VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende de toepassing van Richtlijn 2006/48/EG op microkrediet /* COM/2012/0769 final */
INHOUDSOPGAVE 1........... Inleiding.......................................................................................................................... 3 2........... Het microkredietlandschap in de
Europese Unie.............................................................. 4 2.1........ Microkrediet is een concept met
verschillende betekenissen............................................. 4 2.2........ De brede waaier van definities
weerspiegelt zich in de diversiteit van microkredietverleners 4 2.2.1..... Overzicht van de types van
instellingen die microkredieten verlenen in de EU.................... 4 2.2.2..... Bankinstellingen spelen een
sleutelrol in de EU hoewel microkredietverlening vaak slechts een
nevenactiviteit is 5 2.2.3..... Niet-bancaire instellingen die primair
microkredieten verlenen, zijn een andere belangrijke kredietspeler 6 2.2.4..... De publieke sector is een van de
meest invloedrijke actoren op de microkredietmarkt...... 6 3........... Prudentieel toezicht op
microkredietactiviteiten binnen de EU als gevolg van de toepassing van
Richtlijn 2006/48/EG................................................................................................................... 7 3.1........ Een groot aantal
microkredietverleners is van de toepassing van de in Richtlijn 2006/48/EG
vastgestelde prudentiële vereisten vrijgesteld....................................................................................... 7 3.2........ Verschillende factoren verlichten
vaak de impact van de in Richtlijn 2006/48/EG neergelegde prudentiële vereisten
op microkredietactiviteiten hoewel er bepaalde lastige gevolgen zijn................................. 8 3.2.1..... Richtlijn 2006/48/EG houdt geen
rekening met de specifieke aard van microkrediet.......... 8 3.2.2..... Door toegang tot publieke garantieregelingen
kunnen verleners van microkrediet het niveau van het eigen vermogen dat vereist
is om het kredietrisico waaraan zij zijn blootgesteld te dekken significant
verminderen 8 3.2.3..... Microkrediet kan grotendeels van de
limiet voor grote blootstellingen worden vrijgesteld die bedoeld is om het
concentratierisico te beperken......................................................................................... 9 3.2.4..... De vereisten inzake risicobeheer van
de richtlijn dragen bij tot het verlichten van de risico’s die de bancaire
microkredietgevers lopen.............................................................................................. 10 3.2.5..... Richtlijn 2006/48/EG vereist dat
bancaire microkredietverleners aan prudentiële regels voldoen om het
liquiditeitsrisico te verlichten.......................................................................................... 10 3.2.6..... Richtlijn 2006/48/EG kan grote
administratieve lasten met zich meebrengen die de aantrekkelijkheid van
microkrediet als bankactiviteit kunnen verminderen en het vertrouwen van de
financiële belegger in de microkredietverleners versterken................................................................................... 10 4........... Conclusies.................................................................................................................... 11 VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES
PARLEMENT EN DE RAAD betreffende de
toepassing van Richtlijn 2006/48/EG op microkrediet 1. Inleiding Microkrediet wordt – door de lidstaten, financiële
instellingen, nationale toezichthoudende autoriteiten en breder – algemeen
erkend als een effectief financieringskanaal voor het scheppen van
arbeidsplaatsen en sociale insluiting, dat de negatieve effecten van de huidige
financiële crisis kan verzachten en tot ondernemerschap en economische groei in
de EU bijdraagt. Dat is de reden waarop de ontwikkeling van microkrediet de
jongste jaren hoog op de agenda van de Europese Commissie staat. In november 2007 heeft de Europese Commissie haar
mededeling “Een Europees initiatief voor de ontwikkeling van microkrediet ter
ondersteuning van groei en werkgelegenheid” doen uitgaan om een gunstiger
klimaat voor de verlening van microkrediet te bevorderen. De jongste maanden is
de Europese Commissie samen met zowel de microkredietsector als met de
nationale overheden rechtstreeks betrokken bij het achterhalen van de
belemmeringen waarmee verleners van microkrediet bij het ontplooien van hun
diensten in de EU worden geconfronteerd en bij het onderzoeken hoe deze
belemmeringen kunnen worden overwonnen en of er behoefte is aan regelgevend
optreden op nationaal of EU-niveau. De door de Europese Commissie geleide onderzoeks-
en besprekingsfase omvatte een gezamenlijk met het Europees Economisch en
Sociaal Comité georganiseerde conferentie op 2 december 2011. De bereidheid om microkrediet in de EU te
ontwikkelen, was eveneens bij de EU-medewetgevers aanwezig gedurende het
onderhandelingsproces voor Richtlijn 2009/111/EG[1]. Zij hebben de
Europese Commissie verzocht de toepassing van Richtlijn 2006/48/EG[2] op microkrediet te onderzoeken. Zoals vastgesteld in artikel 156 van
die richtlijn is aan de Europese Commissie gevraagd aan het Europees Parlement
en de Raad over de resultaten van dit onderzoek verslag uit te brengen alsook
alle passende voorstellen te doen. In het volgende hoofdstuk wordt ingegaan op wat
met microkrediet wordt bedoeld en wordt met name aan microkredietgevers
aandacht besteed, waarbij allereerst met de deelnemers aan deze
kredietgevingsactiviteit en met de centrale problematiek wordt kennisgemaakt.
