WERKDOCUMENT VAN DE DIENSTEN VAN DE COMMISSIE over de benutting van het werkgelegenheidspotentieel van de persoonlijke en huishoudelijke dienstverlening Begeleidend document bij de MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD, HET EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITE EN HET COMITE VAN DE REGIO'S Naar een banenrijk herstel /* SWD/2012/0095 final */
WERKDOCUMENT VAN DE DIENSTEN VAN DE
COMMISSIE over de benutting van
het werkgelegenheidspotentieel van de persoonlijke en huishoudelijke
dienstverlening Begeleidend document bij de MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET
EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD, HET EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITE EN HET
COMITE VAN DE REGIO'S Naar een banenrijk herstel
INHOUDSOPGAVE 1........... INLEIDING.................................................................................................................. 3 2........... DEFINIËREN EN METEN VAN
PERSOONLIJKE EN HUISHOUDELIJKE DIENSTEN 4 3........... ARBEIDSMARKT EN BELEIDSUITDAGINGEN.................................................... 11 4........... DE WEG VOORUIT................................................................................................... 16
Disclaimer: Dit document is een werkdocument van
de diensten van de Commissie dat ter informatie is bedoeld. Het geeft geen
officieel standpunt van de Commissie weer en loopt niet op een dergelijk
standpunt vooruit. 1. INLEIDING Om arbeidskansen te
creëren in tijden van budgettaire consolidatie en ertoe bij te dragen dat de
arbeidsparticipatie van 20-64-jarigen tegen 2020 op 75% wordt gebracht[1], moeten de lidstaten volgens de
Jaarlijkse groeianalyse 2012 voorrang geven aan het nemen van initiatieven
"die de ontwikkeling in de hand werken van sectoren met het grootste
banenpotentieel, bijvoorbeeld in de koolstofarme, schone economie (de
"groene sector"), in de gezondheidszorg en de maatschappelijke
dienstverlening (de "witte sector") en in de digitale economie"[2]. In het kader van de Europa
2020-strategie heeft het vlaggenschipinitiatief "Een agenda voor nieuwe
vaardigheden en banen"[3]
tot doel bij te dragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen voor 2020
door de modernisering van, de anticipatie op en de afstemming van de vraag naar
en het aanbod van vaardigheden. Activiteiten die een
bijdrage leveren aan het welzijn van gezinnen en particulieren thuis, zoals
zorgvoorzieningen en huishoudelijke diensten, hebben een groot potentieel om
werkgelegenheid te scheppen. Thuiszorgdiensten maken samen met gezondheidsdiensten
en tehuiszorg deel uit van de "witte sector", terwijl huishoudelijke
diensten zich aan de rand van deze categorie bevinden. De vraag naar zorg en
huishoudelijke diensten zal naar verwachting toenemen als gevolg van de
belangrijke trend van vergrijzing in alle lidstaten, in combinatie met de
verwachte daling van het aantal potentiële verzorgenden in familieverband. In beleidsdebatten in
veel lidstaten worden persoonlijke en huishoudelijke diensten vaak genoemd als
een mogelijk antwoord op de volgende kwesties: ·
Beter evenwicht tussen werk en privéleven door een grotere uitbesteding van dagelijkse werkzaamheden
thuis en van de zorg voor kinderen en ouderen. Toegankelijke en betaalbare zorg
is ook een belangrijke voorwaarde voor een grotere participatie van vrouwen op
de arbeidsmarkt. ·
Scheppen van werkgelegenheid voor relatief laaggeschoolden, met name wat huishoudelijke diensten
betreft, tegen geringe kosten voor de overheidsfinanciën, door het verrichten
van huishoudelijke diensten in de formele economie in plaats van in de
schaduweconomie te bevorderen. Het scheppen van werkgelegenheid is ook een
factor bij de beoordeling van de kosten van verschillende opties voor
langdurige zorg. ·
Verbetering van de kwaliteit van de zorg, dankzij arbeidskrachten die de juiste vaardigheden hebben en goede
arbeidsvoorwaarden genieten, waarbij toezicht wordt gehouden op de kwaliteit
van de dienstverleners. De verplaatsing van deze diensten van de
schaduw- naar de formele economie zal ook bijdragen tot de oprichting en de groei
van micro-, kleine en middelgrote ondernemingen, gezien het feit dat veel van
deze diensten worden verricht door zelfstandigen en kleine en middelgrote
ondernemingen. Hoewel de werkgelegenheid in persoonlijke en
huishoudelijke diensten onder de verantwoordelijkheid van de lidstaten valt, is
een gezamenlijke reflectie nuttig daar alle lidstaten voor dezelfde uitdagingen
staan. De uitwisseling van goede praktijken, analyses en ervaringen kan
bijdragen tot het vinden van juiste antwoorden op de huidige problemen van deze
sector van de economie, maar ook op de behoeften die de demografische
ontwikkelingen in de toekomst zullen creëren. Overeenkomstig het
subsidiariteitsbeginsel leggen de diensten van de Commissie dit document ter
discussie voor aan alle belanghebbenden, met name de nationale autoriteiten, de
sociale partners, en de ontvangers en verrichters van diensten. 2. DEFINIËREN EN
METEN VAN PERSOONLIJKE EN HUISHOUDELIJKE DIENSTEN In het kader van dit document omvat de term
"persoonlijke en huishoudelijke diensten" (PHD) een breed scala aan
activiteiten die bijdragen tot het welzijn van gezinnen en personen thuis: kinderopvang,
langdurige zorg voor ouderen en voor personen met een handicap, schoonmaak,
remedial teaching, reparaties in woningen, tuinonderhoud, ICT-ondersteuning,
enz. Op grond van de beschikbare statistische
gegevens kunnen wij slechts een benadering geven van de NACE-dekking[4] van PHD en van het aantal
mensen dat formeel in deze sector werkzaam is, dat wordt geraamd op 7,5
miljoen. Kinderopvang en langdurige zorg voor ouderen
en voor personen met een handicap zijn vormen van sociale dienstverlening, die
vaak worden verricht door actoren uit de sociale economie en een belangrijke
rol spelen in het behoud van de sociale samenhang. Zij worden doorgaans geacht
van algemeen belang te zijn en worden vaak gefinancierd uit de
overheidsbegroting. Op EU-niveau wordt het beleid inzake het verlenen van deze
sociale diensten gecoördineerd in het kader van de open coördinatiemethode op
het gebied van sociale bescherming en sociale integratie[5]. Wat langdurige zorg betreft,
heeft het Comité voor sociale bescherming in april 2008 een speciaal verslag
over langdurige zorg uitgebracht en het startschot gegeven voor een verdere
reflectie over te onderzoeken mogelijke reacties op de door langdurige zorg
gestelde uitdagingen. Bovendien waren kinderopvang en langdurige zorg, samen
met andere diensten van algemeen belang, het voorwerp van een debat over de
toepassing van de regels inzake mededinging en de interne markt: in dat verband
heeft de Commissie in december 2011 een reeks voorstellen gedaan om het
mogelijk te maken dat bij overheidsopdrachten meer aandacht wordt besteed aan
sociale overwegingen, en heeft zij een nieuwe, vereenvoudigde regeling inzake
staatssteun voorgesteld[6].
