VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD over de toepassing van Richtlijn 2007/64/EG betreffende betalingsdiensten in de interne markt en van Verordening (EG) nr. 924/2009 betreffende grensoverschrijdende betalingen in de Gemeenschap /* COM/2013/0549 final */
VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES
PARLEMENT EN DE RAAD over de toepassing van Richtlijn 2007/64/EG
betreffende betalingsdiensten in de interne markt en van Verordening (EG) nr. 924/2009
betreffende grensoverschrijdende betalingen in de Gemeenschap (Voor de EER relevante tekst) I Richtlijn 2007/64/EG 1. INLEIDING Dit verslag onderzoekt ingevolge artikel 87 de manier waarop Richtlijn 2007/64/EG
betreffende betalingsdiensten in de interne markt (hierna de "Betalingsdienstenrichtlijn"
(BDR) genoemd) wordt toegepast. Hiervoor werd de periode van 2009 tot en met 2012
onderzocht. Artikel 87 schrijft voor dat over een aantal punten verslag wordt
uitgebracht, te weten het toepassingsgebied van de richtlijn (met name
betaalinstrumenten voor kleine bedragen en elektronisch geld), "one-leg"-transacties
(transacties waarbij betaler of begunstigde buiten de EER is gevestigd) en
transacties in alle valuta's, vergunningsvereisten en belemmeringen voor
nieuwkomers op de markt, prudentiële vereisten (aanvangskapitaal/eigen
vermogen/bescherming), kredietverlening door betalingsinstellingen,
uitvoeringstermijn en niet-uitvoering of gebrekkige uitvoering. Dit verslag
beperkt zich echter niet tot alleen deze punten. Voor de evaluatie van de BDR zijn twee speciale externe onderzoeken
uitgevoerd. In het eerste onderzoek (het juridische) is een juridische
overeenstemmingsbeoordeling gemaakt van de omzetting van de BDR in de 27
lidstaten[1].
In het tweede onderzoek (het economische) zijn de economische effecten van de
BDR en de bijbehorende Verordening (EG) nr. 924/2009 betreffende
grensoverschrijdende betalingen in euro's getoetst aan hun oorspronkelijke
doelstellingen[2].
Met hetzelfde doel werden via de adviesorganen van de Commissie voor het beleid
ten aanzien van betalingen in de detailhandel reacties van de lidstaten en de
relevante marktpartijen verzameld. Dit verslag bevat een beschrijving van de omzetting
van de BDR (hoofdstuk 2), een onderzoek naar de toepassing en de effecten van
de richtlijn (hoofdstuk 3), een inventarisatie van de belangrijkste problemen
die voortkomen uit de toepassing van de BDR (hoofdstuk 4) en een aantal
conclusies (hoofdstuk 5). 2. OMZETTING VAN DE RICHTLIJN De BDR werd op 25 december 2007 van kracht,
waarna de lidstaten deze uiterlijk op 1 november 2009 moesten omzetten in
nationale wetgeving. Deze termijn werd door een aantal lidstaten overschreden. Ten
behoeve van de uitvoering van de BDR hebben de meeste lidstaten nieuwe
wetgeving ontwikkeld[3].
De lidstaten hebben de BDR correct ingevoerd
en daarbij ontstonden geen grote problemen[4].
Bij de omzetting werkten de diensten van de Commissie met de lidstaten samen en
verleenden zij ondersteuning om tot een goede omzetting te komen. Hoewel de richtlijn volledige harmonisatie
beoogde[5],
bleek uit het juridisch onderzoek dat zij zowel specifieke als abstracte
bepalingen bevat die in de hele EU bij de uitvoering tot problemen hebben
geleid. Een aantal lidstaten heeft de bepalingen van de BDR aangevuld met extra
nationale voorschriften. De BDR bevat 25 facultatieve bepalingen.
Wanneer een lidstaat van een facultatieve mogelijkheid gebruik maakte, moest
hij de Commissie daarvan in kennis stellen[6].
Het ruime gebruik van de facultatieve mogelijkheden door de lidstaten
is een gevolg van het feit dat rekening moet worden gehouden met de specifieke
kenmerken van binnenlandse markten en van het onderhandelingsproces dat aan de
vaststelling van de BDR voorafging[7].
De betrokken partijen stonden in het algemeen neutraal tegenover de effecten
van de facultatieve bepalingen. Deze diversiteit heeft niet geleid tot
rechterlijke arbitrage op verzoek van gebruikers of aanbieders over de plaats
van hun activiteiten[8].
