|
11.6.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 177/78 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Consultatieve mededeling over duurzaam gebruik van fosfor
COM(2013) 517 final
(2014/C 177/14)
Rapporteur: David SEARS
De Commissie heeft op 8 juli 2013 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité (hierna: EESC) overeenkomstig artikel 304 van het VWEU te raadplegen over de
Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Consultatieve mededeling over duurzaam gebruik van fosfor
COM(2013) 517 final.
De afdeling Landbouw, Plattelandsontwikkeling en Milieu, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies goedgekeurd op 7 januari 2014.
Het EESC heeft tijdens zijn op 21 en 22 januari 2014 gehouden 495e zitting (vergadering van 21 januari) onderstaand advies uitgebracht, dat met 155 stemmen vóór, bij 4 onthoudingen werd goedgekeurd.
1. Samenvatting en conclusies
|
1.1 |
Onderhavige consultatieve mededeling is onderdeel van een bredere discussie over de vraag hoe de EU op een kostenbesparende en milieuvriendelijke manier kan instaan voor de instandhouding van de reserves aan kritische grondstoffen, zowel ten behoeve van de industrie als in het belang van mens en dier, in een steeds dichterbevolkte, geglobaliseerde en aan concurrentie blootgestelde wereld. In deze consultatieve mededeling wordt een overzicht gegeven van de situatie m.b.t. fosforhoudende producten die voor de levensmiddelenindustrie en andere basistoepassingen worden ingevoerd en gebruikt. Dit overzicht is met kennis van zaken opgesteld, uitgebalanceerd en toereikend. |
|
1.2 |
Het EESC beantwoordt de elf vragen van de Commissie en doet specifieke aanbevelingen. Het wijst op de bijdrage die het Europees Platform voor duurzame fosfor (ESPP) levert en die waarschijnlijk een resultaat is van de werkzaamheden van het Europees Innovatiepartnerschap (EIP) op het gebied van productiviteit en duurzaamheid in de landbouw. Het staat achter deze initiatieven en vertrouwt erop dat de resultaten ervan goed zullen worden gebruikt. |
|
1.3 |
Het EESC heeft waardering voor deze benadering die — zoals de Commissie zelf aangeeft — niet noodzakelijkerwijs tot wetgeving hoeft te leiden. Wellicht verdient het de voorkeur om de goede vragen te stellen en ervoor te zorgen dat de juiste gegevens voorhanden zijn waardoor anderen met meer kennis van zaken besluiten kunnen nemen. Er moeten voorbeelden van geslaagde methoden (best practices) worden opgespoord en ter navolging bekend worden gemaakt. |
|
1.4 |
Een en ander kan het noodzakelijk maken dat de markt voor nieuwe technologie op de korte termijn wordt gesteund en dat zo nodig wordt voorzien in meer op de lange termijn gerichte steun van regelgevende aard voor veranderingen die algemeen als onmisbaar worden ervaren. De kans is groot dat streefcijfers voor het beheer en de recyclage van fosfor helpen. De verwezenlijking daarvan in de lidstaten zou moeten worden overgelaten aan degenen die hier het nauwst bij zijn betrokken. |
2. Inleiding
|
2.1 |
Fosfor is een onontbeerlijke bouwsteen van het leven, dat eindeloos kan worden gerecycleerd, maar niet kan worden vervangen en dat wijd verspreid in de aardkorst wordt aangetroffen. Alleen zijn er slechts in weinig landen exploiteerbare fosfaatreserves. Behalve Finland bevinden al die landen zich buiten de EU. |
|
2.2 |
