VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD Zevende verslag betreffende de handhaving, door bepaalde derde landen, van de visumplicht in strijd met het wederkerigheidsbeginsel /* COM/2012/0681 final */
VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET
EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD Zevende verslag
betreffende de handhaving, door bepaalde derde landen, van de visumplicht in
strijd met het wederkerigheidsbeginsel INHOUDSOPGAVE 1........... Inleiding.......................................................................................................................... 4 2........... Resultaten sinds het zesde
verslag van de Commissie over wederkerigheid....................... 5 2.1........ Australië......................................................................................................................... 5 2.2........ Brazilië........................................................................................................................... 7 2.3........ Brunei Darussalam.......................................................................................................... 8 2.4........ Canada.......................................................................................................................... 8 2.5........ Japan........................................................................................................................... 11 2.6........ Verenigde Staten van Amerika
("VS")........................................................................... 12 3........... Conclusie..................................................................................................................... 16 BIJLAGE................................................................................................................................... 18 1. Inleiding Verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad
van 15 maart 2001[1]
tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij
overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum
(bijlage I bij de verordening; hierna de "negatieve lijst" genoemd)
en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld
(bijlage II bij de verordening; hierna de "positieve lijst" genoemd)
is het basisinstrument voor het gemeenschappelijk visumbeleid en bevat een
wederkerigheidsmechanisme voor gevallen waarin een derde land op de positieve
lijst een visumplicht handhaaft of invoert ten aanzien van de onderdanen van
een of meer lidstaten. Het huidige wederkerigheidsmechanisme voor
visa is ingevoerd bij Verordening (EG) nr. 851/2005 van de Raad van 2 juni 2005
tot wijziging van Verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad[2]. In het kader van dit
mechanisme moet de Commissie, wanneer een derde land dat op de positieve lijst
staat, een visumplicht invoert voor onderdanen van een of meer lidstaten,
maatregelen nemen om de visumvrijstelling door het betrokken land te laten
herstellen en de Raad een verslag verstrekken dat vergezeld kan gaan van een
voorstel dat voorziet in de tijdelijke herinvoering van de visumplicht ten
aanzien van de onderdanen van het betrokken derde land. Bovendien brengt de
Commissie tweejaarlijks aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over
de niet-wederkerigheidssituatie en dient zij in voorkomend geval passende
voorstellen in. Uit de zes periodieke verslagen over
visumwederkerigheid die tot dusver door de Commissie zijn opgesteld[3] blijkt dat het huidige
wederkerigheidsmechanisme vrij doeltreffend is geweest: door de inspanningen
van de Commissie en de betrokken lidstaten is het aantal gevallen van
niet-wederkerigheid waarvan sprake was bij de inwerkingtreding ervan of bij de
inwerkingtreding van het Toetredingsverdrag van 2005[4] - in totaal bijna honderd
gevallen met 18 derde landen – aanzienlijk gedaald. Naast de zes periodieke verslagen heeft de
Commissie ook één ad-hocverslag opgesteld over de herinvoering door Canada van
de visumplicht voor Tsjechische onderdanen in juli 2009[5]. Dat is het enige geval sinds
de invoering van het huidige wederkerigheidsmechanisme voor visa in 2005 waarin
een derde land van de positieve lijst de visumplicht voor onderdanen van een
lidstaat weer heeft ingevoerd. Uit de tot dusver door de Commissie
opgestelde verslagen over visumwederkerigheid blijkt dat slechts een zeer
beperkt aantal gevallen van niet-wederkerigheid blijft bestaan. In haar zesde
verslag over wederkerigheid stelde de Commissie: “Bij de aanpak van de resterende gevallen
van niet-wederkerigheid, dat wil zeggen ten aanzien van de VS (visumplicht voor
Bulgarije, Cyprus, Roemenië en Polen) en Canada (visumplicht voor Bulgarije en
Roemenië), wordt de EU geconfronteerd met de beperkingen van haar wederkerigheidsmechanisme
zoals vastgelegd in het huidige acquis. In deze gevallen wordt door derde
landen geoordeeld dat lidstaten niet voldoen aan objectieve criteria voor
visumvrijstelling die door deze derde landen eenzijdig zijn vastgesteld in hun
binnenlandse wetgeving (zoals het niet afgeven van biometrische paspoorten of
het niet voldoen aan drempelwaarden voor het visumweigeringspercentage en/of
het percentage overschrijdingen van de visumduur).” Bijgevolg nodigde de Commissie het Europees
Parlement, de Raad en de lidstaten uit om na te denken over de wijze waarop
deze gevallen van niet-wederkerigheid verder konden worden aangepakt. In maart 2011 nam het Europees Parlement
een verklaring aan waarin het onder meer opriep tot een herziening van het
bestaande wederkerigheidsmechanisme[6]. In haar voorstel van 24 mei 2011 tot
wijziging van Verordening (EG) nr. 539/2001[7]
van de Raad heeft de Commissie voorgesteld het bestaande
wederkerigheidsmechanisme te wijzigen in het licht van de gevolgen van de
inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon, door het Europees Parlement
daarin een rol te geven in het kader van de medebeslissingsprocedure. Na
suggesties van sommige lidstaten en rekening houdend met de oproepen van het
Europees Parlement voor een nieuw wederkerigheidsmechanisme, onderhandelt de
Commissie thans met het Europees Parlement en de Raad over de herziening van
het bestaande wederkerigheidsmechanisme om het doeltreffender te maken en er
tegelijk voor te zorgen dat de bepalingen van de Verdragen ten volle worden
nageleefd. Het nieuwe, herziene wederkerigheidsmechanisme moet er met name voor
zorgen dat er sneller en doeltreffender wordt gereageerd wanneer een derde land
van de positieve lijst een visumplicht oplegt voor een of meer lidstaten. Overeenkomstig de bepalingen van het
bestaande wederkerigheidsmechanisme omvat dit zevende verslag over
visumwederkerigheid een overzicht van de resultaten van de inspanningen die
sinds de goedkeuring van het zesde verslag op 5 november 2010 zijn geleverd met
het oog op volledige visumwederkerigheid met alle derde landen van de positieve
lijst. 2. Resultaten
sinds het zesde verslag van de Commissie over wederkerigheid 2.1. Australië Situatie ten tijde van het zesde
wederkerigheidsverslag Sinds 27 oktober 2008 hebben de onderdanen
van alle lidstaten en van de met Schengen geassocieerde landen het recht
gebruik te maken van het eVisitor-systeem[8].
