26.9.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 290/7


Bekendmaking van een aanvraag overeenkomstig artikel 6, lid 2, van Verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen

2012/C 290/06

Deze bekendmaking verleent het recht om op grond van artikel 7 van Verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad (1) bezwaar aan te tekenen tegen de aanvraag. Bezwaarschriften moeten de Commissie bereiken binnen zes maanden te rekenen vanaf de datum van deze bekendmaking.

SAMENVATTING

VERORDENING (EG) Nr. 510/2006 VAN DE RAAD

„KRAŠKI MED”

EG-nummer: SI-PDO-0005-0532-24.03.2006

BOB ( X ) BGA ( )

Deze samenvatting bevat de belangrijkste gegevens uit het productdossier ter informatie.

1.   Bevoegde dienst van de lidstaat:

Naam:

Ministrstvo RS za kmetijstvo, gozdarstvo in prehrano

Adres:

Dunajska 22

SI-1000 Ljubljana

SLOVENIJA

Tel.

+386 14789109

Fax

+386 14789055

E-mail:

varnahrana.mkgp@gov.si

2.   Groepering:

Naam:

Čebelarsko društvo Sežana

Adres:

Brkinčeva 24

SI-6210 Sežana

SLOVENIJA

Tel.

+386 57342667

Fax

+386 57340084

E-mail:

air.maat@siol.net

Samenstelling:

Producenten/verwerkers ( X ) Andere ( )

3.   Productcategorie:

Categorie 1.4.:

Andere producten van dierlijke oorsprong (eieren, honing, diverse zuivelproducten met uitzondering van boter, enz.)

4.   Productdossier:

(samenvatting van de in artikel 4, lid 2, van Verordening (EG) nr. 510/2006 voorgeschreven gegevens)

4.1.   Naam:

„Kraški med”

4.2.   Beschrijving:

Honing met de benaming „Kraški med” (honing uit de Karstregio) wordt bereid met nectar die door bijen uit de vegetatie in de Karstregio wordt gehaald. De bijzondere geologische en klimatologische omstandigheden hebben tot het ontstaan geleid van de specifieke plantenkolonies die als bron voor de honingproductie fungeren. Rekening houdend met de botanische oorsprong van de nectar, worden in de Karst de volgende honingvariëteiten geproduceerd:

Boshoning: een honing geproduceerd van honingdauw die door bijen uit de diverse soorten loofbomen en naaldbomen in de bossen en op de droge weiden van de Karstregio, wordt gehaald.

Organoleptische eigenschappen

Voorkomen — Middelbruin tot donkerbruin van kleur, opaak, kan snel kristalliseren.

Geur — Mild tot matig intens; toetsen van hars, melkbonbon, strooisel van bladeren.

Smaak en aroma — Vrij zoet tot zeer zoet, matige zuurheid; kan een licht bittere smaak hebben. Persistent, matig sterk aroma; toetsen van gedistilleerde dranken, karamel of hars.

Soortelijke elektrische geleiding > 0,8 mS/cm.

Kenmerken van de pollen

Vrij hoge tot hoge hoeveelheden honingdauwbestanddelen.

Pollen van de volgende gewassen is vaak aanwezig: tamme kastanje (Castanea sativa), pruikenboom (Cotinus coggygria), linde (Tilia sp.), fruitbomen (Prunus sp.), eik (Quercus sp.), pluim-es (Fraxinus ornus), bergbonenkruid (Satureja montana).

Bloesemhoning: een honing geproduceerd van de gemengde nectar van honingdragende bloesems, kruiden, grassen en fruitbomen.

Organoleptische eigenschappen

Voorkomen — Lichtgeel tot bruin van kleur. Typisch is de lichte opaciteit. Kristalliseert gewoonlijk snel; uniforme kristallisatie.

Geur — matig tot zeer intens; toetsen van fruit, gestoofd fruit, bloemen.

Smaak en aroma — Zoet tot zeer zoet, milde tot matige zuurheid. Matig persistent tot zeer persistent en matig tot zeer intens aroma. Aroma van bloemen, vers fruit, gestoofd fruit en karamel.

Soortelijke elektrische geleiding < 0,8 mS/cm.

Kenmerken van de pollen

Pollen van de volgende gewassen wordt aangetroffen: wegedoorn (Rhamnaceae), fruitbomen (Prunus sp.), valse acacia (Robinia pseudoacacia), tamme kastanje (Castanea sativa), gewone rolklaver (Lotus corniculatus), braam (Rubus), pluim-es (Fraxinus ornus), esdoorn (Acer sp.), pruikenboom (Cotinus coggygria), klimop (Hedera helix).

