WERKDOCUMENT VAN DE DIENSTEN VAN DE COMMISSIE Beoordeling van het nationale hervormingsprogramma 2012 en het stabiliteitsprogramma voor BELGIË bij Aanbeveling voor EEN AANBEVELING VAN DE RAAD betreffende het nationale hervormingsprogramma 2012 van België en een advies van de Raad betreffende het stabiliteitsprogramma van België, 2012-2015 /* SWD/2012/0314 final */
INHOUD Samenvatting.. 3 1..... Inleiding.. 4 2..... economische ontwikkeling en
uitdagingen.. 5 2.1. Recente economische ontwikkelingen en vooruitzichten. 5 2.2. Uitdagingen. 6 3..... Beoordeling van de
beleidsagenda.. 9 3.1. Begrotingsbeleid en belastingen. 9 3.2. Financiële sector 16 3.3. Arbeidsmarkt-, onderwijs- en sociaal beleid. 17 3.4. Structurele maatregelen voor groei en concurrentievermogen. 21 3.5. Modernisering van de overheidsdiensten. 27 4..... Overzichtstabel. 28 Bijlage. 35 Samenvatting Naar verwachting
zal het Belgische bbp in de eerste helft van 2012 nagenoeg stabiel blijven,
gevolgd door een bescheiden exportgericht herstel vanaf het derde kwartaal. De
werkloosheid zal naar verwachting geleidelijk stijgen, van 7,2% in 2011 tot
ongeveer 8% in 2013. België heeft
recentelijk hervormingen goedgekeurd, ook op centrale gebieden als de
arbeidsmarkt en pensioenen. België heeft ook een begroting voor 2012 ingediend
waardoor vooruitgang kon worden geboekt bij de begrotingsconsolidatie. Gelet op
de blijvende uitdagingen, waarvan sommige nog nijpender zijn geworden, heeft
België aangekondigd dat extra maatregelen zullen worden genomen om de
begrotingsconsolidatie voort te zetten en de structurele hervormingen te
verstevigen. Het in 2012
terugdringen van het begrotingstekort tot minder dan 3% van het bbp en een
blijvende verbetering van de langetermijnhoudbaarheid van de overheidsfinanciën
door het in toom houden van de leeftijdsgerelateerde uitgaven blijven
belangrijke beleidsuitdagingen. De evolutie van het concurrentievermogen van de
Belgische economie baart zorgen, wegens de geringe productiviteitsgroei en de
stijgende loonkosten, waarbij de loonvormings- en indexeringsmechanismen de
inspanningen om de reële loonstijgingen te beperken, belemmeren. In de
detailhandel en de netwerkindustrieën is nog steeds sprake van een vrij zwakke
concurrentiedruk en een aantal structurele belemmeringen. De hervorming van het
systeem van werkloosheidsuitkeringen waarmee een aanvang is gemaakt, kan nog
worden aangevuld met initiatieven om werken aantrekkelijker te maken en om tot
een doeltreffender actief arbeidsmarktbeleid te komen, met name voor jonge
werklozen, oudere werknemers en niet-EU-burgers. De financiële positie van de
Belgische banken blijft kwetsbaar. Ten slotte lijkt ook de reductie van
broeikasgasemissies van niet onder de emissiehandelsregeling vallende
activiteiten, met name het vervoer, voor België een uitdaging op te leveren. 1. Inleiding Procedurele
aspecten In juni 2011
stelde de Commissie zes landenspecifieke aanbevelingen (LSA's) voor economische
en structurele hervormingen in België voor. In juli 2011 keurde de Raad
die aanbevelingen goed, die betrekking hadden op de overheidsfinanciën, het
pensioenstelsel, de financiële sector, de arbeidsmarkt en de loonvorming, en
het mededingingsbeleid, en aansloten bij de verbintenissen die de Belgische
autoriteiten op zich hadden genomen in het Euro Plus-pact van maart
2011. In november 2011
publiceerde de Commissie haar jaarlijkse groeianalyse voor 2012 (JGA 2012),
waarin zij voorstellen deed voor een noodzakelijke gemeenschappelijke opvatting
van de prioritaire acties op nationaal en EU-niveau in 2012. De nadruk werd
gelegd op vijf prioriteiten — groeivriendelijke begrotingsconsolidatie,
normalisering van de kredietverschaffing aan de economie, bevordering van groei
en concurrentievermogen, aanpakken van de werkloosheid en van de sociale
gevolgen van de crisis, en modernisering van de overheidsdiensten. De lidstaten
werden ook aangemoedigd daar in het Europees Semester 2012 uitvoering aan te
geven. Tegen die
achtergrond heeft België in april 2012 een bijgewerkte versie van zijn
nationale hervormingsprogramma (NHP) en stabiliteitsprogramma ingediend. Die
programma's bevatten details over de sinds juli 2011 geboekte vooruitgang en de
plannen die ten uitvoer worden gelegd. In dit werkdocument van de diensten van
de Commissie wordt onderzocht hoe in België uitvoering is gegeven aan de
aanbevelingen van 2011, de verbintenissen in het kader van het Euro Plus-pact
en de JGA 2012. Het vermeldt de actuele beleidsuitdagingen en onderzoekt de
meest recente beleidsplannen van de lidstaat. Algemene
beoordeling België heeft de
aanbevelingen van de Raad slechts ten dele opgevolgd. De tenuitvoerlegging werd
in zekere mate bemoeilijkt door het feit dat de nieuwe federale regering de eed
pas heeft afgelegd op 6 december 2011, 541 dagen na de verkiezingen van
13 juni 2010. Het regeerakkoord omvat institutionele hervormingen en een
begroting voor 2012, waardoor vooruitgang kon worden geboekt bij de
begrotingsconsolidatie en een aantal noodzakelijke structurele hervormingen op
het gebied van de arbeidsmarkt en de pensioenen. De tot dusver geleverde
inspanningen zijn welkom, maar moeten worden aangevuld met verdere
hervormingen. De uitdagingen
voor het land blijven nagenoeg dezelfde, hoewel sommige daarvan nijpender zijn
geworden. In de eerste plaats moet ervoor worden gezorgd dat de
overheidsfinanciën op het goede spoor blijven. Op korte termijn moet het
begrotingstekort daarom overeenkomstig de BTP en de aanbeveling van de Raad van
2011 in 2012 duurzaam worden teruggebracht tot minder dan 3% van het bbp. Op
langere termijn moeten de kosten van de vergrijzing worden aangepakt en moet
het begrotingstekort structureel worden teruggedrongen zodat de hoge
overheidsschuld weer kan gaan dalen. De ondersteuning van de hervorming van de
sociale zekerheid voor ouderen door maatregelen die het actief ouder worden en
langer werken aanmoedigen en de koppeling van de wettelijke pensioenleeftijd
aan de levensverwachting zouden tot de verwezenlijking van dit doel bijdragen. In
de tweede plaats staat het Belgisch financieel system nog steeds voor grote
uitdagingen. De herstructurering van de Belgische banken is nog steeds aan de
gang, en bovendien zijn de risico's van het bankwezen en van de
overheidssector, gezien het hoge niveau van de verleende garanties, met elkaar
verweven. In de derde plaats blijven de structurele problemen van de arbeidsmarkt
bestaan, en er kan meer worden gedaan om die aan te pakken. Het is van
essentieel belang dat de participatie in een leven lang leren wordt verhoogd en
dat de hervormingen op het gebied van beroepsonderwijs en –opleiding worden
voortgezet om tot een doeltreffender actief arbeidsmarktbeleid te komen, met
name ten aanzien van oudere werknemers en kansarme groepen, zoals mensen met
een migratieachtergrond. In de vierde plaats gaat het Belgische
concurrentievermogen achteruit en worden ondernemingen geconfronteerd met hoge
arbeidskosten (te wijten aan de belastingen en de loondynamiek) en
energieprijzen, terwijl de productiviteitsgroei beperkt blijft. Met
uitzondering van een beter toezicht op de energieprijzen zijn geen stappen
ondernomen om het loonvormingsmechanisme aan te passen of de opzet van het
belastingstelsel te verbeteren. Er is geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid
om belastingen te verschuiven naar minder groeiverstorende belastingen. Ten
slotte is onvoldoende vooruitgang geboekt bij de ondersteuning van de
efficiënte werking van de interne markt en bij de verdere ontwikkeling van de
concurrentie in de detailhandel en de netwerkindustrieën (energie, transport;
telecommunicatie en postdiensten). 2. economische
ontwikkeling en uitdagingen 1.1. 2.1. Recente economische
ontwikkelingen en vooruitzichten Recente
economische ontwikkelingen De Belgische
economie, die zich ten gevolge van de groeiende
wereldhandel in 2010 en de eerste helft van 2011 goed had hersteld, ging in
de tweede helft van 2011 duidelijk minder presteren. Het bbp bleef stabiel
in het derde kwartaal en kromp met 0,1% in het vierde kwartaal, hetgeen voor
2011 resulteerde in een gemiddelde bbp-groei van 2,0%. De belangrijkste
redenen voor die groeivertraging waren de algemene verzwakking van de
activiteit op wereldvlak en de voortdurende staatsschuldencrisis in de eurozone,
die sinds de zomer van 2011 hebben gewogen op het vertrouwen van de consument
en het bedrijfsleven. Bovendien heerst er na de ondergang van Dexia in oktober
2011 en de extra waarborgen die de Belgische regering krachtens de tijdelijke
overeenkomst met Frankrijk en Luxemburg van december 2011 heeft verstrekt (27,2
miljard EUR, of 7,4% van het bbp) opnieuw bezorgdheid over de gezondheid van de
banksector en de weerslag daarvan op (de voorwaarden voor) leningen aan
huishoudens en ondernemingen. Ten gevolge van de
stijging van de prijzen van energie en onbewerkte levensmiddelen is de inflatie
in 2011 gestegen tot 3,5% (van 2,3% in 2010), meer dan het gemiddelde van de
eurozone (respectievelijk 1,6% en 2,7% in 2010 en 2011). Het aantal
banen nam in 2010 en 2011 toe (met respectievelijk
0,8% en 1,3%). Daardoor daalde de werkloosheid van 8,3% in 2010 tot 7,2% in
2011, een van de beste resultaten in de EU. Vooruitzichten De factoren
waardoor de economische bedrijvigheid in de tweede helft van 2011 is gekrompen,
zijn begin 2012 nog steeds aanwezig (geringe groei van de wereldhandel,
voortduren van de staatsschuldencrisis en een kwetsbaar gebleven banksector). Daarom
wordt verwacht dat het bbp in de eerste helft van 2012 nagenoeg stabiel zal
blijven. In het derde kwartaal wordt een zeer bescheiden (exportgericht)
herstel verwacht, dat zich in het vierde kwartaal wellicht zal doorzetten. De indicator van
het consumentenvertrouwen bereikte in mei 2011 zijn hoogtepunt, maar is
sindsdien weer gedaald wegens de toenemende bezorgdheid over de arbeidsmarkt en
de algemene economische situatie. De particuliere consumptie, die in
2011 met 0,7% was toegenomen, zal in 2012 daarom wellicht blijven
haperen en niet echt groeien. De particuliere investeringen zullen
vermoedelijk aanzienlijk vertragen, daar het benuttingspercentage
van de capaciteit tot onder het langetermijngemiddelde is gevallen. De gedaalde
vraag naar hypotheken in het eerste kwartaal van 2012 zal wellicht de
investeringen in de bouw beïnvloeden. Ten slotte zullen de
consolidatiemaatregelen in de begroting voor 2012, die in januari en maart zijn
aangevuld met extra maatregelen, de groei dit jaar vermoedelijk in beperkte
mate maar negatief beïnvloeden. De uitvoer nam in het eerste kwartaal van 2011
nog steeds toe, maar is sindsdien wegens de groeivertraging van de buitenlandse
markten teruggevallen. In de loop van 2012 zal de uitvoer vermoedelijk weer
aantrekken, maar het ongunstige vertrekpunt zal de groei ervan in 2012 als
geheel beperken. Verwacht wordt
dat de inflatie in 2012 enigszins zal afnemen
(van 3,5% tot 2,9%) en in 2013 nog verder zal dalen (tot 2,1%). De vooruitzichten
op de arbeidsmarkt zijn minder rooskleurig geworden. Daardoor zal de werkloosheidsgraad
wellicht geleidelijk weer stijgen tot 8% in 2013. Procedurele en governancekwesties Op
30 april 2012 heeft de Belgische regering bij de Europese Commissie het
stabiliteitsprogramma en het nationale hervormingsprogramma (NHP) ingediend. Die twee stukken bevatten een geïntegreerd overzicht van de
inspanningen voor begrotingsconsolidatie enerzijds en van de wezenlijke
structurele hervormingen en tot macro-economische stabilisering strekkende
hervormingen anderzijds. Het stabiliteitsprogramma strookt met de gedragscode
en het NHP beantwoordt aan de richtsnoeren van de Commissie. België heeft
ervoor gezorgd dat die twee programmeringsdocumenten nauw bij elkaar
aansluiten. Het NHP is goedgekeurd door de federale regering, en de bij het NHP
gevoegde gewestelijke NHP's waren eerder goedgekeurd door de verschillende
gewestregeringen. Voordat het NHP werd goedgekeurd, heeft de Belgische regering
met de sociale partners overlegd over kwesties die verband houden met Europa
2020. Om de nationale doelstellingen voor 2020 te halen, is het van wezenlijk
belang dat de gewestelijke en nationale doelstellingen met elkaar
overeenstemmen en dat er coördinatie is tussen de gewestelijke actoren. 1.2. 2.2. Uitdagingen De belangrijkste
beleidsuitdagingen voor België zijn sinds de evaluatie in 2011 niet veranderd. De
stand van de overheidsfinanciën blijft de belangrijkste uitdaging. Hoewel
het overheidstekort in de jaren na de crisis weer geleidelijk is gedaald,
blijft de overheidsschuld groot, hetgeen de duurzaamheid van de
overheidsfinanciën in gevaar brengt in het licht van de snel vergrijzende
bevolking (de leeftijdgebonden uitgaven in België behoren tot de hoogste van de
EU) en de grote uitgaven voor sociale transfers. Ook is het Belgische
begrotingskader voor verbetering vatbaar. Volgens het institutionele deel
van het eind 2011 gesloten regeerakkoord krijgen de gewesten en gemeenschappen
meer verantwoordelijkheid, hetgeen noopt tot transparantere regels inzake
interne uitgaven en vereist dat een daadwerkelijke begrotingsplanning op
middellange termijn wordt uitgebreid tot alle bestuursniveaus. Hoewel de
gezondheid van de financiële sector in 2010 en begin 2011 is verbeterd, staan
de Belgische banken nog steeds voor grote uitdagingen. De herstructurering van
de Belgische banken is nog steeds aan de gang, en de staatssteun die in
2008/2009 is verleend in antwoord op de financiële crisis, is nog niet geheel
terugbetaald. Gezien het hoge niveau van de verleende garanties zijn de
risico's van het bankwezen en van de overheidssector bovendien met elkaar
verweven. In de derde plaats
lijdt de Belgische arbeidsmarkt aan een blijvend groot aandeel langdurig
werklozen in de totale werkloosheid, een geringe arbeidsparticipatie van
ouderen en mensen met een migratieachtergrond in het hele land en een hoge
jeugdwerkloosheid in het Waals Gewest, het Brussel Hoofdstedelijk Gewest en
sommige stedelijke gebieden in het Vlaams Gewest[1]. Dit
laatste gewest presteert beter dan de andere twee, zowel wat de huidige totale
wekgelegenheid als de groei van de werkgelegenheid in de laatste tien jaar
betreft. Niettemin blijft de Vlaamse gewestelijke participatiegraad achter bij
die van de best presterende regio's in de buurlanden[2]. Een
bijzonder kwetsbare groep op de Belgische arbeidsmarkt bestaat uit niet-EU-burgers.