De Commissie was van oordeel dat het eVisitor-systeem in beginsel in gelijke
behandeling van de onderdanen van alle lidstaten en van de met Schengen
geassocieerde landen voorziet. Toch laten de driemaandelijkse verslagen met
statistieken over de toepassing van het eVisitor-systeem zien dat Australië op
grond van bedenkingen in verband met de integriteit aanvragen van onderdanen
van sommige lidstaten hoofdzakelijk manueel verwerkt om deze aanvragen nader te
kunnen bestuderen. Daarom is de Commissie de verwerking van eVisitor-aanvragen
van nabij blijven volgen. De Commissie zou in een afzonderlijk document haar
beoordeling van de gelijkwaardigheid van eVisitor met de Schengenprocedure voor
visumaanvragen presenteren. Huidige situatie Onderdanen van alle lidstaten en met
Schengen geassocieerde landen blijven het eVisitor-systeem gebruiken, hoewel de
aanvragen van de onderdanen van bepaalde lidstaten hoofdzakelijk manueel worden
verwerkt om aanvullend onderzoek door de Australische autoriteiten mogelijk te
maken. Verwerking van eVisitor-aanvragen Australië heeft de Commissie periodieke,
driemaandelijkse verslagen verstrekt met statistieken over de toepassing van
het eVisitor-systeem van 1 juli 2010 tot en met 30 september 2011. Uit de driemaandelijkse verslagen blijkt
dat het gemiddelde percentage van automatische toekenningen zeer hoog blijft
(86,36 %). De automatische toekenning is een geautomatiseerde procedure
waarmee een eVisitor-aanvraag wordt gecontroleerd en wanneer de automatische
controles bevredigend zijn, de eVisitor-toestemming wordt verleend, doorgaans
binnen enkele minuten nadat de aanvraag werd ingediend. Van alle lidstaten hadden Bulgarije en Roemenië
de laagste percentages van automatische toekenning en deze percentages daalden
in de verslagperiode (van 37 % voor beide landen in het driemaandelijkse
verslag over de periode van 1 juli 2010 tot en met 30 september 2010, tot
respectievelijk 18 % en 23 % in het driemaandelijkse verslag over de periode
van 1 juli 2011 tot en met 30 september 2011). Omdat het bedenkingen heeft in
verband met de integriteit van aanvragen uit Bulgarije en Roemenië heeft
Australië besloten meer van die aanvragen manueel te verwerken. Bijgevolg
worden deze aanvragen onderzocht en wordt de eVisitor-vergunning
toegekend/geweigerd binnen twee tot tien werkdagen. Voorts is uit de verslagen gebleken dat
Bulgarije, Letland, Litouwen en Roemenië de lidstaten zijn met de hoogste Modified
Non-Return Rate (MNRR). De MNRR is het berekende percentage bezoekers die het
land zijn binnengekomen, van wie het eerste visum is verlopen binnen de
verslagperiode en die hetzij onwettig in Australië hebben verbleven of
Australië hebben verlaten met een verlopen visum, hetzij om een ander
vervolgvisum hebben verzocht dan een visum dat in het belang van Australië
wordt geacht. De hoogste MNRR-percentages verschilden aanzienlijk tussen de
driemaandelijkse verslagperiodes (van 9,84 % voor Letland tijdens het trimester
van 1 oktober 2010 tot en met 31 december 2010, tot 4,45 % voor Litouwen
tijdens het trimester van 1 april 2011 tot en met 30 juni 2011 en voor Roemenië
tijdens het trimester van 1 juli 2011 tot en met 30 september 2011, terwijl de
gemiddelde MNRR-percentages tussen 1,69 % en 0,62 % schommelden). Naar aanleiding van het verzoek van de
Australische autoriteiten op de EU-Australië-dialoog tussen hooggeplaatste
ambtenaren over migratie, asiel en diversiteitskwesties van 28 november 2011,
werd overeengekomen dat Australië in de toekomst op verzoek van de Commissie
ad-hocverslagen zou opstellen over statistieken betreffende de toepassing van
het eVisitor-systeem, om de Commissie in staat te stellen de verwerking van
eVisitor-aanvragen van nabij te volgen. Zoals reeds in het zesde verslag over
visumwederkerigheid werd vermeld, zal de beoordeling van de gelijkwaardigheid
van het eVisitor-systeem met de Schengenprocedure voor visumaanvragen in een
afzonderlijk document worden gepresenteerd, samen met de beoordeling van de
Final Rule over ESTA (systeem voor elektronische reisvergunningen) (zie punt
2.6. hieronder), gelet op hun gelijkaardige kenmerken. Beoordeling In beginsel blijft het eVisitor-systeem nog
steeds gelijke behandeling garanderen van de onderdanen van alle lidstaten en
van de met Schengen geassocieerde landen. Overigens blijft het gemiddelde
percentage van automatische toekenningen constant en zeer hoog. De huidige
situatie leidt niet tot problemen voor EU-burgers. De Commissie zal echter de
verwerking van eVisitor-aanvragen van nabij blijven volgen om haar beoordeling
van de gelijkwaardigheid van het eVisitor-systeem met de Schengenprocedure voor
visumaanvragen te kunnen voltooien. 2.2. Brazilië Situatie ten tijde van het zesde
wederkerigheidsverslag In april 2010 werden overeenkomsten tussen
de EU en Brazilië over visumvrijstelling voor kort verblijf voor houders van
diplomatieke paspoorten, dienstpaspoorten of officiële paspoorten en voor
houders van gewone paspoorten door beide partijen geparafeerd. De Commissie
heeft getracht de twee overeenkomsten spoedig door de Europese Unie te laten
ratificeren en zich ertoe verbonden de ratificatie door Brazilië te blijven
volgen om ervoor te zorgen dat de onderdanen van alle lidstaten visumvrij naar
Brazilië kunnen reizen. Huidige situatie Op 8 november 2010 werden de overeenkomsten
tussen de Europese Unie en Brazilië over visumvrijstelling voor kort verblijf
voor houders van diplomatieke paspoorten, dienstpaspoorten of officiële paspoorten
en voor houders van gewone paspoorten officieel ondertekend. Op 24 februari 2011 heeft de Raad de
besluiten aangenomen tot sluiting van de twee overeenkomsten met Brazilië over
visumvrijstelling voor kort verblijf, en daarvan werd onmiddellijk kennis
gegeven aan Brazilië. De Braziliaanse regering heeft op 7
december 2010 de overeenkomst over visumvrijstelling voor kort verblijf voor
houders van diplomatieke paspoorten, dienstpaspoorten of officiële paspoorten
goedgekeurd. Bijgevolg is deze overeenkomst op 1 april 2011 in werking getreden
en derhalve is er nu sprake van volledige visumwederkerigheid voor deze
categorieën paspoorthouders. In juni 2011 heeft de Commissie de
Braziliaanse minister van Buitenlandse Zaken een brief gestuurd waarin zij informeerde
naar de stand van zaken over de interne Braziliaanse ratificatieprocedures voor
de overeenkomst over visumvrijstelling voor kort verblijf voor houders van
gewone paspoorten, en er bij de Braziliaanse autoriteiten op aandrong dat het
land blijk zou geven van zijn vastberadenheid om aan alle EU-burgers een
visumvrijstelling toe te kennen – ook aan de onderdanen van vier lidstaten
(Cyprus, Estland, Letland en Malta) die nog aan een visumplicht zijn
onderworpen om Brazilië binnen te komen – door die overeenkomst zo snel
mogelijk te ratificeren. De overeenkomst over visumvrijstelling voor
kort verblijf voor houders van gewone paspoorten werd op 3 oktober 2011 ter
ratificatie aan het Braziliaanse Congres voorgelegd. Op de EU-Brazilië-top van
4 oktober 2011 in Brussel wezen beide partijen op het belang van een zo spoedig
mogelijke inwerkingtreding van deze overeenkomst. Na de goedkeuring van deze overeenkomst
door de Kamer van Afgevaardigden op 19 april 2012 en door de Senaat op 27 juni
2012, is de ratificatieprocedure in Brazilië voltooid. Na de kennisgeving door
Brazilië is de overeenkomst tussen de EU en Brazilië over visumvrijstelling
voor kort verblijf voor houders van gewone paspoorten op 1 oktober 2012 in
werking getreden. Beoordeling De Commissie is verheugd over de
inwerkingtreding van de overeenkomst over visumvrijstelling voor kort verblijf
voor houders van diplomatieke paspoorten, dienstpaspoorten of officiële
paspoorten op 1 april 2011. De Commissie is ook verheugd over de voltooiing van
de ratificatieprocedure langs Braziliaanse kant –weliswaar met aanzienlijke
