MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD EN DE REKENKAMER JAARREKENINGEN VAN HET ACHTSTE, NEGENDE EN TIENDE EUROPEES ONTWIKKELINGSFONDS - BEGROTINGSJAAR 2011 /* COM/2012/0435 final */
INHOUDSOPGAVE NOTA BIJ DE JAARREKENING. 2 UITVOERING EN FINANCIËLE
VERSLAGLEGGING VAN DE EOF-MIDDELEN. 3 DEEL I – JAARREKENING VAN
HET EOF: DOOR DE EUROPESE COMMISSIE BEHEERDE MIDDELEN 9 1......... FINANCIËLE STATEN VAN HET 8E, 9E en 10E
EUROPEES ONTWIKKELINGSFONDS. 10 1.1...... 8E, 9E EN 10E EOF : GEAGGREGEERD
BALANSTOTAAL, ECONOMISCHE RESULTATENREKENING, KASSTROOMOVERZICHT EN
MUTATIEOVERZICHT VAN DE NETTOACTIVA 10 1.2...... 8E EOF: BALANS, ECONOMISCHE
RESULTATENREKENING EN MUTATIEOVERZICHT VAN DE NETTOACTIVA 14 1.3...... 9E EOF: BALANS, ECONOMISCHE
RESULTATENREKENING EN MUTATIEOVERZICHT VAN DE NETTOACTIVA 17 1.4...... 10E EOF: BALANS, ECONOMISCHE
RESULTATENREKENING EN MUTATIEOVERZICHT VAN DE NETTOACTIVA. 20 1.5...... TOELICHTINGEN BIJ DE FINANCIËLE STATEN VAN HET 8E,
9E EN 10E EOF. 23 2. ....... VERSLAG OVER DE
TENUITVOERLEGGING VAN DE MIDDELEN 30 2.1...... TOEWIJZINGEN. 30 2.2 ..... GECONSOLIDEERDE
REKENINGEN. 30 2.3...... ANDERE
BEHEERSINFORMATIE. 31 DEEL II – JAARREKENING VAN
HET EOF: FINANCIËLE STATEN VAN DE INVESTERINGSFACILITEIT 63 3......... FINANCIËLE STATEN VAN DE
INVESTERINGSFACILITEIT. 65 3.1...... OVERZICHT VAN GEREALISEERDE EN
NIET-GEREALISEERDE RESULTATEN VOOR HET OP 31 DECEMBER 2011 AFGESLOTEN
JAAR. 65 3.2...... VERMOGENSOVERZICHT PER 31 DECEMBER
2011. 66 3.3...... OVERZICHT VAN DE WIJZIGINGEN IN
DE MIDDELEN VAN DE CONTRIBUANTEN. 67 3.4...... OVERZICHT VAN DE KASSTROMEN VOOR
HET OP 31 DECEMBER 2011 AFGESLOTEN JAAR 68 3.5...... TOELICHTINGEN BIJ DE FINANCIËLE
STATEN. 69 BIJLAGE BIJ DEEL I –
HOOFDSTUK 2 (VERSLAG OVER DE TENUITVOERLEGGING VAN DE MIDDELEN): SITUATIE PER
LAND EN PER INSTRUMENT. 101 CERTIFICERING VAN DE
REKENINGEN De jaarrekeningen van het 8e, 9e en 10e Europees
Ontwikkelingsfonds voor het jaar 2011 zijn opgesteld volgens de bepalingen van
titel VIII van het Financieel Reglement van toepassing op het 10e Europees
Ontwikkelingsfonds en overeenkomstig de in de bijlage bij de financiële staten
beschreven boekhoudbeginselen, -regels en -methoden. Ik verklaar dat ik verantwoordelijk ben om ervoor te
zorgen dat de jaarrekeningen van het 8e, 9e en 10e Europees Ontwikkelingsfonds
worden opgesteld en gepresenteerd overeenkomstig artikel 125 van het Financieel
Reglement van toepassing op het 10e Europees Ontwikkelingsfonds. Ik heb van de ordonnateur en de EIB, die voor de
betrouwbaarheid instaan, alle inlichtingen verkregen die nodig zijn voor het
opstellen van de jaarrekeningen die een beeld van de activa en de passiva van
de Europese Ontwikkelingsfondsen en de uitvoering van de begroting geven. Ik verklaar dat ik op basis van deze inlichtingen en
op basis van de controles die ik noodzakelijk achtte om de jaarrekeningen te
kunnen aftekenen, redelijke zekerheid heb dat de jaarrekeningen in alle
materiële opzichten een getrouw beeld van de financiële positie van de Europees
Ontwikkelingsfondsen geven. [w.g.] Philippe Taverne Rekenplichtige UITVOERING EN FINANCIËLE
VERSLAGLEGGING VAN DE EOF-MIDDELEN 1. ACHTERGROND De Europese Unie heeft samenwerkings- en
ontwikkelingbetrekkingen met een groot aantal ontwikkelingslanden. De
belangrijkste doelstelling is het bevorderen van de economische en sociale
ontwikkeling, waarbij de aandacht specifiek wordt toegespitst op het
terugdringen en bestrijden van armoede op lange termijn door aan de begunstigde
landen ontwikkelingshulp en technische bijstand te verstrekken. Hiertoe stelt
de Unie samen met de partnerlanden ontwikkelingsstrategieën op en besteedt zij
financiële middelen om die strategieën ten uitvoer te leggen. De middelen die
de Unie voor ontwikkeling uittrekt, zijn afkomstig van drie bronnen: – de begroting van de
Europese Unie; – het Europees
Ontwikkelingsfonds; – de Europese
Investeringsbank. Het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) is het
voornaamste instrument voor het verstrekken van steun van de Unie in het kader
van de ontwikkelingssamenwerking aan de staten in Afrika, het Caribisch gebied
en de Stille Oceaan (de ACS-staten) en de landen en gebieden overzee (LGO). Het
Verdrag van Rome van 1957 voorzag al in de oprichting van dit fonds om
technische en financiële bijstand te verlenen, oorspronkelijk aan de Afrikaanse
landen die toen nog steeds gekoloniseerd waren en waarmee sommige lidstaten
banden uit het verleden hadden. Het EOF wordt niet gefinancierd met middelen uit de
begroting van de Europese Unie. Het wordt door de lidstaten gefinancierd, is
aan eigen financiële regels onderworpen en wordt door een eigen comité geleid.
De Europese Commissie is verantwoordelijk voor de financiële uitvoering van de
verrichtingen die met middelen van het EOF worden uitgevoerd en de Europese
Investeringsbank (EIB) beheert de investeringsfaciliteit. De geografische steun aan de ACS-staten en de LGO
zal voor de periode 2008-2013 verder grotendeels via het EOF worden
gefinancierd. Elk EOF wordt meestal voor een periode van ongeveer vijf jaar
gesloten. Sinds de sluiting van de eerste partnerschapsovereenkomst in 1964
volgen de EOF-programmeercycli in het algemeen die van de
partnerschapsovereenkomsten. Op elk EOF is een eigen Financieel Reglement van
toepassing dat het opmaken van financiële staten voor elk afzonderlijk EOF
verplicht stelt. Financiële staten worden bijgevolg afzonderlijk opgemaakt voor
elk EOF met betrekking tot het deel dat door de Europese Commissie wordt
beheerd. Door middel van de gecumuleerde voorstelling van deze financiële
staten komt een totaalbeeld tot stand van de financiële situatie van de
middelen waarvoor de Europese Commissie verantwoordelijk is. De investeringsfaciliteit
is opgericht in het kader van de Overeenkomst van Cotonou. De
investeringsfaciliteit wordt beheerd door de Europese Investeringsbank en wordt
gebruikt om de ontwikkeling van de particuliere sector in de ACS-staten te
ondersteunen door hoofdzakelijk - maar niet uitsluitend - particuliere
investeringen te financieren. De faciliteit is opgezet als een duurzaam fonds,
in die zin dat terugbetalingen opnieuw in andere verrichtingen kunnen worden
geïnvesteerd, waardoor de faciliteit zelfbedruipend en financieel onafhankelijk
is. Aangezien de investeringsfaciliteit niet door de Europese Commissie wordt
beheerd, wordt zij niet geconsolideerd in het eerste deel van de jaarrekening -
de financiële staten van het 8ste, 9de en 10de EOF en het bijhorende financiële
uitvoeringsverslag. De financiële staten van de investeringsfaciliteit zijn
opgenomen als een afzonderlijk onderdeel van de jaarrekening (deel 2) om een
volledig beeld te geven van de ontwikkelingshulp van het EOF. Het 10e EOF heeft
betrekking op de periode 2008-2013. De totale middelen waarover het 10e
EOF beschikt, bedragen 22 682 miljoen EUR. Van dit bedrag is 21 966
miljoen EUR bestemd voor de ACS-staten, 286 miljoen EUR voor de LGO en 430 miljoen
EUR voor de Commissie als ondersteuningsuitgaven voor de programmering en
uitvoering van het EOF[1].
2. HOE
WORDT HET EOF GEFINANCIERD? De Europese Raad van 15-16 december 2005 heeft de
financiële perspectieven voor de periode 2007-2013 vastgesteld. In dit kader is
besloten dat de geografische samenwerking met de ACS-staten niet in de
begroting van Europese Unie zou worden opgenomen, maar voor de periode
2008-2013 verder zou worden gefinancierd met de middelen uit het bestaande
intergouvernementele EOF. De begroting van de
Europese Unie wordt jaarlijks opgesteld en volgens het
jaarperiodiciteitsbeginsel in begrotingszaken gelden de raming van en de
machtiging voor de ontvangsten en uitgaven voor één jaar. In tegenstelling tot
de Europese Unie heeft de werking van het EOF een meerjarig karakter. Elk EOF
wordt opgericht door middel van een partnerschapsovereenkomst tussen de
lidstaten en is gekoppeld aan een algemeen fonds voor de tenuitvoerlegging van
de ontwikkelingssamenwerking gedurende een periode van doorgaans vijf jaar.
Aangezien de middelen op meerjarige basis worden toegekend, kunnen de
toegewezen middelen tijdens de looptijd van het EOF worden benut. In de
begrotingsverslaggeving, waar de budgettaire tenuitvoerlegging van de EOF wordt
afgemeten aan de totale middelen, wordt gewezen op het ontbreken van de
jaarperiodiciteit. De EOF-middelen zijn ad-hoc bijdragen van de
EU-lidstaten. Ongeveer elke vijf jaar komen vertegenwoordigers van de lidstaten
op intergouvernementeel niveau bijeen om het totale bedrag vast te stellen dat
aan het fonds zal worden toegewezen en om toezicht te houden op de besteding
ervan. Vervolgens wordt het fonds door de Commissie beheerd. Naast het beleid
dat op het niveau van de gehele Unie wordt gevoerd, hebben de lidstaten hun
eigen ontwikkelingsbeleid en moeten zij met het oog op complementariteit hun
eigen beleid met dat van de Unie coördineren. Tot 2010 zijn bedragen opgevraagd
bij de 15 deelnemende lidstaten. In 2011 zijn de eerste bijdragen voor het 10e
EOF waaraan de 27 lidstaten deelnemen, opgevraagd. Sommige middelen van het 10e EOF zijn weliswaar
gereserveerd voor onvoorziene behoeften, maar de meeste zijn geprogrammeerd in
indicatieve meerjarige kaders, meestal geografisch maar ook thematisch van
aard, die momenteel voor de periode 2008-2013 zijn vastgesteld. Zo heeft de
Commissie landenstrategiedocumenten, regionale strategiedocumenten en
intra-ACS-strategiedocumenten goedgekeurd. De uitvoering van die documenten
wordt jaarlijks gecontroleerd en de strategieën worden tussentijds (2010,
doorlopend) en op het einde van de looptijd (2012) geëvalueerd. Naar aanleiding
van deze tussentijdse of eindevaluaties kan de Commissie namens de Europese
Unie de strategieën en de toewijzing van de middelen herzien in het licht van
de huidige behoeften en de prestaties van de betrokken ACS-staten of regio’s. Naast de bovenvermelde
bijdragen kunnen lidstaten ook medefinancieringsregelingen aangaan of
vrijwillige financiële bijdragen aan het EOF geven. 3. HOE WORDEN DE MIDDELEN VAN HET EOF
BEHEERD EN BESTEED?
3.1 Beleidsuitgaven De beleidsuitgaven van het EOF nemen verschillende
vormen aan, afhankelijk van de wijze waarop de financiële middelen worden
uitgekeerd en beheerd. Overeenkomstig het Financieel Reglement maakt de Commissie
voor de besteding van de EOF-middelen gebruik van de volgende methoden: Gedecentraliseerd beheer: in dit geval delegeert de
Commissie in mindere of meerdere mate, afhankelijk van de plaatselijke situatie
van de desbetreffende begunstigde, bepaalde taken van de uitvoering van de
begroting aan derde landen. Gecentraliseerd beheer: in dit geval wordt de
begroting hetzij rechtstreeks door de diensten van de Commissie uitgevoerd,
hetzij indirect wanneer de Commissie taken op het vlak van de uitvoering van de
begroting toevertrouwt aan organen naar het recht van de Europese Unie of
nationaal recht, zoals de EU-agentschappen van publiekrecht of met
openbaredienstopdrachten. Gezamenlijk beheer met
internationale organisaties: in het kader van deze methode vertrouwt de Commissie
bepaalde taken tot uitvoering van de begroting toe aan een internationale
organisatie.
3.2 De
verschillende financiële actoren De verantwoordelijkheid van de gedelegeerd
ordonnateur omvat het hele beheersproces, vanaf de bepaling wat er moet
worden gedaan om de vastgestelde beleidsdoelstellingen te realiseren tot het
beheren van de activiteiten die gestart zijn, zowel vanuit operationeel als
budgettair oogpunt, met inbegrip van het ondertekenen van juridische
verbintenissen, het bewaken van de resultaten, het verrichten van betalingen
en, indien nodig, zelfs het terugvorderen van geld. Het hoofd van de
delegatie van de Europese Unie is de lokale verbindingsambtenaar tussen de
Commissie en nationale of regionale ACS/LGO-autoriteiten op het terrein. Hij of
zij werkt nauw samen met de nationale of regionale ordonnateurs bij het
uitstippelen van de implementatiestrategie en het sectoraal beleid, het
voorbereiden, bestuderen en evalueren van EOF-programma’s en projecten. De nationale ordonnateur
in het ontvangende land is een hogere ambtenaar die door de regering van elke
ACS-staat/LGO is aangesteld. Hij of zij vertegenwoordigt de autoriteiten van
zijn/haar land voor alle activiteiten die door het Fonds worden gefinancierd en
door de Commissie en de EIB worden beheerd. In de meeste gevallen worden deze
functies uitgeoefend door een regeringslid, doorgaans een minister van planning
of financiën. De nationale ordonnateur is belast met het uitvoeren van
administratieve, technische en financiële taken bij het beheer van de
EOF-programma's en -projecten. De rekenplichtige voert de betalings- en
invorderingsopdrachten uit die zijn opgesteld door de ordonnateurs en hij is
verantwoordelijk voor het beheer van de kasmiddelen. Hij schrijft de boekhoudkundige
principes en methodes voor, valideert de boekhoudsystemen, voert de boekhouding
en stelt de overeenkomstige jaarrekening op. Daarnaast moet de rekenplichtige
de rekeningen ondertekenen en verklaren dat zij een getrouw beeld van de
financiële positie van de instelling geven. 3.3 Besteding van de
EOF-middelen Verreweg de meeste financiële middelen die via het
EOF aan de ACS-staten en LGO worden toegekend, zijn subsidies. Bij de aanvang
van elk EOF stelt de Europese Unie de ACS-staten en de LGO in kennis van de
hoogte van de subsidies die in de looptijd van het fonds aan hen ter
beschikking kunnen worden gesteld. De middelen worden toegewezen op basis van
de specifieke behoeften van een land, waarbij rekening wordt gehouden met het
door het ontvangende land gevoerde beleid en de geleverde
ontwikkelingsinspanningen. Het begunstigde land ontwikkelt een
samenwerkingsstrategie in de loop van of na het overleg met de
ontwikkelingspartners van het land (donoren). De in overleg met de Europese
Unie opgestelde ontwikkelingsstrategieën omvatten doorgaans zowel de door het
land zelf uitgestippelde strategieën voor zijn ontwikkeling op middellange
termijn als een analyse van de politieke en sociaaleconomische context, en de
door de Europese Unie gemaakte beoordeling. Voor het opstellen van het document
over de samenwerkingsstrategie kunnen de nationale autoriteiten een beroep doen
op technische ondersteuning door de diensten van de Europese Commissie. Vervolgens wordt een
nationaal indicatief programma (NIP) opgesteld om de samenwerkingsstrategie uit
te voeren. In het NIP wordt de aandacht toegespitst op de sectoren en
werkterreinen die in aanmerking komen voor steun, wordt uiteengezet hoe met
behulp van de steun de doelstellingen van het NIP gerealiseerd kunnen worden,
wordt een tijdschema opgesteld voor de uitvoering en wordt (indien relevant)
toegelicht hoe andere actoren zoals internationale organisaties of ngo’s bij
het programma worden betrokken. Dit indicatief globaal programma wordt
jaarlijks, tussentijds en op het einde van de looptijd van het EOF geëvalueerd.
Indien nodig worden tijdens de looptijd verbeteringen en wijzigingen
aangebracht.
3.4 Verbintenis
tot besteding van de EOF-middelen Er kunnen dus geen EOF-middelen worden besteed
tenzij en totdat de Commissie en de mogelijke ontvanger van de EOF-middelen een
schriftelijke juridische verbintenis hebben gesloten. Voor men een juridische verbintenis met een derde
kan aangaan (bijvoorbeeld een contract of een subsidieovereenkomst), moet er
een begrotingsonderdeel met toereikende middelen zijn waarin toestemming wordt
verleend voor de desbetreffende activiteit. Wanneer aan deze voorwaarde is
voldaan, moeten de nodige middelen in de begroting gereserveerd worden met
behulp van een begrotingsvastlegging in het boekhoudsysteem. Doch dit heeft
geen invloed op de algemene boekhouding (of het grootboek), aangezien er nog
geen kosten zijn gemaakt. Het boekhoudsysteem van het EOF bestaat namelijk uit
twee afzonderlijke, maar gekoppelde onderdelen: (a)
de
begrotingsboekhouding, die het mogelijk maakt om de uitvoering van de begroting
in detail te volgen; en, (b)
de
algemene boekhouding, die gebruikt wordt om de balans en de economische
resultatenrekening op te stellen. De begrotingsboekhouding geeft een overzicht van de
vastleggingen en betalingen. Zij is gebaseerd op het kasbeginsel, waarbij een
uitgaven- of ontvangstenpost pas in de boekhouding wordt opgenomen op het
ogenblik dat het geld is vastgelegd, uitbetaald of ontvangen. Deze
boekhoudmethode is typisch voor de openbare sector, die een traditie heeft
waarbij de klemtoon ligt op de begroting en de uitvoering daarvan. In de algemene boekhouding (gebaseerd op het
periodetoerekeningsbeginsel) worden alle uitgaven en ontvangsten van het
begrotingsjaar (en dus het economische resultaat) weergegeven en wordt de
financiële positie van het EOF vastgelegd in de vorm van een balans van de
activa en passiva per 31 december van een bepaald jaar.
3.5 Het
verrichten van een betaling Er kan geen enkele betaling worden verricht tenzij
er een begrotingsvastlegging is goedgekeurd door de ordonnateur. Voorfinanciering heeft ten doel de begunstigde te
voorzien van een voorschot, dus van contante middelen. Zij kan worden
opgesplitst in een aantal betalingen gedurende een periode die in de
desbetreffende voorfinancieringsovereenkomst is vastgesteld. De contante
middelen of het voorschot moeten worden gebruikt voor het doel waarvoor die
middelen tijdens de in de overeenkomst vastgestelde periode zijn verstrekt,
ofwel worden terugbetaald. Indien de begunstigde geen subsidiabele uitgaven
doet, moet hij de voorfinanciering terugbetalen aan het EOF.