In het derde hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van het prudentiële toezicht
op microkredietgevers in de EU en worden de effecten van de prudentiële
vereisten op microkredietactiviteiten als gevolg van de toepassing van
Richtlijn 2006/48/EG aangegeven. In het laatste hoofdstuk worden conclusies
getrokken in verband met de vraag of een wijziging van de prudentiële vereisten
voor banken in de EU al dan niet noodzakelijk is. 2. Het
microkredietlandschap in de Europese Unie 2.1. Microkrediet
is een concept met verschillende betekenissen Er is niet zoiets als één definitie van
microkrediet. ‘Microkrediet’ slaat over het algemeen op de kleine leningen die
aan mensen die van het traditionele financiële systeem zijn buitengesloten of
die geen toegang hebben tot banken worden verstrekt om hen te helpen een zaak
op te richten of uit te bouwen. Maar de definitie van microkrediet verschilt,
afhankelijk van het sociale milieu, de economische situatie en de
beleidsdoelstellingen, sterk per lidstaat en per stakeholder. De vraag naar microkrediet wordt gaande gehouden
door een brede groep van microkredietnemers. Microkrediet kan alleen
beschikbaar zijn voor ‘micro-ondernemers’, zelfstandigen die op zoek zijn naar
financiering voor een kleine onderneming. Microkrediet kan zich alleen op
andere groepen richten zoals sociaal uitgeslotenen die proberen aan een
noodsituatie het hoofd te bieden, onderwijs te financieren of zelfs essentiële
huishoudelijke goederen aan te schaffen. Microkredieten zijn over het algemeen zeer klein,
kort en ongedekt, en kennen gewoonlijk frequentere terugbetalingen en hogere
rentevoeten dan conventionele bankleningen. Maar afgezien hiervan worden
microkredieten onder sterk variërende kredietvoorwaarden verleend. Zo bedraagt
de terugbetalingstermijn over het algemeen minder dan zes maanden, maar kan hij
tot tien jaar bedragen. Een belangrijke factor die het niveau van rentevoeten
bepaalt is het bestaan van woekerwetgeving. Indien woekerwetgeving van kracht
is, mogen kredietgevers geen rente aanrekenen die boven een bepaalde
maximumrente ligt. In lidstaten die die beperkingen niet kennen, kunnen
rentevoeten hoger liggen dan in lidstaten waar woekerwetgeving bestaat.
Microkrediet slaat over het algemeen op leningen die niet meer dan 25 000 EUR[3]
bedragen. Maar veel Europese stakeholders denken bij een
microkrediet aan veel kleinere of veel grotere bedragen. De activiteiten van microkredietgevers kunnen
verder gaan dan kredietgeving en op andere financiële diensten betrekking
hebben zoals spaarproducten, lopende rekeningen, betalingsdiensten,
overboekingsdiensten, verzekeringen, leasing enzovoorts. Maar deze brede waaier
financiële diensten moet als 'microfinanciering' worden aangeduid, een begrip
dat ruimer is dan 'microkrediet'. Het ontbreken van een consistente en algemeen
gangbare definitie van 'microkrediet’ vormt een belemmering voor het verzamelen
van informatie en gegevens over deze activiteit, wat het volgen van het verloop
van microkrediet in de EU bemoeilijkt. Deugdelijke feiten en cijfers over het
volume van microkredieten en gerelateerde diensten, vooral voor de Unie, zijn moeilijk
te vinden. Leningen met vergelijkbare kenmerken worden, afhankelijk van de
context, nu eens als microkrediet, dan weer als gewone lening geclassificeerd.