vertraging - van de overeenkomst tussen de EU en Brazilië over
visumvrijstelling voor kort verblijf voor houders van gewone paspoorten na de
goedkeuring door de Kamer van Afgevaardigden op 19 april 2012 en de Senaat
op 27 juni 2012. De Commissie verwelkomt ook de volledige uitvoering van de
overeenkomst sinds 1 oktober 2012, waardoor er sprake is van volledige
wederkerigheid van visumvrijstelling met Brazilië, ook voor de onderdanen van de
vier lidstaten waarvoor nog een visumplicht gold om voor een kort verblijf naar
Brazilië te reizen. 2.3. Brunei
Darussalam Situatie ten tijde van het zesde
wederkerigheidsverslag De onderdanen van alle lidstaten konden
gebruik maken van een visumvrijstelling van 30 dagen die ter plaatse voor twee
termijnen van elk 30 dagen kon worden verlengd tot een maximaal verblijf zonder
visum van 90 dagen. Op 24 juni 2010 heeft de Commissie de autoriteiten van
Brunei Darussalam formeel verzocht EU-onderdanen een visumvrijstelling van 90
dagen te verlenen om tot volledige wederkerigheid inzake visumvrijstelling te
komen. Huidige situatie Als antwoord op de brief van de Commissie
van 24 juni 2010 hebben de autoriteiten van Brunei Darussalam de Commissie bij
brief van 30 september 2011 gemeld dat aan de onderdanen van alle EU-lidstaten
thans een visumvrijstelling van 90 dagen wordt verleend, waardoor volledige
wederkerigheid inzake visumvrijstelling is gegarandeerd. Op 5 januari 2012 heeft de Commissie de
autoriteiten van Brunei Darussalam formeel verzocht om de termijn van visumvrij
verblijf ook tot 90 dagen te verlengen voor de onderdanen van de met Schengen
geassocieerde landen, die al over een visumvrijstelling voor een verblijf tot
30 dagen beschikken in het geval van IJsland en Noorwegen en tot 14 dagen
in het geval van Liechtenstein en Zwitserland. Bij brief van 15 oktober 2012
hebben de autoriteiten van Brunei Darussalam de Commissie geïnformeerd dat de onderdanen
van IJsland, Noorwegen en Zwitserland thans 90 dagen zonder visum in Brunei
Darussalam kunnen verblijven. Beoordeling De Commissie verheugt zich erover dat
Brunei Darussalam vanaf 30 september 2011 de visumvrijstelling tot 90 dagen
heeft verlengd voor onderdanen van alle lidstaten en op die manier zorgt voor
volledige wederkerigheid inzake visumvrijstelling. Zij verheugt zich ook over
de verlenging van de visumvrijstelling tot 90 dagen voor de onderdanen van
IJsland, Noorwegen, en Zwitserland sedert 15 oktober 2012. De Commissie is nu
voornemens om de autoriteiten van Brunei Darussalam formeel te verzoeken om de
termijn van visumvrij verblijf ook voor de onderdanen van Liechtenstein tot 90
dagen te verlengen. 2.4. Canada Situatie ten tijde van het zesde
wederkerigheidsverslag In de context van de uitvoering van het
"traject van maatregelen", dat Tsjechië en Canada zijn overeengekomen
in het kader van de Canadees-Tsjechische deskundigengroep had Canada zich ertoe
verbonden om vóór 2010 een informatiemissie naar Tsjechië te organiseren,
hetgeen concrete vooruitzichten opende voor een besluit van Canada om de
visumvrijstelling voor Tsjechische onderdanen opnieuw in te voeren. Voorts
deelde Canada mee dat de uitvoeringsverordeningen voor de “Balanced Refugee
Reform Act” naar verwachting zouden worden aangenomen en dat de wet voor
eind 2011 in werking zou treden. De Commissie beloofde de voortgang van de
uitvoering van het traject van maatregelen van nabij te blijven volgen, in het
bijzonder of Canada wel snel een passend gevolg gaf aan zijn informatiemissie
naar Tsjechië. Ingeval deze missie leidt tot een positieve beoordeling,
verwacht de Commissie dat Canada de visumplicht voor Tsjechische onderdanen
onmiddellijk opheft, overeenkomstig zijn eerder gedane toezeggingen in het
kader van het “traject van maatregelen”. De Commissie merkte op dat
overeenkomstig de notulen van de tweede vergadering van de Canadees-Tsjechische
deskundigengroep op 15 maart 2010 waarover Tsjechië, Canada en de Commissie
overeenstemming hebben bereikt, “de goedkeuring van de nieuwe asielwetgeving
van Canada – die wellicht niet voor 2013 wordt ingevoerd – geen voorwaarde mag
zijn voor opheffing van de visumplicht; de uitvoering van het traject van
andere maatregelen zou Canada moeten kunnen doen besluiten de visumplicht op te
heffen voordat deze nieuwe Canadese asielwetgeving wordt ingevoerd”. Bulgarije en Roemenië voldoen nog niet aan
alle door Canada opgelegde criteria voor visumvrijstelling. De Commissie
beloofde de situatie van nabij te blijven volgen en het overleg met Canada
voort te zetten om met de opheffing van de visumplicht voor onderdanen van
Bulgarije en Roemenië vooruitgang te boeken. Huidige situatie Canada heeft een informatiemissie naar
Tsjechië georganiseerd van 31 januari tot 4 februari 2011. De
Commissie heeft Canada bij elke gelegenheid en op alle niveaus verzocht om het
verslag van deze informatiemissie, onder meer tijdens een ontmoeting tussen
commissaris Malmström en de Canadese minister voor Immigratie, Burgerschap en
Multiculturalisme Kenney op 30 augustus 2011, door een demarche van de
EU-delegatie in Canada op 23 november 2011 en op een bijeenkomst van de
Europese Dienst voor extern optreden en viceminister Yeates op 17 januari
2012. Op 30 augustus 2011 hebben de Canadese
autoriteiten de Commissie meegedeeld dat de uitvoering van de "Balanced
Refugee Reform Act" was uitgesteld van december 2011 tot juni 2012. Op 16 februari 2012 heeft de Canadese
regering – thans een meerderheidsregering na de algemene verkiezingen van mei
2011 – een nieuw wetsontwerp ingediend, "Protecting Canada's
Immigration System Act" waarmee onder meer de kwestie van ongegronde
asielaanvragen van EU-onderdanen wordt geregeld. Dat nieuwe wetsontwerp heeft
als doel misbruik van de Canadese immigratie- en vluchtelingenregeling te
voorkomen, de door valse en onrechtmatige vluchtelingenaanvragen veroorzaakte
druk op die regeling weg te nemen en de verwerkingstermijnen en achterstand te
verkleinen. Het wetsontwerp voorziet onder meer in een aanzienlijke verkorting
van de termijn voor de behandeling van asielaanvragen uit zogenaamde aangewezen
landen van herkomst. Naar verwachting zullen de meeste EU-lidstaten als
aangewezen landen van herkomst worden aangemerkt. Op 8 maart 2012 heeft Canada de Commissie
een conceptdocument verstrekt over een mogelijke overeenkomst tussen de EU en
Canada over het beheer van asielzoekersstromen; het sluiten van een dergelijke
overeenkomst kan volgens Canada de problemen in verband met de ongegronde
asielaanvragen van EU-onderdanen mede helpen op te lossen en zou ertoe leiden
dat Canada de visumplicht voor onderdanen van Bulgarije, Tsjechië en Roemenië
opheft. Sindsdien heeft de Commissie met hoge Canadese ambtenaren
voorbereidende gesprekken gevoerd over het conceptdocument en daarin gewezen op
het feit dat het door Canada voorgestelde mechanisme niet haalbaar is om een
aantal juridische en politieke redenen. Een dergelijke overeenkomst zou met
name in strijd zijn met grondbeginsel uit het VEU dat de lidstaten elkaar
wederzijds erkennen als veilige landen van herkomst en met de goede werking van
het gemeenschappelijk Europees asielstelsel. Bovendien bevatten de Verdragen
geen rechtsgrondslag voor het sluiten van overeenkomsten tussen de EU en een
derde land betreffende EU-onderdanen die in dat derde land asiel aanvragen. De "Protecting Canada's Immigration
System Act" werd op 28 juni 2012 aangenomen. Deze wet zal volledig ten
uitvoer worden gelegd zodra aanvullende verordeningen en
uitvoeringsrichtsnoeren zijn vastgesteld en extra personeel is aangeworven en
opgeleid. Sommige maatregelen van de nieuwe wet zijn onmiddellijk na de
goedkeuring ervan in werking getreden terwijl andere maatregelen later dit jaar
in werking zullen treden op een door de Canadese regering nader te bepalen
datum[9].
