52012PC0035

Voorstel voor een VERORDENING VAN DE RAAD betreffende het statuut van de Europese stichting (FE) /* COM/2012/035 final - 2012/0022 (APP) */


TOELICHTING

1. ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

1.1. Algemeen kader

In de EU spelen stichtingen een belangrijke rol, met name in de civiele samenleving. Via hun zeer uiteenlopende activiteiten op velerlei terreinen, dragen zij bij aan de bevordering van de fundamentele waarden en doelstellingen van de Unie, zoals eerbiediging van mensenrechten, bescherming van minderheden, werkgelegenheid en sociale vooruitgang, bescherming en verbetering van het milieu en bevordering van wetenschap en techniek. In dit verband leveren stichtingen een aanzienlijke bijdrage aan de verwezenlijking van de ambitieuze doelstellingen van de Europa 2020-strategie voor een slimme, duurzame en inclusieve groei[1]. Zij stimuleren en faciliteren ook een grotere betrokkenheid van zowel burger als civiele samenleving bij het Europese project. Dit neemt echter niet weg dat stichtingen bij de uitoefening van hun activiteiten overal in de EU nog steeds diverse obstakels op hun weg vinden.

In de in april 2011 door de Commissie aangenomen mededeling inzake de Akte voor de interne markt (Single Market Act)[2] is de noodzaak benadrukt om ter bevordering van de groei en de werkgelegenheid en ter versterking van het concurrentievermogen "een einde te maken aan de marktversnippering en tevens de barrières en obstakels voor het vrije verkeer van diensten, de innovatie en de creativiteit uit de weg te ruimen". Tevens is daarin uitdrukkelijk aangegeven hoe belangrijk het is dat het vertrouwen van de burgers in de interne markt wordt versterkt en dat zij kunnen profiteren van alle voordelen die de interne markt te bieden heeft. Gezien de bijdrage die stichtingen leveren aan de sociale economie en aan de financiering van innovatieve projecten van algemeen belang, wordt in de Single Market Act dan ook opgeroepen de obstakels uit de weg te ruimen waarmee stichtingen worden geconfronteerd wanneer zij grensoverschrijdende activiteiten willen verrichten. Eenzelfde oproep is gedaan in het verslag over het EU-burgerschap van 2010 getiteld "Het wegnemen van de belemmeringen voor de rechten van EU-burgers"[3], waarin wordt onderstreept dat burgeractie op EU-niveau verder kan worden bevorderd door de Europese dimensie van de activiteiten van stichtingen van algemeen belang te vergroten.

Daarnaast is door de Commissie in haar mededeling van 25 oktober 2011 getiteld "Initiatief voor sociaal ondernemerschap"[4] het belang onderstreept van een verdere ontwikkeling van Europese rechtsvormen voor entiteiten die in de sociaaleconomische sector actief zijn (zoals stichtingen, coöperaties en onderlinge maatschappijen). Het initiatief voor sociaal ondernemerschap is bedoeld ter ondersteuning van de ontwikkeling van ondernemingen die met hun activiteiten primair een sociaal effect beogen, en de voorgestelde maatregelen zijn dan ook gericht op en dienen ten behoeve van sociaaleconomische instellingen (inclusief stichtingen) die voldoen aan de algemene criteria die in de mededeling zijn geformuleerd om als een "sociale onderneming" te kunnen worden beschouwd.

Ook het Europees Parlement heeft in zijn resolutie in reactie op de mededeling van de Commissie inzake de Single Market Act opgeroepen om een passend wettelijk kader tot stand te brengen voor stichtingen (en voor onderlinge maatschappijen en verenigingen); in schriftelijke verklaring 84/2010 van maart 2011 werd gepleit voor de opstelling van een statuut voor deze instellingen en ook in zijn eerdere resoluties van 2009 en 2006[5] werd de Commissie opgeroepen om deze doelstelling te realiseren. Daarnaast heeft het Europees Economisch en Sociaal Comité in zijn initiatiefadvies van 2010 gepleit voor een Europees statuut voor stichtingen[6] en aangegeven hoe een dergelijk statuut er volgens het Comité uit zou moeten zien. Ook het Comité van de Regio's heeft in een advies over de Single Market Act zijn steun heeft uitgesproken voor het door de Commissie aangekondigde initiatief inzake stichtingen[7].

1.2. Gronden voor en doelstellingen van het voorstel

Stichtingen zijn niet in staat hun middelen op efficiënte wijze over de grenzen heen te kanaliseren in de EU. Als stichtingen besluiten grensoverschrijdende activiteiten uit te oefenen, moeten zij een deel van de ingezamelde financiële middelen besteden aan juridische adviezen en aan het voldoen aan de juridische en administratieve verplichtingen die uit hoofde van de verschillende nationale rechtssystemen worden opgelegd.

Met het onderhavige initiatief wordt een nieuwe Europese rechtsvorm in het leven geroepen waarmee stichtingen zich binnen de interne markt gemakkelijker kunnen vestigen en activiteiten kunnen ontplooien. Het zal stichtingen in staat stellen particuliere middelen in de EU efficiënter over de grenzen heen te kanaliseren ter ondersteuning van doelen van algemeen belang. Dit zou er op zijn beurt toe moeten leiden – onder andere dankzij lagere kosten voor stichtingen – dat er meer middelen beschikbaar zijn om activiteiten van algemeen belang te financieren, hetgeen een positief effect zou moeten hebben op het algemeen welzijn van de Europese burgers en op de EU-economie als geheel.

Dit voorstel heeft geen betrekking op de bijzondere situatie van politieke stichtingen die banden hebben met politieke partijen op Europees niveau. Sinds 2007 is op deze stichtingen specifieke EU-regelgeving van toepassing, met name wat hun toegang (alsook die van politieke partijen op Europees niveau) tot EU-financiering betreft[8]. De Commissie is deze regelgeving momenteel aan het bestuderen en zal in de loop van 2012 een wetgevingsvoorstel tot wijziging ervan aannemen[9].

2. UITKOMSTEN VAN DE RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDEN EN VAN DE EFFECTBEOORDELING

Bij het opstellen van dit voorstel heeft de Commissie in hoge mate op de deskundigheid van externe partijen een beroep gedaan en is er uitgebreid met de verschillende belanghebbenden overlegd.

Ten eerste is er in 2008 een haalbaarheidsstudie uitgevoerd en gepubliceerd door een consortium bestaande uit het Max Planck Instituut voor rechtsvergelijking en internationaal privaatrecht te Hamburg en de Universiteit van Heidelberg (Centrum für soziale Investitionen und Innovationen)[10]. Uit die studie is gebleken dat een statuut voor een Europese stichting (ongeacht of daarin ook fiscale aspecten worden geregeld) de meest geschikte beleidsoplossing is om de geconstateerde problemen aan te pakken.

Ten tweede heeft de Commissie tussen februari en mei 2009 een openbare raadpleging georganiseerd over de aanbevelingen in de haalbaarheidsstudie. De invoering van een statuut kreeg veel bijval van stichtingen, maar de nationale autoriteiten en tot op zekere hoogte ook het bedrijfsleven stonden sceptischer tegenover het nut en de haalbaarheid van een dergelijke rechtsvorm. Uit een meer algemene raadpleging in 2010-2011 over de mededeling van de Commissie getiteld "Naar een Akte voor de interne markt" blijkt dat er ook in de non-profitsector grote belangstelling voor een dergelijk statuut bestaat.

Voorts heeft de Commissie nadere inlichtingen ingewonnen over concrete problemen die naar voren kwamen tijdens bilaterale besprekingen met stichtingen, met name gedurende de "European Foundation Week" in juni 2010 en via contacten met het European Foundation Centre (EFC).

Tevens heeft de Commissie gegevens verzameld via een enquête onder de betrokken nationale autoriteiten en tijdens de daarop aansluitende besprekingen binnen de CLEG[11] in 2009, 2010 en 2011. Veel lidstaten hebben een voorbehoud gemaakt ten aanzien van de noodzaak nieuwe Europese rechtsvormen (ook voor stichtingen) te creëren.

De Commissie heeft alle naar voren gebrachte opmerkingen en aan de orde gestelde problemen in aanmerking genomen bij de opstelling van dit voorstel. Zij heeft zich daarbij gebaseerd op een analyse van de behoeften van stichtingen en van de nationale rechtsstelsels. Gezien de diversiteit van de nationale rechtsstelsels heeft zij gekozen voor oplossingen (bijvoorbeeld ten aanzien van de reikwijdte van het initiatief) waarvoor gemakkelijker een compromis kon worden gesloten.

Voor de effectbeoordeling is afgegaan op de inlichtingen en gegevens waarnaar hierboven is verwezen. Gebleken is dat het algemene probleem wordt gevormd door het feit dat de verscheidenheid aan nationale regels op het gebied van burgerlijk en fiscaal recht het voor stichtingen financieel en administratief zeer moeilijk maakt om grensoverschrijdend actief te zijn en dat als gevolg daarvan de grensoverschrijdende financiële ondersteuning door stichtingen van doelen algemeen belang zeer beperkt is gebleven. Meer specifieke problemen die aan het licht zijn gekomen, betreffen onder meer de onzekerheid over het al dan niet erkend worden in andere lidstaten als een stichting die een algemeen belang dient, de kosten die met het grensoverschrijdend poolen en verdelen van middelen gepaard gaan, en de beperkte grensoverschrijdende donaties.

De volgende opties zijn overwogen: 1) geen nieuwe beleidsactie op EU-niveau; 2) een voorlichtingscampagne in combinatie met een vrijwillig kwaliteitshandvest voor stichtingen; 3) een statuut voor een Europese stichting (met of zonder regeling voor fiscale kwesties); en 4) een beperkte harmonisatie van het stichtingenrecht.

Bij de optie geen beleidsactie op EU-niveau zouden alleen de reeds lopende initiatieven worden voortgezet, zoals inbreukzaken en werkzaamheden op fiscaal gebied, het voltooien van de tenuitvoerlegging van de dienstenrichtlijn, niet-wetgevende initiatieven op onderzoeksgebied en initiatieven uit de stichtingensector ter bevordering van grensoverschrijdende giften en donaties.

Met de voorlichtingscampagne zou worden beoogd de kennis te verbeteren die stichtingen hebben van hun rechten en plichten uit hoofde van het nationale recht bij het ontplooien van grensoverschrijdende activiteiten. Voorts zouden de kwaliteit en betrouwbaarheid van activiteiten van stichtingen kunnen worden gewaarborgd door middel van een vrijwillig door stichtingen op te stellen kwaliteitshandvest en een bijbehorend Europees kwaliteitslabel voor stichtingen die het kwaliteitshandvest naleven.

