Voorstel voor een AANBEVELING VAN DE RAAD betreffende de validatie van niet-formeel en informeel leren /* COM/2012/0485 final - 2012/0234 (NLE) */
TOELICHTING 1. ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL Het belang van het scheppen van nieuwe
leermogelijkheden Vandaag de dag zijn de mogelijkheden om te
leren onbeperkt, grenzeloos en ogenblikkelijk. Leren
en nieuwe vaardigheden en competenties opdoen gebeurt niet meer alleen op
school (formeel leren), maar ook steeds meer daarbuiten. Individuen leren veel op het werk, door activiteiten in
maatschappelijke organisaties of in de virtuele ruimte die wordt gecreëerd door
internet en mobiele apparatuur, zowel individueel als met anderen. Steeds vaker bieden bedrijven hun werknemers de
mogelijkheid om hun vaardigheden te verbeteren door middel van georganiseerd,
maar niet-formeel, leren. Informeel leren
wordt ook steeds belangrijker in een geglobaliseerde en via netwerken verbonden
wereld waarin de technologie het voor mensen mogelijk maakt om op talrijke
manieren te leren, bijvoorbeeld via open onderwijsmiddelen en op afstand. Het is van groot belang dat alle lerenden met
leerervaringen ingezet worden en dat hun positie wordt versterkt om zo in te
kunnen spelen op de snelle economische en technische veranderingen, frequentere
wisselingen van baan tijdens een mensenleven en om individuen te stimuleren om
betere en bruikbaardere vaardigheden te verwerven en zo de inzetbaarheid, de
productiviteit en de economische groei te bevorderen. In de huidige situatie van stijgende
werkloosheid – vooral onder jongeren – en stagnerende economische groei is het
dringend noodzakelijk dat er gebruik wordt gemaakt van nieuwe leermogelijkheden
buiten het formele systeem en van de hierdoor verworven vaardigheden: Europa
moet de juiste mix van vaardigheden ontwikkelen en vaardigheden en banen beter
op elkaar afstemmen om het concurrentievermogen en de welvaart te vergroten. In deze context moeten onderwijs- en
kwalificatiesystemen alle burgers[1]
de mogelijkheid bieden om zichtbaar te maken wat zij buiten de school hebben
geleerd en dit te gebruiken voor hun loopbaan of om verder te leren. Dit kan
worden bereikt door middel van een validatieprocedure voor leerresultaten die
door niet-formeel en informeel leren zijn verworven; in
deze procedure bevestigt een erkende instantie dat een individu leerresultaten
(kennis, vaardigheden en competenties) heeft verworven, die worden afgemeten
aan een toepasselijke norm. Niet-formeel en informeel leren in het
kader van de Europa 2020-strategie De validatie van niet-formele en informele
leerervaringen in de EU-lidstaten draagt wezenlijk bij aan het streven van de
EU naar slimme, duurzame en inclusieve groei zoals vastgesteld in de Europa
2020-strategie. Dit kan wezenlijk bijdragen aan de werking van de arbeidsmarkt:
de validatiemechanismen zorgen voor meer inzicht in de beschikbare vaardigheden
van de beroepsbevolking, maken een betere afstemming tussen vaardigheden en de
vraag naar arbeid mogelijk, verbeteren de overdraagbaarheid van vaardigheden
tussen ondernemingen en sectoren en bevorderen de mobiliteit op de Europese
arbeidsmarkt. Validatie kan de arbeids- en geografische mobiliteit
vergemakkelijken en een betere afstemming tussen aanbod van en vraag naar
vaardigheden mogelijk maken, en zo een aanmerkelijk effect hebben op de aanpak
van het tekort aan vaardigheden in de groeisectoren en het economisch herstel
ondersteunen. In tijden van vergrijzing en een slinkende
beroepsbevolking kan de validatie van informele en niet-formele leerervaringen
er ook toe bijdragen dat Europa degenen die het verst van de arbeidsmarkt
afstaan dichter bij nieuwe leer- en werkkansen brengt en al het menselijk
kapitaal aanspreekt om de werkloosheid te bestrijden en de productiviteit en
het concurrentievermogen te verbeteren. Met name kan validatie een steun zijn
voor jonge werklozen die een eerste baan zoeken of zeer weinig beroepservaring
hebben doordat de vaardigheden en competenties die zij in verschillende
contexten hebben opgedaan, worden aangetoond en een marktwaarde krijgen. Vanuit een individueel gezichtspunt biedt
validatie kansen op een betere inzetbaarheid, hoger loon en betere
carrièrevooruitzichten, een gemakkelijkere overdraagbaarheid van vaardigheden
tussen landen, een tweede kans voor voortijdige schoolverlaters, een betere
toegang tot formeel onderwijs en formele opleidingen, meer motivatie om te
leren en een toegenomen zelfvertrouwen. Al met al draagt de validatie van niet-formele
en informele leerervaringen ook bij aan de verwezenlijking van de Europa
2020-kerndoelen voor voortijdig schoolverlaten, het aandeel van 30- tot
34-jarigen die tertiair of gelijkwaardig onderwijs hebben voltooid, de totale
arbeidsparticipatie, en armoede en sociale uitsluiting, een proces dat wordt
opgevolgd tijdens het Europees semester. Voortbouwen op de Europese beleidsagenda Validatie van niet-formeel en informeel leren
maakt deel uit van de Europese beleidsagenda sinds 2001, toen de Commissie een
leven lang leren definieerde als alle leeractiviteiten die gedurende het hele
leven ontplooid worden om kennis, vaardigheden en competenties vanuit een
persoonlijk, burgerlijk, sociaal en/of werkgelegenheidsperspectief te
verbeteren. Sinds de verklaring van Kopenhagen over de bevordering van
intensievere Europese samenwerking inzake beroepsonderwijs en -opleiding is een
reeks initiatieven ontplooid om Europese instrumenten op het gebied van een
leven lang leren te ontwikkelen: –
In 2004 zijn de Gemeenschappelijke Europese
beginselen voor validatie vastgesteld in de vorm van conclusies van de
Raad. –
In 2004 is het Europass-kader ingevoerd, met
inbegrip van het Europass-cv en een portfolio van documenten die de burger kan
gebruiken om zijn kwalificaties en competenties beter kenbaar te maken en te
presenteren in heel Europa. Andere instrumenten om leerresultaten te
documenteren, zijn de Jongerenpas (Youthpass) voor het programma Jeugd
in actie en paspoorten voor sectorale vaardigheden en kwalificaties
die zijn ontwikkeld in het kader van de Europese sectorale sociale dialoog. –
Een belangrijke mijlpaal voor de validatie van
niet-formeel en informeel leren was de goedkeuring in 2008 door het Europees
Parlement en de Raad van de aanbeveling over het Europees kwalificatiekader
(EKK) voor een leven lang leren. Het Europees kwalificatiekader is een
referentiekader van kwalificatieniveaus die worden gedefinieerd aan de hand van
leerresultaten. Het resulteerde in een nog voortdurend proces in het kader
waarvan alle lidstaten hun nationale kwalificatiekader ontwikkelen en invoeren
en hun kwalificaties afstemmen op de Europese kwalificatieniveaus. Door dit