De "Balanced Refugee Reform Act", die op 29 juni 2012 in
werking moest treden, werd ingetrokken. De Canadese autoriteiten hebben
onderstreept dat de nieuwe wet de “pull”-factoren zal helpen verminderen, maar
dat de “push”-factoren die aan de basis liggen van de huidige onbevredigende
situatie, blijven bestaan. Daarom zijn zij van oordeel dat samen met de EU
extra maatregelen moeten worden genomen om het probleem aan te pakken. De
Commissie en Canada hebben besloten om informeel technisch overleg te plegen op
deskundigenniveau om uit te kijken naar alternatieve oplossingen voor het
probleem van de ongegronde asielaanvragen van EU-onderdanen. Het eerste
technisch overleg vond op 25 juni 2012 plaats. De Commissie heeft de Canadese
autoriteiten gedetailleerde informatie gegeven over de belangrijkste beginselen
die aan het relevante EU-beleid ten grondslag liggen, teneinde mogelijke ideeën
te kunnen formuleren voor verdere follow-up. De Canadese autoriteiten hebben
gemeld dat de tenuitvoerleggingsprocedure van de "Protecting Canada's
Immigration System Act" voor eind 2012 voltooid zal zijn. Beoordeling Wat het visumprobleem tussen Tsjechië en
Canada betreft, betreurt de Commissie dat Canada haar het verslag over de
informatiemissie naar Tsjechië tot nu toe niet heeft verstrekt, noch een andere
geschikte basis voor samenwerking tussen Tsjechië, Canada en de Commissie in
het kader van het overeengekomen "traject van maatregelen". Het uitblijven van een oplossing voor dat
probleem zou ook een ongunstig effect kunnen hebben voor de goedkeurings- en
ratificatieprocedures van verscheidene belangrijke overeenkomsten tussen de EU
en Canada waarover thans wordt onderhandeld. In dit verband verwijst de
Commissie naar de Verklaring van het Europees Parlement van 8 maart 2011
"Herstel van wederkerigheid in de visumregeling - solidariteit met de
ongelijke status van Tsjechische onderdanen na de unilaterale invoering van de
visumplicht door Canada"[10]
waarin het Europees Parlement Canada oproept de visumplicht voor de drie
betrokken lidstaten zo snel mogelijk op te heffen en – tenzij deze inbreuk op
de wederkerigheid snel wordt ongedaan gemaakt - de EU oproept
vergeldingsmaatregelen van gelijksoortige zwaarte te treffen, en waarin wordt
gewezen op de risico's voor de toekomstige ratificatie van de uitgebreide
economische en handelsovereenkomst tussen de EU en Canada. De Commissie is van oordeel dat de
bepalingen van de nieuwe Canadese wet "Protecting Canada's Immigration
System Act", die is aangenomen op 28 juni 2012, en met name het
besluit om EU-lidstaten als veilige landen van herkomst aan te merken en om
door hun onderdanen ingediende aanvragen in een versnelde procedure te
behandelen, een afschrikkende werking zouden moeten hebben tegen toekomstige
ongegronde asielaanvragen uit de EU. Bijgevolg verwacht de Commissie dat Canada
de visumplicht voor Tsjechische onderdanen opheft zodra de betrokken bepalingen
van de nieuwe wet in werking treden. In het kader van het informeel technisch
overleg op deskundigenniveau tussen de Commissie en Canada dat plaatsvond op 25
juni 2012, heeft de Commissie zich ertoe verbonden te zoeken naar manieren om
nauwer samen te werken en uit te kijken naar mogelijke alternatieve
voorstellen, samen met Canada en in volledige coördinatie met de betrokken
lidstaten, teneinde het probleem van de toenemende aantallen uit de EU
afkomstige asielzoekers in Canada op te lossen. Dergelijke maatregelen om
nauwer samen te werken, mogen echter geen noodzakelijke voorwaarde zijn voor
het opheffen door Canada van de visumplicht. De Commissie zal de kwestie van
niet-wederkerigheid in haar contacten met Canada aan de orde blijven stellen
teneinde zo snel mogelijk volledige wederkerigheid in het visumbeleid te
verwezenlijken. 2.5. Japan Situatie ten tijde van het zesde
wederkerigheidsverslag Onderdanen van alle lidstaten hebben
visumvrij kunnen reizen naar Japan. De visumvrijstelling voor onderdanen van
Roemenië was echter slechts op tijdelijke basis verleend, van 1 september 2009
tot en met 31 december 2011. De Commissie sprak de hoop uit dat de
evaluatie van het eerste jaar van de tijdelijke visumvrijstelling voor
Roemeense onderdanen door het Japanse Immigratiebureau, die betrekking had op
de periode september 2009 – augustus 2010, voor Japan aanleiding zou zijn om de
tijdelijke visumvrijstelling om te zetten in een permanente. Huidige situatie Onderdanen van alle lidstaten kunnen nog
steeds visumvrij reizen naar Japan. Voor Roemeense onderdanen geldt echter nog
steeds slechts een tijdelijke visumvrijstelling. Op basis van de resultaten van
de evaluatie van de eerste periode van de tijdelijke visumvrijstelling voor
Roemeense onderdanen (september 2009 – augustus 2010) heeft Japan besloten door
te gaan met de uitvoering van de tijdelijke visumvrijstelling voor de tweede
periode (september 2010 – december 2011). Japan heeft zijn bezorgdheid geuit
over het voldoen aan de voorwaarden voor binnenkomst en/of verblijf van
Roemeense onderdanen. Als reactie op de bezorgdheid van Japan
heeft het Roemeense ministerie van Bestuur en Binnenlandse Zaken een attaché
naar de ambassade van Roemenië in Japan gezonden en hebben de Roemeense
autoriteiten een voorlichtingscampagne opgezet over de voorwaarden voor
binnenkomst en verblijf in Japan, overeenkomstig de voorwaarden voor de
tijdelijke opheffing van de visumplicht. De Commissie heeft op 26 juli 2011 en 7
december 2011 bilaterale bijeenkomsten gehouden met de Japanse autoriteiten en
op 10 november 2011 een technische tripartiete vergadering met de Roemeense en
de Japanse autoriteiten, om te overleggen over de bezorgdheid van Japan over
het aantal gevallen van onregelmatige binnenkomst en/of verblijf van Roemeense
onderdanen in Japan. De Commissie heeft de Japanse autoriteiten opgeroepen om
bij hun beoordeling van de tijdelijke visumvrijstelling rekening te houden met
het zeer beperkte aantal gevallen van onregelmatige binnenkomst en/of verblijf
van Roemeense onderdanen in Japan. De Commissie heeft voorgesteld nog een
tripartiete vergadering te houden met de Roemeense en de Japanse autoriteiten
om naar specifieke maatregelen te zoeken waarmee het aantal gevallen van
illegaal verblijf kan worden verminderd. Op 28 december 2011 heeft Japan besloten om
de uitvoering van de tijdelijke visumvrijstelling te verlengen tot 31 december
2012, op voorwaarde dat er een attaché van het ministerie van Bestuur en
Binnenlandse Zaken in de ambassade van Roemenië in Japan blijft en dat de
Roemeense autoriteiten voorlichtingscampagnes blijven organiseren over de
voorwaarden voor binnenkomst en verblijf in Japan en over de risico’s van
mensenhandel. Beoordeling De Commissie is verheugd over het besluit
van de Japanse autoriteiten om de tijdelijke visumvrijstelling voor Roemeense
onderdanen te verlengen tot 31 december 2012. De Commissie is vastbesloten om
in nauwe samenwerking met de Roemeense autoriteiten naar passende oplossingen
te zoeken voor de bezorgdheid die de Japanse autoriteiten hebben geuit. De
Commissie hoopt dat de uitvoering van passende maatregelen door Roemenië Japan
ertoe zal brengen de tijdelijke visumvrijstelling om te zetten in een permanente.