Bij de optie om een statuut voor Europese stichtingen op te stellen zonder in te gaan op de fiscale aspecten zou een alternatieve rechtsvorm voor stichtingen in het leven worden geroepen; de bestaande nationale rechtsvormen zouden niet worden aangepast en van de alternatieve rechtsvorm zou uitsluitend op basis van vrijwilligheid worden gebruikgemaakt. Het statuut zou een aantal voorwaarden (bijv. ten aanzien van het minimumvermogen bij de oprichting en het nagestreefde doel van algemeen belang, zoals dat in de meeste lidstaten wordt voorgeschreven) moeten bevatten waaraan moet worden voldaan om als een Europese stichting te kunnen worden aangemerkt.

In het kader van de optie van een statuut voor Europese stichtingen waarbij ook wordt ingegaan op de fiscale aspecten zouden de lidstaten tevens verplicht zijn Europese stichtingen gelijk te stellen met binnenlandse stichtingen van algemeen nut, waardoor zij hun dezelfde fiscale voordelen zouden moeten toekomen als aan dergelijke binnenlandse stichtingen. Hetzelfde zou moeten gelden voor donoren en begunstigden van een Europese stichting.

Een beperkte harmonisatie van het stichtingenrecht zou een harmonisatie inhouden van de vereisten waaraan stichtingen moeten voldoen om zich in het buitenland te kunnen laten registreren en daar activiteiten uit te oefenen. Die vereisten zouden betrekking hebben op het doel van stichtingen ten behoeve van een algemeen belang, het minimumvermogen, de registratievoorwaarden en een aantal aspecten inzake de interne governance. De lidstaten zouden stichtingen die aan de geharmoniseerde criteria voldoen, moeten toestaan in hun land actief te zijn zonder verdere eisen te stellen. Ook de optie om een verdergaande harmonisatie van het nationale recht inzake stichtingen door te voeren en de optie om de fiscale behandeling van stichtingen en hun donoren te harmoniseren, zijn overwogen.

De analyse van de effecten van bovengenoemde opties heeft uitgewezen dat een statuut voor een Europese stichting waaraan automatisch een niet-discriminerende fiscale behandeling verbonden is, de meest geschikte oplossing zou zijn om grensoverschrijdende obstakels voor stichtingen en donoren uit de weg te ruimen en een efficiënte kanalisatie van middelen voor doeleinden van algemeen belang te faciliteren.

3. JURIDISCHE ELEMENTEN VAN HET VOORSTEL 3.1. Rechtsgrondslag

De rechtsgrondslag voor het voorstel voor een verordening betreffende het statuut van de Europese stichting is artikel 352 VWEU. Dit artikel is de passende rechtsgrondslag in gevallen waarin andere bepalingen in de Verdragen niet de vereiste bevoegdheden aan de instellingen van de EU verlenen om een maatregel vast te stellen.

Artikel 352 is ook gekozen als rechtsgrondslag voor de reeds bestaande Europese rechtsvormen in het vennootschapsrecht, namelijk de Europese naamloze vennootschap, het Europees economisch samenwerkingsverband en de Europese coöperatieve vennootschap. In zijn arrest over de Europese coöperatieve vennootschap[12] heeft het Europees Hof van Justitie overigens bevestigd dat artikel 352 de juiste rechtsgrondslag vormt.

3.2. Subsidiariteit en evenredigheid

De voorgestelde maatregel is volledig in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel. De EU moet maatregelen nemen om de bestaande nationale barrières en beperkingen uit de weg te ruimen waarmee stichtingen worden geconfronteerd wanneer zij grensoverschrijdende activiteiten in de EU uitoefenen. De huidige situatie leert dat het probleem niet doeltreffend op nationaal niveau wordt aangepakt en dat de grensoverschrijdende aard ervan een gemeenschappelijk kader vereist om de mobiliteit van stichtingen te vergroten. Nationale maatregelen alleen zouden niet volstaan opdat de interne markt optimale resultaten voor de EU-burgers oplevert. Met dit initiatief wordt stichtingen de mogelijkheid geboden om voor de voorgestelde Europese rechtsvorm te kiezen, waardoor zij gemakkelijker grensoverschrijdend actief kunnen zijn.

De voorgestelde maatregel is voorts passend en gaat niet verder dan noodzakelijk is om het nagestreefde doel genoegzaam te bereiken, zodat ook aan het evenredigheidsbeginsel wordt voldaan. Het voorstel voor een verordening introduceert een nieuwe rechtsvorm die de nationale rechtsvormen aanvult, en laat de bestaande verschillende nationale wettelijke regelingen onverlet. Het laat lidstaten de vrijheid en ruimte om hun eigen nationale rechtsvormen in stand te houden en te ontwikkelen. Bovendien voorziet de verordening, wat de belastingen betreft, niet in een nieuwe reeks geharmoniseerde voorschriften ter vervanging van de in de lidstaten bestaande regelgeving voor de fiscale behandeling van stichtingen van algemeen nut (en hun donoren), maar is daarin alleen bepaald dat die bestaande nationale regelgeving automatisch van toepassing is op de Europese stichting (en haar donoren). De voorgestelde maatregel zou een oplossing moeten bieden voor de belangrijkste obstakels waarmee stichtingen bij hun grensoverschrijdende activiteiten worden geconfronteerd, zonder echter een uitputtende regeling te verschaffen voor de Europese stichting en zonder een nieuwe reeks belastingregels in te voeren.

3.3. Keuze van het rechtsinstrument

Voor een Europese rechtsvorm is een uniforme en rechtstreekse toepassing in alle lidstaten vereist. Een verordening is dan ook het meest geschikte instrument om een uniform statuut in alle lidstaten te waarborgen.

4. GEDETAILLEERDE TOELICHTING BIJ HET VOORSTEL

Hoofdstuk I (Algemene bepalingen) bevat het onderwerp, de op de FE toepasselijke regels en een lijst met definities ter verduidelijking van de begrippen die in de verordening worden gebruikt.

Tevens worden in hoofdstuk I de belangrijkste kenmerken van de FE omschreven: de FE is een instelling van algemeen nut die in alle lidstaten van de EU rechtspersoonlijkheid en volledige handelingsbevoegdheid heeft; de FE heeft een grensoverschrijdende dimensie met betrekking tot de verrichte activiteiten of heeft een statutair omschreven doel waarbij in ten minste twee lidstaten activiteiten worden uitgeoefend; bij de oprichting bedragen de activa van de FE ten minste 25 000 EUR. Het is de FE toegestaan economische activiteiten uit te oefenen, mits de winst in overeenstemming met de verordening wordt aangewend voor het verwezenlijken van haar doelen van algemeen belang. Omwille van de rechtszekerheid bevat de verordening een limitatieve lijst van doelen van algemeen belang die krachtens het burgerlijke en fiscale recht van de meeste lidstaten als zodanig worden aanvaard.

In hoofdstuk II (Oprichting) worden de oprichtingsmethoden van de FE beschreven en wordt aangegeven welke bepalingen de statuten ten minste moeten bevatten en welke eisen er gelden voor de registerinschrijving van een FE.

Ten aanzien van de oprichting is in de verordening bepaald dat de FE ex nihilo kan worden opgericht (bij testamentaire beschikking, notariële akte of schriftelijke verklaring door een of meer natuurlijke personen, rechtspersonen of publiekrechtelijke lichamen in overeenstemming met het toepasselijke nationale recht), dan wel kan ontstaan uit een fusie tussen instellingen van algemeen nut die in een of meer lidstaten gevestigd zijn, of via de omzetting van een nationale, op wettige wijze in een lidstaat gevestigde instelling van algemeen nut in een FE.

In het hoofdstuk is ook een lijst opgenomen van de bescheiden en gegevens waarvan verzoeken tot registerinschrijving vergezeld moeten gaan en die openbaar moeten worden gemaakt. Ter vergemakkelijking van het registratieproces is voorts bepaald dat registers met elkaar moeten samenwerken wat bescheiden en gegevens van FE's betreft.

Hoofdstuk III (Organisatie van de FE) bevat bepalingen betreffende de raad van bestuur, de directeuren en de raad van toezicht, met inbegrip van bepalingen inzake belangenconflicten. Om de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van de FE te waarborgen, moet de FE hoge normen op het gebied van transparantie en verantwoordingsplicht in acht nemen.

In hoofdstuk IV (Statutaire zetel en zetelverplaatsing) wordt geregeld dat een FE haar statutaire zetel naar een andere lidstaat kan verplaatsen zonder dat zij daarbij haar rechtspersoonlijkheid verliest en moet worden geliquideerd.

Hoofdstuk V (Rol van werknemers en vrijwilligers) bevat regels voor de voorlichting en raadpleging van werknemers en vrijwilligers overeenkomstig het ter zake geldende Unierecht. Het voorstel bevat geen bepalingen over de vertegenwoordiging van werknemers in de raad van bestuur, omdat een dergelijke medezeggenschap op bestuursniveau bij instellingen van algemeen nut slechts in een zeer beperkt aantal lidstaten voorkomt.

In Hoofdstuk VI (Ontbinding van de FE) van de verordening wordt de mogelijkheid geboden een FE weer om te zetten in een instelling van algemeen nut naar het recht van de lidstaat waar zij haar statutaire zetel heeft, mits de statuten van de FE dat toestaan. Het hoofdstuk bevat tevens bepalingen over de liquidatie van de FE ingeval het doel van de FE is verwezenlijkt of niet langer kan worden verwezenlijkt, ingeval de termijn waarvoor de FE is opgericht, is verstreken, of ingeval de FE geen activa meer heeft.

In hoofdstuk VII (Toezicht door de lidstaat) worden verregaande bevoegdheden verleend aan de bevoegde nationale toezichthoudende autoriteiten, zodat zij op efficiënte wijze toezicht kunnen houden op de activiteiten van de instellingen van algemeen nut waarvoor zij verantwoordelijk zijn. Zo hebben de toezichthoudende autoriteiten de bevoegdheid wijzigingen in de doelomschrijving van de FE goed te keuren, een onderzoek in te stellen naar de gang van zaken binnen de FE, waarschuwingen te geven aan de raad van bestuur, en de raad van bestuur te gelasten zich naar de statuten van de FE, de verordening en het toepasselijke nationale recht te voegen, een bestuurder te ontslaan of daartoe een verzoek bij de bevoegde rechter te dienen en de FE te liquideren of een verzoek daartoe bij de bevoegde rechter in te dienen. De toezichthoudende autoriteiten zijn ook verplicht samen te werken en onderling informatie uit te wisselen. Dit hoofdstuk bevat ook bepalingen over de samenwerking van registers en toezichthoudende autoriteiten met belastingdiensten.