Zij kunnen als consumentenlening, retaillening, ondernemingslening of lening
aan kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s) worden gerapporteerd. 2.2. De
brede waaier van definities weerspiegelt zich in de diversiteit van
microkredietverleners 2.2.1. Overzicht
van de types van instellingen die microkredieten verlenen in de EU De diverse definities weerspiegelen zich in de
diversiteit van rechtsvormen die door verleners van microkrediet worden
gebruikt. Verleners van microkrediet behoren tot verschillende categorieën:
commerciële banken en spaarbanken, coöperaties, microfinancieringsinstellingen,
niet-bancaire financiële instellingen, kredietverenigingen, stichtingen en
andere types van non-profitorganisaties zoals niet-gouvernementele organisaties
en verenigingen. De microkredietsector binnen de EU is ook qua grootte en
bedrijfsmodel divers. Naast de indeling van kredietgevers per type van
instelling kunnen microkredietgevers in andere groepen worden onderverdeeld: –
instellingen die een vergunning moeten verkrijgen
om bankactiviteiten uit te voeren versus instellingen die bij een
bankentoezichthouder moeten zijn geregistreerd zonder een vergunning te hoeven
verkrijgen of instellingen die slechts als rechtspersoon ingeschreven hoeven te
zijn; –
kredietgevers met een non-profitstatus versus die
met een profitstatus; –
private instellingen versus publieke instellingen; –
kredietgevers waarvan microkredietgeving de
kernactiviteit is versus kredietgevers waarvan microkredietgeving een relatief
klein gedeelte van de activiteiten uitmaakt. Kredietgevers kunnen ook worden gedifferentieerd
volgens de categorie van kredietnemers: niet-bancaire instellingen verlenen
vaak kredieten aan arme huishoudens, terwijl microkredieten aan
micro-ondernemingen en kleine ondernemingen vooral door banken worden verleend.
De microkredietgevers verschillen ook op het punt van welke producten en
diensten zij wettelijk mogen aanbieden, op het punt van het feit of zij aan
prudentieel toezicht onderworpen zijn en op het punt van de wijze waarop
administratieve en bedrijfsactiviteiten worden gefinancierd. Deze diversiteit houdt verband met de
regelgevingsomgeving in elk land (zie hoofdstuk 3). Sommige lidstaten in de
Europese Unie kennen een bankmonopolie, wat betekent dat kredietactiviteiten
voor bankentiteiten zijn gereserveerd. In andere lidstaten mogen niet-bancaire
instellingen wel microkredieten verlenen. Er zijn ook uitzonderingen waarbij in
sommige jurisdicties bepaalde niet-bancaire instellingen ondanks het
bankmonopolie microkrediet mogen verlenen. Opmerking verdient dat volgens de
EU-bankwetgeving alleen niet-bancaire microkredietgevers geen gelden in
deposito mogen nemen. 2.2.2. Bankinstellingen
spelen een sleutelrol in de EU hoewel microkredietverlening vaak slechts een
nevenactiviteit is Het banksysteem is, een belangrijke institutionele
verlener van microkrediet in de EU via spaarbanken, coöperatieve banken en
commerciële banken. Deze kunnen, afhankelijk van hun ondernemingsmodel, in vier
hoofdgroepen worden onderverdeeld: –
banken met gespecialiseerde kredietafdelingen die
regelmatig microkredietactiviteiten verrichten; –
banken die microkredieten verlenen via
afzonderlijke stichtingen; –
banken die een partnerschap aangaan met publieke
financiële instellingen, die het kredietbeleid bepalen en (onder bepaalde
voorwaarden) het volledige risico van de leningen op zich nemen terwijl de
banken verantwoordelijk blijven voor de kredietbeslissing; –
banken die indirect bij microkrediet betrokken zijn
via wholesaleleningen, kredietfaciliteiten en liquiditeitsfaciliteiten voor in
microkrediet gespecialiseerde financiële instellingen. Hoewel microkredietverlening voor de meeste van
deze bankinstellingen slechts een nevenactiviteit is, wordt het vaak beschouwd
als een kans om deel te nemen aan de ontwikkeling van ondernemingen en cliënten
die in de toekomst winstgevend kunnen zijn. Crossselling (waarbij het
verstrekken van leningen banken de kans geeft aan de geldnemers andere diensten
te verkopen) kan er dan toe bijdragen dat de financiering van microkrediet
rendabeler wordt. Banken kunnen ook gemotiveerd worden door de potentiële
voordelen van samenwerking met publieke instanties middels publiek-private
partnerschappen. 2.2.3. Niet-bancaire
instellingen die primair microkredieten verlenen, zijn een andere belangrijke
kredietspeler In de meeste lidstaten nemen niet-bancaire
instellingen het leeuwendeel van de microkredietverlening voor hun rekening. De
niet-bancaire institutionele microkredietspelers gaan van niet-gouvernementele
organisaties, non-profitverenigingen, liefdadigheidsinstellingen, trusts en
stichtingen tot kredietverenigingen en religieuze instellingen. Overeenkomstig
de EU-bankwetgeving mogen, enkele uitzonderingen daargelaten, niet-bancaire
instellingen geen gelden van het publiek in deposito nemen, een activiteit die
alleen vergunning houdende en onder toezicht staande bankinstellingen mogen
uitoefenen. Deze niet-bancaire instellingen verlenen als primaire activiteit
microkredieten aan sociaal of financieel uitgesloten groepen. Na verloop van tijd ontwikkelen sommige van deze
niet-bancaire microkredietorganisaties zich tot profitondernemingen zoals
gereglementeerde bankinstellingen. Deze institutionele transformatie vindt vaak
plaats omdat er behoefte is aan meer kapitaal en omdat men een breed gamma van
diensten zoals depositodiensten wil aanbieden. In sommige lidstaten komen partnerschappen tussen
non-profitorganisaties en bancaire of publieke instellingen tot stand.
