MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD, HET EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ EN HET COMITÉ VAN DE REGIO'S Na 2015: naar een alomvattend en geïntegreerd financieringsmodel voor armoedebestrijding en duurzame ontwikkeling /* COM/2013/0531 final */
MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET
EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD, HET EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ EN HET
COMITÉ VAN DE REGIO'S Na 2015: naar een alomvattend en geïntegreerd
financieringsmodel voor armoedebestrijding en duurzame ontwikkeling Inleiding In de komende twee jaar moeten alle partners
prioriteit verlenen aan ingrijpende maatregelen om sneller vooruitgang te
boeken met betrekking tot de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling (hierna
"MDG" genoemd). Daartoe moeten de EU en haar lidstaten aan de
vooravond van het speciale evenement van de VN over de MDG in september 2013 hun
inspanningen opvoeren om de huidige verplichtingen na te komen, met inbegrip
van meer en meer doeltreffende financiering ter ondersteuning van
ontwikkelingslanden, zoals is uiteengezet in de mededeling van de Commissie
"Een agenda voor verandering"[1].
De acties van de Europese Unie en haar lidstaten (hierna "de EU"
genoemd) worden geanalyseerd in het bijgevoegde verslag van 2013 over de
verantwoordingsplicht van de EU. Tegelijkertijd is het mondiale overleg over de
bredere agenda na 2015 via verschillende processen van start gegaan. De
mededeling van de Commissie "Een waardig leven voor iedereen: armoede
uitroeien en de wereld een duurzame toekomst geven"[2], die werd onderschreven
door de Raad[3]
richtte zich op de inhoud (het "wat") en beschreef een visie voor na
2015, waarbij armoedebestrijding en duurzame ontwikkeling in een overkoepelend
kader worden aangepakt. In de mededeling over de internationale overeenkomst
inzake klimaatverandering van 2015[4]
komen een aantal belangrijke kwesties aan de orde die betrekking hebben op de
klimaatfinanciering na 2020. In aansluiting op de mededeling "Verbetering
van de EU-hulp aan ontwikkelingslanden bij het mobiliseren van ontwikkelingsfinanciering"[5] en de
daaropvolgende conclusies van de Raad[6]
wordt in beide mededelingen uitgegaan van een alomvattende aanpak ten aanzien
van alle financieringsbronnen en van een geïntegreerde aanpak voor de
verschillende processen die betrekking hebben op dezelfde financieringsbronnen.
In deze mededeling komt het financieringsmodel
aan de orde van de benadering waarvoor in het post-2015-kader wordt gekozen
(het "hoe"). Er wordt beschreven hoe in internationale fora een
gemeenschappelijke EU-benadering ten aanzien van financieringsvraagstukken kan
worden ontwikkeld – de wijze waarop een algemeen financieringsmodel kan worden
gestructureerd, welke beschikbare middelen kunnen worden ingezet, met welke processen
de resultaten tot stand worden gebracht en van welke beginselen moet worden
uitgegaan. Op dit moment moet de EU open blijven staan voor dialoog met haar
partners. In de mededeling worden dus geen nieuwe acties of verbintenissen voor
de EU voorgesteld. Deze kunnen later tot stand komen in het kader van een
algemene overeenkomst met betrekking tot een waaier van verbintenissen waarbij
rekening wordt gehouden met veranderende behoeften en capaciteiten van de
verschillende internationale partners na 2015. In de mededeling wordt de aandacht toegespitst
op de financiering voor ontwikkelingslanden, maar het voorgestelde model kan
als algemeen toepasbaar worden beschouwd. Het basisbeginsel geldt voor alle
landen – de financiële middelen zijn dezelfde voor alle beleidsdoelstellingen
en bij de besteding ervan moet worden gestreefd naar optimale resultaten. 1. Een veranderend
mondiaal financieel landschap Gedurende de voorbije tien jaar is de wereld
ingrijpend veranderd, met name op het vlak van de verdeling van de totale
welvaart, het vermogen van landen om invloed uit te oefenen op mondiale
ontwikkelingen en de toenemende rol van de opkomende donoren, waardoor de wijze
waarop over ontwikkelingsfinanciering wordt gedacht ook aan veranderingen
onderhevig is. In verscheidene internationale fora komen
financieringsvraagstukken aan de orde. In het verslag van het VN-panel op hoog
niveau over de situatie na 2015 en in de open werkgroep van de VN over duurzame
ontwikkelingsdoelstellingen komen de financiering en andere uitvoeringsmiddelen
aan de orde; het VN-comité dat keuzes moet uitwerken voor een
financieringsstrategie inzake duurzame ontwikkeling, is begonnen met zijn
werkzaamheden en binnen de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties vindt
overleg plaats over een mogelijke versterking van de ontwikkelingsfinanciering.
