11.3.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 72/64


Vrijdag 26 oktober 2012
Het Europees semester voor economische beleidscoördinatie: uitvoering van de prioriteiten voor 2012

P7_TA(2012)0408

Resolutie van het Europees Parlement van 26 oktober 2012 over het Europees semester voor economische beleidscoördinatie: uitvoering van de prioriteiten voor 2012 (2012/2150 (INI))

2014/C 72 E/09

Het Europees Parlement,

gezien zijn resolutie van 1 december 2011 over het Europees Semester voor economische beleidscoördinatie (1),

gezien de conclusies van de Europese Raad van 28 en 29 juni 2012,

gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 136 juncto artikel 121, lid 2, daarvan,

gezien Verordening (EU) nr. 1175/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid (2),

gezien Richtlijn 2011/85/EU van de Raad van 8 november 2011 tot vaststelling van voorschriften voor de begrotingskaders van de lidstaten (3),

gezien Verordening (EU) nr. 1174/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende handhavingsmaatregelen voor de correctie van buitensporige macro-economische onevenwichtigheden in het eurogebied (4),

gezien Verordening (EU) nr. 1177/2011 van de Raad van 8 november 2011 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1467/97 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten (5),

gezien Verordening (EU) nr. 1176/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende de preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden (6),

gezien Verordening (EU) nr. 1173/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 inzake de effectieve handhaving van het begrotingstoezicht in het eurogebied (7),

gezien zijn resolutie van 15 december 2011 over het scorebord voor het toezicht op macro-economische onevenwichtigheden: geplande initiële opzet (8),

gezien Bijlage I bij de conclusies van de Europese Raad van 24-25 maart 2011 met als titel "Euro Plus-pact: een betere coördinatie van het economische beleid met het oog op meer concurrentiekracht en convergentie" (9),

gezien de mededeling van de Commissie van 23 november 2011 over de jaarlijkse groeianalyse 2012 (COM(2011)0815),

gezien zijn resolutie van 15 februari 2012 over de bijdrage aan de jaarlijkse groeianalyse 2012 (10),

gezien de aanbeveling van de Raad van 10 juli 2012 inzake de uitvoering van de globale richtsnoeren voor het economisch beleid van de lidstaten die de euro als munt hebben (11),

gezien de aanbeveling van de Raad van 10 juli 2012 over het nationale hervormingsprogramma 2012 van Oostenrijk en met een advies van de Raad over het stabiliteitsprogramma van Oostenrijk voor de periode 2011-2016 (12),

gezien de aanbeveling van de Raad van 10 juli 2012 over het nationale hervormingsprogramma 2012 van België en met een advies van de Raad over het stabiliteitsprogramma van België voor de periode 2012-2015 (13),

gezien de aanbeveling van de Raad van 10 juli 2012 over het nationale hervormingsprogramma 2012 van Bulgarije met een advies van de Raad over het convergentieprogramma van Bulgarije voor de periode 2012-2015 (14),

gezien de aanbeveling van de Raad van 10 juli 2012 over het nationale hervormingsprogramma 2012 van Cyprus met een advies van de Raad over het stabiliteitsprogramma van Cyprus voor de periode 2012-2015 (15),

gezien de aanbeveling van de Raad van 10 juli 2012 over het nationale hervormingsprogramma 2012 van Tsjechië, met een advies van de Raad over het convergentieprogramma van Tsjechië voor de periode 2012-2015 (16),

gezien de aanbeveling van de Raad van 10 juli 2012 over het nationale hervormingsprogramma 2012 van Denemarken met een advies van de Raad over het convergentieprogramma van Denemarken voor de periode 2012-2015 (17),

gezien de aanbeveling van de Raad van 10 juli 2012 over het nationale hervormingsprogramma 2012 van Estland met een advies van de Raad over het stabiliteitsprogramma van Estland voor de periode 2012-2015 (18),

gezien de aanbeveling van de Raad van 10 juli 2012 over het nationale hervormingsprogramma 2012 van Finland met een advies van de Raad over het stabiliteitsprogramma van Finland voor de periode 2012-2015 (19),

gezien de aanbeveling van de Raad van 10 juli 2012 over het nationale hervormingsprogramma 2012 van Frankrijk met een advies van de Raad over het stabiliteitsprogramma van Frankrijk voor de periode 2012-2016 (20),

gezien de aanbeveling van de Raad van 10 juli 2012 over het nationale hervormingsprogramma 2012 van Duitsland met een advies van de Raad over het stabiliteitsprogramma van Duitsland voor de periode 2012-2016 (21),

gezien de aanbeveling van de Raad van 10 juli 2012 over het nationale hervormingsprogramma 2012 van Griekenland (22),

gezien de aanbeveling van de Raad van 10 juli 2012 over het nationale hervormingsprogramma 2012 van Hongarije met een advies van de Raad over het convergentieprogramma van Hongarije voor de periode 2012-2015 (23),

gezien de aanbeveling van de Raad van 10 juli 2012 over het nationale hervormingsprogramma 2012 van Ierland met een advies van de Raad over het stabiliteitsprogramma van Ierland voor de periode 2012-2015 (24),

gezien de aanbeveling van de Raad van 10 juli 2012 over het nationale hervormingsprogramma 2012 van Italië met een advies van de Raad over het stabiliteitsprogramma van Italië voor de periode 2012-2015 (25),

gezien de aanbeveling van de Raad van 10 juli 2012 over het nationale hervormingsprogramma 2012 van Letland met een advies van de Raad over het convergentieprogramma van Letland voor de periode 2012-2015 (26),

gezien de aanbeveling van de Raad van 10 juli 2012 over het nationale hervormingsprogramma 2012 van Litouwen met een advies van de Raad over het convergentieprogramma van Litouwen voor de periode 2012-2015 (27),

gezien de aanbeveling van de Raad van 10 juli 2012 over het nationale hervormingsprogramma 2012 van Luxemburg met een advies van de Raad over het stabiliteitsprogramma van Luxemburg voor de periode 2012-2015 (28),

gezien de aanbeveling van de Raad van 10 juli 2012 over het nationale hervormingsprogramma 2012 van Malta met een advies van de Raad over het stabiliteitsprogramma van Malta voor de periode 2012-2015 (29),

gezien de aanbeveling van de Raad van 10 juli 2012 over het nationale hervormingsprogramma voor 2012 van Nederland, met een advies van de Raad over het stabiliteitsprogramma van Nederland voor de periode 2012-2015 (30),

gezien de aanbeveling van de Raad van 10 juli 2012 over het nationale hervormingsprogramma 2012 van Polen met een advies van de Raad over het convergentieprogramma van Polen voor de periode 2012-2015 (31),

