Aanbeveling voor een AANBEVELING VAN DE RAAD over het nationale hervormingsprogramma 2013 van Frankrijk en met een advies van de Raad over het stabiliteitsprogramma van Frankrijk voor de periode 2012-2017 /* COM/2013/0360 final - 2013/ () */
Aanbeveling voor een AANBEVELING VAN DE RAAD over het nationale hervormingsprogramma 2013
van Frankrijk
en met een advies van de Raad over het stabiliteitsprogramma van Frankrijk voor
de periode 2012-2017 DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gezien het Verdrag betreffende de werking van
de Europese Unie, en met name de artikelen 121, lid 2, en 148, lid 4, Gezien Verordening (EG) nr. 1466/97 van de
Raad van 7 juli 1997 over versterking van het toezicht op begrotingssituaties
en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid[1], en met name artikel 5, lid 2, Gezien Verordening (EU) nr. 1176/2011 van het
Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende de preventie en
correctie van macro-economische onevenwichtigheden[2] , en met name artikel 6, lid 1, Gezien de aanbeveling van de Europese
Commissie[3], Gezien de resoluties van het Europees
Parlement[4], Gezien de conclusies van de Europese Raad, Gezien het advies van het Comité voor de
werkgelegenheid, Na raadpleging van het Economisch en Financieel
Comité, Overwegende hetgeen volgt: (1) Op 26 maart 2010
heeft de Europese Raad zijn goedkeuring gehecht aan het voorstel van de
Commissie voor een nieuwe groei- en werkgelegenheidstrategie. Deze Europa 2020-strategie
moet voor betere coördinatie van het economisch beleid zorgen en zich
toespitsen op de sleutelgebieden waarop Europa's potentieel voor duurzame groei
en concurrentievermogen een krachtige impuls nodig heeft. (2) De Raad heeft op 13 juli 2010
op basis van de voorstellen van de Commissie een aanbeveling inzake de globale
richtsnoeren voor het economisch beleid van de lidstaten en de Unie (2010-2014)
en op 21 oktober 2010 een besluit betreffende de richtsnoeren voor het
werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten[5]
vastgesteld, die samen de "geïntegreerde richtsnoeren" vormen. De
lidstaten is verzocht in hun nationaal economisch en werkgelegenheidsbeleid met
de geïntegreerde richtsnoeren rekening te houden. (3) Op 29 juni 2012 hebben de
staatshoofden en regeringsleiders besloten tot een Pact voor groei en banen,
dat een samenhangend kader biedt voor actie op het niveau van de lidstaten, de
EU en de eurozone, waarbij alle mogelijke hefbomen, instrumenten en
beleidsvormen worden ingezet. Zij hebben bepaald welke maatregelen op het
niveau van de lidstaten moeten worden genomen, en met name verklaard
vastbesloten te zijn om de doelstellingen van de Europa 2020-strategie te
verwezenlijken en de landenspecifieke aanbevelingen uit te voeren. (4) Op 6 juli 2012 heeft de Raad
een aanbeveling over het nationale hervormingsprogramma voor 2012 van Frankrijk
aangenomen en een advies over het geactualiseerde stabiliteitsprogramma van
Frankrijk voor de periode 2011-2016 uitgebracht. (5) Op 28 november 2012
heeft de Commissie de jaarlijkse groeianalyse[6]
aangenomen, die het begin vormt van het Europees semester voor economische
beleidscoördinatie van 2013. Eveneens op 28 november 2012 heeft de Commissie op
grond van Verordening (EU) nr. 1176/2011 het waarschuwingsmechanismeverslag[7] aangenomen. Daarin is Frankrijk
genoemd als een van de lidstaten die aan een diepgaande evaluatie zouden worden
onderworpen. (6) Op 14 maart 2013 heeft de
Europese Raad de prioriteiten inzake financiële stabiliteit,
begrotingsconsolidatie en groeibevorderende maatregelen goedgekeurd. Hij benadrukte
de noodzaak een gedifferentieerd, groeivriendelijk beleid van
begrotingsconsolidatie te voeren, de kredietverschaffing aan de economie te
normaliseren, groei en concurrentievermogen te bevorderen, de werkloosheid en
de sociale gevolgen van de crisis aan te pakken en de overheidsdiensten te
moderniseren. (7) Op 10 april 2013 heeft de
Commissie de uitkomsten gepubliceerd van de diepgaande evaluatie[8] voor Frankrijk die zij op grond