Voorts wordt binnen het Raamverdrag van de VN inzake klimaatverandering
nagedacht over het vrijmaken en effectief besteden van klimaatfinanciering voor
de situatie na 2020 en de strategie voor de vrijmaking van middelen van het
Biodiversiteitsverdrag wordt nader ingevuld. In deze en andere fora gaat het om
dezelfde middelen waarmee een waaier van beleidsdoelstellingen wordt
nagestreefd, hetgeen kan resulteren in elkaar overlappende verbintenissen. In
plaats daarvan zouden de op bestaande en toekomstige verbintenissen gebaseerde
investeringen om deze doelstellingen te bereiken naadloos op elkaar moeten
aansluiten, waardoor gezorgd wordt voor synergie-effecten, zowel op nationaal
als internationaal niveau. Daarom moeten de verschillende fora waarin de
financiering wordt besproken, uitgaan van de reeks gezamenlijk overeengekomen beginselen
en moet een integratieproces tot stand komen met het oog op een optimale inzet
voor de verwezenlijking van diverse mondiale beleidsdoelstellingen. In het kader van het huidige overleg kan een
herziening plaatsvinden van de Consensus van Monterrey, om een
financieringswijze op te zetten die van belang is voor het niveau waarop de
meeste middelen worden besteed – het nationale niveau. In de Consensus van
Monterrey van 2002 en de verklaring van Doha over ontwikkelingsfinanciering van
2008 is een op gezond verstand gebaseerd beginsel schriftelijk vastgelegd dat
nog steeds geldig is: de sleutel tot vooruitgang is gelegen in de nationale
actie van elk land, waarbij alle beschikbare middelen goed moeten worden benut.
Dit alomvattend financieringsmodel moet centraal staan bij het overleg over de
financiering en moet verder worden uitgewerkt. Middelen kunnen uit twee bronnen afkomstig
zijn: publieke en particuliere, zowel op binnenlands als internationaal niveau.
Tot de publieke binnenlandse financiering behoren belastingen en andere
overheidsinkomsten, inclusief die welke afkomstig zijn uit natuurlijke
hulpbronnen. Publieke internationale financiering kan worden verleend in de vorm
van subsidies, aandelenkapitaal of leningen. Particuliere binnenlandse
financiering omvat investeringen door lokale bedrijven en
liefdadigheidsinstellingen. Particuliere internationale financiering omvat
internationale investeringen, particuliere overdrachten zoals geldovermakingen
en giften. Nieuwe en innovatieve financieringsbronnen zoals een belasting op
financiële transacties, inkomsten uit emissierechtenhandel of heffingen op
scheepsbrandstoffen zouden ook in een van de bovengenoemde categorieën vallen. Dit zijn de categorieën van de middelen die elk
land kan investeren in alle nationale en internationaal overeengekomen
doelstellingen, waarbij evenwel verschillende instrumenten worden ingezet voor
verschillende hoofddoelstellingen. Deze moeten de basis vormen van een
financieringsmodel. Overheidsmiddelen zijn rechtstreeks beschikbaar en kunnen
door regeringen worden benut. Particuliere financiering is fundamenteel
verschillend, aangezien hiermee particuliere belangen worden nagestreefd en
moet dus specifiek worden aangesproken voor de ondersteuning van
beleidsdoelstellingen. Beleidsmakers binnen de overheid moeten ernaar streven
de beschikbare financiering te verhogen en ervoor zorgen dat middelen
doeltreffend worden toegespitst op de overeengekomen doelstellingen. Hiertoe
moeten alle financieringsbronnen worden beschouwd als een waaier van
beschikbare middelen waarmee resultaten kunnen worden geboekt. 2. Waar is het geld? Wat
is van belang vanuit het perspectief van ontwikkelingslanden? In ontwikkelingslanden was in 2010 naar
schatting 7 129 miljard EUR[7]
publieke en particuliere financiering beschikbaar, die een bijdrage kon leveren