Hun participatiegraad is de laagste van de hele EU en zij lopen veel meer kans
op sociale uitsluiting dan de eigen burgers. België zou voordeel kunnen halen
uit sterkere stimulansen om te werken door een verlaging van de belastingwig en
de (para)fiscale druk op inkomsten uit arbeid. Activeringsmaatregelen voor
werklozen zijn relatief ondoeltreffend en aan de voorwaarden voor het krijgen
van een werkloosheidsuitkering zou strenger de hand kunnen worden gehouden
teneinde het zoeken naar werk aantrekkelijker te maken. Een vierde grote
uitdaging is het Belgische concurrentievermogen. De lopende rekening
verslechtert geleidelijk[3], wegens de verslechtering van de goederenbalans, die niet volledig
wordt gecompenseerd door de gunstige ontwikkeling van de dienstenbalans. Bij de
factoren die aan die verslechtering ten grondslag liggen, speelt het verlies
van kostenconcurrentievermogen zeker een rol. Wegens het bestaan van
een systeem van automatische loonindexering is het niet uitgesloten dat de
inspanningen van de regering om de reële loonstijgingen in de periode 2011-2012
tot maximaal 0,3% te beperken, niet hebben kunnen voorkomen dat de nominale
lonen hoger zijn dan in de buurlanden, daar de inflatie hoger zal kunnen
uitvallen dan tijdens de loononderhandelingen werd verwacht, en ook hoger dan
in de buurlanden. Dit is des te problematischer nu ook de productiviteitsgroei
zwak is en niet alleen de lonen, maar ook de kosten van intermediaire inputs
(met name energie) hoog zijn. Hoewel de
energiemarkt sinds 2007 is geliberaliseerd, lijken de detailhandelsprijzen voor
energie niet competitief te zijn. Doorgaans zijn ook andere goederen en
diensten duurder in België dan in andere lidstaten, hetgeen is toe te schrijven
aan een vrij zwakke concurrentiedruk en een aantal structurele
belemmeringen, met name in de detailhandel en de netwerkindustrieën, zoals
energie, vervoer, postdiensten en telecommunicatie. Die hogere prijzen zorgen
voor opwaartse druk op de (kern)inflatie, waardoor via de automatische
loonindexering de lonen worden beïnvloed en de prijzen van industriegoederen
stijgen. Het Belgische
concurrentievermogen zou ook kunnen worden geschraagd door niet-prijsgebonden
factoren, zoals de structurele kenmerken van de handel (bv. productspecialisatie
en geografische bestemming van de uitvoer) en microaspecten van de economische
prestaties (zoals merk, kwaliteit en klantenservice) die niet volledig worden
bestreken door maatregelen op basis van de prijs. België kan bogen op een
onderzoekssysteem van hoge kwaliteit, maar de O&O-intensiteit van de
particuliere sector is de laatste jaren gestagneerd. Een centrale uitdaging
voor België is de vraag hoe de overgang naar een kennisintensievere economie
kan worden versneld door ten volle gebruik te maken van de sterke kanten van
zijn onderzoekssysteem. Ondanks de beschikbaarheid van hooggekwalificeerd
menselijk kapitaal lijkt de vraag naar en het aanbod van arbeid in
sommige sectoren bovendien slecht op elkaar te zijn afgestemd. Het
tekort aan hoogopgeleiden (vooral exacte wetenschappers en ingenieurs) kan een
belangrijke belemmering gaan vormen voor een verdere verbetering van de
innovatieprestatie van de Belgische economie. Met betrekking tot
klimaat en energie ligt België op schema om zijn doelstelling te realiseren die
erin bestaat het aandeel hernieuwbare energie in het energieverbruik te
verhogen, maar de vooruitgang wat de vermindering van de broeikasgassen met
15 % in de niet-ETS[4]‑sectoren betreft zal waarschijnlijk verwaarloosbaar zijn. Hoewel de emissies tegen 2010 (in vergelijking met 2005) met 1% waren
gedaald, zullen zij volgens de laatste Belgische prognoses tegen 2020 naar
verwachting (in vergelijking met 2005) met 0,3% stijgen, waardoor het doel met
15,3% wordt voorbijgeschoten. Kader 1: Samenvatting
van de resultaten van de grondige evaluatie volgens de
macro-economische-onevenwichtighedenprocedure De recente verslechtering van de lopende rekening
van de betalingsbalans van België, die hoofdzakelijk te wijten is aan de
verslechtering van het goederensaldo – in tegenstelling tot de verbetering van
het dienstensaldo, ging gepaard met aanzienlijke verliezen aan marktaandeel en
een afnemend kostenconcurrentievermogen. Terwijl onduidelijk blijft of deze
ontwikkeling toe te schrijven is aan een duurzame overgang naar een meer
dienstengerichte economie, wijst het feit dat de Belgische export terrein
verloren heeft in vergelijking met andere landen in de eurozone, op
landspecifieke negatieve factoren. De analyse erkent weliswaar het hoge
productiviteitsniveau van het land, maar benadrukt dat zowel kosten‑ als
niet-kostenfactoren het Belgische concurrentievermogen hebben tegengewerkt. Het
kostenconcurrentievermogen heeft nadeel ondervonden van zowel ontwikkelingen
met betrekking tot de arbeidskosten als van de prijs van intermediaire inputs,
hoofdzakelijk energie. De arbeidskosten zijn immers sneller gestegen dan bij de
belangrijkste handelspartners van België (DE, FR en NL). Bovendien maakt het
technologische gehalte (veel laag‑ tot mediumtechnologische goederen) van
de Belgische exportproducten België gevoeliger voor concurrentie uit
lagelonenlanden, terwijl de geografische specialisatie van de export
(hoofdzakelijk landen in de eurozone) een tragere marktgroei met zich
meebrengt. Intern is de niet-geconsolideerde schuld van
niet-financiële vennootschappen in de particuliere sector hoog. Specifieke
factoren zoals de hoge kredietverstrekking onder ondernemingen van dezelfde
groep, die gedeeltelijk verband houdt met de vroeger voordelige fiscale regeling
voor de coördinatiecentra, dragen er echter toe bij om de bezorgdheid te
verminderen. Daartegenover staat dat de schuldenlast van de huishoudens, die
hoofdzakelijk gerelateerd is aan hypotheekschulden, relatief laag is, terwijl
het vermogen van de huishoudens, gemeten aan de hand van hun saldo van
vorderingen en schulden, een van de hoogste is in de eurozone. De ombuiging van de trend wat de overheidsschuld
betreft is een punt van bezorgdheid. Gezien de hoge en toenemende
overheidsschuld en niettegenstaande de economie in haar geheel een
nettofinancieringsoverschot vertoont, blijft de Belgische overheid kwetsbaar
voor marktdruk. De sterke interactie tussen de Belgische overheid en de
banksector houdt een risico in. Het hoge niveau van de aan de financiële sector
verleende staatsgaranties en de eventuele noodzaak van een herkapitalisatie van
banken kunnen aanzienlijke gevolgen hebben voor de overheidsschuld. Aan de
andere kant kunnen de Belgische banken negatieve gevolgen ondervinden van hun
omvangrijk bezit aan binnenlandse overheidsobligaties, waardoor zij aan een
aanzienlijke overheidsschuld zijn blootgesteld. De beleidsreactie om het kostenconcurrentievermogen
te vergroten zou maatregelen kunnen omvatten om de werking van het
loonvormingssysteem te verbeteren en om de concurrentie in de
netwerkindustrieën, met name op de energiemarkt, te intensifiëren. Mogelijke
maatregelen om het niet-kostenconcurrentievermogen te verbeteren zijn onder
meer het bevorderen van investeringen in O&O en in de informatie‑ en
telecomsector, het garanderen van efficiënte goederen‑ en dienstenmarkten
door de versterking van de concurrentie en de herziening van met regelgeving
verband houdende belemmeringen, het vergroten van het aanpassingsvermogen van
de arbeidsmarkt om de herverdeling van arbeid te verbeteren en de benutting van
de arbeidskrachten te vergroten. Ten slotte is het nodig dat maatregelen ter
consolidering van de overheidsfinanciën krachtdadig worden uitgevoerd om een
gestage vermindering van de overheidsschuld te bewerkstelligen en om de druk op
de markt voor overheidsschuldpapier te verlichten. Daardoor zou ook het risico
worden verkleind voor banken die een grote hoeveelheid binnenlandse
overheidsobligaties in portefeuille hebben. 3. Beoordeling
van de beleidsagenda 1.3. 3.1. Begrotingsbeleid en
belastingen Ontwikkeling
van de begroting en schulddynamiek Het algemene
overheidstekort is als gevolg van de financiële crisis en de recessie opgelopen
van 1 % van het bbp in 2008 tot 5,6 % in 2009. Op 2 december 2009
heeft de Raad besloten dat er sprake was van een buitensporig tekort in België,
en heeft hij aanbevolen tegen 2012 een eind te maken aan deze situatie. In 2010
is het tekort gedaald tot 3,8 % van het bbp, hoofdzakelijk dankzij het
herstel en de in de begroting opgenomen consolidatiemaatregelen, maar deze
daling viel in 2011 bijna stil daar het tekort slechts tot 3,7 % van het
bbp afnam. De in het stabiliteitsprogramma beschreven begrotingsstrategie
heeft tot doel het tekort in 2012 terug te dringen tot minder dan 3 % van
het bbp (2,8 %) en tegen 2015 een begroting in evenwicht tot stand te
brengen. Daartoe zou het tekort van entiteit I (federale overheid en
sociale zekerheid) worden verminderd van 2,4 % van het bbp in 2012 tot
0,1 % in 2015, terwijl entiteit II (gewesten, gemeenschappen en lokale
overheden) een tekort van 0,4 % van het bbp zou ombuigen in een overschot
van 0,1 %. Het begrotingsdoel op middellange termijn, dat ongewijzigd
blijft ten opzichte van de vroegere actualiseringen van het programma, is nog
steeds een structureel overschot van 0,5 % van het bbp en beantwoordt op
adequate wijze aan de eisen van het stabiliteits‑ en groeipact. Door de
verlaging van het tekort zou het mogelijk zijn om vanaf 2013 een duidelijke
vermindering van de overheidsschuldquote te realiseren (zie tabel IV in de
bijlage). Het stabiliteitsprogramma
van België voor 2012 is gebaseerd op een macro-economisch scenario
waarin de activiteit zich, na een stagnatie in 2012, licht herstelt in 2013
(+ 1,3 %) en vervolgens in 2014 en 2015 een duidelijker herstel laat
zien, hoewel de groei van het bbp naar verwachting onder de 2 % zal
blijven (respectievelijk + 1,7 % en 1,8 %). Voor 2012 en 2013
liggen deze verwachtingen heel dicht bij de in het voorjaar van 2012 door de
diensten van de Commissie gemaakte prognose, waarin sprake is van een groei van
het bbp van respectievelijk 0 % en + 1,2 %. Voor 2014 en 2015
liggen de groeiverwachtingen in het programma echter aanzienlijk hoger dan de
door de diensten van de Commissie geraamde potentiële groei (gemiddeld
1,1 % per jaar). Om
de door de Raad vastgestelde termijn in acht te nemen en het tekort in 2012 te
verminderen tot 2,8 % van het bbp, heeft de nieuw gevormde Belgische
regering in de begroting voor 2012, die in december 2011 is opgesteld, een
reeks consolidatiemaatregelen opgenomen die, volgens de begroting en het
stabiliteitsprogramma, neerkomen op ongeveer 3 % van het bbp. Daarin is
ook een aanvullende bevriezing van de uitgaven van ongeveer 0,35 % van het
bbp opgenomen. De diensten van de Commissie concludeerden dat, op basis van het
op dat moment prevalerende macro-economische scenario (een groeiverwachting van
0,9 % volgens de in het najaar van 2011 door de diensten van de Commissie
gemaakte prognose), de consolidatiemaatregelen in de begroting en de
aanvullende bevriezing, het tekort in 2012 zou uitkomen op 2,9 % van het
bbp. Sindsdien is de
groeiprognose aanzienlijk naar beneden bijgesteld, namelijk tot 0 %
(voorjaarsprognose 2012 van de diensten van de Commissie). In maart hebben
de Belgische autoriteiten een begrotingscontrole uitgevoerd die resulteerde in
de vaststelling van nieuwe maatregelen ten belope van ongeveer 0,3 % van
het bbp. Mede rekening houdend met enkele neerwaartse bijstellingen van de
uitgaven raamden de diensten van de Commissie de vermindering van het tekort