2.6. Verenigde
Staten van Amerika ("VS") Situatie ten tijde van het zesde
wederkerigheidsverslag De Commissie was verheugd dat Griekenland
op 5 april 2010 werd opgenomen in het Visa Waiver Program (het programma
voor visumvrijstelling, hierna "VWP" genoemd) en heeft zich ertoe
verbonden in haar contacten met de VS de kwestie van de niet-wederkerigheid
voor onderdanen van Bulgarije, Cyprus, Polen en Roemenië te blijven opwerpen,
om zo spoedig mogelijk te komen tot volledige visumwederkerigheid. De Commissie betreurde ten zeerste de
goedkeuring door de VS van de voorlopige einduitspraak (Interim Final Rule)
over de ESTA-vergoeding (systeem voor elektronische reisvergunning), ook al
begreep zij dat dit besluit werd genomen overeenkomstig de verplichtingen van
de Travel Promotion Act. De Commissie had op 7 oktober 2010 een
schriftelijk commentaar op deze voorlopige einduitspraak over de
ESTA-vergoeding aan de VS gezonden in het kader van de door de VS opgezette
openbare raadplegingsprocedure. De Commissie wachtte de publicatie door de
VS-autoriteiten van de einduitspraak over ESTA af om haar beoordeling van het
ESTA te voltooien teneinde te bepalen of het al dan niet gelijkwaardig is met
de Schengenprocedure voor visumaanvragen; het leed geen twijfel dat het
opleggen van een vergoeding een belangrijk element in die beoordeling zou zijn.
De Commissie verbond zich er ook toe de
"tweesporenbenadering", die op 12 maart 2008 is overeengekomen door
het Comité van Permanente Vertegenwoordigers (Coreper), nader te onderzoeken in
verband met de uitvoering van externe bevoegdheden na de inwerkingtreding van
het Verdrag van Lissabon. Huidige situatie De Amerikaanse autoriteiten hebben de einduitspraak
over ESTA nog niet gepubliceerd en evenmin de opmerkingen van de Commissie over
de voorlopige einduitspraak over de ESTA-vergoeding beantwoord. Zodra de einduitspraak over ESTA is
gepubliceerd, zal de Commissie een definitieve beoordeling laten uitgaan,
waarbij rekening wordt gehouden met mogelijke wijzigingen, ook over de
invoering van een vergoeding voor ESTA. De Commissie is de kwestie van de
niet-wederkerigheid en de bezorgdheid over de invoering van de ESTA-vergoeding
bij de Amerikaanse autoriteiten op politiek en op technische niveau blijven
aankaarten.[11]
In een tijdens het bezoek van de Poolse
president Komorowski aan Washington D.C. in december 2010 afgelegde verklaring,
verbond president Obama zich ertoe om van de toetreding van de lidstaten tot
het VWP een prioriteit te maken en deze kwestie tijdens zijn presidentschap op
te lossen. In maart 2011 werd een nieuw wetsontwerp "Secure
Travel and Counterterrorism Partnership Program Act of 2011" (S. 497
en H.R. 959) in het Congres ingediend, dat de steun van president Obama kreeg.
Het had onder meer tot doel de criteria voor toetreding tot het VWP bij te
werken door het visumweigeringspercentage te vervangen door het percentage
overschrijdingen van de toegestane verblijfsduur, dat niet meer dan drie
procent mag bedragen. Het wetsontwerp voorzag onder bepaalde voorwaarden ook in
de mogelijkheid tot vrijstelling van het vereiste inzake het percentage
overschrijdingen van de toegestane verblijfsduur. In januari 2012 werd een nieuw wetsontwerp "Visa
Waiver Program Enhanced Security and Reform Act" (S. 2046 en H.R.
3855) in het Congres ingediend, dat in de plaats kwam van het vorige
wetsontwerp "Secure Travel and Counterterrorism Partnership Program Act
of 2011". Volgens het nieuwe wetsontwerp moeten verzoekende landen een
percentage overschrijdingen van de toegestane verblijfsduur van maximaal drie
procent handhaven, naast het bestaande vereiste om een gemiddeld
visumweigeringspercentage van maximaal drie procent te handhaven. Voorts wordt
in die wetgeving de vrijstellingsbevoegdheid van de minister van Binnenlandse
Veiligheid opnieuw ingevoerd om het mogelijk te maken dat een land in het VWP
wordt opgenomen onder bepaalde voorwaarden, zoals een visumweigeringspercentage
onder 10%, en wordt een proefperiode voor VWP-landen ingesteld wanneer het
percentage overschrijdingen van de toegestane verblijfsduur er niet minder dan
3% bedraagt of wanneer zij niet aan andere VWP-vereisten voldoen. Daarnaast
wijzigt het nieuwe wetsontwerp ook de methode om visumweigeringspercentages te
berekenen. In januari 2012 vaardigde president Obama
een besluit uit om de verwerking van visa en buitenlandse bezoekers te
verbeteren en het reisverkeer te bevorderen met het oog op het creëren van
werkgelegenheid en het stimuleren van de economische groei in de Verenigde
Staten en tegelijk de nationale veiligheid te blijven beschermen. In dat
besluit wordt onder meer opgeroepen om meer inspanningen te leveren om het VWP
uit te breiden. In maart 2012 werd nog een ander wetsontwerp
"Jobs Originated through Launching Travel Act" (hierna “JOLT
Act” genoemd) (S. 2233) door een tweepartijengroep in de Senaat ingediend, dat als
doel heeft het VWP uit te breiden en bepaalde bewoordingen bevat uit de "Visa
Waiver Program Enhanced Security and Reform Act". Het wetsontwerp JOLT
weerspiegelt de aanpak van het besluit om de verwerking van visa en
buitenlandse bezoekers te verbeteren en het reisverkeer te bevorderen. Het nieuwe wetsontwerp over het VWP is
thans nog in behandeling bij het Amerikaanse Congres[12]. Vanaf 13 april 2012 heeft het Amerikaanse ministerie
van Buitenlandse Zaken de vergoedingen voor visumaanvragen verhoogd voor de
meeste visumaanvragen van niet-immigranten, onder meer voor de visumaanvragen
voor bezoeken voor toeristische of zakelijke doeleinden, namelijk van 140 USD
tot 160 USD. De Commissie heeft de gevolgen van de
inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon voor de
"tweesporenbenadering", die op 12 maart 2008 is overeengekomen door
het Coreper voor de onderhandelingen met de VS in de context van de
VWP-onderhandelingen, juridisch onderzocht[13].
Als gevolg van de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon kunnen de
lidstaten op het gebied van politiële en justitiële samenwerking in strafzaken
– die nu onder de gedeelde bevoegdheid valt – in beginsel overeenkomsten met
derde landen blijven sluiten en daarover onderhandelen zolang de EU geen
dergelijke overeenkomsten met derde landen heeft gesloten. Die bevoegdheid van
de lidstaten is echter niet onbeperkt: de lidstaten kunnen geen overeenkomsten
sluiten die afbreuk doen aan het EU-acquis, met inbegrip van instrumenten op
het gebied van politiële en justitiële samenwerking in strafzaken, of de
werkingssfeer ervan wijzigen. Gelet op het feit dat de Unie haar
bevoegdheid inzake visumbeleid ten volle heeft uitgeoefend en het feit dat de
bilaterale overeenkomsten de facto een noodzakelijke voorwaarde zijn om toegang
te krijgen tot het VWP, moet er in beginsel een overkoepelende EU-VS-overeenkomst
over alle voorwaarden voor de toetreding tot het VWP worden onderhandeld en gesloten.