Afvalproducten (waaronder vast organisch afval van planten, dieren en mensen) bevatten altijd fosfor. Al dit afval wordt in wisselende mate gerecycleerd voor bodemgebruik en als bijdrage aan afvalverwijdering en bemesting van landbouwgewassen. Sommige gebieden hebben een fosforoverschot, wat problematisch is omdat dit tot waterverontreiniging en eutrofiëring (toename van vegetatie als gevolg van een overschot aan nutriënten) kan leiden. Andere gebieden hebben een fosfortekort en kunnen geen grote oogsten leveren. Die moeilijkheden worden aangescherpt door veranderingen in de concentraties van mensen en dieren. |
|
2.3 |
In de eerste vijftig jaar van het gebruik van fosfaatgesteente was er maar weinig aandacht voor bovengenoemde problemen en kansen. De bevoorrading leek toereikend, de prijzen bleven stabiel en laag en de opbrengsten van gewassen en dieren waren erg groot. In 2008 kwam plotseling het keerpunt. China dat vreesde voor een fosfortekort in eigen land, voerde toen een belasting in op de uitvoer van fosfor. De wereldprijzen rezen de pan uit, wat de voedselprijzen niet onberoerd liet. Geopperd werd dat de „fosforpiek” al was bereikt. |
|
2.4 |
Twee jaar later werden de wereldreserves opnieuw geraamd en met tien vermenigvuldigd. Het probleem leek de wereld uit maar de twijfels bleven en werden alleen maar groter: hoe zat het nou echt? Hoe dan ook was het tijd om een paar belangrijke vragen te stellen. |
3. Vragen en antwoorden
3.1 Bent u van oordeel dat de vraagstukken inzake voorzieningszekerheid voor de EU ten aanzien van de verdeling van fosfaatgesteente reden zijn voor bezorgdheid? Zo ja, wat moet er gebeuren om de producerende landen erbij te betrekken om deze vraagstukken aan te pakken?
|
3.1.1 |
Fosfaatgesteente is de primaire bron van fosfor waarmee de opbrengst van gewassen wordt vergroot en de groei van dieren wordt bevorderd, waardoor steeds grotere groepen mensen van voedsel kunnen worden voorzien. De momenteel bekende reserves zijn geconcentreerd in een klein aantal landen. Landen zijn pas geneigd fosfor te gaan uitvoeren als de hoeveelheid waarover zij beschikken, groter is dan wat voor hun eigen markt nodig is. Naar het schijnt wordt slechts een gering deel van de hoeveelheid gewonnen fosfor (16%) in de handel gebracht (Rosemarin & Jensen, Europese conferentie over duurzame fosfor, maart 2013). Een groot aantal van de fosfor leverende landen wordt als politiek kwetsbaar aangemerkt. De markt is noch helemaal transparant, noch foutloos functionerend. De EU is niet zelfvoorzienend en heeft werkgelegenheid verloren doordat de fabricage van eindproducten (meststoffen en fosforhoudende chemicaliën) naar de leverende landen is verplaatst. |
|
3.1.2 |
Deze vraag kan alleen worden beantwoord als de hele wereld in aanmerking wordt genomen. Als één dichtbevolkt en/of rijk land waar de vraag groot is, voor zijn leveringszekerheid wat grondstoffen betreft (waaronder voedsel) vreest, dan lopen alle van invoer afhankelijke landen of regio's gevaar. Hetzelfde geldt voor goederen die van grondstoffen worden gemaakt. Bij onderzoek moet hiermee altijd rekening worden gehouden, vooral nu de productiepatronen zijn veranderd en de primaire vraag inmiddels buiten de EU is gesitueerd. |
|
3.1.3 |
Het antwoord op de eerste vraag is zonder meer: ja. De uitdaging bestaat erin om rendabele methoden te vinden waardoor de zelfvoorzieningsgraad kan worden verhoogd. De ontwikkelingen sinds de prijzen in 2008 met 700% omhoog schoten, zijn gunstig gebleken. Ook al zijn de prijzen sindsdien weer gedaald, toch heeft het besef van de risico's die worden gelopen, een stimulerende werking gehad op investeringen in de hele aanbodketen. Even belangrijk is dat meer besef wordt bijgebracht van de milieueffecten in alle stadia van de aanbodketen en dat inzicht wordt verkregen in de wijze waarop die milieueffecten zonder al te hoge kosten kunnen worden teruggedrongen. Waar het op aan komt, is dat de Commissie onderzoek gaat steunen en dat groepen belanghebbenden er via het EIP en het ESPP bij worden betrokken. |