Ten slotte heeft de Commissie in het Comité voor sociale bescherming de
ontwikkeling van een facultatief Europees kwaliteitskader voor sociale diensten[7] bevorderd, dat moet dienen als
referentie bij de bepaling, de verzekering, de evaluatie en de verbetering van
de kwaliteit van deze diensten. Persoonlijke en huishoudelijke diensten hebben
uit het oogpunt van het werkgelegenheidsbeleid een aantal interessante
kenmerken: ·
lage invoerinhoud (activiteiten worden lokaal
geproduceerd), hetgeen in geval van overheidsinterventie een laag invoerverlies
met zich brengt; ·
hoge werkgelegenheidsinhoud, waardoor
overheidssteun potentieel een belangrijk effect op de werkgelegenheid kan
hebben; ·
de vereiste niveaus van technische vaardigheden
verschillen (mogelijkheid tot "doe het zelf" in sommige sectoren,
hogere vereisten in de zorg), maar over het algemeen zijn een behoorlijk niveau
van e-vaardigheden en goede relationele en sociale vaardigheden vereist; ·
lage productiviteit in sommige van de taken in kwestie,
maar indirecte productiviteitsstijgingen zijn mogelijk als de klanten van PHD
meer aandacht kunnen besteden aan hun eigen, meer productieve bezigheden; ·
wegens de overheersende rol van zwartwerkers in
deze sectoren zal overheidsinterventie waarschijnlijk niet leiden tot een
verschuiving van de werkgelegenheid vanuit andere sectoren; ·
een groeiende vraag naar deze diensten als gevolg
van de vergrijzing en de noodzaak om de participatie van vrouwen op de
arbeidsmarkt te vergroten. PHD helpen het evenwicht tussen werk en privéleven
te verbeteren en vergroten het terugverdieneffect door de toename van de
arbeidstijd of door herintreding. Traditioneel worden PHD verricht door en in
het huishouden, voornamelijk door vrouwen. Delen van deze taken zijn geleidelijk
uitbesteed buitenshuis (catering, was, kinderdagverblijven en instellingen voor
ouderen) of worden thuis verricht door externe werknemers die al dan niet
rechtstreeks bij het huishouden in dienst zijn. Zoals reeds gezegd zijn
overheidsinstanties ook betrokken bij de organisatie en financiering van
langdurige zorg en kinderopvang als instrumenten van sociaal beleid. 2.1. Verrichten van PHD binnen het huishouden Blijkens ramingen
van de OESO[8]
spenderen volwassen leden van huishoudens in de Europese lidstaten van de OESO
gemiddeld 2,5 uur per dag aan huishoudelijk werk en zorg. Vrouwen
doen dit veel meer (3,5 uur) dan mannen (1,5 uur) (zie
figuur 1). Het grootste deel van de onbetaalde werkzaamheden bestaat uit
alledaags huishoudelijk werk (koken, schoonmaken, tuinieren en woningonderhoud)
en zorg. In de veronderstelling dat de 331 miljoen
15-65-jarigen in de EU-bevolking (actieven en niet-actieven) elk 2,5 uur per
dag spenderen aan huishoudelijk werk en zorg, vertegenwoordigt dit +/- 830
miljoen uur/dag huishoudelijk werk in de EU, of bijna 100 miljoen
voltijdequivalenten. De uitbesteding van sommige van deze activiteiten zou een
belangrijke bron van nieuwe werkgelegenheid kunnen zijn (zelfstandige
activiteiten, oprichting of ontwikkeling van kleine en middelgrote
ondernemingen). Figuur 1: Minuten per dag die
mannen en vrouwen besteden aan de activiteit Bron: "Society at a Glance 2011-OECD
social indicators"[9] In een verslag van
Eurofound[10]
uit 2011 werd verder geconcludeerd dat ongeveer 80% van de tijd die wordt
besteed aan de zorg voor mensen met een handicap of afhankelijke ouderen wordt
geleverd door informele zorgverleners die deel uitmaken van hetzelfde gezin, of
vrienden of buren zijn, zonder dat dit gevolgen heeft voor de
overheidsuitgaven. Ook al kan een mantelzorger van de begunstigde informele
betalingen ontvangen, is dat toch niet hetzelfde als een
werkgever-werknemerrelatie. De verhoging van de arbeidsparticipatie van
vrouwen (van 51,2% in 1997 tot 58,2% in 2010) betekent echter dat minder tijd
thuis wordt doorgebracht, en dat moet worden nagedacht over op het huishouden
gebaseerde informele zorg voor kinderen en ouderen en over huishoudelijk werk. Ook
de toenemende echtscheidingspercentages[11]
kunnen de traditionele hulp aan ouderen vanuit het huishouden verminderen. Uit
de beschikbare gegevens voor de periode 1970-2007 blijkt dat deze trend in heel
Europa bestaat, met bepaalde verschillen tussen een aantal lidstaten. Op
EU-niveau is het absolute echtscheidingspercentage[12] gestegen van 0,9% in 1970 tot
2,1% in 2007, met pieken in Oostenrijk, België, Duitsland, Denemarken, Finland,
Luxemburg, Nederland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk. De Tweede Europese enquête over
levenskwaliteit-Gezinsleven en werk[13],
benadrukte dat het gevoel van een buitensporige werkbelasting wegens beroeps-
of gezinstaken leidt tot een aanzienlijke vermindering van de
levenssatisfactie. Ook de Vijfde Europese enquête naar de arbeidsomstandigheden[14] wees uit dat bijna een op vijf
Europese werknemers problemen heeft om een bevredigend evenwicht tussen werk en
privéleven te bereiken. Vrouwen die voltijds buitenshuis werken, ervaren
conflicten tussen werk en privéleven en zijn doorgaans minder tevreden met hun
leven dan vrouwen die enkel thuis werken. Aangezien de arbeidsparticipatie van