Eerstgenoemde voeren een informele selectie van de aanvragers van financiering
uit en bieden hen bijstand aan nadat kredieten zijn verstrekt, terwijl
laatstgenoemde voor de financiering van de kredieten zorgen. 2.2.4. De
publieke sector is een van de meest invloedrijke actoren op de
microkredietmarkt Ondanks de moeilijkheid om de grootte van de
microkredietsector te meten, is het duidelijk dat een van de meest invloedrijke
actoren binnen de EU de publieke sector is, die bank- en niet-bankinstellingen
steun verleent welke gericht is op het overbruggen van tekorten of verstoringen
op de microkredietmarkt. Deze steun wordt op nationaal, regionaal en Europees
niveau verstrekt door een brede groep van publieke actoren gaande van
staatsbanken tot de EU-Structuurfondsen en andere publieke garantie-, leen- of
aandelenregelingen. In het kader van het EU-beleid wordt hoge
prioriteit verleend aan microkredieten die instellingen in de mogelijkheid
stellen financiering te ontvangen uit diverse Europese bronnen zoals het
Europees Sociaal Fonds, het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het
Europees Investeringsfonds, de Gezamenlijke Europese Middelen voor Micro- tot
Middelgrote Ondernemingen (door de Structuurfondsen gefinancierde
JEREMIE-programma), het programma Concurrentievermogen en Innovatie en de
Europese Progress-microfinancieringsfaciliteit (Progress Microfinance). Doel
van deze EU-programma’s is financiële instellingen aan te moedigen
microkredieten te verlenen. Andere EU-programma’s, zoals de Gezamenlijke Actie
ter Ondersteuning van Microfinancieringsinstellingen in Europa (JASMINE), die
zich vooral op de capaciteitsopbouw van niet-bancaire microkredietverleners
richt, helpen microkredietverleners ook bij het verbeteren van de governance,
het verkleinen van de risico’s en het gedeeltelijk compenseren van de aan
microkrediet inherente hoge administratieve kosten middels garanties en
technische ondersteuning. Op nationaal en regionaal niveau wordt een aantal
maatregelen genomen om microkredietfinanciering te bevorderen en het risico
gedeeltelijk met microkredietgevers te delen middels garantieregelingen. Ook
worden publieke programma's uitgevoerd waarbij directe financiële steun aan
microkredietgevers en microkredietnemers wordt verstrekt. Waar staatsbanken
bestaan, zijn zij vaak de voornaamste verstrekkers van financiering voor
microkredietactiviteiten. 3. Prudentieel toezicht
op microkredietactiviteiten binnen de EU als gevolg van de toepassing van
Richtlijn 2006/48/EG 3.1. Een
groot aantal microkredietverleners is van de toepassing van de in Richtlijn 2006/48/EG
vastgestelde prudentiële vereisten vrijgesteld De diversiteit van de door microkredietgevers
gebruikte institutionele vormen weerspiegelt zich in het diverse landschap van
regelgevingskaders die in de EU voor deze verleners van microkrediet gelden.
Algemeen genomen moeten alleen microkredietgevers die onder het Europese
bankenrecht opereren de vereisten van Richtlijn 2006/48/EG vervullen.
