassing is slechts beperkt voor onder meer intellectuele-eigendomsrechten,
concurrentiebeleid en informatiemaatschappij en de media. De aanpassing op het
gebied van milieu en klimaatverandering is zeer beperkt. De kleine landen beschikken over een
functionerend openbaar bestuur voor de meeste gebieden die door de interne
markt worden bestreken. Op een aantal gebieden zijn echter investeringen nodig
in hun respectieve bestuurlijke capaciteit om aan de criteria voor deelname aan
de interne markt te voldoen. Andorra heeft, voor een bevolking van ongeveer
76.000, ongeveer 5.800 ambtenaren. Monaco heeft, met ongeveer 36.300 permanente
inwoners, ongeveer 3.500 werknemers in dienst van het openbare bestuur. In San
Marino, met een bevolking van ongeveer 32.400, heeft de overheid ongeveer 4.065
werknemers, daarvan 2.297 ambtenaren en 1.048 werknemers in de socialezekerheidsdienst.
Deze cijfers bieden een algemene indicatie van de personele middelen waarover
de drie landen beschikken. De bestuurlijke capaciteit voor omzetting van de
EU-verworvenheden moet echter ook worden getoetst aan andere criteria, zoals
een doeltreffende organisatie, technische competentie, menselijke en financiële
hulpbronnen die zijn toegewezen aan toezichts- en handhavingstaken. 4. ECONOMISCHE
ANALYSE Vanuit macro-economisch perspectief zouden de
mogelijke economische gevolgen van de deelname van de drie kleine landen aan de
interne markt van de EU in het algemeen erg beperkt zijn. Met een totale
bevolking van ongeveer 145.000 en een gezamenlijk bbp van 8 miljard euro
vertegenwoordigen deze landen 0,03% van de totale bevolking van de EU (508 miljoen)
en 0,07% van het bbp van de EU (dat 13 triljoen euro bedraagt). Een dergelijk
groot verschil in volume en grootte toont aan hoe moeilijk het is een
extrapolatie te doen voor een meetbare economische impact. In onderstaande
analyse gaat de aandacht voornamelijk naar de EU-kant. Indien deze landen
zouden deelnemen aan de interne markt, zouden de gevolgen vermoedelijk relatief
groter zijn voor hun eigen economieën dan voor de economie van de EU. In het algemeen worden de economieën van de
kleine landen gekarakteriseerd door een grote onderlinge afhankelijkheid met
hun buurlanden, waarmee zij traditioneel, en ook vandaag de dag, zeer nauwe
banden onderhouden. Er zijn aanzienlijke economische verschillen tussen de drie
landen. De economie van Andorra hangt van het toerisme
af, alsook van financiële diensten en detailhandel (naar schatting 9 miljoen
bezoekers per jaar, goed voor ongeveer 80% van het bbp). In San Marino is het
aandeel van het toerisme kleiner en is de economie meer gediversifieerd (de
industrie vertegenwoordigt bv. 40% van het bbp). De economie van Monaco is
vooral gebaseerd op diensten (inclusief financiële diensten en toerisme) en
lichte industrie met hoge toegevoegde waarde (8% van het bbp, 9% van de
werkgelegenheid). De financiële diensten vertegenwoordigen
respectievelijk 16% van het bbp in Andorra, 15% in Monaco en 11% in San Marino.
Deze sector speelt bijgevolg een aanzienlijke rol in hun nationale economieën
zonder echter dominant te zijn. Het toezicht wordt uitgeoefend door de nationale
toezichtsautoriteit in Andorra (INAF) en San Marino (de Centrale Bank), terwijl
deze taak in Monaco is toevertrouwd aan de Franse Autorité de Contrôle
Prudentiel (ACP). De monetaire overeenkomsten die de drie landen met de EU
hebben ondertekend, verplichten hen tot geleidelijke overname (in de periode
tot 2017) van de EU-normen inzake bankieren en de bestrijding van witwassen. De kleine landen zijn echter niet actief op
alle gebieden van de financiële dienstverlening. Er zijn bijvoorbeeld geen
effectenmarkten in de drie landen. Een andere bijzonderheid is bijvoorbeeld dat
er in San Marino geen buitenlandse banken zijn. In Andorra is een van de zes
banken een filiaal van een EU-bank. In Monaco zijn alle banken filialen of
bijkantoren van buitenlandse groepen (meestal uit de EU of Zwitserland). De economische situatie in Andorra en San
Marino is sinds het begin van de economische crisis aanzienlijk verslechterd.