van artikel 5 van Verordening (EU) nr. 1176/2011 heeft uitgevoerd. Op
basis van haar analyse concludeert de Commissie dat Frankrijk wordt
geconfronteerd met macro-economische onevenwichtigheden die in het oog moeten
worden gehouden en een beleidsoptreden verdienen. Met name ontwikkelingen in
verband met de achteruitgang van de handelsbalans en het concurrentievermogen
onder invloed van zowel kosten- als niet-kostenfactoren, mede tegen de
achtergrond van een verslechterende externe positie en hoge overheidsschulden
vragen om voortdurende aandacht om het risico van nadelige effecten op de
werking van de Franse economie en op de economische en monetaire unie te
beperken, vooral gezien de omvang van de economie van Frankrijk. (8) Frankrijk heeft op 30 april 2013
zijn stabiliteitsprogramma 2013 voor de periode 2012-2017 en zijn nationale
hervormingsprogramma voor 2013 ingediend. Met het oog op het onderlinge verband
zijn beide programma's terzelfder tijd geëvalueerd. (9) In het licht van de
overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad verrichte evaluatie van
het stabiliteitsprogramma van 2013 is de Raad van oordeel dat ondanks
aanzienlijke consolidatie-inspanningen die het nominale tekort van 7,5% van het
bbp in 2009 tot 4,8% in 2012 hebben teruggebracht, Frankrijk in 2013 naar
verwachting zijn buitensporig tekort niet zal corrigeren zoals door de Raad
eind 2009 aanbevolen. Dit houdt met name verband met een slechter economisch
klimaat dan verwacht op het tijdstip waarop de aanbeveling is gedaan, dat
slechts gedeeltelijk door meevallers is gecompenseerd, terwijl de inspanning
enigszins in de laatste programmajaren geconcentreerd was. Het
macro-economische scenario dat in het programma aan de begrotingsverwachtingen
ten grondslag ligt, is plausibel voor 2013, maar te optimistisch voor 2014. Met
name verwachten de autoriteiten dat na een stilstand in 2012 (0%) en in 2013 (+0.1%),
het bbp in 2014 met 1,2% zal groeien en nemen zij aan dat budgettaire
maatregelen worden genomen om het overheidstekort op 2,9% van het bbp te
brengen. Ter vergelijking, de Commissie verwacht dat bij ongewijzigd beleid het
bbp zal groeien met 1,1% in 2014, een scenario waarbij alleen rekening wordt
gehouden met maatregelen die zijn aangenomen of voldoende bepaald, en zij verwacht
bijgevolg een tekort van 4,2% van het bbp. Het hoofddoel van de in het programma
geschetste begrotingsstrategie is het realiseren van de
middellangetermijndoelstelling (MTD), namelijk een sluitende begroting in
structurele termen. Dit is ambitieuzer dan vereist bij het stabiliteits- en
groeipact. Het streefjaar voor het realiseren van de MTD is 2016, vergeleken
met 2015 in het vorige stabiliteitsprogramma. Het bij het stabiliteitsprogramma
vastgestelde geplande nominale tekort stemt overeen met een correctie van het
buitensporig tekort in 2014, één jaar na de door de Raad uit hoofde van de
buitensporigtekortprocedure eind 2009 vastgestelde herziene termijn. Gezien de
al te optimistische groeiprognose in het programma voor 2014 is de Raad van
oordeel dat, tenzij bijkomende maatregelen worden genomen om de inspanning voor
dat jaar substantieel te versterken, de door de autoriteiten beoogde
budgettaire inspanning niet verenigbaar is met een feitelijke correctie van het
buitensporig tekort in 2014. Ook over de geplande besparingen en bijkomende
ontvangsten ontbreken bijzonderheden. In die omstandigheden moeten voor zowel 2014
als 2015 maatregelen worden bepaald om er op geloofwaardige wijze voor te
zorgen dat het buitensporig tekort ten laatste in 2015 wordt gecorrigeerd
[zoals aanbevolen door de Raad]. In 2016 zal het structureel saldo, als
herberekend door de Commissie, naar verwachting -0,4 % van het bbp (-0,3 % in 2017)
bedragen waardoor de MTD aan het einde van de programmahorizon niet zou worden
gerealiseerd. De vooruitgang richting MTD in dat jaar zal naar verwachting 0,3%
van het bbp bedragen, hetgeen minder is dan de 0,5% van de bbp-benchmark. De
overheidsschuld is sinds het begin van de crisis substantieel gestegen.