Acaciahoning

Organoleptische eigenschappen

Voorkomen — Zeer licht van kleur, bijna kleurloos tot strogeel. Steeds helder, zelden licht opaalachtig. Blijft vloeibaar, kristalliseert niet.

Geur — Zeer mild tot matig intens; toetsen van (nog) niet voor broed gebruikte honingraat, verse bijenwas, acaciabloesems, vanillebonbons.

Smaak en aroma — Zoet tot zeer zoet, geen tot zeer milde zuurheid. Niet persistent mild aroma; toetsen van (nog) niet voor broed gebruikte honingraat, verse bijenwas, acaciabloesems, vanille- of roombonbons, verse boter en vers stro.

Soortelijke elektrische geleiding < 0,8 mS/cm.

Kenmerken van de pollen

Pollen van valse acacia (Robinia pseudoacacia): ≥ 7 %.

Pollen van de volgende gewassen is vaak aanwezig: pruikenboom (Cotinus coggygria), braam (Rubus), weichselkers (Prunus mahaleb), pluim-es (Fraxinus ornus), rode kornoelje (Cornus sanguinea).

Lindehoning

Organoleptische eigenschappen

Voorkomen — Lichtgeel tot licht amberkleurig of strogeel, met een groene glans. Kan licht opaak zijn. Kristalliseert gewoonlijk snel; Typisch is de vorming van grote, grove kristallen.

Geur — Matig tot zeer intens; frisse toetsen van lindebloesem, menthol, citroenschil en verse houtspaanders; kan een medicinale geur hebben.

Smaak en aroma — Zoet tot zeer zoet, milde tot matige zuurheid, zeer milde tot milde bitterheid met een scherpe toets. Matig tot zeer persistent en matig tot zeer intens aroma; verfrissend met toetsen van menthol, verse walnoten, kruiden, gekookte lindebloesem.

Kenmerken van de pollen

Lindepollen (Tilia sp.): ≥ 7 %

Pollen van de volgende gewassen is vaak aanwezig: tamme kastanje (Castanea sativa), fruitbomen (Prunus sp.), witte klaver (Trifolium repens), esdoorn (Acer sp.), wegedoorn (Rhamnaceae). Kleine tot ietwat hogere hoeveelheden honingdauwbestanddelen worden aangetroffen.

Kastanjehoning

Organoleptische eigenschappen

Voorkomen — Donkerbruin of amberkleurig, met een rode glans. Kenmerkend is dat de honing langdurig vloeibaar blijft. Kristalliseert en vormt dan grove kristallen.

Geur — Zeer intens; looigeur met toetsen van kastanjebloesem, nat karton, geplette walnootbladeren.

Smaak en aroma — Matig zoet, mild zuur, matig tot zeer bitter. De bittere smaak is vrij persistent tot persistent. Zeer persistent, intens tot zeer intens aroma; toetsen van gekarameliseerde suiker, karamel, rookaroma, kruiden, alsem.

Soortelijke elektrische geleiding > 0,8 mS/cm.

Kenmerken van de pollen

Pollen van de tamme kastanje (Castanea sativa): ≥ 55 %

Pollen van de volgende gewassen is vaak aanwezig: fruitbomen (Prunus sp.), linde (Tilia sp.), clematis (Clematis L.).

Weichselkershoning

Organoleptische eigenschappen

Voorkomen — Rood tot bruinachtig rood van kleur. Licht opaak. Kan geleidelijk kristalliseren en vormt dan een compacte structuur met fijne kristallen.

Geur — Matig tot zeer intens; toetsen van kersenpitten, gebrande kers, weichselkersbloesem.

Smaak en aroma — Zoet tot zeer zoet, licht tot matig zuur en licht tot matig bitter. De bittere smaak is matig persistent. Matig tot zeer persistent en zeer intens aroma; toetsen van bittere amandelen, gebrande kersen, kersensiroop, medicijnen.

Kenmerken van de pollen

Weichselkers (Prunus mahaleb): ≥ 7 %

Pollen van de volgende gewassen is vaak aanwezig: andere fruitbomen (Prunus sp.), esdoorn (Acer sp.), wilde paardenkastanje (Aesculus hippocastanum), tamme kastanje (Castanea sativa), pruikenboom (Cotinus coggygria), pluim-es (Fraxinus ornus).

Wildekersenhoning

Organoleptische eigenschappen

Voorkomen — Matig amberkleurig tot oranjerood van kleur. De honing is licht opaak. Kristalliseert vrij snel en vormt dan fijne kristallen.

