VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD, HET EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ EN HET COMITÉ VAN DE REGIO'S Verslag over de toepassing van het EU-Handvest van de grondrechten 2012 /* COM/2013/0271 final */
VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES
PARLEMENT, DE RAAD, HET EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ EN HET COMITÉ VAN
DE REGIO'S Verslag over de toepassing van het
EU-Handvest van de grondrechten 2012 1. Inleiding In haar strategie voor een doeltreffende
tenuitvoerlegging van het Handvest van de grondrechten door de Europese Unie
(hierna “het Handvest” genoemd) verklaarde de Commissie dat ze jaarlijks
verslag zou uitbrengen over de concrete stappen die daartoe zijn genomen[1]. Met deze verslagen stelt de
Commissie de grondrechten centraal in het EU‑beleid, een oude en
gerechtvaardigde wens van met name het Europees Parlement[2]. Voor de systematische
tenuitvoerlegging van het Handvest is naast grondige juridische toetsing ook
politiek toezicht nodig, om na te gaan welke gevolgen de EU‑initiatieven hebben
voor de grondrechten. Dit jaarverslag fungeert als basis voor het
overleg tussen de EU‑instellingen en lidstaten over de tenuitvoerlegging van
het Handvest. Het maakt bijgevolg deel uit van het proces van politieke dialoog
en controle, dat moet garanderen dat het Handvest een referentiepunt blijft
voor de integratie van de grondrechten in alle rechtshandelingen van de EU en
bij de toepassing van het EU‑recht door de lidstaten. Het verslag toont ook hoe
door de vaststelling van nieuwe wetgeving op de bevoegdheidsgebieden van de EU,
en door de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna
“het Hof” genoemd), in de EU een grondrechtencultuur wordt gecreëerd. Aangezien
de rechterlijke instanties in de lidstaten een belangrijke rol spelen bij het
toezicht op de eerbiediging van het Handvest bij de toepassing van het EU‑recht
door de lidstaten, bevat dit verslag voor het eerst ook een overzicht van de
rechtspraak van deze instanties met betrekking tot het Handvest. Het werkdocument van de diensten van de
Commissie bij dit verslag bevat nauwkeurige informatie over de toepassing van
het Handvest en geeft concrete voorbeelden van problemen waarmee individuen te
maken krijgen (zie bijlage I). De voortgang bij de tenuitvoerlegging van de
Strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen (2010-2015) wordt in een
tweede werkdocument behandeld (zie bijlage II). 2. EU‑maatregelen ter bevordering van de
doeltreffende tenuitvoerlegging van het Handvest Het Handvest is eerst en vooral gericht tot de
EU‑instellingen. Het zijn dan ook in de eerste plaats de instellingen die
moeten toezien op de eerbiediging van de grondrechten. Dit is een wettelijke
vereiste die voortvloeit uit het bindende Handvest. De strategie van de Commissie bestaat erin het
juridisch bindende Handvest praktische uitvoering te geven[3]. De concrete maatregelen voor
de tenuitvoerlegging van het Handvest hebben ervoor gezorgd dat de Commissie
bij elk wetgevings- en beleidsvoorstel automatisch de grondrechten in
aanmerking neemt. Deze aanpak moet gedurende het volledige
besluitvormingsproces van de EU worden gevolgd, ook bij wijziging van
voorstellen van de Commissie door het Europees Parlement en de Raad. Alle EU‑handelingen
zijn ook onderworpen aan controle door het Hof van Justitie. Dit is de ultieme
garantie voor de eerbiediging van de grondrechten in de EU‑wetgevingsactiviteiten
en in alle andere handelingen van de EU. De grondrechten worden op alle
beleidsterreinen van de EU bevorderd. Het beleid van de Commissie om invulling
te geven aan de status van burger van de Unie is complementair aan de
bevordering van de grondrechten binnen de EU. De
meeste grondrechten die in het Handvest zijn verankerd, zijn niet enkel van
toepassing op EU‑onderdanen, maar van vitaal belang voor de bescherming van
alle personen die in de EU verblijven, ongeacht of ze EU‑onderdaan zijn of
niet. 2.1. Een betere bescherming van de
grondrechten aan de hand van EU‑wetgeving Een echte
grondrechtencultuur houdt meer in dan er louter op toe te zien dat de wetgeving
in overeenstemming is met het Handvest. Op de bevoegdheidsgebieden van de EU
kan de Commissie ook wetgevingsvoorstellen doen die concreet gestalte geven aan
de rechten en beginselen van het Handvest. Dit is van groot belang, willen
burgers hun rechten uit hoofde van het Handvest kunnen uitoefenen. Voor de volledige
uitvoering van het Handvest in het digitale tijdperk heeft de Commissie
voorgesteld de EU‑regels inzake de bescherming van persoonsgegevens grondig
te hervormen[4].