ceteris paribus op ongeveer 0,4 procentpunt van het bbp. Kader 2: Belangrijkste begrotingsmaatregelen Inkomsten || Uitgaven 2012 · Hervorming van het systeem van de "notionele interest": 0,4 % van het bbp · Verhoging van de belasting op dividenden en interest: 0,2 % van het bbp · Bestrijding van belastingontduiking: 0,2 % van het bbp · Afschaffing van het bankgeheim: 0,1 % van het bbp · Verhoging van de btw op betaal-tv en invoering van btw op diensten van notarissen en deurwaarders: 0,06 % van het bbp · Belasting op huizen die gratis ter beschikking van bedrijfsleiders worden gesteld: 0,05 % van het bbp · Verhoging van de accijnzen op tabaksproducten: 0,05 % van het bbp · Hervorming van de belasting op kapitaalwinst binnen ondernemingen: 0,05 % van het bbp · Niet-fiscale inkomsten: 0,2 % van het bbp || · Afschaffing van de subsidie voor schone auto's: - 0,1 % van het bbp · Verlaging van de overdrachten naar de spoorwegen: - 0,1 % van het bbp · Tragere toename van en aanvullende besparingen op de uitgaven voor gezondheidszorg: -0,6 % van het bbp Opmerking: Het begrotingseffect in de tabel is het effect zoals het door de nationale autoriteiten in het programma is vermeld. Een plusteken houdt in dat de inkomsten/uitgaven stijgen als gevolg van deze maatregel. De mate van gedetailleerdheid weerspiegelt het soort informatie dat in het stabiliteits‑ of convergentieprogramma en, in voorkomend geval, in een meerjarenbegroting beschikbaar is gesteld. De overheidslagen van Entiteit II (gewesten,
gemeenschappen en gemeenten) hebben ook maatregelen genomen om hun tekorten te
verminderen, die in het programma op 0,3% van het bbp in 2011 worden geraamd. Deze
maatregelen worden geacht hen in staat te stellen om in 2014 en 2015 weer een
evenwicht en een klein overschot (0,1% van het bbp) te bereiken. In hun voorjaarsprognose 2012 komen de
diensten van de Commissie op een tekort van 3% van het bbp uit, op basis van
een nulgroeihypothese en in het licht van de tegenvallende belastinginkomsten
gedurende de eerste maanden van het jaar. Bij een ongewijzigde beleidshypothese
voorspellen zij ook dat het tekort zal toenemen tot ongeveer 3,3% in 2013,
wanneer de gunstige gevolgen van het herstel ongedaan zullen worden gemaakt
door de autonome stijgende trend van de gezondheidszorg- en pensioenuitgaven,
alsook het afnemende effect van de eenmalige voor 2012 geplande maatregelen,
die worden geschat op ongeveer ½% van het bbp. Dit impliceert dat België
volgens de diensten van de Commissie waarschijnlijk in staat zal zijn om de
deadline van 2012 voor de correctie van het buitensporige tekort te halen, maar
dat er consolideringsmaatregelen vereist zijn, met name in 2013, om deze
correctie een duurzaam karakter te geven. Het in dit programma beschreven
consolideringstraject impliceert een forse toename van uitgaven (uitgedrukt als
percentage van het bbp) in 2012 en een langzamer stijging daarna: volgens planning zullen de uitgaven van 2011 tot en met 2015 met 2,6
procentpunt van het bbp stijgen, waarbij meer dan tweederde van deze stijging
(1,9 procentpunt van het bbp) in 2012 zal plaatsvinden. Parallel hiermee zullen
volgens de prognoses de uitgaven – na in 2012 met 0,9 procentpunt te zijn
gestegen – van 2012 tot en met 2015 met 2 procentpunt afnemen. Ten aanzien van
het nominale saldo is de consolidatie-inspanning naar een enigszins latere
datum doorgeschoven: de geplande daling van het nominale tekort zal in 2012 0,9
procentpunt van het bbp bedragen, in 2013 0,7, in 2014 1,0 en in 2015 1,1. De
maatregelen die deze consolidatie mogelijk moeten maken, zijn nog niet nader
uitgewerkt voor de jaren na 2012. De in het programma
uiteengezette doelstellingen liggen dicht bij die van het vorige programma, hoewel het macro-economische klimaat aanzienlijk minder gunstig is
(in het bijzonder voor 2012, waarvoor de toename van het bbp is bijgesteld van
2,3% tot 0,1%), hetgeen inhoudt dat de vereiste inspanningen substantieel
groter zullen zijn. Voor 2001 is de tekortdoelstelling, die 3,6% van het bbp
bedroeg, in grote lijnen gehaald (3,7%). Voor 2012 blijft de doelstelling van
2,8% ongewijzigd. Voor 2013 en 2014 zijn de nieuwe doelstellingen
(respectievelijk 2,15% en 1,1% van het bbp) enigszins minder ambitieus dan die
van het vorige programma (respectievelijk 1,8% en 0,8%). Voor 2015 is thans de
doelstelling een begrotingsevenwicht in plaats van een overschot van 0,2% van
het bbp. Kader 3. Buitensporigtekortprocedure
voor België Op 2 december 2009 besloot de Raad dat er in
België een buitensporig tekort bestond. De Raad beval de Belgische
autoriteiten aan om in 2012 een eind te maken aan de bestaande
buitensporigtekortsituatie. Voorts beval de Raad aan om het tekort binnen een
middellange-termijnkader op geloofwaardige en duurzame wijze tot onder de 3%
van het bbp in 2007 terug te dringen. De Belgische autoriteiten werd in het
bijzonder aanbevolen om a) de maatregelen ter vermindering van het
tekort in 2010 uit te voeren, zoals gepland in de ontwerp-begroting voor 2010
en de geplande begrotingsinspanning 2011 en 2012 te intensiveren, en b) zorg te dragen voor een gemiddelde
jaarlijkse begrotingsinspanning van ¾% van het bbp gedurende de periode
2010-2012. Een overzicht van de huidige situatie van de
buitensporigtekortprocedure kan worden geraadpleegd op: http://ec.europa.eu/economy_finance/economic_governance/sgp/deficit/index_en.htm.
In zijn aan België gerichte aanbeveling
adviseerde de Raad het structurele tekort te verbeteren tot gemiddeld ¾% van
het bbp gedurende de periode (zie kader 3). Het structurele tekort[5] nam in 2010 slechts met 0,5% procentpunt van het bbp af en steeg zelfs
met 0,2 in 2011. Voor de periode 2012-2915 is het in het programma
beschreven consolideringstraject echter in grote lijnen in overeenstemming met
de aanbeveling. Voor 2012 moet de tekortverbetering omstreeks 1,1
procentpunt van het bbp bedragen volgens het programma en 0,7 volgens de
diensten van de Commissie. Voor de periode na 2012 voorziet het programma in
een verbetering van het structurele tekort van 0,9 procentpunt van het bbp in
2013, 0,7 in 2014 en 0,8 in 2015, hetgeen een jaarlijkse gemiddelde verbetering
met omstreeks 0,9 procentpunt van het bbp in de periode 2012-2015 zou inhouden.
Voor 2013 verwachten de diensten van de Commissie een verbetering van 0,2
procentpunt van het bbp, maar dit lage cijfer is toe te schrijven aan het
“ongewijzigd beleid” - scenario waarop de prognose van dat jaar berustte. Volgens de informatie in het programma zal het
groeipercentage van de overheidsuitgaven ongerekend discretionaire maatregelen
aan de ontvangstenzijde in 2013 niet hoger liggen dan een percentage dat lager
ligt dan het middellangetermijnreferentiepercentage voor de potentiële groei
van het bbp (1,4%) en dat een jaarlijkse structurele aanpassing met 0,5%
van het bbp (0,4%) aan de begrotingsdoelstelling op middellange termijn
garandeert. Volgens de prognose van de diensten van de Commissie zal het
groeipercentage van de overheidsuitgaven ongerekend discretionaire maatregelen
aan de ontvangstenzijde in 2013 hoger liggen dan een percentage dat lager ligt
dan het middellangetermijnreferentiepercentage voor de potentiële groei van het
bbp (1,4%) en dat een jaarlijkse structurele aanpassing met 0,5% van het
bbp (0,4%) aan de begrotingsdoelstelling op middellange termijn garandeert. Voor
2014 en 2015 is gepland dat de reële groei van de overheidsuitgaven lager
uitvalt dan het lagere referentiepercentage. Wat de overheidsschuld betreft voorziet het
programma dat de schuldquote
geleidelijk daalt van een maximum van 99,4% dit jaar tot 92,3% in 2015. Daarentegen
voorzien de diensten van de Commissie dat als gevolg van de toename van de
tekortprognose voor 2013 en de extra leningen die benodigd zijn om de Belgische
bijdrage aan de EFSF, het ESM en de bilaterale leningen aan Griekenland te
financieren de schuldquote (overeenkomstig hetzelfde “ongewijzigd beleid”-
scenario) tot iets meer dan 100% zal stijgen in 2012 en in 2013 nog enigszins
zal blijven toenemen. België zal zich in een overgangsperiode
bevinden en de plannen zouden waarborgen dat er voldoende vooruitgang met de
naleving van het schuldcriterium wordt geboekt. Volgens de prognose van de
diensten van de Commissie zal er inderdaad voldoende vooruitgang met de
naleving van het schuldcriterium worden behaald. De aan België gerichte aanbeveling om zijn
buitensporig tekort voor 2012 weg te werken is kortom nog haalbaar. Als gevolg
van het gebrek aan speelruimte tussen het huidige geraamde tekort en de drempel
van 3% van het bbp kan echter niet worden uitgesloten dat er voor dit jaar
verdere maatregelen moeten worden genomen en een permanent toezicht is derhalve
noodzakelijk. Bovendien zullen er aanvullende consolidatiemaatregelen vereist
zijn, met name in 2013, om te waarborgen dat er op duurzame wijze een einde
wordt gemaakt aan het buitensporig tekort. Houdbaarheid op de
lange termijn De verwachte
wijzigingen in de leeftijdsgerelateerde uitgaven op de lange termijn liggen
duidelijk boven het EU-gemiddelde[6]. De aanvankelijk betrekkelijk gunstige begrotingssituatie ziet er
slechter uit door de kosten op de lange termijn. Op basis van de door de
diensten van de Commissie opgestelde simulaties zou de schuld bij een
“ongewijzigd beleid”- scenario in 2020 toenemen tot 105,8% van het bbp. Er
zouden aanzienlijke extra maatregelen voor begrotingsconsolidatie noodzakelijk
zijn achter de prognosehorizon om voortgang te boeken in de richting van de
referentiewaarde voor overheidsschuld op langere termijn. De onverkorte tenuitvoerlegging
van het programma zou evenwel volstaan om de schuld tegen 2020 op een
neerwaarts pad te brengen, ook al zou zij nog steeds hoger liggen dan de
referentie waarde van 60 % van het bbp. België heeft weinig armslag om zijn
reeds hoge fiscale druk nog te vermeerderen; Daarom zou het accent moeten komen
te liggen op een daling van de overheidsuitgaven om zijn houdbaarheidstekort te
verminderen. Het realiseren van voldoende hoge primaire overschotten op
middellange termijn en het verder hervormen van het Belgische
socialezekerheidsstelsel om de voorspelde aanzienlijke toename van de
leeftijdsgerelateerde uitgaven om te buigen, zouden de houdbaarheid van de
overheidsfinanciën ten goede komen. Begrotingskader Wegens de
gedecentraliseerde staatsstructuur van België, waarin de gewesten en
gemeenschappen een vrij grote budgettaire autonomie hebben, is coördinatie
van het begrotingsbeleid van de verschillende bestuursniveaus van wezenlijk
belang, en moeten automatische procedures worden ingesteld. Tijdens de
onderhandelingen over de vorming van een nieuwe federale regering na de
verkiezingen van 13 juni 2010 werd grote aandacht besteed aan de
herziening van de wet betreffende de financiering van de gemeenschappen en de
gewesten (Bijzondere financieringswet). 75% van de inkomsten van de gewesten en
gemeenschappen, die ongeveer een kwart van de totale overheidsuitgaven voor hun
rekening nemen, bestaat uit dotaties van de federale overheid. Die dotaties
worden elk jaar automatisch verhoogd om rekening te houden met de inflatie en
de groei van het bbp. Overeenkomstig het in december 2011 gesloten akkoord over
institutionele hervormingen zullen wijzigingen worden gebracht in het systeem
van transfers, zodat de gewesten en gemeenschappen meer verantwoordelijkheid en
meer fiscale autonomie krijgen, en zal het systeem van transfers worden
herzien. Hoewel het herziene systeem een verbetering is ten opzichte van het
vorige, is de opzet ervan niet fundamenteel veranderd, en volstaat het niet om
uitgavenontsporingen op de verschillende bestuursniveaus te voorkomen. Naast