|
3.1.4 |
Van de bekende reserves bevindt 75% zich in Marokko en de Westelijk Sahara (Rosemarin & Jensen, Europese conferentie over duurzame fosfor, maart 2013). De uitvoer uit Marokko beheerst de wereldmarkt. Voorbeelden van andere landen die de EU van fosfor voorzien, zijn Tunesië en Syrië. Rusland is een belangrijke leverancier van fosfaatgesteente en eindproducten. Jordanië en Egypte voeren grote hoeveelheden uit. Kortom, er zijn overduidelijk prikkels om meer nabuurschapspacten en andere bilaterale verdragen te sluiten. |
|
3.1.5 |
Op dit alles is uitgebreid ingegaan in het advies „Veiligstelling van de invoer van essentiële goederen via het huidige handelsbeleid van de EU en aanverwant beleid” (1), dat het EESC in oktober 2013 heeft uitgebracht. Overduidelijk is ook de behoefte aan een samenhang vertonende, op samenwerking gebaseerde, alomvattende, van een gegevensbasis voorziene, tijdige, politiek bewuste en tactische aanpak die door alle EU-instellingen namens de lidstaten wordt toegepast. |
3.2 Is het hier geschetste beeld van vraag en aanbod accuraat? Wat zou de EU kunnen doen om de beperking van de voorzieningsrisico's aan te moedigen via bijvoorbeeld de bevordering van duurzame mijnbouw of het gebruik van nieuwe mijnbouwtechnologieën?
|
3.2.1 |
Het EESC acht het een goede zaak dat de Commissie gebruik maakt van de huidige, sinds 2010 verzamelde gegevens over de vraag, en in het algemeen ook over het aanbod, maar vindt wel dat die gegevens moeten worden aangemerkt als „indicatief” in plaats van als „accuraat”. De bekende reserves vertegenwoordigen minder dan 1 ppm van alle in de aardkorst aanwezige fosfor. Daarom is het hoogst onwaarschijnlijk dat alle samengetelde en exploiteerbare reserves al gevonden zijn, laat staan dat de technologie om fosfor (terug) te winnen, niet nog zou kunnen worden verbeterd. De vraag kan worden verminderd door fosfor uit schoonmaakmiddelen te blijven verwijderen, kunstmeststoffen efficiënter te gebruiken, minder vlees te eten of de omvang van bevolkingen te stabiliseren. |
|
3.2.2 |
Hoe groot de reserves nu zijn, valt moeilijk te zeggen omdat er veel variabelen en onzekerheden zijn. Daarom lijken „Hubbert-curves” en prognoses voor „fosforpieken” niet zinvol als instrumenten voor kortetermijnvoorspellingen. |
|
3.2.3 |
Het EESC is er voorstander van dat met de leverende landen wordt samengewerkt om nieuwe reserves aan te boren, de milieueffecten van mijnbouw, distributie en verwerking terug te dringen, de vereiste infrastructuur (spoorwegen, havens e.d.) aan te leggen en te bevorderen dat meststoffen vaker lokaal worden geproduceerd (wat een hogere toegevoegde waarde oplevert). |
|
3.2.4 |
Dit standpunt laat de voornaamste doelen van het fosforbeleid van de EU onverlet: streven naar een hogere zelfvoorzieningsgraad in de EU en afzwakking van de gevolgen van bovenmatig gebruik. Om rendabele methoden en beleid te kunnen uitwerken, moet verbetering worden gebracht in de vergaring van gegevens over de fosforstromen in de EU, en dan vooral in lidstaten waar de vraag steeds groter wordt. Daarmee staat of valt vooruitgang op de weg naar duurzame voedselveiligheid. |
3.3 Bent u van mening dat voldoende, transparante en betrouwbare informatie over vraag en aanbod van fosfaatgesteente en meststoffen op de wereldmarkt beschikbaar is? Zo nee, wat zou de beste manier zijn om transparantere en meer betrouwbare informatie op EU- en op wereldniveau te verkrijgen?