gezien de aanbeveling van de Raad van 10 juli 2012 over het nationale hervormingsprogramma 2012 van Portugal met een advies van de Raad over het stabiliteitsprogramma van Portugal voor de periode 2012-2016 (32),

gezien de aanbeveling van de Raad van 10 juli 2012 over het nationale hervormingsprogramma 2012 van Roemenië met een advies van de Raad over het convergentieprogramma van Roemenië voor de periode 2012-2015 (33),

gezien de aanbeveling van de Raad van 10 juli 2012 over het nationale hervormingsprogramma 2012 van Slowakije met een advies van de Raad over het stabiliteitsprogramma van Slowakije voor de periode 2012-2015 (34),

gezien de aanbeveling van de Raad van 10 juli 2012 over het nationale hervormingsprogramma 2012 van Slovenië met een advies van de Raad over het stabiliteitsprogramma van Slovenië voor de periode 2012-2015 (35),

gezien de aanbeveling van de Raad van 10 juli 2012 over het nationale hervormingsprogramma 2012 van Spanje met een advies van de Raad over het stabiliteitsprogramma van Spanje voor de periode 2012-2015 (36),

gezien de aanbeveling van de Raad van 10 juli 2012 over het nationale hervormingsprogramma 2012 van Zweden met een advies van de Raad over het convergentieprogramma van Zweden voor de periode 2012-2015 (37),

gezien de aanbeveling van de Raad van 10 juli 2012 over het nationale hervormingsprogramma voor 2012 van het Verenigd Koninkrijk met een advies van de Raad over het convergentieprogramma van het Verenigd Koninkrijk voor de periode 2012-2017 (38),

gezien zijn resolutie van 14 juni 2012 over de toekomst van de Single Market Act (39),

gezien zijn resolutie van 20 mei 2010 over het verwezenlijken van een interne markt voor consumenten en burgers (40),

gezien artikel 48 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en de adviezen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Begrotingscommissie, de Commissie interne markt en consumentenbescherming, de Commissie constitutionele zaken en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A7-0312/2012),

A.

overwegende dat de economische, sociale, financiële en overheidsschuldencrises nog niet zijn verminderd;

B.

overwegende dat de huidige economische toestand heeft aangetoond dat een betere coördinatie tussen het macro-economisch en begrotingsbeleid van de lidstaten noodzakelijk is om een beter geïntegreerde en evenwichtiger economische unie te verwezenlijken;

C.

overwegende dat de economische context onzeker blijft en overwegende dat de lidstaten zich in 2010 aan de Europa 2020-doelstellingen voor de ontwikkeling van een slimme, duurzame en inclusieve EU-economie hebben verbonden; overwegende dat de EU echter niet op schema ligt met de verwezenlijking van de Europa 2020-doelstellingen, aangezien de gecombineerde nationale doelstellingen te laag zijn en de genomen maatregelen voor wat bijna alle doelstellingen betreft, met name die met betrekking tot energie-efficiëntie, werkgelegenheid, armoedebestrijding en onderzoek en ontwikkeling, niet tot aanzienlijke vooruitgang hebben geleid;

D.

overwegende dat het kader van het Europees semester uiteindelijk is vastgelegd in Verordening (EU) nr. 1175/2011 van 16 november 2011 (het verslag-Wortmann-Kool) en dat dit kader als een van de hoekstenen van het economisch en governancepakket van essentieel belang is om de Unie door de volgende stappen van de voltooiing van de economische en monetaire unie (EMU) heen te loodsen;

E.

overwegende dat de crisis en de toename van de verschillen in concurrentievermogen sinds de invoering van de euro duidelijk hebben gemaakt dat een betere coördinatie van het economisch en werkgelegenheidsbeleid en een verbetering van de begrotingsprocedures noodzakelijk zijn;

F.

overwegende dat het Europees semester voor het eerst volledig is uitgevoerd en dat hieruit lering moet worden getrokken om het volledige potentieel ervan te benutten;

G.

overwegende dat de Europese Raad zich er nadrukkelijk toe heeft verbonden op elk governanceniveau in de EU alle hefbomen, instrumenten en beleidsregels te mobiliseren om slimme, duurzame, inclusieve, hulpbronnenefficiënte en banenscheppende groei te stimuleren door het pact voor groei en banen goed te keuren;

H.

overwegende dat in de conclusies van de Raad van Europa van 30 januari 2012 het volgende wordt verklaard: 'Groei en werkgelegenheid zullen pas weer opbloeien als we een consequente aanpak volgen die steunt op een brede basis, die een combinatie is van een slimme begrotingsconsolidatie die blijft investeren in toekomstige groei, van gezond macro-economisch beleid en van een actieve werkgelegenheidsstrategie die de sociale cohesie in stand houdt', en overwegende dat de EU de lidstaten dient te ondersteunen bij het creëren van een dynamische omgeving voor economische groei en welvaart via duurzaam beleid;

I.

overwegende dat het Parlement in zijn resolutie van 15 februari 2012 aanbevelingen heeft gedaan inzake werkgelegenheid en sociale aspecten in de jaarlijkse groeianalyse 2012 (41), waarin het de Raad heeft verzocht de volgende prioriteiten op te nemen in zijn advies voor het Europees semester 2012: waarborgen van samenhang en vergroten van de ambitie om de Europa 2020-doelstellingen te behalen, steunen van het scheppen van duurzame werkgelegenheid via investeringen en belastinghervorming, verbeteren van de kwaliteit van werkgelegenheid en voorwaarden voor verhoogde arbeidsparticipatie, aanpakken van jeugdwerkloosheid, aanpakken van armoede en maatschappelijke uitsluiting met de nadruk op groepen met geen of beperkte aansluiting op de arbeidsmarkt en versterken van democratische legitimiteit, verantwoording en betrokkenheid;

J.

overwegende dat het Europees semester aan belang heeft gewonnen en het proces ervan nu diverse door de lidstaten in te dienen documenten of subdocumenten omvat (nationale hervormingsprogramma's (NHP's), stabiliteits- en convergentieprogramma's (SCP's), nationale sociale rapporten (NSR's) en nationale banenplannen), en overwegende dat in deze documenten een toenemend aantal doelstellingen moet worden aangepakt; overwegende dat de hoeveelheid documenten evenals de overlapping ertussen de transparantie en samenhang van het proces van het Europees semester doen afnemen; overwegende dat de kwaliteit van de door de lidstaten ingediende documenten en het niveau van betrokkenheid van belanghebbenden en nationale parlementen bij de opstelling ervan sterk variëren;

K.

overwegende dat het werkloosheidspercentage van de EU-27 tussen 2008 en halverwege 2012 is toegenomen van circa 7 % tot 10,4 %, wat neerkomt op circa 25 miljoen personen zonder werk;

L.