een op regels gebaseerd meerjarig kader voor de overheden, vooral wat de
uitgaven betreft, zou het nuttig zijn om een soort intern stabiliteitsprogramma
te hebben om steviger, automatische verbintenissen van de gewesten en
gemeenschappen en van de plaatselijke autoriteiten zeker te stellen en af te
dwingen, teneinde de voor hen gestelde doelen inzake begrotingstekort te
bereiken. Belastingen De Belgische
belastingquote is een van de hoogste van de EU. Kenmerkend voor het Belgische
belastingstelsel is het vrij grote aandeel rechtstreekse belastingen, dat het
grote belang van de inkomsten- en vennootschapsbelasting weerspiegelt. Het
aandeel van de indirecte en milieubelastingen is daarentegen een van de laagste
van de EU. Een gemiddelde groei die lager is dan in de buurlanden en stijgende
loonkosten pleiten voor een structurele hervorming van het belastingstelsel,
dat momenteel is gebaseerd op groeiverstorende belastingen, met name
belastingen op arbeid. Kader
4: Overzicht van de wijzigingen in het Belgische belastingstelsel ·
Verhoging van
de belastingvrijstelling voor lage en middelgrote inkomens en verlaging van de
socialezekerheidsbijdragen voor de eerste drie werknemers die kleine en
middelgrote ondernemingen vanaf 2013 aanwerven. ·
Snoeien in de
aftrekken van de inkomstenbelasting, met name bij de aftrek voor
energie-efficiënte investeringen. ·
Geplande
afschaffing van de aftrekbaarheid van hypothecaire aflossingen, die vanaf 2014
zullen worden vervangen door gewestelijke belastingmaatregelen. Daar de
gewesten nog niet hebben beslist welke maatregelen zij zullen invoeren, is het
nog onzeker welke weerslag de afschaffing van deze belastingfaciliteit zal
hebben. ·
Verhoging van
de vermogensbelasting door een verhoging van de bronbelasting op interesten en
dividenden, door de invoering van een solidariteitsheffing op roerende
inkomsten en door de invoering van een belasting op beurstransacties voor
kortetermijninvesteringen. ·
Verhoging van
de vennootschapsbelasting, nu de notionele intrestaftrek tot 2014 wordt beperkt
tot 3% van het eigen vermogen. ·
Vermindering
van de subsidies die worden verstrekt via de belastingaftrek voor
bedrijfswagens. ·
Hervorming
van de belasting op inverkeerstelling door de gewesten. De herziene
autobelasting in het Vlaams Gewest is geheel gebaseerd op de CO2-uitstoot
en op de norm voor de luchtkwaliteit waaraan de auto voldoet. Per
1 januari 2012 versterkte het Waals Gewest zijn op CO2
gebaseerde Ecobonus/-malusregeling voor de inschrijving van een auto, die wordt
toegepast bovenop de federale autobelasting. ·
Het Vlaams
Gewest bracht kleine wijzigingen aan aan de heffing voor het storten en
verbranden van afvalstoffen, en heeft plannen om de afvalwaterheffing te
splitsen in een regulerende en een financierende component. De belastingmaatregelen
in het begrotingsakkoord (zie kader 4) zijn over het algemeen
groeivriendelijk, daar het niet de belastingen op arbeid maar de
verbruiksbelastingen zijn die worden verhoogd, en er plannen zijn om de belastinginning
doeltreffender te maken. De btw-grondslag is vergroot door de diensten van
notarissen daarin op te nemen en door het verlaagd tarief voor
digitaletelevisiediensten af te schaffen. Verder zijn de accijnzen op
tabaksproducten verhoogd. De regering heeft ook besloten om de fiscale en
sociale fraude beter te bestrijden door de bevoegdheden van de
controle-instanties uit te breiden en hun onderlinge samenwerking te
verbeteren. Het is echter niet waarschijnlijk dat de nieuwe maatregelen de
belastingdruk op arbeid zullen verlichten of het concurrentienadeel inzake
loonkosten zullen verminderen. Er wordt nauwelijks gebruik gemaakt van de
mogelijkheid om de btw-inkomsten verder te verhogen en de vermogensbelasting te
baseren op de huidige marktwaarde. Aangaande de verhoging van
verbruikbelastingen moet worden opgemerkt dat het normale btw-tarief in België
vergelijkbaar is met dat van de buurlanden, en dat verdere verhogingen de
binnenlandse consumptie kunnen schaden en de degressieve aard van het Belgische
belastingstelsel kunnen verergeren, hetgeen ongewenste sociale gevolgen kan
hebben. Het ware dan ook te verkiezen om de btw-efficiëntie te verbeteren door
verlaagde tarieven en vrijstellingen te schrappen in plaats van het normale
tarief te verhogen. Bovendien is er nog veel
ruimte om het belastingstelsel groener te maken. Brandstoffen worden niet
stelselmatig belast naar hun energie-inhoud, en hoewel de gewijzigde belasting
op bedrijfswagens het verlies van belastinginkomsten beperkt, spoort zij de
chauffeurs niet aan om het privégebruik van hun auto te verminderen. Een
koolstofheffing voor emissies van zowel de huishoudens als de vervoersector zou
de omschakeling naar groene groei en een minder emissie-intensieve economie
ondersteunen en helpen het fileprobleem aan te pakken. Bovendien zou een
verhoging van de vrij lage brandstofbelastingen en de vermindering van
belastingvrijstellingen voor bedrijfswagens en pendelaars nuttig zijn om de
toenemende emissies van de wegvervoersector een halt toe te roepen en die
emissies uiteindelijk te verminderen, gelet op het gebrek aan vooruitgang met
betrekking tot deze doelstelling. 1.4. 3.2. Financiële sector Financiële
stabiliteit De financiële
positie van de Belgische banken blijft kwetsbaar. De
gemiddelde solvabiliteitsratio steeg in 2010, toen de banken weer winstgevend
werden, maar daalde weer in 2011, vooral wegens waardeverminderingen van
buitenlandse investeringen. De verhouding tussen de onrendabele leningen en de
totale brutoleningen is sinds 2009 stabiel gebleven (op 2,9 %), maar is nog
niet teruggevallen tot het lagere niveau van voor de crisis (1,2 % in 2007). Hoewel
de risicopositie van de Belgische banken sinds 2008 sterk is verbeterd, blijven
die banken bovendien kwetsbaar wegens hun grote vorderingen op staten van de
eurozone die rechtstreeks te lijden hebben onder de staatsschuldencrisis en op
Centraal- en Oost-Europese landen. Volgens de resultaten van de stresstest van
de Europese Bankautoriteit van juli 2011 bevond geen Belgische instelling zich
onder het vereiste basisvermogen van 5% (tier 1-kapitaal) (banken bevonden zich
boven een basisvermogen van 10% (tier-1kapitaal)) Na de conclusies van de
Europese Raad voldeed in de context van de door de Europese Bankautoriteit
gecoördineerde tijdelijke bankherkapitalisatie alleen Dexia niet aan een hoger
minimaal basisvermogen van een tier-1 kapitaal van 9% van risicogewogen activa
na verrekening van de staatschuldportefeuille tegen marktprijzen. De Belgische autoriteiten namen actief deel aan de herstructurering
van Dexia nadat de Dexia-holding ondanks het betere toezichtkader in
oktober 2011 ten onder was gegaan. Zij hebben van de groep met name de (in
maart 2012 tot "Belfius" omgedoopte) Belgische dochter overgenomen en
de Dexia-holding staatswaarborg[7] verleend. De stroomlijning van de groep is nog niet voltooid, en
verdere herstructureringen zijn noodzakelijk. KBC heeft haar
herstructureringsplan gevolgd, dat verschillende desinvesteringen en
verminderingen van het balanstotaal omvat. Begin januari 2012 betaalde de bank
de federale regering 500 miljoen EUR (plus 75 miljoen EUR rente)
terug, en tegen eind 2013 moet 6,5 miljard EUR zijn terugbetaald. Het regeerakkoord van
december 2011 bevat een aantal maatregelen voor strenger toezicht op de
banken, beter management en krachtiger kapitaalbuffers. Om het toezicht op
de banken (na de invoering van het "Twin-Peaksmodel"[8] in april 2011) nog te
verbeteren, besliste de nieuwe federale regering om de rol van het Parlement
inzake controle op de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten (FSMA) te
versterken. De FSMA zal worden omgevormd tot een sterkere en onafhankelijke
regulator die ten dienste staat van de consument van financiële diensten. Het
management van de banken profiteerde van de invoering van een "banktestament",
dat de procedures beschrijft die moeten worden gevolgd in een crisissituatie. Beslist
werd ook dat banken die staatssteun hebben ontvangen, geen bonussen mogen
uitkeren totdat de staatssteun is terugbetaald. Overeenkomstig de aanbeveling
van 2011 werd de regering het erover eens dat de herstructurering van de banken
moet worden voortgezet en afgewerkt om te zorgen voor een beter risicobeheer en
grotere solvabiliteit van de banken. Financiering van
de economie Ondanks strengere
financieringsvoorwaarden (die hun weerslag vinden in een grotere vraag naar
leningen van het Eurosysteem[9])
bleven de leningen aan niet-monetaire financiële instellingen (niet-MFI's)
toenemen, zij het minder snel dan voor de crisis. Terwijl
de leningen aan de gezinnen ruwweg stabiel bleven, verminderde het aantal
leningen aan de bedrijven, hoewel de Belgische kleine en middelgrote
ondernemingen nog steeds betere toegang hebben tot financiële steun van de
overheid dan soortgelijke ondernemingen in andere EU-landen[10]. Overeenkomstig
de in de JGA 2012 uitgedrukte prioriteit van herstel van de kredietverlening
aan de reële economie, is een aantal initiatieven genomen om de toegang van
kmo's tot financiering te verbeteren, waaronder de oprichting van
"Concileo" als een permanent bemiddelingsplatform in het Waals gewest
en de aanstelling van een "kredietbemiddelaar" (op centraal en
gewestelijk niveau) om kmo's die financiële problemen ondervinden bij te staan
en om ondernemingen te helpen bankfinancieringen te verkrijgen. De federale
regering lanceerde een tweede "Startersfonds", dat een lening van
300 miljoen EUR extra middelen verstrekt om het Participatiefonds in staat
te stellen startende ondernemingen te financieren. 1.5. 3.3. Arbeidsmarkt-, onderwijs- en
sociaal beleid De weinig
dynamische aard van de Belgische arbeidsmarkt is het resultaat van de
wisselwerking van een aantal in de aanbevelingen van de Raad van 2011 belichte
aspecten, zoals een lage effectieve pensioenleeftijd als gevolg van
betrekkelijk soepele criteria om voor vervroegde uittreding in aanmerking te
komen (leeftijd en duur van het beroepsleven) en de vele systemen voor
vervroegde uittreding (LSA 2), de negatieve effecten van de huidige
loonvormingsmechanismen, met inbegrip van het loonindexeringsstelsel
(LSA 4), hoge belastingdruk op arbeid en hoge socialezekerheidsbijdragen
(LSA 5), en negative prikkels om te gaan werken als gevolg van een
onvoldoende degressief systeem van werkloosheidsuitkeringen (LSA 5), in
combinatie met tamelijk ontoereikende actieve arbeidsmarktmaatregelen
(LSA 5). De gemaakte vorderingen bij de aanpak van deze verschillende
kwesties zijn zeer uiteenlopend. België heeft een begin gemaakt met een
hervorming van zijn socialezekerheidsstelsels voor wat betreft de ouderdoms- en
werkloosheidsuitkeringen. Er is echter geen vooruitgang geboekt met de
verschuiving van de belastingdruk van arbeid naar andere gebieden of met de
hervorming van het huidige loononderhandelingsstelsel (zie 4.4). Meer in het
bijzonder heeft de nieuwe federale regering in december 2011 in reactie op de
aanbevelingen van 2011 een akkoord bereikt over een langverwachte hervorming
van het Belgische socialezekerheidsstelsel voor ouderen, bedoeld om de
arbeidsparticipatie van de oudere werknemers[11] te
stimuleren en leeftijdsgerelateerde uitgaven in toom te houden (aangezien de
kosten van de vergrijzing in België aanzienlijk hoger liggen dan het
EU-gemiddelde). De hervorming heeft als belangrijkste doel om het werkzame
leven te verlengen door de criteria om in aanmerking te komen voor vervroegde
uittreding aan te scherpen (leeftijd, minimale duur van de loopbaan) en door de
stelsels voor vervroegde uittreding of "prepensioensystemen"