Gelet op de huidige situatie, waarin een aanzienlijk aantal lidstaten reeds
overeenkomsten over screening van terroristen en overeenkomsten over een betere
preventie en bestrijding van ernstige criminaliteit met de VS heeft gesloten,
mogen de lidstaten echter blijven onderhandelen over bilaterale overeenkomsten
en deze blijven toepassen, op voorwaarde dat deze overeenkomsten geen afbreuk
doen aan of de werkingssfeer wijzigen van de gemeenschappelijke regels van de
Unie op het gebied van politiële en justitiële samenwerking in strafzaken, met
name wat de uitwisseling van rechtshandhavingsgegevens betreft, en op het gebied
van gegevensbescherming in deze context. De Commissie heeft de lidstaten verzocht om
de teksten van hun in het kader van het VWP met de VS gesloten bilaterale
overeenkomsten of om informatie over de lopende onderhandelingen, teneinde na
te gaan of die in overeenstemming zijn met de gemeenschappelijke regels van de
Unie. Het resultaat van het onderzoek van de
Commissie over samenwerking inzake rechtshandhaving luidt dat de bilateraal
gesloten overeenkomsten over het verbeteren van de samenwerking op het gebied
van preventie en bestrijding van ernstige criminaliteit en de overeenkomsten
over uitwisseling van informatie over bekende of vermoedelijke terroristen die
de lidstaten hebben verstrekt, verenigbaar zijn met de gemeenschappelijke
regels van de Unie op het gebied van politiële en justitiële samenwerking in
strafzaken en de werkingssfeer ervan niet wijzigen (zie de bijlage voor een
overzicht van de van de lidstaten ontvangen kennisgevingen en een
gedetailleerde beoordeling). Wat de verenigbaarheid met het EU-acquis
op het gebied van gegevensbescherming betreft, merkt de Commissie op dat
een algemene verwijzing naar de toepasselijkheid van het nationale recht van
elke partij, die in de meeste van de in het kader van het VWP gesloten
bilaterale overeenkomsten te vinden is, niet altijd voldoende kan zijn om het
beschermingsniveau te waarborgen dat wordt opgelegd door Kaderbesluit
2008/977/JBZ van de Raad van 27 november 2008 over de bescherming van
persoonsgegevens die worden verwerkt in het kader van de politiële en
justitiële samenwerking in strafzaken[14]
(hierna “het kaderbesluit” genoemd). Voorts ontbreken in sommige bilaterale
overeenkomsten tussen de lidstaten en de VS een duidelijke doelbeperking en
strikte criteria om de gevallen te bepalen waarin de doorgegeven gegevens
verder mogen worden verwerkt. Dit zou problemen kunnen opleveren wat de
verenigbaarheid van deze overeenkomsten met het EU-acquis betreft en met
name de regels ter beperking van de verdere verwerking voor andere doelen dan
die waarvoor de gegevens werden verzameld[15].
De Commissie onderhandelt momenteel met de
VS over een overeenkomst over de uitwisseling van persoonsgegevens die worden
verwerkt in het kader van de politiële en justitiële samenwerking in
strafzaken. Deze overeenkomst zal uiteindelijk de bestaande en toekomstige
overeenkomsten op het gebied van politiële en justitiële samenwerking in
strafzaken aanvullen met de noodzakelijke waarborgen inzake
gegevensbescherming. Beoordeling De Commissie betreurt dat de Amerikaanse autoriteiten
de door haar in oktober 2010 per brief gemaakte schriftelijke opmerkingen over
de voorlopige einduitspraak over de ESTA-vergoeding, niet hebben beantwoord. De Commissie heeft haar beoordeling van het
ESTA, teneinde vast te stellen of dit wel of niet in overeenstemming is met de
visumaanvraagprocedure volgens Schengen, nog niet voltooid omdat de einduitspraak
over ESTA nog niet is gepubliceerd in het Federaal Register van de VS. De Commissie zal de kwestie van
niet-wederkerigheid in haar contacten met de VS aan de orde blijven stellen
teneinde zo snel mogelijk volledige wederkerigheid in het visumbeleid te
verwezenlijken. Thans bedraagt het toegestane maximale
visumweigeringspercentage voor landen die in het VWP willen worden opgenomen,
drie procent. Op basis van de cijfers voor 2011 voldoet van de vier
lidstaten die nog niet aan het VWP deelnemen, alleen Cyprus daaraan. De
visumweigeringspercentages bedroegen in 2011 15,7% voor Bulgarije, 10,2% voor
Polen en 22,4% voor Roemenië. Het opzetten door de autoriteiten van de
VS van een biometrisch uitreissysteem in luchthavens zou het hen overeenkomstig
de Amerikaanse wetgeving mogelijk maken het maximale visumweigeringspercentage
te verhogen tot 10 procent. De Commissie zal de ontwikkelingen inzake
het opzetten van het uitreissysteem in luchthavens van nabij blijven volgen, om
er onder meer voor te zorgen dat overschrijdingen van de toegestane
verblijfsduur nauwkeurig kunnen worden gevolgd en berekend en om de verhoging
van het maximale visumweigeringspercentage tot 10 procent mogelijk te maken. De Commissie betreurt dat de Amerikaanse autoriteiten
de vergoedingen voor de behandeling van visumaanvragen hebben verhoogd, hetgeen
nog meer negatieve consequenties heeft, vooral dan voor de onderdanen van de
vier lidstaten die nog niet deelnemen aan het VWP, die naar de VS wensen te
reizen. De Commissie verheugt zich over het nieuwe wetsontwerp
over het VWP, dat door de regering wordt gesteund. De Commissie is van oordeel
dat de nieuwe ontwerpwetgeving de deur kan openen voor de toetreding van nog
meer lidstaten tot het VWP en hoopt op een zo spoedig mogelijke goedkeuring. 3. Conclusie De Commissie verheugt zich erover dat in
het kader van de uitvoering van het huidige wederkerigheidsmechanisme voor
visa, met meer derde landen volledige visumwederkerigheid is bereikt of binnen
bereik ligt: –
er is nu voor alle lidstaten volledige
visumwederkerigheid met Brunei Darussalam, na het besluit van de autoriteiten
van Brunei Darussalam om de visumvrijstelling te verlengen tot 90 dagen; sinds
15 oktober 2012 kunnen ook onderdanen van IJsland, Noorwegen en Zwitserland 90
dagen zonder visum in Brunei Darussalam blijven. De Commissie zal de
autoriteiten van Brunei Darussalam verzoeken om de visumvrijstelling ook voor
onderdanen van Liechtenstein tot 90 dagen te verlengen; –
de overeenkomst tussen de EU en Brazilië over
visumvrijstelling voor kort verblijf voor houders van gewone paspoorten is op 1
oktober 2012 in werking getreden, waardoor de onderdanen van alle lidstaten
zonder visum naar Brazilië kunnen reizen; –
de Commissie is verheugd over het besluit van de
Japanse autoriteiten om de tijdelijke visumvrijstelling voor Roemeense
onderdanen te verlengen tot 31 december 2012 en verwacht dat, na de uitvoering
van tussen Roemenië en Japan overeen te komen specifieke maatregelen, de
tijdelijke visumvrijstelling door Japan in een permanente zal worden omgezet. Wat de VS betreft, kan de voorgestelde
nieuwe ontwerpwetgeving over het VWP, zodra deze is aangenomen, de deur openen
voor de toetreding van nog meer lidstaten tot het VWP en derhalve leiden tot
aanzienlijke vooruitgang op de weg naar volledige visumwederkerigheid met de
VS. Wat betreft de herinvoering door Canada van
een visumplicht voor Tsjechische onderdanen, betreurt de Commissie dat Canada
haar zijn verslag over de informatiemissie naar Tsjechië thans nog niet heeft
verstrekt en op die manier de samenwerking in het kader van de Tsjechisch-Canadese
deskundigengroep de facto heeft gehinderd. De Commissie kijkt uit naar de
volledige uitvoering vóór eind 2012 van de nieuwe Canadese asielwetgeving die
belangrijke “pull”-factoren zou moeten wegwerken en op die manier het aantal
ongegronde asielaanvragen uit de EU aanzienlijk zou moeten doen dalen. Zodra
deze bepalingen van de nieuwe wet in werking treden, moet het voor de Canadese
autoriteiten mogelijk zijn om de visumplicht voor Tsjechische onderdanen
opnieuw op te heffen. De Commissie verbindt zich ertoe om samen met Canada en
in volledige coördinatie met de betrokken lidstaten, te zoeken naar politiek en
juridisch haalbare samenwerkingsvormen betreffende het probleem van de