Hoofdstuk VIII (Fiscale behandeling) van de verordening zorgt ervoor dat de FE en haar donoren automatisch dezelfde fiscale voordelen genieten als die welke voor binnenlandse instellingen van algemeen nut gelden. Er wordt immers voorgeschreven dat een lidstaat FE's moet gelijkstellen met instellingen van algemeen nut die krachtens het recht van de betrokken lidstaat zijn opgericht. Bij de behandeling van donoren en begunstigden van de FE moet ditzelfde beginsel worden toegepast.

In hoofdstuk IX (Slotbepalingen) worden de lidstaten verplicht voorschriften vast te stellen inzake sancties die van toepassing zijn op inbreuken op de bepalingen van deze verordening en de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat deze sancties worden toegepast. Het voorstel bevat tevens een evaluatieclausule.

5. GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING

Het voorstel heeft geen gevolgen voor de begroting van de Europese Unie.

6. AANVULLENDE INFORMATIE

De voorgestelde verordening is relevant voor de Europese Economische Ruimte.

2012/0022 (APP)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN DE RAAD

betreffende het statuut van de Europese stichting (FE)

(Voor de EER relevante tekst)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 352,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien de goedkeuring van het Europees Parlement[13],

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité[14],

Gezien het advies van het Comité van de Regio's[15],

Handelend volgens een bijzondere wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Instellingen van algemeen nut leveren door hun activiteiten op velerlei terreinen een bijdrage aan de fundamentele waarden en doelstellingen van de Unie, zoals eerbiediging van mensenrechten, bescherming van minderheden, werkgelegenheid en sociale vooruitgang, bescherming, behoud en verbetering van het milieu en bevordering van wetenschappelijke en technische vooruitgang.

(2) Het rechtskader waarbinnen instellingen van algemeen nut hun activiteiten in de Unie uitoefenen, is gebaseerd op nationale wetgeving, zonder enige harmonisatie op Unieniveau. Daarbij komt nog dat er tussen de lidstaten grote verschillen bestaan op het gebied van het burgerlijke en het fiscale recht. Deze verschillen maken het zeer moeilijk en duur voor instellingen van algemeen nut om grensoverschrijdende activiteiten te ontplooien. Als gevolg daarvan is de grensoverschrijdende kanalisatie van middelen ter bevordering van een doel van algemeen belang nog steeds zeer onderontwikkeld.

(3) Gezien de problemen waarmee instellingen van algemeen nut worden geconfronteerd en het feit dat er geen andere Europese rechtsvorm is waarvan zij voor de uitoefening van hun activiteiten gebruik zouden kunnen maken, dient voor dergelijke instellingen een specifieke Europese rechtsvorm in het leven te worden geroepen die overal in de Unie kan worden aangewend. Die rechtsvorm dient in de gehele Unie een zo uniform mogelijk karakter te hebben, zodat de grensoverschrijdende activiteiten ten behoeve van het algemeen belang optimaal kunnen worden bevorderd.

(4) Op 6 april 2011 heeft het Europees Parlement een resolutie aangenomen over een interne markt voor Europeanen[16], op 19 februari 2009 een over de sociale economie[17] en op 4 juli 2006 een over recente ontwikkelingen en vooruitzichten in het vennootschapsrecht[18]. Voorts heeft het Europees Parlement op 10 maart 2011 in een schriftelijke verklaring over de opstelling van een Europees statuut voor onderlinge maatschappijen, verenigingen en stichtingen[19] opgeroepen een statuut voor Europese stichtingen vast te stellen.

(5) Op 28 april 2010 is door het Europees Economisch en Sociaal Comité een advies over een Europees statuut voor stichtingen uitgebracht[20], terwijl het Comité van de Regio's op 1 april 2011 een advies over de Single Market Act heeft uitgebracht[21]. In beide adviezen wordt steun uitgesproken voor het initiatief van de Commissie om een statuut voor een Europese stichting vast te stellen.

(6) De Europese stichting (hierna "FE" genoemd) dient onderworpen te zijn aan de materiële bepalingen van deze verordening en aan de statuten van de FE. De bepalingen van nationaal recht die op instellingen van algemeen nut van toepassing zijn, dienen slechts te worden toegepast ten aanzien van aangelegenheden die niet of slechts ten dele door deze verordening of de statuten van de FE worden geregeld.

(7) De FE dient zich uitsluitend bezig te houden met het bevorderen van doelen van algemeen belang, waarmee doelen worden bedoeld die een brede groep begunstigden ten goede komen. Aangezien activiteiten van instellingen van algemeen nut zich toespitsen op terreinen die voor de Europese burger en de Europese economie als geheel van belang zijn, zou een dergelijke doelomschrijving de grootst mogelijke sociale, economische en maatschappelijke voordelen opleveren. Ter bevordering van de rechtszekerheid dient het doel van algemeen belang van de instelling aan de hand van een limitatieve lijst van doelen te worden omschreven.

(8) Het voornaamste doel van het statuut is het uit de weg ruimen van de obstakels waarmee stichtingen worden geconfronteerd wanneer zij binnen de Unie grensoverschrijdende activiteiten willen uitoefenen. Het optreden van de Unie dient derhalve vooral gericht te zijn op die instellingen van algemeen nut die reeds activiteiten in andere lidstaten uitoefenen of die volgens hun statuten voornemens zijn dat te doen.

(9) De FE dient over activa van een bepaalde minimumwaarde te beschikken om haar betrouwbaar te maken voor donoren en overheidsinstanties, om de ernst van haar doelen aan te tonen en om misbruik van de rechtsvorm te voorkomen. Het vereiste van een minimumwaarde aan activa mag er echter niet toe leiden dat de oprichting van een Europese stichting te duur wordt en dat het daarom moeilijker wordt om van deze rechtsvorm gebruik te maken.

(10) Om volwaardig te kunnen functioneren, dient de FE in alle lidstaten rechtspersoonlijkheid en volledige handelingsbevoegdheid te hebben en in staat te zijn alle activiteiten uit te oefenen die voor het verwezenlijken van haar doel noodzakelijk zijn, voor zover die activiteiten met haar statuten en met deze verordening in overeenstemming zijn.

(11) Het vermogen om zowel met het nagestreefde doel van algemeen belang verband houdende als andere economische activiteiten uit te oefenen, zou een aanzienlijke bron van financiering betekenen voor de FE en zou haar de middelen verschaffen om de voor het doel van algemeen belang beschikbare financiële middelen te vergroten. Dit moet derhalve worden toegestaan. Om echter een juiste aanwending van de activa te waarborgen en de belangen van de schuldeisers te beschermen, dient er een maximum te worden gesteld aan de toegestane omvang van ongerelateerde economische activiteiten.

(12) Om de FE in staat te stellen haar grensoverschrijdende activiteiten uit te oefenen, dient zij waar nodig een beroep te kunnen doen op de vrijheid van vestiging in de zin van artikel 49 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

(13) Om de FE breed toegankelijk te maken voor oprichters en stichtingen, dient zij ex nihilo in het leven te kunnen worden geroepen door een fusie tussen nationale instellingen van algemeen nut of door omzetting van een nationale instelling van algemeen nut in een FE. Om de oprichting van een FE door omzetting of door een grensoverschrijdende fusie te faciliteren, moet de verordening voorschriften bevatten voor de respectieve procedures. Op fusies tussen instellingen van algemeen nut waarvan de statutaire zetel in dezelfde lidstaat is gelegen, dient het recht van de betrokken lidstaat van toepassing te zijn.

(14) Om onnodige lasten voor instellingen van algemeen nut te vermijden, moeten de formele vereisten voor de registerinschrijving van de FE worden beperkt tot die welke strikt noodzakelijk zijn voor het waarborgen van de rechtszekerheid. De nationale registers dienen de Commissie in kennis te stellen van de FE's die zij hebben ingeschreven.

(15) Teneinde de FE in staat te stellen een juridische structuur te hanteren die aan haar omvang en behoeften kan worden aangepast en met haar activiteiten mee kan evolueren, moet de FE vrij zijn om de interne organisatie naar eigen inzicht in de statuten vorm te geven. Dat neemt evenwel niet weg dat de verordening een aantal dwingende regels dient te bevatten op het gebied van het bestuur, en meer in het bijzonder met betrekking tot de rol en de taken van de raad van bestuur en het minimumaantal leden van de raad van bestuur. De FE moet ook een raad van toezicht en andere organen in het leven kunnen roepen. Om een onafhankelijke oordeelsvorming en een kritische ingesteldheid te bevorderen, moeten de raad van bestuur en de raad van toezicht qua leeftijdsopbouw, verhouding tussen mannen en vrouwen, opleidingsniveau en beroepsachtergrond een voldoende mate van verscheidenheid vertonen. Er moet met name aandacht worden besteed aan een juiste balans tussen het aantal mannen en vrouwen zodat een goede afspiegeling van de genderopbouw binnen de bevolking bestaat. Vanwege de verschillen tussen de nationale rechtsstelsels dient de geldende nationale wetgeving van toepassing te zijn wat de aansprakelijkheid van directeuren betreft.

(16) Het is van essentieel belang dat de activa van de FE worden aangewend ter bevordering van het doel van algemeen belang dat de FE dient. Er moeten dan ook duidelijke regels worden vastgesteld om belangenconflicten te vermijden die dit beginsel ondermijnen. In dit verband zij erop gewezen dat niet alleen een feitelijk belangenconflict, maar ook slechts de schijn van een belangenconflict een schaduw werpen op de reputatie en het imago van de FE.

(17) Omwille van de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van de FE moet de FE hoge normen inzake transparantie en verantwoordingsplicht in acht nemen. De FE dient een administratie bij te houden van alle verrichte financiële transacties en een jaarrekening op te stellen. Deze jaarrekening dient te worden gecontroleerd overeenkomstig de voorschriften die zijn neergelegd in Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende de wettelijke controles van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen, tot wijziging van de Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad en houdende intrekking van Richtlijn 84/253/EEG van de Raad[22], en moet openbaar worden gemaakt.

(18) Om de FE in staat te stellen het potentieel van de interne markt optimaal te benutten, moet zij haar statutaire zetel van een lidstaat naar een andere kunnen verplaatsen.

(19) Gezien de specifieke kenmerken van de FE dient zij onder toezicht te staan van een nationale toezichthoudende autoriteit. Momenteel geldt dit in alle lidstaten voor nationale instellingen van algemeen nut. Het toezicht dient op nationaal niveau plaats te vinden, zodat kan worden geprofiteerd van de procedures die op dit gebied reeds door de nationale autoriteiten zijn ontwikkeld. In de verordening dienen zo min mogelijk, maar wel vergaande toezichtbevoegdheden te worden vastgesteld teneinde te waarborgen dat toezichthoudende autoriteiten binnen de gehele Unie over adequate en voldoende uniforme bevoegdheden beschikken. Om tot een efficiënt toezicht te komen, dient de samenwerking tussen de toezichthoudende autoriteiten van de lidstaten te worden verzekerd.