overwegende dat meer dan een op de vijf jongeren in de EU geen werk heeft (22 %) en een aantal lidstaten kampt met een jeugdwerkloosheidspercentage van meer dan 50 %;

M.

overwegende dat 8,3 miljoen Europeanen jonger dan 25 jaar geen onderwijs genieten, noch een opleiding volgen of werken (NEET) en overwegende dat deze cijfers nog steeds toenemen;

N.

overwegende dat meer dan 115 miljoen mensen in de EU-27 met sociale uitsluiting worden bedreigd, omdat zij een hoog risico op armoede lopen, ernstig materieel gedepriveerd zijn of in huishoudens met een zeer lage arbeidsparticipatie leven;

O.

overwegende dat de interne markt nu meer dan ooit nodig is als middel om de Europese economie nieuw leven in te blazen door een concreet antwoord op de crisis te bieden en als instrument om het concurrentievermogen te bevorderen en de sociale voorzieningen in stand te houden;

1.

verheugt zich over de landenspecifieke aanbevelingen van de Raad voor het eurogebied; herinnert eraan dat die aanbevelingen wegens de uitvoering van het nieuwe economische en governancepakket voor het eerst een macro-economisch scenario omvatten voor het gehele eurogebied en merkt op dat ze gedetailleerder zijn dan ooit; is van oordeel dat de aanbevelingen hun volledige potentieel nog niet hebben bereikt;

2.

herinnert eraan dat het Europees semester het juiste kader is voor de effectieve economische en governancestructuur voor de lidstaten van het eurogebied die verbonden worden door een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid, waarin het multilaterale toezicht op het begrotings- en macro-economisch beleid en de uitvoering van de Europese strategie voor groei en werkgelegenheid die zijn opgenomen in de EU 2020-strategie, worden verenigd;

3.

maakt zich zorgen over het feit dat in vele lidstaten de nationale parlementen, de sociale partners en het maatschappelijk middenveld niet betrokken waren bij het proces van het Europees semester; dringt er daarom bij de Commissie op aan om ervoor te zorgen dat het proces een grotere democratische legitimiteit verkrijgt door de nationale parlementen, de sociale partners en het maatschappelijk middenveld erbij te betrekken;

4.

dringt er bij de Commissie op aan geen standaardaanpak toe te passen op de aanbevelingen aan de lidstaten en ervoor te zorgen dat dergelijke aanbevelingen worden gedaan volgens de specifieke behoeften van de betrokken lidstaat;

5.

herinnert eraan dat het Europees semester de noodzakelijke controle en coördinatie ex ante in de context van het eurogebied mogelijk maakt, zowel via het uitwisselen van ontwerpbegrotingsplannen als via het vooraf bespreken van alle belangrijke voorgenomen economische beleidshervormingen, wat het mogelijk maakt mogelijke negatieve overloopeffecten als gevolg van nationale maatregelen op andere landen of op het eurogebied als geheel terug te dringen en/of te elimineren;

6.

verheugt zich over de maatregelen die zijn voorgesteld en is van oordeel dat deze maatregelen geleidelijk moeten worden verbeterd om gezonde en duurzame overheidsfinanciën te realiseren, de macro-economische onevenwichtigheden te minimaliseren en de concurrentiekracht te versterken, en uiteindelijk zullen leiden tot meer groei en werkgelegenheid; beklemtoont dat het noodzakelijk is om voor een goede samenhang binnen en tussen de aanbevelingen van de lidstaten te zorgen, beter gebruik te maken van het macro-economisch scorebord en de negatieve overloopeffecten van het economisch beleid van de afzonderlijke lidstaten in aanmerking te nemen;

7.

wijst erop dat de Commissie erop aandringt om groei- en concurrentiebevorderende structurele hervormingen voor Europa door te voeren teneinde de crisis aan te pakken en Europa's vooraanstaande plaats in de wereldeconomie terug te krijgen; steunt nadrukkelijk de inspanningen van de Commissie om de macro-economische onevenwichtigheden in het eurogebied te corrigeren; verzoekt de Commissie om deze werkzaamheden nog te intensiveren;

8.

ziet uit naar de specifieke studie van de Commissie over de verhoudingen tussen tekorten en overschotten in het eurogebied die in het najaar 2012 klaar moet zijn;

9.

is ingenomen met de nadruk die wordt gelegd op programma's op het gebied van hulpbronnenefficiëntie, die een aanzienlijk werkgelegenheidspotentieel hebben, gunstig voor het milieu zijn, duurzame banen opleveren en voor zowel openbare als private financiering een duidelijk rendement op investeringen bieden;

10.

merkt op dat de structurele hervormingen zijn toegespitst op een klein aantal gebieden, zoals de arbeidsmarkten (met inbegrip van de loonvorming), het belastingssysteem, de banksector, de pensioensstelsels, de dienstensector (door opheffing van ongerechtvaardigde beperkingen inzake gereglementeerde sectoren en beroepen), de liberalisering van bepaalde industrietakken, de verhoging van de efficiëntie en kwaliteit van overheidsuitgaven, de vermindering van de bureaucratie, het schrappen van onnodige bestuursniveaus, de bestrijding van belastingontduiking en de hervorming van de hypotheek- en onroerendgoedmarkt; erkent dat er nog een lange weg moet worden afgelegd en is van oordeel dat de juiste fundamenten moeten worden gelegd en dat er nog steeds ruimte is voor verbetering;

11.

spreekt haar bezorgdheid uit over het feit dat de lidstaten met een programma voor financiële bijstand geen aanbevelingen inzake de EU 2020-doelstellingen hebben ontvangen; verzoekt de Commissie de gevolgen van de economische aanpassingsprogramma's op de vorderingen in de richting van de Europa 2020-kerndoelstellingen te beoordelen en wijzigingen voor te stellen om het aanpassingsprogramma in overeenstemming te brengen met de Europa 2020-doelstellingen;

12.

stemt ermee in dat de Commissie de nadruk legt op hervormingen van de arbeidsmarkt als middel om het concurrentievermogen van het eurogebied te vergroten; is van mening dat loonsverhogingen in overeenstemming moeten zijn met de productiviteit; stemt er eveneens mee in dat de Commissie zoveel belang hecht aan de houdbaarheid op de lange termijn van de pensioensstelsels;

13.

vraagt de Commissie om in haar aanbevelingen explicieter, diepgaander en coherenter te zijn, toezicht te blijven houden op de in het verleden gedane aanbevelingen, onder meer door middel van een gedetailleerde verklaring voor en beoordeling van die gevallen waarin een land volgens de Commissie de aanbevelingen maar deels heeft opgevolgd, en ten volle rekening te houden met de specifieke economische en sociale omstandigheden van elke lidstaat; is van mening dat de Commissie aanbevelingen moet doen aan de lidstaten over de manier waarop zij de overloopeffecten van hun binnenlands beleid kunnen beperken en de naleving voor andere lidstaten kunnen vergemakkelijken;