Voorfinancieringsbetalingen zijn dus geen definitieve uitgaven zolang niet aan
de desbetreffende contractuele voorwaarden is voldaan en worden daarom in de
balans als activa opgenomen wanneer de eerste betaling is verricht. Het bedrag
van dit actief wordt (geheel of gedeeltelijk) verminderd wanneer subsidiabele
uitgaven worden goedgekeurd (deze uitgaven worden als uitgaven opgenomen in de
economische resultatenrekening) of wanneer bedragen worden terugbetaald. Aan het einde van het jaar dient een raming te
worden gemaakt van de subsidiabele uitgaven die door begunstigden van
EOF-middelen zijn gedaan, maar nog niet zijn gedeclareerd. Naar aanleiding van
deze afsluitende berekeningen worden de geraamde subsidiabele bedragen als
toegerekende lasten geboekt, terwijl de geraamde niet-subsidiabele bedragen
overblijven op "subsidiabiliteit te controleren". Deze bedragen
worden getoond onder de vlottende passiva, teneinde de activa en de passiva
niet te overschatten.
3.6 Terugvordering
van onverschuldigd betaalde bedragen De subsidiabiliteit van uitgaven die ten laste komen
van het EOF wordt gecontroleerd aan de hand van de bewijsstukken die in de
toepasselijke regels of in de voorwaarden van de desbetreffende subsidie zijn
opgelegd. Teneinde de verhouding tussen de kosten en de baten van
controlesystemen te optimaliseren, zijn de controles van de bewijsstukken bij
verzoeken om saldobetaling doorgaans grondiger dan de controles van de
bewijsstukken bij verzoeken om tussentijdse betaling. Bij de controles van de
bewijsstukken bij verzoeken om saldobetaling kunnen dus fouten in de
tussentijdse betalingen worden vastgesteld, die worden rechtgezet door de
saldobetaling aan te passen. Voorts heeft de Commissie het recht de juistheid
van de bewijsstukken te verifiëren door tijdens of na (ex post) de
tenuitvoerlegging van de gefinancierde maatregel ter plaatse bij de aanvrager
controles te verrichten. Wanneer er tijdens de periode van tenuitvoerlegging
fouten worden ontdekt, kunnen deze gecorrigeerd worden door een aanpassing van
de latere declaraties. Voor achteraf vastgestelde fouten wordt een
invorderingsopdracht afgegeven.
4. JAARRAPPORTAGE
4.1 Jaarrekeningen De rekenplichtige heeft de verantwoordelijkheid om
de jaarrekening op te stellen en ervoor te zorgen dat zij een getrouw beeld
geeft van de vermogenspositie van de EDF. De jaarrekening is als volgt opgebouwd: Deel I: De door de Europese Commissie
beheerde middelen –
Financiële
staten van het 8e, 9e en 10e Europees Ontwikkelingsfonds –
Verslag
over de financiële uitvoering van het 8e, 9e en 10e Europees Ontwikkelingsfonds
Deel II: Door de Europese
Investeringsbank beheerde middelen –
Financiële
staten van de investeringsfaciliteit De financiële staten van de
investeringsfaciliteit zijn als afzonderlijk deel bij de jaarrekening gevoegd
om een volledig beeld te geven van de ontwikkelingshulp van het EOF. Na controle door de Rekenkamer wordt de jaarrekening
uiterlijk op 31 juli van het volgende jaar door de Commissie goedgekeurd en ter
kwijting aan de Raad en het Parlement voorgelegd.
4.2 Jaarlijks
verslag van de werkzaamheden De ordonnateur dient een jaarlijks
activiteitenverslag op te stellen over de activiteiten die onder zijn
verantwoordelijkheid vallen. In dit jaarlijkse activiteitenverslag brengt de
ordonnateur verslag uit over de beleidsresultaten en verschaft hij redelijke
zekerheid dat de middelen die zijn toegekend voor de activiteiten die in zijn verslag
zijn beschreven, voor het gestelde doel zijn aangewend overeenkomstig de
beginselen van goed financieel beheer en dat de ingestelde controleprocedures
de nodige garanties bieden wat betreft de wettigheid en de regelmatigheid van
de onderliggende verrichtingen. 5. CONTROLE EN KWIJTING
5.1 Controle De jaarrekening en het beheer van de middelen van
het EOF staan onder toezicht van de externe controleur van het fonds, zijnde de
Europese Rekenkamer, die een jaarverslag opstelt voor de Raad en het Europees
Parlement. De belangrijkste taak van de Rekenkamer is een externe,
onafhankelijke controle te verrichten van de jaarrekening van het EOF. In het
kader van haar werkzaamheden stelt de Rekenkamer de volgende documenten op: (1)
een
jaarverslag, met gedetailleerde opmerkingen bij de jaarrekening en de
onderliggende verrichtingen; (2)
een
advies, dat gebaseerd is op de door haar uitgevoerde controles en in het
jaarverslag weergegeven wordt in de vorm van een verklaring over i) de
betrouwbaarheid van de rekeningen en ii) de wettigheid en de regelmatigheid van
de onderliggende verrichtingen; (3)
bijzondere
verslagen over de resultaten van controles van specifieke punten van beheer. De Rekenkamer heeft recht op toegang tot alle
documenten die zij nodig heeft tijdens haar controle. De Rekenkamer controleert
alle terreinen die door het EOF worden bestreken en gaat daarbij tot op het
niveau van de wettigheid en de regelmatigheid van afzonderlijke verrichtingen
en betalingen. Zij voert ook een controle uit van de jaarrekening zelf,
inspecteert de afzonderlijke balans en de economische resultatenrekening,
evenals de algemene presentatie van de financiële staten. Zo kan de Rekenkamer
niet alleen een oordeel uitsproken over de voorgestelde cijfers, maar ook over
het systeem en de ingestelde controles. 5.2 Kwijting De eindcontrole is de kwijting van de financiële
tenuitvoerlegging van de EOF-middelen voor een bepaald begrotingsjaar. Het
Europees Parlement is de met kwijting belaste autoriteit van het EOF. Dit
betekent dat na de controle en de voltooiing van de jaarrekening de Raad een
aanbeveling dient te doen en het Parlement daarna dient te beslissen of het
kwijting verleent aan de Commissie voor de financiële tenuitvoerlegging van de
EOF-middelen voor het vorige begrotingsjaar. Deze beslissing is gebaseerd op
een controle van de rekeningen, het jaarverslag van de Rekenkamer (dat een
officiële betrouwbaarheidsverklaring bevat) en de antwoorden van de Commissie,
alsook op de antwoorden van de Commissie op aanvullende vragen en verzoeken om
meer informatie. De kwijting is het politieke facet van de externe
controle van de financiële tenuitvoerlegging. Het is de beslissing waarmee het
Europees Parlement op aanbeveling van de Raad de Commissie "ontslaat"
van haar verantwoordelijkheid voor het beheer van de financiële
tenuitvoerlegging van een bepaald begrotingsjaar. De uitkomst van de
kwijtingsprocedure is tweeledig: ofwel wordt kwijting verleend, ofwel wordt
deze uitgesteld. Wanneer het Parlement kwijting verleent, kan het opmerkingen maken
over aangelegenheden die het belangrijk acht, waarbij het vaak maatregelen
aanbeveelt en die de Commissie terzake dient te nemen. De Commissie beschrijft
de genomen maatregelen in een follow-upverslag en een actieplan, dat zij zowel
aan het Parlement als aan de Raad toezendt. DEEL I – JAARREKENING
VAN HET EOF: DOOR DE EUROPESE COMMISSIE BEHEERDE MIDDELEN[2] 1. FINANCIËLE
STATEN VAN HET 8E, 9E EN 10E EUROPEES ONTWIKKELINGSFONDS
1.1 8E,
9E EN 10E EOF: GEAGGREGEERD BALANSTOTAAL, ECONOMISCHE RESULTATENREKENING,
KASSTROOMOVERZICHT EN MUTATIEOVERZICHT VAN DE NETTOACTIVA
GEAGGREGEERD BALANSTOTAAL van het 8e, 9e en 10e EOF
|| || || || in miljoen EUR || Toelichting || 31.12.2011 || 31.12.2010 || NIET-VLOTTENDE ACTIVA || || || || Voorfinancieringen op lange termijn || 2.1 || 380 || 353 || || || || || VLOTTENDE ACTIVA || || || || Voorfinancieringen op korte termijn || 2.2 || 1 175 || 1 096 || Vorderingen op korte termijn || 2.3 || 111 || 247 || Geldmiddelen en kasequivalenten || 2.5 || 1 224 || 808 || || || || || TOTAAL ACTIVA || || 2 891 || 2 503 || || || || || VLOTTENDE PASSIVA || || || || Schulden op korte termijn || 2.6 || (1 033) || (1 045) || || || || || TOTAAL PASSIVA || || (1 033) || (1 045) || || || || || NETTOACTIVA || || 1 858 || 1 458 || || || || || MIDDELEN EN RESERVES || || || || Afgeroepen middelen van het fonds || 2.7 || 26 979 || 23 879 || Overige reserves || 2.8 || 2 252 || 2 252 || Van vorige jaren overgedragen economisch resultaten || || (24 674) || (21 909) || Economisch resultaat van het begrotingsjaar || || (2 700) || (2 765) || NETTOACTIVA || || 1 858 || 1 458 GEAGGREGEERDE ECONOMISCHE
RESULTATENREKENING van het 8e, 9e en 10e EOF
|| || in miljoen EUR || Toelichting || 2011 || 2010 || || || BELEIDSONTVANGSTEN || 3.1 || 99 || 140 || || || BELEIDSUITGAVEN || || || Beleidsuitgaven || 3.2 || (2 702) || (2 914) Administratieve uitgaven || 3.3 || (75) || (86) || || || OVERSCHOT/(TEKORT) VAN BELEIDSACTIVITEITEN || || (2 679) || (2 860) || || || Financiële ontvangsten || 3.4 || (20) || 95 OVERSCHOT/(TEKORT) VAN BELEIDSACTIVITEITEN || || (21) || 95 || || || ECONOMISCH RESULTAAT VAN HET BEGROTINGSJAAR || || (2 700) || (2 765) GEAGGREGEERD KASSTROOMOVERZICHT van
het 8e, 9e en 10e EOF
|| || in miljoen EUR || Toelichting || 2011 || 2010 || || || Economische resultaten van het begrotingsjaar || || (2 700) || (2 765) || || || BELEIDSACTIVITEITEN || 4.2 || || Gewone bijdragen van de lidstaten || || 3 238 || 3 420 Bijdragen cofinanciering van de lidstaten || || 7 || 65 (Terugboeking van) waardeverminderingen op vorderingen || || 6 || 2 || || || (Toename)/afname voorfinancieringen op lange termijn || || (28) || (157) (Toename)/afname voorfinancieringen op korte termijn || || (79) || (296) (Toename)/afname vorderingen op korte termijn || || 14 || (62) Toename/(afname) schulden op korte termijn || || (42) || 78 || || || Nettokasstroom || || 417 || 285 || || || NETTOTOENAME/(-AFNAME) VAN KASMIDDELEN EN DAARMEE GELIJK TE STELLEN MIDDELEN || || 417 || 285 Kasmiddelen en daarmee gelijk te stellen middelen bij het begin van het jaar || 2.5 || 808 || 523 Kasmiddelen en daarmee gelijk te stellen middelen bij het einde van het jaar || 2.5 || 1 224 || 808 GEAGRREGEERD MUTATIEOVERZICHT VAN
DE NETTOACTIVA van het 8e, 9e en 10e EOF
|| || || || || || || in miljoen EUR || Vermogen van het fonds (a) || Niet-afgeroepen middelen (b) || Afgeroepen middelen van het Fonds (a)-(b) || Gecumuleerde reserves (d) || Overige reserves (e) || Totaal nettoactiva (c)+(d)+(e) BALANS OP 31 DECEMBER 2009 || 45 761 || 25 381 || 20 381 || (21 909) || 2 252 || 724 || || || || || || Kapitaalverhoging – gewone bijdragen || - || (3 500) || 3 500 || - || - || 3 500 Herindeling van bijdragen cofinanciering[3] || (70) || (69) || (2) || - || - || (2) Economische resultaten van het begrotingsjaar || - || - || - || (2 765) || - || (2 765) SALDO PER 31 DECEMBER 2010 || 45 691 || 21 812 || 23 879 || (24 674) || 2 252 || 1 458 || || || || || || Kapitaalverhoging – gewone bijdragen || - || (3 100) || 3 100 || - || - || 3 100 Economische resultaten van het begrotingsjaar || - || - || - || (2 700) || - || (2 700) SALDO PER 31 DECEMBER 2011 || 45 691 || 18 712 || 26 979 || (27 374) || 2 252 || 1 858 1.2 8E
EOF: BALANS, ECONOMISCHE RESULTATENREKENING EN MUTATIEOVERZICHT VAN DE
NETTOACTIVA
BALANS van het 8e EOF || || || || in miljoen EUR || Toelichting || 31.12.2011 || 31.12.2010 || VLOTTENDE ACTIVA || || || || Voorfinancieringen op korte termijn || 2.2 || 70 || 100 || Vorderingen op korte termijn || 2.3 || 4 || 9 || Verbindingsrekeningen || 2.4 || 387 || 497 || || || || || TOTAAL ACTIVA || || 461 || 605 || || || || || VLOTTENDE PASSIVA || || || || Schulden op korte termijn || 2.6 || (29) || (45) || || || || || TOTAAL PASSIVA || || (29) || (45) || || || || || NETTOACTIVA || || 432 || 560 || || || || || MIDDELEN EN RESERVES || || || || Afgeroepen middelen van het fonds || 2.7 || 12 840 || 12 840 || Overige reserves || 2.8 || (2 276) || (2 237) || Van vorige jaren overgedragen economisch resultaten || || (10 042) || (9 985) || Economische resultaten van het begrotingsjaar || || (90) || (58) || NETTOACTIVA || || 432 || 560 ECONOMISCHE RESULTATENREKENING van
het 8e EOF || || in miljoen EUR || Toelichting || 2011 || 2010 || || || BELEIDSONTVANGSTEN || 3.1 || 40 || 54 || || || BELEIDSUITGAVEN || 3.2 || (128) || (116) || || || || || || OVERSCHOT/(TEKORT) VAN BELEIDSACTIVITEITEN || || (88) || (61) || || || Financiële ontvangsten || 3.4 || (1) || 4 OVERSCHOT/(TEKORT) VAN FINANCIËLE ACTIVITEITEN || || (2) || 4 || || || ECONOMISCH RESULTAAT VAN HET BEGROTINGSJAAR || || (90) || (58) MUTATIEOVERZICHT VAN DE
NETTOACTIVA van het 8e EOF || || || || || || || in miljoen EUR || Vermogen van het fonds (a) || Niet-afgeroepen middelen (b) || Afgeroepen middelen van het Fonds (c)=(a)-(b) || Gecumuleerde reserves (d) || Overige reserves (e) || Totaal nettoactiva (c)+(d)+(e) SALDO PER 31 december 2009 || 12 840 || - || 12 840 || (9 985) || (2 153) || 703 || || || || || || Kapitaalverhoging – gewone bijdragen || - || - || - || - || - || - Overdrachten naar het 10e EOF || - || - || - || - || (85) || (85) Economische resultaten van het begrotingsjaar || - || - || - || (58) || - || (58) SALDO PER 31 december 2010 || 12 840 || - || 12 840 || (10 042) || (2 237) || 560 || || || || || || Kapitaalverhoging – gewone bijdragen || - || - || - || - || - || - Overdrachten naar het 10e EOF || - || - || - || - || (38) || (38) Economische resultaten van het begrotingsjaar || - || - || - || (90) || - || (90) SALDO PER 31 DECEMBER 2011 || 12 840 || - || 12 840 || (10 132) || (2 276) || 432 1.3 9E
EOF: BALANS, ECONOMISCHE RESULTATENREKENING EN MUTATIEOVERZICHT VAN DE
NETTOACTIVA
BALANS
van het 9e EOF || || || || in miljoen EUR || Toelichting || 31.12.2011 || 31.12.2010 || NIET-VLOTTENDE ACTIVA || || || || Voorfinancieringen op lange termijn || 2.1 || 191 || 158 || || || || || VLOTTENDE ACTIVA || || || || Voorfinancieringen op korte termijn || 2.2 || 569 || 742 || Vorderingen op korte termijn || 2.3 || 87 || 233 || Verbindingsrekeningen || 2.4 || 2 557 || 2 516 || Geldmiddelen en kasequivalenten || 2.5 || 6 || 7 || || || || || TOTAAL ACTIVA || || 3 410 || 3 655 || || || || || VLOTTENDE PASSIVA || || || || Schulden op korte termijn || 2.6 || (315) || (392) || || || || || TOTAAL PASSIVA || || (315) || (392) || || || || || NETTOACTIVA || || 3 096 || 3 263 || || || || || MIDDELEN EN RESERVES || || || || Afgeroepen middelen van het fonds || 2.7 || 11 699 || 11 039 || Overige reserves || 2.8 || 4 227 || 4 157 || Van vorige jaren overgedragen economisch resultaten || || (11 932) || (10 854) || Economische resultaten van het begrotingsjaar || || (898) || (1 078) || NETTOACTIVA || || 3 096 || 3 263 ECONOMISCHE RESULTATENREKENING van
het 9e EOF || || in miljoen EUR || Toelichting || 2011 || 2010 || || || BELEIDSONTVANGSTEN || 3.1 || 49 || 82 || || || BELEIDSUITGAVEN || || || Beleidsuitgaven || 3.2 || (924) || (1 230) Administratieve uitgaven || 3.3 || (3) || (6) || || || || || || OVERSCHOT/(TEKORT) VAN BELEIDSACTIVITEITEN || || (879) || (1 155) || || || Financiële ontvangsten || 3.4 || (19) || 77 OVERSCHOT/(TEKORT) VAN FINANCIËLE ACTIVITEITEN || || (19) || 77 || || || ECONOMISCH RESULTAAT VAN HET BEGROTINGSJAAR || || (898) || (1 078) MUTATIEOVERZICHT VAN DE
NETTOACTIVA van het 9e EOF || || || || || || || in miljoen EUR || Vermogen van het fonds (a) || Niet-afgeroepen middelen (b) || Afgeroepen middelen van het Fonds (c)=(a)-(b) || Gecumuleerde reserves (d) || Overige reserves (e) || Totaal nettoactiva (c)+(d)+(e) SALDO PER 31 december 2009 || 11 699 || 4 160 || 7 539 || (10 854) || 4 308 || 993 || || || || || || Kapitaalverhoging – gewone bijdragen || - || (3 500) || 3 500 || - || - || 3 500 Overdrachten naar het 10e EOF || - || - || - || - || (151) || (151) Economische resultaten van het begrotingsjaar || - || - || - || (1 078) || - || (1 078) SALDO PER 31 december 2010 || 11 699 || 660 || 11 039 || (11 932) || 4 157 || 3 263 || || || || || || Kapitaalverhoging – gewone bijdragen || - || (660) || 660 || - || - || 660 Overdrachten naar en van het 10e EOF || - || - || - || - || 70 || 70 Economische resultaten van het begrotingsjaar || - || - || - || (898) || - || (898) SALDO PER 31 DECEMBER 2011 || 11 699 || 0 || 11 699 || (12 830) || 4 227 || 3 096 1.4 10e
EOF: BALANS, ECONOMISCHE RESULTATENREKENING EN MUTATIEOVERZICHT VAN DE
NETTOACTIVA
BALANS
van het 10e EOF || || || || in miljoen EUR || Toelichting || 31.12.2011 || 31.12.2010 || NIET-VLOTTENDE ACTIVA || || || || Voorfinancieringen op lange termijn || 2.1 || 189 || 195 || || || || || VLOTTENDE ACTIVA || || || || Voorfinancieringen op korte termijn || 2.2 || 536 || 255 || Vorderingen op korte termijn || 2.3 || 20 || 5 || Geldmiddelen en kasequivalenten || 2.5 || 1 218 || 801 || || || || || TOTAAL ACTIVA || || 1 963 || 1 255 || || || || || VLOTTENDE PASSIVA || || || || Schulden op korte termijn || 2.6 || (689) || (608) || Verbindingsrekeningen || 2.4 || (2 944) || (3 013) || || || || || TOTAAL PASSIVA || || (3 633) || (3 621) || || || || || NETTOACTIVA || || (1 670) || (2 366) || || || || || MIDDELEN EN RESERVES || || || || Afgeroepen middelen van het fonds || 2.7 || 2 440 || - || Overige reserves || 2.8 || 301 || 333 || Van vorige jaren overgedragen economisch resultaten || || (2 699) || (1 070) || Economische resultaten van het begrotingsjaar || || (1 712) || (1 629) || NETTOACTIVA[4] || || (1 670) || (2 366) ECONOMISCHE RESULTATENREKENING van
het 10e EOF || || in miljoen EUR || Toelichting || 2011 || 2010 || || || BELEIDSONTVANGSTEN || 3.1 || 10 || 4 || || || BELEIDSUITGAVEN || || || Beleidsuitgaven || 3.2 || (1 650) || (1 567) Administratieve uitgaven || 3.3 || (72) || (80) || || || || || || OVERSCHOT/(TEKORT) VAN BELEIDSACTIVITEITEN || || (1 712) || (1 643) || || || Financiële ontvangsten || 3.4 || 0 || 14 OVERSCHOT/(TEKORT) VAN FINANCIËLE ACTIVITEITEN || || (1) || 14 || || || ECONOMISCH RESULTAAT VAN HET BEGROTINGSJAAR || || (1 712) || (1 629) MUTATIEOVERZICHT VAN DE NETTOACTIVA
van het 10e EOF || || || || || || || in miljoen EUR || Vermogen van het fonds (a) || Niet-afgeroepen middelen (b) || Afgeroepen middelen van het Fonds (c)=(a)-(b) || Gecumuleerde reserves (d) || Overige reserves (e) || Totaal nettoactiva (c)+(d)+(e) SALDO PER 31 december 2009 || 21 222 || 21 221 || 2 || (1 070) || 97 || (971) || || || || || || Kapitaalverhoging – gewone bijdragen || - || - || - || - || - || - Herindeling van bijdragen cofinanciering[5] || (70) || (69) || (2) || - || - || (2) Overdrachten van het 8e en 9e EOF || - || - || - || - || 236 || 236 Economische resultaten van het begrotingsjaar || - || - || - || (1 629) || - || (1 629) SALDO PER 31 december 2010 || 21 152 || 21 152 || - || (2 699) || 333 || (2 366) || || || || || || Kapitaalverhoging – gewone bijdragen || - || (2 440) || 2 440 || - || - || 2 440 Overdrachten van/naar het 8e en 9e EOF || - || - || - || - || (32) || (32) Economische resultaten van het begrotingsjaar || - || - || - || (1 712) || - || (1 712) SALDO PER 31 DECEMBER 2011 || 21 152 || 18 712 || 2 440 || (4 411) || 301 || (1 670) 1.5 TOELICHTINGEN
BIJ DE FINANCIËLE STATEN VAN HET 8E, 9E EN 10E EOF 1. DE BELANGRIJKSTE
GEHANTEERDE GRONDSLAGEN VOOR FINANCIËLE VERSLAGLEGGING 1.1. WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
EN HET FINANCIEEL REGLEMENT
De financiële
staten zijn opgesteld overeenkomstig het Financieel Reglement van toepassing op
het 10e EOF. Overeenkomstig de bepalingen van artikel 121 van het Financieel
Reglement van toepassing op het 10e EOF worden de financiële staten volgens het
beginsel van de periodetoerekening opgesteld. Deze financiële staten werden opgemaakt
overeenkomstig boekhoudregels en -methoden voor het EOF, die werden vastgesteld
op basis van de internationaal aanvaarde normen voor de openbare sector (IPSAS
- International Public Sector Accounting Standards) en waar deze ontbreken, de
internationale normen voor de financiële verslaggeving (IFRS - International
Financial Reporting Standards), die respectievelijk door de International
Public Sector Accounting Standard Board (IPSASB) en de International Accounting
Standard Board (IASB) zijn uitgevaardigd. De door de rekenplichtige van het EOF
aangenomen waarderingsregels en boekhoudmethoden zijn toegepast voor het deel
van de middelen van het EOF waarvoor de Europese Commissie belast is met het
financieel beheer. De rekenplichtige van het EOF moet de voorlopige
rekening uiterlijk op 31 maart van het volgende jaar bij de Rekenkamer
indienen. Uiterlijk op 15 juni stelt de Rekenkamer de Commissie in kennis van
haar opmerkingen over het ontwerp van de rekeningen (artikel 125). Op basis van
deze opmerkingen keurt de Commissie de definitieve rekeningen uiterlijk op 31
juli goed en zendt deze aan het Europees Parlement, de Raad en de Rekenkamer
toe. De rekeningen worden tegen 15 november in het Publicatieblad
bekendgemaakt, vergezeld van de betrouwbaarheidsverklaring die door de
Rekenkamer wordt verstrekt voor het deel van de middelen van het EOF waarvoor
de Europese Commissie belast is met het financieel beheer.