proces worden kwalificaties beter vergelijkbaar en begrijpelijker voor
werkgevers, onderwijsinstellingen, werkenden en lerenden. –
In 2009 publiceerden de Commissie en Cedefop Europese
richtsnoeren voor de validatie van niet-formeel en informeel leren om
beleidsmakers en praktijkmensen technisch advies inzake validatie te
verschaffen. Deze leggen de nadruk op verschillende vooruitzichten voor
validatie (bv. individueel, organisatorisch, nationaal, Europees). De
richtsnoeren vormen een praktisch hulpmiddel dat op vrijwillige basis wordt
toegepast. –
Naast de andere instrumenten vergemakkelijken de op
leerresultaten gebaseerde kredietsystemen de validatie van niet-formeel en
informeel leren. Voor het hoger onderwijs is dit het Europese
puntenoverdrachtsysteem (European Credit Transfer and Accumulation System –
ECTS), dat is ontwikkeld in het kader van het Bologna-proces om de
mobiliteit tussen instellingen voor hoger onderwijs te vergemakkelijken. Voor
beroepsonderwijs en -opleiding is dit het Europees systeem van
studiepuntenoverdracht voor beroepsonderwijs en ‑opleiding (European
Credit System for Vocational Education and Training – ECVET). Bovendien heeft het programma Een leven lang
leren sinds 2007 een aantal proefprojecten gefinancierd met het oog op de
ontwikkeling van validatieprocedures en ‑hulpmiddelen in specifieke
sectoren of contexten, met name op het gebied van beroepsonderwijs en
-opleiding en volwasseneneducatie. In sommige landen is het Europees Sociaal
Fonds gebruikt om validatiesystemen te ontwikkelen. Ondanks het bestaan van deze Europese
beleidsmaatregelen is de voortgang op het gebied van de validatie in Europa
ongelijkmatig, onregelmatig en traag verlopen. Volgens de jongste update van 2010 voor de
Europese inventaris inzake de validatie van niet-formeel en informeel leren
hebben slechts vier EU-lidstaten een goed ontwikkeld validatiesysteem, terwijl
nog eens zeven landen hetzij een nationaal systeem in de beginfase, hetzij een
goed georganiseerd maar partieel validatiesysteem in een of meer sectoren
hebben. De noodzaak van onmiddellijke maatregelen Dit betekent dat de meerderheid van de
EU-lidstaten niet over een algemeen validatiesysteem beschikt. De landen met
een goed ontwikkeld systeem hebben een geïntegreerde aanpak van validatie
binnen hun systeem voor een leven lang leren (d.w.z. juridisch verankerd), een
infrastructuur die de validatie ondersteunt, een sterkere betrokkenheid van de
belanghebbenden (vooral de sociale partners) en validatie die betaalbaar is
voor de aanvragers. In enkele landen zijn onlangs initiatieven op het gebied
van validatie genomen in het kader van de ontwikkeling van een nationaal
kwalificatiekader. In andere landen is weinig gebeurd, hetgeen blijk geeft van
een gebrek aan nationale strategieën, aan kennis over de uitvoering van
validaties in de praktijk en – in sommige gevallen – aan vertrouwen in
validatie bij werknemers en werkgevers, en ook van culturele belemmeringen en
vooroordelen. Doordat het nationale validatiebeleid en de
praktijken niet overal gelijkelijk beschikbaar zijn en door de bestaande
verschillen tussen de lidstaten is de vergelijkbaarheid en de transparantie van
de validatiesystemen zeer beperkt. Hierdoor is het voor de burgers moeilijk om
de leerresultaten die zij in verschillende contexten, op verschillende niveaus
en in verschillende landen hebben verworven, te combineren. Dit belemmert de
grensoverschrijdende mobiliteit van lerenden en werkenden, juist nu deze
mobiliteit nodig is om meer economische groei te creëren. Gelet op de
dringende noodzaak om de mobiliteit van arbeid te vergroten, de tekorten aan
geschoolde arbeidskrachten te verminderen en te zorgen voor een betere
validatie van buiten de formele systemen verworven vaardigheden en
competenties, heeft de Commissie – in de kerninitiatieven van Europa 2020
genaamd “Een agenda voor nieuwe vaardigheden en banen”[2] en “Jeugd in beweging”[3] en in de recente initiatieven
inzake de Single Market Act[4]
en het werkgelegenheidspakket[5]
– dit voorstel voor een aanbeveling van de Raad inzake de validatie van
niet-formeel en informeel leren aangekondigd als bijdrage op EU-niveau om de
hervormingsagenda te bespoedigen. Het EU-optreden op het gebied van
validatie met het oog op samenwerking en coördinatie tussen de lidstaten kan de
mobiliteit van de werknemers en lerenden vergemakkelijken door een betere
wederzijdse erkenning van niet-formeel en informeel verworven competenties.
Door invoering van meer samenwerking en een betere coördinatie tussen de
lidstaten zal de transparantie van de validatiesystemen toenemen en zal het
wederzijdse vertrouwen van de lidstaten in elkaars validatiesystemen worden
versterkt. Vooral de lidstaten met een gering vertrouwensniveau en weinig
tradities bij de validatie van niet-formeel en informeel leren kunnen hiervan
profiteren. De lidstaten afzonderlijk kunnen het wederzijdse vertrouwen niet zo
doeltreffend bevorderen als in combinatie met maatregelen op EU-niveau. Specifiek toezicht op de uitvoering van de
aanbeveling van de Raad maakt deel uit van de juridische aspecten van dit
voorstel. De Commissie zal zich tevens op de hoogte houden van de vorderingen
bij de validatie van informeel en niet-formeel leren in alle lidstaten in het
kader van de totale structurele hervormingen voor onderwijs en opleiding die
onder toezicht staan van het Europees Semester en de open coördinatiemethode
“Onderwijs en opleiding 2020”. 2. RESULTATEN VAN DE RAADPLEGING VAN
BELANGHEBBENDE PARTIJEN EN EFFECTBEOORDELING Raadpleging De belanghebbende partijen zijn op
verschillende manieren geraadpleegd: –
Een open raadpleging via een online-enquête tussen
december 2010 en februari 2011. Verzoeken om medewerking aan de online-enquête
en om indiening van een stellingname werden verstuurd naar de leden van de
meest betrokken groepen en andere belanghebbenden op het gebied van onderwijs
en opleiding, werkgelegenheid, jeugdzaken en sport[6]. –
Discussie tijdens de bijeenkomsten van de
beleidsorganen, met name de adviesgroep voor het Europees kwalificatiekader. –
Gespecialiseerde bijeenkomsten en
peer-learningactiviteiten, georganiseerd door de groep Leerresultaten die
ressorteert onder de adviesgroep voor het Europees kwalificatiekader. –
Peer-learningactiviteiten op het gebied van hoger
onderwijs, beroepsonderwijs en ‑opleiding en volwasseneneducatie. De sociale partners, zowel werkgevers als
vakbondsvertegenwoordigers, zijn geraadpleegd als leden van de EKK-adviesgroep
en via hun deelname aan diverse peer-learningactiviteiten. De bovenstaande online-enquête heeft geleid
tot 469 reacties op de gesloten en open vragen, aangevuld met 24 stellingnames.