14.

merkt op dat de Commissie er in de landenspecifieke aanbevelingen voor dit jaar bij een aantal lidstaten op aandringt dat zij hun nationale systemen voor loonvorming herstructureren en/of de nationale loonniveaus verlagen; benadrukt dat de autonomie van de sociale partners essentieel is voor een goede werking van de arbeidsmarkt en dat deze autonomie in acht moet worden genomen;

15.

herhaalt dat de Commissie in de unieke positie verkeert om een werkelijk gedetailleerd Europees macro-economisch plan op te stellen om de groei en de werkgelegenheid te versterken en dringt er bij de Commissie op aan aanpassingen van specifieke aanbevelingen mogelijk te maken wanneer blijkt dat deze ontoereikend zijn om de omschreven doelstellingen te bereiken; is van oordeel dat de Commissie met het oog op het nastreven van een dergelijk plan moet voorstellen dat de Europese fondsen zo doeltreffend mogelijk worden ingezet en moet zoeken naar manieren om deze aan te passen aan de huidige behoeften van de EU, hetgeen adequate financiering vereist;

16.

benadrukt dat het met het oog op de vergroting van de efficiëntie van het proces noodzakelijk is dat het tijdschema voor de publicatie van de jaarlijkse groeianalyse (dat gericht is op de EU-27 als geheel) en het waarschuwingsmechanismeverslag, dat wordt geïntroduceerd door het "six-pack" (dat alleen gericht is op bepaalde lidstaten), wordt geharmoniseerd;

17.

onderstreept het feit dat de jaarlijkse groeianalyse gebaseerd is op de prognoses die de Commissie in het najaar heeft opgesteld; benadrukt daarom dat het noodzakelijk is rekening te houden met potentiële prognosefouten, aangezien deze gevolgen kunnen hebben voor de begrotingsaanpassing die van de lidstaten wordt verlangd;

18.

wijst erop dat structurele hervormingen alleen op middellange tot lange termijn vruchten kunnen afwerpen en niet noodzakelijkerwijs een oplossing op zich vormen voor de recessiespiraal waarin de EU zich momenteel bevindt;

19.

verzoekt de Commissie de EU 2020-strategie – onder meer beleidsmaatregelen ter bestrijding van de jeugdwerkloosheid en de armoede – in het Europees semester op te nemen en ervoor te zorgen dat deze strategie beter tot uiting komt in de landenspecifieke aanbevelingen; stelt vast dat er in vele landen weinig tot geen vooruitgang wordt geboekt bij het bereiken van de sociale en milieudoelstellingen van de EU 2020-strategie, wat betekent dat de EU als geheel niet goed op weg is om de EU 2020-doelstellingen te halen;

20.

is ingenomen met het belangrijke initiatief van de Commissie van 27 juni 2012 om de strijd tegen belastingfraude en -ontduiking te intensiveren; beklemtoont dat de extra inspanningen op dit gebied – zowel op nationaal en EU-niveau als ten opzichte van derde landen – een essentieel onderdeel moeten zijn van programma's die gericht zijn op de consolidatie van de openbare financiën; vindt het wenselijk dat het verhoogde ambitieniveau dat uit het initiatief blijkt volledig wordt verwezenlijkt in toekomstige wetsvoorstellen en duidelijk tot uiting komt in de lopende werkzaamheden in het kader van het Europees semester;

21.

moedigt de lidstaten aan de door het "six-pack" gewijzigde regels van het stabiliteits- en groeipact nauwgezet te volgen door een gedifferentieerde groeivriendelijke fiscale consolidatie na te streven, rekening houdend met landenspecifieke omstandigheden, hun overheidsfinanciën meer veerkracht te geven, ervoor te zorgen dat de Europese economie duurzamer wordt en de druk vanuit de banksector te doen afnemen; is een overtuigd voorstander van een versterking van de duurzaamheid van de begrotingsdiscipline en begrotingsinstellingen, zowel op nationaal als op subnationaal niveau, en vindt dat overheidsuitgaven meer gericht moeten worden op langetermijninvesteringen, die duurzame groei zouden bevorderen; verzoekt de lidstaten ongewenste negatieve overloopeffecten te vermijden door naleving door andere lidstaten te vergemakkelijken, met name rekening houdend met de aanbevelingen die worden gedaan aan andere lidstaten bij het opstellen van hun eigen beleid;

22.

verheugt zich erover dat de procedures bij buitensporige tekorten voor enkele lidstaten zijn beëindigd; hoopt dat in de nabije toekomst meer zulke procedures kunnen worden stopgezet; dringt er bij alle politieke leiders op aan dergelijke inspanningen te verrichten en hun verplichtingen na te komen en daarbij naar behoren rekening te houden met de macro-economische context;

23.

erkent dat van alle Europese burgers de afgelopen jaren bijzonder grote inspanningen zijn gevraagd;

24.

roept alle betrokken partijen op spoedig tot een vergelijk te komen over het "two-pack" om de huidige wetgeving die volgens de medebeslissingsprocedure werd aangenomen, aan te vullen;

25.

vraagt dat de partijen die hebben deelgenomen aan de besluitvorming door de Raad, ervan afzien deze besluiten kort na de goedkeuring ervan opnieuw in vraag te stellen;

26.

is zeer tevreden over de economische dialoog die tot nu toe gevoerd werd tussen het Europees Parlement en nationale vertegenwoordigers; beklemtoont het belang van deze dialoog voor de totstandbrenging van een volledig operationeel kader voor het Europees semester en voor het bereiken van het noodzakelijke niveau van democratische verantwoording voor alle betrokken partijen; onderstreept nogmaals bereid te zijn zulke dialogen te blijven houden en is van mening dat deze dialogen een belangrijk onderdeel moeten vormen van een intensiever debat op Europees niveau over economische en sociale prioriteiten en instrumenten; is van mening dat economische dialogen een mijlpaal vormen op weg naar een grotere democratische verantwoording met betrekking tot het toezicht op het economisch beleid en de coördinatie in de EMU;

27.

merkt bezorgd op dat het Europees Parlement continu buitenspel is gezet bij belangrijke economische beslissingen ten aanzien van de crisis, en is van oordeel dat het bij dergelijke beslissingen moet worden betrokken om de legitimiteit van deze beslissingen, die gevolgen hebben voor alle burgers, te verhogen;

28.

beschouwt het van essentieel belang dat het semester meer legitimiteit krijgt, dat de resterende juridische onduidelijkheden worden weggenomen om institutionele conflicten zoals het overlappen van bevoegdheden in de toekomst te voorkomen, en dat de onduidelijkheid en de verhoogde complexiteit van het institutionele kader van de EU worden aangepakt;