De geschiedenis van Europa heeft geleid tot een gemeenschappelijke visie op
privacy als een integraal onderdeel van de menselijke waardigheid en de
persoonlijke vrijheid. Daarom wordt in het Handvest zowel het recht op
eerbiediging van het privéleven (artikel 7) als het recht op bescherming van
persoonsgegevens (artikel 8) erkend. Het Verdrag (artikel 16 van het VWEU)
geeft de EU de aanvullende wetgevende bevoegdheid om geharmoniseerde EU‑wetgeving
inzake gegevensbescherming vast te stellen. Door de voorstellen van de Commissie worden de
beginselen van de richtlijn van 1995 bijgewerkt en gemoderniseerd, zodat het
recht op bescherming van de persoonsgegevens in de toekomst gewaarborgd blijft[5]. De verwerkers van
persoonsgegevens krijgen een grotere verantwoordelijkheid en
verantwoordingsplicht en de rol van onafhankelijke nationale instanties voor
gegevensbescherming wordt versterkt. Daarnaast wordt het “recht om te worden
vergeten” geïntroduceerd, dat natuurlijke personen in staat zal stellen om
online gegevensbeschermingsrisico's beter te beheren. De hervorming houdt ook
een uitbreiding in van de algemene beginselen en regels inzake
gegevensbescherming naar politie en justitie. Bij de vaststelling van de nieuwe
regels is erop toegezien dat die verenigbaar zijn met alle grondrechten
waarvoor zij gevolgen kunnen hebben, waaronder de vrijheid van meningsuiting.
Een goed voorbeeld zijn de specifieke waarborgen die in het voorstel zijn
opgenomen voor gegevens die uitsluitend voor journalistieke doeleinden worden
verwerkt. In 2012 is de Commissie proactief te werk
gegaan om sneller tot een evenwichtige man‑vrouwverhouding te komen in de raden
van bestuur van Europese beursgenoteerde ondernemingen[6]. Het wetgevingsvoorstel van de
Commissie is een mijlpaal in de EU‑wetgeving inzake de gelijkheid van vrouwen
en mannen. Het verenigt enerzijds de vereiste van gelijke behandeling en
anderzijds de mogelijkheid om positieve maatregelen te nemen door de deelname
van het ondervertegenwoordigde geslacht te bevorderen en zo gelijkheid te
bewerkstelligen. Het voorstel bevat als doelstelling een
minimumvertegenwoordiging van 40% van het ondervertegenwoordigde geslacht bij
niet-uitvoerende bestuursleden van beursgenoteerde ondernemingen tegen 2020 (en
tegen 2018 voor beursgenoteerde overheidsbedrijven). Om deze doelstelling te
verwezenlijken, moeten beursgenoteerde ondernemingen met een raad van bestuur
waarvan minder dan 40% van de niet-uitvoerende bestuursposities wordt bekleed
door leden van het ondervertegenwoordigde geslacht, de benoemingen op deze
posities baseren op een vergelijkende analyse van de kwalificaties van elke
kandidaat. Dit moet gebeuren aan de hand van vooraf vastgestelde, heldere,
neutraal geformuleerde en ondubbelzinnige criteria. Bij gelijke kwalificaties
wordt voorrang gegeven aan de kandidaat van het ondervertegenwoordigde
geslacht. De bescherming
van de procedurele rechten blijft een prioriteit voor de EU. De op 22 mei 2012 vastgestelde richtlijn betreffende het recht op
informatie in strafprocedures bepaalt dat iedereen die wordt aangehouden, over
zijn of haar rechten wordt geïnformeerd in een taal die hij of zij begrijpt[7]. Daarnaast garandeert de nieuwe
richtlijn tot vaststelling van de minimumnormen voor de rechten, de
ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, die op
25 oktober 2012 werd goedgekeurd, dat slachtoffers niet‑discriminerende
minimumrechten genieten in de hele EU, ongeacht hun nationaliteit of land van
verblijf[8].
De richtlijn zorgt ervoor dat slachtoffers worden erkend en op een respectvolle
manier worden behandeld wanneer ze in contact komen met de politie, het
openbaar ministerie en het gerechtelijk apparaat. Er worden hun ook procedurele
rechten toegekend, zoals het recht op informatie, ondersteuning en bescherming,
en ze worden in staat gesteld om actief deel te nemen aan de strafprocedure. De
richtlijn legt de nadruk op de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers
die het risico lopen op secundaire of herhaalde victimisatie of intimidatie tijdens
strafprocedures. Het gaat dan onder andere over kinderen, slachtoffers van
gendergerelateerd geweld, geweld in een hechte relatie, seksueel geweld,
seksuele uitbuiting of haatmisdrijven, en slachtoffers met een handicap. Het EU‑beleid en de EU‑wetgeving moeten
gebaseerd zijn op objectieve, betrouwbare en vergelijkbare gegevens over
de eerbiediging van de grondrechten van de EU. Het Bureau van de Europese
Unie voor de grondrechten (hierna “het Bureau” genoemd) is opgericht om
dergelijke gegevens te verstrekken. Sinds de inwerkingtreding van het Verdrag
van Lissabon moet het Bureau actief kunnen zijn op alle gebieden waarvoor de EU
bevoegd is en waar grondrechten op het spel staan. De Commissie stelde voor dat
het Bureau zich met het oog hierop zou richten op politiële en justitiële
samenwerking in strafzaken[9].
