Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot wijziging van Richtlijn 2011/92/EU betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten /* COM/2012/0628 final - 2012/0297 (COD) */
TOELICHTING 1. ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL Algemene context – Motivering en doel van het
voorstel Richtlijn 2011/92/EU[1] bevat een wettelijke vereiste
om, voordat een vergunning wordt verleend, een milieueffectbeoordeling (MEB)
uit te voeren voor particuliere of openbare projecten die mogelijk aanzienlijke
gevolgen voor het milieu hebben. Er is een consensus dat de hoofddoelstelling
van de richtlijn is bereikt: de beginselen van milieubeoordeling zijn over de
gehele EU geharmoniseerd door de invoering van minimumeisen inzake het type
projecten dat aan een beoordeling is onderworpen, de voornaamste verplichtingen
van de opdrachtgever, de inhoud van de beoordeling en de inspraak van de
bevoegde autoriteiten en het publiek. Tegelijk is de MEB als onderdeel van het
proces voor de toekenning van een vergunning een instrument om de milieukosten
en -baten van specifieke projecten te beoordelen met het oog op het waarborgen
van de duurzaamheid ervan. Bijgevolg is de richtlijn een belangrijk instrument
voor milieu-integratie geworden dat ook ecologische en sociaaleconomische
voordelen oplevert. Na 25 jaar toepassing is de MEB-richtlijn niet
aanzienlijk gewijzigd, terwijl de juridische, technische en beleidscontext
aanmerkelijke ontwikkelingen heeft doorgemaakt. De ervaring met de uitvoering,
zoals weergegeven in de verslagen van de Commissie over de toepassing en
doeltreffendheid van de MEB-richtlijn, met inbegrip van het meest recente
verslag, dat in juli 2009 is gepubliceerd[2],
heeft geleerd dat er een aantal tekortkomingen bestaan. In haar tussentijdse
evaluatie van het Zesde Milieuactieprogramma[3]
heeft de Commissie de noodzaak benadrukt om de beoordeling van milieueffecten
op nationaal niveau te verbeteren en een evaluatie van de MEB-richtlijn
aangekondigd. In de context van betere regelgeving is de richtlijn ook
aangewezen als een mogelijk instrument voor vereenvoudiging[4]. De algemene doelstelling van
het voorstel bestaat erin de bepalingen van de gecodificeerde MEB-richtlijn aan
te passen om tekortkomingen te verhelpen, de bestaande ecologische en
sociaaleconomische veranderingen en uitdagingen te weerspiegelen en de
richtlijn in overeenstemming te brengen met de beginselen van slimme
regelgeving. Samenhang met andere beleidsgebieden en
doelstellingen van de Unie Aangezien de herziene MEB-richtlijn een cruciale
rol kan spelen bij het bewerkstelligen van een efficiënt gebruik van
hulpbronnen (bijvoorbeeld door nieuwe vereisten in te voeren voor het
beoordelen van kwesties die verband houden met het gebruik van natuurlijke
hulpbronnen, zoals biodiversiteit en klimaatverandering), past het voorstel in
het kader van de initiatieven die gericht zijn op de uitvoering van het
Stappenplan voor efficiënt hulpbronnengebruik in Europa[5]. Voorts sluit de herziening van
de MEB-richtlijn aan bij de Europa 2020-strategie[6], met name bij de prioriteit van
duurzame groei. De herziene richtlijn kan ook een aanzienlijke bijdrage leveren
aan het volbrengen van de plicht van de Unie om in al haar beleidsmaatregelen
en acties rekening te houden met culturele aspecten. 2. RESULTATEN VAN RAADPLEGINGEN
VAN DE BETROKKEN PARTIJEN EN EFFECTBEOORDELINGEN Raadpleging van belanghebbende partijen De raadpleging vond plaats in 2010, overeenkomstig
de normen van de Commissie. Van juni tot en met september 2010 vond aan de hand
van een webgebaseerde vragenlijst in alle officiële EU-talen een brede openbare
raadpleging over de herziening van de MEB-richtlijn plaats. Er werden 1365
antwoorden ontvangen (684 van burgers, 479 van organisaties, bedrijven en ngo's
en 202 van overheden en overheidsinstanties). Daarnaast stuurde het Instituut
voor milieubeheer en -beoordeling (Institute for Environmental Management
& Assessment – IEMA)[7]
een bijdrage (1815 antwoorden) in de vorm van een enquête die een aantal van de
vragen van de Commissie bevatte. De raadplegingsfase werd afgesloten met een
conferentie (op 18-19.11.2010 in Leuven, België), die tot doel had commentaren
van gespecialiseerde belanghebbenden in te winnen en zodoende een aanvulling op
de brede openbare raadpleging vormde. 200 vertegenwoordigers van de EU,
internationale instellingen, overheidsinstanties – op nationaal, regionaal en
lokaal niveau –, het bedrijfsleven, milieuorganisaties en de academische wereld
waren op de conferentie aanwezig. De resultaten van de openbare raadpleging[8] en de conclusies van de
conferentie[9]
vormden nuttige input voor de ontwikkeling van het voorstel van de Commissie. Resultaat van de effectbeoordeling De effectbeoordeling waarvan dit voorstel
vergezeld gaat, beschrijft de tekortkomingen van de huidige MEB-wetgeving die
leiden tot een onbevredigende uitvoering (geen bepalingen welke de kwaliteit
van de informatie en kwaliteitsnormen voor het MEB-proces waarborgen en lacunes
bij de uitvoering) en sociaaleconomische kosten bij de uitvoering van de
richtlijn. Indien deze problemen niet afdoende worden aangepakt, wordt de
richtlijn minder doelmatig en doeltreffend en verliest zij haar vermogen om te
waarborgen dat milieuoverwegingen in de besluitvorming worden geïntegreerd.
Bovendien is de kans groot dat de sociaaleconomische kosten de harmonisatie van
de eengemaakte markt negatief beïnvloeden. De tekortkomingen van de richtlijn
kunnen in drie specifieke probleemgebieden worden ingedeeld: (1) de
screeningprocedure, (2) de kwaliteit en analyse van de MEB en (3) de risico's
op een gebrek aan samenhang binnen het MEB-proces zelf en met andere wetgeving.
In de EB zijn een aantal beleidsopties beoordeeld
met de bedoeling kosteneffectieve maatregelen aan te wijzen om deze problemen
aan te pakken. De uitkomst daarvan is voor de Commissie reden om een aantal
wijzigingen voor te stellen, waarvan de belangrijkste hierna worden toegelicht. Voorgesteld wordt de screeningprocedure te
verduidelijken door de criteria van bijlage III aan te passen en de inhoud en
motivering van screeningbesluiten te specificeren. Door deze wijzigingen wordt
gewaarborgd dat MEB's uitsluitend voor projecten met aanzienlijke
milieueffecten worden uitgevoerd en worden onnodige administratieve lasten voor
kleinschalige projecten voorkomen. Wat de kwaliteit en analyse van de MEB
betreft, wordt voorgesteld wijzigingen aan te brengen om de kwaliteit van het
proces te verbeteren (d.i. verplichte scoping en kwaliteitscontrole van
MEB-informatie), de inhoud van het MEB-rapport te specificeren (verplichte
beoordeling van redelijke alternatieven, motivering van eindbesluiten,
verplichte post-MEB-monitoring van aanzienlijke nadelige effecten) en de MEB
aan te passen aan uitdagingen (d.i. biodiversiteit, klimaatverandering, risico's
op rampen, de beschikbaarheid van natuurlijke hulpbronnen). Met betrekking tot het risico op
inconsistenties wordt voorgesteld de termijnen voor de voornaamste stadia
die de richtlijn voorschrijft (openbare raadpleging, screeningbesluit,
MEB-eindbesluit) te specificeren en een mechanisme in te voeren, een soort
"eenloketsysteem" voor MEB, om coördinatie of gezamenlijke actie te
waarborgen tussen de MEB en de milieubeoordelingen uit hoofde van andere
toepasselijke EU-wetgeving, bijvoorbeeld de Richtlijnen 2010/75/EU, 92/43/EEG
en 2001/42/EG. Negen van de twaalf geanalyseerde wijzigingen
leveren naar verwachting aanzienlijke ecologische en sociaaleconomische
voordelen zonder extra administratieve kosten op; er worden ook middelmatige
besparingen verwacht. Twee wijzigingen (beoordeling van alternatieven en
monitoring) leveren naar verwachting hoge ecologische en sociaaleconomische
voordelen op tegen middelmatige kosten voor opdrachtgevers en tegen beperkte of
verwaarloosbare kosten voor overheidsinstanties; een wijziging (aanpassing van
de MEB aan nieuwe uitdagingen) zal naar verwachting hoge voordelen opleveren
tegen middelmatige tot hoge kosten voor opdrachtgevers en overheidsinstanties.