1.2. BOEKHOUDBEGINSELEN Het doel van de financiële staten bestaat erin
informatie te verschaffen over de financiële positie, financiële prestaties en
kasstromen van een entiteit, die voor een groot aantal gebruikers nuttig is. Voor
een organisatie in de openbare sector, zoals het EOF, moeten deze staten meer
in het bijzonder informatie verschaffen die nuttig is voor de besluitvorming en
getuigen van de controleerbaarheid van de organisatie met betrekking tot de
middelen die aan haar zijn toevertrouwd. Om een getrouw beeld te geven, moeten de financiële
staten niet alleen relevante informatie verschaffen over de aard en de omvang
van de activiteiten van een organisatie, verklaren hoe die organisatie wordt
gefinancierd en sluitende informatie over de verrichtingen ervan verstrekken,
maar dit alles ook op een duidelijke en begrijpelijke manier doen die
vergelijking met andere begrotingsjaren mogelijk maakt. Dit document is in die
optiek opgesteld. De boekhouding van het EOF bestaat uit een algemene
boekhouding en een begrotingsboekhouding. Aan de hand van de begrotingsboekhouding
kan de uitvoering van de begroting nauwkeurig worden gevolgd. De
begrotingsboekhouding is gebaseerd op het kasbeginsel. Op basis van de
algemene boekhouding kunnen de financiële staten worden opgemaakt,
aangezien in de boekhouding alle uitgaven en ontvangsten voor het
begrotingsjaar worden geboekt op basis van de boekhoudregels op
transactiebasis, teneinde in de vorm van een balans per 31 december de financiële
positie vast te stellen. Artikel 120 van het Financieel Reglement van
toepassing op het 10e EOF vermeldt de boekhoudbeginselen aan de hand waarvan de
financiële staten moeten worden opgemaakt: – continuïteit van de
activiteiten; – voorzichtigheid, – bestendigheid van de
boekhoudmethoden, – vergelijkbaarheid van de
informatie, – relatief belang, – niet-compensatie, – voorrang van werkelijkheid
boven schijn, – periodetoerekening per
begrotingsjaar.
1.3. OPSTELLINGSGRONDSLAG
1.3.1. Functionele en rapportagevaluta De financiële staten zijn uitgedrukt in miljoen
euro, aangezien de euro de functionele en rapporteringsvaluta van het EOF is.
1.3.2. Munteenheid
en omrekeningsbeginselen Verrichtingen in vreemde valuta worden omgerekend
naar euro tegen de wisselkoersen die golden op de data van de onderliggende
verrichting. Wisselkoersbaten en -verliezen die voortvloeien uit de afwikkeling
van verrichtingen in vreemde valuta en uit de omrekening aan het einde van het
jaar van in vreemde valuta luidende monetaire activa en passiva worden in de
economische resultatenrekening opgenomen. De omzetting in euro van de in vreemde valuta
luidende saldi van monetaire activa en passiva aan het einde van het boekjaar
vindt plaats tegen de op 31 december geldende wisselkoersen:
Valuta || 31.12.2011 || 31.12.2010 || Valuta || 31.12.2011 || 31.12.2010 BGN || 1.9558 || 1.9558 || LTL || 3.4528 || 3.4528 CZK || 25.7870 || 25.0610 || PLN || 4.4580 || 3.9750 DKK || 7.4342 || 7.4535 || RON || 4.3233 || 4.2620 EEK || N/A || 15.6466 || SEK || 8.9120 || 8.9655 GBP || 0.8353 || 0.8607 || CHF || 1.2156 || 1.2504 HUF || 314.5800 || 277.9500 || JPY || 100.2000 || 108.6500 LVL || 0.6995 || 0.7094 || USD || 1.2939 || 1.3362 1.3.3. Gebruik van ramingen Overeenkomstig de IPSAS en algemeen aanvaarde
boekhoudbeginselen bevatten de financiële staten onvermijdelijk bedragen die
steunen op ramingen en veronderstellingen die op basis van de meest betrouwbare
beschikbare informatie door het management zijn gedaan. Belangrijke ramingen
betreffen onder andere, maar niet uitsluitend bedragen voor voorzieningen,
waardeverminderingsverliezen op vorderingen en toegerekende lasten. De
daadwerkelijke resultaten kunnen afwijken van deze ramingen. Wijzigingen in
ramingen worden weergegeven in de periode waarin zij bekend worden. 1.4. BALANS
1.4.1 Voorfinanciering Voorfinanciering heeft ten doel de begunstigde te
voorzien van een voorschot, dus van contante middelen. Zij kan worden
opgesplitst in een aantal betalingen gedurende een periode die in de
desbetreffende voorfinancieringsovereenkomst is vastgesteld. De contante
middelen of het voorschot worden terugbetaald of aangewend voor het doel
waarvoor zij tijdens de in de overeenkomst vastgestelde periode werden
verstrekt. Indien de begunstigde geen subsidiabele uitgaven doet, moet hij de
voorfinanciering aan het EOF terugbetalen. Het voorfinancieringsbedrag wordt
(geheel of gedeeltelijk) verminderd naarmate subsidiabele kosten worden
aanvaard of bedragen worden teruggestort. Aan het einde van het jaar uitstaande
voorfinancieringen worden gewaardeerd tegen het oorspronkelijk uitbetaalde
bedrag minus: terugbetaalde bedragen, afgewikkelde subsidiabele bedragen,
geraamde subsidiabele bedragen die aan het einde van het jaar nog niet zijn
afgewikkeld en waardeverminderingen. Rente op voorfinancieringen wordt opgenomen wanneer
zij verworven is volgens de bepalingen van de desbetreffende overeenkomst. Aan
het einde van het jaar wordt op basis van de meest betrouwbare informatie een
raming van de aan de periode toerekenbare renteopbrengsten gemaakt. 1.4.2 Vorderingen Vorderingen worden geboekt tegen het oorspronkelijke
bedrag minus waardeverminderingen. Er wordt
een waardevermindering op vorderingen geboekt wanneer er objectieve
aanwijzingen voorhanden zijn dat het volledige verschuldigde bedrag niet
volgens de oorspronkelijke voorwaarden van de vordering geïnd kan worden. De waardevermindering is het verschil tussen de
boekwaarde van het actief en het realiseerbare bedrag, zijnde de contante
waarde van de verwachte toekomstige kasstromen, verdisconteerd tegen de
marktrente die aan vergelijkbare leningnemers in rekening wordt gebracht. Daarnaast wordt een algemene waardevermindering
opgenomen voor uitstaande invorderingsopdrachten waarvoor nog geen specifieke
waardevermindering is toegepast. Deze algemene
waardevermindering is gebaseerd op historische verliescijfers. De waardevermindering wordt opgenomen in de
economische resultatenrekening.
1.4.3 Geldmiddelen
en kasequivalenten Geldmiddelen en kasequivalenten zijn financiële
instrumenten en worden gedefinieerd als kortlopende activa. Zij omvatten liquide middelen, bij banken
opvraagbare deposito's, andere kortlopende, zeer liquide beleggingen met een
oorspronkelijke looptijd van ten hoogste drie maanden. 1.4.4 Schulden Een aanzienlijk bedrag van de schulden van het EOF
heeft geen betrekking op de aanschaf van goederen of diensten. Het gaat
daarentegen om onbetaalde kostendeclaraties van begunstigden van subsidies of
andere financiering. Zij worden als schulden voor het gevraagde bedrag
geregistreerd wanneer de kostendeclaratie wordt ontvangen en, na verificatie,
door de bevoegde financiële functionarissen subsidiabel wordt bevonden. In deze
fase worden zij op het aanvaarde en subsidiabele bedrag gewaardeerd. Schulden die voortvloeien uit de aanschaf van
goederen en diensten worden bij ontvangst van de factuur opgenomen voor het
oorspronkelijke bedrag en de overeenkomstige uitgaven worden in de boeken
opgenomen wanneer de goederen of diensten worden geleverd en aanvaard.
1.4.5 Voorzieningen Voorzieningen worden opgenomen wanneer het EOF een
bestaande in rechte afdwingbare of feitelijke verplichting tegenover derden
heeft als gevolg van gebeurtenissen in het verleden, het zeer waarschijnlijk is
dat een uitstroom van middelen nodig zal zijn om de verplichting af te wikkelen
en het bedrag op betrouwbare wijze kan worden geraamd. Het bedrag van de
voorziening is de beste raming van de uitgaven die naar verwachting nodig
zullen zijn om de huidige verplichting op de verslagdatum af te wikkelen.
1.4.6 Overlopende
posten Een essentieel aspect in een transactieboekhouding
is het waarborgen dat verrichtingen worden toegerekend aan de boekhoudkundige
periode waarop zij betrekking hebben. Dat noemen wij de afsluiting van het
boekjaar. In het bijzonder dient een raming te worden gemaakt van de
subsidiabele uitgaven die door begunstigden van EOF-middelen zijn gedaan, maar
nog niet bij het EOF zijn gedeclareerd (toegerekende lasten). Omgekeerd worden
sommige uitgaven in de lopende periode geregistreerd alhoewel zij betrekking
hebben op latere periodes (uitgestelde lasten). Die uitgaven dienen geïdentificeerd
te worden en opgenomen in de latere periode(s). Overeenkomstig de boekhoudregels van het EOF worden
verrichtingen en gebeurtenissen in de financiële staten opgenomen in de periode
waarop zij betrekking hebben. Aan het einde van de boekhoudkundige periode
worden de toegerekende uitgaven opgenomen tegen het geraamde bedrag van de voor
de periode verschuldigde overdracht. De berekening van de toegerekende uitgaven
gebeurt volgens gedetailleerde operationele en praktische richtsnoeren die zijn
gepubliceerd door de Commissie en die tot doel hebben te waarborgen dat de
financiële staten een getrouw beeld geven. Ook baten worden geboekt in de periode waarop zij
betrekking hebben. Wanneer aan het einde van het jaar nog geen factuur is
opgesteld, maar de dienst is verstrekt, de goederen zijn geleverd door het EOF
of er een contractuele overeenkomst bestaat (bv. op grond van een verdrag),
worden de aan de periode toerekenbare inkomsten in de financiële staten
opgenomen. Wanneer er bovendien aan het einde van het jaar een
factuur is opgesteld, maar de diensten nog niet zijn verstrekt of de goederen
nog niet zijn geleverd, worden de ontvangsten uitgesteld en in de volgende
boekhoudkundige periode geboekt. 1.5. ECONOMISCHE
RESULTATENREKENING
1.5.1 Ontvangsten Het Europees Ontwikkelingsfonds heeft geen
ontvangstenbegroting. De gewone bijdragen van de lidstaten worden beschouwd als
het vermogen van het fonds. Ontvangsten omvatten teruggevorderde uitgaven en
rentebaten. Teruggevorderde uitgaven Indien een eindbegunstigde of een derde land
uitgaven moet terugbetalen die eerder door het EOF zijn betaald, worden
invorderingsopdrachten en inhoudingen op latere betalingen opgesteld die als
volgt wordt geboekt: –
teruggevorderde
uitgaven: de invorderingsopdracht resulteert in een vordering die in de
economische resultatenrekening voor dat jaar als een ontvangst wordt geboekt;
of, –
teruggevorderde
voorfinancieringen: in dit geval wordt het bedrag in de rubriek
voorfinanciering op de balans opgenomen. Rentebaten Rentebaten worden in de economische
resultatenrekening opgenomen volgens de effectieve-rentemethode. De rentebaten
zijn ontvangen of te ontvangen rente op liquide middelen en opvraagbare
deposito's bij commerciële banken en bij laattijdige betaling van schuldvorderingen
aan het EOF. De rentebaten worden in aanmerking genomen naarmate zij worden
gevormd.
1.5.2 Uitgaven Handelsuitgaven die voortvloeien uit de aanschaf van
goederen en diensten worden opgenomen wanneer de goederen zijn geleverd en
aanvaard. Zij worden gewaardeerd tegen het oorspronkelijke factuurbedrag. Niet-handelsuitgaven maken het merendeel van de
uitgaven van het EOF uit. Het gaat om overdrachten aan begunstigden, die van
drieërlei aard kunnen zijn: rechten, overdrachten bij overeenkomst en subsidies,
of bijdragen en giften. Overdrachten worden als uitgaven opgenomen in de
periode waarin de gebeurtenissen die aanleiding geven tot de overdracht zich
voordoen, mits de overdracht bij besluit (Financieel Reglement of ander
besluit) is toegestaan of een overeenkomst is ondertekend waarbij de overdracht
wordt toegestaan, de begunstigde heeft voldaan aan eventuele
subsidiabiliteitscriteria, van het verschuldigde bedrag een redelijke raming
kan worden gemaakt. Verzoeken om betaling of kostendeclaraties die aan
de voorwaarden voor erkenning voldoen, worden als uitgave opgenomen voor het in
aanmerking komende bedrag. Aan het einde van het jaar worden in aanmerking
komende bedragen die aan de begunstigden verschuldigd zijn, maar waarvoor nog
geen declaratie heeft plaatsgevonden, geraamd en geboekt als toegerekende
uitgaven. Rentelasten Rentelasten worden in de economische
resultatenrekening opgenomen volgens de effectieve-rentemethode. De rentelasten
omvatten betaalde of aangerekende rente en worden in aanmerking genomen
naarmate zij worden gevormd. 1.6. VOORWAARDELIJKE ACTIVA EN
VERPLICHTINGEN
1.6.1 Voorwaardelijke activa Een voorwaardelijk actief is een mogelijk actief dat
voortvloeit uit gebeurtenissen in het verleden en waarvan het bestaan alleen
wordt bevestigd door het al dan niet plaatsvinden van één of meer onzekere
toekomstige gebeurtenissen waarover het EOF niet de volledige controle heeft.