29.

betreurt dat het parlementaire toezicht slechts een kleine rol speelt in het proces, en benadrukt dat het Europees semester de rechten en bevoegdheden van het Europees Parlement en de nationale parlementen op geen enkele manier in gevaar mag brengen;

30.

verzoekt de Commissie verslag uit te brengen over de geboekte vooruitgang in verband met het door het Parlement in zijn resolutie van 1 december 2011 inzake het Europees semester voor economische beleidscoördinatie gedane verzoek aan de Commissie om het maatschappelijke middenveld en de sociale partners te vragen bij te dragen aan een jaarlijks schaduwrapport over de voortgang van de lidstaten ten aanzien van de basisdoelstellingen en de implementatie van de maatregelen zoals voorgesteld in de NHP's;

31.

verzoekt de Commissie en de Raad tot overeenstemming te komen over concrete maatregelen ter verbetering van de deelname en betrokkenheid van sociale partners, NGO's en plaatselijke autoriteiten bij de formulering en tenuitvoerlegging van duurzaam beleid in het kader van het Europees semester, zowel op nationaal als op Europees niveau; is ingenomen met het feit dat het Cypriotische voorzitterschap deze uitdaging tot een van haar prioriteiten heeft uitgeroepen;

32.

benadrukt de noodzaak om de werkmethodes van de Eurogroep te versterken teneinde haar algehele verantwoording tegenover het Europees Parlement te versterken; is voorts van mening dat het noodzakelijk is om naar een sterkere communautaire aanpak over te stappen;

33.

is van oordeel dat de economische dialoog moet worden uitgebreid naar het voorbeeld van de monetaire dialoog met de ECB, waarbij regelmatig overleg plaatsvindt tussen het Europees Parlement, de Commissie en de Ecofin-voorzitter over de voorbereiding en follow-up van de jaarlijkse groeianalyse en de landspecifieke aanbevelingen;

34.

herhaalt de noodzaak het Europees Parlement, de enige supranationale Europese instelling die over electoraal draagvlak beschikt, te betrekken bij economische beleidcoördinatie;

35.

wijst erop dat het Europees Parlement moet worden erkend als het passend Europees democratisch forum voor de uitvoering van een algemene evaluatie aan het einde van het Europees semester; meent dat vertegenwoordigers van de EU-instellingen en de bij het proces betrokken economische organen, als blijk van deze erkenning, de leden van het Europees Parlement op aanvraag van informatie moeten voorzien;

36.

herhaalt zijn dringende oproep om actie te ondernemen teneinde de stabiliteit van het financieel stelsel in het eurogebied te verbeteren, de oprichting van een echte economische en monetaire unie op basis van een grotere democratische legitimiteit en verantwoording te bevorderen en de EU 2020-strategie uit te voeren; herinnert eraan dat een dergelijk ingrijpen noodzakelijk is om de stabiliteit wereldwijd te herstellen aangezien de Unie een belangrijke speler in de wereldeconomie is; dringt er bij alle politieke leiders op aan de nodige maatregelen te treffen voor de verwezenlijking van deze doelstelling;

37.

brengt in herinnering dat de aanbevelingen van de Commissie een bijdrage zijn tot de voorjaarsbijeenkomst van de Europese Raad;

38.

herinnert eraan dat een eventuele beslissing van de Raad om de aanbevelingen van de Commissie niet op te volgen naar behoren moet worden toegelicht en vergezeld moet gaan van een uitgebreide motivering; is ingenomen met het beginsel 'naleven of motiveren' dat met betrekking tot landenspecifieke aanbevelingen wordt geïntroduceerd door het 'six-pack'; is van mening dat een dergelijke bepaling de transparantie en het toezicht in het kader van het proces van het Europees semester zal vergroten;

39.

is van mening dat de Commissie moet voortbouwen op het Europees semester voor economische beleidscoördinatie (zoals vastgelegd in verordening (EG) nr. 1466/97) en een kaderverordening moet voorleggen waarin de rol van de lidstaten en de EU-instellingen tijdens de verschillende fasen van de semesters en de bijbehorende tijdschema's worden gepreciseerd;

Sectorale bijdragen betreffende het Europees semester 2012

Werkgelegenheid en sociaal beleid

40.

is ingenomen met de mededeling 'Op weg naar een banenrijk herstel' (COM(2012)0173) van de Commissie en de werkdocumenten van haar diensten; verzoekt de Commissie de exploitatie van het banenscheppend potentieel van de groene economie, maatschappelijke en gezondheidszorg en de ICT-sector tot hoofdprioriteiten te verheffen in de AGS van 2013;

41.

betreurt het feit dat, ondanks hun politieke toezegging tijdens de Europese Raad in het voorjaar van 2012 en het advies van de Commissie in het werkgelegenheidspakket, de meeste lidstaten geen nationaal banenplan als onderdeel van hun NHP's van 2012 hebben ingediend; betreurt dat de Commissie dit niet tot een verplichting heeft verheven waaraan de lidstaten zich moeten houden, en dringt er bij de Commissie op aan de lidstaten te verzoeken hun NHP's zo snel mogelijk in te leveren; verzoekt voorts dat in de NHP's allesomvattende maatregelen worden uiteengezet voor het scheppen van banen en groene werkgelegenheid, een verband tussen werkgelegenheidsbeleid en financiële instrumenten, arbeidsmarkthervormingen, een duidelijk tijdschema voor de uitvoering van de meerjarige hervormingsagenda in de komende 12 maanden en een indicatie van zowel de terreinen als de regio's met tekorten en overschotten aan specialisaties; verzoekt de Commissie gevolg te geven aan haar plannen voor een op objectieve gegevens gebaseerd monitoringsysteem voor de arbeidsmarkt, alsmede aan haar plannen voor een individueel traceringssysteem voor landen die niet aan de landspecifieke aanbevelingen voldoen;

42.

stelt voor dat de Commissie toezicht houdt op de voorbereiding van NHP's;

43.

wijst erop dat ondernemingen uit de sociale economie deel uitmaken van het Europees sociaal model en de interne markt en derhalve grote erkenning en steun verdienen, en dat hun specifieke karakter in aanmerking moet worden genomen bij het ontwerpen van Europees beleid; herhaalt haar verzoek aan de Commissie om een kader voor de sociale economie uit te werken, waarin de componenten ervan worden onderkend en waarbij zowel de lidstaten als de belanghebbenden worden betrokken teneinde de uitwisseling van beste praktijken te bevorderen, omdat dit een belangrijk element van het Europees sociaal model en de interne markt is;

44.