aan het uitbannen van armoede en duurzame ontwikkeling. Tabel 1: Beschikbare financiering voor
ontwikkelingslanden (in miljard EUR, 2010) Publieke
binnenlandse financiering Totaal: 3 317 Belastingontvangsten: 3 252 Mogelijkheden om subsidies voor schadelijke
fossiele brandstoffen af te schaffen: 309 Kredietopneming die door de overheid in het
buitenland wordt aangegaan: 65 Posten "PM"
Totaal reserves, incl. goud: 4 074 Illegale kapitaaluitstroom: 649 (naar schatting 120 aan gederfde belastinginkomsten), ook als
gevolg van corruptie, criminele activiteiten, belastingfraude en -ontwijking. Publieke internationale
financiering Totaal uitgegeven:
158 Subsidies in het kader van officiële
ontwikkelingshulp (ODA): 92, waarvan EU 39 Concessionele leningen: 7, waarvan EU 3 Andere officiële ontwikkelingsfinanciering: 54, waarvan EU 4 Internationale veiligheidsoperaties onder VN-mandaat:
5, waarvan EU 2 Particuliere
financiering – nationaal en internationaal Totaal: 3 652 Nationale particuliere investeringen: 2 678 Internationale investeringen: 624 Buitenlandse
directe investeringen: 443 Buitenlandse
beleggingen in effecten: 181 Particuliere kredietopneming in het buitenland:
70 Geldovermakingen: 238 Mogelijkheden voor het beperken van de
overschrijvingskosten tot 5 %: 12 per jaar Particuliere filantropie: 42 Uit de gegevens blijkt dat de binnenlandse
publieke middelen de internationale publieke financiering (met een factor 20)
overschrijden, waarbij deze laatste financieringsbron slechts 2 %
vertegenwoordigt van de totale beschikbare financiële middelen in
ontwikkelingslanden. De middelen uit particuliere financiering stemmen overeen
met die uit publieke financiering. Tegelijkertijd zijn er in de samenstelling
van de financieringsbronnen fundamentele verschillen tussen landen, zoals
blijkt uit als we landen met een laag inkomen vergelijken met landen met een
middeninkomen. Figuur 1 Figuur 2 2.1. Binnenlandse
publieke financiering – de grootste en beste financieringsbron voor regeringen De binnenlandse publieke financiering (3 317 miljard EUR)
is de belangrijkste financieringsbron waarop regeringen rechtstreeks een beroep
kunnen doen voor uitgaven voor beleidsdoelstellingen. Derhalve is deze
financiering het belangrijkste onderdeel in een financieringsmodel. Naast de
totstandkoming van een begrotingsruimte voor uitgaven voor prioriteiten moet
ook de binnenlandse verantwoordingsplicht worden versterkt en moet worden
bijgedragen tot een solide relatie tussen overheid en burger. De meeste landen
zouden hun binnenlandse uitgaven voor prioriteiten aanzienlijk kunnen verhogen,
onder meer door een stijging van de belastinginkomsten, de bestrijding van
illegale geldstromen en de afschaffing van subsidies voor schadelijke fossiele
brandstoffen. 2.1.1. Inzet
van binnenlandse middelen De belastingontvangsten van
ontwikkelingslanden variëren, waarbij wordt uitgegaan van een gemiddelde van 13 %
van het bbp in landen met een laag inkomen en 22 % van het bbp in landen
met een middeninkomen. Het ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties
(UNDP) heeft voorgesteld dat het met de MDG strokend percentage van de
overheidsontvangsten meer dan 20 % van het bbp kan bedragen, waaruit blijkt
dat de meeste landen met een middeninkomen in staat zouden moeten zijn deze
doelstellingen te bereiken door uitsluitend een beroep te doen op hun
binnenlandse publieke middelen. Voorts zou volgens het IMF een verhoging van de
overheidsontvangsten met ongeveer 3 % van het bbp op vrij korte termijn
haalbaar moeten zijn, zelfs zonder rekening te houden met de mogelijkheden van
grotere inkomsten uit natuurlijke hulpbronnen en nieuwe groene belastingen.