(20) De lidstaten genieten grote vrijheid om de fiscale behandeling van instellingen van algemeen nut en hun donoren te bepalen op het gebied van de inkomsten- en vermogenswinstbelasting, schenkings- en successierechten, onroerendgoedbelasting, overdrachtsbelasting, registratierechten, zegelrechten en dergelijke. Tegelijkertijd moet echter worden voorkomen dat lidstaten buitenlandse instellingen van algemeen nut en hun donoren discrimineren.

(21) In veel lidstaten is sprake van een gunstige fiscale behandeling van instellingen van algemeen nut en hun donoren. Teneinde instellingen van algemeen nut in de Unie de hoogst mogelijke meerwaarde te bieden, dient de FE derhalve dezelfde belastingvoordelen te kunnen genieten als binnenlandse instellingen van algemeen nut in de lidstaat waar de FE haar statutaire zetel heeft. Een dergelijke niet-discriminerende behandeling dient ook te worden toegepast op binnenlandse en grensoverschrijdende donoren en begunstigden van de FE. Deze behandeling dient in alle gevallen te gelden, zonder dat de FE of haar donoren of begunstigden hoeven aan te tonen dat de FE gelijkwaardig is aan binnenlandse instellingen van algemeen nut.

(22) De lidstaten moeten de FE ten aanzien van hun economische activiteiten, met inbegrip van toegestane ongerelateerde economische activiteiten, aan dezelfde fiscale behandeling onderwerpen als binnenlandse instellingen van algemeen nut. Bij elke fiscale voorkeursbehandeling voor economische activiteiten, met inbegrip van toegestane ongerelateerde economische activiteiten, moeten de bepalingen van het Verdrag inzake mededinging, met inbegrip van de staatssteunregels, worden gerespecteerd.

(23) Er moeten voorschriften worden vastgesteld op grond waarvan werknemers van de FE het recht hebben om in situaties waarin de FE een groot aantal werknemers in verschillende lidstaten heeft, op het passende transnationale niveau te worden geïnformeerd en geraadpleegd. Om te garanderen dat die voorschriften recht doen aan de specifieke situatie van elke FE, dienen de praktische regelingen voor de transnationale voorlichting en raadpleging van werknemers primair te worden vastgelegd in een overeenkomst tussen de bij de FE betrokken partijen dan wel, bij gebreke van een dergelijke overeenkomst, via de toepassing van een reeks subsidiaire voorschriften vervat in Richtlijn 2009/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 inzake de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers[23]. Gezien het grote belang van vrijwilligerswerk in stichtingen, dienen ook vrijwilligers die langdurig voor de stichting actief zijn, bij de voorlichtings- en raadplegingsprocedures binnen de FE te worden betrokken.

(24) Met het oog op een effectieve toepassing van deze verordening dienen de lidstaten te waarborgen dat de bepalingen die zij in verband met deze verordening vaststellen, niet resulteren in onevenredige beperkingen van regelgevende aard voor de FE en evenmin in discriminatie van de FE ten opzichte van de instellingen van algemeen nut die onder het nationale recht vallen.

(25) De lidstaten dienen voorschriften vast te stellen voor de sancties die van toepassing zijn op inbreuken op de bepalingen van deze verordening, met inbegrip van inbreuken op de verplichting om bepaalde, bij deze verordening voorgeschreven zaken in de statuten van de FE te regelen, en ervoor te zorgen dat zij worden toegepast. Die sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

(26) Het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie voorziet voor de vaststelling van deze verordening in geen andere bevoegdheden dan die van artikel 352.

(27) Aangezien de doelstellingen van de voorgestelde maatregel, namelijk het bevorderen van grensoverschrijdende activiteiten door instellingen van algemeen nut, onvoldoende door de lidstaten alleen kunnen worden verwezenlijkt omdat daartoe een rechtsvorm voor instellingen van algemeen nut met gemeenschappelijke kenmerken voor de gehele Unie tot stand moet worden gebracht, en derhalve gezien de reikwijdte van de maatregel beter op het niveau van de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen vaststellen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan hetgeen noodzakelijk is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(28) Deze verordening laat de bij Verordening (EG) nr. 2004/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende het statuut en de financiering van politieke partijen op Europees niveau[24] vastgestelde voorschriften voor politieke stichtingen op Europees niveau onverlet,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Hoofdstuk 1

Algemene bepalingen

Afdeling 1

Onderwerp, toepasselijke regels en definities

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze verordening worden de voorwaarden vastgesteld waaronder een Europese stichting (Fundatio Europaea, hierna "FE" genoemd) kan worden opgericht en functioneert.

Artikel 2

Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

1)           "activa": alle materiële en immateriële middelen die eigendom kunnen zijn of waarover zeggenschap kan worden uitgeoefend om waarde te creëren;

2)           "ongerelateerde economische activiteit": een door de FE uitgeoefende economische activiteit die niet direct het doel van algemeen belang van de instelling van algemeen nut dient;

3)           "testamentaire beschikking": een akte in de zin van het nationale recht van de lidstaat waar de erflater gevestigd is, waarin wordt beschreven hoe de bezittingen van de erflater na diens overlijden dienen te worden beheerd en verdeeld;

4)           "publiekrechtelijk lichaam": een entiteit die al dan niet juridisch deel uitmaakt van de centrale, nationale, regionale of lokale overheid, dan wel enige andere bij wet opgerichte overheidsinstantie, en die openbare diensten verleent of wettelijk verankerde taken van openbaar belang vervult;

5)           "instelling van algemeen nut": een stichting die een doel van algemeen belang dient en/of een vergelijkbare rechtspersoon van algemeen nut, zonder leden, die is opgericht krachtens het recht van een van de lidstaten;

6)           "lidstaat van herkomst": de lidstaat waarin de FE haar statutaire zetel heeft op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan de verplaatsing van haar zetel naar een andere lidstaat;

7)           "lidstaat van ontvangst": de lidstaat waarnaar de statutaire zetel van de FE is verplaatst.

Artikel 3

Op de FE toepasselijke regels

1. De FE is onderworpen aan deze verordening en aan haar statuten.

2. Aangelegenheden die niet of slechts gedeeltelijk bij deze verordening en/of de statuten van de FE worden geregeld, zijn onderworpen aan de volgende regels:

(a) de door de lidstaten vastgestelde voorschriften om de effectieve toepassing van deze verordening te waarborgen;

(b) voor niet onder a) vallende aangelegenheden, de bepalingen van intern recht die op instellingen van algemeen nut van toepassing zijn.

Artikel 4

Informatieverschaffing

1. Op de FE betrekking hebbende informatie die ingevolge deze verordening openbaar moet worden gemaakt, wordt overeenkomstig het toepasselijke nationale recht op zodanig wijze bekendgemaakt dat die informatie gemakkelijk toegankelijk is voor het publiek.

2. In alle papieren en digitale brieven en bestelformulieren van de FE, alsook op iedere website van de FE worden de volgende gegevens vermeld:

(a) de vereiste informatie om het in artikel 22, lid 1, bedoelde register te bepalen, met vermelding van het nummer waaronder de FE in dat register is ingeschreven;

(b) de naam van de FE, de lidstaat waarin de FE haar statutaire zetel heeft, en het adres van die statutaire zetel;

(c) in voorkomend geval, het feit dat tegen de FE een insolventie- of ontbindingsprocedure loopt.

Afdeling 2

Algemene vereisten voor de FE

Artikel 5

Doel van algemeen belang

1. De FE is een zelfstandig opgerichte instelling van algemeen nut.

2. De FE dient het algemeen belang in ruime zin.

Zij kan slechts worden opgericht voor onderstaande doeleinden, waaraan al haar activa onvoorwaardelijk worden aangewend:

(a) kunst, cultuur en instandhouding van historisch erfgoed;

(b) milieubescherming;

(c) burgerlijke of mensenrechten;

(d) bestrijding van discriminatie op basis van geslacht, ras, etnische afkomst, godsdienst, handicap, seksuele geaardheid dan wel enige andere vorm van discriminatie volgens de wet;

(e) sociaal welzijn, met inbegrip van armoedepreventie en -bestrijding;

(f) humanitaire hulp of hulp bij rampen;

(g) ontwikkelingshulp en -samenwerking;

(h) hulp aan vluchtelingen en immigranten;

(i) bescherming en ondersteuning van kinderen, jongeren of ouderen;

(j) hulp aan of bescherming van mensen met een handicap;

(k) dierenbescherming;

(l) wetenschap, onderzoek en innovatie;

(m) onderwijs en opleiding;

(n) Europese en internationale verstandhouding;

(o) welzijn, gezondheid en medische zorg;

(p) consumentenbescherming;

(q) hulp aan of bescherming van kwetsbare en achtergestelde groepen;

(r) amateursport;

(s) infrastructurele ondersteuning van organisaties van algemeen nut.

Artikel 6

Grensoverschrijdende component

Ten tijde van de registratie verricht de FE activiteiten of heeft zij een statutair doel dat voorziet in de uitoefening van activiteiten in ten minste twee lidstaten.

Artikel 7

Activa

1. De activa van de FE luiden in euro.

2. De activa van de FE bedragen ten minste 25 000 EUR.

Artikel 8

Aansprakelijkheid

De aansprakelijkheid van de FE is beperkt tot de omvang van haar activa.

Afdeling 3

Rechtspersoonlijkheid en handelingsbevoegdheid

Artikel 9

Rechtspersoonlijkheid

De FE heeft in alle lidstaten rechtspersoonlijkheid.

De FE verkrijgt rechtspersoonlijkheid op de dag waarop zij overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 21, 22 en 23 in het register is ingeschreven.

Artikel 10

Handelingsbevoegdheid

1. De FE heeft in alle lidstaten volledige handelingsbevoegdheid.

Behoudens beperkingen uit hoofde van de statuten heeft de FE alle rechten die nodig zijn om haar activiteiten te kunnen uitoefenen, met inbegrip van het recht roerende en onroerende zaken te bezitten, giften te doen, fondsen te werven en donaties van welke aard dan ook te aanvaarden en te houden, met inbegrip van aandelen en andere effecten, legaten en giften in natura verkregen uit rechtmatige bronnen, ook uit derde landen.

De FE heeft tevens het recht zich in gelijk welke lidstaat te vestigen wanneer dat nodig is om haar activiteiten te kunnen uitoefenen.

2. Met het oog op de verwezenlijking van haar doel kan de FE alle statutair geoorloofde handelingen verrichten op een wijze die rechtmatig is, strookt met haar hoedanigheid van instelling van algemeen nut en in overeenstemming is met het bepaalde in deze verordening.

