WERKDOCUMENT VAN DE DIENSTEN VAN DE COMMISSIE SAMENVATTING VAN DE EFFECTBEOORDELING bij het voorstel van de Commissie voor een VERORDENING van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van bijzondere voorwaarden voor de visserij op diepzeebestanden in het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan, tot vaststelling van bepalingen voor de visserij in de internationale wateren van het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2347/2002 van 16 december 2002 /* SWD/2012/0203 final */
WERKDOCUMENT VAN DE DIENSTEN VAN DE
COMMISSIE SAMENVATTING VAN DE EFFECTBEOORDELING
bij het voorstel van de Commissie voor een
VERORDENING van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van
bijzondere voorwaarden voor de visserij op diepzeebestanden in het
noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan, tot vaststelling van bepalingen
voor de visserij in de internationale wateren van het noordoostelijke deel van
de Atlantische Oceaan en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2347/2002
van 16 december 2002 Inleiding Sinds 2002 kent de Unie een specifieke
toegangsregeling (Verordening (EG) nr. 2347/2002) voor vissersvaartuigen
die zich met de diepzeevisserij bezighouden, bestaande uit vier onderdelen:
capaciteitsbeperking, gegevensverzameling, monitoring van de inspanning en
controle. De toegangsregeling moet regelmatig worden herzien. De herziening is
in 2007 begonnen met een mededeling van de Commissie. De voornaamste
raadplegingsfase was in 2009 en 2010. De herziening van de toegangsregeling gaat uit
van bepaalde aannames in verband met het proces van hervorming van het GLB. Een
wetgevingsvoorstel tot herziening van de toegangsregeling wordt verwacht voor
het eerste halfjaar van 2011. Probleem De diepzeevisserij in het noordoostelijke deel
van de Atlantische Oceaan wordt ten dele gedomineerd door de traditionele
kustvloten (Portugal en Spanje) en ten dele door grote nomadische trawlers
(Frankrijk en Spanje). Zij leveren slechts 1% van alle aanlandingen uit het
noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan. Pas sinds 2003 geldt voor de diepzeevisserij een
gedetailleerd beheer van de vangstmogelijkheden (totaal toegestane vangst,
maximaal toelaatbare visserijinspanning). Daarvóór ontwikkelde de visserij zich
grotendeels ongereguleerd en vertoonde zij typische symptomen van het probleem
van de "race naar vis", namelijk de uitputting van de bestanden. Bij
diepzeebestanden leidt dat ertoe dat zij, vanwege hun kwetsbaarheid voor
bevissing, in korte tijd uitgeput kunnen raken en dat herstel heel veel tijd
kan vergen, of zelfs helemaal niet lukt. De biologische situatie van de
bestanden is grotendeels onbekend. Sommige worden als uitgeput beschouwd; deze
visserijtakken zijn over het algemeen niet duurzaam. De vangstmogelijkheden
nemen af. Samengevat kunnen de problemen als volgt worden
omschreven: Voornaamste
problemen: –
de grote kwetsbaarheid van deze bestanden voor
bevissing; veel van deze bestanden verdragen over een langere periode slechts
een lage visserijdruk, die economisch niet rendabel is; –
het vissen met bodemtrawls vernietigt onvervangbare
bentische habitats (kwetsbare mariene ecosystemen) die een belangrijke bron van