Een voorwaardelijk actief wordt opgenomen wanneer een instroom van economische
baten of dienstenpotentieel waarschijnlijk is. Voorwaardelijke activa worden op elke balansdatum
beoordeeld om te garanderen dat ontwikkelingen correct in de financiële staten
tot uitdrukking worden gebracht. Indien het virtueel zeker is geworden dat er
zich een instroom van economische baten of dienstenpotentieel zal voordoen en
de waarde van het activum op betrouwbare wijze kan worden gemeten, worden het
actief en de gerelateerde baten opgenomen in de financiële staten van de
periode waarin de verandering zich voordoet. Garanties zijn potentiële activa die voortvloeien
uit gebeurtenissen in het verleden en waarvan het bestaan zal worden bevestigd
door het al dan niet plaatsvinden van het voorwerp van de garantie. Garanties
kunnen bijgevolg als voorwaardelijke activa worden aangemerkt. Een garantie is
afgewikkeld wanneer het voorwerp van de garantie niet langer bestaat. De
garantie wordt reëel wanneer de voorwaarden zijn vervuld waaronder de garant om
betaling kan worden gevraagd.
1.6.2 Voorwaardelijke
verplichtingen Een voorwaardelijke verplichting is een mogelijke
verplichting die voortvloeit uit gebeurtenissen in het verleden en waarvan het
bestaan alleen zal worden bevestigd door het al dan niet plaatsvinden van een
of meer onzekere toekomstige gebeurtenissen waarover het EOF niet de volledige
controle heeft; of een bestaande verplichting die voortvloeit uit
gebeurtenissen in het verleden, maar die niet is opgenomen omdat het niet
waarschijnlijk is dat een uitstroom van middelen die economische voordelen of
dienstenpotentieel in zich bergen vereist zal zijn om de verplichting af te
wikkelen of, in zeldzame omstandigheden, omdat het bedrag van de verplichting
onvoldoende betrouwbaar kan worden bepaald. Een voorwaardelijke verplichting
wordt opgenomen tenzij een uitstroom van middelen die economische voordelen of
dienstenpotentieel in zich bergen onwaarschijnlijk is. Voorwaardelijke verplichtingen worden op elke
balansdatum beoordeeld om te bepalen of een uitstroom van middelen die
economische voordelen of dienstenpotentieel in zich bergen, waarschijnlijk is
geworden. Indien het waarschijnlijk wordt dat een uitstroom van middelen die
economische voordelen of dienstenpotentieel in zich bergen vereist zal zijn
voor een post die voorheen werd behandeld als een voorwaardelijke verplichting,
wordt een voorziening opgenomen in de financiële staten van de verslagperiode
waarin de wijziging in de waarschijnlijkheid zich voordoet. 2. TOELICHTINGEN BIJ DE
BALANS
NIET-VLOTTENDE ACTIVA 2.1 VOORFINANCIERINGEN OP
LANGE TERMIJN || || || || in miljoen EUR || 8e EOF || 9e EOF || 10e EOF || TOTAAL 31.12.2011 || TOTAAL 31.12.2010 Voorfinancieringen op lange termijn || - || 191 || 189 || 380 || 353 TOTAAL || - || 191 || 189 || 380 || 353 Talrijke contracten voorzien in de betaling van
voorschotten voor de aanvang van werken, de levering van voorraden of de
verrichting van diensten. Soms wordt in de betalingsregeling van contracten
bepaald dat de betalingen op basis van voortgangsverslagen zullen plaatsvinden.
Voorfinanciering wordt normaal gesproken uitbetaald in de munteenheid van het
land of gebied waar het project wordt uitgevoerd. De voorfinanciering is opgenomen ongerekend de
openstaande invorderingsopdrachten in verband met voorschotten en de geraamde
bedragen die aan het einde van het jaar nog niet zijn verrekend. De termijn
waarbinnen de voorfinanciering kan worden teruggevorderd of gebruikt, bepaalt
of zij wordt opgenomen als voorfinanciering op korte of lange termijn. Het
gebruik is vastgelegd in de onderliggende overeenkomst van het project. Indien
de terugbetaling of het gebruik binnen de twaalf maanden na de verslagdatum
moet plaatsvinden, gaat het om een voorfinanciering op korte termijn, die onder
de vlottende activa moet worden opgenomen. Omdat uit het EOF veel
langetermijnprojecten worden gefinancierd, moeten de desbetreffende voorfinancieringen
langer dan een jaar beschikbaar zijn. Daarom worden deze voorfinancieringen
geboekt als activa op lange termijn. De toename van de voorfinanciering op lange termijn
met 28 miljoen EUR ten opzichte van 31.12.2010 is voornamelijk toe te schrijven
aan een stijging van de voorfinanciering op lange termijn voor de
intra-ACS-projecten (49 miljoen EUR) en administratieve uitgaven (14 miljoen
EUR), gecompenseerd door een afname van de voorfinanciering op lange termijn
voor sectoraal beleid (17 miljoen EUR) en programmeerbare steun (15 miljoen
EUR). VLOTTENDE ACTIVA 2.2 VOORFINANCIERINGEN OP
KORTE TERMIJN || || || || in miljoen EUR || 8e EOF || 9e EOF || 10e EOF || TOTAAL 31.12.2011 || TOTAAL 31.12.2010 Voorfinancieringen op korte termijn (bruto) || 148 || 1 659 || 1 608 || 3 415 || 3 115 Min geraamde verrekening van voorfinanciering || (78) || (1 090) || (1 072) || (2 240) || (2 019) TOTAAL || 70 || 569 || 536 || 1 175 || 1 096 De toename van de nettovoorfinanciering op korte
termijn met 79 miljoen EUR is grotendeels toe te schrijven aan een stijging van
de nettovoorfinanciering op korte termijn voor administratieve uitgaven (77
miljoen EUR), programmeerbare steun (29 miljoen EUR), institutionele steun (44
miljoen EUR) en sectoraal beleid (25 miljoen EUR). Deze stijging werd
gecompenseerd door een afname bij de intra-ACS-projecten (68 miljoen EUR),
overige steunprogramma's van eerdere EOF's (20 miljoen EUR) en spoedhulp (7
miljoen EUR). 2.2.1 Waarborgen met betrekking
tot voorfinanciering Er worden waarborgen aangehouden om de
voorfinancieringen te garanderen. Deze worden vrijgegeven wanneer de laatste
kostendeclaratie voor een project is betaald. Een waarborg heeft twee
verschillende waarden die de "nominale" en de "lopende"
waarde worden genoemd. Voor de "nominale” waarde houdt de gebeurtenis die
de waarborg doet ontstaan, verband met het bestaan van de waarborg. Voor de
“lopende” waarde is de gebeurtenis die de garantie doet ontstaan de betaling
van voorfinanciering en/of latere verrekeningen. Op 31 december 2011 beloopt
de "nominale" waarde van de waarborgen die het EOF met betrekking tot
voorfinanciering heeft ontvangen, 637 miljoen EUR. De "lopende"
waarde van die waarborgen bedraagt 394 miljoen EUR. Op 31 december 2010
bedroegen deze waarden respectievelijk 674 miljoen EUR en 363 miljoen EUR.
2.3 VORDERINGEN
OP KORTE TERMIJN || || || || in miljoen EUR || 8e EOF || 9e EOF || 10e EOF || TOTAAL 31.12.2011 || TOTAAL 31.12.2010 Vorderingen op afnemers || 2 || 10 || 1 || 13 || 10 Vorderingen op de lidstaten || - || - || 9 || 9 || 125 Overlopende posten || 2 || 77 || 10 || 89 || 112 TOTAAL || 4 || 87 || 20 || 111 || 247 2.3.1 Vorderingen op
afnemers || || || || in miljoen EUR || 8e EOF || 9e EOF || 10e EOF || TOTAAL 31.12.2011 || TOTAAL 31.12.2010 Vorderingen op afnemers || 6 || 18 || 2 || 27 || 18 - Waardevermindering van vorderingen op afnemers || (4) || (8) || (1) || (13) || (8) TOTAAL || 2 || 10 || 1 || 13 || 10 Dit zijn invorderingsopdrachten die per
31 december 2011 als nog te innen vastgestelde rechten zijn geboekt
en die nog niet in een andere balansrubriek zijn opgenomen. Het eindsaldo van
de invorderingsopdrachten komt overeen met de waarde van de aan het einde van
het jaar afgegeven, maar nog niet betaalde invorderingsopdrachten.
Er wordt een raming opgesteld voor een voorziening voor de
waardeverminderingsverliezen voor bedragen die begunstigden verschuldigd zijn
en die waarschijnlijk niet geïnd zullen kunnen worden. Deze voorziening is op twee
variabelen gebaseerd: – Specifieke gevallen:
gebaseerd op het risico van niet-inning, – Algemeen: toepassing van
een voorziening gebaseerd op historische verliescijfers voor uitstaande
invorderingsopdrachten waarop nog geen specifieke waardevermindering is
toegepast. Dat een dergelijke aanpassing wordt gedaan, betekent
niet dat wordt afgezien van de toekomstige inning van de betrokken bedragen. De mutaties in de openstaande invorderingsopdrachten
tijdens de periode worden hierna vermeld. || || || || in miljoen EUR || 8e EOF || 9e EOF || 10e EOF || TOTAAL 2011 || TOTAAL 2010 Openstaande invorderingsopdrachten bij de aanvang van het jaar || 7 || 11 || 0 || 18 || 20 Opgestelde invorderingsopdrachten || 11 || 63 || 55 || 130 || 164 Afgesloten invorderingsopdrachten || (12) || (56) || (55) || (123) || (166) Geïnd || (9) || (46) || (53) || (108) || (143) Afzien van invordering (art 73 FR) || 0 || (1) || 0 || (1) || (1) Geschrapt || (1) || (1) || 0 || (2) || (5) Saldering || (3) || (8) || (1) || (13) || (17) Openstaande invorderingsopdrachten bij het einde van het jaar || 6 || 19 || 1 || 25 || 18
2.3.2.
Vorderingen
op de lidstaten Het van lidstaten te ontvangen bedrag van 9 miljoen
EUR in het 10e EOF omvat te ontvangen bijdragen van Hongarije en Portugal, die
respectievelijk in januari en februari 2012 zijn ontvangen en een
cofinancieringsbijdrage van Denemarken die nog niet is vervallen. 2.3.3 Overlopende posten Overlopende posten omvatten voornamelijk opgelopen
rente op voorfinancieringsbedragen. Voorts is opgelopen rente voor te late
betaling van bijdragen in deze rubriek opgenomen. De afname bij de overlopende posten ten belope van
23 miljoen EUR is het gevolg van een geringere opgelopen rente op
voorfinancieringsbedragen (23 miljoen EUR) (zie toelichting 3.4.2). 2.4 VERBINDINGSREKENINGEN || || || || in miljoen EUR || 8e EOF || 9e EOF || 10e EOF || TOTAAL 31.12.2011 || TOTAAL 31.12.2010 naar/van 6e EOF || (2 065) || (214) || - || (2 279) || (2 279) naar/van 7e EOF || - || 2 279 || - || 2 279 || 2 279 naar/van 8e EOF || - || (3 037) || 584 || (2 453) || (2 563) naar/van 9e EOF || 3 037 || - || (3 529) || (491) || (450) naar/van 10e EOF || (584) || 3 529 || - || 2 944 || 3 013 TOTAAL || 387 || 2 557 || (2 944) || 0 || 0 Om redenen van doelmatigheid is de enige kas voor
alle EOF ondergebracht bij het 10e EOF; dit leidt tot wederzijdse verrichtingen
tussen de verschillende EOF; deze worden gesaldeerd door middel van
verbindingsrekeningen tussen de verschillende EOF-balansen. De belangrijkste mutaties die zich in 2011 in de
verbindingsrekeningen voordeden, hebben betrekking op betalingen door het 10e
EOF voor de uitvoering van het 8e en 8e EOF en kasmiddelen voor het 10e EOF met
betrekking tot in het kader van het 9e EOF afgeroepen bijdragen. 2.5 GELDMIDDELEN EN
KASEQUIVALENTEN[6] || || || || in miljoen EUR || 8e EOF || 9e EOF || 10e EOF || TOTAAL 31.12.2011 || TOTAAL 31.12.2010 Banksaldi || - || - || 1 211 || 1 211 || 781 STABEX-garantierekeningen || - || - || 5 || 5 || 17 Bankrekeningen cofinanciering || - || 6 || 2 || 8 || 10 Speciaal fonds voor de Democratische Republiek Congo[7] || - || - || 1 || 1 || 0 TOTAL || - || 6 || 1 218 || 1 224 || 808 2.5.1 Banksaldi || || || || in miljoen EUR || 8e EOF || 9e EOF || 10e EOF || TOTAAL 31.12.2011 || TOTAAL 31.12.2010 Speciale rekeningen – financiële instellingen van lidstaten || - || - || 1 129 || 1 129 || 599 Lopende rekeningen – commerciële banken || - || - || 80 || 80 || 180 Plaatselijke betalingsgemachtigden || - || - || 2 || 2 || 1 TOTAAL || - || - || 1 211 || 1 211 || 781 De belangrijkste verklaring voor de toegenomen
liquide middelen bij de banken is een lager dan geplande uitvoering van de
begroting in 2011. De tegoeden van plaatselijke betalingsgemachtigden
zijn de tegoeden op bankrekeningen in de ACS-staten en de LGO die worden
gebruikt voor betalingen in de lokale munteenheid binnen de begunstigde staat.
De rekeningen luiden in euro of in een munteenheid van een lidstaat van de
Europese Unie. Om in 2011 een meer gecentraliseerd beheer van de betalingen tot
stand te brengen, zijn van 2 van de 8 resterende rekeningen van de plaatselijke
betalingsgemachtigden gesloten. 2.5.2 STABEX-garantierekeningen || in miljoen EUR || Saldo op 31.12.2011 || Saldo op 31.12.2010 Saint Lucia || 0 || 7 Saint Vincent en de Grenadines || 0 || 4 Ivoorkust || 2 || 2 Malawi || 1 || 1 Overige landen || 2 || 3 TOTAAL || 5 || 17 STABEX is het acroniem voor het
compensatoire financieringsmechanisme van de Europese Unie om de
exportopbrengsten van de ACS-landen te stabiliseren. Het werd voor het eerst
ingevoerd in de eerste Overeenkomst van Lomé (1975) en had tot doel de nadelige
gevolgen van de onstabiliteit van de exportopbrengsten uit landbouwproducten op
te vangen. Het saldo van de Stabex-garantierekeningen komt overeen met de
totale beschikbare Stabex-middelen die op een later tijdstip aan de
desbetreffende begunstigde ACS-staten zullen worden overgemaakt. Dit saldo is
bestemd voor het 10e EOF. In 2011 zijn twee Stabex-garantierekeningen gesloten
als gevolg van de opheffing van het Stabex-steuninstrument. Naast deze middelen zijn er andere Stabex-middelen
waarover de begunstigde ACS-staten beschikken. Zodra de Commissie en de
begunstigde ACS-staat een overeenkomst hebben bereikt over de aanwending van de
Stabex-middelen, wordt door beide partijen een overdrachtsovereenkomst
ondertekend. Overeenkomstig de bepalingen van artikel 211 van de vierde
Overeenkomst van Lomé[8] (zoals herzien) worden de
bedragen op een op naam van de ACS-staat geopende rentedragende rekening
gestort, waarvoor twee handtekeningen (Europese Commissie en begunstigde staat)
vereist zijn. De middelen blijven op deze rekeningen waarvoor twee
handtekeningen vereist zijn, tot een PWV (Protocol van Wederzijdse
Verplichtingen) een overdracht voor een project rechtvaardigt. De ordonnateur van de Commissie behoudt de
ondertekeningsbevoegdheid over de rekening om erop toe te zien dat de middelen
worden uitgekeerd zoals gepland. De middelen op de rekeningen waarvoor twee
handtekeningen vereist zijn, zijn eigendom van de ACS-staat en worden dus niet
als activa in de jaarrekening van het EOF opgenomen. De overdrachten naar deze
rekeningen worden als Stabex-betalingen geboekt. In 2011 is 26 miljoen EUR teruggestort aan het EOF
vanop rekeningen met dubbele handtekening in ACS-landen volgens de bepalingen
van artikel 1, lid 4, van het Intern Akkoord over het 10e EOF[9]. Deze middelen zijn
grotendeels overgemaakt van Saint Lucia (9 miljoen EUR), Kenia (7 miljoen EUR)
and Togo (4 miljoen EUR). Deze ontvangsten worden geboekt als beleidsontvangsten
(STABEX–steuninstrument) in de economische resultatenrekening van het 8e EOF. 2.5.3 Bankrekeningen
cofinanciering || || || || in miljoen EUR || 8e EOF || 9e EOF || 10e EOF || TOTAAL 31.12.2011 || TOTAAL 31.12.2010 Bankrekeningen cofinanciering || - || 6 || 2 || 8 || 10 TOTAAL || - || 6 || 2 || 8 || 10 Op deze bankrekeningen staan de middelen die verband
houden met cofinancieringovereenkomsten uit 2007 en vroeger. Deze
cofinancieringsmiddelen zijn eigendom van de desbetreffende lidstaten en
bijgevolg wordt een overeenkomstig bedrag als te betalen post geboekt. Derhalve
heeft dit geen effect op de nettoactiva. De Italiaanse cofinanciering wordt nog steeds
voortgezet in Somalië. De bankrekeningen cofinanciering van het 10e EOF
hebben betrekking op oude cofinancieringsprojecten die thans worden afgesloten.
Na instructies van de ordonnateur zullen deze middelen aan de lidstaten worden
teruggestort.
VLOTTENDE PASSIVA
2.6 SCHULDEN OP KORTE TERMIJN || || || || in miljoen EUR || 8e EOF || 9e EDF || 10e EDF || TOTAAL 31.12.2011 || TOTAAL 31.12.2010 Schulden op korte termijn || 9 || 146 || 243 || 399 || 487 Toegerekende lasten || 20 || 168 || 151 || 339 || 286 Uitgestelde bijdrage aan middelen van het fonds || - || - || 295 || 295 || 272 TOTAAL || 29 || 315 || 689 || 1 033 || 1 045 Schulden op korte termijn omvatten kostendeclaraties
die het EOF ontvangt in het kader van de subsidie- en
aanbestedingsactiviteiten. Zij worden geboekt voor het gevraagde bedrag op het
moment dat de declaratie wordt ontvangen. Dezelfde procedure wordt gevolgd voor
facturen en kredietnota's bij opdrachten. Bij de afsluitprocedure aan het einde
van het jaar is rekening gehouden met de betrokken kostendeclaraties. Bij de
afsluitboekingen zijn de geraamde subsidiabele bedragen derhalve als overlopende
posten geboekt. 2.6.1 Schulden op korte termijn || || || || in miljoen EUR || 8e EOF || 9e EOF || 10e EOF || TOTAAL 31.12.2011 || TOTAAL 31.12.2010 Leveranciers en overige || 9 || 140 || 159 || 308 || 400 Schulden bij lidstaten - cofinanciering || - || 6 || 75 || 81 || 75 Diverse schulden || - || - || 10 || 10 || 12 TOTAAL || 9 || 146 || 243 || 399 || 487 2.6.1.1 Leveranciers en overige In deze rubriek zijn bedragen opgenomen die
verschuldigd zijn aan leveranciers alsook bedragen die aan openbare organen en
derde landen verschuldigd zijn. De vermindering met 92 miljoen EUR ten opzichte van
de vorige verslagperiode bestaat grotendeels uit een vermindering van 62
miljoen EUR van schulden aan derde landen. 2.6.1.2 Schulden bij lidstaten die
cofinancieren De ontvangen cofinancieringsbijdragen worden als aan
de lidstaten te betalen bedragen geboekt, aangezien zij voldoen aan de criteria
van inkomsten uit voorwaardelijke niet-wisseltransacties. Het EOF moet de
bijdragen gebruiken voor dienstverlening aan derden. Anders moet het EOF de
activa (de ontvangen bijdragen) aan de lidstaten teruggeven. De openstaande
schuld voor cofinancieringsovereenkomsten is de ontvangen
cofinancieringsbijdrage verminderd met de uitgaven die met betrekking tot het
project zijn gedaan. Dit heeft geen effect op de nettoactiva. 8 miljoen EUR van aan lidstaten te betalen
cofinancieringsbedragen heeft betrekking op cofinancieringsovereenkomsten van
2007 of vroeger. De middelen staan op toegewezen bankrekeningen, zie 2.5.3
bankrekeningen cofinanciering. In 2011 zijn nieuwe cofinancieringsbijdragen ontvangen
ten belope van 7 miljoen EUR (3 miljoen EUR (België), 2 miljoen EUR
(Verenigd Koninkrijk), 1 miljoen EUR (Zweden) en 1 miljoen EUR (Zwitserland)).