|
3.3.1 |
De beschikbare wereldwijde gegevens, vooral over reserves, zijn afkomstig van het Geological Survey van de VS, waaraan wordt meegewerkt door het International Fertilizer Development Center en andere organisaties zoals het Australische Joint Ore Resources Committee. Gezien de gebeurtenissen van de afgelopen jaren kan alleen maar worden gehoopt dat die organisaties het in de toekomst nog beter gaan doen. De FAO (Voedsel- en Landbouworganisatie van de VN) heeft veel belang bij de vergaring van betrouwbare gegevens. De EU zou haar inspanningen daarop kunnen richten en zich er o.m. op kunnen toeleggen om de vraag in landen waar veel fosfor wordt gebruikt (vooral in Azië), te verminderen en steun te geven aan een herbeoordeling van de reserves in alle leverende landen. |
|
3.3.2 |
Van doorslaggevend belang zijn ook verbeterde gegevens over vraagstromen en mogelijkheden om vraag en aanbod in Europa optimaal op elkaar af te stemmen. Het meest voor de hand liggend is dat het ESPP voor die gegevens zorgt. Van doorslaggevend belang blijft dat alle betrokken partijen (waaronder Fertilisers Europe) actuele informatie verstrekken. |
3.4 Hoe moeten we het aan het fosforgebruik in de EU gekoppelde risico van bodemverontreiniging aanpakken?
|
3.4.1 |
Fosfaatafzettingen bevatten sporen van verschillende metalen zoals cadmium, uranium en chroom. Die sporen kunnen eruit worden gehaald voor voedsel- en technische gebruiksdoeleinden, maar de daartoe te volgen procedés zijn duur en genereren afval. Gewone sedimenten bevatten 25-150 mg Cd/kg P205. Stollingsafzettingen (in Rusland, Finland en Zuid-Afrika) bevatten ongeveer 10 mg Cd/kg P205. Typerend voor de in de EU ingevoerde fosfor is het lage cadmiumgehalte. Cadmium kan zich echter op den duur ophopen in bodem, planten en dieren en gaat dan toch een gevaar vormen voor de menselijke gezondheid. De verwijdering van cadmium werkt kostenverhogend voor landbouwers in de EU en verslechtert hun concurrentiepositie, omdat dergelijke beperkingen niet gelden voor ingevoerde gewassen. Fosfaat uit dierlijk en menselijk afval bevat weinig cadmium, maar kan op allerlei manieren verontreinigd zijn. Daarom is van belang dat voor alle verontreinigende stoffen een veiligheidsniveau wordt vastgesteld. |
|
3.4.2 |
Het EESC moedigt de Commissie dan ook aan om al het lopende onderzoek voort te zetten en af te ronden, zo nodig nieuwe risicobeoordelingen uit te voeren en adequate aanbevelingen te doen, vooral t.a.v. technologie om cadmium te verwijderen, het kostenplaatje en de toepasbaarheid op verschillende productietrajecten. |
|
3.4.3 |
Het ziet in dat landbouwmethoden vaak lokaal bepaald zijn en onnauwkeurig over kunnen komen. Technische advisering en de uitwisseling van geslaagd gebleken methoden (best practices) blijven zich ontwikkelen, maar de communicatie daarover is niet altijd even goed. Bij ontstentenis van financiële prikkels komt verandering meestal maar langzaam op gang. Dat er mengsels van N-, P- en K-meststoffen worden verkocht en gebruikt, gaat voorbij aan het feit dat de behoeften van veld tot veld kunnen variëren. Ook hier weer komt het aan op levenslang leren. |
|
3.4.4 |
Thans is het dan ook beslist noodzakelijk dat- zowel voor natuurlijke als voor kunstmeststoffen — wordt overgegaan op „precisielandbouw” waarin meer aandacht wordt geschonken aan plaatselijke afgiftepatronen en aan wat lokaal nodig en beschikbaar is. Die precisielandbouw zou gepaard moeten gaan met prikkels om verandering teweeg te brengen. Voor de directoraten-generaal die bij de EU verantwoordelijk zijn voor resp. onderzoek en landbouw is hierin een doorslaggevende rol weggelegd. |
3.5 Welke technologieën bieden de grootste kansen om duurzaam gebruik van fosfor te verbeteren? Welke kosten en voordelen brengen deze mee?