Beginnend bij 64,2% in 2007, bereikte de verhouding van de schuld tot het bbp 90,2%
in 2012 en deze zal volgens de voorjaarsprognose 2013 van de Commissiediensten
naar verwachting verder stijgen tot 96,2% in 2014. De autoriteiten verwachten
dat de schuldquote in 2014 zal pieken op 94,3% van het bbp en vervolgens zal
dalen tot 88,2% in 2017. Ten aanzien van de naleving van het schuldcriterium
bevindt Frankrijk zich vanaf 2016 in een overgangsperiode. (10) Gezien de hoge en nog steeds
toenemende schuld en het feit dat de termijn om het buitensporig tekort te
corrigeren opnieuw is uitgesteld, [tot 2015], is het des te belangrijker dat de
begroting 2013 strikt wordt uitgevoerd en dat substantiële
consolidatie-inspanningen in de daaropvolgende jaren standvastig worden
voortgezet. Inzonderheid is het cruciaal dat de overheidsuitgaven in Frankrijk
significant minder snel stijgen dan het potentiële bbp aangezien verbeteringen
van het structureel tekort tot dusver vooral inkomstengebaseerd waren. In dat
verband moeten in het kader van de aan de gang zijn toets van de
overheidsuitgaven ('Modernisation de l’action publique'), die naast de centrale
overheid voor onder meer de lokale overheden en socialezekerheidsdiensten
plaatsvindt, aanwijzingen worden verstrekt om de efficiëntie van de
overheidsuitgaven verder te verbeteren. Er is ook ruimte voor verdere
stroomlijning van de verschillende bestuurslagen en bevoegdheden teneinde
verdere synergieën, efficiëntieverhogingen en besparingen te realiseren. De
geplande nieuwe decentralisatiewet moet deze kwestie behandelen. Gezien de
verwachte stijging op middellange en lange termijn van de overheidsuitgaven
voor gezondheidszorg, vereisen de toekomstige overheidsuitgaven voor
gezondheidszorg, met name de uitgaven voor geneesmiddelen, een grotere
nauwlettendheid en efficiëntie. De meest recente prognoses van de Adviesraad
voor Pensioenen (‘Conseil d’orientation des retraites’) wijzen op aanhoudende
tekorten van het pensioenstelsel in 2018, hetgeen in strijd is met de
hervormingsdoelstelling van 2010 om tegen die tijd het stelsel in evenwicht te
brengen. Bovendien gaat het gedeeltelijk terugdraaien van de hervorming van 2010
in tegen de aanbeveling van de Raad. Het pensioenstelsel zal dan ook in 2020
nog steeds grote tekorten vertonen en er zijn dringend nieuwe
beleidsmaatregelen nodig om deze situatie te verhelpen en de toereikendheid van
het stelsel te waarborgen. Dergelijke maatregelen kunnen onder meer zijn een
verdere verhoging van de minimumpensioenleeftijd en de leeftijd waarop men zijn
volledig pensioen kan verkrijgen alsook van de bijdrageperiode om een volledig
pensioen te verkrijgen, de aanpassing van de indexeringsregels en de herziening
van de momenteel talrijke vrijstellingen van de algemene regeling voor
specifieke categorieën van werknemers. Gezien de negatieve impact ervan op de
arbeidskosten moet een verhoging van het niveau van de
socialezekerheidsbijdragen worden vermeden. In het licht van de uitdaging
waarmee Frankrijk ten aanzien van zijn overheidsfinanciën wordt geconfronteerd,
is het van kritiek belang dat budgettaire maatregelen worden aangevuld met
verhoogde inspanningen om structurele hervormingen door te voeren om het
groeipotentieel op lange termijn van de Franse economie te ondersteunen en te
vergroten. (11) Zoals uit de diepgaande
evaluatie van 2013 blijkt, blijft het concurrentievermogen van Frankrijk een
significante uitdaging, zoals blijkt uit het feit dat zijn aandeel in de
uitvoermarkten de jongste jaren sterk is geërodeerd. De Franse regering heeft
in november 2012 in de context van het 'Pact voor Concurrentievermogen'
meerdere beleidsmaatregelen voorgesteld. De invoering van een belastingkrediet
voor ondernemingen (crédit d’impôt pour la compétitivité et l’emploi — CICE),