biodiversiteit in de diepzee vormen, of dreigt die te vernietigen. Het is niet
bekend in welke mate deze vernietiging reeds heeft plaatsgevonden; –
visserij op diepzeesoorten met trawls brengt grote
hoeveelheden ongewenste bijvangst van diepzeesoorten met zich mee; –
het is bijzonder moeilijk via wetenschappelijk
advies vast te stellen op welk niveau de visserijdruk duurzaam is. Tekortkomingen
van de huidige regeling: –
de reikwijdte van de betrokken vloten is te groot
en te inflexibel (gebrek aan doeltreffendheid aangezien in het kader van de
regeling te weinig gericht wordt gevist); –
na de goedkeuring van een nieuwe
controleverordening[1],
is de regeling gedeeltelijk overbodig en is het verband met de controlenormen
onduidelijk (gebrek aan samenhang); –
de afzonderlijke gegevensverzameling heeft maar
zeer beperkt nut voor de wetenschappelijke adviesorganen, hoewel zij wel een
administratieve last vormt (gebrek aan doeltreffendheid en gebrek aan samenhang
met het kader voor gegevensverzameling). Doelstellingen Algemene doelstelling Algemene doelstelling van het voorstel is de
duurzame exploitatie van diepzeebestanden te garanderen volgens het concept van
de maximale duurzame opbrengst, waarbij de milieueffecten zo veel mogelijk
worden beperkt. Zolang de gegevens en de methode niet het vereiste niveau
hebben bereikt op grond waarvan het beheer op basis van de maximale duurzame
opbrengst mogelijk wordt, moet de visserij worden beheerd volgens het
voorzorgsbeginsel. Specifieke doelstellingen –
Voldoen aan het wetenschappelijke advies op het
gebied van voorzorgsniveaus van bevissing; het vergemakkelijken van de
ontwikkeling van een toekomstig beheer door middel van maximale duurzame
opbrengst voor deze bestanden waarvoor weinig gegevens beschikbaar zijn; –
Verminderen van de effecten van bodemvistuig op de
zeebodem om het risico van schade aan kwetsbare mariene ecosystemen te
voorkomen; –
De ongewenste bijvangst verminderen; –
Zorgen voor de verzameling van alle gegevens die
nodig zijn voor de verbetering van het wetenschappelijke advies. –
Nadruk leggen op de regels voor de metiers die zich
op diepzeesoorten richten en de definitie van metiers flexibel maken, zodat
daarbij rekening kan worden gehouden met de zich ontwikkelende
wetenschappelijke inzichten en het gedrag van de vloot; –
De toegangsregeling in overeenstemming brengen met
de controleverordening; –
De speciale gegevensverzameling harmoniseren met de
algemene normen en voor follow-up zorgen. Opties Voor de ontwikkeling van het initiatief zijn
vijf opties overwogen. Handhaving van de status quo, een algeheel verbod op
diepzeevisserij en de regulering uitsluitend door middel van technische
maatregelen zijn terzijde geschoven, omdat zij grote nadelen hadden. De twee
resterende opties zijn: Optie 3 – verbod op vistuig dat het
schadelijkst is voor het diepzee-ecosysteem Het gebruik van het vistuig dat de grootste
ecologische problemen oplevert, namelijk bodemtrawls en kieuwnetten[2] wordt
verboden voor de diepzeevisserij. De technische oplossing bestaat erin ofwel
dat vistuig te verbieden op vloten die gericht op diepzeesoorten mogen vissen
ofwel te verbieden dat met dergelijk vistuig wordt gevist beneden een bepaalde diepte.