|
3.5.1 |
Fosfor is een stabiel, niet-radioactief scheikundig element en kan dan ook eindeloos worden gerecycleerd en hergebruikt. Fosfor is in de atmosfeer niet significant aanwezig, maar kan afdrijven door bodemerosie of waterstromen en komt uiteindelijk meestal op de zeebodem terecht. Er wordt al onderzoek gedaan naar de mogelijkheid om fosfor terug te winnen uit binnenwatersystemen ter zuivering van het water. Terugwinning voor hergebruik ligt moeilijker. |
|
3.5.2 |
Duurzaam gebruik vergt een levenscyclusanalyse van „mijn” naar „boerderij” naar „vork” naar „zee”. Voor de winning van mineralen is veel energie en water nodig, vaak in gebieden waar aan beide een tekort is. Vervoer en bewerking vragen om koolwaterstoffen en genereren broeikasgassen. Momenteel wordt veel verspild: slechtst ongeveer 15% van alle gewonnen fosfor komt op onze borden terecht (Rosemarin & Jensen, Europese conferentie over duurzame fosfor, maart 2013, hebben het over 20-25%, maar volgens ESPP-cijfers zou dit slechts 15% zijn). Daarentegen is het gebruik van fosfor onontbeerlijk voor iedere vorm van leven. Dit proces kan wel worden geoptimaliseerd maar niet door een ander proces worden vervangen. |
|
3.5.3 |
Het ligt anders bij gebruik van fosfor voor andere dan voedingsdoeleinden. Huishoudelijke schoonmaakmiddelen kunnen fosfaatvrij worden gemaakt en er worden dan ook al veel minder fosfaathoudende schoonmaakmiddelen gebruikt. De verschuiving van het gebruik van landbouwgewassen voor de productie van voedsel naar de productie van biobrandstoffen brengt een veel grotere dreiging met zich mee. De energiekosten en -baten in alle stadia moeten beter worden becijferd. Het EESC is gaan uitzoeken wat de sociaaleconomische gevolgen daarvan kunnen zijn. Het is hoog tijd voor een volledige levenscyclusanalyse waarin ook naar het gebruik van fosfor wordt gekeken, waarna het gevoerde beleid zo nodig moet worden bijgestuurd. |
|
3.5.4 |
Hoe dan ook moet worden geprobeerd om het gebruik van primaire fosfor (nieuwe inputs, waarvoor fosfor moet worden ingevoerd in de EU) terug te dringen en het hergebruik van organische stoffen (voedsel, verwerkingsafval en compost) en de veilige recyclage van fosforrijke stoffen (die nu als „afval” worden beschouwd: uitwerpselen van mens en dier, afvalwater en rioolslib) te bevorderen. Er moeten gebruiksmogelijkheden worden ontwikkeld voor nevenproducten van verwerkingsprocessen. |
|
3.5.5 |
Voor alle bovenstaande doeleinden moeten geschikte trajecten worden uitgewerkt. Ook moeten regelgevers, leveranciers, landbouwers, kleinhandelaren en hun klanten door educatie zover worden gebracht dat zij de gewenste nieuwe producten en methoden omarmen. Er wordt momenteel gezocht naar commercieel haalbare oplossingen. Het ESPP en andere organisaties werken nauw samen met de Commissie om die oplossingen in praktijk te brengen. |
|
3.5.6 |
De Commissie en andere instellingen, agentschappen en adviesorganen van de EU moeten blijven nagaan welke wetgeving (in het licht van de opgedane ervaring of omwille van veranderende externe behoeften) aan herziening toe is of beter moet worden toegepast. De aanpak van de „afval”-problematiek moet worden (en wordt inmiddels ook al) heroverwogen. Volgens de Mededeling is de huidige aanpak versnipperd en nutteloos en staat deze het behalen van de gewenste resultaten van hergebruik en recyclage in de weg. |