De reacties waren in vrijwel gelijke delen afkomstig van particulieren
(53 %) en organisaties (47 %). De resultaten wezen op een gebrek aan algemene
coherentie van de aanpak van validatie binnen de lidstaten en tussen de
lidstaten onderling, en ook op veel belemmeringen van een doeltreffende
uitvoering van de validatie in de praktijk. De antwoorden lieten een zeer grote
consensus zien over het belang van het zichtbaar maken van de vaardigheden die
door levens- en werkervaring zijn verworven. Er bleek brede steun te bestaan
voor een Europees initiatief om het beleid en de praktijk van validatie in de
EU-lidstaten te bevorderen. De raadpleging van de EKK-adviesgroep en de
verschillende peer-learningactiviteiten leverden ook steun op voor een Europees
initiatief op het gebied van validatie. Effectbeoordeling In de effectbeoordeling werden drie opties
voor een Europees optreden op het gebied van de validatie van niet-formeel en
informeel leren vergeleken, te weten 1) het basisscenario bestaande uit de
huidige situatie en de verwachte ontwikkelingen zonder verdere maatregelen van
de EU, 2) een aanbeveling van de Raad betreffende de uitvoering van de
validatie van niet-formeel en informeel leren en 3) het opzetten van een nieuw
proces op basis van een nieuwe open coördinatiemethode voor validatie, teneinde
een Europees kwaliteitshandvest voor validatie te ontwikkelen. De sociale, economische en andere effecten van
de drie opties werden onderzocht in kwalitatieve termen op basis van
waarschijnlijke effecten, aangezien er geen harde gegevens beschikbaar waren. Optie 2 – een aanbeveling van de Raad
betreffende de uitvoering van de validatie – bleek de meest doeltreffende en
efficiënte optie met de grootste positieve economische en sociale effecten.
Deze optie sluit het beste aan bij de doelstellingen van het EU-beleid. Op
grond van een aanbeveling van de Raad verbinden de lidstaten zich formeel tot
maatregelen. Het is het krachtigste instrument dat de zachte wetgeving biedt.
De ervaringen uit het verleden, in het bijzonder met het Europees
kwalificatiekader, hebben aangetoond dat dit instrument sociale druk van de
lidstaten onderling kan opleveren om maatregelen te nemen. Uit de effectbeoordeling van optie 1
(basisscenario) is gebleken dat de huidige situatie van de validaties naar
verwachting slechts langzaam zou veranderen bij het uitblijven van verdere
actie, wat betekent dat de beschikbaarheid en het gebruik van niet-formele en
informele leerervaringen beperkt zouden blijven en dat er geen geharmoniseerde
aanpak voor de validatie in heel Europa zou zijn. Optie 3 (een nieuwe OCM) zou naar verwachting
leiden tot verbeteringen ten opzichte van het basisscenario wat
doeltreffendheid, doelmatigheid en coherentie met ruimere beleidsdoelstellingen
van de EU betreft. Het opzetten van een nieuwe OCM zou echter tot extra
structuren en rapportagemechanismen leiden, waardoor de administratieve lasten
en kosten voor de lidstaten zouden stijgen. Bovendien zou deze optie niet
leiden tot voldoende waarborgen voor de goedkeuring van validatiemaatregelen
binnen een redelijke termijn, aangezien het succes ervan uitsluitend op de
OCM-methode zou berusten. Uit de effectbeoordeling bleek dat de
aanbeveling van de Raad over de uitvoering in vergelijking met de andere twee
opties ook de volgende voordelen had: –
de leemte door het gebrek aan validatie die
momenteel bestaat binnen de beschikbare Europese instrumenten, zoals het EKK,
Europass en kredietsystemen, wordt opgevuld. Deze aanbeveling zal met name een
einde maken aan een tekortkoming van het Europees kwalificatiekader, dat
voorziet in de bevordering van de validatie van niet-formeel en informeel
leren, maar geen nadere richtsnoeren geeft voor de uitvoering ervan; –
zij bevat voorstellen voor concrete praktische
maatregelen voor de tenuitvoerlegging van validatie in de lidstaten; –
een aanbeveling van de Raad als juridisch
instrument verbindt de lidstaten tot het nemen van de vermelde maatregelen,
waarvan de meeste op nationaal niveau moeten worden ingevoerd en aan de
nationale context moeten worden aangepast; –
de belanghebbenden (arbeidsmarktdeelnemers, jeugd-
en vrijwilligersorganisaties, onderwijs- en opleidingsinstellingen) worden
uitdrukkelijk betrokken bij de ontwikkeling van de validatiesystemen; –
de lidstaten blijven samenwerken binnen de huidige
OCM-structuren, met name de EKK-adviesgroep, hetgeen een eenvoudiger
uitvoeringsstructuur is dan die in het kader van optie 3; –
de aanbeveling vormt een nieuwe en sterkere
politieke basis voor samenwerking op het gebied van validatie van niet-formeel
en informeel leren. 3. JURIDISCHE ELEMENTEN VAN HET VOORSTEL Samenvatting van de voorgestelde
maatregelen De voorgestelde acties omvatten praktische
aanbevelingen aan de lidstaten om ervoor te zorgen dat in 2015 iedere burger de
gelegenheid heeft om de vaardigheden die hij/zij buiten de formele onderwijs-
en opleidingsstelsels heeft verworven te laten valideren en deze validatie te
gebruiken voor werk en opleiding in heel Europa. Op een concreter niveau leiden
deze acties tot de volgende aanbevelingen voor de lidstaten: –
ervoor zorgen dat in 2015 nationale systemen voor
de validatie van niet-formeel en informeel leren zijn ingevoerd, waardoor alle
burgers de gelegenheid krijgen om hun kennis, vaardigheden en competenties te
laten valideren, ongeacht de context waarin het leren heeft plaatsgevonden.