ongegronde asielaanvragen uit de EU. Dergelijke samenwerkingsvormen mogen
echter geen noodzakelijke voorwaarde zijn voor de opheffing door Canada van de
visumplicht voor de onderdanen van de drie betrokken lidstaten. De Commissie
hoopt dat het Europees Parlement en de Raad de ontwerpverordening tot wijziging
van Verordening 539/2001 zullen aannemen, die onder meer tot doel heeft een
nieuw en doeltreffender wederkerigheidsmechanisme vast te stellen. Zodra deze
verordening is aangenomen, zal de Commissie de weinige resterende en eventuele
nieuwe gevallen van niet-wederkerigheid onderzoeken en daartegen optreden
overeenkomstig het herziene wederkerigheidsmechanisme. BIJLAGE Overzicht
en beoordeling van de bilaterale overeenkomsten tussen de lidstaten en de VS in
het kader van de juridische analyse van de gevolgen van de inwerkingtreding van
het Verdrag van Lissabon voor de "tweesporenbenadering" van de
VWP-onderhandelingen met de VS –
Overzicht van de bilaterale overeenkomsten De Commissie heeft de lidstaten verzocht om
de teksten van de overeenkomsten over het verbeteren van de samenwerking op het
gebied van preventie en bestrijding van ernstige criminaliteit en de overeenkomsten
over uitwisseling van informatie over bekende of vermoedelijke terroristen die
zij met de VS hebben gesloten in het kader van het Visa Waiver Program (VWP) of
om informatie over lopende onderhandelingen, teneinde te kunnen nagaan of deze
overeenkomsten geen afbreuk doen aan het EU-acquis of de werkingssfeer
ervan wijzigen. Vijftien lidstaten (Tsjechië, Denemarken,
Duitsland, Estland, Griekenland, Italië, Letland, Litouwen, Hongarije,
Malta, Nederland, Oostenrijk, Portugal, Slowakije en Finland) hebben
teksten overgelegd van hun bilaterale overeenkomsten met de VS wat het
verbeteren van de samenwerking op het gebied van preventie en bestrijding van
ernstige criminaliteit betreft. Wat de uitwisseling van informatie over
bekende of vermoedelijke terroristen betreft, hebben zes lidstaten
(Estland, Griekenland, Letland, Hongarije, Slowakije en Slovenië)
teksten van hun bilaterale overeenkomsten met de VS overgelegd. Onderstaande
tabel bevat een overzicht van de van de lidstaten ontvangen antwoorden[16]: LS || MvO[17] || Verklaring[18] || TSC-overeenkomst[19] || “Prüm”-overeenkomst (PCSC-overeenkomst)[20] BE || || || - || Lopende onderhandelingen BG || - || X || - (naar VS gezonden initiële commentaar bij ontwerpovereenkomst) || - (naar VS gezonden initiële commentaar bij ontwerpovereenkomst) CZ || X || || X (vertrouwelijke tekst; niet overgelegd) || X DK || - || || - (wacht op ontwerpovereenkomst uit de VS) || X DE || - || || - || X EE || X || || X || X EL || X || || X || X ES || || || Geen informatie verstrekt || Geen informatie verstrekt FR || || || Onderhandelingen met VS lopen (tekst niet overgelegd) || Onderhandelingen met VS lopen (tekst niet overgelegd) IT || || || Memorandum voor de uitwisseling van informatie met de VS over bekende of vermoedelijke terroristen van 2007 en de tekst van de uitvoeringsbepalingen van 2009 niet overgelegd; bilaterale overeenkomst van 1986 wel overgelegd || X CY || - || || - (onderhandelingen nog niet gestart; autoriteiten onderzoeken tekst overeenkomst) || - (onderhandelingen nog niet gestart; autoriteiten onderzoeken tekst overeenkomst) LV || X || || X || X LT || Geen informatie verstrekt || || Geen informatie verstrekt || X LU || || || Geen informatie verstrekt || Geen informatie verstrekt HU || Geen informatie verstrekt || || X || X MT || X || || - || X[21] NL || Geen informatie verstrekt || || Geen informatie verstrekt || X AT || - || || - || X PL || || || X (vertrouwelijke tekst; niet overgelegd) || - PT || - || || Lopende onderhandelingen || X[22] RO || || X || Initiële fase van overleg met VS || Initiële fase van overleg met VS SI || - || || X || Voorbereiding start onderhandelingen SK || X || || X || X FI || || || - || X[23] SE || - || || - || - –
Resultaten van het onderzoek door de
Commissie van de in het kader van het VWP tussen de lidstaten en de VS gesloten
bilaterale overeenkomsten Het doel van het verzoek van de Commissie
was na te gaan of de in het kader van het VWP tussen de lidstaten en de VS
gesloten bilaterale overeenkomsten in overeenstemming zijn met de bestaande
EU-regels op het gebied van politiële en justitiële samenwerking in strafzaken,
met name wat betreft de uitwisseling van rechtshandhavingsinformatie,
waaronder: –
Besluit 2005/671/JBZ van de Raad van 20
september 2005 betreffende informatie-uitwisseling en samenwerking in verband
met strafbare feiten van terroristische aard; –
Kaderbesluit 2006/960/JBZ van de Raad van
18 december 2006 betreffende de vereenvoudiging van de uitwisseling van
informatie en inlichtingen tussen de rechtshandhavingsautoriteiten van de
lidstaten van de Europese Unie (het “Zweedse initiatief”); –
Besluit 2008/615/JBZ van de Raad van 23 juni
2008 inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het
bijzonder ter bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit
(het “Prümbesluit”); –
Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad van 27
november 2008 over de bescherming van persoonsgegevens die worden verwerkt in
het kader van de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken. Uit de resultaten van het onderzoek van de
Commissie blijkt dat de bilateraal gesloten overeenkomsten over het verbeteren
van de samenwerking op het gebied van preventie en bestrijding van ernstige criminaliteit
en overeenkomsten over uitwisseling van informatie over bekende of
vermoedelijke terroristen verenigbaar zijn met het EU-acquis op het gebied van
politiële en justitiële samenwerking in strafzaken en de werkingssfeer ervan
niet wijzigen. Het Prümbesluit (Besluit 2008/615/JBZ van de Raad) doet geen
afbreuk aan bilaterale of multilaterale overeenkomsten tussen lidstaten en
derde staten, zoals artikel 35, lid 6, van dat besluit bepaalt. Evenzo laat het
zogenaamde Zweedse initiatief (Kaderbesluit 2006/960/JBZ van de Raad) de
bilaterale of multilaterale overeenkomsten tussen lidstaten en derde landen
onverlet, zoals artikel 1, lid 2, van dat besluit bepaalt. De overeenkomsten
zijn ook verenigbaar met Besluit 2005/671/JBZ van de Raad en wijzigen de werkingssfeer
ervan niet aangezien dat besluit van de Raad alleen betrekking heeft op het
doorgeven van informatie door de lidstaten aan Eurojust, Europol en andere
lidstaten. Meer in het bijzonder is het besluit van de Raad beperkt tot de
doorgifte aan Europol en andere betrokken lidstaten van alle relevante gegevens
die betrekking hebben op en voortvloeien uit strafrechtelijke onderzoeken
aangaande strafbare feiten van terroristische aard, zoals is bepaald in artikel
2, leden 1 en 6, van dat besluit van de Raad en tot de doorgifte van alle
relevante gegevens over strafprocedures en strafrechtelijke veroordelingen voor
strafbare feiten van terroristische aard, aan Eurojust en andere betrokken
lidstaten, zoals bepaald in artikel 2, leden 2 en 6, van dat besluit van de
Raad. Besluit 2005/671/JBZ van de Raad heeft geen betrekking op het doorgeven
van gegevens aan derde landen. Wat betreft de uitwisseling van
persoonsgegevens van passagiers (hierna “PNR-gegevens” genoemd) heeft de
Commissie reeds bij de start van de "tweesporenbenadering" verzekerd
dat de bilaterale overeenkomsten tussen lidstaten en de VS geen betrekking
zouden hebben op PNR-gegevens. Geen van de aan de Commissie overgelegde
bilaterale overeenkomsten voorziet in de uitwisseling van PNR-gegevens. Nauwere politiële en justitiële
samenwerking in strafzaken moet gepaard gaan met de eerbiediging van de
grondrechten, met name het recht op eerbiediging van het privé-leven en op de
bescherming van persoonsgegevens. Dat recht moet worden gewaarborgd door specifieke
regelingen inzake gegevensbescherming[24].