3.6 Welk verder onderzoek naar en welke verdere innovatie van duurzaam gebruik van fosfor moet de EU bevorderen?
|
3.6.1 |
De Commissie zou onderzoek in de volgende gevallen moeten stimuleren: als een bepaald resultaat wordt gewenst, maar er geen duidelijkheid bestaat over door de markt gestuwde commerciële prikkels (bv. doordat vrij goedkope primaire fosfor nog steeds beschikbaar is); als de kans groot is dat belangenconflicten onopgelost blijven (bv. in het geval van kwaliteitsnormen voor gerecycleerde versus nog niet eerder gebruikte fosfaatmeststoffen), als de werkwijzen in de lidstaten ver uiteenlopen (bv. met betrekking tot het huidige gebruik van fosfaat en consumptiepatronen), of als een voor de hand liggende synergiewerking niet gemakkelijk tot stand kan worden gebracht (bv. de overheveling van dierlijk en ander fosforrijk afval van lidstaten met een overschot naar lidstaten met een tekort). |
|
3.6.2 |
Verder moet erkenning worden gegeven aan de noodzaak van een betere communicatie tussen alle betrokken sectoren, aan de omstandigheid dat verschillende wetten van toepassing zijn en aan de uiteen gehaalde en soms tegenstrijdige verantwoordelijkheden binnen de Commissie en andere regelgevende organen. |
3.7 Bent u van mening dat de beschikbare informatie over de efficiëntie van fosforgebruik en het gebruik van gerecyclede fosfor in de landbouw toereikend is? Indien niet, welke verdere statistische informatie zou er nodig kunnen zijn?
|
3.7.1 |
Het antwoord op deze vraag is: nee. Er is duidelijk behoefte aan gezaghebbende, minder gefragmenteerde en uitvoerigere informatie over andere verontreinigende stoffen, hun herkomst en de mate waarin deze stoffen worden teruggevonden in voedsel. Daarbij gaat het o.m. om zware (en minder zware) metalen, geneesmiddelen en metabolieten, pathogene middelen, verwante nutriënten, beschikbaarheid, afgiftepatronen, algemene agronomische efficiëntie, recyclingtechnologie en milieueffecten. |
|
3.7.2 |
Een goed begin zou al zijn als er statistische gegevens ter beschikking worden gesteld. Het komt aan op educatie, ownership en draagvlak voor verandering. Samenwerking tussen de Commissie en organisaties als het ESSP lijkt de meest aangewezen oplossing in dit verband. |
3.8 Hoe kan het Europees innovatiepartnerschap (EIP) voor productiviteit en duurzaamheid in de landbouw helpen om duurzaam gebruik van fosfor te bevorderen?
|
3.8.1 |
Er zijn in het kader van de Europa 2020-strategie vijf EIP's opgestart. Drie van die EIP's (resp. betreffende productiviteit in de landbouw, water en grondstoffen) zullen gevolgen hebben voor de landbouw in het algemeen en fosfor in het bijzonder. Hetzelfde geldt voor de twee overige EIP's (resp. betreffende slimme steden en actief en gezond ouder worden). De fosforproblematiek is nieuw. De oplossing die wordt gevonden, kan dus een voorbeeldfunctie krijgen. |
|
3.8.2 |
Er is een stuurgroep op hoog niveau opgezet en een strategisch uitvoeringsplan (SIP) overeengekomen. Die maatregelen worden een succes als alle belanghebbenden samenwerken, worden vertegenwoordigd en blijk geven van een actieve inzet. Het zwaartepunt ligt bij acties die in de EU kunnen worden ondernomen en die grofweg van „boerderij” naar „vork” gaan: sommige van de hierboven genoemde vraagstukken worden dus buiten beschouwing gelaten. |
|
3.8.3 |
Het EESC stemt in met de erg brede en alomvattende inhoud van het SIP, maar betreurt dat daarin een aantal zaken ontbreken, te weten: duidelijk omschreven prioriteiten, regelingen om rechtmatige geschillen te beslechten en termijnstelling voor acties. Er wordt nauwelijks ingegaan op gebieden waar beleid van de EU of van de lidstaten (al dan niet subsidiëren of zelfs maar toestaan van specifieke activiteiten om andere doelen te verwezenlijken) in of buiten de EU een economisch onhoudbaar of ongewenst resultaat heeft opgeleverd. |
|
3.8.4 |
Het EESC hoopt dat de doelstellingen van het EIP op tijd worden verwezenlijkt: dat zou bijdragen tot de oplossing van het fosforvraagstuk. In de discussie mag niet worden voorbijgegaan aan kwesties als het gebruik van nutriënten, de doeltreffendheid van meststoffen, recyclage, niveaus van verontreiniging en de behandeling, het vervoer en het gebruik van mest en ander organisch afval. Een en ander moet dienen ter onderbouwing van het werkprogramma van het ESPP. Dat er van wisselwerking tussen beide sprake moet zijn, spreekt voor zich. |
3.9 Wat kunnen we doen om tot een beter beheer en een ruimere verwerking van mest te komen in gebieden waar een overschot bestaat en om het gebruik van verwerkte mest buiten deze gebieden te stimuleren?