Overeenkomstig de definitie van een kredietinstelling in artikel 4, lid 1, van
Richtlijn 2006/48/EG valt een onderneming onder het Europese bankenrecht als
haar werkzaamheden bestaan in het van het publiek in ontvangst nemen van
deposito's of van andere terugbetaalbare gelden en het verlenen van kredieten
voor eigen rekening. Dat betekent dat microkredietgevers die geen gelden in
deposito nemen geen bankvergunning hoeven te verkrijgen en niet aan de
prudentiële vereisten van Richtlijn 2006/48/EG hoeven te voldoen tenzij de
lidstaten een striktere aanpak volgen en alleen vergunning houdende
bankinstellingen tot de microkredietverlening toelaten. Bovendien loopt, terwijl de prudentiële wetgeving
betreffende bankinstellingen tot op zekere hoogte bij Richtlijn 2006/48/EG is
geharmoniseerd, de regelgevingsaanpak van door niet-bancaire instellingen
verstrekt microkrediet zeer uiteen per land. In de meeste lidstaten zijn er
geen specifieke regels met betrekking tot deze niet-bancaire
microkredietgevers, die binnen het toepassingsgebied van de algemeen
toepasselijke ondernemingswetgeving vallen, terwijl specifieke
regelgevingskaders voor de verlening van microkrediet in de nationale wetgeving
kunnen zijn neergelegd, zoals bijvoorbeeld het geval is in Italië. Deze bevindingen hebben twee implicaties: –
instellingen met gelijkaardige activiteiten zijn in
de Unie niet aan dezelfde regelgevingsvereisten onderworpen; en –
Richtlijn 2006/48/EG is voor microkrediet mogelijk
niet zo nadelig als gezien het beperkte toepassingsgebied ervan had kunnen
worden verwacht. 3.2. Verschillende
factoren verlichten vaak de impact van de in Richtlijn 2006/48/EG neergelegde
prudentiële vereisten op microkredietactiviteiten hoewel er bepaalde lastige
gevolgen zijn 3.2.1. Richtlijn
2006/48/EG houdt geen rekening met de specifieke aard van microkrediet De specifieke aard van microkrediet wordt niet in
aanmerking genomen in de EU-bankenwetgeving. Het verlenen van microkrediet
wordt als een gewone kredietverleningsactiviteit beschouwd en valt onder de
regels die voor financiering en verstrekking van leningen gelden. Dit is ook
het geval met Richtlijn 2006/48/EG, die niet in specifieke prudentiële regels
voor microkrediet voorziet. Dat betekent dat voor de microkredietactiviteit van
banken geen vrijstelling van de prudentiële vereisten mogelijk is en dat er ook
geen specifieke regels zijn die de prudentiële vereisten in vergelijking met
die welke voor andere bankactiviteiten gelden, versoepelen. 3.2.2. Door
toegang tot publieke garantieregelingen kunnen verleners van microkrediet het
niveau van het eigen vermogen dat vereist is om het kredietrisico waaraan zij
zijn blootgesteld te dekken significant verminderen Microkredieten kunnen, doordat microkredietnemers
mogelijk teveel schulden hebben en traditioneel door banken vereiste garanties
ontbreken, een groot kredietrisico – dat wil zeggen het risico dat de
kredietnemer wanbetaalt alvorens de hoofdsom en de geplande rente
overeenkomstig het leencontract terug te betalen – inhouden. Als gevolg van
informatieasymmetrie kan dit kredietrisico worden onderschat. Richtlijn 2006/48/EG
vereist dat bancaire microkredietgevers ter dekking van dit risico een
minimumbedrag aan eigen vermogen aanhouden om solvent te blijven bij
wanbetaling van de kredietnemer. Volgens deze richtlijn kunnen de
bankinstellingen het minimumkapitaal berekenen aan de hand van verschillende
methoden met een variërende graad van complexiteit, namelijk de
standaardbenadering en de interne-ratingbenadering. Onder de
standaardbenadering, die het eenvoudigst is en het meest gangbaar bij kleine
bankinstellingen, is het risico van de microkredieten bepalend voor het
minimumniveau van eigen vermogen. Het risico wordt gemeten in termen van
risicogewichten (d.w.z., hoe risicovoller de lening voor de bank, hoe groter
het risicogewicht). Onder de standaardbenadering krijgen microkredieten een
gewicht van 75%[4] vanaf het moment dat er een lage correlatie tussen de microkredieten
is[5]. Banken dienen tier 1-kapitaal van ten minste 4%
van het risicogewogen bedrag aan microkredieten en een totaal kapitaal van ten
minste 8% aan te houden. Dat betekent dat het totale kapitaal ten minste 600
EUR dient te bedragen als de waarde van de microlening 10.000 EUR bedraagt (of 6%
van de waarde van de lening, na de weging van 75%). Niettemin hebben lokale,
regionale of nationale overheden in de meeste lidstaten
kredietgarantieregelingen geïmplementeerd waarmee een deel van het door
microkredietnemers gedragen risico wordt overgenomen. Die garantieregelingen
voorzien over het algemeen, als een absoluut bedrag en/of als een percentage
van het geleende bedrag (gewoonlijk 60 à 80% van de lening), in een maximaal
gewaarborgd bedrag. Zowel onder de standaardbenadering als de
interne-ratingbenadering mogen bankinstellingen het risicogewicht van de garant
aan het beschermde gedeelte toekennen (terwijl het risicogewicht van de
microkredietnemer aan het onbeschermde gedeelte wordt toegekend). Omdat die
overheidsgaranties vaak een risicogewicht van 0% of 20% hebben, kan het
minimumniveau van eigen vermogen dat bancaire microkredietverleners ter dekking
van het kredietrisico van microleningen dienen aan te houden sterk worden verminderd.