Op lange termijn zullen de aanzienlijke ecologische en sociaaleconomische voordelen
en de middelmatige besparingen die met de voorgestelde wijzigingen gepaard gaan
de administratieve kosten waarschijnlijk overtreffen. 3. JURIDISCHE ASPECTEN VAN HET
VOORSTEL Samenvatting van de voorgestelde maatregel(en) Het voorstel zal de bepalingen betreffende de
kwaliteit van de MEB versterken met het oog op het bereiken van een hoog niveau
van milieubescherming. Het vermogen om gefundeerde besluiten over de
milieueffecten van een project te nemen hangt – in hoge mate – af van de
kwaliteit van de in de MEB-documentatie gebruikte informatie en de kwaliteit
van het MEB-proces. Voorts zal het voorstel de samenhang van het beleid en
synergieën met andere rechtsinstrumenten van de EU verbeteren en procedures
vereenvoudigen met het oog op het terugdringen van onnodige administratieve
lasten. Specifieke informatie over de gewijzigde artikelen
en bijlagen van de MEB-richtlijn wordt hieronder gegeven. De wijzigingen van artikel 1, lid 2, artikel 1,
lid 3, en artikel 1, lid 4 zijn erop gericht de bewoordingen van de
richtlijn te verduidelijken op basis van ervaring met de uitvoering en de
jurisprudentie van het Hof. De definitie van "project" wordt
gewijzigd om duidelijk te maken dat sloopwerken daaronder begrepen zijn,
overeenkomstig het arrest van het Hof in zaak C-50/09; ook worden
relevante definities toegevoegd. De mogelijkheid om de richtlijn niet
toe te passen is beperkt tot projecten met nationale defensie als enige doel en
wordt uitgebreid tot civiele noodsituaties, zoals reeds het geval is krachtens
Richtlijn 2001/42/EG. Artikel 2, lid 3,
wordt gewijzigd om een "eenloketsysteem" voor MEB in te voeren,
teneinde de coördinatie of integratie van beoordelingsprocedures uit hoofde van
de MEB-richtlijn en andere EU-wetgeving mogelijk te maken. De wijzigingen van artikel 3 zijn bedoeld
om samenhang met artikel 2, lid 1, te waarborgen door naar
"aanzienlijke" effecten te verwijzen, en om de MEB aan te passen in
het licht van milieuproblemen (biodiversiteit, klimaatverandering, risico's op
rampen, het gebruik van natuurlijke hulpbronnen). De wijzigingen van artikel 4 stroomlijnen
de screeningprocedure en verbeteren de samenhang met de benaderingen van de
lidstaten om te waarborgen dat MEB's enkel vereist zijn wanneer duidelijk is
dat er aanzienlijke milieueffecten zijn. Wat de in bijlage II genoemde
projecten betreft, wordt een nieuw lid ingevoegd betreffende de verplichting
van de opdrachtgever om specifieke informatie aan de bevoegde autoriteit te
verstrekken (zie bijlage II.A). Dit artikel maakt het ook mogelijk de in
bijlage III opgenomen selectiecriteria te specificeren middels gedelegeerde
handelingen. De inhoud van het screeningbesluit wordt gespecificeerd ter
erkenning van de succesvolle praktijk om projecten onder bepaalde voorwaarden
aan te passen (op basis van een overweging van de meest relevante effecten en
uit hoofde van andere milieuwetgeving van de Unie voortgebrachte informatie),
waardoor kan worden vermeden dat een volledige beoordeling moet worden
uitgevoerd, aangezien de meest relevante milieueffecten op bevredigende wijze
door het aangepaste project worden aangepakt. De waarschijnlijkheid van
aanzienlijke effecten en de daaruit volgende noodzaak van een MEB wordt bepaald
rekening houdend met de aard, complexiteit, locatie en omvang van het voorgestelde
project en wordt gebaseerd op objectieve factoren, zoals de schaal van het
project, het gebruik van waardevolle hulpbronnen, de ecologische kwetsbaarheid
van de locatie en de omvang of onomkeerbaarheid van de mogelijke effecten.
Voorts worden de lessen meegenomen die zijn getrokken uit de jurisprudentie,
waar het Hof de noodzaak benadrukt van "naar behoren [...]
gemotiveerd[e]" (C-75/08) screeningbesluiten, die voorzien zijn of
vergezeld gaan van alle gegevens aan de hand waarvan kan worden getoetst of het
besluit gebaseerd is op een passende voorafgaande verificatie (C-87/02). Tot
slot wordt een termijn voor de goedkeuring van het screeningbesluit
vastgesteld. Artikel 5 wordt
ingrijpend gewijzigd teneinde de kwaliteit van de informatie te verbeteren en
het MEB-proces te stroomlijnen. De kernvereiste ten aanzien van de
opdrachtgever om milieu-informatie in te dienen, wordt behouden, maar de vorm
en inhoud ervan worden gestroomlijnd en gespecificeerd in bijlage IV. Het
scopingproces wordt verplicht en de inhoud van het door de bevoegde autoriteit
verstrekte advies wordt gespecificeerd. Er worden mechanismen ingevoerd
om te waarborgen dat de milieurapporten volledig en van voldoende kwaliteit
zijn. Artikel 6, lid 6,
waarin wordt verwezen naar termijnen voor de openbare raadpleging, wordt
gewijzigd om de rol van milieu-instanties te versterken en concrete termijnen
voor de fase van de raadpleging over het milieurapport vast te stellen. Artikel 7, lid 5,
wordt gewijzigd om de vaststelling van termijnen voor raadplegingen toe te
voegen aan de kwesties waarover de lidstaten moeten beslissen bij het
vaststellen van regelingen voor de uitvoering van projecten die vermoedelijk
aanzienlijke grensoverschrijdende milieueffecten hebben. Artikel 8 wordt
substantieel gewijzigd en omvat verscheidene nieuwe bepalingen. Ten
eerste wordt een termijn gesteld voor het afsluiten van de
milieueffectbeoordelingsprocedure. Ten tweede wordt de bevoegde autoriteit
verplicht in de vergunningprocedure zelf enkele punten ter motivering van het
besluit op te nemen; dit is in overeenstemming met de jurisprudentie
(bijvoorbeeld C-50/09). Ten derde wordt uitsluitend voor projecten die
volgens de gehouden raadplegingen en de vergaarde informatie (met inbegrip van
het milieurapport) aanzienlijke nadelige milieueffecten hebben verplichte
ex-postmonitoring ingevoerd, met de bedoeling de uitvoering en doeltreffendheid
van mitigerende en compenserende maatregelen te beoordelen. Bepaalde lidstaten schrijven zulke monitoring reeds
voor. Omdat deze niet mag overlappen met die welke kan worden vereist krachtens
andere wetgeving van de Unie (bijvoorbeeld inzake industriële emissies of
waterkwaliteit) is het passend gemeenschappelijke minimumvereisten vast te
stellen. Deze nieuwe verplichting is kosteneffectief
aangezien zij kan helpen nadelige effecten op het milieu en de menselijke
gezondheid en herstelkosten te voorkomen, en zij is van belang voor het
aanpakken van effecten die verband houden met nieuwe uitdagingen zoals
klimaatverandering en risico's op rampen. Ten vierde wordt de bevoegde
autoriteit verplicht te verifiëren dat de gegevens van het milieurapport
up-to-date zijn alvorens te besluiten de vergunning te verlenen of te weigeren. De belangrijkste wijziging van artikel 9 is
de opneming van een beschrijving van de monitoringregelingen in de informatie
die aan het publiek wordt verstrekt wanneer er een vergunning wordt verleend. Artikel 12 wordt
gewijzigd om de voor de monitoring van de uitvoering van de richtlijn vereiste
informatie te specificeren. Er worden twee nieuwe artikelen ingevoegd (12
bis en 12 ter) met betrekking tot de aanpassing middels gedelegeerde
handelingen van de bijlagen II.A, III en IV aan de wetenschappelijke
vooruitgang. In bijlage II.A, een nieuwe bijlage, wordt
vastgesteld welke informatie door de opdrachtgever moet worden ingediend met
betrekking tot in bijlage II opgenomen projecten, waarvoor screening wordt
verricht om te bepalen of er een MEB vereist is. Deze wijziging is erop
gericht het screeningproces te harmoniseren. Bijlage III, waarin de
criteria voor het screenen van projecten van bijlage II worden vastgesteld,
wordt gewijzigd om de bestaande criteria te verduidelijken (bijvoorbeeld
cumulatieve effecten of koppelingen met andere EU-wetgeving) en om de aanvullende
criteria op te nemen (hoofdzakelijk die welke betrekking hebben op nieuwe
milieuproblemen). Bijlage IV bevat de
onderwerpen die moeten worden behandeld in het krachtens artikel 5 vereiste
milieurapport. De belangrijkste wijzigingen hebben betrekking op aanvullende
informatievereisten betreffende de beoordeling van redelijke alternatieven, de
beschrijving van monitoringmaatregelen en de beschrijving van aspecten met
betrekking tot nieuwe milieukwesties (bijvoorbeeld klimaatverandering,
biodiversiteit, risico's op rampen en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen). De gewijzigde richtlijn bevat overgangsbepalingen,
die gebaseerd zijn op de jurisprudentie (bijvoorbeeld zaak C-81/96). De
MEB moet van toepassing zijn op projecten waarvan de aanvraag voor een vergunning
is ingediend vóór de omzettingstermijn en waarvan de milieueffectbeoordeling
niet voor die datum is voltooid. Toelichtende stukken Om de volgende redenen is de Commissie van oordeel
dat toelichtende stukken noodzakelijk zijn om de kwaliteit van de informatie