benadrukt het belang van het waarborgen van grotere sociale cohesie, zonder afbreuk te doen aan de medewerking van bedrijven bij het bereiken van dit doel, hetgeen met name kan worden bevorderd door deze bedrijven toe te staan hun innovatieve en effectieve maatregelen in sociale kwesties te promoten middels etikettering, hetgeen nieuwe investeerders aantrekt en de ontwikkeling van een Europees sociaal model op de lange termijn bevordert;

45.

is ingenomen met de erkenning van het belang van toegang tot financiering voor kmo's, aangezien deze bedrijven de hoeksteen van werkgelegenheid en het scheppen van banen in de EU zijn en aanzienlijk potentieel hebben om jeugdwerkloosheid en genderverschillen aan te pakken; dringt er bij de lidstaten op aan om in hun nationale groeiplannen absolute prioriteit te geven aan toegang tot financiering voor kmo's;

46.

betreurt dat de Raad het verzoek van het Parlement om in zijn advies voor 2012 met name aandacht te schenken aan arbeidskwaliteit, niet in acht heeft genomen; is het er met de Commissie over eens dat alle arbeidsovereenkomsten werknemers toegang moeten geven tot een reeks kernrechten waaronder pensioenrechten, sociale bescherming en toegang tot een leven lang leren; verzoekt de Commissie arbeidskwaliteit, opleiding en geavanceerde opleiding, de rechten van kernarbeidskrachten en ondersteuning van de mobiliteit van de arbeidsmarkt, zelfstandig ondernemerschap en grensoverschrijdende mobiliteit door vergroting van de veiligheid van werknemers in een overgangsfase tussen banen, op te nemen in de AGS van 2013;

47.

verzoekt de lidstaten het bestaan en de toename van slechte arbeidsovereenkomsten en schijnzelfstandigheid te bestrijden, en ervoor te zorgen dat personen met tijdelijke of deeltijdarbeidsovereenkomsten, of zelfstandig ondernemers, passende sociale bescherming ontvangen en een opleiding kunnen volgen en, indien haalbaar, een geavanceerde opleiding, en gerelateerde kaderovereenkomsten ten uitvoer te leggen;

48.

dringt erop aan de flexibiliteit van de arbeidsmarkt te verbeteren door moderne typen arbeidsovereenkomsten te introduceren; erkent dat deeltijdwerk vaak de keuze van de werknemer is, met name onder vrouwen;

49.

is ingenomen met de aanbevelingen betreffende de geringe deelname van vrouwen aan de arbeidsmarkt; merkt evenwel op dat er behoefte is aan een breder gendergelijkheidsperspectief dat verder reikt dan arbeidsparticipatie; verzoekt de Commissie arbeidsmarktsegregatie, ongelijke verdeling van zorgverantwoordelijkheden en de gevolgen van begrotingsconsolidatie voor vrouwen in haar beleidsadvies op te nemen;

50.

verzoekt de Commissie en de lidstaten de lage arbeidsmarktparticipatie van achtergestelde groepen aan te pakken, inclusief van personen die tot minderheden behoren (bijv. Roma), afkomstig zijn uit de armste microregio's of een handicap hebben; verzoekt de Commissie en de lidstaten tevens de ongelijke verdeling van banen tussen regio's en sociale groepen alsmede de gevolgen van begrotingsconsolidatie op kwetsbare sociale groepen aan te pakken;

51.

merkt op dat een aantal lidstaten aanbevelingen op het gebied van loon hebben ontvangen; benadrukt dat loon bovenal het inkomen is waar werknemers van moeten leven; benadrukt dat de door de Commissie toegepaste praktijk van loonvorming en loonniveaus in programmalanden het risico op armoede onder werkenden of loonongelijkheden kan vergroten, hetgeen nadelig is voor lage inkomensgroepen; verzoekt de Commissie haar beleidsadvies voor de lidstaten waar de lonen ten opzichte van productiviteitsniveaus zijn gestagneerd, uit te breiden, met inachtneming van de autonomie van de sociale partners, zoals is neergelegd in de artikelen 152 en 153, lid 5, van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU);

52.

is ingenomen met de toegenomen aandacht van de Commissie en de Raad voor de bestrijding van jeugdwerkloosheid; verzoekt de Commissie zonder vertraging een bindende Europese jeugdgarantie voor te stellen, onverminderd de nationale wetgevingen, teneinde de situatie van jongeren die geen onderwijs genieten, noch een opleiding volgen of werken (NEET) op doeltreffende wijze te verbeteren en het probleem van jeugdwerkloosheid in de EU geleidelijk te overwinnen; benadrukt dat voor de Europese jeugdgarantie specifieke Europese financiële steun nodig is, met name in de lidstaten met de hoogste jeugdwerkloosheidscijfers, en wenst dat een gedeelte van de onuitgegeven structurele fondsen voor dit doel wordt gebruikt; verzoekt de Raad spoedig tot een besluit te komen inzake de voorstellen in het werkgelegenheidspakket;

53.

is ingenomen met de opname van de aanbeveling in het advies voor 2012 om de maatschappelijke gevolgen van de crisis aan te pakken en de verhoogde aandacht voor de bestrijding van armoede in de landenspecifieke aanbevelingen; is echter zeer bezorgd over de toenemende armoede (inclusief armoede onder werkenden en armoede onder ouderen) en werkloosheid in de EU; verzoekt de lidstaten zich ambitieuzer op te stellen, hun maatregelen ter bestrijding van armoede te versterken en de aanbevelingen van de Commissie nauwgezet te volgen; verzoekt de Commissie uitdrukkelijk om armoede onder werkenden, armoede onder mensen met beperkte of geen aansluiting op de arbeidsmarkt en armoede onder ouderen aan te pakken in de AGS van 2013; benadrukt dat artikel 9 van het VWEU een volwaardige plaats moet krijgen in het gehele Europees semester;

54.

herhaalt de noodzaak om aanvullende toezeggingen op sociaal vlak van de lidstaten te eisen, door de EU de verantwoordelijkheid te geven voor de uitvoering van de prioriteiten die zijn gekozen in een context van groei en sociale cohesie op de interne markt;

55.

benadrukt de dringende behoefte aan de ontwikkeling van nieuwe instrumenten om sociale onevenwichtigheden en werkloosheid in Europa te bestrijden;

56.

verzoekt de lidstaten en de Europese Raad om ministers van sociale zaken en volksgezondheid te betrekken bij het proces van het Europees semester en bij alle stadia van het NHP-proces, aangezien dit een versterking van de rol van de Raad Werkgelegenheid, Sociaal beleid, Volksgezondheid en Consumentenzaken (EPSCO) met zich meebrengt, hetgeen noodzakelijk is omdat de thema's pensioen, loonbeleid en de belastingwig op arbeid binnen de werkingssfeer van deze raad vallen;

57.