3. TOEPASSING EN EFFECTEN VAN DE
RICHTLIJN 3.1. Titel I - Onderwerp,
toepassingsgebied en definities 3.1.1. Toepassingsgebied Artikel 2 regelt het toepassingsgebied. In de
bijlage van de BDR worden de activiteiten omschreven die onder de term "betalingsdiensten"
vallen. De bijlage bevat 7 categorieën betalingsdiensten. Waar artikel 3 voorziet
in een aantal uitzonderingen, zijn in deze lijst de diensten opgenomen die wel binnen
het toepassingsgebied van de BDR vallen. In het economisch onderzoek werd geconcludeerd
dat de bestaande lijst adequaat is. Dit wordt bevestigd door de betrokken
partijen. Toch ontstond naar aanleiding van binnengekomen reacties
ook enige zorg over de definities en de toereikendheid van de bijlage. De
indruk bestond dat sommige diensten in de lijst van betalingsdiensten zouden
moeten worden opgenomen. Ook zouden nieuwe technologische en zakelijke
ontwikkelingen moeten worden onderzocht. Verder werd het van belang geacht om
derden op te nemen die diensten aanbieden waarmee betalingen worden
geïnitieerd. 3.1.2. Geografisch toepassingsgebied
en valuta's Ingevolge artikel 2, lid 1, zijn de BDR en
haar voorschriften voor transparantie van voorwaarden, verplichte
openbaarmaking en de verrichting van zakelijke activiteiten uitsluitend van
toepassing op betalingsdiensten die binnen de EU worden verricht, de zogenoemde
"two-leg"-transacties. 13 lidstaten hebben echter het initiatief
genomen om een aantal BDR-voorschriften ook toe te passen op "one-leg"-transacties[9], op het in de EU uitgevoerde
deel van inkomende of uitgaande betalingstransacties. Daarvoor werd in 11
lidstaten nationale wetgeving vastgesteld en stonden de overige 2 lidstaten
contractuele ontheffingen toe. De BDR beperkt haar toepassingsgebied tot
betalingsdiensten in EU-valuta's. De lidstaten die de BDR ook toepassen op "one-leg"-transacties,
passen de BDR meestal ook toe op valuta's van landen buiten de EU/EER. Deze verschillende regelingen hebben gevolgen
voor de betrokken partijen en de consument. Daarnaast weten consumenten
gewoonweg niet dat er verschillende wettelijke regelingen worden toegepast[10]. Van de aanbieders gebruikt
minder dan 25% verschillende systemen en procedures voor "one leg"-
en "two leg"-transacties[11].
3.1.3. Vrijstellingen In artikel 3 is een lijst opgenomen van
betalingstransacties of diensten waarop de BDR niet van toepassing is. Deze vrijstellingen
maken het voor de consument moeilijk om te weten welke activiteit onder welk
regelgevingskader valt. Uit onderzoek in opdracht van de Commissie bleek dat 82%
van 24 consumentenorganisaties in 20 verschillende lidstaten en 15 bevoegde
instanties achter aanpassing van de uitzonderingen staan[12]. Betrokken partijen vragen om
verduidelijking of schrapping van een aantal vrijstellingen. Daarnaast vragen
aanbieders van betalingsdiensten zich vaak af of hun activiteiten al dan niet onder
de BDR vallen. Dit kan tot gevolg hebben dat regelgeving wordt overtreden of
dat bevoegde instanties door aanbieders worden overspoeld met verzoeken om
informatie[13].
3.1.4. Betalingen van kleine bedragen
en elektronisch geld In de artikelen 34 en 53 worden de
uitgangspunten omschreven voor ontheffing van respectievelijk de
informatievereisten en de voorschriften voor het verrichten van zakelijke
activiteiten voor eenvoudige betalingsproducten voor transacties met te kleine
bedragen. De BDR biedt flexibiliteit omdat de lidstaten de bedragen die zijn
vastgelegd in de bepalingen voor binnenlandse transacties, naar keuze mogen
verlagen of verdubbelen, en deze bedragen voor voorafbetaalde instrumenten
mogen verhogen[14].
Veel lidstaten hebben besloten het bedrag te verdubbelen en hebben het maximum
voor voorafbetaalde instrumenten verhoogd tot 500 euro. Volgens onderzoek in
opdracht van de Commissie meldden slechts 17 van de 69 kredietinstellingen
dat zij instrumenten aanbieden die onder de ontheffing voor transacties met
kleine bedragen vallen. Deze mildere regeling wedijvert rechtstreeks met andere
nog minder strenge regelingen uit de BDR (d.w.z. de ontheffing voor kleine
betalingsinstellingen, vrijgestelde betalingsactiviteiten). De drempel, de
omvang van de informatievereisten en de beperking van de rechten en plichten
voor transacties met kleine bedragen werden toereikend geacht[15]. 3.1.5. Micro-ondernemingen Volgens artikel 30, lid 2 en artikel 51, lid 3
kunnen lidstaten bepalen dat de titels III en IV worden toegepast op
micro-ondernemingen. Deze worden in de BDR omschreven door verwijzing[16] naar Aanbeveling 2003/361/EG
van de Commissie betreffende de definitie van kleine, middelgrote en
micro-ondernemingen[17]. 9 lidstaten hebben van deze mogelijkheid gebruik gemaakt voor titel III[18] en 8 voor titel IV[19]. Volgens het economisch
onderzoek kunnen de facultatieve bepalingen toereikend zijn voor de kleinste
micro-ondernemingen, maar niet voor micro-ondernemingen met een balanstotaal
tot 2 miljoen euro en 10 werknemers[20].
3.2. Titel II -
Betalingsdienstaanbieders 3.2.1. Paspoortregeling Het aantal betalingsinstellingen in de
lidstaten dat over een "paspoort" beschikt, loopt in de EER sterk
uiteen. In sommige landen heeft een aanzienlijk aantal betalingsinstellingen een
paspoort aangevraagd. In andere heeft geen enkele betalingsinstelling een
paspoort aangevraagd om in het buitenland te mogen opereren[21]. Voor de betrokken partijen is het hebben van een paspoort een
belangrijk gegeven[22].