3. Behoudens eventuele beperkingen uit hoofde van haar statuten kan de FE ook in derde landen activiteiten uitoefenen.

Artikel 11

Economische activiteiten

1. Behoudens eventuele beperkingen uit hoofde van haar statuten is de FE bevoegd en vrij om zich ook met handels- of andere economische activiteiten bezig te houden, mits de daaruit voortvloeiende winst volledig wordt aangewend voor het verwezenlijken van het doel of de doelen van algemeen belang van de FE.

2. Economische activiteiten die geen verband houden met het doel van algemeen belang van de FE, mogen ten hoogste 10% van de jaarlijkse netto-omzet van de FE uitmaken, mits de resultaten uit deze ongerelateerde economische activiteiten afzonderlijk in de boeken worden gepresenteerd.

Hoofdstuk II

Oprichting

Afdeling 1

Oprichtingsmethoden

Artikel 12

Oprichtingsmethoden

1. De FE kan als volgt worden opgericht:

(a) bij testamentaire beschikking van een natuurlijke persoon, als beschreven in artikel 13;

(b) bij notariële akte of schriftelijke verklaring van een of meer natuurlijke personen en/of rechtspersonen of publiekrechtelijke lichamen in overeenstemming met het toepasselijke nationale recht, als beschreven in artikel 13;

(c) door fusie tussen op wettige wijze in een of meer lidstaten gevestigde instellingen van algemeen nut, als beschreven in de artikelen 14, 15 en 16;

(d) door de omzetting van een op wettige wijze in een lidstaat gevestigde nationale instelling van algemeen nut in een FE, als beschreven in de artikelen 17 en 18.

2. De FE wordt opgericht hetzij voor onbepaalde tijd, hetzij, indien dat uitdrukkelijk in de statuten is bepaald, voor een bepaalde tijd van ten minste twee jaar.

Artikel 13

Oprichting bij testamentaire beschikking, notariële akte of schriftelijke verklaring

In de testamentaire beschikking, notariële akte of schriftelijke verklaring wordt ten minste het volgende vermeld:

(a) het voornemen tot oprichting van de FE;

(b) het voornemen om aan de FE te doneren;

(c) de omvang van de initiële activa van de FE;

(d) het doel van algemeen belang van de FE.

Artikel 14

Oprichting door fusie

1. De FE kan tot stand komen door fusie tussen instellingen van algemeen nut die op wettige wijze in een of meer lidstaten zijn gevestigd, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

(a) de fusie tussen de nationale instellingen van algemeen nut is toegestaan volgens het toepasselijke nationale recht;

(b) de fusie is toegestaan krachtens de statuten van elk van de fuserende instellingen.

2. Het besluit tot fusie wordt genomen door de respectieve raden van bestuur van elk van de fuserende instellingen. Het besluit voldoet aan de vereisten inzake quorum en meerderheid die van toepassing zijn op een nationale instelling van algemeen nut die voornemens is een fusie aan te gaan met een andere nationale instelling van algemeen nut, dan wel, bij gebreke van dergelijke regels, aan de voorschriften die van toepassing zijn op een nationale instelling van algemeen nut die haar statuten wil wijzigen.

3. Onverminderd artikel 16 vindt een fusie tussen op wettige wijze in dezelfde lidstaat gevestigde instellingen van algemeen nut plaats overeenkomstig het toepasselijke nationale recht.

Een fusie tussen op wettige wijze in verschillende lidstaten gevestigde instellingen van algemeen nut vindt plaats overeenkomstig artikel 15.

Artikel 15

Verzoek tot goedkeuring van een grensoverschrijdende fusie

1. Elke fuserende instelling dient bij de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar zij op wettige wijze is gevestigd, een gedetailleerd verzoek in tot goedkeuring van een fusie waartoe door de respectieve raden van bestuur van de fuserende instellingen overeenkomstig artikel 14, lid 2, is besloten. Indien zulks is vereist, wordt dit verzoek overeenkomstig de regels van de betrokken lidstaten bekendgemaakt.

2. Het verzoek tot goedkeuring van een fusie bevat het in artikel 14, lid 2, bedoelde besluit van de raden van bestuur en het gemeenschappelijke fusievoorstel, waarin ten minste het volgende is vermeld:

(a) de naam en het adres van elk van de fuserende instellingen van algemeen nut;

(b) de naam van de FE en het adres waar de FE haar voorgenomen statutaire zetel zal hebben;

(c) de voorgestelde statuten van de FE;

(d) de wijze waarop de rechten van schuldeisers en werknemers van de fuserende instellingen worden beschermd.

3. Elke bevoegde autoriteit behandelt het verzoek tot goedkeuring van een fusie volgens dezelfde procedures en beginselen als gold het een verzoek tot goedkeuring van een fusie die tot het ontstaan van een nationale instelling van algemeen nut zou leiden.

4. In elke betrokken lidstaat geeft de bevoegde autoriteit onverwijld een attest af waaruit blijkt dat alle voorbereidende handelingen zijn verricht en aan alle formaliteiten is voldaan.

5. Nadat de FE overeenkomstig de artikelen 21, 22 en 23 is geregistreerd, stelt het register de in lid 1 bedoelde bevoegde autoriteiten en, in voorkomend geval, de instantie die verantwoordelijk is voor de registratie van de instellingen van algemeen nut die door de fusie zijn ontbonden, onverwijld daarvan in kennis.

Eventuele oude registerinschrijvingen worden onverwijld doorgehaald, doch niet voordat de bovenbedoelde kennisgeving is ontvangen.

Artikel 16

Gevolgen van de fusie

1. In geval van een fusie die tot de oprichting van een nieuwe rechtspersoon leidt, gaat het gehele vermogen van elk van de fuserende instellingen van algemeen nut over op de nieuwe FE en houden de fuserende instellingen op te bestaan.

2. In geval van een fusie door overneming gaat het gehele vermogen van de overgenomen instelling van algemeen nut over op de overnemende instelling van algemeen nut, houdt de overgenomen instelling op te bestaan en wordt de overnemende rechtspersoon de FE.

Artikel 17

Oprichting door omzetting

1. De FE kan tot stand komen door de omzetting van een op wettige wijze in een lidstaat gevestigde instelling van algemeen nut, mits een dergelijke omzetting krachtens de statuten van bedoelde instelling is toegestaan.

2. Het besluit tot omzetting in een FE en de vereiste wijzigingen in de statuten worden vastgesteld door de raad van bestuur van de instelling.

3. De totstandkoming van een FE door omzetting leidt noch tot liquidatie van de instelling van algemeen nut die wordt omgezet, noch tot verlies of opschorting van haar rechtspersoonlijkheid, en laat alle vóór de omzetting bestaande rechten en plichten onverlet.

Artikel 18

Verzoek tot goedkeuring van een omzetting

1. Bij de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de instelling op wettige wijze is gevestigd, wordt een gedetailleerd verzoek tot goedkeuring van een omzetting ingediend waartoe door de raad van bestuur overeenkomstig artikel 17, lid 2, is besloten. Indien zulks is vereist, wordt dit verzoek overeenkomstig de regels van de betrokken lidstaten bekendgemaakt.

2. Het verzoek tot goedkeuring van een omzetting bevat het in artikel 17, lid 2, bedoelde besluit van de raad van bestuur en het omzettingsvoorstel, waarin ten minste het volgende is vermeld:

(a) de naam en het adres van de instelling van algemeen nut die wordt omgezet;

(b) de naam van de FE en het adres waar de FE haar voorgenomen statutaire zetel zal hebben;

(c) de voorgestelde statuten van de FE;

(d) de wijze waarop de rechten van de werknemers van de om te zetten instelling van algemeen nut worden beschermd.

3. De bevoegde autoriteit van de lidstaat behandelt het verzoek tot goedkeuring van een omzetting volgens dezelfde procedures en beginselen als gold het een verzoek tot wijziging van de statuten van de instelling van algemeen nut.

4. De bevoegde autoriteit geeft onverwijld een attest af waaruit blijkt dat alle voorbereidende handelingen zijn verricht en aan alle formaliteiten is voldaan.

5. Nadat de FE overeenkomstig de artikelen 21, 22 en 23 is geregistreerd, stelt het register de in lid 1 bedoelde bevoegde autoriteit en, in voorkomend geval, de instantie die verantwoordelijk is voor de registratie van de instelling van algemeen nut die is omgezet, onverwijld daarvan in kennis.

6. De eventuele oude registerinschrijving wordt onverwijld doorgehaald, doch niet voordat de bovenbedoelde kennisgeving is ontvangen.

Afdeling 2

Statuten

Artikel 19

Minimuminhoud van de statuten

1. De statuten van de FE bevatten ten minste de volgende gegevens:

(a) de namen van de oprichters;

(b) de naam van de FE;

(c) het adres van de statutaire zetel;

(d) een omschrijving van het doel van algemeen belang;

(e) de activa bij oprichting;

(f) het boekjaar van de FE;

(g) het aantal leden van de raad van bestuur;

(h) regels over de benoeming en het ontslag van de raad van bestuur;

(i) de eventuele andere organen van de FE dan de raad van bestuur en hun taken;

(j) de procedure voor het wijzigen van de statuten;

(k) de bepaalde tijd waarvoor de FE is opgericht indien zij niet voor onbepaalde duur is opgericht;

(l) de verdeling van de netto-activa na liquidatie;

(m) de datum waarop de statuten zijn vastgesteld.

2. De statuten van de FE worden schriftelijk vastgesteld en zijn onderworpen aan de formele vereisten van het toepasselijke nationale recht.

Artikel 20

Statutenwijziging

1. Wanneer de bestaande statuten niet langer passend zijn voor het functioneren van de FE, kan de raad van bestuur besluiten tot wijziging van de statuten.

2. Het doel van de FE kan slechts worden gewijzigd indien het gestelde doel reeds is verwezenlijkt of niet kan worden verwezenlijkt, dan wel indien de gestelde doelen duidelijk niet langer passend en effectief zijn voor de aanwending van de activa van de FE.

3. Een statutenwijziging die gevolgen heeft voor het doel van de FE, doet recht aan de wil van de oprichter.

4. De raad van bestuur besluit met eenparigheid van stemmen over alle wijzigingen in het doel van de FE en legt de wijzigingen ter goedkeuring voor aan de toezichthoudende autoriteit.

Afdeling 3

Registerinschrijving

Artikel 21

Registerinschrijving

1. De FE wordt in één lidstaat in een register ingeschreven.

2. De FE die tot stand komt door een fusie tussen twee instellingen van algemeen nut die op wettige wijze in dezelfde lidstaat zijn gevestigd, wordt in die lidstaat in een register ingeschreven.

3. De FE die door een grensoverschrijdende fusie tot stand komt, wordt in een register ingeschreven in een van de lidstaten waar de fuserende instellingen op wettige wijze gevestigd waren.