Betere informatie-uitwisseling in de Europese Unie impliceert vaak samenwerking
tussen lidstaten gelet op de grensoverschrijdende aard van
criminaliteitsbestrijding en beveiligingskwesties. Op gevallen waarin
persoonsgegevens worden verstrekt of beschikbaar gemaakt tussen de autoriteiten
van lidstaten of door dergelijke autoriteiten aan autoriteiten of
informatiesystemen die zijn ingesteld krachtens Titel VI van het pre-Lissabon
Verdrag betreffende de Europese Unie (zoals Eurojust, Europol etc.) is
Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad van 27 november 2008 over de bescherming
van persoonsgegevens die worden verwerkt in het kader van de politiële en
justitiële samenwerking in strafzaken[25]
(hierna “het kaderbesluit” genoemd) van toepassing. Het kaderbesluit is ook van
toepassing wanneer persoonsgegevens worden verstrekt aan of ter beschikking
gesteld van autoriteiten van lidstaten door autoriteiten of informatiesystemen
die zijn ingesteld krachtens Titel VI van het (pre-Lissabon) Verdrag
betreffende de Europese Unie[26]. Artikel 13 van Kaderbesluit 2008/977/JBZ
van de Raad bepaalt welke regels van toepassing zijn wanneer de bevoegde
autoriteiten persoonsgegevens doorgeven aan derde landen, waaronder de
verplichting voor het derde land om een toereikend beschermingsniveau voor de
voorgenomen gegevensverwerking te waarborgen[27].
Overeenkomstig artikel 13, lid 4, van het kaderbesluit wordt de vraag of het
beschermingsniveau toereikend is, beoordeeld met inachtneming van alle
omstandigheden die op de doorgifte van gegevens of op een groep van
gegevensverstrekkingen van invloed zijn. In het bijzonder wordt rekening
gehouden met de aard van de gegevens, met het doel en met de duur van de
verwerking, alsook met het rechtskader van het derde land. In afwijking van dit
vereiste kunnen persoonsgegevens slechts onder strikte voorwaarden worden
doorgegeven, zoals het feit dat het derde land toereikende en effectieve
waarborgen moet bieden[28]. Derhalve moeten de bilaterale
overeenkomsten tussen lidstaten en de VS betreffende doorgifte van gegevens die
binnen de werkingssfeer van het kaderbesluit vallen, aan deze criteria voldoen.
In deze context kan een algemene verwijzing
naar de toepasselijkheid van het nationale recht van elke partij, die in de
meeste van de in het kader van het VWP gesloten bilaterale overeenkomsten te
vinden is, niet altijd voldoende zijn om het beschermingsniveau te waarborgen
dat door het kaderbesluit wordt opgelegd. Voorts ontbreken in sommige
bilaterale overeenkomsten tussen de lidstaten en de VS een duidelijke
doelbeperking en strikte criteria om de gevallen te bepalen waarin de
doorgegeven gegevens verder mogen worden verwerkt. Dit zou problemen kunnen
opleveren wat de verenigbaarheid van deze overeenkomsten met het EU-acquis
betreft en met name de regels ter beperking van de verdere verwerking voor
andere doelen dan die waarvoor de gegevens werden verzameld[29]. De Commissie onderhandelt momenteel met de
VS over een overeenkomst over de uitwisseling van persoonsgegevens die worden
verwerkt in het kader van de politiële en justitiële samenwerking in
strafzaken. Deze overeenkomst zal uiteindelijk de bestaande en toekomstige
overeenkomsten op het gebied van politiële en justitiële samenwerking in
strafzaken aanvullen met de noodzakelijke waarborgen inzake
gegevensbescherming. [1] PB L 81 van 21.3.2001. [2] PB L 141 van 4.6.2005. [3] COM(2006) 3 definitief van 10.1.2006, COM(2006) 568
definitief van 2.10.2006, COM(2007) 533 definitief van 13.9.2007, COM(2008) 486
definitief/2 van 9.9.2008, COM(2009) 560 definitief van 19.10.2009, COM(2010)
620 definitief van 5.11.2010. [4] PB L 157 van 21.6.2005. [5] COM(2009) 562 def. van 19.10.2009. [6] Schriftelijke verklaring 0089/2010 "Herstel van
wederkerigheid in de visumregeling - solidariteit met de ongelijke status van
Tsjechische onderdanen na de unilaterale invoering van de visumplicht door
Canada" van 8 maart 2011. [7] COM(2011) 290 definitief. [8] Een "eVisitor" is een toestemming om
Australië te bezoeken voor toeristische of zakelijke doeleinden gedurende een
periode van maximaal drie maanden per inreis. Een eVisitor is vanaf de datum
van afgifte twaalf maanden geldig. [9] Sommige nieuwe maatregelen betreffende biometrische
gegevens zullen in 2013 in werking treden. [10] PB C 199 E van 7.7.2012, blz. 89. [11] Met name op de EU-VS-toppen van 20 november 2010
en 28 november 2011, tijdens het bezoek van de directeur-generaal van het
Directoraat-generaal Binnenlandse Zaken aan Washington D.C. in november 2010,
op de EU-VS-ministeriële vergaderingen over Justitie en Binnenlandse Zaken in
december 2010, april 2011, november 2011 en juni 2012 en op de
EU-VS-bijeenkomsten van hoge ambtenaren over Justitie en Binnenlandse Zaken in
januari 2011, juli 2011, januari 2012 en juli 2012. [12] Op de laatste EU-VS-bijeenkomst van hoge ambtenaren
(25-26 juli 2012) benadrukte het ministerie van Binnenlandse Zaken van de VS
(hierna “het DHS” genoemd) dat het Congres de goedkeuring van de nieuwe
toetredingscriteria koppelde aan de uitvoering van een doeltreffend 'inreis/uitreis-systeem'
dat noodzakelijk is om op een betrouwbare manier het percentage overschrijdingen
van de toegestane verblijfsduur per land van herkomst te berekenen. Ondanks
belangrijke inspanningen heeft het DHS moeilijkheden ondervonden bij de
uitvoering van een betrouwbaar 'uitreissysteem' en het verwacht dat het
bereiken van deze doelstelling maanden zal duren. [13] Voor meer informatie over de
"tweesporenbenadering", zie het vierde wederkerigheidsverslag van de
Commissie (COM(2008) 486 definitief/2 van 9.9.2008) en het vijfde
wederkerigheidsverslag (COM(2009) 560 definitief). De onderhandelingen met de
VS over de briefwisseling tussen de EU en de VS over bepaalde voorwaarden om
tot het VWP toe te treden of er deel van te blijven uitmaken die onder de
bevoegdheid van de EU vallen, zijn sinds 2009 niet actief gevoerd: de VS eisen
niet dat de lidstaten over deze vereisten bilaterale overeenkomsten sluiten met
de VS. [14] PB L 350 van 30.12.2008. [15] Artikel 3, lid 2, van het kaderbesluit. [16] Toelichting: "X" betekent "er is een overeenkomst gesloten"
en "-" betekent "er is geen overeenkomst gesloten". [17] Memorandum van overeenstemming over het Visa Waiver
Program (VWP) van de Verenigde Staten en daarmee samenhangende strengere
beveiligingsmaatregelen. [18] Verklaring betreffende de beginselen voor samenwerking
op het gebied van strengere bilaterale beveiligingsmaatregelen voor
internationaal reizen en de vereisten van het VWP van de VS. [19] Overeenkomst over de uitwisseling van informatie over
bekende of vermoedelijke terroristen. [20] Overeenkomst over het verbeteren van de samenwerking op
het gebied van preventie en bestrijding van ernstige criminaliteit. [21] Nog niet geratificeerd. [22] Lopende ratificatieprocedure. [23] Lopende parlementaire goedkeuringsprocedure. [24] Overweging 17 van Besluit 2008/615/JBZ van de Raad van
23 juni 2008 inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking,
in het bijzonder ter bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende
criminaliteit. [25] PB L 350 van 30.12.2008. [26] Artikel 1, lid 2, van het kaderbesluit. [27] Artikel 13, lid 1, onder d), van het kaderbesluit. [28] Artikel 13, lid 3, van het kaderbesluit. [29] Artikel 3, lid 2, van het kaderbesluit.