over de omzetting van de richtlijn te verbeteren. De volledige en correcte omzetting van de
richtlijn is essentieel om te waarborgen dat de doelstellingen (d.i. de
menselijke gezondheid en het milieu beschermen en voor gelijke voorwaarden te zorgen)
ervan worden verwezenlijkt. De MEB maakt deel uit van het proces voor de
beoordeling en de vergunning van een breed scala van openbare en particuliere
projecten in de lidstaten, hetzij als een afzonderlijk, hetzij als een
geïntegreerd onderdeel van de beoordelingsprocedures. Bovendien is de
uitvoering van de richtlijn vaak in hoge mate gedecentraliseerd, aangezien
regionale en lokale autoriteiten verantwoordelijk zijn voor de toepassing en,
in sommige lidstaten, zelfs voor de omzetting ervan. Tot slot zal de
codificatie van de MEB-richtlijn wellicht resulteren in wijzigingen van de
nationale maatregelen die de oorspronkelijke richtlijn en de drie latere
wijzigingen ervan geleidelijk omzetten. Ter omzetting van de bepalingen
van de herziene richtlijn, die de gecodificeerde versie wijzigt, is het
mogelijk dat de lidstaten op verschillende beleidsdomeinen maatregelen moeten
nemen en een grote verscheidenheid aan wetgevingshandelingen op nationaal,
regionaal en lokaal niveau moeten wijzigen. De kans is groot dat de bovenstaande factoren de
risico's op een incorrecte omzetting en uitvoering van de richtlijn verhogen en
de taak van de Commissie om de toepassing van het recht van de EU te monitoren,
bemoeilijken. Duidelijke informatie aangaande de omzetting van de
herziene MEB-richtlijn is behulpzaam bij het waarborgen van overeenstemming van
de nationale wetgeving met de bepalingen van de richtlijn. Hoe dan ook kan de vereiste om toelichtende
stukken te verstrekken een extra administratieve belasting vormen voor
lidstaten die niet op deze basis werken. Toelichtende stukken zijn
echter noodzakelijk om doeltreffend te kunnen verifiëren of de richtlijn
volledig en correct is omgezet, hetgeen om bovengenoemde redenen essentieel is,
en er zijn geen minder belastende maatregelen voorhanden om doeltreffende
verificatie mogelijk te maken. Bovendien kunnen toelichtende stukken
aanzienlijk bijdragen tot het verminderen van de administratieve lasten met
betrekking tot de monitoring van de naleving door de Commissie; zonder
deze stukken zouden aanzienlijke middelen en veelvuldige contacten met
nationale autoriteiten nodig zijn om de omzettingsmethoden in alle lidstaten te
volgen. Bijgevolg is de mogelijke extra administratieve belasting ten
gevolge van het verstrekken van toelichtende stukken proportioneel met het
nagestreefde doel, namelijk het waarborgen van de doeltreffende omzetting van
de richtlijn en het volledig verwezenlijken van de doelstellingen ervan. Gelet op het bovenstaande is het passend de
lidstaten te verzoeken de kennisgeving van hun omzettingsmaatregelen vergezeld
te doen gaan van een of meer documenten waarin het verband tussen de bepalingen
van de richtlijn en de overeenkomstige onderdelen van de nationale
omzettingsdocumenten wordt toegelicht. Rechtsgrondslag Aangezien de primaire doelstelling van de
richtlijn de bescherming van het milieu overeenkomstig artikel 191 VWEU is, is
het voorstel gebaseerd op artikel 192, lid 1, VWEU. Subsidiariteits- en evenredigheidsbeginsel en
keuze van instrumenten Het subsidiariteitsbeginsel is van toepassing voor
zover het voorstel geen gebieden bestrijkt die onder de exclusieve bevoegdheid
van de Europese Unie vallen. De doelstellingen van het voorstel kunnen niet
voldoende door de lidstaten worden verwezenlijkt. De bestaande wetgeving bevat
minimumvereisten voor de milieubeoordeling van projecten in de gehele EU en is
erop gericht internationale verdragen na te leven (bijvoorbeeld Espoo, Aarhus
en het Verdrag inzake biologische diversiteit). Dit beginsel wordt behouden in
het voorstel, dat de beginselen van milieubeoordeling verder harmoniseert en
inconsistenties aanpakt. Alle lidstaten moeten maatregelen nemen om aan de
minimumvereisten te voldoen; individuele nationale maatregelen kunnen de
werking van de eengemaakte markt verstoren aangezien van lidstaat tot lidstaat
verschillende regelgeving grensoverschrijdende economische activiteiten kan
belemmeren. De doelstellingen van het voorstel kunnen beter
worden verwezenlijkt door EU-maatregelen. Sinds de vaststelling van de richtlijn
in 1985 is de EU uitgebreid, terwijl de omvang en de ernst van de
milieuproblemen die moeten worden aangepakt en het aantal grote
infrastructuurprojecten op EU-schaal eveneens zijn toegenomen (bijvoorbeeld
grensoverschrijdende projecten op het gebied van energie of vervoer). Vanwege
de grensoverschrijdende aard van milieuproblemen (bijvoorbeeld
klimaatverandering of risico's op rampen) en van sommige projecten, is actie op
het niveau van de EU nodig en biedt deze toegevoegde waarde vergeleken bij individuele
nationale acties. De maatregelen van de EU zullen ook problemen aanpakken die
belangrijk zijn voor de EU als geheel, zoals de aanpassing aan de
klimaatverandering en rampenpreventie, en hebben een rol te spelen bij de
verwezenlijking van de Europa 2020-doelstellingen inzake duurzame groei. Het voorstel is derhalve in overeenstemming met
het subsidiariteitsbeginsel. Het gekozen rechtsinstrument is een richtlijn
omdat het voorstel erop gericht is een bestaande richtlijn te wijzigen. In
het voorstel zijn algemene doelstellingen en verplichtingen vastgesteld,
terwijl de lidstaten voldoende flexibiliteit wordt gelaten ten aanzien van de
keuze van maatregelen ter naleving en de concrete uitvoering daarvan. Het
voorstel is derhalve in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel. 4. GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING Het voorstel heeft geen gevolgen voor de begroting
van de Unie. 5. AANVULLENDE INFORMATIE Dit voorstel betreft een aangelegenheid die van
belang is voor de Europese Economische Ruimte en moet dus op de EER van
toepassing zijn. 2012/0297 (COD) Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN
DE RAAD tot wijziging van Richtlijn 2011/92/EU
betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere
projecten (Voor de EER relevante tekst) HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN
DE EUROPESE UNIE, Gezien het Verdrag betreffende de werking van
de Europese Unie, en met name artikel 192, lid 1, Gezien het voorstel van de Europese Commissie, Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling
aan de nationale parlementen, Gezien het advies van het Europees Economisch
en Sociaal Comité[10], Gezien het advies van het Comité van de
Regio's[11], Handelend volgens de gewone
wetgevingsprocedure, Overwegende hetgeen volgt: (1) Richtlijn 2011/92/EU voorziet
in de harmonisering van de beginselen van milieueffectbeoordeling van projecten
door de invoering van minimumvereisten (met betrekking tot de aard van de te
beoordelen projecten, de belangrijkste verplichtingen van de opdrachtgevers, de
inhoud van de beoordeling en de inspraak van de bevoegde autoriteiten en het
publiek) en in een hoog beschermingsniveau van het milieu en de menselijke
gezondheid. (2) In de tussentijdse evaluatie
van het Zesde Milieuactieprogramma[12]
en het jongste verslag van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement,
het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's over de
toepassing en de doeltreffendheid van de MEB-richtlijn (Richtlijn 85/337/EEG)[13], de voorloper van Richtlijn
2011/92/EU, wordt benadrukt dat de beginselen voor de milieueffectbeoordeling
van projecten moeten worden verbeterd en dat de richtlijn moet worden aangepast
aan de sterk gewijzigde juridische, technische en beleidscontext. (3) Richtlijn 2011/92/EU moet
worden gewijzigd om de kwaliteit van de milieueffectbeoordelingsprocedure te
verbeteren, de verschillende stappen van de procedure te stroomlijnen en de
samenhang en synergieën met de overige wetgeving en beleidsinitiatieven van de
Unie te versterken, alsmede met de door de lidstaten voor hun
bevoegdheidsdomeinen ontwikkelde strategieën en beleidsmaatregelen. (4) Milieuoverwegingen zoals een
efficiënt gebruik van hulpbronnen, biodiversiteit, klimaatverandering en
risico's op rampen hebben het jongste decennium aan belang gewonnen bij de
beleidsvorming en moeten derhalve worden meegenomen als kritieke elementen in
de beoordelings- en besluitvormingsprocessen, met name voor
infrastructuurprojecten. (5) In haar mededeling
"Stappenplan voor efficiënt hulpbronnengebruik in Europa"[14] heeft de Commissie zich ertoe
verbonden bij de herziening van Richtlijn 2011/92/EU rekening te houden met
overwegingen inzake een efficiënt hulpbronnengebruik. (6) In de Thematische strategie
voor bodembescherming[15]
en het Stappenplan voor efficiënt hulpbronnengebruik in Europa wordt de nadruk