|
3.9.1 |
Een stof wordt „afval” als degene aan wie de stof rechtstreeks toebehoort, er geen of een negatieve waarde aan hecht. Zodra er een waarde aan kan worden toegekend, wordt de stof weer verhandelbaar. Van een proces kan pas worden gezegd dat het volledig effect sorteert als alle voortbrengselen eruit waarde krijgen en worden benut. Door de globalisering is de analyse van dit fenomeen ingewikkelder geworden, maar ook des te dringender. De toevoer van vloeibaar en vast afval van dieren, planten en mensen moet voortaan worden gezien als een kans om handel te drijven in plaats van als een geldverslindend probleem. |
|
3.9.2 |
Alleen is dat gemakkelijker gezegd dan gedaan. Onderzoek en nieuwe technologie worden noodzakelijk. Regelingen moeten worden aangepast om ervoor te zorgen dat de inhoud voor grensoverschrijdende en interne verplaatsingen duidelijker wordt en meer zekerheid biedt. Er moet duidelijkheid worden geschapen over financiële prikkels. Lokaal toegepaste oplossingen voor al dan niet verwerkte natuurlijke mest of kunstmest hebben de grootste kans van slagen. Door de gemeenschap gedreven of regionale projecten kunnen worden vormgegeven om specifieke problemen op te lossen, met als doel om investeringen naar behoren te benutten en milieueffecten zo gering mogelijk te maken. |
|
3.9.3 |
Voor belanghebbenden in het EIP en het ESPP is een gewichtige rol weggelegd: zij moeten ervoor zorgen dat algemene oplossingen worden afgestemd op de mogelijkheden die er op een gegeven tijdstip voor landbouwbedrijven, gemeenschappen, gemeenten of regio's zijn. Lidstaten en andere vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld moeten hier volledig bij worden betrokken. |
3.10 Wat kunnen we doen om de terugwinning van fosfor uit voedselafval en ander biologisch afbreekbaar afval te verbeteren?
|
3.10.1 |
De beste manier om voedselverspilling tegen te gaan, is ervoor zorgen dat voedsel wordt verdeeld en opgegeten als onderdeel van een evenwichtig en gezond eetpatroon van mensen die voedingsmiddelen nodig hebben. Van alles moet opnieuw worden bekeken: de etiketteringsvoorschriften en kleinhandelspraktijken m.b.t. „kwaliteit” (vorm, aanblik en omvang versus smaak of voedingswaarde); de omvang van porties; de uiterste gebruiksdata met als vermelding „bij voorkeur” of „verkopen vóór”; de vraag wat met onverkochte levensmiddelen wordt gedaan. Grootschalige commerciële gebruikers (voedselverwerkende bedrijven, cateringbedrijven, restaurants) moeten zo weinig mogelijk afval genereren, al was het maar om commerciële redenen, en zouden moeten worden verplicht om compost te maken van al het voedsel dat ze niet regelrecht kunnen gebruiken. De hele sector bestrijkende initiatieven waarbij ook de kleinhandel betrokken is, moeten worden aangemoedigd. Verspilling van voedsel in gezinshuishoudens kan en moet worden teruggedrongen, en wel doordat goed wordt ingekocht en voedsel tijdig wordt genuttigd. Het komt hier dus vooral neer op consumenteneducatie. Dat burgers zelf composteren, kan op het platteland, maar is moeilijker in grote steden. |
|
3.10.2 |
Gescheiden inzameling van biologisch afbreekbaar afval (behalve tuinafval) komt meestal niet echt van de grond en is afhankelijk van het beschikbare budget en de gestelde prioriteiten. Het composteren van voedsel dat niet kan worden geconsumeerd, houdt fosfor in de voedselketen en vergroot, waar nodig, de kwaliteit van de bodem. Het zwaartepunt moet bij de toevoeging van waarde worden gelegd: het gaat om méér dan alleen maar de verwijdering van afval. |
3.11 Moet een vorm van terugwinning van fosfor uit afvalwaterverwerking verplicht gesteld of gestimuleerd worden? Welke maatregelen kunnen we treffen om zuiveringsslib en biologisch afbreekbaar afval beter beschikbaar en aanvaardbaarder te maken voor de akkerbouw?