4. De FE die door omzetting tot stand komt, wordt ingeschreven in een register in de lidstaat waar de omgezette instelling oorspronkelijk op wettige wijze was gevestigd.

Artikel 22

Register

1. Elke lidstaat wijst een register aan voor de inschrijving van de FE en stelt de Commissie daarvan in kennis.

2. De op grond van lid 1 aangewezen registers zijn verantwoordelijk voor het opslaan van gegevens over ingeschreven FE's.

De registers werken met elkaar samen ten aanzien van de bescheiden en gegevens die op de FE's betrekking hebben.

3. De registers stellen de Commissie uiterlijk op 31 maart van elk jaar in kennis van de in het afgelopen kalenderjaar verrichte inschrijvingen en doorhalingen van FE's, onder vermelding van de naam, het adres van de statutaire zetel, het inschrijvingsnummer en de activiteitensector van elke FE, alsmede van het totale aantal ingeschreven FE's per 31 december van het voorafgaande jaar.

Artikel 23

Inschrijvingsformaliteiten

1. Een verzoek tot inschrijving als een FE gaat vergezeld van de volgende bescheiden en gegevens in de door het toepasselijke nationale recht voorgeschreven taal:

(a) de naam van de FE en het adres van de voorgenomen statutaire zetel van de FE in de Europese Unie;

(b) de oprichtingsstukken;

(c) een ondertekende verklaring betreffende de activa bestemd voor de activiteiten van de FE, dan wel een ander bewijs van gedane inbreng in geld of in natura, en bijzonderheden daaromtrent;

(d) de statuten van de FE;

(e) de namen, adressen en eventuele andere gegevens die overeenkomstig het toepasselijke nationale recht noodzakelijk zijn om de identiteit vast te stellen van:

(i)      alle leden van de raad van bestuur en hun eventuele plaatsvervangers;

(ii)      alle andere personen die bevoegd zijn de FE jegens derden en in rechte te vertegenwoordigen;

(iii)     de auditor(s) van de FE;

(f) een vermelding of de onder (e), punten (i) en (ii), bedoelde personen de FE zelfstandig of gezamenlijk vertegenwoordigen;

(g) naam, doel en adres van elk van de oprichters ingeval zij rechtspersonen zijn, dan wel soortgelijke relevante gegevens indien zij publiekrechtelijke lichamen zijn;

(h) naam en adres van de eventuele vestigingen van de FE en de benodigde informatie ter bepaling van het bevoegde register en het inschrijvingsnummer;

(i) indien de FE door een fusie tot stand is gekomen:

(i)      de fusievoorwaarden;

(ii)      de in artikel 15, lid 4, bedoelde attesten, welke minder dan zes maanden vóór de datum van indiening van het verzoek zijn afgegeven;

(iii)     een bewijs dat is voldaan aan de toepasselijke nationale rechtsregels ten aanzien van de bescherming van schuldeisers en werknemers;

(j) indien de FE door omzetting tot stand is gekomen:

(i)      de omzettingsvoorwaarden;

(ii)      het in artikel 18, lid 4, bedoelde attest, dat minder dan zes maanden vóór de datum van indiening van het verzoek is afgegeven;

(iii)     een bewijs dat is voldaan aan de toepasselijke nationale rechtsregels ten aanzien van de bescherming van werknemers;

(k) een uittreksel van het strafregister en een verklaring van de leden van de raad van bestuur dat zij niet onbekwaam zijn verklaard om als bestuurslid op te treden.

De lidstaten verlangen geen verdere bescheiden of gegevens voor de registerinschrijving.

Het register of, in voorkomend geval, een andere bevoegde autoriteit controleert of de overgelegde bescheiden en gegevens voldoen aan de in deze verordening gestelde eisen en aan het toepasselijke nationale recht.

2. Het register of, in voorkomend geval, een andere bevoegde autoriteit controleert of de verzoeker voldoet aan de in deze verordening gestelde eisen.

3. De FE die alle in lid 1 bedoelde bescheiden en gegevens heeft verstrekt en die aan de in deze verordening gestelde eisen voldoet, wordt binnen twaalf weken na de datum van indiening van het verzoek door het register ingeschreven.

Na de registerinschrijving is geen verdere erkenning door een lidstaat vereist.

4. De door het register genomen beslissing wordt samen met de in lid 1, onder (a) en (d) tot en met (h), bedoelde informatie openbaar gemaakt.

Artikel 24

Wijzigingen in de voor de registerinschrijving ingediende bescheiden en gegevens

1. Alle wijzigingen in de in artikel 23, lid 1, bedoelde bescheiden en gegevens worden binnen veertien kalenderdagen na de dag waarop de wijziging plaatsvond aan het register gemeld door de raad van bestuur of een persoon die gemachtigd is om de FE te vertegenwoordigen.

2. Na elke statutenwijziging dient de FE de integrale tekst van de statuten, zoals laatstelijk gewijzigd, bij het register in. Elke melding van een wijziging in de bij het register ingediende gegevens gaat vergezeld van een schriftelijk bewijs dat rechtsgeldig tot de wijziging is besloten.

3. De registratie van wijzigingen in de in artikel 23, lid 4, bedoelde bescheiden en gegevens wordt openbaar gemaakt.

Artikel 25

Naam van de FE

1. De naam van de FE bevat de afkorting "FE".

2. Alleen de FE mag de afkorting "FE" in haar naam gebruiken.

Instellingen waarvan de naam de letters "FE" bevat of door de afkorting "FE" wordt gevolgd en die vóór de datum van inwerkingtreding van deze verordening in een lidstaat zijn ingeschreven, zijn evenwel niet verplicht hun naam of die afkorting te wijzigen.

Artikel 26

Aansprakelijkheid voor handelingen verricht vóór de registerinschrijving van de FE

Ten aanzien van de aansprakelijkheid voor handelingen verricht vóór de registerinschrijving van de FE, is het geldende nationale recht van toepassing.

Hoofdstuk III

Organisatie van de FE

Artikel 27

Raad van bestuur

1. De FE wordt bestuurd door een raad van bestuur bestaande uit een oneven aantal van ten minste drie leden, zoals vastgelegd in de statuten van de FE.

2. Elk bestuurslid heeft één stem bij de stemming over resoluties.

3. Tenzij in de statuten van de FE of in deze verordening anders is bepaald, worden besluiten van de raad van bestuur met meerderheid van stemmen genomen.

Artikel 28

Leden van de raad van bestuur

1. De leden van de raad van bestuur hebben volledige handelingsbevoegdheid en zijn ingevolge het nationale recht van een lidstaat of op grond van een rechterlijk of bestuurlijk bevel in een lidstaat niet onbekwaam verklaard om als bestuurslid op te treden.

2. Leden van de raad van bestuur kunnen te allen tijde terugtreden.

Een lid van de raad van bestuur treedt in ieder geval terug in een van de volgende situaties:

(a) het bestuurslid voldoet niet aan de in lid 1 vermelde eisen;

(b) het bestuurslid voldoet niet aan de eisen voor benoeming die zijn neergelegd in de oprichtingsstukken of in de statuten van de FE;

(c) het bestuurslid is door een gerecht schuldig bevonden aan een financiële onregelmatigheid;

(d) het bestuurslid heeft door zijn handelingen of nalatigheden bewezen dat hij kennelijk ongeschikt is voor het vervullen van de taken van een bestuurslid.

3. Indien de statuten van de FE daarin voorzien, kan de raad van bestuur of de raad van toezicht een lid van de raad van bestuur ontslaan op een van de in lid 2 genoemde gronden.

De toezichthoudende autoriteit kan een lid van de raad van bestuur ontslaan om de in lid 2, tweede alinea, genoemde redenen, dan wel een verzoek tot ontslag van een lid van de raad van bestuur bij de bevoegde rechter indienen wanneer het toepasselijke nationale recht zulks bepaalt.

Artikel 29

Taken van de raad van bestuur en van de bestuursleden

1. De raad van bestuur is belast met de volgende taken:

(a) de verantwoordelijkheid voor een juist beheer en bestuur en een juiste uitvoering van de activiteiten van de FE;

(b) het toezicht op de naleving van de statuten van de FE, deze verordening en het toepasselijke nationale recht.

2. De leden van de raad van bestuur houden bij hun handelen te allen tijde het belang van de FE en het doel van algemeen belang voor ogen en nemen hun loyaliteitsplicht in acht bij de uitoefening van hun verantwoordelijkheden.

Artikel 30

Directeuren

1. De raad van bestuur kan een of meer directeuren benoemen die verantwoordelijk zijn voor het dagelijks bestuur van de FE volgens zijn aanwijzingen.

De voorzitter en de meerderheid van de leden van de raad van bestuur kunnen niet ook tegelijkertijd de functie van directeur vervullen.

2. De directeuren houden bij hun handelen te allen tijde het belang van de FE en het doel van algemeen belang voor ogen en nemen hun loyaliteitsplicht in acht bij de uitoefening van hun verantwoordelijkheden.

Artikel 31

Andere organen van de FE

In de statuten van de FE kan worden voorzien in de instelling van een raad van toezicht en andere organen.

Artikel 32

Belangenconflicten

1. De oprichter en andere leden van de raad van bestuur die een zodanige zakelijke, familiale of andere band hebben met de oprichter of met elkaar dat een feitelijk of potentieel belangenconflict kan ontstaan dat de oordeelsvorming van de betrokken persoon of personen beïnvloedt, kunnen geen meerderheid van de raad van bestuur uitmaken.

2. Een persoon kan niet tegelijkertijd lid van de raad van bestuur en lid van de raad van toezicht zijn.

3. Er mag geen direct of indirect voordeel worden toegekend aan een oprichter, een lid van de raad van bestuur, een lid van de raad van toezicht, een directeur en een auditor, en evenmin aan een persoon die een zakelijke of nauwe familiale band met een of meer van genoemde personen heeft, tenzij het voordeel betrekking heeft op de uitvoering van hun taken binnen de FE.

Artikel 33

Vertegenwoordiging van de FE jegens derden

De raad van bestuur en iedere andere persoon die de raad van bestuur daartoe heeft gemachtigd en volgens zijn instructies handelt, kan de FE jegens derden en in rechte vertegenwoordigen.

Artikel 34

Transparantie en verantwoordingsplicht

1. De FE houdt een volledige en nauwkeurige administratie bij van alle financiële transacties.

2. De FE stelt elk jaar binnen zes maanden na het einde van het boekjaar de jaarrekening en een jaarlijks activiteitenverslag op en doet deze toekomen aan het bevoegde nationale register en de toezichthoudende autoriteit.

De eerste verslagperiode loopt van de datum van inschrijving van de FE in het register overeenkomstig de artikelen 21, 22 en 23 tot en met de laatste dag van het in de statuten van de FE vastgelegde boekjaar.