De Raad steunde dit voorstel niet en besloot deze twee belangrijke
bevoegdheidsterreinen van de Unie uit te sluiten van het meerjarenkader van het
Bureau, waarin zijn thematische werkterreinen voor de periode 2013-2017 zijn
vastgelegd. De goede werking van het Bureau kwam verder op het spel te staan
door de vertraging bij de goedkeuring van het nieuwe meerjarenkader. Het kon
zijn taken hierdoor niet uitvoeren onder normale omstandigheden en moest gebruikmaken
van een ad hoc-verzoek, dat door de Raad aan het einde van 2012 werd
goedgekeurd. Het nieuwe meerjarenkader werd door de Raad vastgesteld op 11
maart 2013, nadat het Verenigd Koninkrijk het parlementair voorbehoud introk[10]. 2.2. De grondrechtendimensie van
het externe optreden van de EU Het Handvest is van toepassing op alle
activiteiten van de Europese Unie, ook op het gebied van buitenlandse
betrekkingen. Voortbouwend op een gezamenlijke mededeling
van de Commissie en de EDEO nam de Raad een strategisch kader en actieplan
voor mensenrechten en democratie aan, om in de komende jaren de
doeltreffendheid en de samenhang van het EU‑beleid inzake mensenrechten in zijn
geheel te verbeteren[11].
Als een van de eerste stappen binnen het nieuw strategisch EU‑kader en
actieplan benoemde de Raad de heer Stavos Lambrinidis tot speciale
vertegenwoordiger van de Europese Unie (SVEU) voor de mensenrechten[12]. In een zaak waarin de Raad had besloten om in
het kader van het gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid maatregelen
te nemen tot bevriezing van tegoeden van een onderneming en haar
meerderheidsaandeelhouder, werden de betrokken maatregelen door het Hof nietig
verklaard. Het Hof oordeelde namelijk dat de Raad geen informatie of bewijs had
overgelegd. Daarbij bevestigde het Hof dat in overeenstemming met het recht op
een doeltreffende voorziening in rechte (artikel 47 van het Handvest) de reden
voor een beperkende maatregel aan de betrokken entiteit en persoon moet worden
meegedeeld[13].
Dit moet gebeuren om de adressaten in staat te stellen hun rechten te
verdedigen en om het Hof de mogelijkheid te geven de wettigheid van de
betrokken maatregel te toetsen. In het kader van deze rechterlijke toetsing
worden de feiten en omstandigheden beoordeeld die de maatregelen moeten
rechtvaardigen en worden het bewijs en de informatie waarop die beoordeling
steunt, geverifieerd. Op 4 juli 2012 verwierp het Europees
Parlement de ontwerp-handelsovereenkomst ter bestrijding van namaak
(ACTA), die erop gericht was de wereldwijde normen voor de handhaving van
intellectuele-eigendomsrechten te verbeteren met het oog op een meer
doeltreffende bestrijding van handel in nagemaakte en door piraterij verkregen
goederen. Bij deze uitoefening van zijn nieuwe bevoegdheden ten aanzien van
internationale handelsovereenkomsten paste het Europees Parlement het Handvest
toe[14].
Het Parlement stelde met name dat in de ontwerp-handelsovereenkomst een juiste
balans moest worden gevonden tussen de vrijheid van meningsuiting en van
informatie en het recht op eigendom. De Commissie had ook aandacht voor deze
kwesties en had het Hof al verzocht te beoordelen of de ACTA-overeenkomst in
overeenstemming was met het Handvest. De Commissie trok haar verzoek om advies
van het Hof in nadat het Europees Parlement duidelijk had gemaakt dat het de
ontwerpovereenkomst niet kon aanvaarden. 2.3. Controle van het Hof op de
overeenstemming van de EU‑handelingen met het Handvest De arresten van het Hof van 2012 in verband
met de overeenstemming van EU‑handelingen met het Handvest, schiepen
duidelijkheid over de wijze waarop bij de EU‑wetgevingsactiviteiten en alle
andere EU‑handelingen met rechtsgevolgen de grondrechten in aanmerking moeten
worden genomen. Het Hof gaf aan dat met het Handvest rekening
moet worden gehouden wanneer de wetgever besluit om bevoegdheden te
delegeren aan de Raad of aan de Commissie. Het Hof ging over tot de
nietigverklaring van een uitvoeringsbesluit van de Raad betreffende de bewaking
van de maritieme buitengrenzen van de EU. Het oordeelde meer bepaald dat bij de
vaststelling van regels die grenswachters bevoegdheden tot het nemen van
dwangmaatregelen toekennen, politieke keuzes worden gemaakt die tot de
verantwoordelijkheden van de wetgever van de Unie behoren, en dat deze regels
de persoonlijke vrijheid en de grondrechten dermate zouden kunnen beïnvloeden
dat het optreden van de wetgever van de Unie vereist is[15]. Het Hof onderzocht ook of de EU‑instellingen
het non-discriminatiebeginsel eerbiedigen in hun aanwervingsbeleid.