Geur — Matig intens; toetsen van kersenbloesem, amandelen of kersenpitten.

Smaak en aroma — Zoet tot zeer zoet en licht tot matig zuur. Matig persistent en matig intens aroma; toetsen van rijpe kers, kersenbloesem en amandelen.

Soortelijke elektrische geleiding < 0,8 mS/cm.

Kenmerken van de pollen

Pollen van zoete kersen (Prunus avium): ≥ 5 %

Pollen van de volgende gewassen is vaak aanwezig: esdoorn (Acer sp.), tamme kastanje (Castanea sativa), pruikenboom (Cotinus coggygria), pluim-es (Fraxinus ornus).

Honing van bergbonenkruid

Organoleptische eigenschappen

Voorkomen — Licht amberkleurig met een groene glans. Kristalliseert vlug en vormt dan fijne kristallen met een zachte consistentie.

Geur — Matig intens; gedroogde bloemen, aromatische kruiden.

Smaak en aroma — Matig zoet en licht tot matig bitter. Matig tot zeer persistent en matig tot zeer intens aroma; pollen, koffie en gedroogde kruiden.

Kenmerken van de pollen

Bergbonenkruid (Satureja montana): ≥ 3 %.

Pollen van de volgende gewassen is vaak aanwezig: linde (Tilia sp.), tamme kastanje (Castanea sativa), klimop (Hedera helix).

„Kraški med” moet ook aan de volgende parameters voldoen:

een maximaal watergehalte van 18 %;

HMF van maximaal 15 mg/kg bij het afvullen;

een totaal fructose- en glucosegehalte van minstens 45 g/100 g honing.

4.3.   Geografisch gebied:

Slechts honing die wordt geproduceerd in het ruimere foerageergebied van de Sloveense Karst (Kras) komt in aanmerking voor de beschermde oorsprongsbenaming „Kraški med”. De grens van dit gebied loopt van Opatje Selo naar de grens van Slovenië met Italië en langs deze grens naar Socerb. Vervolgens loopt ze via Kraški Rob naar het dorp Rakitovec en naar de grens van Slovenië met Kroatië en langs die grens naar het dorp Golac. Van Golac buigt de grens af naar de dorpen Hrušica en Huje, loopt dan langs Ostrožno Brdo naar het dorp Buje, vervolgens verder naar de dorpen Volče, Laže, en Lozice en vandaar langs de noordelijke hellingen van Persunca naar het gehucht Trebižani. Vervolgens loopt ze langs de Branica stroom naar het gehucht Čipnje, van daar naar het dorp Lukovec en dan langs de dorpen Škrbina, Lipa en Kostanjevica na Krasu terug naar Opatje Selo.

Al deze locaties liggen in het afgebakende geografische gebied.

4.4.   Bewijs van de oorsprong:

Alle imkers die „Kraški med” produceren zetten hun bijenkasten uit in het geografische gebied gedurende de periode dat de nectar wordt geproduceerd.

De oorsprong van „Kraški med” wordt door imkers, inspecteurs en een onafhankelijke certificeringsinstantie in verschillende stadia gecontroleerd.

Met het oog op de traceerbaarheid van de honing moeten de imkers dagelijks een register bijhouden met betrekking tot het foerageren van de bijen waarin de volgende informatie wordt opgenomen: het foerageergebied, het aantal bijenkolonies, de slingerdatum, de hoeveelheid en de soort honing die werden geproduceerd en de hoeveelheid „Kraški med” die werd geproduceerd. De imkers moeten ook de maatregelen die werden genomen om de gezondheid van de bijen te beschermen en de resultaten van honinganalyses registreren.

De Čebelarsko Društvo Sežana (imkersorganisatie van Sežana) moet een register bijhouden van alle imkers die „Kraški med” produceren (standplaats van de bijenkasten, aantal bijenkolonies, tijdstip waarop het foerageren plaatsvindt, voeding, hoeveelheid geproduceerde honing). De Čebelarsko Društvo Sežana moet ook een register bijhouden van genummerde etiketten voor de „Kraški med”. Deze etiketten worden afgegeven aan alle imkers — ongeacht of zij al dan niet lid zijn van de imkersorganisatie — die een certificaat kunnen overleggen waaruit blijkt dat zij voldoen aan de voorwaarden in het productdossier. Imkers die geen lid zijn van de imkersorganisatie worden niet gediscrimineerd.