met een geplande impact voor het volledige jaar van 20 miljard EUR, is een
significante stap die tot verlaging van de arbeidskosten moet bijdragen. Er is ruimte voor verdere actie aangezien door het
nieuwe belastingkrediet het verschil tussen de Franse loonwig en het
OESO-gemiddelde met betrekking tot het mediane loon slechts wordt gehalveerd. Bovendien resulteren de sinds 2010 genomen
budgettaire maatregelen die van invloed zijn op de ondernemingen, zelfs
gecorrigeerd voor die maatregel, in een algehele stijging van de
vennootschapsbelasting. De verhoging van het
minimumloon waartoe in juli 2012 is besloten, was weliswaar beperkt, maar kan
een negatieve impact hebben op banen en concurrentievermogen, zoals benadrukt
in de aanbeveling van de Raad van 2012. Tussen 2002
en 2012 is het minimumuurloon met 38% (16% in reële termen) gestegen.
Het hoge niveau van het minimumloon, dat tweederde van het mediane loon
uitmaakt, wordt voor de werkgevers deels gecompenseerd door een aantal
vrijstellingen van socialezekerheidsbijdragen voor de werkgevers. De
desbetreffende kosten voor de overheidsfinanciën zijn de laatste jaren snel
gestegen en maken meer dan 1% van het bbp uit, deels om een snelle stijging van
het minimumloon te compenseren. Bovendien zijn alternatieve instrumenten zoals
inkomensondersteuningsregelingen (de ’Prime pour l'emploi’ en het ’Revenu de
solidarité active’) efficiëntere instrumenten dan het minimumloon om de armoede
onder de werkenden aan te pakken. (12) Ten aanzien van
niet-prijsgebonden concurrentievermogen zou, hoewel de regering onlangs haar
exportstrategie heeft hernieuwd, ondersteuning van de ontwikkeling van
exportgeoriënteerde netwerken en partnerschappen de internationalisering van de
kmo's bevorderen[9].
Meer in het algemeen zouden maatregelen kunnen worden genomen om ervoor te
zorgen dat het ondernemingsklimaat bevorderlijk is voor de groei van kmo's.
Ondanks aanzienlijke inspanningen die zijn geleverd door ondernemingen in
O&O-intensieve sectoren en omvangrijke overheidssteun (bv. het
onderzoeksbelastingkrediet) vertegenwoordigen de hightech en mediumhightech
sectoren slechts een beperkt en afnemend deel van de Franse economie. Bijgevolg
dienen in deze sectoren de oprichting en groei van kmo's en ondernemingen in
het mid-tier-segment (ETI) te worden bevorderd door verbetering van de
raamvoorwaarden die innovatie en ondernemerschap aanmoedigen. Het clusterbeleid
dat is ontwikkeld om publiek onderzoek en private ondernemingen te verbinden,
kan eveneens verder worden afgestemd op positieve externaliteiten tussen
ondernemingen die in elkaars nabijheid gevestigd zijn. Bovendien moeten
doctoraatsstudies en onderzoekservaring voldoende aantrekkelijk worden gemaakt
om verbanden tussen privéondernemingen en onderzoeksinstellingen verder te
bevorderen. (13) Met betrekking tot de diensten
was in 2012 slechts beperkte vooruitgang te zien. Met name is geen begin
gemaakt met horizontale hervormingen om in de gereglementeerde sectoren en
beroepen ongerechtvaardigde beperkingen op te heffen. Veel professionele
dienstverleners worden nog steeds geconfronteerd met beperkingen ten aanzien
van hun rechtsvorm en aandeelhoudersstructuur (bv. beperkingen op
kapitaaleigendom voor diergeneeskundigen en juristen). In een aantal sectoren
(onder meer het taxibedrijf, bepaalde medische beroepen, het notariaat en
andere juridische beroepen) blijven andere significante belemmeringen voor
toegang of praktijk (zoals commerciële communicatie, quota's of territoriale
beperkingen) bestaan. De kleinhandel is nog steeds aan een aantal
reglementeringen, zoals zware en tijdrovende vergunningsprocedures voor de
oprichting van verkooppunten, onderworpen. Bovendien leidt het bestaande verbod