Verschillende aankondigingen van algemene vergelijkende onderzoeken voor de
aanwerving van EU‑ambtenaren die slechts in de drie officiële talen volledig
werden bekendgemaakt, werden door het Hof nietig verklaard[16]. Het Hof oordeelde dat een
potentiële kandidaat wiens moedertaal niet een van de talen was waarin de
omstreden aankondiging van vergelijkend onderzoek volledig was bekendgemaakt,
benadeeld was ten opzichte van een kandidaat met een van de drie talen als
moedertaal. Deze benadeling was het gevolg van een onevenredig verschil in
behandeling op grond van taal, dat door artikel 21 van het Handvest wordt
verboden. Het Hof controleerde ook de toepassing van het
beginsel van behoorlijk bestuur door de EU‑instellingen (artikel 41 van
het Handvest). Het heeft het besluit van de Commissie om een offerte in de
context van een aanbestedingsprocedure te weigeren, nietig verklaard wegens
ontoereikende motivering[17].
Het Hof legde een verband tussen artikel 41 (behoorlijk bestuur) en artikel 47
(recht op een doeltreffende voorziening in rechte) van het Handvest, omdat de
betrokken persoon de door de administratie gegeven redenen moet kennen om te
kunnen beslissen of hij het besluit bij de relevante rechterlijke instanties
wil aanvechten. In de afgelopen jaren hebben verschillende
arresten van het Hof aanleiding gegeven tot wijzigingen van de EU‑wetgeving. Zo hebben het Europees Parlement, de Raad en de Commissie de
rechtspraak van het Hof in aanmerking genomen bij de onderhandelingen over de
nieuwe Dublinverordening betreffende de voorwaarden voor de overdracht van
asielzoekers in de EU[18].
Dit heeft ertoe geleid dat asielzoekers volgens de nieuwe regels niet kunnen
worden teruggestuurd naar een lidstaat wanneer er een ernstig risico bestaat
dat hun grondrechten worden geschonden. In voorkomend geval moet een andere
lidstaat de asielzoeker snel toelaten tot een asielprocedure. De Commissie heeft de rechtspraak van het Hof
ook in aanmerking genomen bij de voorbereiding van haar gewijzigd voorstel over
de bekendmaking van de begunstigden van de Europese landbouwfondsen[19]. De nieuwe regels steunen op
een herziene nadere motivering, met als centraal uitgangspunt dat met het oog
op de bescherming van de financiële belangen van de Unie publieke controle moet
kunnen worden uitgeoefend op de besteding van de Europese landbouwfondsen. Zo
moet er meer informatie worden verstrekt over het type maatregelen waarvoor de
middelen worden uitgekeerd, en moeten de maatregelen zelf uitvoeriger worden
omschreven. Onder een zekere minimumdrempel wordt de naam van de begunstigde
echter niet bekendgemaakt. Deze bepaling bewaart het evenwicht tussen het
nagestreefde doel van publieke controle op de besteding van de publieke
middelen enerzijds en het recht van de begunstigden op eerbiediging van hun
privéleven en bescherming van hun persoonsgegevens anderzijds. 3. Tenuitvoerlegging van het Handvest in de
lidstaten In de EU wordt de bescherming van de
grondrechten gewaarborgd via een tweeledig systeem. Enerzijds is er het
nationale systeem dat berust op de grondwetten van de lidstaten en op hun
verplichtingen op grond van internationale instrumenten, zoals het Europees
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM). Daarnaast is er het
EU‑systeem dat steunt op het Handvest en dat enkel van toepassing is op activiteiten
van de EU‑instellingen of bij de toepassing van het EU‑recht door de lidstaten.
Het Handvest vult de bestaande systemen ter bescherming van de grondrechten
aan, maar vervangt deze niet. Het Hof heeft aangegeven waar de grenzen
liggen van het toepassingsgebied van het Handvest. Het verklaarde een
prejudiciële procedure van een Bulgaarse administratieve rechtbank betreffende
het recht op hoger beroep met betrekking tot beslissingen waarbij
strafrechtelijke sancties worden opgelegd voor bepaalde verkeersovertredingen,
niet‑ontvankelijk. Het verwees hierbij naar vaste rechtspraak, waaruit volgt
dat de lidstaten bij de tenuitvoerlegging van het EU‑recht altijd moeten
voldoen aan de vereisten die voortvloeien uit de bescherming van de
grondrechten[20]. De bepalingen van het Handvest zijn alleen op
de lidstaten van toepassing wanneer ze het EU‑recht uitvoeren. Het Handvest
noch het Verdrag kent de EU nieuwe bevoegdheden toe op het gebied van
grondrechten. Wanneer de bestreden nationale wetgeving geen maatregel vormt tot
uitvoering van het EU‑recht en op geen enkele andere manier daarmee verband
houdt, is het Hof niet bevoegd[21]. Het toenemend
aantal verzoeken van nationale rechterlijke instanties om een prejudiciële
beslissing van het Hof illustreert de belangrijke gevolgen van het Handvest.