De bevoegde instanties hebben vaak verschillende benaderingen. Toch is de
invoering van de paspoortregeling een significante verandering, en hoewel de
effecten van deze bepaling op de markt nog niet zichtbaar zijn, biedt de BDR
een stabiel kader voor een pan-Europese ontwikkeling van betalingsinstellingen[23]. 3.2.2. Vergunningsvereisten Sommige lidstaten hebben gevraagd om extra informatie en meer gegevens
over het aanvraagformulier[24]
dat betalingsinstellingen moeten indienen voordat zij hun werkzaamheden mogen
verrichten. Opgemerkt moet worden dat in 6 landen 50% of meer van alle op dit
moment bestaande betalingsinstellingen na 2007 zijn opgericht[25]. 3.2.3. Prudentiële vereisten
(aanvangskapitaal/eigen vermogen/bescherming) In de BDR zijn voorschriften opgenomen voor de prudentiële vereisten
die voor betalingsinstellingen gelden, onder meer voor hun aanvangskapitaal[26], hun eigen vermogen[27] en hun bescherming[28]. 3.2.3.1. Vereisten voor het
aanvangskapitaal Het benodigde aanvangskapitaal loopt uiteen van 20 000 tot 125 000
euro, afhankelijk van de activiteiten van de aanbieder. 3.2.3.2. Eigen vermogen 12 lidstaten hebben besloten om gebruik te maken van de mogelijkheid
van artikel 7, lid 3[29],
waarin wordt bepaald dat lidstaten kunnen besluiten de bepalingen van artikel 8
van deze richtlijn voor de berekening van het eigen vermogen niet toe te passen
op betalingsinstellingen die onder het bereik vallen van het geconsolideerd
toezicht op de moederkredietinstelling krachtens Richtlijn 2006/48/EG[30]. Het eigen vermogen mag 20% hoger of lager zijn dan het bedrag dat met
de gekozen methode wordt berekend[31].
Slechts 2 lidstaten maakten geen gebruik van deze mogelijkheid. Slechts 2 landen
verhoogden het bedrag voor het eigen vermogen, terwijl de overige lidstaten
beide mogelijkheden kozen[32].
De overgrote meerderheid van de lidstaten maakte echter geen gebruik van de
mogelijkheid, maar behield wel de juridische bevoegdheid daartoe[33]. In het algemeen lijken de
betrokken partijen (waaronder 16 nationale instanties) de eisen voor het eigen
vermogen streng genoeg te vinden[34].
3.2.3.3. Beschermingsvereisten Voor de bescherming van middelen worden twee mogelijkheden
onderscheiden: betalingsinstellingen kunnen deze middelen aanhouden op een
afzonderlijke rekening of ter dekking van deze middelen een verzekering
afsluiten. De eerste mogelijkheid wordt door de meeste betalingsinstellingen in
de EER gebruikt omdat zij duidelijker, makkelijker, kosteneffectiever en in
overeenstemming met nationale wetgeving en gebruiken werd geacht. De
beschermingsvereisten bieden gebruikers een bijzonder goede bescherming[35]. 3.2.4. Betalingsinstellingen met
ontheffing Natuurlijke en rechtspersonen kunnen worden vermeld in het register van
aanbieders[36]
en ingevolge de artikelen 26 en 27 onder lichtere prudentiële vereisten vallen.
Deze mogelijkheid is in 15 lidstaten overgenomen maar tot dusverre in slechts 9
daarvan gebruikt. 2 203 zogenoemde kleine betalingsinstellingen - of
betalingsinstellingen met ontheffing/geregistreerde betalingsinstellingen -
zijn tot dusverre onder een dergelijk lichter regime komen te vallen. Als de
mogelijkheid voor ontheffing niet zou bestaan, zouden sommige aanbieders buiten
het regelgevingskader werken[37].
3.2.5. Toegang tot betalingssystemen De meeste lidstaten hebben artikel 28 letterlijk overgenomen[38]. Aangezien deze bepaling niet
op alle betalingssystemen van toepassing is, ontstaat een ongelijke situatie
tussen betalingsinstellingen, en met name kredietinstellingen. Uit de reacties
op de raadpleging van de Commissie over het groenboek "Naar een
geïntegreerde Europese markt voor kaart-, internet- en mobiele betalingen"[39] blijkt dat
betalingsinstellingen zich zorgen maken over de effecten van de bepaling uit de
BDR over de toegang tot betalingssystemen. Anderzijds betogen
kredietinstellingen vaak dat betalingssystemen moeten worden beschermd tegen
alle risico's van nadelige invloeden op de systemen in het algemeen. Daarom
moeten betalingssystemen naar hun mening onder toezicht blijven staan en moet
de toegang ertoe worden beperkt. 3.3. Titel III - Transparantie en
informatievereisten 3.3.1. Gestandaardiseerde voorwaarden
en transparantie met betrekking tot informatie over de berekening van prijzen
en vergoedingen voor gebruikers en aanbieders Voor consumenten werd een aantal specifieke
problemen geconstateerd[40].