gelegd op het belang van een duurzaam bodemgebruik en de noodzaak om de
onhoudbare toename van de bebouwde oppervlakte (ruimtebeslag) aan te pakken. In
het eindrapport van de VN-Conferentie over Duurzame Ontwikkeling, die van 20
tot 22 juni 2012 in Rio de Janeiro plaatsvond, worden de economische en sociale
effecten erkend van een goed grondbeheer, met inbegrip van de bodem, en wordt
gepleit voor dringende maatregelen om de bodemaantasting te keren. Bij openbare
en publieke projecten moeten de effecten op het grondgebruik, met name
ruimtebeslag, en het bodemgebruik, waaronder organische materialen, erosie,
bodemverdichting en verzilting, worden bekeken en beperkt, onder meer door
bodembestemmingsplannen op te stellen en een nationaal, regionaal en lokaal
ruimtelijkordeningsbeleid uit te stippelen. (7) Op grond van het Verdrag van
de Verenigde Naties inzake biologische diversiteit (het verdrag), waarbij de
Europese Unie partij is, moeten aanzienlijke nadelige effecten van projecten op
de biodiversiteit, als gedefinieerd in artikel 2 van het verdrag, voor zover
mogelijk en op passende wijze worden beoordeeld teneinde die effecten te
vermijden of te minimaliseren beperken. Deze voorafgaande beoordeling van de
effecten moet bijdragen tot het bereiken van de in 2010[16] vastgestelde
EU-kerndoelstelling om tegen 2020 een halt toe te roepen aan het verlies van
biodiversiteit en de achteruitgang van ecosysteemdiensten, en deze waar
mogelijk te herstellen. (8) Maatregelen om aanzienlijke nadelige
effecten op het milieu te vermijden, te beperken en, indien mogelijk, te
verhelpen, moeten bijdragen tot het vermijden van elke achteruitgang van de
milieukwaliteit en elk nettoverlies van biodiversiteit overeenkomstig de
verbintenissen die de Unie is aangegaan in het kader van het verdrag en de
doelstellingen en acties van de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2020[17] . (9) De klimaatverandering zal
schade aan het milieu blijven veroorzaken en blijft een bedreiging voor onze
economische ontwikkeling. Derhalve moet de ecologische, sociale en economische
weerbaarheid van de Unie worden bevorderd om de klimaatverandering in de hele
Unie op een efficiënte manier aan te pakken. In talrijke sectoren van de
EU-wetgeving moet werk worden gemaakt van de aanpassing aan de
klimaatverandering en het verzachten van de gevolgen daarvan. (10) Na de Mededeling van de
Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en
Sociaal Comité en het Comité van de Regio's inzake een communautaire aanpak van
de preventie van natuurrampen en door de mens veroorzaakte rampen[18] heeft de Europese Raad de
Commissie in zijn conclusies van 30 november 2009 opgeroepen om ervoor te
zorgen dat bij de toetsing en de verdere ontwikkeling van de EU-initiatieven
rekening wordt gehouden met vraagstukken op het gebied van rampenpreventie en ‑beheer
en het actiekader van Hyogo van de Verenigde Naties (2005-2015), waarin wordt
benadrukt dat procedures moeten worden vastgesteld voor de beoordeling van de
effecten van grote infrastructuurprojecten op het risico op rampen. (11) Voor de bescherming en
bevordering van cultureel erfgoed en waardevolle landschappen, die een
integrerend onderdeel vormen van de culturele verscheidenheid die de Unie
krachtens artikel 167, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de
Europese Unie dient te eerbiedigen en te bevorderen, kan doorgaans worden
voortgebouwd op de definities en beginselen die zijn opgenomen in de
toepasselijke verdragen van de Raad van Europa, met name de Overeenkomst inzake
het behoud van het architectonische erfgoed van Europa, het Europees
Landschapsverdrag en de Kader-Conventie over de waarde van cultureel erfgoed
voor de samenleving. (12) Bij de tenuitvoerlegging van
Richtlijn 2011/29/EU moet, met name voor kleine en middelgrote ondernemingen,
een concurrerend ondernemingsklimaat worden gewaarborgd om een slimme, duurzame
en inclusieve groei tot stand te brengen overeenkomstig de doelstellingen van
de mededeling van de Commissie "Europa 2020 – Een strategie voor
slimme, duurzame en inclusieve groei"[19]. (13) In de praktijk is gebleken dat
de toepassing van de bepalingen van Richtlijn 2011/92/EU in bepaalde
noodsituaties nadelige gevolgen kan hebben en de lidstaten derhalve de
mogelijkheid dienen te krijgen de richtlijn in specifieke gevallen niet toe te
passen. (14) Er moet worden gespecificeerd
welke informatie de opdrachtgever dient te verstrekken om de bevoegde
autoriteiten in staat te stellen te oordelen of de in bijlage II bij Richtlijn
2001/92/EU genoemde projecten aan een milieueffectbeoordeling moeten worden
onderworpen (screeningprocedure). (15) De in bijlage III bij
Richtlijn 2011/92/EU vastgestelde selectiecriteria die de lidstaten dienen te
hanteren om te bepalen welke projecten op grond van de aanzienlijke milieueffecten
ervan aan een milieubeoordeling moeten worden onderworpen, moeten worden
aangepast en verduidelijkt om te waarborgen dat een milieueffectbeoordeling
alleen wordt opgelegd voor projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu
kunnen hebben, zoals projecten waarbij waardevolle hulpbronnen worden gebruikt
of aangetast, projecten op ecologisch kwetsbare locaties of projecten met
potentieel schadelijke of onomkeerbare effecten. (16) Om te bepalen of een project
aanzienlijke milieueffecten kan veroorzaken, dienen de bevoegde autoriteiten de
meest relevante criteria te bepalen en gebruik te maken van de aanvullende
informatie uit andere krachtens de wetgeving van de Unie vereiste beoordelingen
om de screeningprocedure doeltreffend uit te voeren. In deze context is het
raadzaam de inhoud van het screeningbesluit te bepalen, met name wanneer er
geen milieubeoordeling vereist is. (17) De bevoegde autoriteiten
moeten worden verplicht de reikwijdte en het detailleringsniveau van de in het
milieurapport op te nemen informatie te bepalen (scoping). Om de kwaliteit van
de beoordeling te verbeteren en het besluitvormingsproces te stroomlijnen
moeten op EU-niveau de informatiecategorieën worden vastgesteld op basis
waarvan de bevoegde autoriteiten hun beslissing dienen te nemen. (18) Als middel om de kwaliteit van
het beoordelingsproces te verbeteren en om het mogelijk te maken de
milieuaspecten vanaf een vroeg ontwerpstadium mee te nemen, moet het door de
opdrachtgever in te dienen milieurapport van een project een beoordeling
bevatten van de voor het voorgestelde project relevante redelijke
alternatieven, waaronder de te verwachten ontwikkeling van de bestaande
toestand van het milieu wanneer het project niet wordt uitgevoerd
(referentiescenario). (19) Er moeten maatregelen worden
genomen om te waarborgen dat de overeenkomstig bijlage IV bij Richtlijn
2011/92/EU in de milieurapporten opgenomen informatie volledig en van voldoende
kwaliteit is. Om overlappingen tussen beoordelingen te voorkomen, dienen de
lidstaten er rekening mee te houden dat milieubeoordelingen op verschillende
niveaus of via verschillende instrumenten kunnen worden uitgevoerd. (20) Teneinde de transparantie en
verantwoording te waarborgen dienen bevoegde autoriteiten te worden verplicht
hun besluit om voor een project een vergunning te verlenen te motiveren en aan
te tonen dat zij rekening hebben gehouden met de gehouden raadplegingen en de
verzamelde informatie. (21) Er moeten gemeenschappelijke
minimumvereisten worden vastgesteld voor de monitoring van de aanzienlijke
nadelige effecten van de bouw en exploitatie van projecten teneinde in alle
lidstaten een gemeenschappelijke aanpak te waarborgen en ervoor te zorgen dat
de effecten, na de uitvoering van de verzachtende en compenserende maatregelen,
niet groter zijn dan aanvankelijk was gepland. Deze monitoringverplichtingen
mogen niet overlappen, noch worden opgelegd bovenop andere op grond van de
EU-wetgeving vereiste monitoring. (22) Er moet een tijdschema voor de
verschillende stappen van de milieubeoordeling van projecten worden vastgesteld
om een efficiëntere besluitvorming aan te moedigen en de rechtszekerheid te
verhogen, rekening houdend met de aard, complexiteit, locatie en omvang van het
voorgestelde project. Dat tijdschema mag in geen geval afbreuk doen aan het
hoge niveau van de normen voor milieubescherming, met name de normen die uit
andere milieuwetgeving van de Unie voortvloeien, noch aan werkelijke inspraak
en toegang tot de rechter. (23) Om overlappingen tussen de
beoordeling te voorkomen, de administratieve complexiteit te verminderen en de
economische efficiëntie te verhogen, dienen de lidstaten te voorzien in
gecoördineerde en gemeenschappelijke procedures wanneer de uitvoering van een
milieueffectbeoordeling verplicht is op grond van zowel deze richtlijn als op
grond van andere wetgeving van de Unie, zoals Richtlijn 2001/42/EG
betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen
en programma's[20],
Richtlijn 2009/147/EG inzake het behoud van de vogelstand[21], Richtlijn 2000/60/EG tot
vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het
waterbeleid[22],
Richtlijn 2010/75/EU inzake industriële emissies[23], en Richtlijn 92/43/EEG van de
Raad inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en
fauna[24]. (24) De nieuwe bepalingen dienen
eveneens van toepassing te zijn op projecten waarvoor vóór het verstrijken van
de omzettingstermijn van deze richtlijn een vergunning is aangevraagd, maar
waarvan de milieueffectbeoordeling niet vóór die datum is afgesloten. (25) Overeenkomstig de gezamenlijke
politieke verklaring van de lidstaten en de Commissie van 28 september 2011
over toelichtende stukken hebben de lidstaten zich ertoe verbonden om in
gerechtvaardigde gevallen de kennisgeving van hun omzettingsmaatregelen
vergezeld te doen gaan van één of meer stukken waarin het verband tussen de
onderdelen van een richtlijn en de overeenkomstige delen van de nationale
omzettingsinstrumenten wordt toegelicht. Met betrekking tot deze richtlijn acht
de wetgever de toezending van dergelijke stukken gerechtvaardigd. (26) Teneinde de selectiecriteria
en de in het milieurapport mee te delen informatie in overeenstemming te
brengen met de jongste technologische ontwikkelingen en relevante praktijken,
dient de bevoegdheid om wetgevingshandelingen vast te stellen overeenkomstig
artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie aan de
Commissie te worden gedelegeerd voor wijzigingen van de bijlagen II.A, III en
IV van Richtlijn 2011/92/EU. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij
haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer
op deskundigenniveau. (27) De Commissie moet er bij de
voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen voor zorgen dat de
desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden
toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad. (28) Aangezien de doelstelling van
deze richtlijn, namelijk een hoog niveau van bescherming van de menselijke
gezondheid en het milieu waarborgen door de vaststelling van minimumvereisten
voor de milieubeoordeling van projecten, niet voldoende door de lidstaten kan
worden verwezenlijkt en, gelet op de omvang, de ernst en de
grensoverschrijdende aard van de aan te pakken milieuproblemen, derhalve beter
door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in
artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde
subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde
artikel 5 neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder
dan nodig is voor de verwezenlijking van deze doelstelling. (29) Richtlijn 2011/92/EU moet
derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd, HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN
VASTGESTELD: Artikel 1 Richtlijn 2011/92/EU wordt als volgt
gewijzigd: (1)
Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd: (a)
In lid 2, onder a), wordt het eerste streepje
vervangen door: "— de uitvoering van bouw- of sloopwerken, of
de totstandbrenging van andere installaties of werken," (b)
in lid 2 wordt de volgende definitie toegevoegd: "g) "milieueffectbeoordeling": het
proces vanaf de opstelling van een milieurapport, de organisatie van
raadplegingen (onder meer van het betrokken publiek en de milieu-instanties),
de beoordeling door de bevoegde autoriteit, rekening houdend met het
milieurapport en de resultaten van de raadpleging in het kader van de
vergunningsprocedure, tot en met de verstrekking van informatie over het
besluit overeenkomstig de artikelen 5 tot en met 10." (c)
de leden 3 en 4 worden vervangen door: "3. Indien hun nationale wetgeving in die
mogelijkheid voorziet, kunnen de lidstaten per geval besluiten deze richtlijn
niet toe te passen voor projecten die uitsluitend bestemd zijn voor nationale
defensie of om het hoofd te bieden aan civiele noodsituaties, indien zij
oordelen dat toepassing in die gevallen nadelige gevolgen zou hebben voor deze
doeleinden." 4. Deze richtlijn is niet van toepassing op
projecten die in detail worden aangenomen via een specifieke nationale wet
indien de doelstellingen van de deze richtlijn, met inbegrip van de
informatieverstrekking, via het wetgevingsproces worden bereikt. Om de twee
jaar na de in artikel 2, lid 1, van Richtlijn XXX [Nummer van deze richtlijn in te vullen door het Bureau voor publicaties]
genoemde datum stellen de lidstaten de Commissie in kennis van de gevallen
waarin zij deze bepaling hebben toegepast." (2)
Artikel 2, lid 3, wordt vervangen door: "3. Voor projecten waarvoor de verplichting
om een beoordeling van de milieueffecten uit te voeren voortvloeit uit zowel
deze richtlijn als andere wetgeving van de Unie wordt een gecoördineerde of
gemeenschappelijke procedure vastgesteld die aan de vereisten van de
toepasselijke wetgeving van de Unie voldoet. Bij de gecoördineerde procedure coördineert de
bevoegde autoriteit de verschillende op grond van de toepasselijke wetgeving
van de Unie vereiste en door verschillende autoriteiten uitgevoerde
afzonderlijke beoordelingen zonder afbreuk te doen aan eventuele andersluidende
bepalingen in andere toepasselijke wetgeving van de Unie. In het kader van de gemeenschappelijke procedure
voert de bevoegde autoriteit één milieueffectbeoordeling uit waarin de
beoordelingen van één of meer autoriteiten worden geïntegreerd, onverminderd
eventuele andersluidende bepalingen in andere toepasselijke wetgeving van de
Unie. De lidstaten wijzen één autoriteit aan die het
verloop van de vergunningsprocedure voor alle projecten dient te
faciliteren." (3)
Artikel 3 wordt vervangen door: "Artikel
3 Bij de milieueffectbeoordeling worden de directe
en indirecte aanzienlijke effecten van een project overeenkomstig de artikelen
4 tot en met 11 per geval op passende wijze geïdentificeerd, beschreven en
beoordeeld op de volgende factoren: a) de bevolking, de menselijke gezondheid en de
biodiversiteit, met bijzondere aandacht voor op grond van Richtlijn
92/43/EEG(*) van de Raad en Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en
de Raad(**) beschermde soorten en habitats; b) grond, bodem, water, lucht en
klimaatverandering; c) materiële goederen, het cultureel erfgoed en
het landschap; d) de samenhang tussen de onder a), b) en c)
genoemde factoren. e) de blootstelling aan, de kwetsbaarheid voor en
de weerbaarheid van de in de punten a), b) en c) genoemde factoren tegen
natuurrampen en door de mens veroorzaakte rampen." _________________ (*) PB L 206 van 22.7.1992,
blz. 7. (**) PB L 20 van 26.1.2010,
blz. 7." (4)
Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd: (a)
de leden 3 en 4 worden vervangen door: "3. Voor in bijlage II genoemde projecten
verstrekt de opdrachtgever informatie over de kenmerken van het project, de
potentiële gevolgen daarvan voor het milieu en de geplande maatregelen om
aanzienlijke effecten te vermijden en te beperken. De gedetailleerde lijst van
de mee te delen informatie is vastgesteld in bijlage II.A." 4. Wanneer een onderzoek per geval wordt
uitgevoerd of drempels of criteria worden vastgesteld met het oog op lid 2,
dient de bevoegde autoriteit rekening te houden met de selectiecriteria die
verband houden met de kenmerken en de locatie van het project en de mogelijke
milieueffecten daarvan. De gedetailleerde lijst van de te gebruiken
selectiecriteria is vastgesteld in bijlage III." (b)
de volgende leden 5 en 6 worden toegevoegd: "5. De bevoegde autoriteit neemt haar besluit
overeenkomstig lid 2 op basis van de door de opdrachtgever verstrekte
informatie en, in voorkomend geval, rekening houdend met de resultaten van
studies, voorafgaande controles of op grond van andere wetgeving van de Unie
uitgevoerde beoordelingen van de effecten op het milieu. Het overeenkomstig lid
2 genomen besluit: a) bevat een toelichting over de manier waarop
rekening is gehouden met de in bijlage III vastgestelde criteria; b) geeft een overzicht van de redenen waarom het
project al dan niet aan een milieueffectbeoordeling overeenkomstig de artikelen
5 tot en met 10 moet worden onderworpen; c) bevat een beschrijving van de geplande
maatregelen om aanzienlijke effecten op het milieu te vermijden, te voorkomen
en te beperken wanneer is besloten dat het project niet aan een
milieueffectbeoordeling overeenkomstig de artikelen 5 tot en met 10 moet worden
onderworpen; d) wordt openbaar gemaakt. 6. De bevoegde autoriteit neemt haar besluit
overeenkomstig lid 2 binnen drie maanden na de aanvraag van een vergunning door
de opdrachtgever op voorwaarde dat de opdrachtgever alle vereiste informatie
heeft ingediend. Afhankelijk van de aard, de complexiteit, de locatie en de
omvang van het voorgestelde project, kan de bevoegde autoriteit die termijn met