geleidelijk af te bouwen. Voorts zullen zowel de publieke als particuliere
pensioenregelingen minder royaal worden doordat de berekeningsgrondslag van het
pensioen wordt verlengd van de laatste vijf jaar tot de laatste tien jaar van
het werkzame leven en doordat tijdens niet-werkzame perioden opgebouwde
pensioenrechten worden verminderd. Ten slotte zullen een aantal bijzondere
pensioenregelingen geleidelijk verdwijnen. De hervorming is een belangrijke
stap in het kader van de initiatieven om leeftijdsgerelateerde uitgaven te
beteugelen en actieve vergrijzing te bevorderen. De overgangsperioden voor de
geleidelijke invoering van de nieuwe regels zijn betrekkelijk kort en het
effect van de genomen maatregelen zal in beslissende mate afhangen van de
consequentie waarmee ze ten uitvoer worden gelegd, de op te zetten
toezichtsregelingen en van de strengheid waarmee misbruik van eventuele lacunes
(bijvoorbeeld in de ziekte- en arbeidsongeschiktheidsregelingen) wordt
aangepakt. Aanvullende maatregelen die de stijging van de uitgaven in het
gezondheidsstelsel in toom houden en die een koppeling tot stand brengen tussen
de wettelijke pensioenleeftijd en de toegenomen levensverwachting zouden verder
bijdragen tot de duurzaamheid van de overheidsfinanciën op de lange termijn. Afgezien van
maatregelen om de criteria voor vervroegde uittreding aan te scherpen en de
stelsels voor vervroegde uittreding geleidelijk af te bouwen kwam de regering
een aantal nieuwe initiatieven ter ondersteuning van actieve vergrijzing
overeen: i) met ingang van april 2012 zijn de socialezekerheidsheffingen op
de werkgeversbijdragen aan de prepensioenregeling zijn gestegen om misbruik van
de stelsels voor vervroegde uittreding tijdens herstructureringen tegen te
gaan; ii) tenzij de sociale partners collectieve arbeidsovereenkomst afsluiten
die hetzelfde doel dient, zouden de werkgevers van middelgrote en grote
ondernemingen wettelijk verplicht worden om een jaarlijks actieve
vergrijzingsstrategie op te stellen, waarin de door hen beoogde maatregelen
worden uiteengezet om de arbeidskansen van werknemers van ouder dan 45 jaar te
handhaven en/of te vergroten; iii) bij collectieve ontslagen zouden werkgevers
verplicht worden de ontslagen evenredig te spreiden over de diverse in het
bedrijf werkzame leeftijdsgroepen. In reactie op de
aanbevelingen van 2011 is België goed gevorderd met de hervorming van zijn
systeem, maar initiatieven om de fiscale last op lonen te verlagen zijn
beperkt gebleven. Er is een nieuw belastingkrediet ingevoerd, maar gezien
de geringe bedragen waarom het gaat (max. 120 EUR per jaar) is het volstrekt
onvoldoende om een einde te maken aan de aanzienlijke werkloosheidsval aan de
onderkant van de loonschaal. Pogingen ter vermindering van de belastingwig en
de (para)fiscale druk op het arbeidsinkomen, die tot hoogste in de EU behoort,
te verminderen zouden de prikkels om te gaan werken versterken. Om de fiscale
duurzaamheid te kunnen behouden, moet de verlaging van de arbeidsbelasting
worden opgevangen door een stijging van meer groeivriendelijke belastingen,
zoals periodieke belastingen op onroerend goed, en milieu- en
consumptiebelastingen. Anderzijds bevat
het regeerakkoord van 2011 een tamelijk gedetailleerd voorstel voor een hervorming
van het werkloosheidsstelsel, waardoor de degressiviteit van de
werkloosheidsuitkeringen op termijn zou toenemen, zonder dat deze volledig
verdwijnen (zie kader 5). Evenals de hervorming van het
socialezekerheidsstelsel voor ouderen zijn de beoogde maatregelen voor de
werkloosheidsuitkeringsregeling in overeenstemming met het uitgangspunt van de
aanbevelingen van de Raad, namelijk dat zij sterkere prikkels bieden om te gaan
werken. Voorts zou een actiever handhaving van de naleving van de voorwaarden
om in aanmerking te komen voor werkloosheidsuitkeringen een krachtiger prikkel
bieden om werk te zoeken. Afgezien van de door de regering ingevoerde grotere
degressiviteit van de werkloosheidsuitkeringen, zouden de stimulansen om werk
te zoeken kunnen worden verbeterd door ervoor te zorgen dat de uitkeringen
zodanig worden opgezet dat werk lonend wordt voor alle sociaaleconomische
groepen, en gepaard gaan met adequaat activeringsbeleid. Kader 5 — Hervorming van het stelsel van werkloosheidsuitkeringen De hervorming bestaat uit
twee onderdelen, namelijk 1) de wachtuitkering voor jonge werklozen die nog
niet hebben bijgedragen of nog niet voldoende hebben bijgedragen aan het
socialezekerheidsstelsel en 2) de reguliere werkloosheidsuitkeringsregeling. 1) De wetsvoorstellen
betreffende de hervorming van de wachtuitkering werden eind december
2011 door het Parlement goedgekeurd en werden op 1 januari 2012 van kracht. Hierdoor
worden de criteria voor dit specifieke soort werkloosheidsuitkering in diverse
opzichten aangescherpt: i) de "wachttijd" voor de toekenning van een
uitkering wordt voor alle nieuwe aanvragers verlengd tot twaalf maanden (in
plaats van negen) en veranderd in een "beroepsinschakelingstijd"
waarin actief op zoek naar werk moet worden gegaan, ii) er zal een periodieke
evaluatie van de zoekinspanningen worden ingevoerd en een verlenging van de
uitkering zal alleen worden toegestaan na een positieve evaluatie, en iii) in
de regel zal de duur van de uitkeringsperiode worden beperkt tot ten hoogste
drie jaar, zij het met enkele uitzonderingen. 2) De wetsvoorstellen
betreffende de hervorming van de reguliere werkloosheidsuitkering worden
momenteel uitgewerkt. Volgens het regeerakkoord zou het nieuwe systeem tot een
grotere degressiviteit van de werkloosheidsuitkeringen leiden dan het huidige
en zou het voor alle rechthebbende werkzoekenden gaan gelden, ongeacht de
samenstelling van hun huishouden. Na een bepaalde periode (afhankelijk van het
aantal gewerkte jaren, maar niet langer dan vier jaar) zal de rechthebbende tot
een forfaitair bedrag terugvallen. Deze hervorming zal naar verwachting
gedurende de komende jaren door het Parlement worden goedgekeurd. Ten slotte
besteedt België een betrekkelijk hoog gemiddeld bedrag aan actieve
arbeidsmarktmaatregelen[12], maar dit beleid is minder doeltreffend als gevolg van een aantal
factoren, zoals de beperkte coördinatie van de institutionele actoren die
bijdraagt tot een geringe interregionale arbeidsmobiliteit en een versnipperde
beleidsuitvoering (met name de diverse niveaus waarop activering, uitkeringen
en sancties worden beheerd, hetgeen leidt tot grote vertragingen bij het volgen
van werkzoekenden en een versnipperde implementatie van het beleid),
onvoldoende begeleiding van oudere werkzoekenden, aanzienlijke werkloosheids-
en inactiviteitsvallen en prikkels die een ontmoedigend effect hebben op
doorwerken na de leeftijd van 55 jaar. De beide laatstgenoemde kwesties worden
ten dele aangepakt door het aanzwengelen van de hierboven beschreven
hervormingen van de sociale zekerheidsstelsels voor werklozen en ouderen. Ondanks
de in het NHP voor 2011 gedane toezegging zijn echter de plannen niet
geïmplementeerd die voorzien in een verhoging van de leeftijdsgrens waaronder
de naleving van de voorwaarden om in aanmerking te komen voor
werkloosheidsuitkeringen actief worden gecontroleerd door de Rijksdienst voor
Arbeidsvoorziening (RVA). Als gevolg hiervan wordt er door de federale autoriteiten
die uitkeringen verstrekken aan werkzoekenden boven de 50 jaar, geen toezicht
gehouden op de naleving van de verplichting om actief werk te zoeken. Volgens
het regeerakkoord en het nationale hervormingsprogramma zal dit
leeftijdsplafond echter in twee fases worden verhoogd, tot 55 jaar (in 2013) en
tot 58 jaar (in 2016). Wetsvoorstellen op dit gebied staan nog op stapel[13]. Ten slotte is
België - ondanks de onverminderde spanning en de talloze tekorten op de
arbeidsmarkt - een van de weinige EU-lidstaten waar de participatie aan een
leven lang leren het afgelopen decennium ingrijpend is afgenomen. Er
bestaan echter duidelijke verschillen tussen het op gewestelijk niveau gevoerde
beleid om het hoofd te bieden aan de problematiek van beroepen waar sprake is
van tekorten en een slechte afstemming van vaardigheden (zie kader 6). Kader 6 — Vorderingen op
het gebied van een levenlang leren en onderwijs In reactie op de grote
spanningen en tekorten op de arbeidsmarkt en ter bestrijding van de jeugdwerkloosheid
hebben alle gemeenschappen/gewesten maatregelen ontwikkeld om
vaardigheidslacunes vast te stellen en vóór te zijn. Een nauwere coördinatie
tussen de arbeidsmarkt en het onderwijs, alsook maatregelen ter hervorming van
beroepsonderwijs en -opleiding worden als prioriteiten gezien binnen het
huidige onderwijs- en opleidingsbeleid. De Vlaamse Gemeenschap
heeft een geïntegreerd beleid uitgestippeld om knelpuntberoepen aan te pakken,
door tegelijkertijd zowel een hervorming van het schoolsysteem na te streven
met het oog op de herwaardering van het technische en beroepsonderwijs als een
betere samenwerking tussen opleidingscentra en sectorale organisaties om een
aanbod van een leven lang leren tot stand te brengen dat afgestemd is op de
behoeften van de arbeidsmarkt. Tezelfdertijd voert de Vlaamse gewestelijke
dienst voor arbeidsbemiddeling een proactief beleid van loopbaanheroriëntatie
uit, waardoor werkzoekenden met kwalificaties waarnaar minder vraag is worden
aangemoedigd om nieuwe mogelijkheden te verkennen in toekomstgerichte sectoren.
Hoewel de Franse Gemeenschap soortgelijke initiatieven ontplooit, hebben deze
minder ambitieuze streefdoelen en zijn minder geïntegreerd. Bovendien reikt de huidige hervorming niet
verder dan 2014 en gaat de hervorming van beroepsonderwijs en –opleiding niet
gepaard met een empirisch onderbouwde strategie om vroegtijdig schoolverlaten
aan te pakken, ondanks het feit dat de percentages vroegtijdige schoolverlaters
hoger liggen dan het nationale gemiddelde en in het bijzonder zorgwekkend zijn
in Brussel (18,4% in 2010 tegenover een nationaal gemiddelde van 11,9% en een
EU-gemiddelde van 14,1%). Jongeren met een migrantenachtergrond lopen een
tweemaal zo hoog risico op vroegtijdige schooluitval (21,9% tegenover 10,7%). België heeft zich
relatief goed staande weten te houden bij de bestrijding van armoede en
sociale uitsluiting. Ondanks de financiële en economische crisis is zowel
het percentage personen die een armoede- of uitsluitingsrisico lopen als het
percentage personen die onder relatieve inkomensarmoede gebukt gaan de
afgelopen drie jaar min of meer stabiel gebleven op niveaus die onder de
overeenkomstige gemiddelden voor de EU-27 lagen. Niettemin steekt België op het
vlak van de gepensioneerden ongunstiger af: 21% van de leeftijdsgroep van 65
jaar en ouder loopt een risico op armoede (d.w.z. heeft een inkomen van minder
dan 60% van het mediane inkomen) in 2010 tegenover een EU-gemiddelde van 15,9%. In 2011 werd er
geen specifieke aanbeveling in verband met de bestrijding van de armoede en
sociale uitsluiting aan België gericht, zij het dat de aanbeveling refereerde
aan de noodzaak om actieve arbeidsmarktmaatregelen voor kwetsbare groepen te
treffen. Migranten nemen onder deze groepen een belangrijke plaats in. Terwijl
het gemiddelde EU-percentage van personen die een armoederisico lopen onder
onderdanen van derde landen 41,8% bedraagt, steekt België hierbij ongunstig af
, met 63,4%, het hoogste percentage in de EU. Onderdanen van derde landen van
binnen de EU presteren beter, met 25,5% tegenover een EU-gemiddelde van 28,2%. Het
geringe onderwijsniveau en de onzekere arbeidsmarktsituatie van migranten zijn
kennelijk de voornaamste drijvende krachten achter deze verontrustende cijfers.