vrouwen een belangrijk deel van onze economische welvaart oplevert, moeten
betere voorwaarden worden geschapen om bij te dragen tot een beter evenwicht
tussen werk en privéleven en om de deelneming van vrouwen aan de arbeidsmarkt
te ondersteunen. Een goed net van voorzieningen voor
kinderopvang is cruciaal voor een verdere verhoging van de arbeidsparticipatie
van vrouwen en voor het bereiken van het in het kader van Europa 2020
overeengekomen streefcijfer voor de werkgelegenheid[15]. De uitgaven voor
voorzieningen voor kinderopvang moeten ook als een investering in de toekomst
worden beschouwd. Kinderopvang van goede kwaliteit kan bijdragen tot de
ontwikkeling van de vaardigheden en van de leercapaciteit van jonge kinderen
(met name kansarmen). Gezinnen kunnen er doorgaans voor kiezen om een beroep te
doen op de diensten van een kinderdagverblijf, iemand te betalen om thuis voor
hun kinderen te zorgen, familieleden in te schakelen of zelf de zorg op zich te
nemen. De keuze hangt af van de prijs van de diensten en van de beschikbaarheid
van plaatsen. Hun keuze zal dan ook van invloed zijn op de werkgelegenheid. Over
het geheel genomen kan het ontbreken van formele kinderopvang of langdurige
zorg worden gecompenseerd door informele regelingen die de deelname van de
gebruikers aan de formele arbeidsmarkt, maar niet die van de aanbieders,
ondersteunen. 2.2. Steun van de overheid voor kinderopvang en langdurige zorg Op het niveau van de lidstaten ondersteunen
overheidsinstanties kinderopvang en langdurige zorg in overeenstemming met de
doelstellingen van het sociaal beleid, daar deze diensten een essentiële rol
spelen bij de sociale integratie en een voorwaarde zijn voor het vergroten van
de participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt. Overheidsinterventie bij de
organisatie en financiering van kinderopvang en langdurige zorg strekt tot het
garanderen van het recht van allen op toegang tot hoogwaardige diensten,
ongeacht vermogen of inkomen, en van de duurzaamheid op lange termijn van de
verstrekkingsmechanismen. Overheidsinstanties verrichten deze diensten
zelf of ondersteunen de verrichting daarvan door particulieren (profit of
non-profit), en moeten er tegelijk voor zorgen dat de EU-regels inzake
staatssteun worden nageleefd. Thuiszorg voor ouderen, die vaker zwak of
gehandicapt zijn, en voor personen met een handicap moet vaak worden aangevuld
met huishoudelijke diensten. Overheden kunnen de vraag naar kinderopvang en
langdurige zorg ook ondersteunen door uitkeringen voor afhankelijke personen
(bijvoorbeeld in Duitsland, Italië en Frankrijk), gezinstoelagen of fiscale
aftrekbaarheid van de kosten voor zorg[16].
Ouderenzorg Diensten voor
langdurige zorg zijn nodig voor personen die hulp nodig hebben bij dagelijkse
activiteiten zoals opstaan, eten, baden, zich aankleden, naar bed gaan, of
gebruik maken van het toilet. Langdurige zorg wordt informeel (zie vorig punt)
of officieel door zorgassistenten verstrekt. Formele zorg wordt thuis of in
instellingen (zoals opvangcentra en verpleeg- en verzorgingstehuizen) verstrekt
en doorgaans wordt een deel van de kosten gedragen door de overheid. In sommige
lidstaten bestaan sinds vele jaren vrij uitgebreide stelsels van thuiszorg, en
aan de behoeften van de bevolking aan langdurige zorg wordt volledig voldaan
binnen het formele systeem. In andere lidstaten met sociale tradities die meer
op de familie zijn gebaseerd, zijn algemene benaderingen voor langdurige zorg
slechts vrij recentelijk tot ontwikkeling gekomen. Daarentegen ontvangen grote
aantallen mensen in andere lidstaten geen formele zorg en zijn zij uitsluitend
aangewezen op informele zorg[17].
Kinderopvang De behoeften van gezinnen en het aanbod van
kinderopvang variëren naargelang de leeftijd van de kinderen
(zwangerschaps/ouderschapsverlof, tijd tussen zwangerschaps/ouderschapsverlof
en begin van de leerplicht, en tijdens de periode van leerplicht). Betaalbare
en toegankelijke kinderopvang van hoge kwaliteit is uiterst belangrijk voor
werkende ouders. De beschikbaarheid, kwaliteit en betaalbaarheid van
kinderopvang loopt in Europa echter sterk uiteen. Uit de gegevens van de
EU-statistiek van inkomens en levensomstandigheden (EU-SILC) blijkt dat in
sommige lidstaten ruim opgezette formele regelingen bestaan (inclusief
voorschools onderwijs), terwijl in andere lidstaten meer gebruik wordt gemaakt
van andere regelingen (zoals kinderoppas en/of familieleden, vrienden of
buren). In de leeftijdsklasse 0‑2 jaar varieert het gebruik van formele
kinderopvang van 73% in Denemarken tot slechts 2% in Tsjechië en Polen[18]. In het kader van de strategie
voor gelijkheid van mannen en vrouwen zal de Commissie verslag uitbrengen over
de prestaties van de lidstaten met betrekking tot kinderopvangvoorzieningen. De vraag naar
kinderopvang wordt beïnvloed door de mate waarin de ouders participeren aan de
arbeidsmarkt (moeders), het werkelijke aantal deeltijds gewerkte uren, de
werkloosheid, de duur van het ouderschapsverlof, de openingstijden van scholen
en de beschikbaarheid van alternatieven als grootouders en/of andere informele
regelingen[19].