Zij hebben betrekking op toepassingsgebied, kwaliteit, overmatige technische
inhoud, onduidelijkheid en beschikbaarheid. De voorschriften voor de transparantie van
voorwaarden en de informatievereisten zijn van toepassing op zowel eenvoudige
betalingsdiensten ("eenmalige betalingstransacties", bijvoorbeeld
eenmalige overschrijvingen of betalingen van rekeningen) als meer complexe
diensten op basis van raamcontracten (in het kader waarvan "afzonderlijke
betalingstransacties" worden uitgevoerd). Een groot probleem met eenmalige
transacties is de verstrekking van informatie over wisselkoersen bij
kaarttransacties[41].
De BDR vereist dat de consument vooraf wordt geïnformeerd over de te hanteren
wisselkoers of, indien referentiewisselkoersen moeten worden gebruikt, over de
relevante datum voor het vaststellen van de wisselkoers. In de praktijk is dit
vaak niet het geval. Andere punten van zorg zijn de uitsplitsing van kosten en
informatie over de valutadatum van de creditering wanneer geen rentetarief aan
de betaalrekening is gekoppeld of wanneer er geen betaalrekening is. De geharmoniseerde voorschriften voor
raamcontracten bepalen onder meer dat in de precontractuele fase uitgebreide
informatie moet worden verstrekt, dat informatie moet worden verstrekt voor- en
nadat de transactie tot stand is gekomen, op welke wijze informatie moet worden
verstrekt (onder meer door rechtstreekse communicatie of door communicatie op
afstand), dat contractvoorwaarden steeds beschikbaar moeten zijn, op welke
wijze het raamcontract kan worden gewijzigd, onder meer bij wijziging van rentevoet
en valuta, en op welke wijze het contract moet worden opgezegd. Op dit gebied blijken de weinige punten van
zorg met name betrekking te hebben op wijzigingen van het raamcontract. De verstrekking
van informatie over voorgestelde wijzigingen en de naleving van de termijn van
twee maanden tussen de kennisgeving van wijzigingen en hun ingangsdatum voldoen
niet altijd aan de voorschriften. Een specifiek voorbeeld van een wijziging van
een raamcontract is de wijziging van rentetarieven en vergoedingen. De BDR voorziet niet in regelingen voor alle
gevallen waarin toestemming van de gebruiker voor wijzigingen in het
raamcontract ontbreekt. 3.4. Titel IV– Rechten en plichten 3.4.1. Opslagen De BDR beschouwt opslagen als een
sturingsinstrument voor lidstaten. 14 van hen kennen een algemeen verbod op
opslagen, 1 land heeft ze verboden voor het gebruik van debetcards, maar niet
voor creditcards en in 1 lidstaat alleen voor creditcards. Twaalf landen kennen
geen algemeen verbod, waardoor ze voor alle kaarten zijn toegestaan[42]. In lidstaten waar opslagen zijn toegestaan, is
het een probleem dat de kosten voor het gebruik van de kaart vaak in een laat
stadium aan de consument worden meegedeeld. Beheersing van opslagen lijkt ook
verband te houden met de beheersing van wat verderop in de leveringsketen van
betalingsdiensten gebeurt. Ook moet erop worden gewezen dat de richtlijn
Consumentenrechten (211/83/EG) waarschijnlijk vanaf medio 2014 het recht zal
beperken om opslagen in rekening te brengen. 3.4.2. Aansprakelijkheid
(niet-toegestane betalingstransacties) Artikel 60 regelt het recht op terugbetaling
bij niet-toegestane betalingstransacties. Het beginsel van de onmiddellijke
terugbetaling van alle niet-toegestane transacties geldt onvoorwaardelijk voor
alle gebruikers. Artikel 61, lid 1, voorziet in een
uitzondering waarbij in plaats van de betalingsdienstaanbieders de betalers het
verlies bij niet-toegestane betalingstransacties dragen. Deze aansprakelijkheid
geldt bij gebruik van een verloren of gestolen betaalinstrument of bij
onrechtmatig gebruik van een betaalinstrument. In de BDR wordt verder een
maximumbedrag van 150 euro vastgesteld. In de praktijk blijken verschillende
benaderingen te worden gehanteerd: wanneer niet alle aspecten uit de bepaling
van de BDR worden herhaald, is in sommige lidstaten de aansprakelijkheid van
consumenten of gebruikers vastgesteld op minder dan 150 euro, terwijl zij
in andere lidstaten nog steeds het volledige verlies dragen. 3.4.3. Recht op terugbetaling Volgens artikel 62 en volgende kunnen betalers
onder bepaalde voorwaarden binnen acht weken terugbetaling verlangen van
niet-toegestane betalingstransacties, met name wanneer de betaler en de
begunstigde het niet eens zijn over het afgeschreven bedrag. Zoals aangekondigd
in een verklaring van de Commissie over de migratie naar de nieuwe
SEPA-instrumenten heeft de Commissie beoordeeld of de geharmoniseerde regel
over terugbetaling toereikend is gebleken. De voorschriften zijn bedoeld om
betalers een uitgebreide bescherming te bieden. Tegelijkertijd worden de
huidige voorschriften soms minder gunstig geacht dan sommige voorheen bestaande
nationale voorschriften. Daarom heeft een aantal lidstaten het recht op
terugbetaling onvoorwaardelijk uitgebreid tot alle automatische afschrijvingen.