Het bbp van San Marino zakte tussen 2008 en 2011 met 25%. In Andorra bedroeg
dezelfde daling 15,2%. In Monaco is het bbp, na een daling van 11,2% in 2009,
weer toegenomen met 3,2% in 2010 en met 8,0% in 2011 om nagenoeg opnieuw het
niveau van 2008 te bereiken. De crisis is een factor die Andorra, en in mindere
mate San Marino en Monaco, ertoe heeft aangezet zijn economische model aan te
passen en/of te heroverwegen. Als gevolg daarvan staan deze landen nu meer open
om nauwere economische banden aan te gaan met de EU. Ondanks de economische crisis is de
werkloosheid in de drie landen nog steeds opmerkelijk laag (San Marino heeft
met 5,3% het hoogste werkloosheidscijfer van de drie). Dit kan worden verklaard
door twee factoren. In alle drie landen is er een aanzienlijke
"buffer" van immigrerende seizoens- of tijdelijke arbeiders en
grensforensen (die in de aangrenzende regio's van de buurlanden wonen) en die
in geval van ontslag niet worden opgenomen in de nationale
werkloosheidscijfers. De andere verklaring is het voorhanden zijn
van een sterk beschermde arbeidsmarkt in de drie landen, die voorrang geeft aan
onderdanen of inwoners, en waarbij voor talrijke activiteiten en/of vestigingen
een vergunning van de autoriteiten wordt verlangd. Wanneer het met de drie economieën goed gaat,
zijn de voordelen van het arbeidsaanbod in de drie kleine landen ver buiten hun
grenzen, in de naburige EU-landen voelbaar. Van de 50.000 werknemers in Monaco
leven bijna 40.000 in het naburige Frankrijk of Italië; in Andorra pendelen
1.600 werknemers van de 36.000 dagelijks uit het naburige Spanje of Frankrijk;
en in de bedrijven in San Marino werken 5.500 grensgangers uit Italië (van een
totaal van 20.500 werknemers). De proportie van buitenlandse inwoners
(meestal EU-burgers) in de drie landen bedraagt 18,5% in San Marino (6.000 van
de 32.400), 55% in Andorra (42.000 van de 76.000) en 80% in Monaco (29.000 van
de 36.300). Vermoedelijk zouden ettelijke nieuwe banen die
in de drie landen zouden worden gecreëerd indien zij aan de interne markt
zouden gaan deelnemen, worden ingevuld door niet-onderdanen (veelal
EU-burgers), omdat het aantal beschikbare lokale werknemers beperkt is. Het
mogelijke effect ervan op de EU in termen van werkgelegenheid zou dus een
"overvloeien" zijn van de werkgelegenheid naar de naburige regio's,
naast nieuwe banen in het land zelf, waarvan EU-burgers zouden kunnen
profiteren. Het grootste van de drie landen, Andorra,
wordt omgeven door structureel armere gebieden, waardoor dit voordeel voelbaar
zou worden in de naburige Spaanse provincie Lérida, of de Franse departementen
Pyrénées-Orientales en Ariège. In dit stadium is het echter onmogelijk dit
effect met enige precisie te berekenen. Sinds 2007 heeft de EU een handelsoverschot
met San Marino (183 miljoen euro in 2011). In 2011 bedroeg de totale EU-invoer
en -uitvoer naar San Marino 325,5 miljoen euro. In dezelfde tijdsspanne had de
EU ook een handelsoverschot met Andorra (1,105 miljard euro in 2011). In 2011
bedroeg de totale EU-invoer en -uitvoer naar Andorra 1,158 miljard euro. De
EU-handel met Monaco is moeilijker te kwantificeren, aangezien deze voornamelijk
via Frankrijk verloopt (en niet apart wordt berekend). Momenteel gaat 95% van
de uitvoer van San Marino naar Italië, en het grootste deel van de uitvoer van
Andorra naar Spanje. Naar verwachting zou de EU-uitvoer naar de drie landen
niet aanzienlijk stijgen indien de drie landen zouden gaan deelnemen aan de
interne markt, onder meer vanwege de bestaande douane-unie tussen de EU en
respectievelijk Andorra en San Marino, enerzijds, en het feit dat Monaco deel
uitmaakt van het EU-douanegebied, anderzijds. Alles bijeen genomen zouden nauwere
economische banden, gezien het bevolkingsaantal en het bbp van de drie
betrokken landen, slechts marginale gevolgen hebben op de EU-economie als
geheel. Op regionaal en lokaal vlak echter, speciaal in de naburige EU-regio's
langs deze landen, zou het gunstig effect, in het bijzonder op de arbeidsmarkt
en de daaruit voortvloeiende positieve doorwerkingseffecten, groter kunnen
zijn. 5. CONCLUSIES