De middelen die betrekking hebben op de cofinancieringsovereenkomsten die in
2008 of later zijn ondertekend, staan niet op toegewezen bankrekeningen. De te betalen cofinancieringsbedragen zijn
verminderd met 2 miljoen EUR om rekening te houden met de uitgaven die zijn
gemaakt in het kader van de cofinancieringsprojecten (zie 3.1.4 and 3.2.2). 2.6.1.3 Diverse schulden Diverse schulden omvatten grotendeels
niet-toegewezen kasmiddelen en teruggestorte bedragen. 2.6.2 Toegerekende lasten || || || || in miljoen EUR || 8e EOF || 9e EOF || 10e EOF || TOTAAL 31.12.2011 || TOTAAL 31.12.2010 Toegerekende lasten || 20 || 168 || 151 || 339 || 286 TOTAAL || 20 || 168 || 151 || 339 || 286 Aan het einde van het jaar wordt een raming gemaakt
van de subsidiabele uitgaven die door begunstigden van EOF-middelen zijn
gedaan, maar nog niet zijn gedeclareerd. Naar aanleiding van deze
afsluitberekeningen worden de geraamde subsidiabele bedragen als toegerekende
lasten geboekt. De geraamde benuttiging van de voorfinanciering wordt
voorgesteld als een geraamde verrekening van voorfinanciering (zie 2.2). 2.6.3 Uitgestelde bijdrage aan
middelen van het fonds || || || in miljoen EUR || 8e EOF || 9e EOF || 10e EOF || TOTAAL 31.12.2011 || TOTAAL 31.12.2010 Verenigd Koninkrijk || - || - || 289 || 289 || 269 Ierland || - || - || 5 || 5 || 3 Litouwen || - || - || 1 || 1 || - TOTAAL || - || - || 295 || 295 || 272 Dit omvat de vooraf betaalde bijdragen van de
lidstaten. NETTOACTIVA 2.7 AFGEROEPEN MIDDELEN VAN
HET FONDS || || in miljoen EUR || 8e EOF || 9e EOF || 10e EOF || TOTAAL Middelen van het fonds || 12 840 || 11 699 || 21 152 || 45 691 Niet-afgeroepen middelen van het fonds || - || (660) || (21 152) || (21 812) Afgeroepen middelen van het fonds per 31.12.2010 || 12 840 || 11 039 || - || 23 879 || || || || Middelen van het fonds || 12 840 || 11 699 || 21 152 || 45 691 Niet-afgeroepen middelen van het fonds || - || - || (18 712) || (18 712) Afgeroepen middelen van het fonds per 31.12.2011 || 12 840 || 11 699 || 2 440 || 26 979 Het vermogen van het fonds is het totale bedrag van
bijdragen van de lidstaten voor het desbetreffende EOF zoals in elk van de
Interne Akkoorden is vastgelegd. Niet-afgeroepen middelen vertegenwoordigen de
aanvankelijke toewijzing die nog niet bij de lidstaten is opgevraagd. Afgeroepen middelen van het fonds komen overeen met
de door de lidstaten naar de rekeningen bij de schatkist over te maken tranches
van de aanvankelijke toewijzingen die werden afgeroepen overeenkomstig de
procedure van artikel 16 van het Financieel Reglement van toepassing op het 10e
Europees Ontwikkelingsfonds. Het kapitaal van het 8e en 9e EOF is opgevraagd en
volledig ontvangen. Het 10e EOF is in 2008 in werking getreden. De
middelen van het fonds bedroegen 21 152 miljoen EUR, overeenkomstig de
bepalingen van het Intern Akkoord van toepassing op het 10e EOF. Middelen van het fonds || || || || in miljoen EUR Bijdragen || % || niet-afgeroepen 9e EOF 31.12.2010 || afgeroepen in 2011 || niet-afgeroepen 9e EOF 31.12.2011 Oostenrijk || 2.65 || (19) || 19 || - België || 3.92 || (27) || 27 || - Denemarken || 2.14 || (15) || 15 || - Finland || 1.48 || (10) || 10 || - Frankrijk || 24.30 || (170) || 170 || - Duitsland || 23.36 || (164) || 164 || - Griekenland || 1.25 || (9) || 9 || - Ierland || 0.62 || (4) || 4 || - Italië || 12.54 || (88) || 88 || - Luxemburg || 0.29 || (2) || 2 || - Nederland || 5.22 || (37) || 37 || - Portugal || 0.97 || (7) || 7 || - Spanje || 5.84 || (41) || 41 || - Zweden || 2.73 || (19) || 19 || - Verenigd Koninkrijk || 12.69 || (89) || 89 || - EIB || n.v.t. || 40 || (40) || - TOTAAL || 100,00 || (660) || 660 || - || || || || in miljoen EUR Bijdragen || % || niet-afgeroepen 10e EOF 31.12.2010 || called up in 2011 || niet-afgeroepen 10e EDF 31.12.2011 Oostenrijk || 2.41 || (510) || 59 || 451 België || 3.53 || (747) || 86 || 661 Denemarken || 2.00 || (423) || 49 || 374 Finland || 1.47 || (311) || 36 || 275 Frankrijk || 19.55 || (4 135) || 477 || 3 658 Duitsland || 20.50 || (4 336) || 500 || 3 836 Griekenland || 1.47 || (311) || 36 || 275 Ierland || 0.91 || (192) || 22 || 170 Italië || 12.86 || (2 720) || 314 || 2 406 Luxemburg || 0.27 || (57) || 7 || 51 Nederland || 4.85 || (1 026) || 118 || 908 Portugal || 1.15 || (243) || 28 || 215 Spanje || 7.85 || (1 660) || 192 || 1 469 Zweden || 2.74 || (580) || 67 || 513 Verenigd Koninkrijk || 14.82 || (3 135) || 362 || 2 773 Cyprus || 0.09 || (19) || 2 || 17 Tsjechië || 0.51 || (108) || 12 || 95 Estland || 0.05 || (11) || 1 || 9 Hongarije || 0.55 || (116) || 13 || 103 Litouwen || 0.12 || (25) || 3 || 22 Letland || 0.07 || (15) || 2 || 13 Malta || 0.03 || (6) || 1 || 6 Polen || 1.3 || (275) || 32 || 243 Slovenië || 0.18 || (38) || 4 || 34 Slowakije || 0.21 || (44) || 5 || 39 Bulgarije || 0.14 || (30) || 3 || 26 Roemenië || 0.37 || (78) || 9 || 69 TOTAAL || 100,00 || (21 152) || 2 440 || 18 712 In 2011 worden voor het laatst middelen in het kader
van het 9e EOF afgeroepen en worden voor het eerst bijdragen in het kader van
het 10e EOF, waaraan de 27 lidstaten deelnemen, afgeroepen.
2.8 OVERIGE
RESERVES || || || || in miljoen EUR || 8e EOF || 9e EOF || 10e EOF || TOTAAL 31.12.2011 || TOTAAL 31.12.2010 naar/van 6e EOF || 94 || 490 || - || 584 || 584 naar/van 7e EOF || 533 || 1 135 || - || 1 668 || 1 668 naar/van 8e EOF || - || 2 762 || 141 || 2 903 || 2 864 naar/van 9e EOF || (2 762) || - || 161 || (2 601) || (2 531) naar/van 10e EOF || (141) || (161) || - || (302) || (333) TOTAAL || (2 276) || 4 227 || 301 || 2 252 || 2 252 Sinds de inwerkingtreding van het 10e EOF in 2008
zijn alle geannuleerde middelen van vorige EOF overgedragen naar de
prestatiereserve van het 10e EOF. Deze reserve mag alleen worden vastgelegd
volgens de voorwaarden van artikel 1, lid 4, van het Intern Akkoord over het
10e EOF. In 2011 zijn 38 miljoen EUR en 80 miljoen EUR van
geannuleerde middelen overgedragen van respectievelijk het 8e en 9e EOF naar
het 10e EOF en is 150 miljoen EUR overgedragen van de prestatiereserve van het
10e EOF naar het 9e EOF[10]. Op 23 mei 2011 is een besluit van de Raad[11] genomen om een bedrag van
200 miljoen EUR aan Zuid-Soedan toe te wijzen uit de geannuleerde middelen voor
projecten van het negende EOF en eerdere EOF. Eind 2011 is dit bedrag nog
steeds toegewezen aan de prestatiereserve van het 10e EOF. In 2012 moet het
evenwel uit deze reserves worden vrijgegeven.
3. TOELICHTINGEN
BIJ DE ECONOMISCHE RESULTATENREKENING
3.1 BELEIDSONTVANGSTEN in miljoen EUR || 8e EOF || 9e EOF || 10e EOF || TOTaAL 2011 || TOTAAL 2010 Teruggevorderde uitgaven || 3 || 11 || 2 || 16 || 29 Teruggevorderde Stabex-middelen || 26 || - || - || 26 || 32 Wisselkoersbaten || 11 || 37 || 7 || 54 || 78 Beleidsontvangsten cofinanciering || - || - || 2 || 2 || 1 TOTAAL || 40 || 49 || 10 || 99 || 140 3.1.1 Teruggevorderde uitgaven Deze rubriek omvat de door het EOF opgestelde
invorderingsopdrachten en verminderingen van volgende betalingen die in het
boekhoudsysteem van het EOF zijn opgenomen, waarmee uitgaven die vroeger zijn
betaald, op basis van controles, afgesloten audits of subsidiabiliteitsanalyse
worden teruggevorderd. Er wordt opgemerkt dat de terugvordering van
voorfinancieringen niet als ontvangsten is opgenomen, maar in de rubriek
voorfinanciering in de balans is gecrediteerd. 3.1.1.1 Terugvordering van
onverschuldigde betalingen In 2011 zijn invorderingsopdrachten ten belope van
12 miljoen EUR (ten opzichte van 11 miljoen EUR in 2010) opgesteld voor
onverschuldigd betaalde bedragen. Hiervan heeft 8 miljoen EUR betrekking op
teruggevorderde uitgaven. Dit bedrag is als beleidsontvangsten geboekt. De
terugvordering van voorfinanciering heeft 4 miljoen EUR opgeleverd en is op de
balans bij de voorfinanciering geboekt. Hierna volgt een overzicht van de terugvordering van
onverschuldigd betaalde bedragen: in miljoen EUR || || Ontvangsten || Voorfinanciering || TOTAAL 2011 || Ontvangsten || Voorfinanciering || TOTAAL 2010 Fouten || 2 || 1 || 3 || 1 || 1 || 2 Onregelmatigheid || 6 || 3 || 8 || 5 || 3 || 8 Kennisgeving OLAF || 1 || - || 1 || 1 || - || 1 TOTAAL || 8 || 4 || 12 || 7 || 4 || 11 3.1.2 Teruggevorderde
Stabex-middelen In 2011 is 26 miljoen EUR teruggestort aan het EOF
vanop rekeningen met dubbele handtekening in ACS-landen volgens de bepalingen
van artikel 1, lid 4, van het Intern Akkoord over het 10e EOF[12]. Deze middelen zijn
grotendeels overgemaakt van Saint Lucia (9 miljoen EUR), Kenia (7 miljoen EUR)
and Togo (4 miljoen EUR). Deze ontvangsten worden geboekt als
beleidsontvangsten (STABEX–steuninstrument) in de economische
resultatenrekening van het 8e EOF. 3.1.3 Wisselkoersbaten Deze baten vloeien voort uit de dagelijkse
activiteiten en daarmee verband houdende verrichtingen die worden verricht in
andere valuta dan de euro, alsmede uit de herwaardering aan het einde van het
jaar die nodig is voor het opstellen van de jaarrekening. Het betreft zowel gerealiseerde als
niet-gerealiseerde winsten. 3.1.4 Beleidsontvangsten
cofinanciering De beleidsontvangsten met betrekking tot
cofinanciering zijn de benutte bijdragen (zie 3.2.2). Aangezien deze bijdragen
voldoen aan de criteria van inkomsten uit voorwaardelijke
niet-wisseltransacties, wordt de bijdrage geboekt op basis van de uitvoering
van het cofinancieringsproject. 3.2 BELEIDSUITGAVEN in miljoen EUR || 8e EOF || 9e EOF || 10e EOF || TOTAAL 2011 || TOTAAL 2010 Beleidsuitgaven - steuninstrumenten || 114 || 879 || 1 640 || 2 633 || 2 852 Beleidsontvangsten cofinanciering || - || - || 2 || 2 || 1 Wisselkoersverliezen || 11 || 41 || 8 || 61 || 58 Waardevermindering van vorderingen || 3 || 4 || - || 7 || 3 TOTAAL || 128 || 924 || 1 650 || 2 702 || 2 914 3.2.1 Beleidsuitgaven -
steuninstrumenten || || || || in miljoen EUR || 8e EOF || 9e EOF || 10e EOF || TOTAAL 2011 || TOTAAL 2010 Programmeerbare steun || 58 || 56 || 1 136 || 1 251 || 1 127 Macro-economische steun || - || 51 || - || 51 || 35 Sectoraal beleid || 0 || 372 || 0 || 371 || 765 Rentesubsidies || 0 || - || - || 0 || Intra-ACS-projecten || - || 301 || 349 || 650 || 336 Spoedhulp || - || 63 || 149 || 212 || 442 Hulp aan vluchtelingen || 0 || - || - || 0 || (1) Risicokapitaal || 19 || - || - || 19 || Stabex || 12 || - || - || 12 || 46 Sysmin[13] || (8) || - || - || (8) || 10 Overige steunprogramma's van eerdere EOF's || - || 24 || - || 24 || (17) Schuldverlichting – HIPC en Wereldbank || - || - || - || - || 14 Institutionele steun || - || 2 || 6 || 8 || 44 Compensatie exportopbrengsten || 32 || 10 || - || 42 || 37 Fonds voor Democratische Republiek Congo || - || 0 || - || 0 || 15 Totaal || 114 || 879 || 1 640 || 2 633 || 2 852 De beleidsuitgaven van het EOF hebben betrekking op
meerdere steuninstrumenten en nemen verschillende vormen aan, afhankelijk van
de wijze waarop de financiële middelen worden uitgekeerd en beheerd. 3.2.2 Beleidsontvangsten
cofinanciering Deze uitgaven worden gemaakt voor
cofinancieringsprojecten in 2011. Aangezien de
ontvangen cofinancieringsbijdragen voldoen aan de criteria van inkomsten uit
voorwaardelijke niet-wisseltransacties, wordt een overeenkomstig bedrag aan
bijdragen geboekt als beleidsontvangsten (zie 3.1.4).
3.2.3 Wisselkoersverliezen Wisselkoersverliezen vloeien voort uit de dagelijkse
activiteiten en daarmee verband houdende verrichtingen die worden verricht in
andere valuta dan de euro, alsmede uit de herwaardering aan het einde van het
jaar die nodig is voor het opstellen van de jaarrekening. Het betreft zowel
gerealiseerde als niet-gerealiseerde verliezen. Wanneer naar de nettopositie wordt gekeken, was er
een nettowisselkoersverlies van 6 miljoen EUR (wisselkoersverlies van 61
miljoen EUR gecompenseerd met wisselkoerswinst van 54 miljoen EUR). 3.2.4 Waardevermindering van
vorderingen Deze rubriek bevat hoofdzakelijk
voorfinancieringscorrecties en bedragen die zijn afgeschreven/verloren bij
realisering met betrekking tot vorderingen van de Commissie.
3.3 ADMINISTRATIEVE
UITGAVEN in miljoen EUR || 8e EOF || 9e EOF || 10e EOF || TOTAAL 2011 || TOTAAL 2010 Administratieve uitgaven || 0 || 3 || 72 || 75 || 86 TOTAAL || 0 || 3 || 72 || 75 || 86 Deze rubriek omvat ondersteuningsuitgaven; d.w.z.
administratieve kosten voor de programmering en tenuitvoerlegging van de EOF.