op verkopen onder de kostprijs tot een aantal verstoringen, terwijl de
doelstelling van ondersteuning van producenten en kleine verkooppunten middels
minder verstorende maatregelen effectief zou kunnen worden gerealiseerd. Deze
buitensporige beperkingen in de gereglementeerde sectoren en beroepen wegen op
de concurrentie en maken deze meestal duurder. Zoals uit de diepgaande analyse
blijkt, hebben hogere prijzen in de intermediaire diensten, die bijna een kwart
van de productiekosten in de industrie uitmaken, uiteindelijk een impact op het
externe concurrentievermogen van Franse ondernemingen. In de netindustrieën is
in 2012 beperkte vooruitgang geboekt. De Franse elektriciteitsmarkt blijft een
van de meest geconcentreerde in de EU. Gereglementeerde elektriciteits- en
gasprijzen verstoren de concurrentie en blijven een drempel vormen voor nieuwe
toetreders. De gereglementeerde tarieven voor niet-huishoudelijke klanten
moeten volgens het met de Franse autoriteiten overeengekomen tijdschema worden
afgeschaft. Meer koppelingscapaciteit met de buurlanden en de lancering van de
aanbestedingen voor hydro-elektriciteitsconcessies zouden eveneens tot de
bevordering van de concurrentie in de elektriciteitsmarkt bijdragen. In de
spoorwegsector is het goederenvervoer minder dynamisch dan in andere lidstaten,
terwijl het reizigersvervoer, behalve wat internationale diensten betreft, niet
voor concurrentie is opengesteld. De op komst zijnde hervorming moet garanderen
dat elke nieuwe "eengemaakte infrastructuurbeheerder" onafhankelijk
blijft van de zittende exploitant teneinde aan nieuwe toetreders eerlijke en
niet-discriminerende toegang te waarborgen. (14) Het Franse belastingstelsel
blijf complex en mist efficiëntie wegens het grote aantal vrijstellingen, bijzondere
aftrekmogelijkheden, maar ook veelvuldige wetgevingswijzigingen. Ondanks
inspanningen om de belastinguitgaven te verminderen en te stroomlijnen, blijft
het bedrag aan daardoor misgelopen ontvangsten hoog. De keuze voor een brede
grondslag en een laag tarief in de vennootschaps- en personenbelasting zou
bevorderlijker zijn voor groei en maatschappelijk welzijn. Het btw-tussentarief
gaat vanaf januari 2014 omhoog van 7 % tot 10 %. Dit is een stap in
de goede richting, maar bijkomende inspanningen zijn noodzakelijk. Al bij al
blijven de kosten van fiscale en socialezekerheidsvrijstellingen zeer hoog (tot
10% van het bbp). Ondanks het feit dat sommige verlaagde btw-tarieven, zoals de
tarieven voor restaurantdiensten, ineffectief zijn gebleken, zijn geen
voldoende gedifferentieerde beleidsmaatregelen genomen. Door de invoering van
het CICE-belastingkrediet, dat deels middels de bovenvermelde verhoging van het
tussen- maar ook het standaard-btw-tarief wordt gefinancierd, wordt de fiscale
druk op arbeid verlicht. Er is echter verdere ruimte voor actie nodig, met name
om het aandeel van de milieubelastingen weer in evenwicht te brengen Vorig jaar
heeft Frankrijk een aantal maatregelen genomen om
vennootschapsbelastingschulden te ontmoedigen. Er is echter ruimte voor verdere
verbetering (renteaftrek is slechts beperkt boven 3 miljoen EUR en slechts 15%
van de rente boven dat plafond is niet fiscaal aftrekbaar in 2013 en 25% in 2014). (15) De werkloosheid is gestegen
van 9,7 % in 2010 tot 10,2 % in 2012. De Commissie voorspelt dat de
werkloosheid vanwege aanhoudend zwakke economische groei zal stijgen tot 10,6%
in 2013 en 10,9% in 2014. Tegen deze achtergrond blijft de segmentatie van de
Franse arbeidsmarkt een bron van zorg. De kans om van een tijdelijke naar een
vaste baan over te stappen, bedroeg in 2010 slechts 10,6%, tegenover 25,9%
gemiddeld in de EU. Bij een aanpassing op de arbeidsmarkt hebben de
laaggeschoolde werknemers in precaire vormen van werkgelegenheid het dan ook