EN AANBEVELINGEN 5.1. Volgende
stappen De Commissie staat klaar om nauwere banden aan
te gaan met het Vorstendom Andorra, het Vorstendom Monaco en de Republiek San
Marino, meer bepaald via de deelname van deze landen aan de interne markt van
de EU. Zoals aangegeven in de mededeling van november 2012 kan een dergelijke
samenwerking voor beide partijen voordeel opleveren, ook door belemmeringen weg
te werken voor grensoverschrijdende economische activiteiten. De Commissie
heeft de twee opties geëvalueerd die door de Raad in zijn conclusies van
december 2012 waren behouden: i) deelname van deze landen aan de EER; en ii)
onderhandelingen over een of meerdere kader-associatieovereenkomsten met deze
landen, met het oog op het vinden van oplossingen die voor deze landen zowel de
toegang tot de interne markt mogelijk maken als tegelijk voldoen aan de
criteria van de mededeling. In het licht van de hierboven geschetste
beginselen is de Commissie van oordeel dat onderhandelingen over één of meer
associatieovereenkomsten de meest haalbare van de twee opties is. Van belang is
dat de werkingssfeer en de inhoud van zulke overeenkomst(en) aangepast kunnen
worden aan de EU-vereisten, en ook aan de bijzonderheden en unieke
omstandigheden eigen aan elk van de drie kleine landen. Bij gezamenlijk belang
kan de reikwijdte van zulke overeenkomst(en) ook gebieden bestrijken buiten de
interne markt. In de overeenkomst zou bovendien de band moeten worden
verduidelijkt met bestaande overeenkomsten, zoals die voor de douane-unie met
Andorra, de douane- en samenwerkingsovereenkomst met San Marino en de overeenkomsten
over de belasting op inkomsten uit spaargelden tussen de EU en de drie kleine
landen (over wijzigingen daarvan wordt momenteel onderhandeld). In
tegenstelling daarmee wordt de deelname van de kleine landen aan de EER
momenteel niet beschouwd als een haalbare optie vanwege de politieke en
institutionele redenen die zijn besproken in punt 2.1. De Commissie beveelt aan dat de optie van een
kader-associatieovereenkomst de basis wordt voor een versterking van de
betrekkingen van de EU met Andorra, Monaco en San Marino, rekening houdend met
de beginselen die hieronder worden uiteengezet. De overeenkomst(en) moeten waar
passend relevante bepalingen omvatten die zijn aangepast aan de specifieke
situatie van elk land, opgenomen hetzij in het corpus van de hoofdtekst, hetzij
in bijgaande protocollen. 5.2. Grondbeginselen De volgende beginselen moeten aan de basis
liggen van de onderhandelingen over de associatieovereenkomst(en). 5.2.1. Gedeelde
waarden Overeenkomstig de algemene praktijk van de EU
in haar betrekkingen met derde landen moet elke overeenkomst met de kleine
landen melding maken van de waarden die door de partijen worden gedeeld en van
hun verbintenis om deze waarden in ere te houden. Meer bepaald kan zulke
overeenkomst melding maken van artikel 2 van het Verdrag betreffende de
Europese Unie (VEU) [11]. 5.2.2. Beginselen
betreffende de interne markt Zoals uiteengezet in voornoemde mededeling
zijn gemeenschappelijke regelgeving en degelijke handhaving essentieel voor een
correct functioneren van de interne markt. De Raad heeft in zijn conclusies van
20 december 2012 eveneens de noodzaak onderstreept om de homogeniteit en het
goede functioneren van de interne markt te waarborgen. 5.2.3. Specifieke
eigenschappen De conclusies van de Raad van december 2012 stellen
vast dat de Commissie bij haar analyse van de twee opties rekening moet houden
met de specifieke eigenschappen van de kleine landen. Dit omvat onder meer de
kleine territoriale omvang en het kleine bevolkingsaantal, de nauwe banden met
hun buurland(en) en hun politieke en economische karakteristieken. Het is ook
van belang eraan te herinneren dat artikel 8 van het Verdrag betreffende de
Europese Unie vaststelt dat de EU bijzondere betrekkingen ontwikkelt met haar
buurlanden, die erop gericht zijn een ruimte van welvaart en goed nabuurschap
tot stand te brengen welke stoelt op de waarden van de Unie en welke gekenmerkt
wordt door nauwe en vreedzame betrekkingen die gebaseerd zijn op samenwerking.