Dit omvat uitgaven voor de voorbereiding, opvolging, controle en evaluatie van
projecten alsook uitgaven voor computernetwerken, technische bijstand enz. 3.4 FINANCIËLE ONTVANGSTEN in miljoen EUR || 8e EOF || 9e EOF || 10e EOF || TOTAAL 2011 || TOTAAL 2010 Rentebaten – Europese banken || - || 0 || 1 || 1 || 1 Rentebaten: Stabex || 0 || - || - || 0 || 0 Rente op laattijdige betaling van invorderingsopdrachten || 0 || 0 || 0 || 0 || 3 Renteopbrengsten uit voorfinanciering || (1) || (19) || (1) || (21) || 91 TOTAAL || (1) || (19) || 0 || (20) || 95 De rentebaten in 2011 blijven laag als gevolg van de
aanhoudende lage rentevoeten. 3.4.1. Rente op
laattijdige betaling van invorderingsopdrachten Dit is rente die verschuldigd is voor laattijdige
betaling van invorderingsopdrachten door debiteuren, inclusief laattijdige
betaling van bijdragen door lidstaten. Deze middelen kunnen worden benut voor
de financiering van projecten overeenkomstig de artikelen 1 en 6 van het Intern
Akkoord betreffende het 10de EOF. 3.4.2 Renteopbrengsten uit
voorfinanciering Rente op voorfinancieringen wordt in de jaarrekening
verwerkt overeenkomstig de bepalingen van artikel 7, lid 3, en
artikel 8 van het Financieel Reglement van het 10e EOF. De toegerekende rente op voorfinancieringen voor
2011 is lager dan die van 2010. De omkering van de groei van 2010 resulteerde
met name in negatieve rentebaten. Dit was het gevolg van een herindeling in
2011 van verscheidene overeenkomsten die in 2010 als subsidieovereenkomsten
werden beschouwd bij overeenkomsten voor gezamenlijk beheer met internationale
organisaties. Overeenkomstig de bepalingen van de bovenvermelde artikelen van
het Financieel Reglement geeft het eerstgenoemde type overeenkomsten aanleiding
tot de berekening van oplopende rente op voorfinanciering terwijl dit bij het
laatstgenoemde type overeenkomsten niet het geval is. 4. TOELICHTING BIJ HET
KASSTROOMOVERZICHT
4.1 DOEL EN SAMENSTELLING VAN HET KASSTROOMOVERZICHT Informatie over de kasstroom wordt gebruikt om een
basis te verschaffen voor het beoordelen van het vermogen van het EOF om
geldmiddelen en kasequivalenten te genereren, en van de behoeften van het EOF
om deze kasstromen te gebruiken. Voor het opstellen van het kasstroomoverzicht is
gebruik gemaakt van de indirecte methode. Dat
betekent dat de nettowinst of het nettoverlies van het begrotingsjaar wordt
aangepast om rekening te houden met de gevolgen van verrichtingen van
niet-contante aard, latenties of voorzieningen voor reeds of nog te ontvangen of
betalen kasstromen uit de beleidsactiviteiten. Kasstromen die voortkomen uit verrichtingen in
vreemde valuta moeten worden gepresenteerd in de rapporteringsvaluta van het
EOF (de euro) door op het bedrag in de vreemde valuta de wisselkoers toe te
passen die op de datum van de kasstroom geldt tussen de euro en de vreemde
valuta. 4.2 BELEIDSACTIVITEITEN In het kasstroomoverzicht van het EOF zijn alleen
kasstromen van de beleidsactiviteiten opgenomen, aangezien het EOF geen
investerings- of financieringsactiviteiten heeft. Het
doel van de beleidsactiviteiten is bij te dragen tot de verwezenlijking van
beleidsgerichte resultaten. 5. VOORWAARDELIJKE ACTIVA
EN PASSIVA EN OVERIGE INFORMATIEVERSCHAFFING
5.1 VOORWAARDELIJKE
ACTIVA in miljoen EUR || 8e EOF || 9e EOF || 10e EOF || TOTAAL 31.12.2011 || TOTAAL 31.12.2010 Uitvoeringsgaranties || 16 || 221 || 88 || 325 || 360 Inhoudingsgaranties || 5 || 151 || 40 || 197 || 227 Voorwaardelijke activa met betrekking tot rechtszaken || - || 1 || - || 1 || 1 TOTAAL || 21 || 373 || 128 || 523 || 587 5.1.1
Uitvoeringsgaranties Soms worden
uitvoeringsgaranties verlangd om ervoor te zorgen dat de begunstigden van
EOF-middelen voldoen aan de verplichtingen van hun contracten met het EOF. De vermindering met 35 miljoen EUR
uitvoeringsgaranties is het verschil tussen de vrijgegeven garanties en de
nieuwe ontvangen garanties. De meeste waarborgen werden vrijgegeven in het
kader van het 8e EOF (23 miljoen EUR, grotendeels voor programmeerbare steun)
en het 9e EOF (90 miljoen EUR, grotendeels gekoppeld aan sectoriële
steunpolitiek). 5.1.2 Inhoudingsgaranties Inhoudingsgaranties hebben
alleen betrekking op contracten voor de uitvoering van werken. Meestal wordt
10% van de tussentijdse betalingen aan begunstigden ingehouden om ervoor te
zorgen dat de aannemer zijn verplichtingen nakomt. Deze ingehouden bedragen
worden als te betalen bedragen opgenomen. Met instemming van de opdrachtgever
kan de aannemer de inhoudingen op de tussentijdse betalingen desgewenst
vervangen door een inhoudingsgarantie. Deze verkregen garanties worden
opgenomen als voorwaardelijke activa. De vermindering met 30
miljoen EUR inhoudingsgaranties is het verschil tussen de vrijgegeven garanties
en de nieuwe ontvangen garanties. De meeste garanties werden vrijgegeven in het
kader van het 9e EOF (63 miljoen EUR, grotendeels gekoppeld aan aan sectoriële
steunpolitiek). De nieuwe garanties werden grotendeels ontvangen in het kader
van het 9e EOF (31 miljoen EUR, grotendeels gekoppeld aan sectoriële
steunpolitiek) en het 10e EOF (22 miljoen EUR).
5.2 VOORWAARDELIJKE
PASSIVA in miljoen EUR || 8e EOF || 9e EOF || 10e EOF || TOTAAL 31.12.2011 || TOTAAL 31.12.2010 Bedragen met betrekking tot rechtszaken || - || 0 || - || 0 || 6 TOTAAL || - || 0 || - || 0 || 6 Deze hierboven vermelde bedragen hebben betrekking
op schadevergoedingszaken die momenteel tegen het EOF zijn ingeleid, andere
rechtsgeschillen en de geraamde gerechtskosten. Alle voorwaardelijke
verplichtingen en vastleggingen zouden, indien ze zich zouden realiseren, door
het EOF in de loop van de volgende jaren worden gedragen. 5.3 OVERIGE INFORMATIEVERSCHAFFING
5.3.1
Begrotingsvastleggingen in miljoen EUR || 8e EOF || 9e EOF || 10e EOF || TOTAAL 31.12.2011 || TOTAAL 31.12.2010 Niet-afgewikkelde begrotingsvastleggingen die nog niet betaald zijn || 157 || 1 643 || 3 794 || 5 594 || 5 991 Hiermee verband houdende bedragen die in de economische resultatenrekening zijn opgenomen || (29) || (308) || (309) || (646) || (714) TOTAAL || 128 || 1 335 || 3 485 || 4 948 || 5 277 De niet-afgewikkelde begrotingsvastleggingen
vertegenwoordigen de open vastleggingen waarvoor betalingen en/of vrijmakingen
nog niet zijn gedaan. Dit is het normale gevolg van het bestaan van
meerjarenprogramma's. Op 31 december 2011 was met de niet-afgewikkelde
begrotingsvastleggingen een bedrag van in totaal 5 594 miljoen EUR
gemoeid. Het als een toekomstige te financieren verplichting gepresenteerde
bedrag is deze niet-afgewikkelde begrotingsvastlegging, verminderd met de
daarmee verband houdende bedragen die in de economische resultatenrekening 2011
zijn opgenomen als uitgaven, hetgeen een totaalbedrag van 4 948 miljoen
EUR geeft.
6. FINANCIEEL
RISICOBEHEER De hieronder verschafte informatie met betrekking
tot het financieel risicobeheer van het EOF betreft de kasverrichtingen die
door de Europese Commissie werden verricht namens het EOF met het oog op de
besteding van EOF-middelen.
6.1 BELEID
INZAKE RISICOBEHEER EN AFDEKKINGSACTIVITEITEN De voorschriften en beginselen voor het beheer voor
het beheer van de kasverrichtingen van het EOF zijn vastgelegd in
Verordening (EG) nr. 215/2008 van de Raad inzake het Financieel
Reglement van toepassing op het 10e EOF, en in het Intern Akkoord. Als gevolg van de bovenvermelde regelgeving zijn de
volgende hoofdprincipes van toepassing: –
De
EOF-bijdragen worden door elke lidstaat gestort op een speciale rekening die
bij de centrale bank van de betrokken lidstaat of bij de door hem aangewezen
financiële instelling is geopend. Deze bijdragen blijven op die speciale
rekeningen totdat de betalingen van het EOF moeten worden uitgevoerd. – De EOF-bijdragen worden
door de lidstaten in EUR betaald, terwijl de EOF-betalingen in EUR en in andere
valuta, inclusief minder bekende, luiden. – Bankrekeningen die zijn
geopend namens het EOF door de Commissie mogen niet overschreden worden. Naast de speciale rekeningen heeft de Commissie
namens het EOF nog andere bankrekeningen geopend bij financiële instellingen
(centrale banken en commerciële banken) om andere betalingen te verrichten en
te ontvangen dan de bijdragen van de lidstaten aan de begroting overeenkomstig
artikel 44 van Verordening nr. 215/2008 van de Raad (zie punt 6.4). Alle commerciële banken waar andere rekeningen dan
de hierboven vermelde "speciale rekeningen" voor het EOF zijn
geopend, worden door de Commissie via openbare aanbestedingen geselecteerd. De kasverrichtingen en de betalingen zijn sterk
geautomatiseerd en maken gebruik van moderne informaticasystemen. Er worden
specifieke procedures toegepast om de veiligheid van het systeem te waarborgen
en om te garanderen dat de taken gescheiden worden conform het Financieel
Reglement, de interne controlenormen van de Commissie en de controleprincipes. Een op schrift gestelde reeks richtsnoeren en
procedures regelt het beheer van de kasverrichtingen en betalingen met als doel
het operationele en financiële risico te beperken en een gepast controleniveau
te waarborgen. Zij betreffen de verschillende werkingsgebieden en de
naleving van de richtsnoeren en procedures wordt periodiek gecontroleerd.
6.2 MARKTRISICO'S
6.2.1 Valutarisico Alle bijdragen luiden in euro en andere valuta
worden slechts aangekocht wanneer zij noodzakelijk zijn voor de uitvoering van
betalingen. Bijgevolg zijn de kasverrichtingen van het EOF niet blootgesteld
aan een valutarisico.
6.2.2 Het
renterisico Het EOF ontleent geen geldmiddelen; bijgevolg is het
EOF niet blootgesteld aan een renterisico. Het EOF krijgt evenwel rente op de saldi die het op
zijn verschillende bankrekeningen aanhoudt. Namens het EOF heeft de Commissie
dus maatregelen genomen om ervoor te zorgen dat de op gezette tijd verworven
rente in overeenstemming is met de marktrentevoeten en hun mogelijke
fluctuatie. Overnight saldi op commerciële bankrekeningen worden
dagelijks vergoed. De vergoeding voor saldi op dergelijke rekeningen is
gebaseerd op variabele marktrentevoeten waarop een contractuele marge (positief
of negatief) wordt toegepast. Voor de meeste rekeningen is de renteberekening
gekoppeld aan de EONIA (Euro Over Night Index Average) en wordt zij aangepast
aan de schommelingen van deze rentevoet. Voor enkele andere rekeningen is de
renteberekening gekoppeld aan de marginale rentevoet die de ECB hanteert voor
haar herfinancieringsverrichtingen. Bijgevolg loopt het EOF geen risico
dat haar saldi tegen een lager tarief dan de marktrentevoeten worden vergoed. 6.3 KREDIETRISICO
(TEGENPARTIJRISICO) De meeste kasmiddelen van het EOF worden conform
Verordening (EG, Euratom) nr. 215/2008 aangehouden op de "speciale
rekeningen" die geopend zijn door de lidstaten voor de betaling van hun
bijdragen. De meeste van deze rekeningen worden aangehouden bij de schatkist of
de nationale centrale bank van de lidstaten. Deze instellingen houden voor het
EOF het laagste tegenpartijrisico in (risico ligt bij de lidstaten). Wat betreft het deel van de kasmiddelen van het EOF
die worden aangehouden bij commerciële banken ter dekking van betalingen,
worden deze rekeningen precies op tijd aangevuld. Deze aanvulling wordt
automatisch beheerd door het kasbeheersysteem van de thesaurie van de
Commissie. Minimumkassaldi, evenredig met het gemiddelde bedrag van de
uitgevoerde dagelijkse betalingen, worden op elke rekening aangehouden.
Bijgevolg zijn de bedragen die overnight op deze rekeningen staan, voortdurend
laag. Hierdoor is het EOF slechts in beperkte mate aan risico blootgesteld. Bovendien worden specifieke richtsnoeren toegepast
voor de selectie van de commerciële banken om het tegenpartijrisico waaraan het
EOF is blootgesteld, nog verder te minimaliseren. Alle commerciële banken worden via openbare
aanbestedingen geselecteerd. Om toegelaten te worden tot de
aanbestedingsprocedures, dienen de banken minimaal over een kredietrating op
korte termijn te beschikken van Moody's P-1 of gelijkwaardig (S&P A-1 of
Fitch F1). In bepaalde en naar behoren gemotiveerde omstandigheden kan een
lager niveau geëist worden.
6.4 LIQUIDITEITSRISICO Voor het EOF geldende begrotingsbeginselen zorgen
ervoor dat de totale kasmiddelen voor de begrotingsperiode steeds toereikend
zijn voor de uitvoering van alle desbetreffende betalingen. De totale bijdragen
van de lidstaten stemmen immers overeen met het totale bedrag van de
betalingskredieten voor de desbetreffende begrotingsperiode. De bijdragen van de lidstaten aan het EOF worden
evenwel betaald in drie tranches per jaar, terwijl de betalingen in zekere mate
seizoensgebonden zijn. Om ervoor te zorgen dat de kasmiddelen steeds
toereikend zijn om de in een bepaalde maand uit te voeren betalingen te dekken,
worden op gezette tijden gegevens over de kassituatie uitgewisseld tussen de
thesaurie van de Commissie en de desbetreffende uitgevende diensten om ervoor te
zorgen dat de in een bepaalde periode uitgevoerde betalingen de beschikbare
kasmiddelen niet overschrijden. Naast het bovenstaande zorgen geautomatiseerde
kasbeheerinstrumenten er in het kader van de dagelijkse kasverrichtingen van
het EOF voor dat dagelijks voldoende liquiditeit beschikbaar is op elke
bankrekening van het EOF.
7. INFORMATIEVERSCHAFFING
OVER VERBONDEN PARTIJEN In deze rubriek zijn er geen verrichtingen met
verbonden partijen waarover specifieke informatie moet worden verschaft.
8. GEBEURTENISSEN
NA DE BALANSDATUM Op de datum van overdracht van de rekeningen zijn
geen relevante punten onder de aandacht gekomen van de rekenplichtige van het
EOF die een afzonderlijke vermelding in deze rubriek zouden vereisen. Evenmin
waren dergelijke punten bij hem aangemeld. Bij het opstellen van de
jaarrekeningen en de bijbehorende toelichtingen werd gebruik gemaakt van de
recentste beschikbare gegevens en dit komt tot uiting in de hierboven opgenomen
informatie. 9. AFSTEMMING TUSSEN
ECONOMISCH RESULTAAT – BEGROTINGSRESULTAAT Het economisch resultaat van het jaar is berekend op
transactiebasis. Doch het begrotingsresultaat is gebaseerd op beginselen van de
kasboekhouding, zoals bepaald in het Financieel Reglement. Aangezien beide
resultaten het gevolg zijn van dezelfde onderliggende verrichtingen, is het
nuttig om na te gaan of zij op elkaar afstembaar zijn. In onderstaande tabel is
deze afstemming opgenomen, met vermelding van de belangrijkste afgestemde
bedragen, opgesplitst in ontvangsten en uitgaven.
|| || in miljoen EUR || 2011 || 2010 || || ECONOMISCH RESULTAAT VAN HET BEGROTINGSJAAR || (2 700) || (2 765) || || ONTVANGSTEN || || Rechten die het begrotingsresultaat niet beïnvloeden || (52) || (33) Rechten die in het lopende jaar zijn vastgesteld, maar nog niet geïnd zijn || (3) || (4) Rechten die in vorige jaren zijn vastgesteld en in het lopende jaar geïnd zijn || 10 || 10 Netto-effect voorfinanciering || 46 || 53 Netto toegerekende ontvangsten || (13) || (173) || || UITGAVEN || || Nog niet betaalde uitgaven van het lopende jaar || 98 || 178 Uitgaven van het vorige jaar betaald in het lopende jaar || (249) || (155) Betalingsannuleringen || 17 || 39 Netto-effect van voorfinanciering || (346) || (353) Netto toegerekende ontvangsten || 317 || (31) || || BEGROTINGSRESULTAAT VAN HET JAAR || (2 874) || (3 233) 9.1 Afstemmingsposten -
ontvangsten De begrotingsontvangsten van een begrotingsjaar zijn
gelijk aan de bedragen die worden geïnd van tijdens het begrotingsjaar
vastgestelde rechten en de bedragen die worden geïnd van rechten die zijn
vastgesteld tijdens voorafgaande begrotingsjaren. De rechten die het begrotingsresultaat niet
beïnvloeden, worden geboekt in de economische resultatenrekening. Vanuit
begrotingsoogpunt kunnen zij evenwel niet als ontvangsten worden beschouwd,
aangezien het ontvangen bedrag naar de reserve wordt overgeheveld en zonder een
besluit van de Raad niet opnieuw kan worden vastgelegd. De rechten die in het huidige jaar zijn
vastgesteld maar nog niet geïnd, moeten ten behoeve van de afstemming van
het economisch resultaat worden afgetrokken, aangezien zij geen deel uitmaken
van de begrotingsontvangsten. Daarentegen moeten de rechten die tijdens
vorige jaren zijn vastgesteld en in het huidige jaar geïnd, ten behoeve van
de afstemming bij het economische resultaat worden opgeteld. Het netto-effect van voorfinanciering is de
vereffening van de teruggevorderde voorfinancieringen. Dit is een kasontvangst
die geen gevolgen heeft voor de economische resultaten. De netto toegerekende uitgaven bestaan
hoofdzakelijk uit uitgaven die toegerekend zijn met het oog op afsluiting aan
het einde van het jaar. Alleen het netto-effect, dat wil zeggen de toegerekende
baten voor het lopende jaar minus de terugboekte toegerekende baten van vorig
jaar, wordt in aanmerking genomen. 9.2 Afstemmingsposten - uitgaven Uitgaven van het lopende jaar die
nog niet zijn betaald, moeten ten behoeve van de afstemming worden toegevoegd,
aangezien zij in het economisch resultaat zijn opgenomen maar geen deel
uitmaken van de begrotingsontvangsten. Daarentegen moeten de uitgaven van
vorige jaren die in het huidige jaar betaald, ten behoeve van de afstemming
van het economische resultaat worden afgetrokken, aangezien zij deel uitmaken
van de begrotingsuitgaven van het lopende jaar, maar zij het economische
resultaat niet beïnvloeden of in het geval van correcties de uitgaven
verminderen. De kasmiddelen van betalingsannuleringen hebben geen
invloed op de economische resultaten, maar wel op het begrotingsresultaat. Het netto-effect van voorfinanciering is de
combinatie van de nieuwe voorfinancieringsbedragen die tijdens het lopende jaar
zijn betaald (geboekt als begrotingsuitgaven van het jaar en de vereffening van
de voorfinancieringen die tijdens het lopende jaar of vorige jaren werden
betaald via de aanvaarding van subsidiabele kosten. De laatste zijn wel
toegerekende uitgaven, doch geen uitgave in de begrotingsboekhouding, aangezien
de aanvankelijke voorfinanciering reeds als een begrotingsuitgave werd
beschouwd op het ogenblik van de betaling. De netto toegerekende uitgaven bestaan hoofdzakelijk
uit uitgaven die toegerekend zijn met het oog op afsluiting aan het einde van
het jaar, dat wil zeggen subsidiabele uitgaven die begunstigden van
EOF-middelen hebben gedaan, maar nog niet aan het EOF hebben gedeclareerd.
Alleen het netto-effect, dat wil zeggen de toegerekende uitgaven voor het
lopende jaar minus de terugboekte toegerekende uitgaven van vorig jaar, wordt
in aanmerking genomen.