verzoekt de Commissie verslag uit te brengen over de toepassing van een gemeenschappelijke, uniforme reeks criteria in de gehele EU voor de beoordeling van de NHP's; benadrukt dat normen en gegevens moeten uitgaan van sociale inclusie en milieuduurzaamheid, in aanvulling op economische gegevens; verzoekt de Commissie de lidstaten aan te moedigen sociale indicatoren en gegevens te gebruiken die voortgang en ontwikkeling meten en verdergaan dan de bbp-maatregel, aangezien dit van cruciaal belang is om de vorderingen in de richting van de Europa 2020-doelstellingen te meten;

Begrotingsbeleid

58.

dringt er bij de Commissie op aan om in haar volgende jaarlijkse groeianalyse de rol van de EU-begroting in het proces van het Europees semester uitgebreid te belichten en te onderstrepen, door concreet feitenmateriaal te verschaffen over de effecten van die begroting (als initiator, katalysator, synergiebevorderaar en complementaire financieringsbron) op de totale overheidsuitgaven op lokaal, regionaal en nationaal niveau; is voorts van mening dat financiering op EU-niveau besparingen voor de begroting van de lidstaten kan opleveren en dat daar de nadruk op moet worden gelegd; is van mening dat aan de EU-begroting een cruciale rol toekomt als het gaat om het stimuleren van de groei en het scheppen van meer banen alsmede om het succesvol verminderen van de macro-economische onevenwichtigheden in de Unie;

59.

dringt er bij de Raad op aan om tijdens de onderhandelingen over de EU-begroting 2013 een politiek en openbaar debat te accepteren over de hoogte van de middelen die nodig zijn voor de uitvoering van het Pact voor groei en banen, dat de Europese Raad in juni 2012 heeft goedgekeurd; spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over het herhaaldelijk door de Raad ingenomen standpunt inzake een kunstmatige verlaging van de in de EU-begroting beschikbare betalingskredieten, waardoor het vermogen van de EU om aan haar juridische en politieke verplichtingen te voldoen, in gevaar zou komen; verzoekt de Raad opnieuw met het Parlement en de Commissie tot overeenstemming te komen over een gemeenschappelijke methode voor de beoordeling van de reële betalingsbehoeften; onderstreept dat de situatie nijpend is, met name in de rubrieken 1A en 1B (concurrentievermogen voor groei en werkgelegenheid / cohesie voor groei en werkgelegenheid) en in de fondsen voor plattelandsontwikkeling;

60.

verzoekt de lidstaten ten volle gebruik te maken van de mogelijkheden waarover in het Pact voor groei en banen overeenstemming is bereikt, en een herschikking van de middelen in hun nationale toewijzing uit de structuurfondsen en het Cohesiefonds (55 miljard euro) te overwegen om daarmee onderzoek en innovatie, kmo's (inclusief gemakkelijker toegang tot EU-gelden) en banen voor jongeren te ondersteunen; verzoekt de Commissie in haar in november 2012 te publiceren jaarlijkse groeianalyse 2013 een volledig beeld te geven van wat er in dat opzicht is bereikt;

61.

benadrukt bovendien dat het Pact voor groei en banen een uitdrukkelijke uitnodiging aan de lidstaten bevat om een deel van hun structuurfondstoewijzing te gebruiken om samen met de EIB te werken aan kredietrisico- en kredietgarantiefaciliteiten voor kennis en vaardigheden, efficiënt hulpmiddelengebruik, strategische infrastructuur en de toegang van kmo's tot financiering; is van mening dat de autoriteiten van de lidstaten maximaal profijt moeten trachten te trekken van het groeipotentieel dat wordt geboden door andere, reeds bestaande EU-initiatieven die uit de EU-begroting worden gefinancierd, zoals de proeffase voor projectobligaties, de diverse innovatieve financiële instrumenten van de EU die sinds 2007 bestaan op het gebied van onderzoek en innovatie, steun voor kmo's en microkredietregelingen; wijst er verder op dat de EIB in de periode 2012-2015 meer ruimte heeft om leningen te verstrekken; is van mening dat al deze maatregelen, mits goed gecombineerd en geïmplementeerd, het fundament kunnen vormen voor een investeringsprogramma van de EU voor de komende jaren met een enorm positief effect op het bbp en de werkgelegenheid in de EU-27, waarbij sommige academici een bbp-stijging van 0,56 % ramen en uitgaan van 1,2 miljoen extra banen;

62.

verzoekt daarom de lidstaten om hun bni-bijdrage aan de EU-begroting niet als een aanpassingsvariabele in hun consolidatie-inspanningen te beschouwen en er evenmin naar te streven om – in tegenstelling tot de politieke toezeggingen die zij op het hoogste niveau hebben gedaan – de omvang van de groeibevorderende uitgaven uit de EU-begroting kunstmatig te verlagen; is zich evenwel bewust van de economische spanning tussen de noodzaak van consolidering van de overheidsfinanciën op korte termijn en een potentiële verhoging van de op het bni gebaseerde bijdrage van sommige lidstaten als gevolg van een verhoging van het betalingsniveau in de EU-begroting; herhaalt daarom zijn luide roep om hervorming van de financiering van de EU-begroting – waarover in de onderhandelingen over het MFK voor de periode 2014-202 een akkoord moet worden bereikt – door het aandeel van de op het bni gebaseerde bijdragen van de lidstaten in de EU-begroting tot 2020 terug te brengen tot 40 % en daarmee een bijdrage te leveren aan hun consolidatie-inspanningen (42);

63.

verzoekt bovendien de Commissie na te gaan of het mogelijk is de op het bni gebaseerde bijdrage aan de EU-begroting buiten beschouwing te laten bij de berekening van het structurele tekort, zoals omschreven in het "two-pack";

64.

waarschuwt dat een verlaging van de EU-begroting, die als katalysator voor investeringen werkt, in het kader van de onderhandelingen over het meerjarig financieel kader voor 2014-2020 nadelige gevolgen zou hebben voor het creëren van groei en banen in de Unie;

Interne markt

65.

vraagt de Commissie van de governance van de interne markt een topprioriteit te maken, aangezien deze aanzienlijk bijdraagt tot de verwezenlijking van de doelstellingen van het Europees semester, namelijk duurzame economische groei en werkgelegenheid; is van mening dat de landenspecifieke aanbevelingen van de Commissie de lidstaten tegelijk meer praktische oplossingen voor een betere werking van de interne markt moeten bieden, zodat de voltooiing van de interne markt op meer steun kan rekenen van de publieke opinie en de politiek;

66.

vraagt de Raad en de Commissie het Europees semester aan de Single Market Act te koppelen met het oog op de samenhang van het Europees economisch beleid en de totstandbrenging van duurzame groei;

67.