Omdat ook de huidige SEPA-voorschriften voor automatische afschrijvingen (SEPA
Core Direct Debit Rulebook) voorzien in een onvoorwaardelijk recht op
terugbetaling bij automatische afschrijvingen, hanteert ook een aantal
aanbieders op vrijwillige basis een onvoorwaardelijk recht. Sommige aanbieders
spraken grote bezorgdheid uit over de toepassing van de rechten op
terugbetaling. Waar de termijn van 10 dagen voor terugbetaling in het algemeen
als passend werd beschouwd voor automatische afschrijvingen, is dat voor
kaarttransacties niet het geval omdat de aanbieder een verzoek om terugbetaling
doorgaans niet goed kan beoordelen binnen de termijn van 10 werkdagen[43]. 3.4.4. Uitvoeringstermijn Aanbieders hebben geen grote problemen gemeld bij
de naleving van de uitvoeringstermijn of het toepassen van de valutadata voor
betalingstransacties zoals omschreven in de BDR[44]. De meeste lidstaten voerden
de BDR correct uit waar het gaat om de maximale termijn voor creditering en de
mogelijke uitzonderingen wanneer betalers en hun aanbieders daarmee instemmen,
en om betalingstransacties die op papier worden geïnitieerd. Niet alle
lidstaten lijken deze twee uitzonderingen echter te hebben ingevoerd. Hoewel de BDR alleen uiterste tijdstippen voor
uitgaande transacties tegen het eind van een werkdag toestaat, verschilden de
uiterste tijdstippen die kredietinstellingen toepassen aanzienlijk. Dit begrip
wordt verschillend geïnterpreteerd. Dat kan dus van invloed zijn op de
werkelijke uitvoeringstermijn van betalingen. 3.4.5. Niet-uitvoering of gebrekkige
uitvoering Volgens artikel 75 moet de
betalingsdienstaanbieder van de betaler de betaler onverwijld het bedrag van
een niet-uitgevoerde of gebrekkig uitgevoerde betalingstransactie terugbetalen. Aanbieders meldden zorgen over hun strikte
aansprakelijkheid op bepaalde gebieden, met name ten aanzien van de
transparantie van voorwaarden en de verstrekking van informatie. De BDR bepaalt
dat bij gebrekkige uitvoering in alle gevallen terugbetaling moet plaatsvinden,
hetgeen dan wordt opgevat als een creditering van de rekening van de aanbieder
van de begunstigde. Bij een letterlijke interpretatie kan dit voorschrift uit
de BDR betekenen dat onder een gebrekkige uitvoering ook een niet-tijdige
uitvoering moet worden verstaan. In dit opzicht is een belangrijk criterium
voor de effectiviteit van aansprakelijkheidsbepalingen de snelheid waarmee
gebruikers kunnen worden terugbetaald. De BDR geeft geen specifieke termijnen
waarbinnen dit moet plaatsvinden. 4. EVALUATIE VAN DE WERKING VAN
DE BDR: OPTREDENDE PROBLEMEN Dankzij de BDR kon al grote vooruitgang worden
geboekt met de algehele integratie van de betaalmarkt voor de detailhandel.
Deze markt is echter bijzonder dynamisch en is in de afgelopen jaren sterk
geïnnoveerd. Belangrijke onderdelen van deze markt, waaronder met name
kaartbetalingen en nieuwe betaalwijzen, onder meer via internet en met de
mobiele telefoon, zijn nog vaak versnipperd langs nationale grenzen, waardoor
het voor innovatieve en eenvoudig te gebruiken digitale betalingsdiensten
moeilijk is om zich efficiënt te ontwikkelen en om consumenten en de
detailhandel op pan-Europees niveau effectieve, gemakkelijke en veilige
betaalmethoden aan te bieden (creditcards wellicht daargelaten) bij de aankoop
van steeds diversere goederen en diensten. Bij de laatste ontwikkelingen op
deze markten is ook een aantal lacunes in wet- en regelgeving aan het licht
gekomen, naast tekortkomingen in de markten voor kaart-, internet- en mobiele
betalingen. Voor een goede aanpak van deze vraagstukken zou een geharmoniseerde
benadering op Europees niveau moeten worden overwogen. 5. CONCLUSIES De harmonisatie van rechten en plichten van
betalingsdienstaanbieders in de BDR heeft zowel bijgedragen aan het aanbod van
uniforme betalingsdiensten in de hele EU als, voor veel
betalingsdienstaanbieders, aan een verlaging van de productiekosten en de
kosten voor het naleven van de wettelijke voorschriften. De verwachte voordelen
zijn nog niet volledig tot stand gekomen vanwege verschillen met andere
geldende wet- en regelgeving (anti-witwassen, gegevensbescherming en
consumentenbescherming) in de EU. Voor de consument worden de grootste
problemen gevormd door de verschillende benaderingen van
betalingsdienstaanbieders en lidstaten in de gevallen waarin zij op grond van
de richtlijn bij de uitvoering beschikken over keuzemogelijkheden en de