De andere problemen van de diepzeevisserij en de toegangsregeling zouden worden
aangepakt door aanpassingen aan de bestaande regels: niet toestaan dat
vangstmogelijkheden op een hoger niveau worden vastgesteld dan het
voorzorgsadvies; toestaan dat de regels inzake de maximale duurzame opbrengst
worden getoetst; de normen voor gegevensverzameling voor de diepzeevisserij
specificeren als onderdeel van het bestaande kader voor gegevensverzameling en
de Commissie toestaan de visserij te sluiten als geen gegevens zijn verzameld;
de aparte inspanningsmelding afschaffen; voor beheersdoeleinden een onderscheid
maken tussen bijvangsten en gerichte visserij, en de Commissie toestaan de
lijst van betrokken soorten en vangstdrempels bij te stellen; overbodige controlebepalingen
afschaffen en specificeren welke verbeterde controlenormen krachtens de
controleverordening van toepassing zijn (equivalent aan de controle van
meerjarenplannen). Optie 4 – toegang afhankelijk van
internationale beheersnormen voor de volle zee Een vierde optie omvat door de VN/FAO
ontwikkelde beheersnormen voor de visserij op de bodem van de volle zee. De
belangrijkste nieuwe elementen zijn: effectbeoordelingen opstellen voordat
bodemvisserij wordt toegestaan; vaststellen waar kwetsbare mariene ecosystemen
voorkomen of waarschijnlijk voorkomen; protocollen opstellen over wat moet
worden gedaan als een kwetsbaar marien ecosysteem wordt aangetroffen. Het
probleem van de teruggooi, dat niet door die normen wordt opgepakt, wordt in
optie 4 opgelost door ofwel vaartuigen te verplichten de teruggooi drastisch
terug te brengen, ofwel een verplichte regionale inspanningsbeheersregeling in
te voeren waarbij alle vangsten aan boord moeten worden gehouden. De overige
problemen zouden worden aangepakt als in optie 3. Effectbeoordeling
van de gekozen opties De beide gekozen opties zijn met elkaar
vergeleken tegen de achtergrond van hun effect op de beleidsdoelstellingen, de
doeltreffendheid en de samenhang: Resultaten Voor de specifieke doelstellingen a), d), e),
g) en h) dragen beide opties dezelfde oplossing aan en worden ze derhalve als
gelijkwaardig beschouwd: a) (- Voldoen aan het wetenschappelijke advies
op het gebied van voorzorgsniveaus van bevissing; het vergemakkelijken van de
ontwikkeling van een toekomstig beheer door middel van maximale duurzame
opbrengst voor deze bestanden waarvoor weinig gegevens beschikbaar zijn ‑ ):
Door via een medebeslissingsprocedure te bepalen dat periodieke besluiten
inzake de toewijzing van vangstmogelijkheden niet verder kunnen gaan dan wat
uit wetenschappelijk advies als voorzorgsniveau van vangsten of
visserijinspanning naar voren komt, wordt gegarandeerd dat het
wetenschappelijke advies inzake voorzorgsbeheer wordt nageleefd. Aangezien de
regel alleen van toepassing is op het voorzorgskader, laat het de mogelijkheid
open om in de toekomst vangstregels te ontwikkelen die op de maximale duurzame
opbrengst zijn gebaseerd, waarna die vangstregels kunnen worden gevolgd bij de
opstelling van de periodieke besluiten over de toewijzing van
vangstmogelijkheden. d) + h) (- Zorgen voor de verzameling van alle
gegevens die nodig zijn voor de verbetering van het wetenschappelijke advies;
de speciale gegevensverzameling harmoniseren met de algemene normen en voor
follow-up zorgen -): Door de algemene gegevensverzamelingseisen uit te breiden
met de diepte waarop wordt gevist, de VMS-positie en het noteren van de
logboekgegevens per trek, worden de door wetenschappers noodzakelijk geachte
aanvullende gegevens voor het diepzeemetier verzameld. Door deze
gegevensverzameling te koppelen aan periodieke meldingen (VMS-positie,
elektronische logboekrapportage), kan de administratieve last voor de
visserijondernemingen tot een minimum worden beperkt. Door de
gegevensverzameling voor het diepzeemetier op te nemen in de normen van de