Deze validatie vormt de basis voor de toekenning van een volledige of
gedeeltelijke kwalificatie, zonder afbreuk te doen aan andere toepasselijke
wetgeving van de Unie, met name Richtlijn 2005/36/EG betreffende de erkenning
van beroepskwalificaties; –
de nationale validatiesystemen voor niet-formeel en
informeel leren spitsen zich toe op de volgende vier aspecten van validatie: de
identificatie van leerresultaten, de documentatie ervan, de beoordeling aan de
hand van overeengekomen normen en tot slot de certificering ervan; –
ervoor zorgen dat informatie over
validatiemogelijkheden, in de vorm die geschikt is voor de desbetreffende
nationale context, op grote schaal verkrijgbaar is (vooral voor kansarme
groepen), dat de toegang tot validatie betaalbaar is voor burgers die een
validatieprocedure willen inleiden, dat adequate begeleiding en advies
beschikbaar en betaalbaar zijn voor burgers die een validatieprocedure willen doorlopen
en dat er transparante kwaliteitsborgingsmechanismen zijn ingevoerd en op het
validatiesysteem worden toegepast, zowel wat de beoordeling (methoden en
instrumenten, gekwalificeerde beoordelaars) als wat de resultaten
(overeengekomen normen) betreft; –
individuen de gelegenheid geven om een audit van
hun vaardigheden en competenties te ondergaan binnen drie maanden na een
onderkende behoefte, bijvoorbeeld een vooruitzicht op werkloosheid of onzekere
arbeidsrelaties, en daartoe het gebruik van de huidige en toekomstige
Europass-instrumenten bevorderen om de identificatie en de documentatie van
leerresultaten te vergemakkelijken. De banden tussen validatieregelingen en
kredietsystemen zoals ECTS en het ECVET moeten worden versterkt; –
de sociale partners en andere belanghebbenden – met
name werkgeversorganisaties, vakbonden, kamers van koophandel, industrie en
ambachten, nationale entiteiten die betrokken zijn bij het proces van erkenning
van beroepskwalificaties, diensten voor arbeidsvoorziening,
jongerenorganisaties, jongerenwerkers, aanbieders van onderwijs en opleidingen
en maatschappelijke organisaties – betrekken bij de ontwikkeling van de
validatiemechanismen en bij het documenteren van de leerresultaten die door
niet-formeel en informeel leren zijn verworven; –
bevordering van partnerschappen en andere
initiatieven ter vergemakkelijking van de documentatie van leerresultaten die
binnen het mkb en andere kleine organisaties worden ontwikkeld; –
werkgevers, jongerenorganisaties en de
maatschappelijke organisaties stimuleren om de identificatie en de documentatie
van op het werk of via vrijwilligersactiviteiten verworven leerresultaten te
bevorderen en te vergemakkelijken; aanbieders van onderwijs en opleidingen
stimuleren om de toegang tot formeel onderwijs en opleidingen te
vergemakkelijken en om ontheffingen te verlenen op basis van leerresultaten die
zijn verworven in niet-formele en informele kaders en zorgen voor coördinatie
tussen uitvoerende diensten op het gebied van onderwijs, opleiding,
werkgelegenheid en jongerenwerk, evenals tussen relevante beleidsgebieden. De EKK-adviesgroep zal het belangrijkste
orgaan zijn dat overzicht heeft over de maatregelen die in het kader van deze
aanbeveling worden voorgesteld. De voorgestelde maatregelen voorzien ook in
rapportage over de follow-up van de acties in het kader van het gezamenlijke
verslag van de Commissie en de Raad, die zijn gepubliceerd in het kader van de
onderwijs- en opleidingsstrategie ET 2020. Tot slot zal in het jaarlijkse
verslag van Cedefop over de ontwikkeling van nationale kwalificatiekaders in
Europa worden beoordeeld welke vorderingen zijn gemaakt bij de totstandkoming
van nationale systemen voor de validatie van niet-formeel en informeel leren. In de voorgestelde acties wordt de Commissie
opgeroepen om: 1) de Europese richtsnoeren voor de validatie van niet-formeel
en informeel leren regelmatig te actualiseren; 2) doeltreffende peer-learning
en de uitwisseling van ervaringen en goede praktijken te vergemakkelijken,
waardoor de op validatiegebied minst geavanceerde landen kunnen profiteren van
de ervaringen in de meest geavanceerde landen; 3) er in samenwerking met de
lidstaten voor te zorgen dat de Europese programma’s voor onderwijs, opleiding
en jeugd en de Europese structuurfondsen de follow-up van deze aanbeveling
ondersteunen en 4) de follow-up van de voorgestelde maatregelen in samenwerking
met de lidstaten en na raadpleging van de belanghebbenden te toetsen en te
evalueren. Rechtsgrondslag Op grond van de artikelen 165 en 166 van het
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie moet de Unie bijdragen aan
de ontwikkeling van onderwijs van hoog gehalte en een beleid inzake
beroepsopleiding ten uitvoer leggen door samenwerking tussen de lidstaten aan
te moedigen en zo nodig door hun activiteiten te ondersteunen en aan te vullen,
met volledige eerbiediging van de verantwoordelijkheid van de lidstaten voor de
inhoud van het onderwijs en de opzet van het onderwijsstelsel en de
beroepsopleiding. Het onderhavige initiatief beveelt
gemeenschappelijke actielijnen aan, die met enige Europese steun op het niveau
van de lidstaten moeten worden uitgevoerd. Er zullen maatregelen worden
voorgesteld die moeten worden toegepast op EU- en op lidstaatniveau. Het
EU-niveau zal zorgen voor coördinatie – met name de coördinatie met de
desbetreffende Europese instrumenten – en steun, bijvoorbeeld door
activiteiten voor peer-learning te organiseren. De lidstaten blijven volledig
verantwoordelijk voor de vorm, de ontwikkeling en de uitvoering van hun
afspraken (wetten, regelingen, collectieve overeenkomsten) voor de validatie
van niet-formeel en informeel verworven leerresultaten. De maatregelen op beide
niveaus zijn complementair en de bevoegdheden van de lidstaten worden
gewaarborgd. 2012/0234 (NLE) Voorstel voor een AANBEVELING VAN DE RAAD betreffende de validatie van niet-formeel en
informeel leren DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gezien het Verdrag betreffende de werking van
de Europese Unie, en met name de artikelen 165 en 166, Gezien het voorstel van de Europese Commissie, Overwegende hetgeen volgt: (1) De validatie van
leerresultaten (kennis, vaardigheden en competenties) die door niet-formeel en
informeel leren zijn verworven, onder meer door open onderwijsmiddelen, is
essentieel voor de toegang van de burgers tot de arbeidsmarkt en tot een leven
lang leren. (2) Nu de Europese Unie wordt
geconfronteerd met een ernstige economische crisis die leidt tot een stijgende
werkloosheid, is de validatie van alle relevante kennis, vaardigheden en
competenties, ongeacht hoe ze zijn verworven, belangrijker dan ooit voor de
werking van de arbeidsmarkt en voor de bevordering van het concurrentievermogen
en de economische groei. (3) Werkgeversorganisaties,
individuele werkgevers, vakbonden, brancheverenigingen, kamers van koophandel,
beroepsorganisaties, nationale entiteiten die betrokken zijn bij de
erkenningsprocedure voor beroepskwalificaties, diensten voor
arbeidsvoorziening, jongerenorganisaties, jongerenwerkers, aanbieders van
onderwijs en opleidingen alsmede maatschappelijke organisaties zijn de
belangrijkste belanghebbenden bij het aanbieden van niet-formele en informele
leermogelijkheden en bij de validatieprocedures daarna. (4) In de Europa 2020-strategie
voor slimme, duurzame en inclusieve groei 2010[7]