drie maanden verlengen; in dat geval deelt zij de opdrachtgever mee welke
redenen aan de basis liggen van de termijnverlenging en op welke datum een
besluit wordt verwacht. Wanneer het project aan een
milieueffectbeoordeling overeenkomstig de artikelen 5 tot en met 10 moet worden
onderworpen, wordt de in artikel 5, lid 2, bedoelde informatie opgenomen in het
overeenkomstig lid 2 van dit artikel genomen besluit." (5)
In artikel 5 worden de leden 1, 2 en 3 vervangen
door: "1. Wanneer een milieueffectbeoordeling
overeenkomstig de artikelen 5 tot en met 10 moet worden uitgevoerd, dient de
opdrachtgever een milieurapport op te stellen. Het milieurapport is gebaseerd
op het overeenkomstig lid 2 van dit artikel genomen besluit en bevat de
informatie die redelijkerwijs mag worden vereist om een gefundeerde beslissing
over de milieueffecten van het voorgestelde project te kunnen nemen, rekening
houdend met de bestaande kennis en beoordelingsmethodes, de kenmerken,
technische capaciteit en locatie van het project, de aard van de potentiële
effecten, alternatieven voor het voorgestelde project en de mate waarin
bepaalde aspecten (waaronder de beoordeling van de alternatieven) beter op
andere niveaus kunnen worden beoordeeld, waaronder het planningsniveau, of op
basis van andere beoordelingsvereisten. De gedetailleerde lijst van de in het
milieurapport mee te delen informatie is vastgesteld in bijlage IV. 2. Na raadpleging van de opdrachtgever en de in
artikel 6, lid 1, bedoelde autoriteiten, bepaalt de bevoegde autoriteit de
reikwijdte en het detailleringsniveau van de door de opdrachtgever in het
milieurapport mee te delen informatie overeenkomstig lid 1 van dit artikel. De
autoriteit bepaalt met name: a) de te nemen beslissingen en in te winnen
adviezen; b) de autoriteiten en de bevolking voor wie het
project gevolgen kan hebben; c) de diverse fasen van de procedure en de duur
daarvan; d) de redelijke alternatieven die relevant zijn
voor het voorgestelde project en de specifieke kenmerken daarvan; e) de in artikel 3 bedoelde milieuaspecten die
significante gevolgen kunnen ondervinden; f) de informatie die moet worden verstrekt met
betrekking tot de specifieke kenmerken van een bepaald project of type project; g) de beschikbare informatie en kennis die op
andere besluitvormingsniveaus of via andere wetgeving van de Unie is verkregen
en de toe te passen beoordelingsmethoden. De bevoegde autoriteit kan zich laten bijstaan
door erkende en technisch bekwame deskundigen als bedoeld in lid 3 van dit
artikel. De opdrachtgever mag daarna slechts om aanvullende informatie worden
verzocht wanneer dit gerechtvaardigd is door nieuwe omstandigheden en wanneer
dit door de bevoegde autoriteit naar behoren wordt gemotiveerd. 3. Om de volledigheid en kwaliteit van de in
artikel 5, lid 1, bedoelde milieurapporten te waarborgen dient: a) de opdrachtgever te waarborgen dat het
milieurapport wordt opgesteld door een erkende en technisch bekwame deskundige;
of b) de bevoegde autoriteit te waarborgen dat het
milieurapport wordt gecontroleerd door erkende en technisch bekwame deskundigen
en/of comités van nationale deskundigen. De opdrachtgever mag voor de opstelling van het
milieurapport geen beroep doen op erkende en technisch bekwame deskundigen die
de bevoegde autoriteit bijstand hebben verleend bij de voorbereiding van het in
artikel 5, lid 2, bedoelde besluit. De gedetailleerde regelingen voor de inschakeling
en selectie van erkende en technisch bekwame deskundigen (bijvoorbeeld vereiste
kwalificaties, evaluatieopdracht, certificering en intrekking van de
vergunning) worden bepaald door de lidstaten." (6)
Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd: (a)
lid 6 wordt vervangen door: "6. Er wordt voor de verschillende fasen in
redelijke termijnen voorzien met voldoende tijd om: a) het publiek en de in artikel 6, lid 1, bedoelde
autoriteiten te informeren; en b) het betrokken publiek en de in artikel 6, lid
1, bedoelde autoriteiten de gelegenheid te bieden zich voor te bereiden en
daadwerkelijk deel te nemen aan de milieubesluitvorming als bedoeld in dit
artikel." (b)
het volgende lid 7 wordt toegevoegd: "7. De termijn waarbinnen het betrokken
publiek wordt geraadpleegd over het in artikel 5, lid 1, bedoelde milieurapport
bedraagt ten minste 30 dagen en ten hoogste 60 dagen. In uitzonderlijke
gevallen, wanneer de aard, de complexiteit, de locatie of de omvang van het
voorgestelde project dat vereisten, kan de bevoegde autoriteit die termijn met
30 dagen verlengen; in dat geval deelt de bevoegde autoriteit de opdrachtgever
mee welke redenen aan de basis liggen van die verlenging." (7)
Artikel 7, lid 5, wordt vervangen door: "5. De gedetailleerde regelingen voor de
toepassing van de leden 1 tot en met 4 van dit artikel, met inbegrip van de
vaststelling van de raadplegingstermijnen, worden bepaald door de betrokken
lidstaten op basis van de in artikel 6, leden 5 en 6, bedoelde regelingen en
termijnen en moeten het betrokken publiek op het grondgebied van de betrokken
lidstaat reële inspraakmogelijkheden verschaffen in het
milieubesluitvormingsproces voor het project als bedoeld in artikel 2, lid
2." (8)
Artikel 8 wordt vervangen door: "Artikel
8 1. De resultaten van de raadplegingen en de
krachtens de artikelen 5, 6 en 7 ingewonnen informatie worden in het kader van
de vergunningsprocedure in aanmerking genomen. Daartoe wordt in het besluit om
een vergunning te verlenen de volgende informatie opgenomen: a) de milieubeoordeling door de in artikel 3
bedoelde bevoegde autoriteit en de aan het besluit gekoppelde
milieuvoorwaarden, waaronder een beschrijving van de belangrijkste maatregelen
om aanzienlijke nadelige effecten te vermijden, te beperken en, indien
mogelijk, te verhelpen; b) de belangrijkste redenen om, in het licht van
de andere onderzochte alternatieven, voor het gekozen project te opteren,
waaronder de te verwachten ontwikkeling van de bestaande toestand van het
milieu zonder de uitvoering van het project (referentiescenario); c) een samenvatting van de overeenkomstig de
artikelen 6 en 7 ontvangen opmerkingen; d) een toelichting van de wijze waarop de
milieuoverwegingen in de verleende vergunning zijn opgenomen en waarop de
resultaten van de raadplegingen en de krachtens de artikelen 5, 6 en 7
ingewonnen informatie zijn meegenomen of op een andere manier behandeld. Voor projecten die aanzienlijke nadelige
grensoverschrijdende effecten kunnen hebben, dient de bevoegde autoriteit te
motiveren waarom geen rekening is gehouden met de door de getroffen lidstaat
tijdens de overeenkomstig artikel 7 georganiseerde raadplegingen ontvangen
opmerkingen. 2. Indien uit de raadplegingen en de
overeenkomstig de artikelen 5, 6 en 7 verzamelde informatie blijkt dat een
project aanzienlijke nadelige gevolgen voor het milieu zal hebben, dient de
bevoegde autoriteit zo snel mogelijk en in nauwe samenwerking met de
opdrachtgever en de in artikel 6, lid 1, bedoelde autoriteiten na te gaan of
het in artikel 5, lid 1, bedoelde milieurapport moet worden herzien en of het
project moet worden aangepast om deze nadelige effecten te vermijden of te
beperken en of er behoefte is aan extra verzachtende en compenserende
maatregelen. Indien de bevoegde autoriteit besluit een
vergunning te verlenen, neemt zij in die vergunning maatregelen op om de
aanzienlijke nadelige gevolgen voor het milieu te monitoren teneinde de
uitvoering van het project en de verwachte doelmatigheid van de verzachtende en
compenserende maatregelen te beoordelen en na te gaan of er geen onvoorzienbare
nadelige effecten optreden. Het soort parameters dat wordt gemonitord en de
monitoringtermijn moeten evenredig zijn met de aard, de locatie en de omvang
van het voorgestelde project en met het belang van de milieueffecten ervan. Indien passend kan gebruik worden gemaakt van
bestaande monitoringregelingen op grond van andere wetgeving van de Unie. 3. De bevoegde autoriteit sluit haar
milieueffectbeoordeling af binnen een termijn van drie maanden nadat de in de
artikelen 6 en 7 bedoelde raadplegingen zijn afgerond en alle overeenkomstig de
artikelen 5, 6 en 7 vereiste informatie aan de bevoegde autoriteit is
verstrekt, met inbegrip van eventuele specifieke beoordelingen die op grond van
andere wetgeving van de Unie moeten worden uitgevoerd. Afhankelijk van de aard, de complexiteit, de
locatie en de omvang van het voorgestelde project, kan de bevoegde autoriteit
die termijn met drie maanden verlengen; in dat geval deelt zij de opdrachtgever
mee welke redenen aan de basis liggen van de termijnverlenging en op welke
datum een besluit wordt verwacht. 4. Vóór zij besluit een vergunning toe te kennen
of te weigeren, controleert de bevoegde autoriteit of de in artikel 5, lid 1,
bedoelde informatie in het milieurapport actueel is, met name wat betreft de