benadrukt dat de initiatieven in het kader van de Single Market Act consistent moeten zijn met en moeten bijdragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de zeven "vlaggenschipinitiatieven" in het kader van de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei;

68.

vraagt de Commissie het jaarverslag over de integratie van de interne markt te coördineren met andere instrumenten om de interne markt te monitoren, zoals het scorebord van de interne markt, om overlapping te voorkomen, doeltreffende en duidelijke aanbevelingen te doen en de samenhang van het Europees economisch beleid te garanderen;

69.

looft in dit verband het voorstel van de Commissie om landenspecifieke aanbevelingen betreffende de interne markt te doen, met name betreffende de correcte omzetting van de wetgeving en de omzettingstermijnen; vraagt de Commissie actiever toe te zien op de correcte tenuitvoerlegging en handhaving van de EU-wetgeving in de lidstaten door resoluut gebruik te maken van al haar bevoegdheden;

70.

vraagt de Commissie en de lidstaten prioriteit te geven aan de goedkeuring van de twaalf kernmaatregelen van de Single Market Act, als belangrijke bijdrage aan een allesomvattende en evenwichtige versterking van de interne markt;

Constitutionele zaken

71.

meent dat nauwe samenwerking tussen het Europees Parlement en de nationale parlementen, overeenkomstig artikel 9 van protocol nr. 1, cruciaal is voor de nodige democratische legitimiteit van het semesterproces en de eigen verantwoordelijkheid van de lidstaten daarvoor; roept op tot een versterking van de dialoog tussen het Europese en de nationale niveaus, waarbij de taakverdeling tussenbeide wordt geëerbiedigd;

72.

vindt dat er niet alleen moet worden gezorgd voor samenwerking tussen de parlementen, maar ook meer inspanningen moeten worden geleverd om met de burgers te communiceren en hen actief bij het proces te betrekken;

73.

is van oordeel dat de nationale parlementen een actievere rol in het proces moeten spelen om zorgen over legitimiteit weg te nemen, en stelt voor dat de lidstaten hun interne procedures aanpassen zodat de nationale parlementen kunnen deelnemen aan discussies over de belasting- en hervormingsplannen van hun land voordat deze bij de EU worden ingediend;

Rechten van de vrouw en gendergelijkheid

74.

dringt er opnieuw bij de lidstaten op aan om een gendergelijkheidsperspectief in het proces van het Europees semester op te nemen, en binnen het arbeidsmarktbeleid sterker de nadruk te leggen op opleiding, door bij de uitvoering van de in het kader van de jaarlijkse groeianalyse verstrekte beleidsrichtsnoeren rekening te houden met de behoeften en de situatie van vrouwen; prijst de lidstaten die de genderdimensie een volwaardige plaats hebben gegeven in hun nationale hervormingsprogramma's, maar betreurt dat veel lidstaten dit onderwerp niet eens vermelden; verzoekt de Commissie om de lidstaten een voorstel te doen voor een uniform formaat en criteria voor de integratie van een gendergelijkheidsperspectief in de nationale hervormingsprogramma's;

75.

verzoekt de lidstaten om in hun nationale hervormingsprogramma's specifieke kwantitatieve streefdoelen vast te stellen in overeenstemming met de werkgelegenheidsstatistieken voor vrouwen, alsook om specifieke maatregelen te treffen voor kwetsbare groepen vrouwen (zoals jonge vrouwen, vrouwelijke migranten, gehandicapte vrouwen en alleenstaande moeders);

76.

brengt in herinnering dat de loonverschillen tussen vrouwen en mannen in de EU nog altijd een probleem vormen en dat deze verschillen ook een negatief effect hebben op de hoogte van het pensioen dat vrouwen na hun loopbaan ontvangen, hetgeen er bijgevolg toe kan leiden dat vrouwen onder de armoedegrens terecht komen; verzoekt de lidstaten daarom in hun nationale hervormingsprogramma's kwalitatieve streefdoelen vast te leggen teneinde de loonkloof tussen vrouwen en mannen te dichten, en aldus paal en perk te stellen aan zowel de oneerlijke behandeling van vrouwelijke gepensioneerden als de armoedegevoeligheid van oudere vrouwen;

*

* *

77.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Europese Raad en de regeringen van de lidstaten, de Europese Commissie, de nationale parlementen, alsmede aan de ECB.


(1)  Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0542.

(2)  PB L 306 van 23.11.2011, blz. 12.

(3)  PB L 306 van 23.11.2011, blz. 41.

(4)  PB L 306 van 23.11.2011, blz. 8.

(5)  PB L 306 van 23.11.2011, blz. 33.

(6)  PB L 306 van 23.11.2011, blz. 25.

(7)  PB L 306 van 23.11.2011, blz. 1.

(8)  Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0583.

(9)  http://www.consilium.europa.eu/uedocs/cms_data/docs/pressdata/nl/ec/120296.pdf.

(10)  Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0048.

(11)  PB C 219 van 24.7.2012, blz. 95.

(12)  PB C 219 van 24.7.2012, blz. 1.

(13)  PB C 219 van 24.7.2012, blz. 5.

(14)  OJ C 219, 24.7.2012, p. 9.

(15)  OJ C 219, 24.7.2012, p. 13.

(16)  PB C 219 van 24.7.2012, blz. 17.

(17)  PB C 219 van 24.7.2012, blz. 21.

(18)  PB C 219 van 24.7.2012, blz. 25.

(19)  PB C 219 van 24.7.2012, blz. 28.

(20)  PB C 219 van 24.7.2012, blz. 31.

(21)  PB C 219 van 24.7.2012, blz. 35.

(22)  PB C 219 van 24.7.2012, blz. 38.

(23)  PB C 219 van 24.7.2012, blz. 40.

(24)  PB C 219 van 24.7.2012, blz. 44.

(25)  PB C 219 van 24.7.2012, blz. 46.

(26)  PB C 219 van 24.7.2012, blz. 50.

(27)  PB C 219 van 24.7.2012, blz. 54.

(28)  PB C 219 van 24.7.2012, blz. 58.

(29)  PB C 219 van 24.7.2012, blz. 61.

(30)  PB C 219 van 24.7.2012, blz. 88.

(31)  PB C 219 van 24.7.2012, blz. 65.

(32)  PB C 219 van 24.7.2012, blz. 69.

(33)  PB C 219 van 24.7.2012, blz. 72.

(34)  PB C 219 van 24.7.2012, blz. 74.

(35)  PB C 219 van 24.7.2012, blz. 77.

(36)  PB C 219 van 24.7.2012, blz. 81.

(37)  PB C 219 van 24.7.2012, blz. 85.

(38)  PB C 219 van 24.7.2012, blz. 91.

(39)  Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0258.

(40)  PB C 161 E, 31.5.2011, blz. 84.

(41)  Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0047.

(42)  Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0245.