vrijheid om de richtlijn naar eigen goeddunken in te vullen[45]. II Verordening (EG) nr. 924/2009 1. Inleiding Verordening (EG) nr. 924/2009 maakte een eind
aan de verschillen in kosten voor grensoverschrijdende en binnenlandse
betalingen in euro's. Zij geldt voor betalingen in euro's in alle lidstaten van
de EU. Uitgangspunt van de verordening is dat de kosten voor
betalingstransacties die door een betalingsdienstaanbieder in de EU worden
aangeboden voor de betaling in dezelfde valuta gelijk moeten zijn, ongeacht of
het een binnenlandse of grensoverschrijdende betaling betreft. De verordening
geldt voor alle elektronisch verwerkte betalingen, waaronder overmakingen, automatische
afschrijvingen, geldopnames in contanten, betalingen met debet- en creditcards
en geldtransfers. Verordening (EG) nr. 924/2009 en haar
voorloper, Verordening (EG) nr. 2560/2001, hebben geleid tot een enorme
verlaging van de kosten die consumenten (en andere gebruikers van
betalingsdiensten) maken voor de betalingsdiensten die onder de verordening
vallen. Zo daalden in de EU de kosten voor een overschrijving van 100 euro van
gemiddeld 23,60 euro in 2001 tot 2,46 euro in 2005. Ook de kosten voor opnames
bij buitenlandse geldautomaten in Europa daalden tot het niveau van het eigen
land van de kaarthouders. Dankzij de verordening betalen miljoenen EU-burgers
dus veel minder. 2. Herziening Ingevolge artikel 15 van de verordening moeten
twee verslagen worden opgesteld. Het eerste verslag moet betrekking hebben op
de wenselijkheid van het afschaffen van op betalingen gebaseerde nationale
rapportageverplichtingen voor statistische doeleinden en houdt verband met
artikel 5 van de verordening. Het tweede verslag moet betrekking hebben op
de algemene toepassing van deze verordening en in het bijzonder de volgende
drie specifieke onderwerpen behandelen: –
het gebruik van het IBAN en de BIC in verband met
de automatisering van betalingen, –
de vraag of het in artikel 3, lid 1, bedoelde
plafond dienstig is (d.w.z. het maximum van 50 000 euro waaronder de
richtlijn geldt), –
marktontwikkelingen in verband met de toepassing
van de artikelen 6, 7 en 8, d.w.z. over afwikkelingsvergoedingen voor
automatische afschrijvingstransacties en bereikbaarheid voor automatische
afschrijvingen. De door de
medewetgevers aangegeven punten voor de verslagen zijn inmiddels verwerkt in
het nieuwe voorstel voor de verordening dat de Commissie in december 2010 heeft
ingediend. 3. Wijzigingen krachtens
Verordening (EU) 260/2012 (de SEPA-migratieverordening) De SEPA-migratieverordening,
die op 31 maart 2012 van kracht werd, wijzigt de tekst van de verordening
betreffende grensoverschrijdende betalingen op meerdere punten. De wijzigingen behelzen met name het volgende: –
De op betalingen gebaseerde nationale
rapportageverplichtingen komen met ingang van 1 februari 2016 te vervallen voor
betalingen van elk bedrag. –
Het gebruik van het IBAN en de BIC voor de
automatisering van betalingen valt onder de algemene voorschriften van de SEPA-migratieverordening. –
De toepassing van het maximum van 50 000 euro
uit artikel 3, lid 1 komt te vervallen. –
De juridische status van afwikkelingsvergoedingen
voor automatische afschrijvingstransacties (artikelen 6 en 7 van de verordening
betreffende grensoverschrijdende betalingen) wordt aangepakt. –
De bereikbaarheid voor automatische
afschrijvingstransacties (artikel 8 van de verordening betreffende
grensoverschrijdende betalingen) wordt bevestigd. –
4. Conclusies De vaststelling van de
SEPA-migratieverordening ging vergezeld van een volledige herziening van de
punten die werden genoemd in artikel 15 van de verordening betreffende
grensoverschrijdende betalingen. Derhalve behoeft de verordening op deze punten
niet te worden herzien. Benadrukt moet worden dat het schrappen van het maximum
van 50 000 euro een belangrijke en gunstig ontvangen stap vooruit is voor
de Europese integratie van de betalingsmarkt voor de detailhandel. Hoewel in het kader van het economisch
onderzoek een aantal vragen over de toepassing van de verordening is gerezen,
bevestigden de uitkomsten van dit onderzoek in het algemeen dat de verordening
goed lijkt te werken. Zo daalden de kosten voor een overschrijving van 100 euro
verder tot gemiddeld 0,50 euro binnen de eurozone in de EU voor online
geïnitieerde overschrijvingen en bleven zij met 3,10 euro laag voor
overschrijvingen die aan de balie worden geïnitieerd[46]. De Commissie is dan ook tot de conclusie
gekomen dat op dit moment geen wijzigingen in de tekst van Verordening (EG) nr.