2. VERSLAG OVER DE
TENUITVOERLEGGING VAN DE MIDDELEN INLEIDENDE OPMERKINGEN
Eerdere EOF's · Bij Besluit nr. 1/2000 van
de ACS-EG-Raad van 27 juli 2000 betreffende overgangsmaatregelen werd bepaald
dat een deel van de niet-toegewezen middelen van de eerdere EOF's wordt
aangewend overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van de Overeenkomst van
Cotonou, die op grond van de overgangsmaatregelen vervroegd van toepassing
zijn. · Bij Besluit nr. 410/2001
van de Commissie van 16 maart 2001, dat strekt tot vaststelling van de
toewijzingen aan de indicatieve programma's voor de ACS-landen uit hoofde van
de ACS-EG-partnerschapsovereenkomst, is bepaald dat de niet-toegewezen middelen
van de eerdere EOF voor een maximumbedrag van 1,2 miljard EUR worden aangewend
voor de tenuitvoerlegging overeenkomstig de regels en procedures van de
respectieve EOF, dit tot de inwerkingtreding van het financieel protocol van
toepassing op het 9e EOF. · Bij Besluit nr. 1033/2001
van de Commissie van 15 juni 2001 werden de middelen voor de regionale
programma's en de intra-ACS-samenwerking in het kader van het financieel
protocol bij de ACS-EG-partnerschapsovereenkomst toegewezen. · Bij Besluit
nr. 1252/2002 van de Commissie van 11 juli 2002 werd enerzijds
het budget voor de intra-ACS-samenwerking met 60 miljoen EUR verhoogd
met middelen uit de algemene reserve van het 6e en het 7e EOF en anderzijds
voorzien in de aanwending van deze extra middelen tot de inwerkingtreding van
het financieel protocol bij het 9e EOF overeenkomstig de toepasselijke regels
en procedures van het oorspronkelijke EOF. · Tot slot werd bij Besluit
nr. 3/2002 van de ACS-EG-Raad van 23 december 2002 een bedrag van 25 miljoen
EUR, afkomstig van de niet-toegewezen middelen van het 8e EOF (algemene
reserve), voor regionale samenwerking krachtens de
ACS-EG-partnerschapsovereenkomst bestemd. · Aangezien het 6e EOF in
2006 en het 7e EOF in 2008 zijn afgesloten, bevat de jaarrekening niet langer
uitvoeringstabellen voor deze EOF. De uitvoering van de overgedragen saldi valt
daarentegen in het 9e EOF te vinden. · Met het oog op een
transparante presentatie van de rekeningen van het jaar 2009 werd in de
navolgende tabellen, net zoals de vorige jaren, voor het 8e EOF apart
aangegeven welke middelen werden aangewend volgens de programmering van de
Overeenkomsten van Lomé en welke middelen werden aangewend volgens de
programmering van de Overeenkomst van Cotonou. In laatstgenoemd geval werden de
rekeningen, wat de landen betreft, opgesteld en ingediend overeenkomstig
artikel 3, lid 2, van bijlage IV bij de ACS-EG-partnerschapsovereenkomst. Dat
artikel voorziet voor de ACS-landen in middelen voor macro-economische
steunmaatregelen en steun aan programma's en projecten (A-enveloppe) en in
middelen voor onvoorziene behoeften zoals noodhulp, initiatieven voor
schuldverlichting en steun ter vermindering van de gevolgen van instabiliteit
van de exportopbrengsten (B-enveloppe)[14]. Wat de regio's betreft,
werd de presentatie gebaseerd op de regionale programmering overeenkomstig
hoofdstuk 2 van de ACS-EG-partnerschapsovereenkomst (regionale indicatieve
programma's en intra-ACS samenwerking). · Overeenkomstig punt 4 van
bijlage Iter (het financiële meerjarenkader voor de periode 2008-2013) bij de
ACS-EG-partnerschapsovereenkomst werden de resterende saldi en de uit hoofde
van die fondsen tussen 31 december 2007 en de inwerkingtreding van het 10e EOF
vrijgemaakte bedragen overgedragen naar het 9e EOF om ervoor te zorgen dat de
EU-administratie kon blijven werken en om de kosten te dekken van de lopende
projecten tot de inwerkingtreding van het 10e EOF. · Op grond van Besluit
2010/406/EU van de Raad is besloten ten voordele van Sudan een bedrag van 150
miljoen EUR uit de in het kader van het 9e en vorige EOF vrijgemaakte middelen
te besteden ten behoeve van de meest kwetsbare bevolkingsgroepen. Dit bedrag is in 2011
toegewezen. · Op grond van Besluit
2011/315/EU van de Raad is besloten ten voordele van Zuid-Sudan een bedrag van
200 miljoen EUR uit de in het kader van het 9e en vorige EOF vrijgemaakte
middelen te besteden om de tenuitvoerlegging van het driejarig
ontwikkelingsplan voor Zuid-Sudan te steunen. Dit bedrag is nog niet toegewezen
voor programmering. 10e EOF De ACS-EG-partnerschapsovereenkomst, die de
lidstaten van de Europese Gemeenschap en de landen in Afrika, het Caribisch
gebied en de Stille Oceaan (ACS) op 23 juni 2000 in Cotonou hebben ondertekend,
is op 1 april 2003 in werking getreden. De overeenkomst van Cotonou is
gewijzigd op 25 juni 2005 en 23 juni 2010. Het besluit betreffende de associatie van de landen
en gebieden overzee (LGO) met de Europese Gemeenschap (Besluit 2001/822/EG),
dat op 27 november 2001 door de Raad van de Europese Unie is aangenomen, is op
2 december 2001 in werking getreden. Dit besluit is op 19 maart 2007 gewijzigd
bij Besluit 2007/249/EG. Het Intern Akkoord inzake de financiering van de
steun van de Gemeenschap binnen het financiële meerjarenkader voor de periode
2008-2013, overeenkomstig de herziene overeenkomst van Cotonou, goedgekeurd
door de Vertegenwoordigers van de regeringen van de Lidstaten van de Europese
Gemeenschap op 17 juli 2006, is op 1 juli 2008 in werking getreden. In het kader van de Overeenkomst van Cotonou wordt
de tweede periode (2008-2013) van steun van de Unie aan de ACS-Staten en de LGO
gefinancierd door het 10e EOF, dat over een bedrag van 22 682 miljoen EUR
aan middelen beschikt, waarvan: – 21 966 miljoen EUR
bestemd is voor de ACS-staten overeenkomstig het meerjarig financieel kader in
Bijlage Iter bij de herziene overeenkomst van Cotonou, waarvan 20 466
miljoen EUR door de Europese Commissie wordt beheerd; – 286 miljoen EUR bestemd is
voor de LGO overeenkomstig Bijlage IIAa van het herziene besluit van de Raad
betreffende de associatie de LGO met de Europese Gemeenschap, waarvan 256
miljoen EUR door de Europese Commissie wordt beheerd; – 430 miljoen EUR voor de
Commissie voor de financiering van de kosten die voortvloeien uit de
programmering en besteding van de middelen van het 10e EOF, overeenkomstig
artikel 6 van het Intern akkoord. Op de datum van de inwerkingtreding van het 10e EOF
werden deze bedragen aangevuld met niet-toegewezen middelen en worden zij momenteel
verder aangevuld met vrijgemaakte bedragen uit hoofde van het stelsel voor de
stabilisatie van de exportopbrengsten van landbouwgrondstoffen (Stabex) in het
kader van fondsen voorafgaand aan het 9e EOF. Deze saldi en vrijgemaakte
middelen dienen te worden benut en beheerd overeenkomstig de herziene
Overeenkomst van Cotonou en het Intern Akkoord.
Van de bovenvermelde toewijzingen
van het 10e EOF wordt het bedrag van 21 152 miljoen fEUR als volgt
door de Europese Commissie beheerd: – 15 300 miljoen EUR
voor de nationale indicatieve programma's, waarvan: · 13 500 miljoen EUR
voor de A-enveloppes waarvan 12 467 miljoen EUR toewijzingen werden
geopend en van dit bedrag is een bedrag van 33 miljoen EUR overgeheveld naar
regionale toewijzingen (multiregionaal PALOP). Voorts is de A-enveloppe
verhoogd met 57 miljoen EUR geannuleerde Stabex-middelen; · 1 800 miljoen EUR voor de
B-enveloppes, waarvan 601 miljoen EUR als aanvankelijke toewijzingen en
1 199 miljoen EUR als reserve voor onvoorziene behoeften (voor de
financiering van verschillende instrumenten zoals het jaarlijkse
FLEX-mechanisme; het ad hoc kwetsbaarheids-FLEX-mechanisme en het antwoord op
de voedselprijzencrisis); Van dit totaal is een bedrag van 1 624 miljoen EUR
vrijgegeven. – 1 783 miljoen EUR voor
de regionale indicatieve programma's, samen met een overdracht van 33 miljoen
EUR, hetgeen resulteert in een bedrag van 1 816 miljoen EUR
vrijgegeven toewijzingen; – 2 700 miljoen EUR
intra-ACS toewijzingen, waarvan 2 664 miljoen EUR vrijgegeven; – 683 miljoen EUR als reserve
voor een daaropvolgende toewijzing aan de nationale en regionale indicatieve
programma's naar aanleiding van de tussentijdse en eindevaluaties; – 430 miljoen Eur voor de
uitvoeringskosten, volledig vrijgegeven; – 256 miljoen EUR voor
LGO-toewijzingen: ·
A-enveloppe
middelen ten belope van 195 miljoen EUR, waarvan 66 miljoen EUR is vrijgegeven; ·
B-enveloppe
middelen ten belope van 15 miljoen EUR, waarvan 7 miljoen EUR is vrijgegeven; ·
middelen
regionale toewijzingen ten belope van 40 miljoen EUR, volledig vrijgegeven; ·
middelen
voor onderzoek/technische bijstand ten belope van 6 miljoen EUR, volledig
vrijgegeven. - Niet-besteedbare prestatiereserve
van het 10e EOF Sedert de inwerkingtreding van het 10e EOF op 1 juli
2008 zijn de resterende saldi en de uit projecten in het kader van het 9e en
vorige EOF vrijgemaakte bedragen overgedragen naar de prestatiereserve voor het
10e EOF, met uitzondering van de Stabex-middelen en middelen voor
administratieve uitgaven van het 9e EOF. Deze reserve mag worden benut volgens
de voorwaarden van artikel 1, lid 4, van het Intern Akkoord over het 10e EOF. Hierna volgen gedetailleerde gegevens over deze
reserve per 31.12.2011 (miljoen EUR): Totaal middelen overgedragen naar niet-besteedbare reserve 10e EOF: || 438 verminderd met de middelen die op grond van Besluit 2010/406/EU van de Raad van 12.7.2010 aan Sudan zijn toegewezen || -150 Totaal beschikbaar in de reserve (ACP+OCT): || 288 Toelichting:
deze reserve moet worden verminderd met een naar het 9e EOF over te dragen
bedrag van 200 miljoen EUR naar aanleiding van Besluit 2011/315/EU van de Raad
van 25.5.2011 ten voordele van Zuid-Sudan -
Stabexreserve van het 10e EOF Na de afsluiting van de Stabex-rekeningen zijn de
niet-bestede/vrijgemaakte bedragen overgedragen naar de reserve van de
A-enveloppe van het 10e EOF (artikel 1, lid 4, van het Intern Akkoord 10e EOF)
en vervolgens naar de nationale indicatieve programma's van de desbetreffende
landen. -
Cofinanciering 10e EOF In het kader van het 10e EOF werden overdrachtovereenkomsten
voor cofinanciering van lidstaten ondertekend voor 89 miljoen EUR en werden
vastleggingskredieten geopend voor een totaalbedrag van 79 miljoen EUR, terwijl
betalingskredieten werden geopend voor de ontvangen bedragen van 73 miljoen EUR.
In
de onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van de
cofinancieringskredieten per 31.12.2011 (miljoen EUR): || Vastleggingskredieten || Betalingskredieten Cofinanciering – A-enveloppe || 69 || 61 Cofinanciering – Intra ACS || 12 || 12 Cofinanciering – Administratieve uitgaven || 2 || 2 || 83 || 75 In de onderstaande tabel in verband met de
vastgelegde bedragen, de bedragen waarvoor een overeenkomst is gesloten en de
betaalde bedragen, zijn nettobedragen opgenomen. De tabellen met een overzicht van de situatie per
land en per instrument zijn in de bijlage opgenomen. 2.1 TOEWIJZINGEN 2.2 GECONSOLIDEERDE
REKENINGEN 2.3. ANDERE
BEHEERSINFORMATIE Italiaanse
cofinanciering (1985) In 1985 sloot de Europese Commissie met de
Italiaanse regering een akkoord voor de cofinanciering van
ontwikkelingsprojecten die door de Commissie worden beheerd. Het akkoord is sindsdien via briefwisseling tussen
de Italiaanse regering en de voor ontwikkelingssamenwerking bevoegde
commissaris verlengd tot en met 31 december 2004. Vervolgens heeft de Commissie bij schriftelijke
procedure E/1588/2004 een besluit aangenomen betreffende de tenuitvoerlegging
van het cofinancieringskaderakkoord. Dit besluit legt het budgettair en
reglementair kader vast voor de verbintenissen uit hoofde van het akkoord. Zo
bepaalt het besluit van de Commissie dat deze cofinanciering geschiedt met
inachtneming van de bepalingen van het Financieel Reglement van het EOF en dat
dezelfde gedelegeerde en gesubdelegeerde ordonnateurs als voor het EOF
gemachtigd zijn om de bijdrage van Italië aan deze cofinanciering te beheren.
Zij waren eveneens bevoegd om de passende definitieve termijn voor de
tenuitvoerlegging overeenkomstig de geldende regels te bepalen. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, punt 4,
van het akkoord van juli 1985 tussen de Europese Commissie en de Italiaanse
regering, bevestigd in artikel 3, punt 3, van Besluit nr. E/1588/2004, heeft de
Italiaanse regering bij brief van 15 december 2006 de Commissie verzocht om
terugbetaling van de saldi van de rekeningen van afgesloten projecten. Deze
saldi beliepen in totaal 4 708 867,66 EUR. In maart 2008 is dit
bedrag terugbetaald aan de Italiaanse regering. De situatie van de door de Commissie beheerde
Italiaanse middelen voor projecten in de ACS-landen per 31.12.2011 wordt hierna
toegelicht. In totaal zijn sedert de ondertekening van het
bovengenoemde akkoord 52 projecten in ACS-landen door Italië gecofinancierd,
waarvan één enkel project, "Vierde rehabilitatieprogramma Somalië"
nog steeds lopende is en wordt beheerd door de delegatie van de EU in Kenia. De
banksaldi voor de afzonderlijke posten bedragen: Project nr.: || Land || Project || Saldo (EUR) || Saldo (EUR) || || || || 31/12/2010 || 31/12/2011 ITA COF || 37 || || Renteopbrengsten uit cofinanciering || 317 230.20 || 320 646.67 ITA COF || 40 || || Administratieve uitgaven || 408 990.37 || 410 580.63 ITA COF || 50 || SOMALIE || Rehabilitatie || 6 722 163.55 || 5 452 595.91 TOTAAL || || || 7 429 706.86 || 6 183 823.21 DEEL II – JAARREKENING
VAN HET EOF: FINANCIËLE STATEN VAN DE INVESTERINGSFACILITEIT EUROPESE INVESTERINGSBANK || CA/454/12 || 15 March 2012 || Document 12/069 || || Audited by KPMG RAAD VAN BEstuur Investeringsfaciliteit Financiële staten geconsolideerd per 31 december 2011 || || || - Overzicht van de financiële positie - Overzicht van gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten - Overzicht van de wijzigingen in de middelen van de contribuanten - Kasstroomoverzicht - Toelichtingen bij de financiële staten - Verslag van de onafhankelijke accountant || ORG.: E || 3. FINANCIËLE
STATEN VAN DE INVESTERINGSFACILITEIT 3.1 Overzicht
van gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten voor het op 31 december 2011
afgesloten jaar (x
1 000 EUR) || || Vanaf 1.1.2011 || Vanaf 1.1.2010 || Toelichting || tot 31.12.2011 || tot 31.12.2010 || || || Rente en soortgelijke baten || 16 || 59 561 || 54 601 Rente en soortgelijke uitgaven || 16 || -940 || -2 591 || || || Nettorente en soortgelijke baten || || 58 621 || 52 010 || || || Baten uit honoraria en provisies || 17 || 2 149 || 11 775 Uitgaven van honoraria en provisies || 17 || -144 || -372 || || || Nettobaten van honoraria en provisies || || 2 005 || 11 403 || || || Nettoresultaten van financiële transacties || 18 || 18 070 || -15 823 || || || Wijziging bij waardevermindering op leningen en vorderingen, minus terugboekingen || 7 || 27 452 || 25 428 Waardevermindering van voor verkoop beschikbare financiële activa || 8 || -6 888 || -3 714 || || || Algemene beheerskosten || 19 || -38 006 || -34 086 || || || || || || Winst over het boekjaar || || 61 254 || 35 218 || || || Niet-gerealiseerde resultaten: || || || Voor verkoop beschikbare financiële activa - reëlewaardereserve || || || 1. Nettowijziging in reële waarde van voor verkoop beschikbare financiële activa || || 20 574 || 2 962 2. Nettobedrag overgedragen naar winst of verlies || || -3 394 || 1 898 Totaal voor verkoop beschikbare financiële activa || || 17 180 || 4 860 || || || Totaal niet-gerealiseerde resultaten || || 17 180 || 4 860 || || || Totaal niet-gerealiseerde resultaten voor het jaar || || 78 434 || 40 078 3.2 VERMOGENSOVERZICHT
PER 31 DECEMBER 2011 (x
1 000 EUR) || Toelichting || 31.12.2011 || 31.12.2010 || 31.12.2009 || || || || ACTIVA || || || || Geldmiddelen en kasequivalenten || 5 || 452 279 || 411 587 || 330 057 Afgeleide financiële instrumenten || 6 || 434 || 1 376 || 12 870 Leningen en vorderingen || 7 || 1 033 160 || 844 428 || 693 441 Voor verkoop beschikbare financiële activa || 8 || 251 660 || 194 828 || 164 606 Door contribuanten te storten bedragen || 9/14 || 87 310 || 100 000 || 87 310 Overige activa || 10 || 416 || 3 172 || 925 || || || || Totaal activa || || 1 825 259 || 1 555 391 || 1 289 209 || || || || || || || || PASSIVA EN MIDDELEN VAN CONTRIBUANTEN || || || || || || || || PASSIVA || || || || Afgeleide financiële instrumenten || 6 || 12 702 || 6 110 || 5 522 Over te dragen opbrengsten || 11 || 33 003 || 29 579 || 24 317 Aan derde partijen verschuldigde bedragen || 12 || 329 660 || 298 415 || 213 850 Overige verplichtingen || 13 || 1 113 || 940 || 1 560 || || || || Totaal passiva || || 376 478 || 335 044 || 245 249 || || || || MIDDELEN CONTRIBUANTEN || || || || Afgeroepen faciliteitsbijdrage lidstaten || 14 || 1 281 309 || 1 131 309 || 995 000 Reëlewaardereserve || || 41 750 || 24 570 || 19 710 Ingehouden winst || || 125 722 || 64 468 || 29 250 || || || || Totaal middelen contribuanten || || 1 448 781 || 1 220 347 || 1 043 960 || || || || Totaal passiva en middelen contribuanten || || 1 825 259 || 1 555 391 || 1 289 209 3.3 OVERZICHT
VAN DE WIJZIGINGEN IN DE MIDDELEN VAN DE CONTRIBUANTEN (x
1 000 EUR) || Afgeroepen bijdrage || Reële waardereserve || Ingehouden winst || Totaal Per 1 januari 2011 || 1 131 309 || 24 570 || 64 468 || 1 220 347 || || || || Bijdrage lidstaten afgeroepen in de loop van het jaar || 150 000 || - || - || 150 000 || || || || Winst voor het jaar 2011 || - || - || 61 254 || 61 254 || || || || Totaal andere niet-gerealiseerde resultaten voor het jaar || - || 17 180 || - || 17 180 || || || || Wijzigingen middelen contribuanten || 150 000 || 17 180 || 61 254 || 228 434 || || || || Per 31 december 2011 || 1 281 309 || 41 750 || 125 722 || 1 448 781 || || || || || Afgeroepen bijdrage || Reële waardereserve || Ingehouden winst || Totaal Per 1 januari 2010 || 995 000 || 19 710 || 29 250 || 1 043 960 || || || || Bijdrage lidstaten afgeroepen in de loop van het jaar || 130 000 || - || - || 130 000 Niet-gebruikte rentesubsidies || 6 309 || - || - || 6 309 Winst voor het jaar 2010 || - || - || 35 218 || 35 218 || || || || Totaal andere niet-gerealiseerde resultaten voor het jaar || - || 4 860 || - || 4 860 || || || || Wijzigingen middelen contribuanten || 136 309 || 4 860 || 35 218 || 176 387 || || || || Per 31 december 2010 || 1 131 309 || 24 570 || 64 468 || 1 220 347 || || || || || || || || 3.4 Overzicht van