Verklaring nr. 3 over artikel 8 stelt dat de Unie rekening zal houden met de
specifieke situatie van de kleine landen die een speciale nabuurschapsband met
de Unie hebben. 5.2.4. Actuele
ontwikkelingen Het is van belang dat de Unie een coherente
aanpak aanhoudt van haar betrekkingen met de partners in de nabuurschap. Elke
overeenkomst met de kleine landen moet rekening houden met mogelijke relevante
ontwikkelingen in deze betrekkingen. Meer bepaald moet de EU, gezien de
positieve gevolgen voor het goede functioneren van de interne markt van de
samenwerking op het gebied van douane en belastingen, overwegen of haar aanpak
van de horizontale en institutionele kwesties, als hierboven beschreven, moet
worden uitgebreid tot de overeenkomsten op dit gebied, met inbegrip van de
protocollen die het resultaat zijn van de lopende onderhandelingen over
wijzigingen van de overeenkomsten over de belasting op inkomsten uit
spaargelden tussen de EU en de kleine landen. [1] Mededeling van de Commissie: EU-betrekkingen met het
Vorstendom Andorra, het Vorstendom Monaco en de Republiek San Marino.
Mogelijkheden voor nauwere integratie met de EU (COM(2012) 680 definitief/2),
Brussel 20.11.2012. [2] Werkdocument van de diensten van de Commissie bij de
mededeling van de Commissie inzake de EU-betrekkingen met het Vorstendom
Andorra, het Vorstendom Monaco en de Republiek San Marino. Belemmeringen voor
de toegang van Andorra, Monaco en San Marino tot de interne markt van de EU en
samenwerking op andere gebieden (SWD(2012) 388 definitief), Brussel 20.11.2012. [3] Conclusies van de Raad over de betrekkingen van de EU
met het Vorstendom Andorra, de Republiek San Marino en het Vorstendom Monaco,
20.12.2012, goedgekeurd op de 3213e Raad Vervoer, Telecommunicatie en Energie. [4] Noorwegen, IJsland en Liechtenstein. [5] Noorwegen, IJsland en Liechtenstein. [6] Zwitserland, Noorwegen, IJsland en Liechtenstein. [7] Artikel 128 van de EER-overeenkomst. [8] EER-overeenkomst, artikelen 90 en 93. [9] Artikel 102 van de EER-overeenkomst. [10] Conclusies van de Raad over de betrekkingen van de EU met
het Vorstendom Andorra, de Republiek San Marino en het Vorstendom Monaco,
20.12.2012, goedgekeurd op de 3213e Raad Vervoer, Telecommunicatie en Energie. [11] "De waarden waarop de Unie berust, zijn eerbied voor
de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en
eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot
minderheden behoren. Deze waarden hebben de lidstaten gemeen in een samenleving
die gekenmerkt wordt door pluralisme, non-discriminatie, verdraagzaamheid,
rechtvaardigheid, solidariteit en gelijkheid van vrouwen en mannen."