2.3. Door zwartwerkers verstrekte PHD Zonder steun van de overheid is formele arbeid
in PHD voor de meerderheid van de bevolking vrij duur en is de formele markt
(zie 2.2) voor PHD vrij beperkt. Daarom wordt een groot deel van de PHD
verricht door zwartwerkers. Dit is duidelijk te wijten aan het verschil tussen
het nettoloon van de gebruiker en de kosten van de dienstverlener voor
activiteiten die de gebruiker zelf kan verrichten. Door zijn aard is de omvang van zwartwerk zeer
moeilijk in te schatten. Er is slechts een beperkt aantal studies die licht
werpen op de omvang van zwartwerk in de EU. In oktober 2007 is een speciale
Eurobarometerenquête (nr. 284) gepubliceerd over zwartwerk in de Europese
Unie[20]
op basis van een rechtstreeks onderzoek met 26 755 interviews van EU‑burgers
van 15 jaar en ouder in de 27 lidstaten van de EU. De definitie van zwartwerk
in het onderzoek was niet beperkt tot werkzaamheden die worden verricht tegen
een geldelijke vergoeding, maar omvatte ook werkzaamheden tegen betaling in
natura. Volgens het onderzoek had 11% van de bevolking van de EU-27 goederen of
diensten gekocht die verband hielden met zwartwerk. 17% van die kopers
verklaarde huishoudelijke diensten (bv. tuinonderhoud, schoonmaak,
kinderopvang en ouderenzorg) te hebben aangeschaft en 8% persoonlijke diensten
(bv. kappers of privéonderwijs), hetgeen neerkomt op respectievelijk 7,7 miljoen
en 3,5 miljoen personen. Op basis van die cijfers en rekening houdend
met het feit dat er in Europa ongeveer 410 miljoen personen van 15 jaar of
ouder zijn, kan worden geconcludeerd dat 45,1 miljoen[21] mensen gebruik hebben gemaakt
van zwartwerk. Aangezien zwartwerkers gewoonlijk niet voltijds werken[22], wordt het potentiële aantal
zwartwerkers in de huishoudelijke dienstverlening geraamd op 1 miljoen. Dit
is een voorzichtige raming, gelet op de waarschijnlijkheid dat bij enquêtes
betreffende zwartwerk te lage cijfers worden opgegeven. Deze raming op grond van de Eurobarometer kan
de werkelijke situatie echter onderschatten. Recente cijfers uit Duitsland en
Italië[23]
alleen al lijken hoger te liggen dan deze raming. Duitsland is een van de
lidstaten met het hoogste niveau van zwartwerk bij particulieren, aangezien
wordt aangenomen dat 90 à 95% van deze activiteiten bij particulieren informeel
wordt verricht. Dit cijfer omvat informele arbeid van illegale migranten en
informeel werk van buren, vrienden en kennissen. Informeel werk komt vooral
voor in de huishoudens van ouderen, met ten minste 500 000 tot
600 000 informele thuiszorgwerkers. Ook Italië heeft een groot aandeel
informele arbeid in particuliere huishoudens, waar het meeste huishoudelijk
werk wordt verricht door illegale immigranten. Het werkelijke aantal
migranten-verzorgenden (zogenoemde "badanti"[24]) is wegens de aard van het
verschijnsel onbekend. Hun aantal wordt echter geraamd op 0,7 tot 1 miljoen,
veel meer dan het aantal werknemers in de formele zorgsector[25].
2.4. Overheidssteun voor het verrichten van PHD ter bestrijding van
zwartwerk Gelet op de omvang van het zwartwerk in de
PHD-sectoren, kan de overheid interventie overwegen om het verrichten van PHD
in de formele economie aan te moedigen. Die interventie kan betrekking hebben
op zowel zorg als huishoudelijk werk. Dit kan met name
gebeuren door rechtstreeks in te grijpen in de door de gebruiker betaalde
prijs, bijvoorbeeld via dienstencheques gericht op specifieke taken. De
consument betaalt slechts een deel van de werkelijke prijs (dicht bij de prijs
op de zwarte markt) en de overheid betaalt het verschil. De dienstencheque
is een van de instrumenten die de solvabiliteit van de vraag vergroten. Het is
ook een interessant instrument omdat het flexibel en gemakkelijk te gebruiken
is. Dit laatste is met name van belang voor (al dan niet afhankelijke) ouderen
die hulp behoeven. Het vereenvoudigt ook de administratieve procedures, maakt
het mogelijk permanent te controleren aan wie de hulp is verleend, en
begunstigt de ontwikkeling van lokale ondernemingen. Het laat ook een
financieel spoor achter, waardoor de kosten en het terugverdieneffect
gemakkelijker kunnen worden berekend (zie 3.2.). In Frankrijk beoogt het systeem van
CESU-cheques[26],
die huishoudens kunnen verkrijgen van een bank of als een voordeel van hun
werkgevers[27],
het creëren van formele banen in particuliere huishoudens. In 2005 pakte
het "Borloo-plan" tegelijkertijd een aantal beleidskwesties met
betrekking tot persoonlijke diensten aan: arbeidsrecht,
socialebeschermingswetgeving, kwaliteitscontrole en organisatorische kwesties[28]. Als gevolg daarvan
is Frankrijk er tussen 2005 en 2009 in geslaagd 500 000 nieuwe banen in
particuliere huishoudens te creëren, waarvoor sociale zekerheidsbijdragen
worden betaald, vooral voor groepen aan de rand van de arbeidsmarkt. Het zwartwerk kon aldus met 70% worden
teruggedrongen[29]. Huishoudens kunnen ook via een vereenvoudigde
administratieve procedure de directe werkgever worden van werknemers die
huishoudelijk werk verrichten[30].
In 2009 vertegenwoordigde de markt voor huishoudelijke diensten 16 miljard
EUR. Om de vraag van ouderen te vergroten,
bestaat sinds 1987 een specifieke "70+-regel", die beoogt dat een
huishouden van particulieren van 70 jaar of ouder geen socialezekerheidspremies
hoeft te betalen voor rechtstreeks in dienst zijnde werknemers. In Duitsland zijn
er verschillende instrumenten die de creatie van formele werkgelegenheid in
deze sector ondersteunen, bijvoorbeeld de "Mini-jobs", in het kader
waarvan particuliere huishoudens met een vereenvoudigde procedure hun
huispersoneel kunnen laten inschrijven ("Haushaltsscheckverfahren"). Dit
personeel kan tot 400 EUR per maand verdienen, en de huishoudens profiteren als
werkgever van een verlaagd tarief van socialezekerheidsbijdragen (14,34% forfaitaire
bijdragen met inbegrip van de ziekte-, pensioen- en ongevallenverzekering als
belangrijkste artikelen)[31].