|
3.11.1 |
Er zijn al oplossingen gevonden voor het kleinschalige gebruik van fosfor in gezinshuishoudens, vooral omdat er iets moest worden gedaan aan het probleem van de eutrofiëring (door een overmaat aan fosfor) van niet-stromend water in afgelegen gebieden. Die oplossingen zijn echter duur en lijken moeilijk inpasbaar in steden met een grotere bevolkingsdichtheid. Wat mogelijk is, hangt vaak af van de omvang van steden. |
|
3.11.2 |
Voor de verwijdering van afvalwater in steden gelden regels die betrekking hebben op de kwaliteit van het afgevoerde water en niet op de potentiële waarde van specifieke bestanddelen ervan. Een en ander moet dringend opnieuw worden bekeken. Vernieuwing van bestaande rioleringen kan veel geld kosten. Modellen creëren voor nieuwe investeringen die voor de betrokkenen toegevoegde waarde creëren, is zinvoller. Het gebruik van vast organisch afval op land moet op de optimalisering van de opbrengst van gewassen zijn gericht en niet op het halen van streefcijfers voor afvalverwijdering. |
|
3.11.3 |
Er zullen nieuwe normen moeten worden uitgewerkt voor gebruik in de voedselketen (met inbegrip van akkerbouw) in combinatie met kunstmeststoffen (die gemakkelijker zijn te controleren op kwaliteit en prestaties). Een moeitelozere uitweg bieden toepassingen buiten de voedselketen (parken, golfbanen, stedelijke en industriële landschapsvorming, milieuregeneratie, bosbouw, bescherming tegen erosie, zeeweringen enz.). |
|
3.11.4 |
Het blijft nodig om gericht onderzoek te verrichten en nieuwe rendabele technologieën te ontwikkelen. Iedereen heeft er baat bij als pogingen daartoe worden aangemoedigd, gefinancierd en ondersteund doordat voorbeelden van geslaagde methoden (best practices) worden opgespoord en daadwerkelijk overgedragen. Ook zou aan die pogingen bekendheid moeten worden gegeven in de EU. Succesvolle technologieën leveren banen op en helpen markten veroveren. Consumenten zijn goedkoper uit als voedsel op een efficiënte manier wordt geproduceerd, verdeeld en gebruikt en als het afval ervan op een efficiënte manier wordt beheerd. Efficiënte methoden op al die gebieden helpen ook om de streefcijfers inzake energie en klimaatverandering te halen. |
|
3.11.5 |
Belemmeringen die vooruitgang in de weg staan, moeten worden opgeheven. Er moet worden gewerkt aan geharmoniseerde criteria waardoor geen enkele stof nog langer als „afval” wordt beschouwd, en aan een nieuwe benadering van de omschrijving van en controle op afval. Kaderrichtlijnen betreffende chemicaliën (REACH), bodem- en waterkwaliteit, meststoffen, voedselgebruik en afvalverwijdering moeten worden getoetst aan de vraag of de doelstellingen ervan in de wereld zoals wij die nu kennen, nog wel relevant en volledig zijn en tegemoetkomen aan de prioriteiten van de EU. Het wordt van belang dat al die richtlijnen door nationale en lokale overheden naar behoren en evenredig worden toegepast. Het EESC wil daar graag bij helpen. |
Brussel, 21 januari 2014
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Henri MALOSSE
(1) PB C 6 van, 06.03.2014, blz. 47-52.