Het werkgelegenheidscijfer van onderdanen van derde landen is met 39,6%
verreweg het laagste in de EU en het onderscheid met het algemene
werkgelegenheidscijfer is de afgelopen jaren hoog gebleven. Bovendien hebben
onderdanen van derde landen die voltijds aan het arbeidsproces deelnemen, dikwijls
onzekere en tijdelijke banen en zijn zij vaker overgekwalificeerd dan Belgen. Migranten
lopen ook een veel groter risico op relatieve inkomensarmoede dan autochtone
Belgen, en een onevenredig groot aantal van hen maakt deel uit van huishoudens
met een zeer geringe arbeidsintensiteit, waardoor zij veel meer aan het risico
van "overerving" van armoede en sociale uitsluiting blootstaan dan de
autochtone Belgische bevolking. Er is een brede strategie benodigd om deze
groepen op de arbeidsmarkt te integreren. 1.6. 3.4. Structurele maatregelen voor groei en
concurrentievermogen Kostenconcurrentievermogen
Het Belgische
(kosten- en niet-kosten-)concurrentievermogen is er de laatste jaren op
achteruit gegaan. De situatie van de lopende rekening is verslechterd en
België verliest aan marktaandeel op de exportmarkten. Figuur 1: de ontwikkeling van de nominale
arbeidskosten per eenheid in België, zijn buurlanden en de Eurozone Bron: Ameco Arbeidskosten
per eenheid hadden de neiging sneller te stijgen in
België dan in de buurlanden, vooral sinds 2005 (zie figuur 1). De beslissing
van de regering om de reële groei van de lonen tijdens de periode 2011-2012 tot
0,3 % te beperken (de zogenaamde "loonnorm"), kon niet voorkomen
dat de nominale lonen sterker stegen dan in de buurlanden, aangezien de
inflatie in België bij de opening van de loononderhandelingen hoger uitviel dan
verwacht en hoger was dan in de buurlanden. Bevordering van het gebruik van
"all-in-clausules" die de tijdelijke opschorting van de indexering
toestaan als de inflatie hoger is dan de loonstijging op basis van de loonnorm,
zou in dit opzicht nuttig zijn. Hogere lonen zijn
geen probleem, zolang deze gepaard gaan met kwaliteitsproducten en hogere
productiviteit. België is echter hoofdzakelijk gespecialiseerd in low- tot
medium-tech-goederen, en daarvoor is de prijsconcurrentie belangrijker dan de
concurrentie op kwaliteit. In de tweede plaats was de productiviteitsgroei
lager dan bij de belangrijkste handelspartners van België en in de eurozone. In
2011 werd in de beoordeling van het nationale hervormingsprogramma een
hervorming van het systeem voor het voeren van loononderhandelingen — en van de
loonindexering — voorgesteld als een manier om het concurrentievermogen te
verbeteren (LSA 4). Er werd echter geen vooruitgang geboekt wat de hervorming
van het systeem voor het voeren van loononderhandelingen en van de
loonindexering betreft. In plaats van het
systeem voor het voeren van loononderhandelingen te hervormen, probeert de
huidige regering het probleem aan de pakken dat volgens haar de echte oorzaak
is van het verslechterende kostenconcurrentievermogen van België, namelijk de inflatoire
druk door de prijsstijgingen van energie en basisproducten. In vergelijking
met het gemiddelde voor de eurozone weegt de prijs van ruwe olie in België zeer
zwaar door in de algemene inflatie. Het concurrentievermogen van de Belgische
economie zou ook verbeterd kunnen worden door i) de concurrentie in en het
toezicht op de energiesector te verbeteren (zodat de prijzen concurrerender
worden) en ii) de energie-efficiëntie en het efficiënte gebruik van hulpbronnen
te verbeteren. i) Met het oog op
een strikte prijscontrole heeft het demissionaire kabinet het
Prijzenobservatorium in maart 2011 extra bevoegdheden verleend om onderzoeken
in te stellen in sectoren waar kennelijk concurrentieverstoring plaatsvindt,
alsook om prijstrends te analyseren. De regering heeft de kleinhandelsprijzen
voor energie bevroren tussen april 2012 en het eind van het jaar. De regering
heeft ook een aantal structurele maatregelen aangekondigd die in de komende
maanden ten uitvoer moeten worden gelegd[14], hoewel
het merendeel van die maatregelen niet beoogt het concurrentievermogen te
verbeteren, maar de uiteindelijke energiefactuur van de eindgebruiker te verlagen[15]. Maatregelen om de inflatiedruk tegen te gaan door de stijgingen
van de energieprijzen te beperken, zijn welkom, maar prijscontroles kunnen in
een geliberaliseerde energiemarkt niet het favoriete instrument zijn. De
prijscontrole zal de investeringen in de Belgische energiesector waarschijnlijk
negatief beïnvloeden, terwijl een tekort aan investeringen in de
energieproducerende sector een probleem vormt gezien de veroudering van veel
energiecentrales. Deze maatregelen kunnen de verschillende spelers in deze
sector ook ongelijk treffen. Om het concurrentievermogen structureel te
verbeteren en concurrerender energieprijzen te waarborgen, is het van belang de
kostenefficiëntie van het distributienetwerk te verbeteren[16] en de drempels voor de toegang tot de markt (in het bijzonder tot de
groothandelsmarkt[17]) te verlagen. Op dit vlak dienen de inspanningen te worden voortgezet
om de koppelingscapaciteit te verbeteren en het fysieke elektriciteitsnet en
de elektriciteitsmarkten van België en zijn buurlanden te integreren. Dat
zou ook het verwachte tekort aan binnenlandse productie tegen 2015 helpen
compenseren. Er is ruimte om de
coördinatie tussen de mededingingsautoriteit en de sectorale regelgevers te
verbeteren en aldus de concurrentieregels op de energiemarkt beter te
handhaven. De Belgische autoriteiten hebben substantiële hervormingen
aangekondigd, en er zal worden voorzien in een nieuwe structuur voor de
Belgische mededingingsautoriteit. Het is evenwel nog onduidelijk of de nieuwe
autoriteit voldoende garanties inzake onafhankelijkheid en voldoende middelen
zal krijgen. ii) Meer
energie-efficiëntie zou niet alleen de Belgische milieuprestaties op het
vlak van emissies en energiebesparing verbeteren; het zou ook invloed hebben op
het energieverbruik en de energiekosten (vooral in de vervoersector en de
huishoudens), en zou gunstig afstralen op het concurrentievermogen. België
heeft een reeks maatregelen met betrekking tot energie-efficiëntie genomen die
de meeste sectoren bestrijken. De nadruk ligt met name op de renovatie van
bestaande gebouwen. Verwacht wordt dat de lopende acties die gericht zijn op
residentiële en tertiaire gebouwen, maar ook op de grondige renovatie van
overheidsgebouwen door middel van promotieprogramma's, tot een betere
energie-efficiëntie zullen bijdragen. Niet-kosten-concurrentievermogen Behalve het onder
controle houden van de lonen en (energie-) kosten, zijn er ook niet-kostenfactoren
(O&O, onderwijs, ondernemingsklimaat) die het concurrentievermogen kunnen
verbeteren. De O&O-intensiteit
is in de periode 2000-2010 gestagneerd: zij is namelijk slechts gestegen
van 1,97 % tot 1,99 % van het bbp. Hoewel de overheidsinvesteringen in O&O
stegen in deze periode (van 0,55 % tot 0,67 % van het bbp), daalden
de particuliere investeringen in O&O (van 1,42 % tot 1.32 % van
het bbp). Dat was toe te schrijven aan wijzigingen van de economische
structuur, die meer dienstengeoriënteerd is geworden. De overheersende rol van
de dienstensector in België zou specifieke maatregelen ter verbetering van de
kennisintensiteit van deze sector op langere termijn rechtvaardigen. De
federale regering staat voor onderzoekers een vrijstelling van de loonbelasting
van 75 % toe, en alle gewesten en gemeenschappen hebben strategische
innovatiebenaderingen uitgewerkt die belangrijke aspecten van een succesvolle
innovatiestrategie omvatten[18]. Desalniettemin zou
overwogen moeten worden vraagzijde-beleidsinstrumenten, zoals bijvoorbeeld een
innovatieve aanpak van overheidsopdrachten, systematischer te integreren in het
nationale en regionale beleid inzake onderzoek en innovatie. Verder
dient gezorgd te worden voor passende mechanismen om de algemene coherentie te
waarborgen van de verschillende beleidsinitiatieven inzake onderzoek en
innovatie die op federaal, gemeenschaps- en regionaal niveau worden genomen, en
om ervoor te zorgen dat potentiële synergieën volledig benut worden. Het is
eveneens van groot belang dat jong talent wordt aangetrokken voor de
studierichtingen wetenschappen en engineering, zodat wordt voorkomen dat een
vaardighedentekort ontstaat dat toekomstige particuliere investeringen in
O&O misschien ontmoedigt. Teneinde het
ondernemingsklimaat verder te verbeteren, heeft de nieuwe federale regering
zich ertoe verbonden een aantal fiscaal voordelige maatregelen voor kmo's te
handhaven, de administratieve belasting te verminderen (het
"one-stop-shop"-beginsel en betere elektronische communicatie met de
overheidsinstanties), de sociale status van zelfstandigen te verbeteren en de
O&O-inspanningen te vergroten. Wat de tenuitvoerlegging van de
dienstenrichtlijn in België betreft, zij erop gewezen dat er in de
dienstensector nog steeds beperkingen zijn, met name in het toerisme, de
vastgoedsector, rijscholen, beroepsopleiding en de gereglementeerde beroepen. Hoewel
de one-stop-shop in België goed ingeburgerd is en de informatieverstrekking
over het algemeen goed is, is er ruimte voor verbetering op het gebied van de
gebruiksvriendelijkheid, de onlineafwikkeling van procedures, een betere
integratie van het centrale portaal en de negen gedecentraliseerde
contactpunten, en een betere bekendheid van de one-stop-shops bij de
ondernemingen. Concurrentie in
postdiensten, vervoer en telecommunicatie EU-richtlijnen
hebben de markt van de postdiensten geleidelijk voor concurrentie opengesteld,
zodat nieuwe exploitanten en innovatieve diensten hun intrede konden doen en de
concurrentie op het gebied van kwaliteit en prijs van postdiensten werd
bevorderd. In België is de gewijzigde wetgeving inzake postdiensten, en
met name de bepaling inzake verantwoorde voorwaarden voor de toekenning van een
vergunning, echter zeer zorgwekkend. Bovendien
wordt de historische exploitant van postdiensten nog steeds overmatig
gecompenseerd voor de taken van openbare dienstverlening, met name voor het
bestellen van kranten en tijdschriften. Wat het vervoer
betreft, zou een meer concurrentiegedreven beleid gevoerd moeten worden teneinde het functioneren van de interne markt voor vervoer verder te
verbeteren. In de spoorwegsector is de bestaande holdingstructuur van de NMBS,
die zowel de dienstverlener als de infrastructuurbeheerder omvat, complex en
niet transparant. In tegenstelling tot andere lidstaten heeft België zijn
binnenlandse markt voor passagiersvervoer bovendien nog niet voor concurrentie opengesteld.
Er is vooruitgang geboekt wat de regelgevingsdiensten voor het spoorvervoer en
luchthavenactiviteiten betreft, hoewel hun onafhankelijkheid nog verder kan
worden versterkt. Een modernisering van de wetgeving inzake havenarbeid zou het
mogelijk maken de interne vervoersmarkt in België efficiënter te doen werken. Ondanks de liberalisering van de telecommunicatiesector wordt de markt
nog steeds gedomineerd door de historische exploitant,
hoewel een tweede exploitant in het Vlaams Gewest hevige concurrentie biedt. Samen met het falen van de netwerkregulatoren om gelijke
concurrentievoorwaarden te scheppen en nieuwe en talrijker concurrenten toegang
te geven tot de markt, leidt deze situatie tot hogere
prijzen dan in andere landen. Ondanks de hoge penetratiegraad van
breedband is de acceptatie van mobiel internet in België relatief laag. Aangezien
de beschikbaarheid van radiospectrum van cruciaal belang is voor de
verspreiding van mobiel internet, zal het beschikbaar maken van spectrum[19] voor draadloze breedband de digitale kloof helpen dichten, zorgen voor
meer keuze in breedband, en innovatie in andere sectoren mogelijk maken. Ten slotte is er in België geen onafhankelijke coördinator voor
overheidssteun die binnenlandse overheidssteun controleert en beoordeelt; ook
bestaat er geen centraal register voor overheidssteun, dat betere monitoring
van overheidsuitgaven mogelijk zou maken en onderzoeken inzake staatssteun zou
helpen bespoedigen. Concurrentie en
reglementering in de detailsector Wat de regulering
betreft, is de detailhandel in België volgens de indicator van de regulering
van de productmarkten van de OESO (van 2008) sterker gereguleerd dan in de
andere landen van de eurozone[20].; alleen Luxemburg heeft nog strengere regels. Ondanks deze slechte score
moet worden erkend dat België de laatste jaren vorderingen heeft gemaakt met de
nieuwe wet betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming van 2010 en de
"Ikea-wet" van 2004[21]. In België gelden evenwel nog steeds een aantal operationele beperkingen,
met name specifieke reglementeringen (inzake ruimtelijke ordening) voor grote
winkels en de reglementering van de openingsuren van winkels. Uit een recent
verslag van de Nationale Bank van België (NBB)[22] blijkt
dat de detailhandel zou profiteren van een vereenvoudiging en stroomlijning van
de bestaande wetgeving, aangezien alleen al het bestaan van die wetten (ook al
zijn deze niet erg restrictief) een invloed kan hebben op de manier waarop
marktdeelnemers hinderpalen waarnemen die de concurrentie kunnen beperken. Wat concurrentie
betreft, is de Belgische detailmarkt over het algemeen minder
geconcentreerd, en ook de winstmarges zijn lager dan gemiddeld in de eurozone,
wat wijst op sterke concurrentie. Wat de prijzen betreft, daarentegen, blijkt
België een van de duurste landen te zijn, met een prijsniveau dat meer dan 10%
boven het gemiddelde van de eurozone ligt. De prijsniveaus worden
niet alleen bepaald door concurrentie en regulering, maar ook door structurele
aspecten van het land (zoals relatieve inkomensniveaus en de btw-tarieven). In
het specifieke geval van supermarkten zijn vergelijkbare producten gemiddeld
7,5 % tot 10 % duurder in België dan in de buurlanden[23]. Deze hogere prijzen kunnen verklaard worden door een aantal factoren,
waaronder structurele kenmerken van de supermarkten, met name hoge loonkosten
als gevolg van een hoog percentage oudere werknemers en sterke vakbonden
(vergeleken met bijvoorbeeld Nederland), obstakels voor het betreden van de
markt, bepaalde aspecten van de arbeidsmarktwetgeving en bepaalde contractuele
praktijken in de sector. Klimaat en energie Het wegvervoer
biedt een aanzienlijk potentieel voor broeikasgasemissiereductie los van het
emissiehandelssysteem (ETS). Bovendien vormen de files
(geconcentreerd in flessenhalzen rond Brussel en Antwerpen en op een aantal
hoofdwegen) eveneens een bijzonder zware belasting voor de Belgische economie
en het milieu[24]. Rekeningrijden of tolheffing in binnensteden ("congestion
charges") zouden de negatieve effecten van wegvervoer kunnen verminderen.
Naast een groener belastingstelsel zouden ook efficiënter openbaar vervoer en
meer coördinatie tussen de verschillende bestuursniveaus kunnen bijdragen tot
een oplossing. Ook in de bouwsector is er een aanzienlijk potentieel om de
emissies te verminderen. Om de doelstellingen inzake reductie te halen, zullen
in deze sector evenwel aanvullende maatregelen nodig zijn. In 2011 heeft België
onvoldoende maatregelen of beleidsinitiatieven goedgekeurd om deze situatie aan
te pakken. Dat kan gedeeltelijk toe te schrijven zijn aan het feit dat er
op federaal niveau een demissionair kabinet was, en aan het feit dat het Vlaams
Gewest in 2011 zijn klimaatsbeleidsplan tot 2020 nog aan het opstellen was. In
het regeerakkoord van december 2011 zijn een aantal nieuwe klimaatgerelateerde
beleidsinitiatieven opgenomen die in 2012 en 2013 moeten worden uitgevoerd. Om
te garanderen dat in de bouwsector in hernieuwbare energie wordt geïnvesteerd,
is er een "klimaatresponsabiliseringsmechanisme" gepland[25]. Bijdragen van de kernenergiesector zullen een tweede bron van
investeringen in hernieuwbare energie vormen. 1.7. 3.5. Modernisering van de
overheidsdiensten De administratieve
lasten daalden tussen 2000 en 2010 van 2,55 % tot 1,43 % van het bbp[26]. Inefficiënte
overheidsbureaucratie is evenwel nog steeds een van de drie grootste
problemen waarop iemand stuit die in België zaken wil doen[27]. De algemene prestaties van België wat een dynamische administratie
betreft, liggen rond het EU-gemiddelde, maar wat de tijd en de kosten voor de
overdracht van eigendom betreft, presteert het land slechter[28]. De
procedures voor het starten van een bedrijf zijn in België kennelijk minder
ingewikkeld dan gemiddeld in de EU: het oprichten van een onderneming neemt
slechts vier dagen in beslag, vergeleken met een EU-gemiddelde van twee weken,
en de kosten van het afdwingen van de naleving van contracten zijn ook lager
(16,6 % van de vordering vergeleken met een EU-gemiddelde van 20,84
%). Het land presteert ook vrij goed op indicatoren met betrekking tot het
betalen van belastingen. Op beleidsgebied zijn de procedures voor
e-facturering op federaal niveau vereenvoudigd, en is de eigendomsregistratie
voor entrepreneurs verscherpt door de invoering van tijdslimieten en de
implementatie van "e-notariaat". België heeft onlangs ook een pakket
maatregelen aangenomen om zijn openbare-aanbestedingswetgeving te moderniseren.