meestal het zwaarst te verduren. In mei 2013 is op basis van het in januari 2013
tussen de sociale partners gesloten centraal akkoord (ANI) inzake het
beschermen van banen een wet aangenomen. De wet, die de rechtsonzekerheid van
ontslagen behandelt, voorziet in uitgebreidere rechten voor werknemers en
grotere flexibiliteit voor werkgevers. De wet is een positieve stap naar een
soepeler arbeidsmarkt. De feitelijke uitvoering van deze hervorming alsook de
impact ervan blijven in dit stadium onzeker omdat na de aanneming van de wet
houdende omzetting van het ANI verdere branche/ondernemingsakkoorden nodig
zullen zijn alvorens het akkoord volledig in werking kan treden. (16) Een zesde van de jongeren in
Frankrijk verlaat onderwijs en opleiding zonder kwalificatie. Dit is bijzonder
verontrustend omdat de jongerenwerkloosheid eind 2012 25,4% bedroeg en de kans
op werkloosheid voor de minst gekwalificeerde jongeren bijna tweemaal zo hoog
was. De programma's om het leerlingwezen te bevorderen, moeten vooral de minst
gekwalificeerde jongeren bereiken. De afstemming van nationale regelingen op de
aanbeveling van de Raad inzake de jongerengarantie moet een structurerende rol
spelen bij het aangaan van die uitdagingen. Ondanks in 2009 ingezette
hervormingen, ligt de Franse participatiegraad van volwassenen aan permanente
educatie (5,7 % in 2012, laaggeschoolde volwassenen: 2,5 %) onder het
EU-gemiddelde. De geplande overdracht van bevoegdheden naar de regionale raden
kan de kans bieden om zwakke plekken in het huidige systeem aan te pakken. De
arbeidsparticipatie van werknemers in de leeftijdsgroep 55-64 is van de laagste
in de EU (45,7 % in het vierde kwartaal van 2012), en de
ouderenwerkloosheid stijgt. Hoewel een stap in de goede richting, is het niet
duidelijk in hoeverre de 'generatiecontracten' ertoe zullen bijdragen dat
oudere werknemers in dienst worden genomen en oudere werkzoekenden
gemakkelijker weer aan het werk gaan. De Franse overheidsuitgaven voor
werkloosheidsuitkeringen zijn in 2012 gestegen met 5,3% en zullen volgens het
stabiliteitsprogramma in 2013 naar verwachting verder stijgen met 6,1%. Het
gecumuleerde tekort van de werkloosheidsregeling, dat in 2013 dichtbij de 1%
van het bbp zou liggen, vereist een hervorming van het stelsel van
werkloosheidsuitkeringen. Met name sommige elementen, zoals de
toelatingsvoorwaarden, de degressiviteit van de uitkeringen in de tijd of de
vervangingspercentages voor werknemers met de hoogste lonen, moeten worden
aangepast om ervoor te zorgen dat de prikkels om te werken toereikend zijn. De
nieuwe driepartijenovereenkomst van de overheidsdienst voor arbeidsbemiddeling
(Pôle emploi) voorziet in een gedifferentieerde follow-up van werkzoekenden. De
gemiddelde omvang van de portfolio van een arbeidsbemiddelaar is echter door de
stijgende werkloosheid verder toegenomen en de heroriëntering van de strategie
van de Pôle emploi wordt door de zwakke economische situatie belemmerd. Al bij
al is, gezien de negatieve economische vooruitzichten en de verwachte verdere
stijging van de werkloosheid in Frankrijk, verdere actie noodzakelijk. (17) In de context van het Europees
semester heeft de Commissie een alomvattende analyse van het economische beleid
van Frankrijk verricht. Zij heeft zowel het stabiliteitsprogramma als het
nationale hervormingsprogramma doorgelicht en een diepgaande evaluatie
gepresenteerd. Daarbij heeft zij niet alleen gekeken naar de relevantie ervan
voor een houdbaar budgettair en sociaaleconomisch beleid in Frankrijk, maar is
zij ook nagegaan of de EU-regels en -richtsnoeren in acht zijn genomen, gezien
de noodzaak de algemene economische governance van de Europese Unie te
versterken door middel van een EU-inbreng in toekomstige nationale besluiten.