wordt opgeroepen tot de ontwikkeling van vaardigheden en competenties om
economische groei en werkgelegenheid te bevorderen; in de kerninitiatieven
daarvan[8]
ligt de nadruk op de behoefte aan flexibelere leertrajecten die de overgang
tussen de fasen van werk en leren kunnen vergemakkelijken en die ook de
validatie van niet-formeel en informeel leren mogelijk moeten maken. (5) In de Conclusies van de Raad
van 12 mei 2009 betreffende een strategisch kader voor Europese samenwerking op
het gebied van onderwijs en opleiding (ET 2020)[9]
is erop gewezen dat een leven lang leren betrekking moet hebben op leren in
elke mogelijke context: zowel formeel, niet-formeel als informeel. (6) In de “EU-strategie voor
jongeren – Investeringen en empowerment. Een vernieuwde open coördinatiemethode
om op de uitdagingen en kansen voor jongeren in te spelen” van 2009[10] wordt aangedrongen op een
betere erkenning voor jongeren van vaardigheden die zijn verworven door
niet-formeel leren; daarbij werd de noodzaak onderstreept van een volledig
gebruik van de op EU-niveau vastgestelde instrumenten voor de validatie van
vaardigheden en de erkenning van kwalificaties. De strategie werd ondersteund
door de resolutie van de Raad van 27 november 2009 over een nieuw kader voor
Europese samenwerking in jeugdzaken (2010-2018)[11]. (7) In het communiqué van Brugge
van december 2010[12]
hebben de Europese ministers voor beroepsonderwijs en –opleiding de Europese
sociale partners en de Europese Commissie verklaard dat de deelnemende landen
een begin moeten maken met de ontwikkeling, uiterlijk in 2015, van nationale
procedures voor de erkenning en validatie van niet-formeel en informeel leren,
zo nodig ondersteund door nationale kwalificatiekaders. (8) In zijn conclusies over de
modernisering van het hoger onderwijs van 28 en 29 november 2011 heeft de Raad
de lidstaten opgeroepen om duidelijke trajecten vanuit het beroeps- en andersoortig
onderwijs naar hoger onderwijs te ontwikkelen, alsmede mechanismen voor de
erkenning van buiten het formele onderwijs en opleiding verworven eerdere
(leer)ervaringen, meer in het bijzonder door het aanpakken van problemen in
verband met de toepassing en het gebruik van nationale kwalificatiekaders die
zijn verbonden met het Europees kwalificatiekader[13]. (9) In de resolutie van 20
december 2011 betreffende een vernieuwde Europese agenda voor
volwasseneneducatie definieerde de Raad als een van de prioriteitsgebieden voor
de periode 2012-2014 de invoering van volledig operationele systemen voor de
validatie van niet-formeel en informeel leren en het bevorderen van het gebruik
ervan door volwassenen van alle leeftijden en op alle kwalificatieniveaus, alsook
door ondernemingen en andere organisaties[14].
(10) De Commissie benadrukte in de
Single Market Act[15]
dat de Europese economie door een toegenomen mobiliteit van geschoolde
arbeidskrachten concurrerender zal worden, en zij wees in het
werkgelegenheidspakket van 17 april 2012[16]
op de noodzaak om de samenwerking tussen de arbeidswereld en de onderwijswereld
te verbeteren. (11) In de resolutie van de Raad
over de bevordering van intensievere Europese samenwerking inzake
beroepsonderwijs en -opleiding van 12 november 2002[17] en in de verklaring van
Kopenhagen van 30 november 2002[18]
werd gevraagd om de ontwikkeling van een reeks gemeenschappelijke beginselen
inzake de validatie van niet-formeel en informeel leren. (12) In de conclusies van de Raad
van 18 mei 2004 zijn gemeenschappelijke Europese beginselen inzake de validatie
van niet-formeel en informeel leren vastgesteld[19]. (13) Sinds 2004 wordt regelmatig
een Europese inventaris inzake de validatie van niet-formeel en informeel leren
gepubliceerd, met actuele informatie over de huidige validatiepraktijken in
Europese landen[20],
en in 2009 zijn Europese richtsnoeren voor de validatie van niet-formeel en
informeel leren[21]
gepubliceerd. (14) Volgens de aanbeveling van het
Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een Europees
kwalificatiekader voor een leven lang leren van 23 april 2008[22] zouden alle kwalificaties
moeten kunnen worden bereikt door middel van formeel, niet-formeel en informeel
leren; ook werden de lidstaten uitgenodigd om hun nationale kwalificatieniveaus
te koppelen aan het Europees kwalificatiekader en, in voorkomend geval,
nationale kwalificatiekaders te ontwikkelen om de validatie van niet-formeel en
informeel leren te bevorderen. (15) Bij de beschikking van het
Europees Parlement en de Raad van 15 december 2004[23] werd Europass ingesteld; dit
is een Europese portfolio die burgers kunnen gebruiken om hun competenties en
kwalificaties in heel Europa beter kenbaar te maken, te registreren en te
presenteren. (16) Het Europees
puntenoverdrachtsysteem (European Credit Transfer and Accumulation System –
ECTS), dat is ingevoerd in het kader van het Bologna-proces, verleent kredieten
voor het formele onderwijs op basis van leerresultaten en werklast voor
studenten, en vergemakkelijkt ook de toekenning door hogeronderwijsinstellingen
van kredieten op basis van leerresultaten voor niet-formele en informele
leerervaringen. (17) Met de aanbeveling van het
Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 is een Europees systeem van
studiepuntenoverdracht voor beroepsonderwijs en -opleiding (European Credit
System for Vocational Education and Training – ECVET)[24] vastgesteld, dat kan worden
gebruikt voor de overdracht, erkenning en accumulatie van leerresultaten die
individuen hebben behaald in formele en, in voorkomend geval, niet-formele en
informele context. (18) Uit raadplegingen in de vorm
van een online-enquête[25],
discussies binnen de betrokken beleidsorganen alsmede verscheidene
peer-learningactiviteiten met de deelname van sociale partners, bleek dat er
een grote consensus bestaat over het belang van het zichtbaar maken van de
vaardigheden die door levens- en werkervaring zijn opgedaan, en er bleek brede
steun te bestaan voor een Europees initiatief om het beleid en de praktijk van
de validatie in de EU-lidstaten te versterken, BEVEELT AAN: 1. dat de lidstaten, teneinde
alle burgers[26]
de gelegenheid te bieden om aan te tonen wat zij buiten de school hebben
geleerd en dit te gebruiken voor hun beroepsloopbaan en verdere opleiding: (1)
ervoor zorgen dat in 2015 een nationaal
validatiesysteem voor niet-formeel en informeel leren[27] is ingevoerd, dat de burgers
de gelegenheid biedt om i) hun vaardigheden, kennis en
competenties die zij door niet-formeel en informeel leren – onder meer door
open onderwijsmiddelen – hebben verworven, te laten valideren, en ii) een volledige of gedeeltelijke
kwalificatie te verkrijgen op basis van gevalideerde niet-formele en informele
leerervaringen, zonder afbreuk te doen aan andere toepasselijke wetgeving van
de Unie, met name Richtlijn 2005/36/EG[28]
betreffende de erkenning van beroepskwalificaties; (2)
ervoor zorgen dat het nationale validatiesysteem
voor niet-formeel en informeel leren de volgende onderdelen omvat: –
ondersteuning van burgers bij de identificatie van
de leerresultaten die zij door niet-formeel en informeel leren hebben
verworven; –
hulp aan burgers bij het documenteren van de
leerresultaten die zij door niet-formeel en informeel leren hebben verworven; –
beoordeling van de leerresultaten die een individu
door niet-formeel en informeel leren heeft verworven; –