geplande maatregelen om aanzienlijke nadelige effecten te vermijden, te
beperken en, indien mogelijk, te compenseren." (9)
Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd: (a)
lid 1 komt als volgt te luiden: "1. Wanneer een beslissing over het verlenen
of weigeren van een vergunning is genomen, brengen de bevoegde autoriteiten het
betrokken publiek en de in artikel 6, lid 1, bedoelde autoriteiten,
overeenkomstig de toepasselijke procedures op de hoogte en stellen zij de
volgende informatie ter beschikking van het publiek: a) de inhoud van de beslissing en de eventuele
voorwaarden die daaraan zijn verbonden; b) na bestudering van het milieurapport en de
opmerkingen en standpunten van het betrokken publiek, de voornaamste redenen en
overwegingen waarop de beslissing is gebaseerd, met inbegrip van informatie
over de inspraakprocedure; c) indien nodig, een beschrijving van de
voornaamste maatregelen om aanzienlijke schadelijke effecten te voorkomen, te
beperken en zo mogelijk te verhelpen; d) indien van toepassing, een beschrijving van de
in artikel 8, lid 2, bedoelde monitoringmaatregelen." (b)
het volgende lid 3 wordt toegevoegd: "3. De lidstaten kunnen eveneens besluiten de
in lid 1 bedoelde informatie publiek te maken wanneer de bevoegde autoriteit
haar milieueffectbeoordeling van het project afsluit." (10)
artikel 12, lid 2, wordt vervangen door: "2. Met name om de twee jaar na de in artikel
2, lid 1, van Richtlijn XXX [Nummer van deze
richtlijn in te vullen door het Bureau voor publicaties] genoemde datum
stellen de lidstaten de Commissie in kennis van: a) het aantal projecten als bedoeld in de bijlagen
I en II waarvoor een beoordeling overeenkomstig de artikelen 5 tot en met 10 is
uitgevoerd ; b) de verdeling van de beoordelingen op basis van
de in de bijlagen I en II vastgestelde projectcategorieën; c) de verdeling van de uitgevoerde beoordelingen
per type opdrachtgever; d) het aantal projecten als bedoeld in bijlage II
waarover een besluit is genomen overeenkomstig artikel 4, lid 2; e) de gemiddelde duur van het
milieueffectbeoordelingsproces; f) de gemiddelde kosten van de
milieueffectbeoordelingen." (11)
De volgende artikelen 12 bis en 12 ter
worden ingevoegd: "Artikel
12 bis De Commissie wordt gemachtigd om overeenkomstig
artikel 12 ter gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende de in
bijlage III genoemde selectiecriteria en de in de bijlage II.A en IV bedoelde
informatie om deze in overeenstemming te brengen met de wetenschappelijke en
technische vooruitgang aan te passen. Artikel 12
ter 1. De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast
te stellen wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde
voorwaarde. 2. De in artikel 12 bis bedoelde
bevoegdheidsdelegatie wordt aan de Commissie verleend voor een onbepaalde
periode vanaf [Datum
van de inwerkingtreding van deze richtlijn in te vullen door het Bureau voor
publicaties]. 3. Het Europees Parlement of de Raad kan de in de
artikel 12 bis bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken.
Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit
genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking
ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin
genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde
gedelegeerde handelingen onverlet. 4. Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling
heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees
Parlement en de Raad. 5. Een overeenkomstig artikel 12 bis vastgestelde
gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement
noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving
van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt,
of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van de
termijn van twee maanden de Commissie heeft medegedeeld dat zij daartegen geen
bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees
Parlement of de Raad met twee maanden verlengd." (12)
De bijlagen bij Richtlijn 2011/92/EU worden
gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze richtlijn. Artikel 2 1. De lidstaten doen de nodige
wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op [DATUM] aan deze richtlijn te
voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede,
alsmede een document waarin het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn
wordt toegelicht. Wanneer de lidstaten die bepalingen vaststellen,
wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze
richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de
lidstaten. 2. De lidstaten delen de
Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij
op het gebied waarop deze richtlijn van toepassing is, vaststellen. Artikel 3 Projecten waarvoor de vergunningsaanvraag is
ingediend vóór de in de eerste alinea van artikel 2, lid 1, bedoelde datum en
waarvan de milieueffectbeoordeling niet vóór die datum is afgesloten, vallen
onder de verplichtingen van de artikelen 3 tot en met 11 van Richtlijn
2011/92/EU, als gewijzigd bij deze richtlijn. Artikel 4 Deze richtlijn treedt in werking op de
twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de
Europese Unie. Artikel 5 Deze richtlijn
is gericht tot de lidstaten. Gedaan te Brussel, Voor het Europees Parlement Voor
de Raad De voorzitter De
voorzitter BIJLAGE (1)
De volgende bijlage II.A wordt ingevoegd: "BIJLAGE II.A – IN ARTIKEL 4, LID 3, BEDOELDE
INFORMATIE 1. Een beschrijving van het project, met in het
bijzonder: a) een beschrijving van de fysieke kenmerken
van het gehele project, zo nodig met inbegrip van de ondergrond, tijdens de
bouw- en de bedrijfsfasen; b) een beschrijving van de plaats van het
project, met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de
gebieden waarop de projecten van invloed kunnen zijn. 2. Een beschrijving van de waarschijnlijk
aanzienlijke milieueffecten van het voorgestelde project. 3. Een beschrijving van de waarschijnlijk
aanzienlijke milieueffecten van het voorgestelde project ten gevolge van: a) de verwachte residuen en emissies en de
productie van afvalstoffen; b) het gebruik van natuurlijke hulpbronnen,
met name bodem, land, water en biodiversiteit, met inbegrip van
hydromorfologische veranderingen. 4. Een beschrijving van de beoogde maatregelen om
aanzienlijke nadelige milieueffecten van het project te vermijden, te voorkomen
of te beperken. (2)
De bijlagen III en IV worden vervangen door: “BIJLAGE III - IN ARTIKEL 4, LID 4, BEDOELDE
SELECTIECRITERIA 1. KENMERKEN VAN DE PROJECTEN De kenmerken van de projecten moeten in aanmerking
worden genomen, en met name: a) de omvang van het project, zo nodig met
inbegrip van de ondergrond; b) de cumulatie met andere projecten en
activiteiten; c) het gebruik van natuurlijke hulpbronnen,
met name land, bodem, water en biodiversiteit, met inbegrip van
hydromorfologische veranderingen; d) de productie van afvalstoffen; e) verontreiniging en hinder; f) de risico’s van natuurlijke en door de
mens veroorzaakte rampen en het risico van ongevallen, en met name wat betreft
hydromorfologische veranderingen, gebruikte stoffen, technologieën of levende
organismen, de specifieke toestand van toplaag en onderlaag of alternatief gebruik,
en de kans op ongevallen of rampen en de kwetsbaarheid van het project voor
deze risico' s; g) de effecten van het project op de
klimaatverandering (wat de uitstoot van broeikasgassen betreft, met inbegrip
van landgebruik, verandering van landgebruik en bosbouw), de bijdrage van het
project tot een groter herstellingsvermogen en de effecten van de
klimaatverandering op het project (bijvoorbeeld nagaan of het project spoort
met het veranderende klimaat); h) effecten van het project op het milieu, in
het bijzonder op landgebruik (gestage toename van woongebieden ‑
ruimtebeslag), bodem (organisch materiaal, erosie, verdichting, afdekking),
water (kwantiteit en kwaliteit), lucht en biodiversiteit (kwaliteit en
kwantiteit van populaties, aantasting en versnippering van ecosystemen); i) de risico's voor de menselijke gezondheid
(bijvoorbeeld als gevolg van waterverontreiniging of luchtvervuiling); j) het effect van het project op het
culturele erfgoed en het landschap. 2. LOCATIE VAN DE PROJECTEN De kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden
waarop de projecten van invloed kunnen zijn, moet in aanmerking worden genomen,
en met name: a) het bestaande en geplande landgebruik, met
inbegrip van ruimtebeslag en versnippering; b) de relatieve rijkdom aan en beschikbaarheid,
kwaliteit en regeneratievermogen van natuurlijke hulpbronnen (met inbegrip van
bodem, land, water en biodiversiteit) in het gebied; c) het opnamevermogen van het natuurlijke
milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden: i) wetlands, oeverformaties, riviermondingen; ii) kustgebieden; iii) berg- en bosgebieden; iv) natuurreservaten en ‑parken,