Het lijkt er dus op dat de bestaande kapitaalvereisten niet nadelig zijn voor
de microkredietactiviteit omdat het niveau van aan te houden eigen vermogen
veel lager dan 6% van het leningbedrag kan uitvallen. De komende prudentiële regels waarover momenteel
wordt onderhandeld, 'CRD IV/CRR', die vanaf 2013 Richtlijn 2006/48/EG zullen
vervangen, voorzien in een algemene verscherping van de kapitaalvereisten en
een verhoging van de kapitaalkwaliteit. Deze nieuwe regels, die het Bazel
III-kader in Europese bankwetgeving omzetten, strekken ertoe de EU-banksector
te versterken en de financiële stabiliteit te verbeteren. Maar de kmo’s hebben
hun bezorgdheid geuit over de impact van deze nieuwe regels[6] op de kredietverleningsvoorwaarden gezien de beperkte beschikbaarheid
van alternatieve financieringsbronnen naast het bankkanaal. Vandaar dat in het
CRDIV/CRR-voorstel (artikel 485 CRR) een bepaling is opgenomen op grond waarvan
de Europese Commissie drie jaar na de inwerkingtreding van CRD IV/CRR de
kapitaalvereisten voor blootstellingen aan kmo’s moet onderzoeken. Intussen
heeft de Europese Commissie in juli 2011 de Europese Bankautoriteit (EBA)
opgedragen de toereikendheid van de bestaande risicogewichten voor
kmo-kredietverlening[7] te analyseren en de impact te bepalen van i) een mogelijke verlaging
van deze risicogewichten en ii) het mogelijk optrekken tot 5 miljoen EUR van de
huidige drempel van 1 miljoen EUR waaronder de risicogewichten voor
blootstellingen aan kmo's gelden. In haar in oktober 2012 afgeronde rapport
waarschuwt de EBA voor elke permanente wijziging van de risicogewichten of de drempel
wanneer niet voldoende blijkt dat het verlaten van het Bazelakkoord gerechtvaardigd
is. Maar de EBA stelt alternatieve maatregelen voor om de kredietvoorwaarden
voor kmo’s te versoepelen zoals i) de invoering van een tijdelijke afwijking
van de kapitaalinstandhoudingsbuffer, ii) het minder streng maken van de
kapitaalvereisten tijdens economisch moeilijke perioden of iii) de invoering
van een tijdelijke ondersteunende afslag op de kapitaalvereisten zonder
wijziging van de risicogewichten. Zonder op de uitkomst van de onderhandelingen
over het CRDIV/CRR-voorstel vooruit te lopen, kan gesteld worden dat elk van de
voorgestelde maatregelen ook de verleners van microkrediet ten goede zal komen
omdat een microkrediet op vergelijkbare wijze als een lening aan een kmo wordt
behandeld. 3.2.3. Microkrediet
kan grotendeels van de limiet voor grote blootstellingen worden vrijgesteld die
bedoeld is om het concentratierisico te beperken Gezien de kleine omvang van microkredieten is er
theoretisch geen lening denkbaar waarvan de waarde hoger uitkomt dan 25% van
het toetsingsvermogen van de bancaire microkredietverlener (de
concentratierisicolimiet). Maar, indien de microleningen door dezelfde
tegenpartij, zoals een nationale of lokale overheid, worden gegarandeerd, kan
het gegarandeerde deel van de lening behandeld worden alsof het door de garant en
niet door de microkredietnemer is aangegaan, waardoor de limiet van 25% kan
worden overschreden. De blootstelling aan de publieke garant kan echter van de
toepassing van de limiet voor grote blootstellingen worden vrijgesteld. 3.2.4. De
vereisten inzake risicobeheer van de richtlijn dragen bij tot het verlichten van
de risico’s die de bancaire microkredietgevers lopen Richtlijn 2006/48/EG vereist dat bij bancaire
microkredietgevers een integraal risicobeheerproces operationeel is om al hun
risico’s te identificeren, te evalueren, te monitoren en te beheersen. Die
vereisten helpen microkredietgevers hun interne beheersingskaders te versterken
en effectieve risicobeheervaardigheden en risicobeheerstrategieën te
ontwikkelen, hetgeen op zijn beurt hun geloofwaardigheid en winstgevendheid ten
goede kan komen en de financiële stabiliteit van de microkredietsector
verbetert. Door de ontwikkeling van efficiënte interne beheersingskaders kunnen
bancaire microkredietgevers ook minder aan kredietrisico’s, witwassen van geld
en fraude door werknemers zijn blootgesteld. 3.2.5. Richtlijn
2006/48/EG vereist dat bancaire microkredietverleners aan prudentiële regels
voldoen om het liquiditeitsrisico te verlichten Aan de activazijde kan het microkredietgevers aan
een buffer van onbezwaarde, kwaliteitsvolle liquide activa ontbreken om het