Op het gebied van asiel heeft het Hof bijvoorbeeld bevestigd dat telkens
wanneer aan de grens of op het grondgebied van een lidstaat asiel wordt
aangevraagd, de betrokken lidstaat moet voldoen aan de in de EU-wetgeving vastgestelde
minimumvoorwaarden voor de opvang van asielzoekers, ook als deze lidstaat
krachtens de EU‑wetgeving niet verantwoordelijk is voor de behandeling van de
asielaanvraag[22].
Gelet op de beginselen van menselijke waardigheid (artikel 1) en het recht op asiel
(artikel 18) rust de verplichting op grond van het EU‑recht[23] om een asielzoeker
huisvesting, voedsel, kleding en een dagvergoeding te verstrekken op de
verzoekende lidstaat, en dient deze de daaruit voortvloeiende financiële lasten
te dragen tot de overdracht van de asielzoeker naar de voor de behandeling van
de aanvraag verantwoordelijke lidstaat. 3.1. Maatregelen van de Commissie
met het oog op de eerbiediging van het Handvest door de lidstaten In haar rol als hoedster van de verdragen ziet
de Commissie er ook op toe dat het Handvest wordt geëerbiedigd. Ze is
vastberaden hiertoe op te treden, indien nodig en wanneer ze hiervoor bevoegd
is. In 2012 heeft de Commissie voor het eerst inbreukzaken voor het Hof van
Justitie moeten brengen. De inbreuken betroffen de niet-naleving door een
lidstaat van kernbepalingen van het Handvest. In de afgelopen jaren heeft Hongarije
verschillende wetten aangenomen – waaronder enkele zogenaamde kardinale
wetten, die direct op grond van de nieuwe grondwet zijn aangenomen – die
grote bezorgdheid hebben gewekt in verband met de grondrechten en ook door
de Raad van Europa zijn onderzocht. De Commissie heeft als hoedster van de
verdragen de punten die verband houden met het EU‑recht onderworpen aan een
juridische analyse, overeenkomstig het toepassingsgebied van het Handvest
(artikel 51). Na het versturen van de eerste waarschuwingsbrieven aan het einde
van 2011, besloot de Commissie op 7 juni 2012 om de inbreukprocedure in te
leiden bij het Hof. De Commissie vocht eerst de aantasting van de
onafhankelijkheid van de Hongaarse autoriteit voor gegevensbescherming aan, op
grond van de “volledige onafhankelijkheid” van de nationale autoriteiten voor
gegevensbescherming die vereist is krachtens de richtlijn inzake
gegevensbescherming van 1995 en uitdrukkelijk wordt erkend in artikel 16 van
het VWEU en in artikel 8 van het Handvest. In het kader van een tweede
inbreukprocedure heeft de Commissie de vervroegde uittreding in Hongarije van
ongeveer 274 rechters en openbare aanklagers betwist, die het gevolg was van
een plotselinge verlaging van de verplichte pensioenleeftijd voor beoefenaars
van deze beroepen van 70 naar 62 jaar. De Commissie deed dit op grond van
Richtlijn 2000/78/EG tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling
in arbeid en beroep, die discriminatie op de werkplek op grond van leeftijd
verbiedt. Hieronder valt ook ontslag omwille van met leeftijd verband houdende
redenen, zonder objectieve rechtvaardiging. Deze zaak draagt bij tot de
tenuitvoerlegging van het algemene verbod op discriminatie, ook op grond van
leeftijd, zoals is vastgelegd in artikel 21 van het Handvest. De uitspraak van
het Hof van 6 november 2012 bevestigde het standpunt van de Commissie, dat het
wijzigen van de verplichte pensioenleeftijd voor rechters, openbare aanklagers
en notarissen na een slechts zeer korte overgangsperiode, onverenigbaar is met
het EU-recht inzake gelijke behandeling. Hongarije zal deze voorschriften
moeten wijzigen om aan de EU‑wetgeving te voldoen[24]. Mediavrijheid en –pluralisme vormden ook de
basis van het overleg tussen de Commissie en de Hongaarse autoriteiten over de
nieuwe mediawetgeving, wat betreft de verplichting tot evenwichtige
verslaggeving en de regels inzake aanstootgevende inhoud. De Commissie en de Hongaarse
autoriteiten kwamen ook een aantal wijzigingen overeen van andere bepalingen
die een inbreuk hadden kunnen vormen op de richtlijn inzake audiovisuele
mediadiensten en/of op de regels inzake het vrije verkeer van diensten en de
vrijheid van vestiging. De Commissie heeft in 2012 in enkele brieven
haar bezorgdheid geuit over de algemene onafhankelijkheid van de rechterlijke
macht in Hongarije, meer bepaald in verband met de bevoegdheden van de
voorzitter van de nationale gerechtelijke autoriteit om zaken over te dragen
aan andere rechtbanken en rechters tegen hun wil over te plaatsen. De Commissie
wees erop dat deze maatregelen gevolgen zouden kunnen hebben voor de