Haar aanbevelingen in het kader van het Europees semester worden in de
onderstaande aanbevelingen 1 tot en met 6 weergegeven. (18) In het licht van deze
beoordeling heeft de Raad het stabiliteitsprogramma van Frankrijk onderzocht.
Zijn advies[10]
daarover is met name in de onderstaande aanbeveling 1 weergegeven. (19) In het licht van de diepgaande
evaluatie van de Commissie en deze beoordeling heeft de Raad het nationale
hervormingsprogramma en het stabiliteitsprogramma onderzocht. Zijn
aanbevelingen op grond van artikel 6 van Verordening (EU) nr. 1176/2011
betreffende de preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden
zijn in de onderstaande aanbevelingen 1, 2, 3, 4, 5 en 6 weergegeven. (20) In de context van het Europees
semester heeft de Commissie tevens een analyse van het economische beleid van
de eurozone als geheel verricht. Op basis hiervan heeft de Raad specifieke
aanbevelingen gericht tot de lidstaten die de euro als munt hebben. Ook
Frankrijk dient erop toe te zien dat aan deze aanbevelingen volledig en tijdig
uitvoering wordt gegeven, BEVEELT AAN dat Frankrijk in de periode
2013-2014 actie onderneemt om: 1. De budgettaire strategie in 2013
te versterken en voort te zetten. De aanpassing geloofwaardiger te maken door
uiterlijk najaar 2013 de noodzakelijke maatregelen voor 2014 en daarna te
bepalen en deze uit te voeren om ervoor te zorgen dat het buitensporig tekort
uiterlijk in 2015 op houdbare wijze is gecorrigeerd en de structurele
aanpassingsinspanning die in de aanbevelingen van de Raad in het kader van de
procedure bij buitensporige tekorten is bepaald, wordt verwezenlijkt. Alle meevallers
te gebruiken om het tekort te verminderen. Een houdbare correctie van de
budgettaire onevenwichtigheden vereist een geloofwaardige uitvoering van
ambitieuze structurele hervormingen om de aanpassingscapaciteit te vergroten en
groei en werkgelegenheid te stimuleren. Een groeivriendelijke budgettaire
consolidatiekoers aan te houden en de efficiëntie van de overheidsuitgaven
verder te verhogen, met name door zoals momenteel gepland voort te gaan met een
toets van de uitgavencategorieën voor alle subsectoren van de overheid. Middels
de komende decentralisatiewet actie te ondernemen om betere synergieën en
besparingen op centrale, regionale en lokale overheidsniveaus tot stand te
brengen. Na de correctie van het buitensporig tekort in toereikend tempo de structurele
aanpassingsinspanning voort te zetten om de MTD in 2016 te bereiken. Uiterlijk
eind 2013 maatregelen te nemen om ten laatste in 2020 het pensioenstelsel op
houdbare wijze in evenwicht te brengen, bijvoorbeeld door de aanpassing van de
indexeringsregels, het verder optrekken van de wettelijke pensioenleeftijd en
verlengen van de bijdrageperiode om een volledig pensioen te verkrijgen en het
toetsen van bijzondere regelingen, onder vermijding van een stijging van de
sociale werkgeversbijdragen, en de kosteneffectiviteit van de
gezondheidzorguitgaven, waaronder de uitgaven voor geneesmiddelen, te verhogen. 2. Ervoor te zorgen dat het ‘crédit d’impôt compétitivité et
emploi’ de arbeidskosten effectief met het geplande bedrag vermindert en dat
geen andere maatregelen het effect ervan neutraliseren. Verdere actie te
ondernemen om de arbeidskosten te verlagen, met name middels verdere
maatregelen om de socialezekerheidsbijdragen van de werkgevers te verminderen.