In Oostenrijk[32] is informele arbeid in
particuliere huishoudens - met uitzondering van langdurige zorg - van oudsher
wijd verspreid. In 2007 werd gestart met een
legalisatiestrategie voor langdurige hulp in particuliere huishoudens waardoor
het (migranten)zwartwerk in de huishoudens van ouderen in twee jaar tijd met
80% is teruggedrongen. Op andere gebieden
van de huishoudelijke dienstverlening wordt het grootste deel van het werk nog
steeds informeel verricht. Oostenrijk heeft
ook een chequesysteem opgezet om formele werkgelegenheid te bevorderen, maar er
worden jaarlijks slechts 1 000 cheques verkocht. Dit kan worden verklaard door het feit dat de
kosten van die cheque voor het huishouden hoger zijn dan de huidige prijs voor deze
diensten op de zwarte markt. 3. ARBEIDSMARKT
EN BELEIDSUITDAGINGEN 3.1. Beter
evenwicht tussen werk en privéleven Om de arbeidsparticipatie van de bevolking
tussen 20-64 jaar tegen 2020 op 75% te brengen, moeten de lidstaten bijzondere
voorrang verlenen aan het aanmoedigen van vrouwen om te werken en aan de
verbetering van het algehele evenwicht tussen werk en privéleven. Volgens recente prognoses zal het aantal
Europeanen van meer dan 65 jaar oud in de komende 50 jaar nagenoeg verdubbelen,
en van 87,5 miljoen in 2010 stijgen tot 152,6 miljoen in 2060[33]. Tegelijkertijd begint de
bevolking in de werkende leeftijd na tientallen jaren onafgebroken stijging af
te nemen. Wat de beschikbaarheid van langdurige zorg
betreft, zal het reservoir informele loopbanen in de komende jaren en decennia
als gevolg van de grotere arbeidsparticipatie van vrouwen en oudere werknemers
slinken. Een grondige analyse van de demografische ontwikkelingen in de komende
decennia laat een daling zien (zie figuur 2) van de Oldest Old Support
Ratio (OOSR: de verhouding tussen personen van 50-74 jaar en personen ouder dan
85 jaar). Recrutering van verzorgenden van buiten het gezin zal steeds
belangrijker worden om aan de behoeften aan langdurige zorg te voldoen. In een
recente, op het Verenigd Koninkrijk toegespitste studie[34] werd geconcludeerd dat het
aanbod van intensieve informele zorg voor mindervalide ouderen door hun
volwassen kinderen de komende jaren wellicht geen gelijke tred zal kunnen
houden met de vraag. Figuur 2: Ontwikkeling
van de Oldest Old Support Ratio - OOSR Bron: 2008; Pickard e.a., 2009 Om te bepalen hoeveel mensen in de toekomst
langdurige hulp nodig zullen hebben, is een nauwkeurige analyse vereist van de
factoren die bepalend zijn voor de behoeften aan langdurige hulp, zoals
activiteitsbeperkingen, handicaps, en ziekten of aandoeningen waardoor zij
worden veroorzaakt. Een duidelijk en nauwkeurig verband tussen al deze factoren
is niet altijd even gemakkelijk aan te tonen. Onderzoek heeft uitgewezen dat de
grootste drijvende kracht achter de behoefte aan langdurige zorg een handicap
is, hetgeen verband houdt met de leeftijdsopbouw van de bevolking en de
prevalentie van specifieke ziekten en aandoeningen. Op basis van deze bevinding
en de hiervoor genoemde demografische ontwikkelingen (vooral de ontwikkeling
van het aantal personen van meer dan 80 jaar oud) is een extrapolatie gemaakt
van het potentiële aantal begunstigden van langdurige zorg (zie figuur 3).
Figuur 3: Vermoedelijk aantal begunstigden van
verschillende vormen van langdurige zorg in de EU-27 in verschillende
scenario's Bron: Europese Commissie/Comité voor
Economische politiek (2009)
Naast de kosten van de pensioenregelingen die wellicht
moeilijker zullen kunnen worden gedragen naarmate de omvang van de actieve
bevolking krimpt, zal de vergrijzing onvermijdelijk leiden tot een toenemende
druk op de regeringen om te voorzien in sociale diensten[35]. Deze veranderingen zullen
leiden tot een vermindering van het interne aanbod vanuit de huishoudens en de kloof
tussen de behoefte aan zorg en het aanbod van formele zorg zal groter worden. Als
gevolg daarvan bestaat het risico dat de huishoudens zwartwerkers zullen
inhuren om hen bij die werkzaamheden te helpen en een oplossing te vinden voor
hun behoeften.
3.2. Mogelijkheid om banen te scheppen tegen lage kostprijs voor de
overheidsfinanciën De mogelijkheid van meer overheidsinterventie
moet zorgvuldig worden geanalyseerd wegens de stijging van het overheidstekort
die daarvan het gevolg kan zijn. Daarom is een diepgaande analyse nodig om de
werkelijke kosten van eventuele verdere overheidsinterventies te ramen. Zoals
reeds gezegd, steunen verschillende lidstaten reeds de vraag naar en het aanbod
van PHD. Hoewel deze systemen op het eerste gezicht duur kunnen lijken voor de
overheid, krijgt de staat een deel van zijn interventie terug via: ·
Extra personenbelasting/socialezekerheidspremies en
vermindering van de werkloosheidsuitkeringen ten gevolge van de creatie van
banen (terugverdieneffecten). ·
Externe omstandigheden die moeilijker te
kwantificeren zijn, zoals een beter evenwicht tussen werk en privéleven,
hetgeen ook bijdraagt tot een beter concurrentievermogen door minder stress,
minder arbeidsverzuim en een hogere productiviteit; besparingen in vergelijking
met de kosten van andere oplossingen (in het bijzonder voor langdurige zorg en
de mogelijkheid dat ouderen thuis blijven wonen); werkgelegenheid voor het
management van de dienstverlener; meer consumptie door de dienstverrichters,
waardoor de totale vraag stijgt, enz. (indirecte terugverdieneffecten).
Belgische dienstencheques: een
waardevolle bron van kwantitatieve gegevens Dienstencheques kunnen in België worden gebruikt
voor activiteiten thuis (schoonmaak, wassen en strijken, koken en naaien) en
buitenshuis (winkelen, strijken in een atelier, en hulp bij het vervoer van
personen onder bepaalde voorwaarden). Momenteel kunnen deze cheques niet worden
gebruikt voor herstellingen aan de woning of tuinonderhoud. De gebruiker
betaalt 7,5 EUR per uur voor de dienst, de werkelijke kosten bedragen 20,80
EUR, en het verschil (13,30 EUR) wordt gefinancierd door de RVA[36]. Naast de toeslag staat de
regering toe dat huishoudens hun uitgaven voor cheques aftrekken van hun
belastbaar inkomen (prijs na aftrek van de belastingen = 5,25 EUR). Volgens een studie[37]
in opdracht van de Belgische regering bedragen de netto kosten van het systeem: Totale brutokosten 1 430 432 704 EUR Terugverdieneffecten 629 734 509 EUR Indirecte terugverdieneffecten tussen 418 275 083 en 534 575 083 EUR[38] Nettokosten tussen 266 123 112 en
382 423 112 EUR Volgens dit rapport lijkt de gebruiker bereid om op
de zwarte markt 8,59 EUR te betalen. In dat geval kan de fiscale aftrekbaarheid
worden afgeschaft en kan de prijs voor een dienstencheque worden verhoogd tot
8,59 EUR. De nettokosten voor de overheid bedragen dan 82 478 861 EUR
of worden negatief (en dan een voordeel) -33 821 139 EUR. Gemiddeld
bedragen de nettokosten 24 328 861 EUR of een interventie van 304 EUR
per baan (door het systeem van dienstencheques zijn 80 000 voltijdse banen
gecreëerd). Het lijkt realistisch en logisch dat de kosten voor de gebruikers
gelijk zijn aan de prijs op de zwarte markt. Uit het verslag blijkt ook een interessant effect
van de cheques: van de gebruikers verklaarde 10,4% dat zij hun
arbeidstijd/inzetbaarheid konden vergroten doordat zij door het gebruik van de
dienstencheques bepaalde taken delegeren, en 0,6% dat zij de arbeidsmarkt
opnieuw konden betreden nu zij in plaats van huishoudelijk werk betaalde arbeid
kunnen verrichten. 10,8% van de gebruikers verklaarden dat zij zonder
dienstencheques verplicht zouden zijn hun arbeidstijd te verminderen. De overheden moeten de kosten ruim opvatten,
daar de dienst die investeert en die welke de voordelen oogst, vaak verschillen.