Anderzijds wordt nog heel wat tijd en energie gestoken in het verkrijgen van
vergunningen; dat komt gedeeltelijk door de uitbreiding van de milieuwetgeving.
Er worden op federaal en gewestniveau initiatieven genomen om
investeringsprocedures te vereenvoudigen en te harmoniseren, en om de
prestaties van de autoriteiten te verbeteren. Wat de richtlijnen
met betrekking tot de interne markt betreft, behoort België tot de landen
waar de omzettingsachterstand het meest is gegroeid[29]; meer dan
de helft van het totale aantal richtlijnen dat in België nog niet is omgezet
(18 van de 30) betreffen het milieu, financiële diensten en vervoer. 4. Overzichtstabel Toezeggingen 2011 || Samenvattende beoordeling Landspecifieke aanbevelingen (LSA) LSA 1: Het aan de gang zijnde economische herstel aan te grijpen om meer vaart te zetten achter de correctie van het buitensporige tekort door tegen de indiening van de begroting voor 2012 de nodige maatregelen te nemen — vooral aan de uitgavenzijde — om een gemiddelde structurele inspanning te leveren die strookt met de aanbevelingen uit hoofde van de buitensporigtekortprocedure, en zodoende de hoge overheidsschuldquote op een neerwaarts pad te brengen. Het overheidstekort zou daardoor uiterlijk in 2012 tot ver onder de referentiewaarde van 3% van het bbp worden teruggebracht. Jaarlijks een vooruitgang van ten minste 0,5% van het bbp te boeken in de richting van de middellangetermijndoelstelling; || Op dit moment heeft België de aanbeveling nog slechts gedeeltelijk opgevolgd. In december 2009 heeft de Raad België aanbevolen het begrotingstekort terug te brengen tot minder dan 3% van het bbp. Volgens de voorjaarsprognose 2012 van de diensten van de Commissie zal het algemene overheidstekort in 2012 uitkomen op ongeveer 3% van het bbp; de officiële doelstelling is 2,8 %. De huidige schatting van het tekort voor 2012 ligt echter praktisch bij de drempel van 3%, en dat alleen dankzij ingrijpende eenmalige maatregelen. Bovendien zal, uitgaande van een "ongewijzigd beleid"-scenario, het tekort naar verwachting in 2013 opnieuw stijgen tot 3,3% van het bbp. Permanent toezicht op overheidsfinanciën zal dan ook noodzakelijk zijn, en in 2012 en vooral in 2013 zullen aanvullende consolideringsmaatregelen vereist zijn om ervoor te zorgen dat de correctie van het excessieve tekort duurzaam is. LSA 2: Stappen te ondernemen om de langetermijnhoudbaarheid van de openbare financiën te verbeteren. Het accent dient daarbij, op een wijze die past in het kader van de drie-punten-strategie van de EU, te worden gelegd op het in toom houden van de leeftijdsgerelateerde uitgaven, onder meer door vervroegde uittreding uit de arbeidsmarkt te voorkomen teneinde de effectieve pensioenleeftijd duidelijk te verhogen. Hierbij kunnen maatregelen zoals de koppeling van de wettelijke pensioenleeftijd aan de levensverwachting overwogen worden; || Tot nu toe heeft België de LSA gedeeltelijk opgevolgd. Hoewel het geen radicale herziening van het bestaande systeem is, zal de recente hervorming van de Belgische sociale zekerheid voor ouderen (d.w.z. pensioenen en vervroegde uittreding) naar verwachting bijdragen tot de houdbaarheid op langere termijn van de overheidsfinanciën, doordat i) de voorwaarden voor vervroegde uittreding verscherpt zullen worden wat leeftijd en duur van het beroepsleven betreft, ii) prepensioenregelingen in het systeem van werkloosheidsuitkeringen minder gemakkelijk toegankelijk zullen worden, iii) de pensioenen in de publieke sector op een minder voordelige basis berekend zullen worden, en iv) in de particuliere sector in niet gewerkte tijdvakken minder pensioenrechten opgebouwd zullen worden. Het is echter nog te vroeg om te kunnen vaststellen of deze hervorming ambitieus genoeg is om de langetermijnhoudbaarheid veilig te stellen. Het effect zal in belangrijke mate afhangen van de wijze van tenuitvoerlegging, de nieuwe regelingen voor toezicht, en de mate waarin mogelijk misbruik van eventuele mazen (bijvoorbeeld in de regelingen voor ziekte en arbeidsongeschiktheid) wordt tegengegaan. Om actief ouder worden en langere arbeidslevens aan te moedigen, zouden deze maatregelen op het terrein van pensioenhervormingen vergezeld te dienen te gaan van hervormingen van de arbeidsmarkt die een hogere arbeidsparticipatie van oudere werknemers bevorderen, door betere toegang tot een leven lang leren te bieden, door ook oudere werklozen te verplichten om werk te zoeken, door werkomgevingen aan te passen aan ouder personeel, door misbruik van programma's voor vervroegde uittreding door bedrijven die geherstructureerd worden, tegen te gaan, en door alle oudere werknemers meer kansen op werk te bieden. Hoewel de federale regering al een aantal initiatieven heeft voorgesteld op dit terrein, zijn die nog niet alle uitgevoerd, en de omvang van de uitdaging betekent dat in de komende jaren aanhoudende inspanningen nodig zullen zijn. LSA 3: De structurele zwakheden in de financiële sector aan te pakken, met name door de herstructurering af te ronden van de banken die behoefte hebben aan een adequaat gefinancierd en levensvatbaar bedrijfsmodel. || België heeft de LSA gedeeltelijk opgevolgd. Het toezichtkader voor de financiële sector is hervormd, overeenkomstig de op Europees niveau genomen besluiten (sinds 1 april 2011 vallen alle toezichthoudende activiteiten onder de verantwoordelijkheid van de Nationale Bank van België). Bovendien heeft de nieuwe regering maatregelen genomen om een strikter toezicht op banken te waarborgen (verzoek om een actieplan in geval van crisis op te stellen, verbod om bonussen uit te keren voor banken die staatssteun ontvangen). Naast deze initiatieven van de regering om het toezicht op de banksector te verbeteren, dient België echter nog meer te doen om het vertrouwen in de banksector te herstellen. De nationalisering van Dexia België en de door de regering geboden garanties zouden moeten waarborgen dat de val van Dexia geen effect heeft op de reële economie en dat er geen concurrentievervalsing optreedt. LSA 4: In overleg met de sociale partners en conform de nationale praktijken het systeem voor het voeren van loononderhandelingen en het loonindexeringssysteem te hervormen, teneinde ervoor te zorgen dat de loonstijging beter aansluit bij de ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit en het concurrentievermogen; || België heeft de LSA niet opgevolgd. De nieuwe federale regering heeft geen plannen voor hervorming van het mechanisme voor loononderhandelingen of de automatische loonindexering. Er is een strategie voor stimulering van de Belgische economie en verbetering van het concurrentievermogen aangekondigd. LSA 5: De arbeidsparticipatie naar een hoger peil te tillen door de hoge fiscale en sociale lasten voor laagbetaalden op budgettair neutrale wijze te verlichten en door een systeem in te voeren waarbij het niveau van de werkloosheidsuitkeringen geleidelijk afneemt naarmate de periode van werkloosheid langer duurt. Stappen te ondernemen om de belastingdruk te verschuiven van arbeid naar consumptie en om het belastingstelsel milieuvriendelijker te maken. Het actieve arbeidsmarktbeleid doeltreffender te maken door specifiek op oudere werknemers en kwetsbare groepen gerichte maatregelen te treffen. || België heeft de LSA gedeeltelijk opgevolgd. Het coalitieverdrag van de nieuwe federale regering omvat een aantal maatregelen op de verschillende betrokken terreinen, waaronder hervorming van het werkloosheidsstelsel, beter activeringsbeleid voor oudere werknemers, en regionalisering van de kortingen op de sociale zekerheid, om kansarme groepen op de verschillende regionale arbeidsmarkten effectiever te kunnen ondersteunen. De meeste voorgestelde maatregelen zijn gedetailleerd uitgelegd en voorzien in relatief korte overgangsperioden. De uitvoering is hetzij al gaande (zoals de hervorming van het werkloosheidsstelsel) of zal binnenkort beginnen (zoals de uitbreiding van de verplichting om werk te zoeken voor oudere werknemers). Er is nog geen werkelijke vooruitgang geboekt wat betreft het overhevelen van de belastingdruk van arbeid naar consumptie- of milieubelastingen, maar de fiscale consolideringsmaatregelen hebben inkomen uit arbeid ontzien. LSA 6: Maatregelen te nemen om de concurrentie in de detailhandel te stimuleren door de toegangsbelemmeringen en de operationele beperkingen te reduceren; en maatregelen te nemen om de concurrentie op de elektriciteits- en de gasmarkt te bevorderen door de doeltreffendheid van de sectorale regulerende en mededingingsautoriteiten verder te verhogen. || België heeft de LSA gedeeltelijk opgevolgd. In maart 2011 heeft de regering de beslissing bekendgemaakt het Prijzenobservatorium extra bevoegdheden te verlenen om onderzoeken in te stellen in sectoren waar inbreuken op de mededinging lijken plaats te vinden, alsook om prijstrends te analyseren. De nieuwe regering heeft in december 2011 aanvullende maatregelen aangekondigd die met name bedoeld zijn om het toezicht op de energiesector te verbeteren, met als minimumdoelstelling het onder controle houden van de inflatie: i) nieuwe bevoegdheden voor het Prijzenobservatorium om onderzoeken te verrichten in de energiesector; (ii) strikter toezicht op energiebedrijven als GDF Suez (mogelijkheid om tijdelijk een maximumprijs in te voeren voor elektriciteit en gas teneinde de prijs op hetzelfde peil te houden als in aangrenzende landen, en de verplichting voor GDF Suez een deel van de productiecapaciteit af te stoten); (iii) versterking van de onafhankelijkheid en de monitoringtaken van de CREG; en (iv) een vereenvoudigde procedure voor consumenten om naar een andere energieleverancier over te stappen. In plaats van inflationaire druk tegen te gaan door energieprijzen laag te houden, zou het doelmatiger zijn structurele maatregelen te nemen om een concurrerende markt in de energiesector tot stand te brengen. Er zijn geen wezenlijke maatregelen genomen om de concurrentie in de sector detailhandel te verbeteren. Euro Plus Pact (nationale toezeggingen en vooruitgang) De federale regering heeft toegezegd maatregelen te zullen nemen om het tekort terug te brengen tot 3,6% van het bbp in 2011 en tot minder dan 3% van het bbp in 2012. || Als gevolg van 1) een aantal op zichzelf staande factoren, hoofdzakelijk in verband met Dexia en de kapitaaltransfers van de regio's naar de "holding communal" (een van de voornaamste aandeelhouders van Dexia) en 2) lagere inkomsten dan gepland als gevolg van de verslechterende macro-economische vooruitzichten sinds juli, bedroeg het tekort voor 2011 3,7% van het bbp, hoger dan het doel van de regering van 3,6%. De begroting voor 2012 omvatte maatregelen om het tekort weer terug te brengen tot 2,8% van het bbp in 2012, volgens de regering. Na de maatregelen in de begrotingsovereenkomst bestudeerd te hebben, concludeerde de Commissie dat het tekort 3¼% van het bbp zou bedragen. Als ook de toezegging van de federale regering nog eens 1,3 miljard EUR (0,34% van het bbp) te bevriezen, meegerekend wordt, zou het tekort gereduceerd worden tot 2,9% van het bbp in 2012, zodat het EDP-doel bereikt zou worden en het excessieve tekort opgelost zou worden voordat de termijn van de Raad afloopt. Bij de eerste begrotingstoetsing van het jaar, die in maart is verricht, heeft de regering aanvullende maatregelen genomen teneinde het effect van het bijgestelde groeicijfer (praktisch nul op het moment, tegen +0,8% in de begroting) te compenseren. De voorjaarsprognose 2012 van de diensten van de Commissie komt uit op een tekort van ongeveer 3% van het bbp in 2012. Voortdurende monitoring zal dus noodzakelijk zijn om te verzekeren dat het tekort niet opnieuw uit de hand loopt in de loop van 2012. De stijgingen van de reële lonen zullen volgens de plannen in 2011-2012 beperkt te blijven tot niet meer dan 0,3% (exclusief de automatische loonindexering). Dat zou betekenen dat de toename van de loonkosten per eenheid product onder het gemiddelde voor de eurozone wordt gehouden. || Gezien de hoger dan verwachte inflatie in 2011 (die ook hoger was dan in de drie buurlanden) is het weinig waarschijnlijk dat de genomen maatregelen om de stijging van de reële lonen de komende twee jaar tot maximaal 0,3% te beperken, zullen volstaan om de loonkosten per eenheid product in toom te houden, aangezien de automatische loonindexering in hogere nominale loonstijgingen dan in de buurlanden en dan het gemiddelde van de eurozone zal resulteren. België zal maatregelen nemen voor het optrekken van de feitelijke pensioenleeftijd, die ver onder de wettelijke pensioenleeftijd van 65 jaar ligt. || In december 2011 is de regering begonnen met een hervorming van het socialezekerheidsstelsel voor ouderen (pensioenen en regelingen voor vervroegde uittreding) met het doel de feitelijke pensioenleeftijd met gemiddeld twee jaar te verhogen door i) de voorwaarden voor vervroegde uittreding (leeftijd en aantal gewerkte jaren) aan te scherpen, ii) regelingen voor vervroegde uittreding in de context van het stelsel van