Hieruit blijkt dat het beëindigen van de afhankelijkheid van steun op de
langere termijn ook mogelijk is in landen met een laag inkomen. Door illegale geldstromen zoals de opbrengsten
van misdrijven, belastingfraude en corruptie, die op 649 miljard EUR
worden geraamd, worden in talrijke landen aanzienlijke middelen onttrokken aan
de overheidsfinanciën. Derving van belastingontvangsten is slechts een deel van
de negatieve gevolgen van dergelijke geldstromen, aangezien zij ook rechtmatige
investeringen ontmoedigen en het bredere sociaal contract ondergraven. Landen
moeten illegale geldstromen met regelgevings- en handhavingsmaatregelen
beteugelen. 2.1.2. Duurzaam
opnemen en verstrekken van leningen Het opnemen van leningen stelt landen in staat
investeringen versneld uit te voeren en de stabiliteit van de overheidsuitgaven
te handhaven wanneer de ontvangsten fluctueren. De voorbije jaren is de totale
schuldenlast van de ontwikkelingslanden gedaald, maar vele landen lopen nog
steeds risico's of hebben geen toegang tot de financiële markten en moeten
rekenen op officiële kredietverlening. Particuliere kredietverstrekkers en
officiële kredietverstrekkers die niet behoren tot de club van Parijs, zijn
belangrijke kredietverstrekkers van de ontwikkelingslanden geworden. Deze
tendens heeft ertoe geleid dat alle betrokken partijen beginselen inzake het
verantwoord opnemen en verstrekken van leningen moeten toepassen om de
houdbaarheid van de schulden te garanderen. Het grootste deel van de internationale
reserves ten belope van 4 074 miljard EUR worden aangehouden
door enkele landen met een middeninkomen, terwijl armere landen doorgaans over
zeer beperkte reserves beschikken. Met uit voorzorg aangehouden reserves kan
een land zich wapenen tegen schokken. Deze verdediging kan worden aangevuld met
instrumenten op basis van verzekeringen, waarbij een solide en prudentieel macro-economisch
beleidskader essentieel is om de kwetsbaarheid te beperken. 2.1.3. De
beschikbare binnenlandse overheidsmiddelen goed besteden De goede inzet van de beschikbare middelen is
ten minste even belangrijk als de verhoging van de middelen. Landen moeten de
regels voor degelijk beheer van de overheidsfinanciën naleven en streven naar
maximale meerwaarde van het beschikbare geld. Investeringen die cruciaal zijn
voor het bereiken van de gestelde doelen, moeten voorrang krijgen en met
uitgaven voor één welbepaalde beleidsdoelstelling moeten ook de vorderingen
voor andere doelstellingen worden ondersteund. 2.1.4. Belangrijke
maatregelen ter verhoging van de binnenlandse middelen die worden geïnvesteerd
in de op mondiaal niveau overeengekomen beleidsdoelstellingen Elk land moet op nationaal niveau: –
het belastingstelsel hervormen, de belastingdienst
versterken en de wetgeving inzake corruptiebestrijding ten uitvoer leggen. Dit
omvat meer transparantie, verantwoordingsplicht en duurzaamheid in het beheer
van de natuurlijke hulpbronnen en de bestrijding van belastingfraude en -ontwijking; –
een beleid ten uitvoer leggen dat ervoor moet
zorgen dat de middelen goed worden besteed, door onder andere innovatieve
partnerschappen te creëren, particuliere financiering te genereren en subsidies
voor schadelijke fossiele brandstoffen af te schaffen; –
de principes naleven voor het op verantwoorde wijze
opnemen en verstrekken van leningen door de overheid en de weerbaarheid
verhogen. Om de nationale inspanningen te ondersteunen,
moeten volgende punten door alle landen en internationale actoren in acht
worden genomen: –
transparantie vereisen van de financiële sector en
multinationale ondernemingen in belangrijke sectoren, inclusief het initiatief
inzake transparantie van winningsindustrieën en andere initiatieven ter
ondersteuning van het duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen, door
regelgeving ter bestrijding van illegale geldstromen, de verslaglegging per
land, meer budgettaire transparantie en gegevensuitwisseling. De EU vervult
momenteel een voortrekkersrol bij de mondiale actie met betrekking tot deze
kwesties, maar de vooruitgang is ook afhankelijk van andere actoren die zich
achter deze beginselen moeten scharen; –
regels voor corruptiebestrijding uitvoeren, zoals
het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie; –
de internationale financiële architectuur versterken
voor de houdbaarheid van de schuld en het opvangen van schokken. 2.2. Internationale
publieke financiering – voor sommige landen nog steeds belangrijk Officiële ontwikkelingshulp (ODA) blijft een
belangrijke financieringsbron voor de 36 landen met een laag inkomen, die ook
meer beïnvloed worden door mondiale problemen; ODA vertegenwoordigt 12 %
van het bbp van de landen met een laag inkomen en is dus reeds geringer dan de
binnenlandse ontvangsten van de landen met een laag inkomen. Tegelijkertijd is publieke
internationale financiering (158 miljard) van marginaal belang voor de
ontwikkelingslanden als geheel (0,7 % van het bbp). In de 108 landen met
een middeninkomen vertegenwoordigt ODA gemiddeld slechts 0,2 % van het
bbp, waarmee wordt bevestigd dat hulp moet worden toegespitst op de landen die
er het meest behoefte aan hebben. 2.2.1. Verhoging
van de financiering en toezicht uitoefenen op hetgeen van belang is Externe publieke financiering voor
ontwikkelingslanden is het resultaat van binnenlandse begrotingsbesluiten van
elk donorland. De EU geeft gezamenlijk méér steun dan alle andere ontwikkelde
landen samen. Zij is de toezeggingen nagekomen die zij sinds 2008 in het kader
van haar strategie "Hulp voor handel" heeft gedaan en heeft voldaan aan