certificering van de resultaten van de beoordeling
van de leerresultaten die door niet-formeel en informeel leren zijn verworven
in de vorm van een kwalificatie, in de vorm van kredieten die tot een
kwalificatie leiden of in een andere geschikte vorm. Er zou voor moeten worden gezorgd dat alle burgers
gebruik kunnen maken van de bovenvermelde mogelijkheden, afzonderlijk of
gecombineerd, afhankelijk van hun behoeften. (3)
ervoor zorgen dat in de nationale validatiesystemen
voor niet-formeel en informeel leren, met inachtneming van nationale, regionale
en/of lokale en sectorale behoeften, de volgende beginselen in acht worden
genomen: –
het validatiesysteem is een coherent en integrerend
onderdeel van het nationale kwalificatiekader dat is ontwikkeld in
overeenstemming met het Europees kwalificatiekader; –
informatie over mogelijkheden tot validatie is
ruimschoots beschikbaar voor personen en organisaties; –
het validatiesysteem is specifiek gericht op
kansarme groepen, waaronder de burgers die het meest kwetsbaar zijn voor
werkloosheid of onzekere arbeidsrelaties, omdat dit systeem hun participatie in
levenslang leren kan versterken en hun toegang tot de arbeidsmarkt kan
vergemakkelijken; –
personen die werkloos zijn of een onzekere
arbeidsrelatie hebben, krijgen de gelegenheid om hun vaardigheden en
competenties te laten beoordelen binnen drie maanden nadat de behoefte hieraan
is geconstateerd; –
de validatieprocedure is betaalbaar voor burgers
die hiervan gebruik willen maken; –
er is passende en betaalbare begeleiding en advies
beschikbaar voor degenen die een validatieprocedure willen doorlopen; –
er worden transparante
kwaliteitsborgingsmaatregelen getroffen om betrouwbare, valide en
geloofwaardige evaluatiemethoden en ‑instrumenten te ondersteunen; –
de ontwikkeling van de beroepsbekwaamheid van het
personeel dat betrokken is bij de validatieprocedure in alle relevante sectoren
is gewaarborgd; –
de kwalificaties die door validatie van
niet-formele en informele leerervaringen zijn verkregen, voldoen aan overeengekomen
normen die gelijk of gelijkwaardig zijn aan de normen voor kwalificaties die
door formele onderwijsprogramma’s zijn verkregen; –
het gebruik van de huidige en toekomstige
instrumenten van Europass ter vergemakkelijking van de documentatie van leerresultaten
wordt bevorderd; –
er sprake is van synergieën tussen geldende
validatieregelingen en kredietsystemen in het formele onderwijs- en
opleidingsstelsel, bijvoorbeeld het Europees puntenoverdrachtsysteem (ECTS) en
het ECVET; (4)
ervoor zorgen dat de belanghebbenden zoals
werkgevers, vakbonden, brancheverenigingen, kamers van koophandel,
beroepsorganisaties, nationale entiteiten die betrokken zijn bij de
erkenningsprocedure voor beroepskwalificaties, diensten voor
arbeidsvoorziening, jongerenorganisaties, jongerenwerkers, aanbieders van
onderwijs en opleidingen alsmede maatschappelijke organisaties, betrokken zijn
bij de ontwikkeling en uitvoering van de in de punten 2 en 3 bedoelde
componenten en mechanismen, in combinatie met het geven van impulsen: –
aan werkgevers, jongerenorganisaties en
maatschappelijke organisaties voor het bevorderen en vergemakkelijken van de
identificatie en documentatie van op het werk of via vrijwilligersactiviteiten
verworven leerresultaten, met gebruikmaking van geschikte instrumenten (vooral
de in het kader van Europass ontwikkelde instrumenten); –
aan aanbieders van onderwijs en opleidingen om de
toegang tot formeel onderwijs en opleidingen op basis van leerresultaten die in
een niet-formele en informele context zijn verworven te vergemakkelijken en, in
voorkomend geval, vrijstellingen en/of kredieten toe te kennen voor relevante
leerresultaten die in een niet-formele en informele context zijn verworven; (5)
zorgen voor coördinatie tussen diensten in verband
met de uitvoering op het gebied van onderwijs, opleiding, werkgelegenheid en
jeugd alsook tussen de desbetreffende beleidsgebieden. 2. dat de lidstaten en de
Commissie de volgende maatregelen nemen: (1)
zorgen voor de opvolging van deze aanbeveling door
de adviesgroep voor het Europees kwalificatiekader (EKK)[29] en zorgen voor de medewerking
in de daaropvolgende activiteiten van die adviesgroep, van de betrokken
jeugdorganisaties en vertegenwoordigers van de vrijwilligerssector; (2)
verslag uitbrengen over de vooruitgang die is
geboekt na de goedkeuring van deze aanbeveling in het volgende gezamenlijke
verslag van de Commissie en de Raad, te publiceren in 2015 in het kader van de
onderwijs- en opleidingsstrategie 2020, en de daaropvolgende gezamenlijke
verslagen; (3)
de uitvoering van deze aanbeveling ondersteunen
door gebruik te maken van de deskundigheid van agentschappen van de Unie, met
name met Cedefop, via rapportages over de invoering van het nationale
validatiesysteem voor niet-formeel en informeel leren in het jaarverslag over
de ontwikkeling van nationale kwalificatiekaders en via ondersteuning van de
Commissie in de regelmatige actualisering van de Europese inventaris inzake de
validatie van niet-formeel en informeel leren. 3. dat de Commissie: (1)
de lidstaten en belanghebbenden ondersteunt bij: –
het bevorderen van doeltreffende peer-learning en
de uitwisseling van ervaringen en goede praktijken; –
de regelmatige actualisering van de Europese
richtsnoeren voor de validatie van niet-formeel en informeel leren, zoals
samengevat in bijlage II; (2)
instrumenten verder ontwikkelt in het
Europass-kader met het oog op meer transparantie en een eenvoudigere erkenning
in de hele Unie van gevalideerde leerresultaten die door niet-formele en
informele leerervaringen zijn verworven; (3)
ervoor zorgt dat het toekomstige Europese programma
voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport en de Europese structuurfondsen in
samenwerking met de lidstaten, de programma’s Een leven lang leren en Jeugd in
actie, de uitvoering van deze aanbeveling ondersteunen; (4)
de maatregelen die ingevolge deze aanbeveling zijn
genomen in samenwerking met de lidstaten en na raadpleging van de betrokken
belanghebbenden beoordeelt en uiterlijk op 31 juli 2017 verslag uitbrengt aan
de Raad over de opgedane ervaring en de gevolgen voor de toekomst, en indien
nodig een toetsing en herziening van deze aanbeveling voorstelt. Gedaan te Brussel, Voor
de Raad De
voorzitter BIJLAGE I
DEFINITIES In deze aanbeveling zijn de volgende
definities van toepassing: a) Formeel leren vindt plaats in
een georganiseerde en gestructureerde omgeving die specifiek voor leren is
bestemd, en leidt doorgaans tot de toekenning van een kwalificatie, gewoonlijk
in de vorm van een certificaat of diploma. Onder deze definitie vallen de
stelsels van algemeen onderwijs, initiële beroepsopleiding en hoger onderwijs. b) Niet-formeel leren vindt
plaats door middel van geplande activiteiten (in termen van leerdoelen,
leertijd) waarbij sprake is van een bepaalde vorm van ondersteuning bij het
leren (bijv. student-leraar-verhoudingen). Het kan gaan om programma’s om
vroegtijdige schoolverlaters professionele vaardigheden, lees- en
schrijfvaardigheid voor volwassenen en basisvorming te verschaffen. Veel
voorkomende voorbeelden van niet-formeel leren zijn opleidingen binnen
ondernemingen waarmee zij de vaardigheden van hun werknemers zoals
ICT-vaardigheden actueel maken en verbeteren, gestructureerd online leren (bv.