Dit zal bijdragen tot inzicht in de werkelijke nettokosten van de
overheidssteun voor het scheppen van werkgelegenheid in deze sector. Een
algemene visie op de begunstigden is eveneens noodzakelijk. Belastingverlaging
komt bijvoorbeeld ten goede aan gezinnen met een hoog inkomen, terwijl gezinnen
met zeer lage inkomens voordeel hebben bij vrijstelling van eigen bijdragen, en
gezinnen met een modaal inkomen een vergelijkenderwijs groter deel van de
financiële lasten van het bestaande systeem dragen[39]. De langetermijneffecten van een stabiele
ontwikkeling van PHD moeten ook in aanmerking worden genomen wanneer financiële
steun van de overheid aan de vraag naar en/of het aanbod daarvan wordt
overwogen. Bij eenvoudige extrapolaties is altijd
voorzichtigheid geboden. In het licht van eerdere bevindingen (demografische
behoeften, laaggeschoold werk, beperkte netto budgettaire kosten) kunnen
sommige elementaire berekeningen echter nuttig zijn om een beeld te geven van
de mogelijke banen die grotere steun voor PHD in de hele EU zou kunnen creëren: ·
Een extrapolatie van het Belgische stelsel naar de
EU (gelet op de respectieve bevolkingscijfers, een eenvoudige vermenigvuldiging
met 50) wijst op nettokosten van 1,2 miljard EUR voor 4 miljoen
nieuwe arbeidsplaatsen in huishoudelijke diensten. ·
Als iedereen die thans werk heeft
(215 000 000) slechts 1 uur/week uitbesteedt (vergeleken met de 2,5 uur
per dag die volwassen Europeanen gemiddeld besteden aan huishoudelijk werk,
zoals vermeld in punt 2.1), bestaat er een potentieel van bijna 5,5 miljoen
nieuwe banen[40]. 3.3. Kwaliteit van de diensten en kwaliteit van de arbeid Werknemers in de PHD-sectoren zijn vooral
vrouwen, die meestal deeltijds werken, met betrekkelijk geringe vaardigheden en
vaak met een migrantenachtergrond. Zij worden vaak rechtstreeks op
onregelmatige basis in dienst genomen door gezinnen, hetgeen van invloed kan
zijn op de kwaliteit van de dienstverlening, met name in het geval van zorg. Om
de kwaliteit van de dienstverlening te garanderen, moeten de werknemers een
stabiele betrekking hebben met een minimumarbeidstijd, de juiste vaardigheden
en goede arbeidsomstandigheden. Overheidsinterventie met betrekking tot
bepaalde aspecten van de kwaliteit van de diensten zou daarom gerechtvaardigd
kunnen zijn.
Kwaliteit Het Sociaal Platform[41] stelt in zijn aanbevelingen
voor het verkrijgen van kwalitatief hoogwaardige sociale en gezondheidsdiensten
dat kwaliteit moet worden vastgesteld op lokaal niveau - het niveau dat het
dichtst bij de gebruikers van de diensten staat. Het is belangrijk dat rekening
wordt gehouden met de behoeften van de gebruiker (geslacht, leeftijd, religie,
etnische afstamming, enz.) en er moet worden gezorgd voor opleiding in deze
zin. Een project van het Europees sociaal netwerk
over de veranderende verhoudingen tussen financierder, aanbieder en gebruiker
van diensten voor ouderen in Europa[42]
suggereert dat controlemechanismen kunnen worden ingevoerd om de kwaliteit van
de geleverde diensten te beoordelen en te controleren, en dat de lidstaten
ervoor moeten zorgen dat aan personen die gebruik maken van illegale migranten
overeenkomstig Richtlijn 2009/52/EG een sanctie wordt opgelegd. Dit moet gelden
voor afzonderlijke organisaties, agentschappen of diensten. Kwaliteitsindicatoren
moeten nog worden ontwikkeld. In dat verband is het hiervoor genoemde
facultatief Europees kwaliteitskader voor sociale diensten[43] een nuttig instrument om de
kwaliteit van kinderopvang en langdurige zorg te verbeteren: het vermeldt
kwaliteitsbeginselen die verwijzen naar de kenmerken die een sociale dienst
moet hebben om te voldoen aan de vele behoeften en verwachtingen van de
gebruiker van de dienst en naar verschillende dimensies van dienstverlening
(beschikbaarheid, toegankelijkheid, betaalbaarheid, centraal stellen van de
persoon, omvattendheid, continuïteit, gerichtheid op resultaten, eerbiediging
van de rechten van de gebruikers, participatie en empowerment, partnerschap,
goed bestuur, goede arbeidsomstandigheden en werkomgeving/investeringen in
menselijk kapitaal, adequate fysieke infrastructuur). Het stelt eveneens
operationele criteria voor die van nut kunnen zijn voor het toezicht op en de
evaluatie van de kwaliteit van sociale diensten. Bovendien stelt het
methodologische elementen voor de ontwikkeling van kwaliteitsinstrumenten
(normen of indicatoren) op nationaal of lokaal niveau voor. Zoals in de stellingname inzake sociale
diensten van algemeen belang van de EU-Groep op hoog niveau inzake
gehandicaptenbeleid wordt vermeld, vereist een duurzame uitbesteding van
diensten een goede kwaliteit van de zorg en de huishoudelijke activiteiten[44]. Bindende kwaliteitsnormen en
passende controlemechanismen zijn eveneens vereist. Vaardigheden en opleiding Het vlaggenschipinitiatief van Europa 2020
"Een agenda voor nieuwe vaardigheden en banen" ondersteunt
initiatieven in de lidstaten ter erkenning van de vaardigheden die zijn
verworven in de verstrekking van zorg aan hulpbehoevende familieleden. Kinderopvang en langdurige zorg vereisen niet
dezelfde technische vaardigheden als bijvoorbeeld professionele
gezondheidszorg. Zij kunnen dan ook aantrekkelijk zijn om mensen in staat te
stellen voet aan de grond te krijgen op de arbeidsmarkt en tegelijkertijd
mogelijkheden te creëren om de vaardigheden later te verbeteren en mogelijk te
moderniseren. Voor die verbetering van de vaardigheden moeten
opleidingsmogelijkheden beschikbaar zijn en verzorgenden moeten een
certificeringsproces kunnen ondergaan. In dit verband moet de samenwerking
tussen de arbeidswereld en de wereld van de opleiding worden verbeterd[45] teneinde bij te dragen aan de
erkenning van "informeel en niet-formeel leren". De recente mededeling van de Commissie over
kinderopvang[46]
legt bijvoorbeeld grote nadruk op de noodzaak van betere kwalificaties van het
personeel in de kinderopvang. In 1996 hebben de Europese sociale partners in
de schoonmaaksector een gemeenschappelijk memorandum inzake nieuwe bronnen van
werkgelegenheid[47]
ondertekend waarin zij het belang van de verbetering van de vaardigheden en de
kwaliteit van de arbeidsvoorwaarden voor de ontwikkeling van
schoonmaakactiviteiten thuis hebben benadrukt.