de verwachtingen met betrekking tot de verbintenissen in het kader van de versnelde
procedure voor klimaatfinanciering. Ook verhoogt zij de financiering voor
biodiversiteit overeenkomstig de besluiten van de conferenties van Nagoya en
Hyderabad. Hoewel de gezamenlijke ODA van de EU in 2012 lichtjes is gedaald,
hebben de staatshoofden en regeringsleiders van de EU opnieuw hun verbintenis
bevestigd om tegen 2015 het streefcijfer van 0,7 % van het bbp te
bereiken, ondanks de moeilijke economische situatie. Opkomende economieën en
landen die behoren tot de categorie van landen met een middeninkomen die reeds
hoog zijn opgeklommen, moeten overeenkomstig de financiële middelen waarop zij
een beroep kunnen doen, een billijke bijdrage leveren tot de internationale
publieke financiering. Het concept ODA roept steeds meer kritiek op
omdat enerzijds het te ruim is afgebakend en anderzijds toch niet alle
verstrekkers van ontwikkelingssamenwerking en evenmin alle relevante acties
omvat. De hervorming van de ODA en een beter toezicht op de financiering van de
verschillende beleidsdoelstellingen zijn nodig, inclusief verbeterde
beleidsindicatoren (bv. Rio-indicatoren) waarin de ODA-middelen voor specifieke
beleidsdoelstellingen worden vermeld. Er moet een solide grondslag tot stand
komen voor het vastleggen van alle financiering ten voordele van de
ontwikkelingslanden, opdat alle actoren volgens dezelfde maatstaven ter
verantwoording kunnen worden geroepen. De werkzaamheden in het kader van de
Commissie voor ontwikkelingsbijstand (DAC) van de OESO met betrekking tot de
hervorming van de ODA vormen hiertoe een belangrijke bijdrage. Het toezicht op
de internationale financiering moet onderdeel uitmaken van een alomvattend
toezichtsmechanisme dat ook betrekking heeft op binnenlandse en particuliere
financiering. 2.2.2. De
beschikbare externe middelen goed besteden Zoals bij binnenlandse middelen het geval was,
komt een goede besteding van de middelen erop neer dat de juiste maatregelen
worden genomen en dat maatregelen op de juiste wijze worden uitgevoerd:
middelen moeten worden vrijgemaakt voor de meest noodzakelijke maatregelen en
moeten op een innoverende en doeltreffende wijze worden besteed om ervoor te
zorgen dat verscheidene beleidsdoelstellingen tegelijkertijd gebaat zijn met de
financiering, bv. door de integratie van specifieke beleidsdoelstellingen. De doeltreffendheid kan worden verhoogd door vaker
gebruik te maken van innovatieve financieringsmodellen. Het combineren van
subsidies met leningen en aandelenkapitaal, alsook garantie- en
risicodelingsmechanismen, kunnen particuliere en publieke investeringen genereren,
hetgeen door de EU actief wordt nagestreefd. Meer algemeen kunnen met
innovatieve financiering zoals ontwikkeld door de stuurgroep innovatieve
financiering van ontwikkelingssteun, aanzienlijke inkomsten worden gegenereerd
en kan hiermee ook gezorgd worden voor een meer stabiele en voorspelbare
financiering. Soms worden innovatieve financieringsmechanismen, zoals het
mechanisme voor schone ontwikkeling (CDM), specifiek ontworpen voor een bepaalde
beleidsdoelstelling, maar bij dergelijke investeringen moet ook rekening worden
gehouden met de bredere context, waardoor zij kunnen bijdragen tot andere
doelstellingen. Om ervoor te zorgen dat de juiste
maatregelen worden genomen, heeft de internationale gemeenschap zich in het
kader van het partnerschap van Busan voor doeltreffende
ontwikkelingssamenwerking ertoe verbonden om acties doeltreffender te maken,
gebaseerd op de democratische eigen inbreng van de ontwikkelingslanden en algemene
overeenstemming over de noodzaak om mondiale collectieve voorzieningen tot
stand te brengen. Deze aanpak kan worden ondermijnd door multilaterale
processen waarbij middelen worden uitgetrokken voor specifieke
beleidsterreinen, terwijl de ontwikkelingslanden de financiering moeten richten
op de terreinen waarmee met deze middelen de juiste maatregelen kunnen
worden genomen om de nationale doelstellingen te realiseren die verband
houden met de mondiale doelstellingen. 2.2.3. Essentiële
maatregelen om de internationale publieke middelen te verhogen die in mondiale
doelstellingen worden geïnvesteerd Landen moeten een eigen inbreng hebben en erop
toezien dat alle externe financiering wordt besteed aan hun nationale
ontwikkelingsplannen, waarin de afgesproken doelstellingen overeenkomstig de
beginselen van Busan zijn opgenomen. Voorts moeten alle landen en internationale
actoren ermee instemmen om: –
bij het verstrekken van internationale publieke
financiering de beginselen en verbintenissen van het partnerschap van Busan in
acht te nemen; –
in billijke mate bij te dragen tot de mondiale
inspanningen gebaseerd op een dynamisch systeem van toezeggingen. De rijkste
landen moeten meer bijdragen dan landen die binnen de categorie van landen met
een middeninkomen reeds hoog zijn opgeklommen en opkomende economieën, en de externe
steun moet worden toegespitst op landen met een laag inkomen. De samenwerking
met landen met een middeninkomen, waarbij de landen met een lager middeninkomen
het meest gebaat moeten zijn, moet toegespitst zijn op essentiële acties met
een katalyserende werking; –
de ODA te hervormen en toezicht uit te oefenen op
de externe publieke financiering in het kader van een breed mechanisme voor
wederzijdse verantwoording; –
de financieringsvoorwaarden toe te passen die
beantwoorden aan de behoeften van een land, met inachtneming van de financiële
houdbaarheid op de lange termijn. Innovatieve mechanismen die als hefboom
werken voor het aantrekken van extra middelen, moeten vaker worden toegepast.