Ervoor te zorgen dat ontwikkelingen inzake het minimumloon het
concurrentievermogen en de banenschepping ondersteunen, waarbij rekening wordt
gehouden met het bestaan van loonondersteuningsregelingen en vrijstellingen van
sociale bijdragen. 3. Maatregelen te nemen om het ondernemingsklimaat te verbeteren
en de innovatie- en exportcapaciteit van bedrijven, met name kmo's, te
ontwikkelen. Met name het aangekondigde initiatief voor de vereenvoudiging van
het regelgevingskader op te starten en de raamvoorwaarden voor innovatie te
verbeteren, door het bevorderen van technologieoverdracht en de commerciële
exploitatie van onderzoek, daaronder begrepen middels een heroriëntatie van de
concurrentieclusters. 4. Actie te ondernemen om de concurrentie in de
dienstverlening te vergroten; ongerechtvaardigde beperkingen inzake de toegang
tot en de uitoefening van professionele dienstverlening, met name betreffende
rechtsvorm, aandeelhoudersstructuur, quota's en territoriale beperkingen op te
heffen; actie te ondernemen om de vergunningverlening voor de opening van
handelsvestigingen te vereenvoudigen en het verbod van verkopen met verlies op
te heffen; gereglementeerde gas- en elektriciteitstarieven voor
niet-huishoudelijke klanten op te heffen en de koppelingscapaciteit met
buurlanden te versterken; in de spoorwegsector het binnenlandse personenvervoer
voor concurrentie open te stellen. 5. De inspanningen voort te zetten om het belastingstelsel te
vereenvoudigen en de efficiëntie ervan te verbeteren, waarbij de continuïteit
van de belastingregels in de loop van de jaren wordt verzekerd. Maatregelen te
nemen om de bevoordeling van schulden in de vennootschapswetgeving op te
heffen. De inspanningen op te voeren om de personen- en
vennootschapsbelastinguitgaven te verminderen en te stroomlijnen en de
wettelijke tarieven te verlagen; de verlaagde btw-tarieven dichter bij het
standaardtarief te brengen en inefficiënte verlaagde tarieven af te schaffen.
Verdere maatregelen te nemen waardoor de fiscale druk van arbeid naar
milieubelasting of consumptie wordt verplaatst. 6. In overleg met de sociale partners volledig en zonder
vertraging uitvoering te geven aan het centraal akkoord van januari 2013.
Verdere actie te ondernemen om arbeidsmarktsegmentatie te bestrijden, met name
om de situatie van uitzendkrachten aan te pakken. Dringend samen met de sociale
partners een hervorming van het stelsel van werkloosheidsuitkeringen op te
starten om de houdbaarheid van het stelsel te garanderen en ervoor te zorgen
dat het voldoende motiveert om weer aan het werk te gaan. De arbeidsparticipatie
van oudere werknemers te vergroten en hun deelname aan de arbeidsmarkt te
stimuleren. Specifieke actie te ondernemen om, met name door specifieke
begeleiding en opleiding, het vooruitzicht op arbeid van oudere werklozen te
verbeteren. De deelname van volwassenen, vooral de minst gekwalificeerden en de
werklozen, aan permanente educatie te vergroten. Ervoor te zorgen dat de
overheidsdiensten voor arbeidsbemiddeling effectief geïndividualiseerde
ondersteuning aan de werklozen verstrekken en dat actief arbeidsmarktbeleid
effectief op de minst bevoorrechten gericht is. Verdere maatregelen te nemen om
de overgang van school naar werk te verbeteren middels bijvoorbeeld een
jongerengarantie en de bevordering van het leerlingwezen. Gedaan te Brussel, Voor
de Raad De
voorzitter [1] PB L 209 van 2.8.1997, blz. 1. [2] PB L 306 van 23.11.2011, blz. 25. [3] COM(2013)
360 final. [4] P7_TA(2013)0052
en P7_TA(2013)0053. [5] Besluit 2013/208/EU van de Raad van 22 april 2013. [6] COM(2012) 750 final. [7] COM(2012) 751 final. [8] SWD(2013) 117 final. [9] Europese Commissie (2011) "Kleine ondernemingen in
een grote wereld — een nieuw partnerschap om kmo's te helpen kansen wereldwijd
te benutten", COM(2011) 702. [10] Uit hoofde van artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1466/97
van de Raad.