3. In het jaarlijkse activiteitenverslag wordt ten minste het volgende opgenomen:

(a)     informatie over de activiteiten van de FE;

(b)     een beschrijving van de wijze waarop het doel van algemeen belang waarvoor de FE is opgericht, gedurende het afgelopen boekjaar is bevorderd;

(c)     een lijst van toegekende giften, waarbij rekening wordt gehouden met het recht op privacy van de begunstigden.

4. De jaarrekening van de FE wordt gecontroleerd door een of meer personen die op grond van de nationale regels ter uitvoering van Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad bevoegd zijn tot het verrichten van wettelijke controles.

5. De door de raad van bestuur goedgekeurde jaarrekening wordt samen met de verklaring van degene die de wettelijke controle van de jaarrekening heeft verricht, en het jaarlijkse activiteitenverslag openbaar gemaakt.

Hoofdstuk IV

Statutaire zetel en zetelverplaatsing

Artikel 35

Zetel van de FE

De statutaire zetel en het hoofdbestuur of de hoofdvestiging van de FE zijn gelegen in de Europese Unie.

Artikel 36

Zetelverplaatsing

1. De FE kan haar statutaire zetel naar een andere lidstaat verplaatsen.

Een zetelverplaatsing leidt noch tot de liquidatie van de FE, noch tot de vorming van een nieuwe rechtspersoon en laat alle vóór de verplaatsing bestaande rechten en plichten onverlet.

2. De verplaatsing treedt in werking op de datum van inschrijving van de FE in het register van de lidstaat van ontvangst.

3. De FE mag haar statutaire zetel niet verplaatsen indien zij het voorwerp uitmaakt van de uitoefening van toezichtbevoegdheden neergelegd in artikel 46, lid 2, tweede alinea, indien zij in overeenstemming met artikel 40 wordt ontbonden, indien tegen haar een liquidatie-, insolventie- of soortgelijke procedure is ingeleid, of indien de verplaatsing in strijd is met de statuten van de FE dan wel de verwezenlijking van haar doel in gevaar brengt.

4. De inschrijving in het register van de lidstaat van ontvangst en de doorhaling van de inschrijving in het register van de lidstaat van herkomst worden openbaar gemaakt.

Artikel 37

Procedure voor de verplaatsing van de zetel

1. De raad van bestuur van de FE dient een voorstel tot zetelverplaatsing in bij de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst.

2. Het voorstel tot zetelverplaatsing bevat ten minste de volgende gegevens:

(a) de naam van de FE, het adres van haar statutaire zetel in de lidstaat van herkomst, de vereiste informatie over het in artikel 22, lid 1, bedoelde register en het nummer waaronder de FE in dat register is ingeschreven;

(b) de voorgenomen naam van de FE en het voorgenomen adres van de statutaire zetel van de FE in de lidstaat van ontvangst;

(c) in voorkomend geval, de gewijzigde statuten van de FE;

(d) het voorgenomen tijdschema voor de zetelverplaatsing;

(e) een verslag waarin de juridische en economische aspecten van de voorgenomen zetelverplaatsing worden toegelicht en onderbouwd en waarin de gevolgen van de zetelverplaatsing voor schuldeisers en werknemers van de FE worden toegelicht.

3. De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst verifieert of de in artikel 36, lid 3, bedoelde situaties niet bestaan en geeft onverwijld een attest af waaruit blijkt dat alle voorbereidende handelingen zijn verricht en aan alle formaliteiten is voldaan.

4. De FE dient de volgende bescheiden en gegevens in bij de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst:

(a) het in lid 3 bedoelde attest;

(b) het door de raad van bestuur goedgekeurde voorstel tot zetelverplaatsing;

(c) de in artikel 23, lid 1, bedoelde bescheiden en gegevens.

5. De bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst verifieert onverwijld of aan alle in dit hoofdstuk gestelde materiële en formele voorwaarden voor de zetelverplaatsing is voldaan en stelt het bevoegde register van de lidstaat van ontvangst van haar besluit in kennis.

De bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst kan de zetelverplaatsing alleen weigeren indien niet aan de in de vorige alinea bedoelde voorwaarden is voldaan.

6. Het bevoegde register van de lidstaat van ontvangst schrijft de FE in in het register. De bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst stelt het bevoegde register van de lidstaat van herkomst onverwijld in kennis van de inschrijving van de FE in het register van de lidstaat van ontvangst.

Het bevoegde register van de lidstaat van herkomst haalt de inschrijving van de FE onverwijld door, doch niet voordat de bovenbedoelde kennisgeving is ontvangen.

Hoofdstuk V

Rol van werknemers en vrijwilligers

Artikel 38

Vertegenwoordiging van werknemers en vrijwilligers

1. Indien het totale aantal werknemers dat binnen de Unie voor de FE en haar vestigingen werkzaam is, 50 of meer bedraagt en in elk van ten minste twee lidstaten 10 of meer bedraagt, stelt de FE een Europese ondernemingsraad in om de werknemers van de FE te vertegenwoordigen overeenkomstig het bepaalde in lid 2.

2. De FE met 200 of minder werknemers stelt een Europese ondernemingsraad in indien ten minste 20 werknemers in ten minste twee lidstaten of vertegenwoordigers van die werknemers daartoe een verzoek indienen.

De FE met meer dan 200 werknemers stelt een Europese ondernemingsraad in op verzoek van ten minste 10% van haar werknemers in ten minste twee lidstaten of vertegenwoordigers van die werknemers.

De nationale maatregelen tot omzetting van de subsidiaire voorschriften van punt 1, onder a) tot en met e), van bijlage I bij Richtlijn 2009/38/EG van het Europees Parlement en de Raad zijn van toepassing op de instelling van de Europese ondernemingsraad.

3. Vertegenwoordigers van vrijwilligers die langdurig betrokken zijn bij formele vrijwilligersactiviteiten van de FE, krijgen de status van waarnemer in de Europese ondernemingsraad.

Per lidstaat waarin ten minste 10 van dergelijke vrijwilligers actief zijn, wordt één vertegenwoordiger afgevaardigd.

Artikel 39

Voorlichting en raadpleging van werknemers en vrijwilligers

1. De werknemers en vrijwilligers van de FE worden op Unieniveau via de in artikel 38 bedoelde Europese ondernemingsraad voorgelicht en geraadpleegd over aangelegenheden in verband met de toestand, ontwikkeling, organisatie en arbeidsaspecten binnen de FE.

2. De Europese ondernemingsraad en de raad van bestuur of, in voorkomend geval, de directeuren van de FE kunnen een overeenkomst aangaan om de voorlichting en raadpleging van werknemers van de FE nader praktisch te regelen.

3. Indien geen dergelijke overeenkomst wordt gesloten of voor de aangelegenheden die niet door een dergelijke overeenkomst worden bestreken, zijn de nationale maatregelen tot omzetting van de subsidiaire voorschriften van de punten 2 tot en met 6 van bijlage I bij Richtlijn 2009/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van toepassing.

Hoofdstuk VI

Ontbinding van de FE

Artikel 40

Ontbindingsmethoden

De FE kan op een van de volgende wijzen worden ontbonden:

(a)          door omzetting van de FE in een instelling van algemeen nut naar nationaal recht op de in de artikelen 41 en 42 beschreven wijze;

(b)          door liquidatie op de in de artikelen 43 en 44 beschreven wijze.

Artikel 41

Ontbinding door omzetting

1. De FE kan worden omgezet in een instelling van algemeen nut naar nationaal recht van de lidstaat waarin de FE haar statutaire zetel heeft, mits de omzetting op grond van de statuten van de FE is toegestaan.

De omzetting kan pas twee jaar na de registerinschrijving van de FE plaatsvinden.

2. Tot de omzetting en de noodzakelijke wijzigingen van de statuten wordt besloten door de raad van bestuur van de FE.

3. De omzetting leidt noch tot de liquidatie van de instelling, noch tot de vorming van een nieuwe rechtspersoon en laat de vóór de omzetting bestaande rechten en plichten onverlet.

Artikel 42

Verzoek tot ontbinding door omzetting

1. De FE dient een gedetailleerd verzoek tot ontbinding door omzetting in bij de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar zij haar statutaire zetel heeft, een en ander met inachtneming van het recht van de betrokken lidstaat.

2. Het verzoek tot ontbinding door omzetting bevat het in artikel 41, lid 2, bedoelde besluit van de raad van bestuur van de FE, de naam en het adres van de statutaire zetel van de omgezette FE, alsmede de voorgenomen naam, het voorgenomen adres en de statuten van de nieuwe instelling van algemeen nut en de vormen van bescherming van de rechten van de werknemers van de omgezette FE.

3. Indien het verzoek tot ontbinding door omzetting door de bevoegde autoriteit wordt goedgekeurd, wordt het verzoek doorgestuurd naar het register en, in voorkomend geval, naar de autoriteit die voor de registerinschrijving van de nieuwe instelling van algemeen nut verantwoordelijk is.

4. Na ontvangst van het goedgekeurde verzoek tot ontbinding door omzetting wordt de registerinschrijving van de FE onverwijld doorgehaald, mits de juridische oprichting van de nieuwe instelling van algemeen nut is voltooid.

5. De omzetting treedt in werking op de datum waarop de inschrijving van de FE in het bevoegde register is doorgehaald.

De omzetting wordt openbaar gemaakt.

Artikel 43

Besluit tot liquidatie

1. De raad van bestuur van de FE kan in één van onderstaande situaties besluiten tot liquidatie van de FE:

(a)     het doel van de FE is verwezenlijkt of kan niet worden verwezenlijkt;

(b)     de termijn waarvoor de FE is opgericht, is verstreken;

(c)     de FE heeft geen activa meer.

De raad van bestuur legt zijn besluit tot liquidatie van de FE ter goedkeuring voor aan de toezichthoudende autoriteit.

2. De toezichthoudende autoriteit kan, na de raad van bestuur van de FE te hebben gehoord, besluiten tot liquidatie van de FE dan wel, indien het toepasselijke nationale recht zulks bepaalt, een verzoek tot liquidatie van de FE voorleggen aan de bevoegde rechter indien:

(a) de raad van bestuur heeft nagelaten te handelen in één van de in lid 1 bedoelde situaties;

(b) de FE voortdurend handelt in strijd met haar statuten, deze verordening of het toepasselijke nationale recht.

Artikel 44

Liquidatie

1. Nadat de toezichthoudende autoriteit het in artikel 43, lid 1, tweede alinea, bedoelde besluit van de raad van bestuur heeft goedgekeurd, dan wel wanneer de toezichthoudende autoriteit of, in voorkomend geval, de rechter tot liquidatie van de FE heeft besloten, worden de activa van de FE overeenkomstig lid 2 van dit artikel aangewend.