hoofd te kunnen bieden aan liquiditeitsstress, aangezien microkredieten vaak
illiquide zijn en moeilijk in liquide instrumenten zijn om te zetten (middels
de uitgifte van gedekte obligaties of securitisatie). Aan de activazijde kunnen
deposito-instellingen met het risico van depositovlucht worden geconfronteerd
indien zij geen toegang hebben tot stabiele liquiditeitsbronnen van andere
bancaire, publieke of internationale instellingen. Richtlijn 2006/48/EG vereist dat bankinstellingen,
inclusief microkredietgevers, over gezonde liquiditeitsbeheerstrategieën,
liquiditeitsbeheergedragslijnen en liquiditeitsbeheerprocessen om dagelijks het
liquiditeitsrisico te identificeren, te meten, te monitoren en te beheersen en
over noodplannen voor het behandelen van liquiditeitsproblemen beschikken. 3.2.6. Richtlijn
2006/48/EG kan grote administratieve lasten met zich meebrengen die de
aantrekkelijkheid van microkrediet als bankactiviteit kunnen verminderen en het
vertrouwen van de financiële belegger in de microkredietverleners versterken De toepassing van de in Richtlijn 2006/48/EG
neergelegde vereisten kan voor zowel de toeziende autoriteiten als voor de
bancaire microkredietgevers onevenredig duur zijn vooral als deze laatsten geen
ernstig risico voor het bank- en betalingssysteem vormen. Hoe kleiner, gemeten
als een percentage van de totale activa, bancaire microkredietgevers zijn, hoe
hoger de kosten zijn die uit de toepassing van de prudentiële vereisten kunnen
resulteren. Daardoor kan de winstgevendheid van microkredietgeving dalen en de
attractiviteit ervan als bankactiviteit verminderen. Bepaalde prudentiële
vereisten, vooral die met betrekking tot prudentiële rapportage, het
risicobeoordelingsproces en kapitaaltoereikendheid, kunnen wel evenredig zijn
met de kleinere omvang en complexiteit van die instellingen, wat helpt om de
administratieve last te verlichten. Hoewel
microkredietinstellingen op het punt van financiële stabiliteit geen
significante systeemimpact hebben, kan het faillissement van een ervan de
geloofwaardigheid van de andere bancaire microkredietverleners beïnvloeden. Als
zodanig is het verheugend dat als gevolg van de richtlijn de kans dat
ondernemingen failliet gaan kleiner is. Bovendien kan dankzij de prudentiële
vereisten voor banken het vertrouwen van de financiële belegger in
microkredietverleners als veilige bestemming voor beleggingsgelden vergroten.
Een en ander kan ertoe bijdragen dat microkredietinstellingen meer lange financiering
kunnen aantrekken waardoor zij een significantere schaal kunnen bereiken en aan
hun klanten een bredere waaier van diensten kunnen verlenen. 4. Conclusies De Europese Commissie erkent de noodzaak om de
verlening van microkrediet en de ontwikkeling van microkredietverleners te
bevorderen. Er moet aan worden herinnerd dat de Europese Commissie, met name
met de initiatieven JEREMIE en JASMINE en de in 2010 opgestarte Europese
Progress-microfinancieringsfaciliteit, op dit gebied zeer actief bezig is met het
verhogen van de beschikbaarheid van microkrediet voor het terugdringen van de
jongerenwerkloosheid en hulp bij het opzetten of ontwikkelen van een
onderneming. In deze context menen noch de Europese Commissie,
noch een aantal nationale overheden dat de prudentiële vereisten als in
Richtlijn 2006/48/EG neergelegd de ontwikkeling van microkredietactiviteiten
belemmeren. Zoals eerder in dit rapport opgemerkt, lijken deze prudentiële
regels voor microkrediet in de EU niet zo nadelig als kon worden verwacht, waardoor
zij niet op de specifieke kenmerken van de microkredietactiviteiten hoeven te
worden toegesneden. Bovendien brengt microkrediet een brede groep van actoren
bij elkaar die niet aan gelijksoortige wetten en regels zijn onderworpen en
wordt microkrediet in de lidstaten anders behandeld afhankelijk van het
beleidskader en de geldende wetgeving. Gezien deze heterogene situatie in
combinatie met het gebrek aan een consistente en gangbare definitie van
microkrediet, zouden alle maatregelen om het prudentiële en regelgevingskader
te wijzigen vooraf zorgvuldig moeten worden overwogen om te garanderen dat de
microkredietactiviteiten werkelijk worden bevorderd. Er kan ook worden geargumenteerd dat geen
prudentiële hervormingen nodig zijn als de ontwikkeling van microkrediet geacht
wordt in belangrijke mate door niet-prudentiële factoren te worden gedreven.