blijvend grasland, landbouwgebieden met een hoge natuurwaarde; v) gebieden die in de wetgeving van de
lidstaten zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; Natura
2000-gebieden die door de lidstaten zijn aangewezen krachtens Richtlijn
2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad of Richtlijn 92/43/EEG van de
Raad; bij internationale verdragen beschermde gebieden; vi) gebieden waar de milieukwaliteitsnormen,
in de wetgeving van de Unie vastgesteld en relevant voor het project, al niet
worden nagekomen of waarschijnlijk niet zullen worden nagekomen; vii) gebieden met een hoge
bevolkingsdichtheid; vii) landschappen en plaatsen van historisch,
cultureel of archeologisch belang. 3. KENMERKEN VAN HET POTENTIËLE EFFECT De potentiële aanzienlijke effecten van projecten
moeten, in samenhang met de onder 1) en 2) hierboven uiteengezette criteria, in
aanmerking worden genomen, met bijzondere aandacht voor: a) de orde van grootte en het ruimtelijk
bereik van de effecten (geografisch gebied en omvang van de bevolking die
getroffen kan worden); b) de aard van het effect; b) het grensoverschrijdend karakter van het
effect; d) de intensiteit en de complexiteit van het
effect; e) de waarschijnlijkheid van het effect; f) de duur, de frequentie en de
omkeerbaarheid van het effect; g) de snelheid waarmee het effect merkbaar
wordt; h) de cumulatie van effecten met de effecten
van andere (met name de bestaande en/of goedgekeurde) projecten door dezelfde
of door andere ontwikkelaars; i) de milieuaspecten die vermoedelijk
aanzienlijke effecten zullen ondergaan; k) de informatie en bevindingen over
milieueffecten afkomstig van uit hoofde van andere EU-wetgeving voorgeschreven
beoordelingen; l) de mogelijkheid om effecten doeltreffend te
verminderen. BIJLAGE IV - INFORMATIE OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 5,
LID 1 1. Beschrijving van het project, met in het
bijzonder: a) een beschrijving van de fysieke kenmerken van
het gehele project, zo nodig met inbegrip van de ondergrond, en de eisen met
betrekking tot water‑ en landgebruik tijdens de bouw- en de
bedrijfsfasen; b) een beschrijving van de voornaamste
kenmerken van de productieprocessen, bijvoorbeeld aard en hoeveelheden van de
gebruikte materialen, energie en natuurlijke hulpbronnen (waaronder water,
land, bodem en biodiversiteit); c) een prognose van de aard en de hoeveelheid
van de verwachte residuen en emissies (water-, lucht-, bodem‑ en
ondergrondverontreiniging, geluidshinder, trillingen, licht, warmte, straling
enz.) ten gevolge van het functioneren van het voorgestelde project. 2. Een beschrijving van de technische,
locatiespecifieke of andere aspecten (bijvoorbeeld met betrekking tot het
projectontwerp, de technische capaciteit, omvang en schaal) van de overwogen
alternatieven, waaronder de aanduiding van dat met het geringste milieueffect,
en een opgave van de belangrijkste redenen voor de gemaakte keuze, met
inachtneming van de milieueffecten. 3. Een beschrijving van de relevante aspecten van
de bestaande toestand van het milieu en de mogelijke ontwikkeling daarvan als
het project niet wordt uitgevoerd (referentiescenario). Deze beschrijving moet
betrekking hebben op alle bestaande milieuproblemen die relevant zijn voor het
project, met name die welke betrekking hebben op gebieden die vanuit
milieuoogpunt van bijzonder belang zijn en op het gebruik van natuurlijke
hulpbronnen. 4. Een beschrijving van de waarschijnlijk
aanzienlijke milieueffecten van het voorgenomen project op met name: bevolking,
menselijke gezondheid, fauna en flora, biodiversiteit en de ecosysteemdiensten
die zij levert, land (ruimtebeslag), bodem (organisch materiaal, erosie,
verdichting, afdekking), water (kwantiteit en kwaliteit), lucht,
klimatologische factoren, klimaatverandering (broeikasgasemissies, onder meer
van landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw, mitigatiepotentieel,
effecten die van belang zijn voor aanpassing en de vraag of bij het project
rekening wordt gehouden met de risico's in verband met klimaatverandering),
materiële goederen, cultureel (o.a. architectonisch en archeologisch) erfgoed,
het landschap; een dergelijke beschrijving moet ook aandacht hebben voor de
interrelatie tussen de genoemde factoren, alsmede de blootstelling aan, de
kwetsbaarheid voor en de weerbaarheid van de bovenstaande factoren tegen de
risico's van natuurlijke en door de mens veroorzaakte rampen. 5. Een beschrijving van de waarschijnlijk
aanzienlijke milieueffecten van het voorgestelde project ten gevolge van, onder
meer: a) het bestaan van het project; b) het gebruik van natuurlijke hulpbronnen,
met name land, bodem, water, biodiversiteit en de ecosysteemdiensten die zij
levert, waarbij voor zover mogelijk rekening wordt gehouden met de
beschikbaarheid van deze hulpbronnen in het licht van de veranderende
klimaatomstandigheden; c) de uitstoot van verontreinigende stoffen,
geluidshinder, trillingen, licht, warmte, straling, het ontstaan van
milieuhinder en het wegwerken van afvalstoffen; d) de risico's voor de menselijke gezondheid,
het cultureel erfgoed of het milieu (bijvoorbeeld door ongevallen of rampen); e) de cumulatie van effecten met andere
projecten en activiteiten; f) de uitstoot van broeikasgassen, onder meer
van landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw; g) de gebruikte technologieën en stoffen; h) hydromorfologische veranderingen. De beschrijving van de waarschijnlijk aanzienlijke
milieueffecten moet betrekking hebben op de directe en, in voorkomend geval, de
indirecte, secundaire, cumulatieve en grensoverschrijdende effecten op korte,
middellange en lange termijn, permanente en tijdelijke, positieve en negatieve
effecten van het project. Bij deze beschrijving moet rekening worden gehouden
met de op EU- of op lidstaatniveau vastgestelde doelstellingen inzake
milieubescherming, die relevant zijn voor het project. 6. Een beschrijving van de methoden die gebruikt
zijn voor de beoordeling van de in punt 5 bedoelde milieueffecten, alsook een
overzicht van de belangrijkste onzekerheden en de invloed daarvan op de
geraamde effecten en de selectie van het alternatief dat de voorkeur geniet. 7. Een beschrijving van de beoogde maatregelen om
de in punt 5 bedoelde aanzienlijke nadelige milieueffecten te voorkomen, te
beperken en zo mogelijk te verhelpen en, in voorkomend geval, van eventuele
voorgestelde toezichtsregelingen, inclusief de voorbereiding van een analyse
van de nadelige milieueffecten na de uitvoering van het project. In deze
beschrijving moet worden uitgelegd in welke mate aanmerkelijke nadelige
effecten worden beperkt of gecompenseerd, met betrekking tot zowel de bouwfase
als de operationele fase. 8. Een beoordeling van de risico’s van natuurlijke
en door de mens veroorzaakte rampen en het risico op ongevallen waarvoor het
project kwetsbaar kan zijn en, in voorkomend geval, een beschrijving van de
geplande maatregelen ter voorkoming van dergelijke risico’s en van de
maatregelen inzake paraatheid en reactievermogen bij noodsituaties
(bijvoorbeeld maatregelen uit hoofde van Richtlijn 96/82/EG, zoals gewijzigd). 9. Een niet-technische samenvatting van de
overeenkomstig bovengenoemde punten verstrekte informatie. 10. Een aanduiding van de moeilijkheden
(technische gebreken of ontbrekende kennis) die de ontwikkelaar eventueel heeft
ondervonden bij het verzamelen van de vereiste informatie en van de bronnen die
zijn gebruikt voor de gemaakte beschrijvingen en beoordelingen, alsmede een
overzicht van de belangrijkste onzekerheden en de invloed daarvan op de
geraamde effecten en de selectie van het alternatief dat de voorkeur
geniet." [1] Richtlijn 2011/92/EU (PB L 26 van 28.1.2012, blz. 1)
vormt een gecodificeerde versie van Richtlijn 85/337/EEG en de drie latere
wijzigingen ervan (Richtlijnen 97/11/EG, 2003/35/EG en 2009/31/EG). [2] COM(2009) 378. Alle verslagen zijn beschikbaar op: http://ec.europa.eu/environment/eia/eia-support.htm [3] COM(2007) 225. [4] COM(2009) 15. [5] COM(2011) 571. [6] COM(2010)
2020. [7] De grootste beroepsorganisatie voor het milieu, met meer
dan 15 000 leden die actief zijn in alle bedrijfssectoren. [8] http://ec.europa.eu/environment/consultations/eia.htm [9] http://ec.europa.eu/environment/eia/conference.htm [10] PB C , , blz. . [11] PB C , , blz. . [12] COM(2007) 225. [13] COM(2009) 378. [14] COM(2011) 571. [15] COM(2006) 231. [16] Conclusies van de Europese Raad, maart 2010. [17] COM(2011) 244. [18] COM(2009) 82. [19] COM(2010) 2020. [20] PB L 197 van 21.7.2001, blz. 30. [21] PB L 20 van 26.1.2010,
blz. 7. [22] PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1. [23] PB L 334 van 17.12.2010, blz. 17. [24] PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7.