924/2009 noodzakelijk zijn of worden aanbevolen. III SLOTCONCLUSIES De BDR beoogt de
totstandkoming "op communautair niveau [van] een modern en samenhangend
juridisch kader voor betalingsdiensten [...], ongeacht of de diensten
verenigbaar zijn met het uit de financiële sector voortgekomen initiatief
betreffende het gemeenschappelijk eurobetalingsgebied. Dit juridisch kader moet
concurrentieneutraal zijn voor alle betalingssystemen, teneinde de consument
voldoende keuzemogelijkheden te laten, en zou een flinke stap voorwaarts
betekenen ten opzichte van het huidige systeem wat kosten voor de consument,
veiligheid en efficiëntie betreft"[47].
Over het geheel bezien voldoet de BDR aan haar opzet. Voor eventuele
wijzigingen in de toekomst behoort daarom een evolutionaire en geen
revolutionaire aanpak te worden gevolgd. Uit de analyse
van de BDR en haar effecten kan worden opgemaakt dat een aantal wijzigingen van
de BDR zou moeten worden overwogen om haar effecten te verbeteren, een aantal
aspecten van de richtlijn te verduidelijken[48],
een eerlijk speelveld te creëren en rekening te houden met technologische
ontwikkelingen. In dit verband geldt de BDR alleen voor betalingen waarbij
beide eindaanbieders in de EER zijn gevestigd, maar niet voor transacties naar
of vanuit derde landen (de zogenoemde "one-leg"-transacties). Bij de
vaststelling van de BDR bleef een aantal betalings- en betalingsrelateerde
activiteiten buiten de werkingssfeer van de richtlijn. Hierdoor genieten
gebruikers van betalingsdiensten bij steeds meer transacties niet de
bescherming van de BDR, is onzekerheid ontstaan over de feitelijke
werkingssfeer van de richtlijn en ontstond een ongelijk speelveld. De
flexibiliteit die de BDR biedt omdat zij handelaren toestaat een vergoeding in
rekening te brengen of een korting te verlenen om de consument tot de meest
efficiënte betaalwijze te bewegen, heeft, in combinatie met de mogelijkheid
voor lidstaten om dergelijke opslagen op hun grondgebied te verbieden of te
beperken, grote verschillen op de markt doen ontstaan. Om de consument beter te
beschermen en de rechtszekerheid te bevorderen zou verdere harmonisatie van de
voorschriften voor terugbetaling bij automatische afschrijvingen kunnen worden
overwogen om de huidige verschillen in Europa op dit gebied weg te werken. Een
beperking van het toepassingsgebied van de "vereenvoudigde regeling"
voor zogenoemde "kleine betalingsinstellingen" en enkele aanpassingen
van de aansprakelijkheidsbepalingen zouden eveneens kunnen worden overwogen. Ook moet rekening
worden gehouden met technologische ontwikkelingen. Nieuwe spelers hebben hun
intrede op de markt gedaan (de zogenoemde "derde betalingsdienstaanbieders").
Zij bieden hoofdzakelijk goedkope betaaloplossingen via internet aan en gebruiken
met toestemming van de klant diens online thuisbankierapplicatie, waarbij zij
handelaren informeren dat het geld onderweg is. Zo faciliteren zij het online
winkelen. Sommige partijen bieden ook geconsolideerde informatie aan over
verschillende rekeningen van een betalingsdienstgebruiker ("rekeninginformatiediensten").
Hoewel deze nieuwe partijen gebruikers (zowel handelaren als consumenten) in
algemene zin ontegenzeggelijk voordelen bieden en de concurrentie op de markt
versterken, moet een aantal zaken op het gebied van beveiliging, toegang tot
informatie over betaalrekeningen of gegevensbescherming op EU-niveau worden
geregeld, samen met hun mogelijke toelating als betalingsinstellingen en het
toezicht op hun activiteiten ingevolge de BDR. Zoals reeds
aangegeven behoeft het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 924/2009 niet
nader te worden herzien of aangepast. Bijlage 1
Wijzigingen in Verordening (EG) nr. 924/2009 krachtens Verordening (EU) nr. 260/2012 Verordening betreffende grensoverschrijdende betalingen || Oorspronkelijke bepaling || SEPA-migratie-verordening || Gewijzigde bepaling Art. 3, lid 1 || Kosten die in rekening worden gebracht voor eurobetalingen tot 50 000 euro moeten gelijk zijn voor grensoverschrijdende betalingen en vergelijkbare binnenlandse betalingen in dezelfde valuta. || Art. 17, lid 2 || Kosten die in rekening worden gebracht voor eurobetalingen van elk bedrag moeten gelijk zijn voor grensoverschrijdende betalingen en vergelijkbare binnenlandse betalingen in dezelfde valuta. Art. 5 || De lidstaten schrappen op betalingen gebaseerde rapportageverplichtingen voor statistische doeleinden voor betalingen tot 50 000 euro || Art. 17, lid 4 || De lidstaten schrappen met ingang van 1 februari 2016 op betalingen gebaseerde rapportageverplichtingen voor statistische doeleinden voor betalingen van