Dat betekent niet dat prudentiële regelgeving geen impact heeft op de
ontwikkeling van die activiteiten, maar dat prudentiële factoren in de
ontwikkeling van microkrediet geen kritieke rol spelen en prudentiële
hervormingen niet noodzakelijk maken. In plaats daarvan zou een aantal gebieden
buiten de prudentiële sfeer het aandachtsgebied voor hervormingen kunnen zijn.
Zo zou het aanbod van microkredieten kunnen worden bevorderd door het scheppen
van een gunstiger algemeen klimaat voor instellingen die in microkrediet
gespecialiseerd zijn door hun toegang tot financiële middelen te
vergemakkelijken. Deze ontwikkeling zou kunnen worden bevorderd door een breder
aanbod van leninggaranties, stimulering van nauwere samenwerking tussen banken
en niet-banken of meer financiële transparantie. Bij deze aanpak kan de ontwikkeling van
vrijwillige gedragscodes zoals bijvoorbeeld die welke de jongste jaren door de
microkredietsector zelf, of meer recent door de Europese Commissie[8], zijn gepubliceerd bijdragen tot de erkenning en geloofwaardigheid van
de microkredietverstrekkers die ertoe toetreden. Onderzoek, buiten de
werkingssfeer van Richtlijn 2006/48/EG om, van het consumentenbeschermingsklimaat
voor microkrediet, en alle passende verbeteringen, kunnen eveneens positieve
effecten hebben op de microkredietactiviteiten. Ten slotte zou wanneer
meer aandacht aan het institutionele kader voor zelfstandig ondernemerschap en
micro-ondernemingen wordt geschonken de kans ervan op succes groter worden en
microkrediet winstgevender worden. Ook zouden maatregelen kunnen worden
bevorderd om de wettelijke en administratieve regimes te vereenvoudigen of de
stap van werkloosheid of sociale bijstand naar zelfstandig ondernemerschap vlot
te laten verlopen. [1] Richtlijn 2009/111/EG van 16
september 2009 tot wijziging van de Richtlijnen 2006/48/EG, 2006/49/EG en 2007/64/EG
wat betreft banken die zijn aangesloten bij centrale instellingen, bepaalde
eigenvermogensbestanddelen, grote posities, het toezichtkader en het
crisisbeheer. [2] Richtlijn 2006/48/EG van het
Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de toegang tot en de
uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen. [3] De Europese Commissie noemt dit bedrag in de
EU-microkredietprogramma’s. [4] Feitelijk
hebben alle blootstellingen aan kleine en middelgrote ondernemingen, inclusief
microkredieten, hetzelfde risicogewicht, ongeacht de grootte, de aard (krediet-
of liquiditeitfaciliteit, persoonlijke lening, enz.) en het risicoprofiel van
de tegenpartij. [5] Een microkredietportefeuille is minder risicovol dan het gewogen
gemiddelde risico van haar samenstellende microkredieten als het om een
significant aantal leningen gaat en het kredietrisico van die leningen niet
gelijktijdig groter en kleiner wordt. [6] Met name de invoering van de zogenaamde kapitaalinstandhoudingsbuffer (2,5%
van de risicogewogen activa naast het huidige 8%-vereiste) die tussen 2016 en 2019
zou worden ingefaseerd. [7] De risicogewichten worden in het
CRD IV/CRR-voorstel ongewijzigd gelaten. [8] In oktober 2011 heeft de Europese
Commissie een integrale Europese gedragscode voor de verlening van microkrediet
uitgegeven die samen met individuele microkredietverstrekkers, banken en de
desbetreffende nationale en Europese beroepsorganisaties, toezichthouders,
academici en ratingbureaus is ontwikkeld.