doeltreffende toepassing van het EU‑recht in Hongarije en het in artikel 47 van
het Handvest vastgelegde recht van burgers en ondernemingen op een
doeltreffende voorziening in rechte en een onpartijdig gerecht in zaken die
verband houden met het EU‑recht. Ook tussen de Raad van Europa (met name de
Commissie van Venetië) en de Hongaarse autoriteiten hebben besprekingen
plaatsgevonden. De Commissie houdt de zaak nauwlettend in het oog, vooral wat
de eerbiediging van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte
betreft. De Commissie heeft eveneens de Franse
autoriteiten aangeschreven, nadat ze in augustus 2012 op de hoogte werd gesteld
van de ontwikkelingen in Frankrijk, waar Roma-kampen werden ontruimd en
Roma werden teruggestuurd naar hun land van herkomst. Er volgden besprekingen
om de feiten en het wettelijk kader op te helderen. De situatie is in de
afgelopen jaren sterk gewijzigd. In 2010 nam de Commissie maatregelen om de
toepassing van de richtlijn inzake vrij verkeer door de lidstaten te
garanderen, en om een Europees kader voor nationale strategieën voor integratie
van de Roma in te stellen. Daarop wijzigde Frankrijk zijn wetgeving om volledig
te voldoen aan de genoemde richtlijn, met name voor wat de procedurele
waarborgen met betrekking tot de uitzetting van EU‑onderdanen betreft. Het nam
ook een nationale strategie voor integratie van de Roma aan. Op basis van deze
nieuwe strategie vindt nauwe samenwerking plaats en worden meer inspanningen
geleverd voor de integratie van de Roma, met de actieve medewerking van
Frankrijk. In 2012 heeft de Commissie ook een inbreukprocedure
ingeleid tegen Malta, omdat het de EU‑regels inzake vrij verkeer niet
correct had uitgevoerd, met name het recht van echtgenoten van hetzelfde
geslacht of geregistreerde partners om zich in Malta bij EU‑onderdanen te
voegen en daar met hen te verblijven. Na de tussenkomst van de Commissie is
de Maltese wetgeving gewijzigd om te voldoen aan de EU‑regels inzake het recht
van EU‑onderdanen op vrij verkeer en non-discriminatie. 3.2. Ontwikkeling van de nationale
rechtspraak in verband met de toepassing van het Handvest door de lidstaten De
rechtsgemeenschap waarop de Unie steunt, is aangewezen op de nationale
rechterlijke instanties. Enkel wanneer de nationale rechters hun bevoegdheden
ten volle uitoefenen, kunnen de rechten die uit hoofde van het recht van de
Unie worden verleend aan de EU‑onderdanen de facto worden gegarandeerd. De
nationale grondwettelijke en hogere rechterlijke instanties dragen de speciale
verantwoordelijkheid om er in samenwerking met het Hof voor te zorgen dat het
Handvest daadwerkelijk wordt toegepast. Uit gegevens die
door de Vereniging van de Raden van State en van de Hoge Administratieve
Rechtscolleges (ACA) zijn verzameld, blijkt dat inmiddels al in vele
beslissingen van administratieve rechterlijke instanties van EU‑lidstaten naar
het Handvest is verwezen[25].
De bepalingen van het Handvest die het meest worden vermeld in de verslagen,
zijn de eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven
(artikel 7), de vrijheid van meningsuiting en van informatie (artikel 11), het
recht op eigendom (artikel 17), het recht op asiel (artikel 18), het verbod op
collectieve uitzetting en non-refoulement (artikel 19), de rechten van het kind
(artikel 24), het recht op behoorlijk bestuur (artikel 41) en het recht op een
doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht (artikel 47).
In het
rechtsgebied van immigratie en asiel is tot nog toe het meest naar het Handvest
verwezen[26].
De analyse die het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten maakte aan
de hand van informatie die enkele lidstaten hebben verstrekt over hun
rechtspraak in verband met het Handvest, toont evenwel dat de invloed ervan
veel verder reikt dan dit rechtsgebied. Het heeft gevolgen voor zeer
uiteenlopende gebieden, zoals de financiële markten, arbeidsrecht,
consumentenbescherming, milieurecht en het gezag over minderjarigen[27]. De analyse van de
rechtspraak waarin wordt verwezen naar het Handvest suggereert voorts dat de
nationale rechters het Handvest gebruiken ter ondersteuning van hun redenering,
ook wanneer er geen uitdrukkelijk verband is met het EU‑recht. Bepaalde
gegevens wijzen er ook op dat het Handvest wordt geïntegreerd in de
nationale systemen voor de bescherming van de grondrechten. Het Oostenrijks
Grondwettelijk Hof heeft een belangrijke uitspraak gedaan over de toepassing
van het Handvest in het kader van de nationale rechterlijke
grondwettigheidstoetsing[28].