elke waarde. Art. 6 || Tot 1 november 2012 wordt voor grensoverschrijdende automatische afschrijvingstransacties een multilaterale afwikkelingsvergoeding van 0,088 euro gehanteerd tenzij in overleg een lagere afwikkelingsvergoeding is vastgesteld. || Art. 6, lid 3, en art. 8 || Tot 1 november 2012 wordt voor grensoverschrijdende automatische afschrijvingstransacties een multilaterale afwikkelingsvergoeding gehanteerd. Met ingang van 1 februari 2014 kan bij grensoverschrijdende automatische afschrijvingstransacties onder stringente voorwaarden (op kosten gebaseerde benadering) een multilaterale afwikkelingsvergoeding worden gehanteerd voor R-transacties. Art. 7 || Voor binnenlandse automatische afschrijvingstransacties wordt tot 1 november 2012 alleen een multilaterale afwikkelingsvergoeding gehanteerd indien deze in de betrokken lidstaat ook voor 1 november 2009 bestond. || Art. 6, lid 3, art. 8 en artikel 17, lid 5 || Voor binnenlandse automatische afschrijvingstransacties wordt tot 1 februari 2017 alleen een multilaterale afwikkelingsvergoeding gehanteerd indien deze in de betrokken lidstaat ook voor 1 november 2009 bestond. Met ingang van 1 februari 2014 kan zij onder stringente voorwaarden (op kosten gebaseerde benadering) worden gehanteerd voor R-transacties. Art. 8 || Met ingang van 1 november 2010 moet door betalingsdienstaanbieders de bereikbaarheid voor automatische afschrijvingstransacties worden gewaarborgd in lidstaten binnen de eurozone. Zij moet per 1 november 2014 door betalingsdienstaanbieders worden gewaarborgd in lidstaten buiten de eurozone. || Art. 3, art. 16, lid 2, en art. 17, lid 6 || Met onmiddellijke ingang moet door betalingsdienstaanbieders de bereikbaarheid voor (overschrijvingen en) automatische afschrijvingstransacties worden gewaarborgd in lidstaten binnen de eurozone. Zij moet per 31 oktober 2016 door betalingsdienstaanbieders worden gewaarborgd in lidstaten buiten de eurozone. Art. 15, lid 2 || Het gebruik van (het IBAN en) de BIC in verband met de automatisering van betalingen. || Art. 5, leden 4 en 5, en art. 17, lid 3, + bijlage || Betalingsdienstgebruikers zijn verplicht (alleen indien noodzakelijk) de BIC tot 1 februari 2014 te gebruiken voor binnenlandse betalingen en tot 1 februari 2016 voor grensoverschrijdende betalingen. Met ingang van 1 februari 2016 is alleen het IBAN verplicht. [1] http://ec.europa.eu/internal_market/payments/docs/framework/transposition/psd_transposition_study_report_en.pdf
(Tipik). [2] London Economics en Iff, in
samenwerking met PaySys Study. [3] Tipik – blz. 4. [4] Tipik – blz. 5. [5] Artikel 86, lid 1, van de BDR. [6] http://ec.europa.eu/internal_market/payments/framework/options_en.htm
[7] Iff, London Economics en PaySys
– blz. 169. [8] Iff, London Economics en PaySys
– blz. 171. [9] Iff, London Economics en PaySys
– blz. 136-9. [10] Iff, London Economics en PaySys –
blz. 141. [11] Iff, London Economics en PaySys –
blz. 148 [12] Iff, London Economics en PaySys –
blz. 130-1. [13] Iff, London Economics en PaySys –
blz. 131. [14] Artikel 34, lid 2, van de BDR. [15] Iff, London Economics en PaySys –
blz. 152-3. [16] Artikel 4, lid 26, van de BDR. [17] http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=OJ:L:2003:124:0036:0041:NL:PDF
[18] Tipik – blz. 31. [19] Tipik – blz. 42. [20] Iff, London Economics en PaySys –
blz. 165. [21] Iff, London Economics en PaySys –
blz. 175. [22] Iff, London Economics en PaySys –
blz. 180-183. [23] Blijkens gegevens uit 13 lidstaten
- Iff, London Economics en PaySys - blz. 177. [24] Tipik – blz. 10. [25] Iff, London Economics en PaySys –
blz. 192. [26] Artikel 6 van de BDR. [27] Artikel 7 van de BDR. [28] Artikel 9 van de BDR. [29] Tipik – blz. 12. [30] Ingevolge Richtlijn 2006/48/EG. [31] Artikel 8, lid 3, van de BDR. [32] Tipik – blz. 13. [33] Iff, London Economics en PaySys –
blz. 198. [34] Iff, London Economics en PaySys –
blz. 200. [35] Iff, London Economics en PaySys –
blz. 197. [36] Als omschreven in artikel 13 van
de BDR. [37] Iff, London Economics en PaySys –
blz. 207. [38] Tipik – blz. 30. [39] http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/%20LexUriServ.do?uri=COM:2011:0941:FIN:NL:PDF
- De reacties: https://circabc.europa.eu/faces/jsp/extension/wai/navigation/container.jsp
[40] Iff, London Economics en PaySys –
blz. 295. [41] Iff, London Economics en PaySys –
blz. 246. [42] Tipik – blz. 44. [43] Iff, London Economics en PaySys –
blz. 267. [44] Iff, London Economics en PaySys –
blz. 270. [45] Iff, London Economics en PaySys –
blz. 288. [46] Gegevens van september 2012. [47] Overweging 4
van de BDR. [48] Iff, London
Economics en PaySys – blz. 275.