algemene gegevensverzameling, wordt ervoor gezorgd dat de verzamelde gegevens
beantwoorden aan de gangbare eisen op het gebied van de statistische geldigheid
en dat vergelijking tussen lidstaten mogelijk is. De verplichting om
diepzeemetiers te bemonsteren overeenkomstig een specifieke definitie van dat
metier is nodig omdat anders de biologische gegevens uit de commerciële
visserij soms zouden verdrinken in de gegevens van ruimere, niet-uitgesplitste
metiers. Deze verplichting zou kunnen worden opgenomen in een herziene
gegevensverzamelingsverordening (2012) wanneer wordt besloten daarin
metierspecifieke eisen op te nemen. e) (- Nadruk leggen op de regels voor de
metiers die zich op diepzeesoorten richten en de definitie van metiers flexibel
maken, zodat daarbij rekening kan worden gehouden met de zich ontwikkelende
wetenschappelijke inzichten en het gedrag van de vloot - ): Door een
diepzeevisserijmetier te definiëren (10% vangst van diepzeesoorten per visdag),
kunnen de speciale vismachtigingen in twee categorieën worden opgesplitst, één
voor vaartuigen die gericht op diepzeesoorten vissen en één voor vaartuigen die
die soorten uitsluitend als bijvangst vangen. De beperkingen inzake de
capaciteit van de vaartuigen in de betrokken visserij en inzake de
aanlandingsmogelijkheden in specifieke havens zouden dan gelden voor alle
vaartuigen, maar de overige verplichtingen en regels van de toegangsregeling
zouden alleen van toepassing zijn op vaartuigen die gericht op diepzeesoorten
vissen; één van de tekortkomingen van de bestaande regeling zou zo worden
ondervangen. De Commissie zou de mogelijkheid krijgen de lijst van
diepzeesoorten en de definitie van het diepzeemetier te wijzigen of verder te
specificeren naar aanleiding van wetenschappelijk advies en regionale
visserijpatronen, zodat de regeling zich kan ontwikkelen volgens de realiteit
van de visserij en de verbeterde wetenschappelijke kennis. g) (- De toegangsregeling in overeenstemming
brengen met de controleverordening - ): De nieuwe controleverordening bevat een
aantal bepalingen die vergelijkbaar zijn met de bestaande toegangsregeling.
Deze regelingen kunnen op elkaar worden afgestemd door die bepalingen niet
langer toe te passen. Bovendien kan de toegangsregeling het instrument uit de
controleverordening versterken waarmee een visserij kan worden gesloten wanneer
essentiële bepalingen van de instandhoudingsmaatregel niet worden nageleefd,
door te stellen dat de gegevensverzamelingsverplichtingen in het specifieke geval
van de diepzeesoorten als essentiële instandhoudingsmaatregelen moeten worden
beschouwd. Wat betreft de bescherming van kwetsbare
mariene ecosystemen (doelstelling b), wordt het verbieden van bodemtrawls
(optie 3) in de gerichte visserij als doeltreffender beschouwd dan het
toepassen van de voor de volle zee geldende normen om die gebieden te
beschermen (voorafgaande effectbeoordeling, protocollen voor het aantreffen van
kwetsbare mariene ecosystemen, opsporen van kwetsbare mariene ecosystemen).
Bodemtrawls zijn dan niet langer aanwezig op diepzeebodems, ongeacht de
resultaten van een risicobeoordeling. Risicobeoordeling overeenkomstig de
internationale normen wordt beïnvloed door het begrip "intensiteit van
vroegere aanwezigheid", en dat zou aanleiding geven tot
kwalificatieproblemen[3]. Voor de vermindering van ongewenste vangsten
(doelstelling c) wordt optie 3 ook efficiënter gevonden. Bij optie 3 wordt het
gebruik van schadelijk vistuig voor deze visserij rechtstreeks verboden,
terwijl het gebruik van bodemvistuig bij optie 4 aan steeds meer en strengere
voorwaarden wordt gebonden. Het gebruik van bodemvistuig wordt bij optie 4
steeds moeilijker, waardoor het economisch minder aantrekkelijk wordt, terwijl
optie 3 de marktdeelnemers dwingt minder schadelijk vistuig te gebruiken. Nog