Het heeft erkend dat het Handvest in het rechtssysteem van de EU een zeer
bijzondere plaats inneemt en dat het verschilt van het geheel van rechten en
beginselen dat het Hof van Justitie van de EU door de jaren heen heeft
opgebouwd. Volgens het Oostenrijks Grondwettelijk Hof is het Handvest
uitvoerbaar in de voor hem aanhangig gemaakte procedures van rechterlijke
toetsing van nationale wetgeving. Individuen kunnen zich bijgevolg op de in het
Handvest vastgelegde rechten en beginselen beroepen wanneer ze de
rechtmatigheid van nationale wetgeving aanvechten. Het Oostenrijks
Grondwettelijk Hof stelde sterke gelijkenissen vast tussen de rol van het
Handvest in het rechtssysteem van de EU en de rol van het EVRM op grond van de
Oostenrijkse grondwet, die bepaalt dat het EVRM grondwettelijke waarde heeft. 4. Toetreding van de EU tot het Europees
Verdrag voor de rechten van de mens In het Verdrag van Lissabon is duidelijk
bepaald dat de EU moet toetreden tot het Europees Verdrag voor de rechten van
de mens. Alle lidstaten hebben zich hiermee akkoord verklaard toen
ze het Verdrag ratificeerden. De onderhandelingen over de
toetredingsovereenkomst liepen vast in de eerste helft van 2012, nadat bepaalde
lidstaten hun twijfels hadden geuit en vragen aan de orde hadden gesteld over
de ontwerpovereenkomst die op technisch niveau in juni 2011 was opgesteld.
Uiteindelijk werd in april 2012 binnen de Raad overeenstemming bereikt, waarna
de onderhandelingen in juni 2012 konden worden hervat in een 47 + 1 formaat (47
leden van de Raad van Europa en de Commissie namens de EU). Tegelijkertijd is gewerkt aan de kernelementen
van de interne regels voor de betrokkenheid van de EU en de lidstaten bij
procedures voor het Hof in Straatsburg waarbij het EU‑recht ter discussie wordt
gesteld. In deze context mag de unanimiteit die vereist
is voor de sluiting van de overeenkomst betreffende de toetreding tot het
Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de begeleidende maatregelen
geen voorwendsel zijn om het proces te vertragen, daar de toetreding een
duidelijke en dwingende doelstelling is die in het Verdrag is vastgelegd. 5. Conclusie Dat de nationale rechterlijke instanties het
Handvest slechts drie jaar na de inwerkingtreding ervan als primair recht
gebruiken in zaken die verband houden met het EU‑recht, is een goed teken. Het
toenemend aantal verwijzingen naar het Handvest is het eerste bewijs van een
doeltreffende, gedecentraliseerde toepassing van het Handvest binnen de
nationale constitutionele stelsels. Dit is een belangrijke stap in de richting
van een meer coherent systeem voor de bescherming van de grondrechten, dat
gelijke rechten en een gelijke bescherming garandeert bij elke toepassing van
het EU‑recht, in alle lidstaten. Commissievoorzitter Barroso benadrukte in zijn
State of the Union van 2012 dat de fundamenten waarop onze Unie is gebouwd – de
eerbiediging van de grondrechten, de rechtsstaat en de democratie – voortdurend
moeten worden beschermd en versterkt[29].
De Commissie wil dan ook het goede voorbeeld geven door ervoor te zorgen dat
alle EU‑handelingen overeenstemmen met het Handvest. De Commissie zal
daadkrachtige maatregelen blijven nemen om het Handvest concreet gestalte te
geven op de gebieden waarvoor ze bevoegd is. Ze verbindt zich er ook toe om met
het oog op de effectieve tenuitvoerlegging van het Handvest op te treden indien
de toepassing van het EU‑recht door de lidstaten daartoe aanleiding geeft,
zoals ze dat heeft gedaan door de vervroegde uittreding van rechters en
openbare aanklagers in Hongarije voor te leggen aan het Hof. De Commissie zal de ontwikkelingen op het
gebied van de bescherming van de grondrechten in de EU, met inbegrip van de
rechtspraak in verband met de toepassing van het Handvest op EU‑ en nationaal
niveau[30],
nauwlettend in het oog houden, en zij verzoekt het Europees Parlement en de
Raad van ministers om dit verslag uitvoerig te bespreken. [1] Door de Commissie op 19.10.2010 aangenomen mededeling –
Strategie voor een doeltreffende tenuitvoerlegging van het Handvest van de
grondrechten door de Europese Unie – COM(2010) 573 definitief. [2] Verslag Voggenhuber van het Europees Parlement –
Referentie doc.: A6-0034/2007. [3] Zie voetnoot 1. [4] a) Mededeling betreffende privacywaarborging in het
online tijdperk – Een Europees gegevensbeschermingskader voor de 21e eeuw, COM(2012)
09 final. Zie: http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=CELEX:52012DC0009:nl:NOT; b) Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de
Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de
verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die
gegevens, COM(2012) 11 final. Zie: http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=COM:2012:0011:FIN:NL:DOC
c) Voorstel voor een richtlijn betreffende de bescherming van natuurlijke
personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde
autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de
vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en
betreffende het vrije verkeer van die gegevens, COM(2012) 10 final. Zie: http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=COM:2012:0010:FIN:NL:DOC [5] Richtlijn 95/46/EG betreffende de bescherming van
natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en
betreffende het vrije verkeer van die gegevens, PB L 281 van 23.11.1995,
blz. 31. [6] Voorstel voor een richtlijn inzake de verbetering van de
man-vrouwverhouding bij niet-uitvoerende bestuurders van beursgenoteerde
ondernemingen en daarmee samenhangende maatregelen, COM(2012) 614 final. Zie: http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=COM:2012:0614:FIN:nl:PDF [7] Richtlijn 2012/13/EU betreffende het recht op informatie
in strafprocedures, PB L 142 van 1.6.2012, blz. 1. [8] Richtlijn 2012/29/EU tot vaststelling van minimumnormen
voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van
strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ, PB L 315 van
14.11.2012, blz. 57. [9] Voorstel voor een besluit van de Raad tot vaststelling
van een meerjarenkader voor het Bureau van de Europese Unie voor de
grondrechten voor 2013-2017, COM(2011) 880 definitief. Zie: http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=COM:2011:0880:FIN:nl:HTML
[10] Besluit van de Raad tot vaststelling van een
meerjarenkader voor 2013-2017 voor het Bureau van de Europese Unie voor de
grondrechten, vastgesteld op 11 maart. Zie: http://register.consilium.europa.eu/pdf/nl/12/st10/st10449.nl12.pdf
[11] Gezamenlijke mededeling over een centrale plaats voor
mensenrechten en democratie in het externe optreden van de EU – Voor een meer
doeltreffende aanpak, COM(2011) 886 definitief. Zie: http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=COM:2011:0886:FIN:nl:PDF.