werkloosheidsuitkeringen minder toegankelijk te maken, iii) de pensioenen in de publieke sector op een minder voordelige basis te berekenen, en iv) de in niet gewerkte tijdvakken opgebouwde pensioenrechten te verlagen. De federale regering heeft al een aantal ondersteunende maatregelen voorgesteld om actief ouder worden te bevorderen, maar die zijn nog niet alle uitgevoerd en de omvang van de uitdaging vereist aanhoudende inspanningen in de komende jaren. Er zijn maatregelen genomen om de energieprijzen onder controle te houden en op die manier de hoge inflatie in België aan te pakken. In maart 2011 heeft de regering de beslissing bekendgemaakt het Prijzenobservatorium extra bevoegdheden te verlenen om onderzoeken in te stellen in sectoren waar kennelijk concurrentieverstoring plaatsvindt, alsook om prijstrends te analyseren. || In plaats van inflationaire druk tegen te gaan door energieprijzen laag te houden, zou het doelmatiger zijn structurele maatregelen te nemen om een concurrerende markt in de energiesector tot stand te brengen. Er zijn geen wezenlijke maatregelen genomen om de concurrentie in de sector detailhandel te verbeteren. Het toezichtkader voor de financiële sector is hervormd, overeenkomstig de op Europees niveau genomen beslissingen. Vanaf 1 april 2011 vallen alle toezichtactiviteiten onder de verantwoordelijkheid van de Nationale Bank van België, die met zowel het micro- als het macroprudentiële toezicht is belast. || Ondanks de maatregelen die de regering heeft genomen om het toezicht op de banksector te verbeteren, bleek het onmogelijk de val van Dexia in oktober 2011 te voorkomen, en er is behoefte aan verdere verbetering van het toezicht op de sector. Europa 2020 (nationale doelen en vooruitgang) Werkgelegenheidsdoel: 73,2% of meer || Het werkgelegenheidscijfer bedroeg 67,1% in 2009 en 67,3% in 2011. Verdere inspanningen en hervormingen zullen nodig zijn om het doel van 73,2% te bereiken. O&O-doelstelling: 3,0% van het bbp || De bruto binnenlandse uitgaven voor O&O (in % van het bbp) bedroegen 2,03% in 2009 en 1,99% in 2010. Dit wijst erop dat er geen vooruitgang is geboekt in de richting va het doel van 3%. Broeikasgasemissiedoelstelling: -15% (vergeleken met emissies in 2005; ETS-emissies vallen niet onder dit nationale doel. || Ontwikkeling van broeikasgasemissies (excl. ETS) tussen 2005 en 2010: -1% (dit gegeven stemt overeen met de huidige ETS scope). Op basis van actuele metingen wordt een toename met 0,3% tegen 2020 voorspeld, wat erop wijst dat er onvoldoende vooruitgang is geboekt. Hernieuwbare energie-doel: 13% || Het aandeel van hernieuwbare energie in het totale bruto energieverbruik bedroeg 4,6% in 2009. België heeft het tussentijdse doel voor 2011/2012 voor hernieuwbare energie al bereikt. Energie-efficiëntie — vermindering van primair energieverbruik tegen 2020 (in Mtoe) 9,80 Mtoe || De energie-efficiëntiedoelstellingen worden bepaald aan de hand van nationale omstandigheden en nationale formules. Aangezien pas onlangs overeenstemming is bereikt over de gemeenschappelijke methodologie voor het vaststellen van het energieconsumptie-effect tegen 2020 in termen van deze doelstellingen is de Commissie nog niet in staat een beoordeling te geven. Voortijdige schoolverlaters: 9,5% of minder || Vroegtijdige schoolverlating (het percentage van de bevolking van 18-24 jaar met hoogstens lager secundair onderwijs dat geen verder onderwijs of een opleiding volgt) bedroeg 11,1% in 2009 en 11.9% in 2010. Dit is dus een lichte verslechtering, die erop wijst dat er geen vooruitgang is geboekt in de richting van het doel. Het percentage vroegtijdige schoolverlaters onder migranten is aanzienlijk hoger dan onder autochtone Belgen. Tertiair opleidingsniveau: 47% of meer || Het percentage van de bevolking met tertiair onderwijs bedroeg 42% in 2009 en 44,4% in 2010. Er is dus vooruitgang geboekt met de verwezenlijking van de doelstelling. Verkleining van de populatie waarvoor armoede of sociale uitsluiting dreigt: 380 000 (aantal personen) || Het aantal personen waarvoor armoede of sociale uitsluiting dreigde bedroeg 2 145 000 in 2009 en 2 235 000 in 2010. De in 2009 geboekte vooruitgang (een vermindering van 49 000 vergeleken in 2008) werd in 2010 dus weer ongedaan gemaakt. Bijlage Tabel I. Macro-economische indicatoren Tabel II. Vergelijking van macro-economische
ontwikkelingen en prognoses Tabel III. Samenstelling van de
begrotingsaanpassing
Tabel IV. Schulddynamiek Tabel V.
Houdbaarheidsindicatoren Figuur: Schuldprognose op middellange termijn Tabel VI. Fiscaliteit Tabel VII. Indicatoren voor de financiële
markten
Tabel VIII. Sociale en arbeidsmarktindicatoren
Tabel VIII. Sociale en arbeidsmarktindicatoren (vervolg) Tabel IX: Indicatoren voor de prestatie van de
productmarkten en beleidsindicatoren
Tabel X: Indicatoren inzake groene groei [1] Terwijl de jeugdwerkloosheid in 2010 in het
Vlaams Gewest 15,6% bedroeg, was dat in het Waals Gewest 30% en in het Brussels
Hoofdstedelijk Gewest 39,7%. Dat betekent echter niet dat de jeugdwerkloosheid
in het Vlaams Gewest geen probleem is. Volgens een fijnere analyse door de
Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling ligt de jeugdwerkloosheid in bepaalde
(vooral) stedelijke gebieden tussen 18 en 24%. [2] Terwijl de participatiegraad (20-64) in 2010
in het Waals Gewest 62,6% bedroeg en in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
59,2%, bedroeg hij in het Vlaams Gewest 72,1%, minder dan de nationale
participatiegraad in Nederland (76,8%) en Duitsland (74,9%), maar meer dan die
in Frankrijk (69,1%). [3] Terwijl de lopende rekening tussen 1995 en
2000 overschotten van meer dan 5% van het bbp genereerde, is dat overschot
geleidelijk afgekalfd tot minder dan 2% van het bbp in 2010 (definitie
betalingsbalans). [4] In België is slechts 37,9 % van de
emissies afkomstig van sectoren die in het EU-emissiehandelssysteem (Emission
Trading Scheme - ETS) zijn opgenomen. Van de belangrijkere niet-ETS-sectoren
vormen het wegvervoer (21,5 %) en het energieverbruik (38,9 %) de
grootste bronnen van broeikasgasemissies in het land. [5] Het structureel saldo wordt gedefinieerd als
het voor conjunctuurnvloeden gecorrigeerde saldo van eenmalige en tijdelijke
maatregelen, herberekend door de diensten van de Commissie op basis van de in
het programma verstrekte informatie, aan de hand van een gemeenschappelijk
overeengekomen methode. [6] Dit geldt met name voor de pensioenen (de
geraamde tstijging van de uitgaven bedraagt 5,6 procentpunt van het bbp
tegenover het EU27-gemiddelde van 1,5 procentpunt), maar ook voor de uitgaven
op het gebied van de gezondheid en de lsangetermijnzorg (3,1 procentpunt
tegenover het EU27-gemiddelde van 2,6 procentpunt). Het effect van de meest
recente hervorming is in deze cijfers niet in aanmerking genomen. [7] De oorspronkelijke overeenkomst voor
waarborgen ter waarde van 90 miljard EUR, waarvan België 60,5% of
54,4 miljard EUR (ongeveer 15% van het bbp) voor zijn rekening neemt, is
in december gewijzigd en het bedrag is gehalveerd tot 45 miljard EUR, waarvan
27,2 miljard EUR (7,4% van het bbp) voor rekening van België. [8] De centrale bank neemt het toezicht op
individuele financiële intermediairs en het systeem als geheel voor haar
rekening, terwijl de FSMA (Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten)
verantwoordelijk is voor het toezicht op de goede werking van de markten, de
conformiteit van financiële producten en diensten, en de adequate voorlichting
en bescherming van de consument. [9] Tegen eind november 2011 waren de leningen van
Belgische banken bij de ECB gestegen tot 45 miljard EUR (4,9% van hun
verbintenissen). [10] Wat de toegang tot particulier kapitaal
betreft, is het aandeel van vruchteloze leningaanvragen in België veel lager
dan in andere EU-landen (slechts 5%, vergeleken met een EU-gemiddelde van 23%).
Het Belgische aandeel in risicokapitaal voor startende ondernemingen is bijna
drie keer zo groot als het EU-gemiddelde. [11] Volgens Eurostat bedroeg de effectieve
pensioenleeftijd in België in 2007 61,6 jaar, terwijl de OESO – die een
gemiddelde van vijf jaar hanteert – melding maakt van een leeftijd van 59 jaar
in 2009. Ondanks verschillen afhankelijk van de bron en soort gegevens is de
kloof met de wettelijke pensioenleeftijd van 65 jaar groot. [12] In België ressorteren de diverse onder deze
noemer vallende beleidsmaatregelen onder de gedeelde bevoegdheid van de
verschillende overheidslagen. De federale overheid is verantwoordelijk voor
zowel de structurele als gerichte vermindering van de sociale lasten en voor de
opvolging en sanctionering van de werklozen. De gewesten zijn weer
verantwoordelijk voor de plaatsing van werkzoekenden via de gewestelijke
diensten voor arbeidsbemiddeling, terwijl de gemeenschappen bevoegd zijn voor
aangelegenheden in verband met onderwijs, beroepsopleiding en een leven lang
leren. [13] Er wordt echter op gewezen dat het Vlaamse
Gewest reeds op grote schaal heeft geïnvesteerd in de effectiviteit van het
activeringsbeleid door aanzienlijke financiële en personele middelen te
bestemmen voor dienstverlening op maat bij arbeidsbemiddeling en door het
activeringsbeleid uit te breiden van ouderen tot werkzoekenden onder de 55
jaar. Dit leeftijdsplafond zal met ingang van juni 2012 worden opgetrokken tot
58 jaar. Op het ogenblik stellen de gewestelijke diensten voor de
arbeidsbemiddeling in het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
deze maatregelen slechts ter beschikking tot 50 jaar. [14] De federale regering heeft met name besloten
GDF Suez ertoe te verplichten een deel van zijn productiecapaciteit (van
afgeschreven kerncentrales) af te stoten en op de markt te verkopen. Andere
initiatieven zoals onlineprijsvergelijkingsinstrumenten voor elektriciteit en
gas (die worden aangeboden door de regulatoren van de drie regio's) kunnen de
transparantie van de energieprijzen voor de consument eveneens vergroten. [15] Het gaat hierbij om de afschaffing van de
kosten bij het wisselen van leverancier, steun voor hernieuwbare energie, de
schorsing gedurende 9 maanden van de betalingen aan het Kyotofonds, het
aanmoedigen van de regio's om de distributietarieven te verlagen, de herziening
van de regeling voor sociale tarieven en de bevriezing van de
distributietarieven tot 2014. [16] In België vertegenwoordigen de
distributiekosten bijna 40 % van de energieprijzen voor de eindconsument. [17] De groothandelsmarkt voor elektriciteit wordt
gedomineerd door het historische energiebedrijf, Electrabel (GDF/Suez), dat een
marktaandeel heeft van bijna 80 %. [18] In het Waals Gewest lag de nadruk op de
ondersteuning van een beperkt aantal concurrentiepolen (een cluster-benadering).
In het Vlaams Gewest is de bereidheid om via innovatie een aantal specifieke
maatschappelijke uitdagingen aan te pakken een belangrijke stuwende kracht voor
het beleid inzake onderzoek & innovatie. In het Brussels Hoofdstedelijk
Gewest is in 2011 begonnen met de voorbereiding van een nieuwe
O&O-strategie, die een "slimme specialisatie"-benadering omvat. [19] Meer in het bijzonder is de 800 MHz-band, een
zeer geschikte frequentie voor draadloze breedband, nog steeds voor radio en TV
gereserveerd. Er is behoefte aan meer samenwerking tussen de federale regering
en de gemeenschappen om de 800 MHz-band open te stellen voor
draadlozebreedbandddiensten. [20] Bron: OECD Economic Policy Reforms — Going for Growth 2012 [21] Deze verbeteringen betreffen met name de minder
strenge regelgeving inzake ruimtelijke ordening voor nieuwe winkels, het
toelaten van koppelverkoop (met uitzondering van financiële diensten), het
versoepelen van het verbod om onder de kostprijs te verkopen en het verkorten
van de sperperiode en de beperking ervan tot de kledingsector. [22] Cornille, D., Langohr, J. (2011), "De
distributiesector en de impact ervan op de prijzen in het eurogebied",
Economisch Tijdschrift van de NBB, december 2011, blz. 39-57. [23] FPS Economy (2012), ‘Niveau de prix dans les supermarchés’. Zie: http://economie.fgov.be/fr/binaries/etude_niveaux_prix_supermarches_tcm326-163021.pdf. [24] Naar schatting bedragen de kosten van de files
in België 0,05 % tot 2 % van het bbp. Deze kosten behoren tot de
hoogste in Europa. [25] Dit mechanisme stelt voor de gewesten
meerjarendoelstellingen vast en kent bonussen toe aan gewesten die deze
doelstellingen overtreffen. Die bonussen worden geacht te worden
geherinvesteerd in emissiereducerende maatregelen. [26] Zesde editie van de enquête over de
administratieve lasten, in opdracht van de Dienst Administratieve
Vereenvoudiging. [27] Het is de derde factor, na "restrictieve
arbeidswetgeving" en "belastingtarieven" (World Economic Forum
Global Competitiveness Report 2011-2012). [28] Wereldbank, Doing Business 2012, Belgium. [29] Volgens de officiële resultaten gepresenteerd in "Making the Single Market
deliver — Annual governance check-up 2011" (sluitingsdatum: 10 november
2011) respectievelijk in het "Internal Market Scoreboard", No 23/2011
(sluitingsdatum: 10 mei.