met gebruikmaking van open onderwijsmiddelen) en cursussen die door
maatschappelijke organisaties worden georganiseerd voor hun leden, hun
doelgroep of het algemeen publiek. c) Informeel leren is leren dat
voortvloeit uit dagelijkse bezigheden op het werk, in het gezin of in de vrije
tijd. Deze vorm van leren is niet georganiseerd of gestructureerd in termen van
doelstellingen, tijd of ondersteuning bij het leren. Informeel leren kan
onbewust gebeuren vanuit het gezichtspunt van de lerende. Voorbeelden van
leerresultaten die door informeel leren zijn verworven, zijn vaardigheden die
zijn verworven via levens- en werkervaring. Hierbij kan het gaan om
vaardigheden op het gebied van projectbeheer en ICT die worden verworven op de
werkplek; talenkennis en interculturele vaardigheden die zijn verworven tijdens
een verblijf in een ander land; ICT-vaardigheden die zijn verworven buiten het
werk, door vrijwilligerswerk, culturele activiteiten, sport, jongerenwerk en
door activiteiten thuis (bv. de verzorging van een kind). d) Een kwalificatie is een
formeel resultaat van een beoordelings- en validatieprocedure, die wordt
verworven wanneer een bevoegde instantie bepaalt dat de leerresultaten die een
individu heeft bereikt, aan bepaalde normen voldoen. e) Leerresultaten zijn beschrijvingen
van hetgeen een lerende weet, begrijpt en kan doen na de voltooiing van een
leerproces; leerresultaten worden gedefinieerd in termen van kennis,
vaardigheden en competenties. f) Een nationaal kwalificatiekader
is een coherente en volledige beschrijving van kwalificatieniveaus op basis van
leerresultaten. g) Validatie is een procedure waarmee
een erkende instantie bevestigt dat iemand leerresultaten heeft verworven die
aan relevante, vooraf bepaalde eisen voldoen. Deze procedure bestaat uit vier
fasen: 1) identificatie – door middel van een gesprek – van relevante
ervaringen van een persoon, 2) documentatie om de ervaringen van de betrokkene
zichtbaar te maken, 3) een formele beoordeling van deze ervaringen en 4)
erkenning die leidt tot een certificatie, bijvoorbeeld een gedeeltelijke of
volledige kwalificatie. BIJLAGE II:
Samenvatting van de richtsnoeren voor de validatie van niet-formeel en
informeel leren Doeltreffende praktijk: het Europees
perspectief De praktijk van de validatie van niet-formeel
en informeel leren moet verenigbaar zijn met de voornaamste elementen van de
Europese beginselen voor de validatie van niet-formeel en informeel leren uit
2004, de Europese beginselen voor kwaliteitsborging in onderwijs en opleiding,
en de aanbeveling voor een Europees referentiekader voor kwaliteitsborging in
beroepsonderwijs en -opleiding. Europese samenwerking op het gebied van
validatie moet nader worden ontwikkeld, met name door regelmatige actualisering
en verbetering van de richtsnoeren en de Europese inventaris inzake de
validatie van niet-formeel en informeel leren. Instrumenten en kaders op Europees niveau
(Europees kwalificatiekader, Europass, Europese kredietsystemen, enz.) kunnen
worden ingezet om gebruik van validatie te bevorderen en vergelijkbaarheid en
transparantie van de resultaten van de validatieprocessen te verbeteren en zo
vertrouwen over de landsgrenzen heen op te bouwen. Doeltreffende praktijk: het nationaal
perspectief De validatie van niet-formeel en informeel
leren moet worden beschouwd als een integrerend onderdeel van het nationale
kwalificatiesysteem. De formatieve benadering van de evaluatie is
van belang, aangezien deze de aandacht vestigt op de “identificatie” van
kennis, vaardigheden en bredere competenties, hetgeen een cruciaal onderdeel
van een leven lang leren is. De validatie van de resultaten moet in een
duidelijk omschreven en ondubbelzinnig verband staan met de normen die in het
nationale kwalificatiesysteem (of -kader) worden gebruikt. Het recht op validatie kan worden toegekend in
gevallen waarin niet-formeel en informeel leren wordt beschouwd als een normaal
traject naar een kwalificatie, parallel met de formele onderwijs- en
opleidingsstelsels. De ontwikkeling van nationale
kwalificatiekaders kan worden aangegrepen als een gelegenheid om validatie
systematisch in de kwalificatiesystemen te integreren. De invoering van validatie als integrerend
onderdeel van een nationaal kwalificatiekader kan worden gekoppeld aan de
noodzaak te zorgen voor een betere toegang tot, doorgroei binnen en overdracht
van kwalificaties. De duurzaamheid en samenhang van de nationale
validatiesystemen moet worden ondersteund door een regelmatige
kosten-batenanalyse. Doeltreffende
praktijk: het organisatorisch perspectief Het formeel onderwijs, het bedrijfsleven, de
aanbieders van volwassenenonderwijs en vrijwilligersorganisaties zijn de
belangrijkste belanghebbenden bij het bieden van mogelijkheden om niet-formeel
en informeel leren te valideren. De validatie van niet-formeel en informeel
leren stelt het formele onderwijs voor uitdagingen betreffende de verschillende
vormen van leren die voor validatie in aanmerking komen en de wijze waarop deze
procedure kan worden geïntegreerd in het formele leerplan en de beoordeling
ervan. Er zijn grote voordelen voor bedrijven bij het
opzetten van systemen om de kennis, vaardigheden en competenties van de werknemers
te documenteren. Bedrijven moeten hun gerechtvaardigde belangen als werkgever
afwegen tegen de gerechtvaardigde belangen van individuele werknemers. De sector van het volwassenenonderwijs is één
van de voornaamste aanbieders van niet-formeel en informeel leren en de verdere