Technologie Uitbesteding van PHD kan leiden tot een
verbetering van de productiviteit van deze activiteiten dankzij een beter
gebruik van technologie en investeringen in opleiding, daar uitbesteding
gewoonlijk gepaard gaat met specialisatie. Het CARICT-project[48], dat werd gestuurd door het
JRC-IPTS van de Commissie, heeft systematisch en op EU-niveau de impact en de
kosteneffectiviteit beoordeeld van 52 op ICT gebaseerde praktijken voor
thuiszorg in verschillende lidstaten. Inspirerende voorbeelden konden worden
gedeeld tussen lidstaten (bv. SOPHIA (DE), CAMPUS (IT) en E-Care (IT)). Technologie
kan worden gebruikt om op efficiënte wijze en op grote schaal opleiding en
certificering te ondersteunen, de arbeidsmarkt te organiseren (bv. FEPEM (FR)),
nieuwe mogelijkheden voor vrijwilligerswerk te scheppen, arbeid in de
zorgsector aantrekkelijker te maken, en verzorgenden te helpen een evenwicht te
bereiken tussen zorg en andere activiteiten. Informatie- en communicatietechnologieën
kunnen afstandsonderwijs en zelfstudie mogelijk maken voor verzorgenden die
wegens hun zorgverplichtingen te weinig tijd hebben en te weinig mobiel zijn om
in klasverband cursussen te volgen (bv. City and Guilds
– Learning for Living; Caring with Confidence in het VK, Coidanet in Spanje,
Aspasia in Italië)[49]. ICT kan ook steun bieden voor een
grootschalige certificering van competenties. 4. DE WEG VOORUIT Gezien de voorzienbare gevolgen van de
demografische ontwikkeling voor onze samenlevingen moeten de Europese
arbeidsmarkten meer inclusief worden en moet de arbeidsparticipatie stijgen. PHD
bieden in dat verband goede mogelijkheden, waardoor werk en privéleven beter
kunnen worden gecombineerd, de productiviteit kan worden verhoogd en zwartwerk
naar de officiële arbeidsmarkt kan worden gebracht. Met dit document nodigen de diensten van de
Commissie alle belanghebbenden uit om opmerkingen te maken over mogelijke
maatregelen om nieuwe banen in de PHD-sector te bevorderen. Met name wordt
uitgekeken naar standpunten ten aanzien van: ·
middelen om het niveau van de werkgelegenheid in de
PHD-sector beter te meten en te monitoren, rekening houdend met de gevolgen van
de huidige crisis, het verlies van koopkracht, kwesties met betrekking tot de
uitsluiting van de arbeidsmarkt en de potentieel positieve gevolgen voor de
oprichting of groei van kleine en middelgrote ondernemingen; ·
het nut van de ontwikkeling van de uitwisseling van
ervaringen, met name met betrekking tot de bestaande of geplande instrumenten
om PHD te ondersteunen, met speciale aandacht voor de kosteneffectiviteit en
het terugdringen van zwartwerk; ·
oplossingen om de kwaliteit van de dienstverlening
en de banen te verzekeren (behoeften aan vaardigheden, arbeidsomstandigheden),
eventueel mede door de ontwikkeling van kwaliteitsnormen; ·
andere mogelijkheden voor grotere
professionalisering van PHD-banen. Dit document verbindt enkel de diensten van de
Commissie die bij de opstelling ervan betrokken waren. Het is bedoeld als basis
voor commentaar en loopt niet vooruit op de uiteindelijke vorm van een
mogelijke beslissing van de Commissie. Antwoorden kunnen worden gericht aan empl-household-services@ec.europa.eu Degenen zonder internettoegang kunnen de
antwoorden per post versturen naar: Europese Commissie
Directoraat-generaal Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Inclusie
Discussie over persoonlijke en huishoudelijke diensten
Eenheid C2
Jozef II-straat 2 - 1040 Brussel - België Deadline: 15 juli 2012 [1] http://ec.europa.eu/europe2020/index_nl.htm [2] http://ec.europa.eu/europe2020/reaching-the-goals/monitoring-progress/annual-growth-surveys/index_nl.htm [3] http://ec.europa.eu/social/main.jsp?langId=nl&catId=958 [4] Deze activiteiten hebben betrekking
op verschillende NACE-sectoren of delen daarvan, met name de NACE Rev.2, 88
(maatschappelijke dienstverlening waarbij geen onderdak wordt verschaft), 97
(huishoudens als werkgever van huishoudelijk personeel), 96 (overige
persoonlijke diensten), 82.99 (andere zakelijke dienstverlening) en 78
(activiteiten die verband houden met de werkgelegenheid). [5] http://ec.europa.eu/social/main.jsp?catId=755&langId=nl [6] Zie de specifieke regels inzake staatssteun voor
diensten van algemeen economisch belang op: http://ec.europa.eu/competition/state_aid/overview/public_services_en.html. Zie ook de mededeling over sociale diensten van algemeen belang
"Uitvoering van het communautaire Lissabon-programma: Sociale diensten van
algemeen belang in de Europese Unie", COM(2006) 177 van 26 april
2006; Mededeling over "Diensten van algemeen belang, met inbegrip van
sociale diensten van algemeen belang: een nieuw Europees engagement ",
COM(2007) 725 def. van 20 november 2007; Eerste en tweede tweejaarlijks
verslag over sociale diensten van algemeen belang (SEC(2008) 2179 van
2 juli 2008 en SEC(2010) 1284 van 22 oktober 2010); Gids voor de
toepassing van de EU-regels inzake staatssteun, overheidsopdrachten en de