Daarnaast moet ook gezorgd worden voor een sterkere ontwikkelingscapaciteit en
meer technische bijstand. 2.3. Particuliere
financiering – belangrijke aanjager van groei Particuliere financiering verschilt
fundamenteel van publieke financiering. Particuliere financiering wordt
aangestuurd vanuit particuliere belangen en sluit dus niet noodzakelijkerwijs aan
op publieke beleidsdoelstellingen. Tegelijkertijd zijn particuliere
investeringen (3 652 miljard EUR) de belangrijkste aanjagers van
groei en kunnen zij bijdragen tot deze doelstellingen. Zelfs een kleine
verschuiving in de prioriteiten en voorwaarden van de particuliere
investeringen zou kunnen resulteren in aanzienlijke voordelen voor de publieke
beleidsdoelstellingen. Een dergelijke verschuiving kan in eerste instantie tot
stand komen via binnenlandse en internationale beleidsstimulansen, zoals
publiek-private partnerschappen. De binnenlandse en internationale particuliere
sectoren zijn goed geïntegreerd en reageren op dezelfde stimulansen, waardoor
zij dus gezamenlijk kunnen worden besproken. Een onderscheid is alleen relevant
voor het toezicht op de verbintenissen. 2.3.1. Investeringen
en handel; wetenschap, technologie en innovatie Buitenlandse investeringen vallen in het niet
bij de binnenlandse investeringen, die dus de pijler van de economische
ontwikkeling vormen. Buitenlandse directe investeringen, en in mindere mate ook
particuliere kredietopneming in het buitenland hebben een aanvullende werking,
onder meer doordat zij een bron zijn van knowhow en technologie. Investeringen
met een positieve impact op de publieke doelstellingen moeten worden
ondersteund door een gunstig beleidsklimaat en innovatieve mechanismen, zoals
op prestaties gebaseerde betalingen voor ecosysteemdiensten, koolstofcredits of
compensaties voor biodiversiteit. Handel is een van de belangrijkste middelen om
de activiteit en de productiviteit te verhogen. Om deze kansen te kunnen
benutten, moeten landen een klimaat tot stand brengen dat bevorderlijk is voor
het internationale, regionale en nationale handelsverkeer. Rijke landen moeten
aan de armste landen preferentiële toegang en bijstand verlenen. De Europese
Unie verleent nu al ruime toegang tot de EU-markt, met inbegrip van volledig
rechten- en quotavrije toegang voor de minst ontwikkelde landen. Het grootste
deel van het handelsverkeer van de ontwikkelingslanden vindt reeds plaats met
andere ontwikkelingslanden en de mogelijkheden van de liberalisering van de
zuid-zuidhandel moeten worden benut. Op internationaal niveau moet bijzondere
aandacht worden besteed aan de wijze waarop de minst ontwikkelde landen baat
kunnen hebben bij het handelsverkeer. Nieuwe technologieën moeten worden ingezet
voor mondiale doelstellingen door een grotere wereldwijde integratie. De
wisselwerking tussen technologie die is aangepast aan de ontwikkelingslanden en
innovatie kan verder worden versterkt door het bevorderen van meer
investeringen in onderzoek, onder meer door innovatieve mechanismen zoals marktgaranties
(AMC). 2.3.2. Geldovermakingen Geldovermakingen zijn een belangrijke
particuliere geldstroom en vertegenwoordigen een aanzienlijk deel van het bbp
in verscheidene ontwikkelingslanden. Een verlaging van de kosten van
geldovermakingen tot 5 %, in overeenstemming met de toezegging van de G20[8], zou aanzienlijke voordelen
opleveren, inclusief voor de duurdere zuid-zuid-overdrachten. Zowel de landen van
waaruit het geld wordt overgemaakt als de landen die het ontvangen, moeten
beleidsmaatregelen treffen die resulteren in concurrerende en transparante
marktvoorwaarden, toegang bieden tot betere financiële diensten en een bewuster
en productiever gebruik van geldovermakingen bevorderen. 2.3.3. Particuliere
filantropie Particuliere filantropie heeft veel kenmerken
van officiële ontwikkelingshulp. Zij wordt geraamd op 42 miljard EUR in 2010 en
kan een belangrijke bijdrage leveren voor specifieke gemeenschappen en
specifieke kwesties. Door hun aard kan met particuliere giften doorgaans geen
rekening worden gehouden bij het opstellen van nationale ontwikkelingsplannen.