ontwikkeling ervan moet worden ondersteund door de stelselmatige ontwikkeling
van formatieve en summatieve validatie. De derde sector – de vrijwilligerssector –
biedt een breed arsenaal aan individuele leermogelijkheden die in andere
omgevingen zeer gewaardeerd worden. Validatie moet worden gebruikt om de
resultaten van dit leren zichtbaar te maken en te waarderen, en de overdracht
naar andere omgevingen te vergemakkelijken. Voor de werking van de verschillende bij de
validatie betrokken instanties is coördinatie door een institutioneel kader
nodig. Het institutionele traject naar validatie en
certificering mag niet leiden tot certificaten waarvan de status als
verschillend wordt beschouwd op grond van de wijze waarop zij zijn verkregen. Doeltreffende praktijk: het individu Het individu staat in de validatieprocedure
centraal. De activiteiten van bij de validatie betrokken instanties moeten
worden gezien in het licht van het effect ervan op het individu. Iedereen moet toegang tot validatie hebben en
de nadruk op motivatie om de procedure te starten is bijzonder belangrijk. De uit verscheidene fasen bestaande
validatieprocedure biedt individuen veel mogelijkheden om te beslissen over de
te volgen koers van hun validatie. De besluitvorming moet worden ondersteund
door informatie, adviezen en begeleiding. Doeltreffende praktijk: structuur van de
validatieprocedure De drie procedures, namelijk oriëntatie,
beoordeling en externe audit, kunnen worden gebruikt bij de beoordeling van al
bestaande validatieprocedures en ondersteuning van de ontwikkeling van nieuwe
validatieprocedures. Doeltreffende
praktijk: de methoden De methoden voor de validatie van niet-formeel
en informeel leren zijn in wezen dezelfde instrumenten die worden gebruikt bij
de beoordeling van formeel leren. Wanneer de instrumenten worden gebruikt voor
validatie, moeten zij zodanig worden vastgesteld, gecombineerd en toegepast dat
rekening wordt gehouden met de individuele specificiteit en de
niet-gestandaardiseerde aard van niet-formeel en informeel leren. De instrumenten voor de beoordeling van leren
moeten bruikbaar zijn in de specifieke situatie. Doeltreffende praktijk: uitvoerders van de
validatie Een doeltreffende uitvoering van de
validatieprocessen is sterk afhankelijk van de professionele ondersteuning door
adviseurs, beoordelaars en administrateurs van de validatieprocedure. De
voorbereiding en de permanente opleiding van deze medewerkers zijn van cruciaal
belang. Netwerken voor de uitwisseling van ervaringen
en een goed functionerende praktijkgemeenschap moeten deel uitmaken van een
ontwikkelingsprogramma voor de uitvoerenden. Waarschijnlijk zal de interactie tussen de
uitvoerenden in een eenvormige validatieprocedure leiden tot meer efficiënte en
doeltreffende praktijken voor individuen die behoefte aan validatie hebben. [1] Hieronder wordt verstaan: EU-burgers en alle onderdanen
van derde landen die legaal in de Europese Unie verblijven. [2] COM(2010) 682 definitief. [3] COM(2010) 477 definitief. [4] COM(2011) 206 def. [5] COM(2012) 173 final. [6] De permanente vertegenwoordigingen bij de EU, het
Onderwijscomité, de Adviesgroep voor het Europees kwalificatiekader, de groep
Erkenning van leerresultaten, het forum voor belanghebbenden Een leven lang
leren, het Raadgevend Comité voor beroepsonderwijs en -opleiding, de
gebruikersgroep van het Europees puntenoverdrachtsysteem voor beroepsonderwijs
en -opleiding, de werkgroep Volwasseneneducatie, de werkgroep Modernisering van
het hoger onderwijs, de follow-upgroep voor het proces van Bologna, de
Europass- en de Euroguidance-centra, het Europese beleidsnetwerk inzake
levenslange begeleiding, de Youthpass-adviesraad, het netwerk van nationale
informatiecentra voor academische erkenning, het netwerk voor erkenning van
eerdere leerervaringen door het hoger onderwijs, de deskundigengroep inzake de
mobiliteit van jonge vrijwilligers. [7] COM(2010) 2020 definitief. [8] Jeugd in beweging, COM (2010) 477 definitief, de Agenda
voor nieuwe vaardigheden en banen, COM (2010) 682 definitief. [9] PB C 119 van 28.5.2009, blz. 2. [10] COM(2009) 200 definitief. [11] PB C 311 van 19.12.2009, blz. 1. [12] http://ec.europa.eu/education/lifelong-learning-policy/doc/vocational/bruges_nl.pdf [13] PB C 372 van 20.12.2011, blz. 36. [14] PB C 372 van 20.12.2011, blz. 1. [15] COM(2011) 206 def. [16] COM(2012) 173 final. [17] PB C 13 van 18.1.2003. [18] Verklaring van de Europese ministers
van Beroepsonderwijs en -opleiding, en de Europese Commissie, in Kopenhagen
bijeen op 29 en 30 november 2002, over de bevordering van intensievere Europese
samenwerking inzake beroepsonderwijs en -opleiding, http://ec.europa.eu/education/pdf/doc125_en.pdf [19] http://ec.europa.eu/education/lifelong-learning-policy/doc/informal/validation2004_en.pdf. [20] http://www.cedefop.europa.eu/EN/about-cedefop/projects/validation-of-non-formal-and-informal-learning/index.aspx. [21] Cedefop, 2009, http://www.cedefop.europa.eu/EN/Files/4054_en.pdf. [22] PB C 111 van 6.5.2008,
blz. 1. [23] PB L 390 van 31.12.2004, blz. 6. [24] PB C 155 van 8.7.2009, blz. 11. [25] http://ec.europa.eu/dgs/education_culture/consult/vnfil/report_en.pdf. [26] EU-burgers en onderdanen van derde landen die legaal in de
Unie verblijven. [27] Termen zoals gedefinieerd in bijlage I. [28] PB L 255 van 30.9.2005, blz. 22. [29] Opgericht bij de aanbeveling van het Europees Parlement en
de Raad van 23 april 2008 tot vaststelling van een Europees kwalificatiekader
voor een leven lang leren (PB C 111/1 van 6.5.2012, blz. 1).