een betrekkelijk nadeel van optie 4 is dat wordt uitgegaan van de gelijktijdige
uitvoering en controle van verscheidene aanvullende maatregelen, terwijl de
visserijadministraties onderworpen worden aan kostenbesparingen vanwege de
noodzaak van fiscale discipline, zodat zij hun controle‑inspanning op
economisch belangrijke visserijtakken moeten richten. Optie 3 wordt ook als
effectiever beschouwd, aangezien het om een bijzonder restrictief beleid voor
deze visserijtak gaat, waarbij de gevangen soorten bijzonder kwetsbaar zijn
voor bevissing. De ecosysteembenadering van het visserijbeheer, een concept dat
in het huidige GVB reeds van kracht is, wordt in de praktijk gebracht voor
visserijtakken die in de meest kwetsbare ecosystemen actief zijn. Binnen optie
4 wordt de voorkeur gegeven aan de overgang naar regionale inspanningsniveaus
boven doelstellingen op het gebied van teruggooireductie, met het oog op
positief wetenschappelijk advies over het nut van inspanningsbeheer in de diepzeevisserij. Binnen die doeltreffendste optie wordt de
suboptie die het verbod oplegt door middel van beperkte vismachtigingen, als
doeltreffender beschouwd dan de suboptie die het gebruik van vistuig vanaf een
bepaalde diepte verbiedt. Er zijn hiervoor drie redenen. Ten eerste betekent
een ruimtelijke benadering dat moet worden gecontroleerd op welke diepteniveaus
bepaald vistuig wordt ingezet, en een dergelijk controle-instrument wordt
momenteel niet toegepast. Ten tweede zouden de dieptebeperkingen moeten worden
vastgesteld op basis van wetenschappelijk advies over het plaatselijk voorkomen
van diepzeesoorten, omdat die soorten op verschillende diepteniveaus te vinden
zijn. Ten derde overlappen het verspreidingsgebied van diepzeesoorten en dat
van andere soorten op het lagere deel van het continentale plat elkaar; daarom
zou een dieptecriterium ook beperkingen opleggen voor visserijtakken waarvoor
deze maatregel niet bedoeld is. Daar staat tegenover dat de suboptie
"vismachtiging" verband houdt met de samenstelling van de vangst
tijdens de visreis, en dat de informatie over de samenstelling van de vangst in
de toekomst betrouwbaarder wordt door de verplichting om logboekinformatie
elektronisch te versturen. Efficiëntie Ten aanzien van
de efficiëntie krijgt optie 3 een betere beoordeling dan optie 4. Dat komt
omdat bij optie 3 het gebruik van schadelijk vistuig voor deze visserij
rechtstreeks wordt verboden, terwijl het gebruik van bodemvistuig bij optie 4
aan steeds meer en strengere voorwaarden wordt gebonden. Het gebruik van
bodemvistuig wordt bij optie 4 steeds moeilijker, waardoor het economisch
minder aantrekkelijk wordt, terwijl optie 3 de marktdeelnemers dwingt minder
destructief vistuig te gebruiken. Nog een betrekkelijk nadeel van optie 4 is
dat wordt uitgegaan van de gelijktijdige uitvoering en controle van
verscheidene aanvullende maatregelen, terwijl de visserijadministraties
onderworpen worden aan kostenbesparingen vanwege de noodzaak van fiscale
discipline, zodat zij hun controle-inspanning op economisch belangrijke
visserijtakken moeten richten. Binnen optie 3 wordt de suboptie ruimtelijke
beperking als minder doeltreffend beschouwd omdat voor die optie extra
controle-inspanningen op het gebied van visdiepte nodig zijn, terwijl de
nationale overheden momenteel doende zijn de nieuwe controleverordening ten
uitvoer te leggen, hetgeen op zich reeds een buitengewone druk op hen legt. Samenhang Ook wat de samenhang betreft, wordt optie 3
hoger ingeschat dan optie 4. Enerzijds is het verbieden van schadelijk vistuig
een beleid dat reeds is ontwikkeld. Door het uitfaseren van vistuig waarvan
gebleken is dat het tot gevolg heeft dat grote hoeveelheden voor bevissing zeer
kwetsbare soorten worden teruggegooid, wordt vooruitgelopen op het verbod op
teruggooi dat in het kader van de hervorming van het GVB zal worden ingevoerd.