De transparantie, voorspelbaarheid en doeltreffendheid van particuliere
filantropie moeten evenwel worden verhoogd. 2.3.4. Essentiële
maatregelen voor een verhoging van de particuliere middelen die in
beleidsprioriteiten worden geïnvesteerd Elk land moet op nationaal niveau de volgende
maatregelen uitvoeren: –
een ondernemingsklimaat tot stand brengen waarmee
beleidsdoelstellingen die in de lijn liggen van de internationale
verbintenissen inzake fatsoenlijk werk worden ondersteund en de innovatie en de
ontwikkeling van binnenlandse financieringsmodellen worden bevorderd; –
overheidsmiddelen investeren op terreinen waar particuliere
investeringen kunnen worden gegenereerd voor het realiseren van
beleidsdoelstellingen. Voorts moeten alle landen en internationale
actoren samenwerken met het oog op: –
de totstandkoming van een internationaal
beleidsklimaat met transparante en billijke regels, onder meer op het gebied
van handel en financiële markten; –
het gebruik van overheidsfinanciering als hefboom voor
particuliere investeringen en ter ondersteuning van innovatie, onder meer door
middel van technologie. Daarnaast moet de particuliere sector
instemmen met: –
de naleving van de beginselen van maatschappelijk
en ecologisch verantwoord ondernemerschap, waardoor wordt bijgedragen aan de
overgang naar een inclusieve groene economie, met inbegrip van het uitvoeren
van analyses van het effect van de investeringen op de beleidsdoelstellingen,
de inachtneming van het beginsel van wederzijdse onafhankelijkheid bij
verrekenprijzen, transparantie over hun activiteiten en de opvolging van MVO-
en investeringsrichtsnoeren; –
de toepassing van de beginselen van Busan inzake
ontwikkelingshulp voor particuliere filantropie. 3. Naar een alomvattend
en geïntegreerd financieringsmodel 3.1. Beginselen
Een mondiale agenda met gemeenschappelijke
post-2015 doelstellingen moet alle actoren motiveren om hun middelen optimaal
te benutten. Deze agenda moet worden aangevuld met een solide, algemeen toepasbaar
financieringsmodel, waarbij rekening wordt gehouden met de mondiale
ontwikkelingen en met alle middelen die ter beschikking staan van de
verschillende actoren. Met een modernisering en uitbreiding van een aan de
wereld van morgen aangepaste agenda voor internationale
ontwikkelingsfinanciering zou deze doelstelling het best kunnen worden bereikt.
Terwijl het proces dat moet leiden tot de opstelling van mondiale
doelstellingen nog maar net is begonnen, moet het overleg over de financiering
aangestuurd worden door een aantal grondbeginselen: –
Financiering moet worden gezien in de context van
beleid. Goed beleid is essentieel voor de uitvoering, omdat het bijsturen van
beleidsmaatregelen doeltreffender is dan het besteden van middelen waarmee
slecht beleid moet worden gecompenseerd. –
Alle beschikbare middelen moeten volledig samen
worden beschouwd, aangezien zij een onderdeel vormen van hetzelfde geheel. De
drie financieringscategorieën – publiek binnenlands, publiek internationaal en
particulier – vormen een structuur waarmee essentiële acties op nationaal en
internationaal niveau kunnen worden afgebakend. –
In een algemeen financieringsmodel moet de
prioriteitstelling bij het toekennen van middelen in eerste instantie op
nationaal niveau plaatsvinden. Dit is waar beslissingen over de passende
afstemming van beleidsdoelstellingen het best tot stand komen, binnen een kader
van internationaal overeengekomen verbintenissen, doelstellingen en
streefcijfers. De beoordeling van de waaier van beleidsmaatregelen,
financiering en instrumenten die nodig zijn om de overeengekomen doelstellingen
te bereiken, moet op nationaal niveau tot stand komen, aangezien de uitvoering
op dit niveau plaatsvindt. Alle landen moeten zich ertoe verbinden om optimaal
gebruik te maken van de beschikbare middelen voor het realiseren van de
overeengekomen beleidsdoelstellingen. –
Op dezelfde wijze als verschillende
beleidsdoelstellingen elkaar moeten versterken, moeten de middelen waarmee deze
doelstellingen tot stand komen op nationaal niveau als een pakket van aan
elkaar gekoppelde financieringsbronnen en instrumenten worden ingezet, waardoor
verscheidene beleidsdoelstellingen met dezelfde middelen tot stand kunnen komen.