eengemaakte markt op diensten van algemeen economisch belang, en met name
sociale diensten van algemeen belang, SEC(2010) 1545 definitief van 7.12.2010;
Mededeling "Een kwaliteitskader voor diensten van algemeen belang in
Europa", COM(2011) 900 van 20 december 2011. [7] SPC/2010/10/8 definitief. [8] Society
at a Glance 2011-OECD social indicators, blz. 12 en 22. OESO [9] Er kan onderscheid worden gemaakt
tussen: fysieke verzorging, onderwijs en recreatieve kinderopvang en vervoer in
verband met een van de twee andere categorieën, bv. het brengen van een kind
naar school, een arts of sportactiviteiten. [10] http://www.eurofound.europa.eu/publications/htmlfiles/ef1093_nl.htm [11] Demography report 2010 bladzijde 68: http://ec.europa.eu/social/BlobServlet?docId=4483&langId=en [12] De verhouding tussen het aantal echtscheidingen in een
jaar en de gemiddelde bevolking in dat jaar (Eurostat). [13] Tweede Europese enquête over levenskwaliteit: Gezinsleven
en werk, Eurofound (maart 2010). [14] Vijfde
Europese enquête naar de arbeidsomstandigheden 2010: http://www.eurofound.europa.eu/pubdocs/2010/74/en/3/EF1074EN.pdf [15] "Vooruitgang op het gebied van de gelijkheid van
mannen en vrouwen", werkdocument van de diensten van de Commissie, wordt
later gepubliceerd. [16] In Frankrijk zijn extra uitkeringen of belastingaftrekken
ingevoerd voor ouderenzorg (allocation personnalisée d'autonomie - APA) en voor
de opvang van kinderen van minder dan 3 jaar, afhankelijk van het inkomen van
de ouders (allocation pour jeune enfant - APJE). [17] Uittreksel uit het verslag van het project "Living
independently at home: reforms in organisation and governance of European home
care for older people and people with disabilities in 9 European countries
" LIVINDHOME:
http://www.sfi.dk/livindhome-7284.aspx [18] Analyse
van 30 Europese landen, 2009 http://ec.europa.eu/social/main.jsp?langId=en&catId=89&newsId=545&furtherNews=yes [19] Opvang en onderwijs voor jonge kinderen: de beste
voorbereiding van al onze kinderen op de wereld van morgen, COM(2011) 66
definitief. [20] http://ec.europa.eu/public_opinion/archives/ebs/ebs_284_en.pdf [21] Dit is het aantal gebruikers van zwartwerk, bv. 11% van
410 miljoen. [22] Op basis van een gemiddelde van 200 uren/jaar/zwartwerker
(ongeveer 1/8e van de gemiddelde werktijd van een voltijds werknemer). [23] http://www.iwak-frankfurt.de/documents/brochure/april2011.pdf [24] Vooral migrantenvrouwen die vaak inwonen bij een
hulpbehoevende oudere en die vaak werken op de grijze markt, zonder verblijfsvergunning. [25] http://www.iwak-frankfurt.de/documents/brochure/april2011.pdf [26] CESU-cheques (Cheque Emploi Service Universel) http://www.cesu.urssaf.fr/cesweb/home.jsp [27] Zie met betrekking tot het beginsel van de
voorgefinancierde dienstencheque "De dienstencheque een instrument voor de
ontwikkeling van de dienstverlening in de directe omgeving", Koning
Boudewijnstichting, België, oktober 1994. [28] http://www.travail-emploi-sante.gouv.fr/actualite-presse,42/dossiers-de-presse,46/presentation-du-plan-de,82.html [29] Zie voetnoot 25. [30] http://www.fepem.fr/ [31] Zie voetnoot 25. [32] Zie voetnoot 25. [33] Ageing
Report 2012 bladzijde 20: http://ec.europa.eu/economy_finance/publications/european_economy/2011/pdf/ee-2011-4_en.pdf [34] Bron: 2000/01 en 2001/02 GHS, Government Actuaries
Department population and marital status projections, 2001 Census, PSSRU
modelling, overgenomen uit Pickard e.a., 2009. [35] Verslag over de vergrijzing 2009: http://ec.europa.eu/economy_finance/publications/publication14992_en.pdf [36] Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening. [37] IDEA CONSULT "Evaluatie van het stelsel van de
dienstencheques voor buurtdiensten en –banen 2010": http://www.ideaconsult.be/images/stories/Downloads/ASB/dch%202010%20eindrapport%20dienstecheques%202011%20elek%20versie.pdf [38] Bladzijde 152 van het IDEA-rapport, zie voetnoot 37. [39] Groep van deskundigen van de Europese Unie over Gelijkheid
van man en vrouw en Werkgelegenheid – Langdurige zorg voor ouderen. Bepalingen
en aanbieders in 33 Europese landen. [40] 215 000 000 uur/40 u. [41] http://cms.horus.be/files/99907/MediaArchive/Policies/SocialPlatform_Nine_Principles_EN.pdf [42] http://www.esn-eu.org/commissioning-for-quality/index.htm [43] Zie punt 2 en voetnoot 7. [44] http://ec.europa.eu/social/BlobServlet?docId=4483&langId=en [45] Communiqué van Brugge: http://ec.europa.eu/education/lifelong-learning-policy/doc/vocational/bruges_nl.pdf [46] http://ec.europa.eu/education/school-education/doc/childhoodcom_nl.pdf [47] http://ec.europa.eu/employment_social/dsw/public/actRetrieveText.do?id=10713 [48] http://is.jrc.ec.europa.eu/pages/EAP/eInclusion/carers.html#projects [49] Kluzer S., Redecker C. en Centeno C. (2010) Long-term
care Challenges in an Ageing Society: The role of ICT and Migrants, JRC IPTS
Scientific and Technical Report Series, EUR 24382 EN beschikbaar op http://ipts.jrc.ec.europa.eu/publications/pub.cfm?id=3299