De ecosysteembenadering van het visserijbeheer, een concept dat in het huidige
GVB reeds van kracht is, wordt toegepast voor visserijtakken die in de meest
kwetsbare ecosystemen actief zijn. De bewuste beperking van de detaillering van
de regelgeving komt overeen met het keuze voor vereenvoudiging die bij de
GVB-hervorming is gemaakt. Aan de ontwikkeling van het GVB in de richting van
meer regionaal beheer kan eventueel vorm worden gegeven door een optie in te
bouwen waarbij vrijwillig op regionaal inspanningsbeheer wordt overgeschakeld
voor die soorten vistuig die nog wel in de betrokken visserijtak mogen worden
gebruikt. Anderzijds is de optie waarbij normen voor de
volle zee worden geïntroduceerd, in overeenstemming met bestaand beleid waarbij
dezelfde soorten worden beschermd, hoewel in een andere economische context bij
een andere vloot[4].
De negatieve beoordeling heeft te maken met twee overwegingen: 1) In de
EU-wateren worden de kwetsbare mariene ecosystemen ook beschermd door de
ontwikkeling van NATURA 2000-gebieden in het kader van de habitatrichtlijn. Bij
de hervorming van het GVB wordt een procedure geïntroduceerd waarmee het
visserijgedeelte van deze instandhoudingsmaatregelen in de praktijk worden
gebracht. Deze aanpak is gebaseerd op het idee om een positieve lijst van
unieke, rechtstreeks te beschermen biodiversiteitsgemeenschappen in te stellen,
terwijl het internationale concept gebaseerd is op het idee van risicobeperking
en vermijdingsstrategieën. Beide zijn niet per se onderling onverenigbaar, maar
kunnen wel tot dubbel werk leiden. 2) De toevoeging van nieuwe administratieve
eisen voor de visserij, zonder garanties over het resultaat, is niet coherent
met de vereenvoudiging die met de hervorming van het GVB wordt nagestreefd. Toezicht en evaluatie Voor het
toezicht op de voortgang zijn indicatoren voor de volgende beleidsterreinen
gesuggereerd: Beleidsterrein || Mogelijke voortgangsindicator || Gegevensverzameling / ‑evaluatie Duurzame vaststelling van vangstmogelijkheden || Aantal bestanden dat volgens het van ICES/WTECV afkomstige voorzorgsadvies wordt beheerd; Aantal bestanden waarvoor bij wijze van proef een maximale duurzame opbrengst wordt uitgetest || Dienst van de Commissie Vermindering teruggooi || Trends inzake de teruggooi bij diepzeemetiers || Technische verslagen van WTECV op basis van gegevensverzameling in het kader van de toegangsregeling en kader voor gegevensverzameling. Bescherming van kwetsbare mariene ecosystemen || Totstandbrenging van de uitfasering van bodemtrawls in de diepzeevisserij tegen het einde van de overgangsperiode. Ruimtelijk profiel van de betrokken bodemtrawlers beweegt zich in de richting van ondiepere wateren || Toezicht op de vismachtigingen van de lidstaten, lidstaten moeten de VMS-sporen en de protocollen inzake vangstsamenstelling van de betrokken vaartuigen beoordelen Verzameling en doorsluizen van gegevens is aangepast aan de wetenschappelijke behoeften en in overeenstemming met het algemene gegevensverzamelingsbeleid || Afname van het aantal visbestanden waarvoor volgens de ICES-werkgroep inzake diepzeesoorten geen gegevens uit de commerciële visserij voorhanden zijn || ICES-advies [1] Verordening
(EG) nr. 1224/2009. [2] Omdat
kieuwnetten verantwoordelijk zijn voor grote hoeveelheden ongewenste bijvangst
en omdat verloren kieuwnetten in diep water voor problemen zorgen, waren voor
dit type vistuig al technische overgangsmaatregelen getroffen; in de praktijk
komt dit erop neer dat dit vistuig niet wordt gebruikt bij de diepzeevisserij. [3] Zie
Mededeling COM(2010) 651, blz. 6. [4] Alleen
grote kapitaalintensieve vaartuigen kunnen lange reizen op volle zee maken,
terwijl in diepe kustwateren, zoals in Portugal, een groot aantal ambachtelijke
vaartuigen deze visserij uitoefent.