2. Eventuele overblijvende activa nadat de schuldeisers van de FE volledig zijn terugbetaald, worden ofwel overgedragen aan een andere instelling van algemeen nut met een vergelijkbaar doel, ofwel aangewend voor een doel van algemeen belang dat het doel waarvoor de FE is opgericht, zo dicht mogelijk benadert.

3. De eindafrekening tot de datum waarop de liquidatie in werking treedt, wordt door de raad van bestuur of door de voor de afwikkeling verantwoordelijke liquidateur samen met een verslag met de gegevens over de verdeling van het liquidatiesaldo aan de toezichthoudende autoriteit toegezonden. Deze documenten worden openbaar gemaakt.

Hoofdstuk VII

Toezicht door de lidstaat

Artikel 45

Toezichthoudende autoriteit

Elke lidstaat wijst een toezichthoudende autoriteit aan die is belast met het toezicht op de FE's die in de lidstaat in het register zijn ingeschreven, en stelt de Commissie daarvan in kennis.

Artikel 46

Taken en bevoegdheden van de toezichthoudende autoriteit

1. De toezichthoudende autoriteit draagt er zorg voor dat de raad van bestuur handelt in overeenstemming met de statuten van de FE, deze verordening en het toepasselijke nationale recht.

2. De toezichthoudende autoriteit is bevoegd goedkeuring te verlenen aan wijzigingen in de in artikel 20, lid 4, bedoelde doelomschrijving van de FE en aan de liquidatie van de FE overeenkomstig artikel 43, lid 1, tweede alinea.

Voor de toepassing van lid 1 beschikt de toezichthoudende autoriteit ten minste over de volgende bevoegdheden:

(a) indien de toezichthoudende autoriteit gegronde redenen heeft om aan te nemen dat de raad van bestuur van de FE in strijd met de statuten van de FE, deze verordening of het toepasselijke nationale recht handelt, is zij bevoegd om een onderzoek in te stellen naar de gang van zaken binnen de FE en in dat verband van de directeuren en werknemers van de FE alsook de auditor(s) ervan te verlangen dat zij haar alle nodige informatie en bewijsstukken bezorgen;

(b) indien er bewijs is van financiële onregelmatigheden, ernstig wanbestuur of misbruik, is de toezichthoudende autoriteit bevoegd om een onafhankelijke deskundige te benoemen die op kosten van de FE een onderzoek naar de gang van zaken binnen de FE instelt;

(c) indien er bewijs is dat de raad van bestuur in strijd met de statuten van de FE, deze verordening of het toepasselijke nationale recht heeft gehandeld, is de toezichthoudende autoriteit bevoegd om waarschuwingen aan de raad van bestuur te geven en de raad van bestuur te gelasten zich naar de statuten van de FE, deze verordening en het toepasselijke nationale recht te voegen;

(d) de toezichthoudende autoriteit is bevoegd een lid van de raad van bestuur te ontslaan dan wel, indien het toepasselijke nationale recht daarin voorziet, een verzoek tot ontslag bij de bevoegde rechter in te dienen overeenkomstig artikel 28, lid 3, tweede alinea;

(e) de toezichthoudende autoriteit is bevoegd te besluiten tot liquidatie van de FE dan wel, indien het toepasselijke nationale recht daarin voorziet, een verzoek tot liquidatie van de FE bij de bevoegde rechter in te dienen overeenkomstig artikel 43, lid 2.

3. Niettegenstaande lid 2 is de toezichthoudende autoriteit niet bevoegd om in het bestuur van de FE in te grijpen.

Artikel 47

Samenwerking tussen toezichthoudende autoriteiten

1. Met het oog op de uitoefening van de toezichtbevoegdheden en het nemen van de noodzakelijke maatregelen uit hoofde van artikel 46 werken de toezichthoudende autoriteit van de lidstaat waar de FE haar statutaire zetel heeft, en de toezichthoudende autoriteiten van de lidstaten waarin de FE haar activiteiten uitoefent, met elkaar samen.

2. De toezichthoudende autoriteiten verstrekken elkaar alle dienstige informatie in geval van inbreuken of vermoedelijke inbreuken door de FE op haar statuten, deze verordening of het toepasselijke nationale recht.

3. Op verzoek van de toezichthoudende autoriteit van de lidstaat waar de FE haar activiteiten uitoefent, onderzoekt de toezichthoudende autoriteit van de lidstaat waar de FE haar statutaire zetel heeft, vermoedelijke inbreuken door de betrokken FE.

De aangezochte toezichthoudende autoriteit stelt de verzoekende toezichthoudende autoriteit in kennis van de conclusies die zij heeft getrokken uit de informatie waarover zij beschikt, alsook van de eventueel genomen maatregelen.

Artikel 48

Samenwerking met belastingdiensten

1. De toezichthoudende autoriteit van de lidstaat waar de FE haar statutaire zetel heeft, stelt de belastingdiensten van die lidstaat in kennis zodra zij een onderzoek start naar vermoede onregelmatigheden op grond van artikel 46, lid 2, tweede alinea, onder (a), of als zij een onafhankelijke deskundige benoemt op grond van artikel 46, lid 2, tweede alinea, onder (b).

2. Zij stelt de belastingdiensten tevens in kennis van de voortgang en de uitkomst van een dergelijk onderzoek, alsmede van eventueel gegeven waarschuwingen of opgelegde sancties.

3. Zowel het register als de toezichthoudende autoriteit van de lidstaat waar de FE haar statutaire zetel heeft, verschaft desgevraagd alle bescheiden en gegevens betreffende de FE aan de belastingdiensten van een lidstaat.

Hoofdstuk VIII

Fiscale behandeling

Artikel 49

Fiscale behandeling van de FE

1. In de lidstaat waar de FE haar statutaire zetel heeft, geniet zij dezelfde fiscale behandeling als de instellingen van algemeen nut die in die lidstaat gevestigd zijn, wat de inkomsten- en vermogenswinstbelasting, de schenkings- en successierechten, de onroerendgoedbelasting, de overdrachtsbelasting, de registratiebelasting, de zegelrechten en soortgelijke belastingen betreft.

2. Wat de in lid 1 bedoelde belastingen betreft, geniet de FE in de andere lidstaten dan die waar zij haar statutaire zetel heeft, dezelfde fiscale behandeling als de instellingen van algemeen nut die in de betrokken lidstaten gevestigd zijn.

3. Voor de toepassing van de leden 1 en 2 wordt de FE aangemerkt als gelijkwaardig aan een instelling van algemeen nut die krachtens het recht van de betrokken lidstaten is opgericht.

Artikel 50

Fiscale behandeling van donoren van de FE

1. Natuurlijke of rechtspersonen die op nationaal of grensoverschrijdend niveau een donatie doen aan de FE, genieten dezelfde fiscale behandeling als die welke geldt voor donaties die worden gedaan aan instellingen van algemeen nut die zijn gevestigd in de lidstaat waar de donor belastingplichtig is, wat de inkomstenbelasting, de schenkingsrechten, de overdrachtsbelasting, de registratiebelasting, de zegelrechten en soortgelijke belastingen betreft.

2. Voor de toepassing van lid 1 wordt de FE die de donatie ontvangt, aangemerkt als gelijkwaardig aan een instelling van algemeen nut die is opgericht overeenkomstig het recht van de lidstaat waar de donor belastingplichtig is.

Artikel 51

Fiscale behandeling van begunstigden van de FE

Wat ontvangen giften of andere voordelen betreft, worden begunstigden van de FE behandeld alsof zij die giften en andere voordelen hadden ontvangen van een instelling van algemeen nut die is gevestigd in de lidstaat waar de begunstigde belastingplichtig is.

Hoofdstuk IX

Slotbepalingen

Artikel 52

Daadwerkelijke toepassing

De lidstaten treffen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze verordening uiterlijk twee jaar na de datum van inwerkingtreding ervan daadwerkelijk wordt toegepast.

Artikel 53

Sancties

De lidstaten stellen voorschriften vast inzake de sancties die van toepassing zijn op inbreuken op de bepalingen van deze verordening en nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze worden toegepast. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk [twee jaar na de inwerkingtreding van deze verordening] van deze voorschriften in kennis en delen haar onverwijld alle latere wijzigingen daarvan mee.

Artikel 54

Evaluatie van de verordening

Uiterlijk zeven jaar na de inwerkingtreding van deze verordening brengt de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement verslag uit over de toepassing van de verordening en stelt zij in voorkomend geval wijzigingen voor.

Artikel 55

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van [twee jaar na de inwerkingtreding van deze verordening].

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, op 8.2.2012

                                                                       Voor de Raad

                                                                       De Voorzitter

[1]               COM(2010) 2020.

[2]               COM(2011) 206.

[3]               COM(2010) 603.

[4]               COM(2011) 682.

[5]               Resolutie van het Europees Parlement van 6 april 2011 over een interne markt voor Europeanen (2010/2278(INI)); schriftelijke verklaring 84/210; resolutie van het Europees Parlement van 19 februari 2009 over de sociale economie (2008/2250(INI)); en resolutie van het Europees Parlement van 4 juli 2006 over recente ontwikkelingen en vooruitzichten in het vennootschapsrecht (2006/2051(INI)).

[6]               INT/498 - CESE 634/2010 - april 2010.

[7]               CdR 330/2010 definitief.

[8]               Zie Verordening (EG) nr. 1524/2007 van 18 december 2007 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2004/2003 van 4 november 2003 betreffende het statuut en de financiering van politieke partijen op Europees niveau.

[9]               Zie het Werkprogramma van de Commissie voor 2012, punt nr. 76.

[10]             Zie: http://ec.europa.eu/internal_market/company/docs/eufoundation/feasibilitystudy_en.pdf, hierna de "haalbaarheidsstudie" genoemd.

[11]             De Company Law Expert Group (CLEG), een groep van deskundigen op het gebied van het vennootschapsrecht, bestaat uit vertegenwoordigers van de nationale overheden die drie keer per jaar bijeenkomen onder voorzitterschap van DG Interne markt en diensten.

[12]             Zaak C-436/03, Europees Parlement/Raad van de Europese Unie.

[13]             PB C , , blz. .

[14]             PB C , , blz. .

[15]             PB C , , blz. .

[16]             2010/2278(INI).

[17]             2008/2250(INI).

[18]             2006/2051(INI).

[19]             Schriftelijke verklaring 84/2010, P7_DCL(2010)0084.

[20]             INT/498 - CESE 634/2010 - april 2010.

[21]             CdR 330/2010 definitief.

[22]             PB L 157 van 9.6.2006, blz. 87.

[23]             PB L 122 van 16.5.2009, blz. 28.

[24]             PB L 297 van 15.11.2003, blz. 1.