Inspecteurs (speciaal daartoe opgeleide personen die over een vergunning beschikken) moeten bij alle imkers die van de benaming „Kraški med” gebruik wensen te maken, inspecties uitvoeren om te waarborgen dat het houden van de bijen, de honingproductie en het bewaren en bottelen van de honing op de juiste wijze plaatsvinden. Indien de honing aan de eisen voldoet, geeft de inspecteur zijn goedkeuring voor het aantal etiketten dat door de desbetreffende imker op basis van de door hem opgegeven hoeveelheid honing is aangevraagd. De inspecteur moet de gegevens bijhouden die aantonen dat de imker op het vlak van de bijenhouderij goede praktijken toepast, alsook de gegevens over ter plaatse verrichte analyses van de honing.

4.5.   Werkwijze voor het verkrijgen van het product:

De bijenkasten moeten in het in punt 4.3. omschreven geografische gebied uitgezet zijn.

De productie van de honing moet in overeenstemming zijn met goede praktijken op het gebied van de bijenhouderij. Deze praktijken zijn vastgesteld in de richtsnoeren voor goede hygiënepraktijken in de bijenhouderij die op hun beurt gebaseerd zijn op de principes van het door de Sloveense imkersorganisatie (ČZS) gehanteerde HACCP-systeem, en garanderen een „Kraški med”-productie van hoge kwaliteit.

Tijdens de winter mogen de bijen worden gevoerd met suiker of „suikercake”. De bijen worden niet gevoerd vlak vóór of tijdens het foerageren. Een behandeling met chemische stoffen tijdens het foerageren is niet toegestaan. De bijen mogen geen voer krijgen waarin medicatie is verwerkt om bijenplagen te bestrijden. Slechts honing die is geproduceerd door bijen in de bijenkast wordt geslingerd. De honing wordt nooit geëxtraheerd uit een honingraat die nog broed bevat. Tijdens de foerageerperiode controleren de imkers de hoeveelheid rijpe honing in de bijenkasten die geschikt is om te worden geslingerd. De honing mag niet door een zeef worden gehaald met openingen waarvan de diameter kleiner is dan 0,2 mm. De geslingerde honing wordt opgeslagen in een vat waarop de partij, de datum, de locatie, de hoeveelheid en de soort honing worden vermeld. Het drogen van de honing is niet toegestaan. Gekristalliseerde honing mag vloeibaar worden gemaakt door hem te verwarmen maar de temperatuur van het contactpunt tussen het verwarmingstoestel en de honing mag niet hoger zijn dan 40 °C. Het vloeibaar maken van de honing in een microgolfoven is niet toegestaan.

„Kraški med” kan in verschillende soorten verpakkingen worden gebotteld. Meteen na het bottelen wordt op iedere pot een etiket aangebracht dat op het deksel doorloopt, op zodanige wijze dat de pot verzegeld is en niet kan worden geopend zonder het zegel te verbreken.

4.6.   Verband:

De kwaliteit en de typische organoleptische kenmerken van „Kraški med” zijn te danken aan diverse factoren: de specifieke geologische, klimatologische en fytogeografische kenmerken van de Karst, de tradities met betrekking tot de bijenhouderij en de toewijding en knowhow van de imkers.

Geologische kenmerken

Het gehele geografische gebied is een heuvelachtig, golvend kalksteenplateau met een klassieke karst-topografie. Typische karstkenmerken zijn te zien aan de oppervlakte (poljes, dolinen, uvalas, ponoren) en ook ondergronds (grotten, stalactieten, druipstenen). Het geografische gebied wordt ook gekenmerkt door de beroemde rode karstgrond die bekend staat als de terra rossa. Door een aantal milieufactoren (erosie, grondverlies door de verdwijning van grond in de holten) is er maar weinig grond aan de oppervlakte en is het terrein hoofdzakelijk rotsachtig.

Klimaat

In de Karst komt een mild mediterraan klimaat samen met koude continentale lucht die vanuit het noordoosten komt. De wind staat bekend als de Bora, een van de meest kenmerkende klimatologische fenomenen in de regio. Het is een droge, koude, stormachtige, noordoostelijke wind die opsteekt wanneer continentale lucht naar zee waait. De wind komt het hele jaar voor maar is bijzonder frequent tijdens de winter wanneer hij ook voor een daling van de temperatuur zorgt en de bodem erodeert. Kenmerkend voor de Karst, vooral tijdens de winter, is het onstabiele weer. De nabijheid van de zee zorgt ervoor dat de temperatuur in de winter, na dagen van ijskoude borawind, plots sterk kan stijgen. Droge maanden als zodanig zijn er niet in de regio maar de doorlaatbare karstbodem kan tot droogte leiden.