Met de financiering moeten de synergie-effecten tussen de verschillende
universele doelstellingen worden ondersteund. Met inachtneming van de bestaande
verbintenissen moeten doelstellingen worden geïntegreerd in het nationale
beleid in plaats van op mondiaal niveau financieringsmiddelen uit te trekken
voor een specifieke doelstelling, hetgeen resulteert in versnippering. –
Externe publieke financiering moet worden geheroriënteerd
naar de meest behoeftige landen, terwijl opkomende economieën en landen die
binnen de categorie van landen met een middeninkomen reeds hoog zijn
opgeklommen, op een billijke wijze moeten bijdragen tot deze doelstelling. –
Op alle financieringsmiddelen moet gecoördineerd en
geharmoniseerd toezicht worden gehouden, waarbij zowel op nationaal als
mondiaal niveau gezorgd wordt voor transparantie en wederzijdse
verantwoordingsplicht en ernaar wordt gestreefd deze middelen voor
uiteenlopende mondiale en nationale doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling
op een meer doeltreffende wijze in te zetten. Het opsporen van geldstromen moet
worden verbeterd, met inbegrip van hun bijdrage aan nationale en mondiale
doelstellingen en daarmee samenhangende financiële doelstellingen, wanneer
dergelijke streefcijfers bestaan. De beschikbaarheid en kwaliteit van nationale
gegevens zijn hiervoor essentieel. Derhalve moet de statistische capaciteit
worden versterkt. 3.2. Een overkoepelend kader voor
internationale processen Voortbouwend op de belofte in de verklaring
van Doha met betrekking tot een gecoördineerde mondiale actie voor
uiteenlopende vraagstukken, moeten de gesprekken over internationale
financiering aan elkaar worden gekoppeld binnen een overkoepelend kader. Daarom
moeten de voorstellen van het door de Rio+20 conferentie gemandateerde
VN-comité van deskundigen dat keuzes moet uitwerken voor een
financieringsstrategie inzake duurzame ontwikkeling volledig in overeenstemming
zijn met het proces inzake ontwikkelingsfinanciering. Er moet een
internationale conferentie worden georganiseerd waarbij deze onderdelen worden
samengevoegd en een alomvattend en geïntegreerd financieringsmodel wordt
ontwikkeld en wordt voortgebouwd op de resultaten van het comité van deskundigen
en de processen in het kader waarvan het kader voor na 2015 wordt voorbereid.
Zoals ook in het rapport van het VN-panel op hoog niveau over de situatie na
2015 wordt gesuggereerd, zou dit versterkte mondiale proces moeten resulteren
in een overkoepelend financieringsmodel, in het bijzonder voor de post-2015-agenda.
Voorts moeten de hierboven beschreven beginselen zorgen voor coherentie en
coördinatie van specifieke geldstromen en lopende onderhandelingsprocessen (bv.
in het kader van het klimaatverdrag dat in 2015 moet worden gesloten). Hierdoor
kan elk land middelen zodanig besteden dat zij het beste bijdragen tot de
overeengekomen gemeenschappelijke doelstellingen. 3.3. Volgende
stappen voor de EU Deze mededeling beoogt een gemeenschappelijke
EU-aanpak tot stand te brengen ten aanzien van het overleg met betrekking tot
financiering in de post-2015-agenda, de open werkgroep over de MDG, het
VN-comité van deskundigen dat keuzes moet uitwerken voor een
financieringsstrategie inzake duurzame ontwikkeling en de herziening van de
financiering van het ontwikkelingsproces. Daarnaast moet dit ook het kader
vormen voor de gemeenschappelijke EU-standpunten betreffende de financiering
voor klimaatmaatregelen, biodiversiteit, chemische stoffen en andere internationale
processen. De hierboven beschreven aanpak draagt bij tot
het internationale overleg en de EU moet hiervan gebruik maken om de discussie
met haar partners aan te gaan. [1] COM(2011 ) 637. [2] COM(2013) 92. [3] 11559/13. [4] COM(2013 ) 167. [5] COM(2012 ) 366. [6] 14533/12. [7] Alle bronnen voor de in deze mededeling vermelde cijfers
zijn opgenomen in het begeleidend werkdocument van de diensten van de
Commissie. [8] 5 december 2011, verklaring van de G20-top, punt 77.