Strategisch kader en actieplan voor mensenrechten en democratie, document nr. 11417/12
EXT 1 van de Raad van 28.6.2012. Zie: http://register.consilium.europa.eu/pdf/nl/12/st11/st11417-ex01.nl12.pdf [12] Besluit 2012/440/GBVB van de Raad van 25.7.2012 tot
benoeming van de speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie voor de
mensenrechten, PB L 200, blz. 21. [13] HvJ-EU, arrest van 21 maart 2012 in de zaken T-439/10 en
T-440/10, Fulmen en F. Mahloudian/Raad. [14] Aanbeveling van het Europees Parlement, Referentie doc.: A7-0204/2012
van 22.6.2012. [15] HvJ-EU, arrest van 5 september 2012 in zaak C-355/10, Europees
Parlement/Raad van de Europese Unie. [16] Grote Kamer van het HvJ-EU, arrest van 27 november 2012 in
zaak C-566/10 P, Italiaanse Republiek/Commissie. [17] HvJ-EU, arrest van 10 oktober 2012 in zaak T-183/10, Sviluppo
Globale GEIE/Commissie. [18] HvJ-EU, arrest van 21 december 2011 in de gevoegde zaken
C-411/10 en C-493/10, Secretary of State for the Home Department, M.E. en
anderen/Refugee Applications Commissioner. Voorstel voor een verordening
tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat
verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale
bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een
van de lidstaten wordt ingediend, COM(2008) 820 definitief. Zie: http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=COM:2008:0820:FIN:nl:PDF [19] HvJ-EU, arrest van 10 november 2010 in de gevoegde zaken
C-92/09 en C-93/09, Volker und Markus Schecke GbR & Hartmut Eifert/Land
Hessen & Bundesanstalt für Landwirtschaft und Ernährung. Wijziging van voorstel COM(2011) 628 definitief/2 van de Commissie
voor een verordening inzake de financiering, het beheer en de monitoring van
het gemeenschappelijk landbouwbeleid, COM(2012) 551 final. Zie: http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=COM:2012:0551:FIN:nl:PDF
[20] HvJ-EU, arrest van 7 juni 2012 in zaak C-27/11, Vinkov. [21] Zie ook HvJ‑EU, arrest van 27 november 2012 in zaak C-370/12,
Pringle/Ierland. [22] HvJ‑EU, arrest van 27 september 2012
in zaak C-179/11, Cimade en Groupe d'information et de soutien des immigrés
(GISTI)/Ministre de l'Intérieur, de l'Outre-mer, des Collectivités
territoriales et de l'Immigration. [23] Richtlijn 2003/9/EG van de Raad tot vaststelling van
minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten, PB L 31 van 6.2.2003,
blz. 18. [24] HvJ‑EU, arrest van 6 november 2012 in zaak C-286/12, Europese
Commissie/Hongarije. [25] Meer informatie is te vinden in de verslagen van ACA‑Europe.
Zie: http://www.aca-europe.eu/en/colloquiums/colloq_en_23.html [26] Met uitzondering van Spanje, Hongarije en Oostenrijk is in
alle landen in dit rechtsgebied al naar het Handvest verwezen. [27] Zie met name: The Protection of Fundamental Rights Post
Lisbon: the Interaction between the Charter of Fundamental Rights of the
European Union, the European Convention on Human Rights and National
Constitutions, vol. I, red. Laffranque, Julia, Reports of the FIDE
Congress Tallinn 2012, Universiteit van Tartu. [28] Oostenrijks Grondwettelijk Hof, zaken U 466/11 en U 1836/11,
14.3.2012. [29] Zie: http://europa.eu/rapid/press-release_SPEECH-12-596_nl.htm
[30] Toespraak van vicevoorzitter Viviane Reding op het XXVste
FIDE‑congres (Fédération Internationale pour le Droit Européen) van 31 mei 2012
in Talinn. Zie: http://europa.eu/rapid/press-release_SPEECH-12-403_en.htm?locale=en