Vegetatie

De flora die in dit geografische gebied tot ontwikkeling kwam, heeft zich aan de specifieke geologische en klimatologische omstandigheden aangepast. De tussenkomst van de mens in het milieu heeft ook zeer veel impact gehad. In een ver verleden was de Karst bedekt met uitgestrekte eikenbossen die haast volledig werden gerooid om timmerhout te produceren of platgebrand om plaats te maken voor landbouwgrond en weiden. Ten gevolge van de houtkap en het verlaten van de weilanden, begon het gebied in het midden van vorige eeuw te overgroeien met voor de karst typisch, droog grasland. Zo ontstonden de karstweiden en –graslanden met hun uitzonderlijke flora. De Karst behoort tot de Sloveense gebieden waar de flora het uitbundigst is. Zowat de helft van de Sloveense flora gedijt op deze plek. Behalve verschillende bedreigde en zeldzame soorten komen in de Karst ook vele typische submediterrane plantensoorten aan hun trekken.

Het droge grasland wordt gekenmerkt door zowel de dichtheid van de flora als de grote variëteit aan planten. Meer dan 100 plantensoorten kunnen in één weiland worden aangetroffen. De betrokken plantensoorten zijn typisch voor de Karst en vele soorten zijn inheems. Het droge grasland van de Karst bloeit van de vroege lente tot laat in de zomer. De ruime variëteit die het plantendek kenmerkt, wordt nog rijker dankzij de talrijke trechtervormige verzakkingen (dolinen) die voor een eigen biotoop zorgen want hierin heerst een specifiek plaatselijk klimaat dat niet door het omgeving wordt beïnvloed en dat bepalend is voor het soort vegetatie dat erin groeit.

In de bossen en op het droge grasland van de Karst en hogerop op de halfdroge of droge weiden die jaarlijks eenmaal worden gemaaid, groeien hoofdzakelijk typische woudbomen met inbegrip van de grootbladige linde (Tilia grandifolia), Europese hopbeuk (Ostrya carpinifolia), eik, zwarte den, tamme kastanje (Castanea sativa), wilde kers, weichselkers (Prunus mahaleb), acacia en pruikenboom.

Een ander typisch kenmerk van de regio is de grote variëteit aan grassen, leguminosen en kruiden. De meer dan 35 soorten kruiden omvatten een grote hoeveelheid bergbonenkruid.

Menselijke factoren

De bijenhouderij in de Karst gaat zeer ver terug in het verleden. Er zijn aantekeningen terug te vinden van Janko Vodopivec, een schoolhoofd dat van 1892 tot 1937 bijen hield in de Karst. Een keerpunt in de toenemende ontwikkeling van de bijenhouderij in de Karst was het jaar 1910 toen de plaatselijke imkers zich aaneensloten in organisaties. Het werk van dergelijke organisaties had positieve gevolgen voor de ontwikkeling van de moderne bijenhouderij waarbij gebruik wordt gemaakt van bijenkasten met demonteerbare honingraten.

De gevarieerde flora van dit geografisch gebied en de langdurige bijenhouderijtraditie hebben een weelde aan ervaring, kennis en vaardigheden op het gebied van de bijenhouderij voortgebracht. Gekoppeld aan het optimale gebruik dat van de foerageermogelijkheden werd gemaakt door bijenkasten op specifieke plekken uit te zetten, konden dankzij de vegetatie op die plekken verschillende soorten „Kraški med” van hoge kwaliteit worden geproduceerd. Dankzij de klimatologische omstandigheden is „Kraški med” droog, rijp en rijk aan mineralen. De rijke flora en het droge klimaat komen tot uiting in het volle en uitgesproken aroma, dat bepalend is voor het typische karakter van „Kraški med”.

4.7.   Controlestructuur:

Naam:

Bureau Veritas, d.o.o.

Adres:

Linhartova 49a

SI-1000 Ljubljana

SLOVENIJA

Tel.

+386 14757670

Fax

+386 14747602

E-mail:

info@bureauveritas.si

4.8.   Etikettering:

Op het etiket van honing die voldoet aan de voorwaarden van het productdossier voor „Kraški med”, moeten de volgende gegevens worden aangebracht: de benaming „Kraški med”, het (hieronder weergegeven) logo, de soort honing, de vermelding „zaščitena označba porekla” (beschermde oorsprongsbenaming), het desbetreffende EU-logo, het nationale kwaliteitssymbool, de naam van de producent, het nummer van de partij en de vermelding „proizvedeno v Sloveniji” (geproduceerd in Slovenië).

Image


(1)  PB L 93 van 31.3.2006, blz. 12.