de kasstromen voor het op 31 december 2011 afgesloten jaar || Van 01.01.2011 tot 31.12.2011 || Van 01.01.2010 tot 31.12.2010 BELEIDSACTIVITEITEN || || Winst voor het begrotingsjaar || 61 254 || 35 218 Aanpassingen || || Waardevermindering van voor verkoop beschikbare financiële activa || 3 172 || 3 714 Nettowijziging waardevermindering op leningen en vorderingen || -27 452 || -25 428 Gekapitaliseerde rente op leningen en vorderingen || -10 512 || -13 239 Wijziging opgelopen rente en geamortiseerde kostprijs leningen en vorderingen || -2 801 || -466 Toename uitgestelde baten || 3 424 || 5 262 Gevolgen wijzigingen wisselkoers op leningen || -15 337 || -24 626 Effect wijzigingen wisselkoers op voor verkoop beschikbare financiële activa || 34 || -538 Winst beleidsactiviteiten voor wijzigingen in beleidsactiva en -passiva || 11 782 || -20 103 || || Uitkeringen lening || -237 040 || -206 952 Terugbetalingen leningen || 104 410 || 119 724 Wijziging reële waarde derivaten || 7 534 || 12 082 Stijging voor verkoop beschikbare financiële activa || -67 829 || -50 952 Verkoop voor verkoop beschikbare financiële activa || 24 971 || 22 414 Afname/toename andere activa || 2 756 || -2 247 Toename/afname andere passiva || 173 || -620 Toename/afname andere aan de Europese Investeringsbank te betalen bedragen || 4 144 || -2 324 || || Netto kasstromen van beleidsactiviteiten || -149 099 || -128 978 || || FINANCIERINGSACTIVITEITEN || || Bijdrage van lidstaten || 136 345 || 187 310 Bedragen ontvangen van lidstaten met betrekking tot rentesubsidies || 76 345 || 40 000 Bedragen ontvangen van lidstaten met betrekking tot rentesubsidies || -22 899 || -16 802 || || Netto kasstromen van financieringsactiviteiten || 189 791 || 210 508 || || Netto toename van geldmiddelen en kasequivalenten || 40 692 || 81 530 Geldmiddelen en kasequivalenten aan het begin begrotingsjaar || 411 587 || 330 057 || || Geldmiddelen en kasequivalenten bij het einde van het begrotingsjaar || 452 279 || 411 587 3.5 TOELICHTINGEN
BIJ DE FINANCIËLE STATEN 1
Algemene gegevens De investeringsfaciliteit (de
"faciliteit") werd opgericht in het kader van de Overeenkomst van
Cotonou (de "Overeenkomst") betreffende steun voor samenwerking en
ontwikkeling, die door de landen in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille
Oceaan ("de ACS-staten") en de Europese Unie en haar lidstaten op 23
juni 2000 werd gesloten en op 25 juni 2005 en 23 juni 2010 werd herzien. De in het kader van de Overeenkomst vastgelegde
financiering is afkomstig uit de begrotingen van de EU-lidstaten en wordt
uitbetaald overeenkomstig financiële protocollen die voor opeenvolgende
periodes van vijf tot zes jaar worden vastgelegd. Binnen het kader van de
Overeenkomst en na de inwerkingtreding van een tweede financieel protocol op 1
juli 2008 (met betrekking op de periode 2008-2013), het 10e Europees
Ontwikkelingsfonds (EOF) genoemd, is de Europese Investeringsbank, hierna de
"EIB" of "de Bank" genoemd, belast met het beheer van: -
de
faciliteit, een risicodragend roterend fonds ten belope van 3 185,5
miljoen EUR dat ertoe strekt de investeringen in de particuliere sector in de
ACS-landen te bevorderen, waarbij een bedrag 48,5 miljoen EUR aan de landen en
gebieden overzee (LGO) is toegewezen; -
subsidies
voor de financiering van rentesubsidies ten belope van 400 miljoen EUR voor
ACS-landen en 1,5 miljoen EUR voor LGO. Tot 10% van deze subsidies kan worden
benut voor de financiering van projectgerelateerde technische bijstand. Op voorstel van het beheerscomité van de EIB heeft
het directiecomité van de EIB de financiële staten op 15 maart 2012
opgesteld en heeft het besloten deze ter goedkeuring voor te leggen aan de raad
van bestuur op zijn bijeenkomst op 30 april 2012. 2
Belangrijkste
grondslagen voor financiële verslaglegging 2.1. Grondslag voor de voorbereiding - verklaring
van overeenstemming In 2011 werd bij het opstellen van de financiële
staten van de faciliteit gebruik gemaakt van de International Financial
Reporting Standards (IFRS), zoals vastgesteld door de Europese Unie. De
invoering van de IFRS verliep volgens IFRS 1 "First Time Adoption of
IFRS" waarbij 1 januari 2011 als overgangsdatum werd gebruikt. 2.2. Belangrijke beoordelingen en ramingen Bij het opmaken van de financiële staten moet een
beroep worden gedaan op ramingen. Bij het toepassen van de grondslagen voor
financiële verslaglegging van de faciliteit moet het management van de Europese
Investeringsbank ook beoordelingen maken. Indien er sprake is van een hogere
mate van beoordeling of complexiteit of indien veronderstellingen en ramingen
voor de financiële staten van belang zijn, wordt dit hierna bekendgemaakt. Onder meer in
volgende gevallen werd een beroep gedaan op beoordelingen en ramingen: §
Reële
waarde van financiële instrumenten Wanneer de reële waarde van
financiële activa en financiële passiva in de balans niet uit actieve markten
kan worden afgeleid, wordt de waarde bepaald met gebruikmaking van
uiteenlopende waarderingstechnieken, waaronder mathematische modellen. De input
voor deze modellen wordt waar mogelijk uit waarneembare markten gehaald. Is dit
niet mogelijk, dan is er een zekere mate van beoordeling vereist voor de
vaststelling van de reële waarde. Onder meer de liquiditeit en - voor de
modellen - inputgegevens als correlatie en volatiliteit van langdurige
derivaten met een looptijd van meer dan drie maanden worden daarbij beoordeeld. §
Waardevermindering
op leningen en vorderingen Op elke
verslagleggingsdatum onderzoekt de faciliteit haar probleemleningen en
-vorderingen teneinde te beoordelen of er in het overzicht van gerealiseerde en
niet-gerealiseerde resultaten een voorziening voor waardevermindering moet
worden opgevoerd. Om het niveau van de voorziening te bepalen, is een
beoordeling van het management van de Europese Investeringsbank vereist voor de
raming van het bedrag en het tijdschema van toekomstige kasstromen. Dergelijke ramingen zijn
gebaseerd op veronderstellingen over een aantal factoren en de werkelijke
resultaten kunnen afwijken, met toekomstige wijzigingen van de voorziening tot
gevolg. Naast
specifieke voorzieningen voor afzonderlijke belangrijke leningen en vorderingen
voert de faciliteit ook een collectieve voorziening voor waardevermindering op
voor risicoposities die afzonderlijk genomen weliswaar geen specifieke
voorziening vereisen, doch waarvoor de kans op niet-nakoming veel groter is
geworden dan op de datum van toekenning. In beginsel wordt ervan
uitgegaan dat een lening niet wordt nagekomen wanneer de betaling van de rente
en hoofdsom een achterstand van 90 dagen of meer heeft opgelopen en
tegelijkertijd het management van de Europese Investeringsbank van oordeel is
dat er een objectieve aanwijzing van waardevermindering is. §
Waardering
van voor verkoop beschikbare beleggingen in niet-beursgenoteerde aandelen Bij de waardering van
beleggingen in niet-beursgenoteerde aandelen wordt normaal gesproken met een
van volgende gegevens rekening gehouden: -
recente
zakelijke en objectieve markttransacties tussen onafhankelijke partijen; -
actuele
reële waarde van andere instrumenten die in wezen hetzelfde zijn; -
de
verwachte kasstromen die gedisconteerd zijn met behulp van actuele rentevoeten
die gelden voor instrumenten met soortgelijke voorwaarden en risicokenmerken;
of -
andere
waarderingsmodellen. De bepaling van de
kasstromen en discontofactoren voor verkoop beschikbare beleggingen in
niet-beursgenoteerde aandelen berust in grote mate op ramingen. De faciliteit
stemt de waarderingstechnieken op gezette tijden op elkaar af en toetst hun
geldigheid hetzij aan de prijzen van waarneembare actuele marktverrichtingen in
hetzelfde instrument, hetzij aan andere beschikbare waarneembare marktgegevens. §
Waardevermindering
van voor verkoop beschikbare financiële activa In het kader van de
faciliteit is bepaald dat voor verkoop beschikbare investeringen in aandelen
als in waarde verminderd worden beschouwd wanneer hun reële waarde aanzienlijk
of langdurig beneden kosten is gedaald of wanneer er andere aanwijzingen van
waardevermindering voorhanden zijn. Om te bepalen of een daling
"aanzienlijk" of "langdurig" is, is een beoordeling
vereist. De faciliteit beschouwt aanzienlijk meestal als 30% of meer en
"langdurig" als langer dan twaalf maanden. Voorts houdt de faciliteit
rekening met andere factoren, onder meer de normale volatiliteit van aandelen
voor beursgenoteerde aandelen, de toekomstige kasstromen en de discontofactoren
voor investeringen in niet-beursgenoteerde aandelen. 2.3 Wijziging van de grondslagen voor financiële
verslaglegging Bij de opstelling van de
jaarrekening per 31 december 2011 heeft de faciliteit zijn boekhoudregels
gewijzigd van boekhoudregels met de door de Europese Unie vastgestelde IFRS als
richtsnoer tot boekhoudregels gebaseerd op de door de Europese Unie
vastgestelde IFRS. De directie van de EIB is van mening dat deze wijziging in
de boekhoudgrondslagen meer relevante gegevens zal opleveren over de de
transacties en de financiële situatie van de faciliteit. De wijziging van
boekhoudregels heeft geen invloed op de balans, het overzicht van gerealiseerde
en niet-gerealiseerde resultaten, het overzicht van de wijzigingen in de
middelen van de contribuanten of het kasstroomoverzicht van de faciliteit. De
wijzigingen hebben alleen betrekking op de toelichtingen over het risicobeheer
bij de jaarrekening die overeenkomstig IFRS 7 zijn opgesteld alsook de gegevens
inzake de reële waarde voor financiële instrumenten overeenkomstig IFRS 7. Een aantal nieuwe
toepasselijke normen, wijzigingen van normen en interpretaties zijn van kracht
voor jaarperioden die aanvangen na 1 januari 2012 en zijn niet toegepast bij de
opstelling van deze financiële staten. IFRS 9 Financiële instrumenten Deze norm is de eerste stap in een driedelig project
van de IASB om de IAS 39 Financiële instrumenten te vervangen, waarbij de
categorieën financiële activa en passiva en hun boekhoudkundige verwerking
opnieuw gedefinieerd worden. Er wordt momenteel nog verder gewerkt aan de norm
die uiteindelijk de IAS 39 volledig zal vervangen. De huidige daadwerkelijke
datum voor de vaststelling van de laatste revisie van de norm is 1 januari 2013
met een voorgestelde inwerkingtreding op 1 januari 2015. De faciliteit is niet
voornemens deze vorm vroegtijdig in te voeren en de omvang van het effect is
nog niet bepaald. Beide onderstaande normen zijn uitgevaardigd in 2011
en op 1 januari 2013 in werking getreden. Het effect van de invoering van deze
normen op de financiële staten van de faciliteit is nog niet bepaald. IFRS 12 Informatieverschaffing over belangen in
andere entiteiten Met deze norm wordt aan een entiteit de verplichting
opgelegd informatie te verschaffen die gebruikers van jaarrekeningen in staat
stellen het volgende te beoordelen: de aard van en de risico's die verband
houden met haar belangen in andere entiteiten en de gevolgen van die
belangen voor haar financiële positie, financiële prestaties en kasstromen. IFRS 13 Waardering tegen reële waarde De norm definieert de reële waarde en bevat een
kader voor het bepalen van de reële waarde en vereist informatieverschaffing
over waarderingen tegen reële waarde. 2.4. Overzicht van de belangrijkste grondslagen
voor financiële verslaglegging 2.4.1 Omrekening vreemde valuta Voor de presentatie van de financiële staten wordt
de euro gebruikt, die ook de functionele munteenheid is. De
verrichtingen in vreemde valuta worden omgerekend tegen de wisselkoers van de
datum van de verrichting. Financiële
activa en passiva die in andere valuta dan de euro zijn uitgedrukt, worden in
euro omgerekend tegen de wisselkoers van de datum van de balans. De winst of
het verlies uit die omrekening wordt in het overzicht van gerealiseerde en
niet-gerealiseerde resultaten opgevoerd. Niet-monetaire
posten die worden geboekt tegen in een vreemde munteenheid uitgedrukte
historische kosten, worden omgerekend tegen de wisselkoers van de datum van de
transactie. Niet-monetaire posten die worden geboekt tegen de in een vreemde
munteenheid uitgedrukte reële waarde, worden omgerekend tegen de wisselkoers
van de datum waarop de reële waarde werd bepaald. Wisselkoersverschillen
die voortvloeien uit de vereffening van verrichtingen tegen een andere koers
dan die van de datum van de transactie, en niet-gerealiseerde
wisselkoersverschillen op in vreemde valuta uitgedrukte monetaire activa en
passiva die niet zijn vereffend, worden in het overzicht van gerealiseerde en
niet-gerealiseerde resultaten opgevoerd. De elementen
van het overzicht van gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten worden
maandelijks in euro omgerekend tegen de aan het einde van de maand geldende
wisselkoers. 2.4.2
Geldmiddelen en
kasequivalenten In het kader
van de faciliteit worden lopende rekeningen, kortetermijndeposito's of
schuldpapier met oorspronkelijke looptijden van drie maanden of minder als
geldmiddelen en kasequivalenten beschouwd. 2.4.3
Ander financiële activa
dan derivaten Financiële activa worden geboekt op basis van de
valutadatum. §
Leningen Door de faciliteit verstrekte leningen worden bij de
activa van de faciliteit opgenomen wanneer de geldmiddelen aan de lener zijn
uitgekeerd. Door de faciliteit verstrekte leningen worden in eerste instantie
tegen kosten (netto uitgekeerde bedragen) opgenomen, dat wil zeggen de reële
waarde van de geldmiddelen waarmee de lening tot stand is gekomen inclusief
transactiekosten, en vervolgens tegen geamortiseerde kostprijs gewaardeerd,
waarbij de methode van het effectieve rendement wordt gehanteerd, minus een voorziening
voor waardevermindering of oninbaarheid. §
Voor
verkoop beschikbare financiële activa Voor verkoop beschikbare financiële activa zijn
activa die als zodanig zijn aangewezen of die niet in een van de volgende
categorieën kunnen worden ingedeeld: tegen reële waarde in de
winst-en-verliesrekening geboekte waarden, tot aan het einde van de looptijd
gehouden waarden of leningen en vorderingen. Het gaat om beleggingen in
aandelen en investeringen in risicokapitaalfondsen. Na aanvankelijke waardering worden voor verkoop
beschikbare financiële activa vervolgens tegen reële waarde geboekt. In verband
met de waardering van de reële waarde van beleggingen in aandelen die niet uit
actieve markten kan worden afgeleid, gelden de volgende regels: a. Risicokapitaalfondsen De reële waarde van elk risicokapitaalfonds is
gebaseerd op de door het fonds gerapporteerde laatst beschikbare intrinsieke
waarde, indien deze waarde is berekend op basis van een internationale
waarderingsnorm die wordt beschouwd in overeenstemming te zijn met de IFRS (bv.
de International Private Equity and Venture Capital Valuation richtsnoeren
(IPEV-richtsnoeren), gepubliceerd door de European Venture Capital Association
(Europese vereniging voor risicodragend kapitaal)). De faciliteit mag evenwel
overgaan tot een aanpassing van de door het fonds gerapporteerde intrinsieke
waarde indien er factoren zijn die de waardering kunnen beïnvloeden. b. Directe
aandeleninvesteringen De reële waarde van de investering is gebaseerd op
de laatste reeks beschikbare financiële staten, waarbij — indien van toepassing
— opnieuw hetzelfde model wordt gebruikt als het model dat bij de verwerving
van de participatie werd gebruikt. Niet-gerealiseerde winsten of verliezen op
risicokapitaalfondsen en directe beleggingen in aandelen worden in het vermogen
van de contribuant verwerkt tot de verkoop, de inning of de afstoting van de
belegging of totdat is vastgesteld dat de belegging een waardevermindering
heeft ondergaan. Indien vastgesteld wordt dat een voor verkoop beschikbare
belegging in waarde is verminderd, worden de gecumuleerde niet-gerealiseerde
winsten of verliezen die voordien in de rubriek eigen vermogen waren verwerkt,
in het overzicht van gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten opgenomen. Voor beleggingen in niet-beursgenoteerde aandelen
wordt de reële waarde bepaald aan de hand van erkende waarderingstechnieken
(bijvoorbeeld verdisconteerde kasstromen of meervoudige prognose). Deze
beleggingen worden tegen kosten verwerkt wanneer de reële waarde niet op
betrouwbare wijze kan worden gemeten. De deelnemingen van de faciliteit zijn doorgaans
investeringen in risicodragend kapitaal of risicokapitaalfondsen. Volgens de
gangbare praktijk in de financiële sector wordt op dergelijke investeringen
doorgaans gezamenlijk ingeschreven door een aantal investeerders, die elk
afzonderlijk niet in staat zijn de dagelijkse transacties en de
investeringsactiviteit van een dergelijk fonds te beïnvloeden. Bijgevolg geeft
het lidmaatschap van een investeerder in een bestuursorgaan van een dergelijk
fonds deze investeerder doorgaans niet het recht de dagelijkse transacties van
het fonds te beïnvloeden. Daarnaast bepalen individuele investeerders in
risicodragend kapitaal of een durfkapitaalfonds niet het beleid van een dergelijk
fonds op het vlak van het uitkeringsbeleid van dividenden of andere
uitkeringen. Dergelijke besluiten worden doorgaans genomen door de directie van
een fonds op basis van de aandeelhoudersovereenkomst waarin de rechten en de
plichten zijn vastgelegd van de directie en alle aandeelhouders van het fonds.
Doorgaans is het individuele investeerders op grond van de
aandeelhoudersovereenkomst ook verboden om op bilaterale basis materiële
transacties met het fonds uit te voeren, personeelswijzigingen tot stand te
brengen bij de kaderleden of bevoorrechte toegang te verkrijgen tot cruciale
technische informatie. De investeringen van de faciliteit worden uitgevoerd
overeenkomstig de bovenvermelde gangbare praktijk van de financiële sector,
waarbij ervoor wordt gezorgd dat de faciliteit geen controle of significante
invloed in de zin van IAS 27 en IAS 28 uitoefent over deze investeringen,
inclusief de investeringen waarin de faciliteit meer dan 20% van de stemrechten
bezit. §
Zekerheidstellingen Bij de eerste opname worden de financiële garanties
tegen reële waarde in de balans opgenomen die overeenstemt met de intrinsieke
waarde van de verwachte instroom van premies. Deze berekening wordt uitgevoerd
op de begindatum van elke transactie en wordt opgenomen in de balans als
"Financiële garanties" onder de rubriek "overige activa" en
"overige passiva". Na de eerste opname worden de passiva van de
faciliteit uit hoofde van elke garantie geherwaardeerd tegen het hoogste van de
volgende bedragen: -
de best
mogelijke raming van de middelen die nodig zijn om te voldoen aan de financiële
verplichtingen die uit de garantie voortvloeien, die gebaseerd is op alle
relevante factoren en informatie die op balansdatum beschikbaar is; -
het
oorspronkelijk opgenomen bedrag verminderd met de geaccumuleerde afschrijving.
De afschrijving van het oorspronkelijk opgenomen bedrag komt tot stand op basis
van de actuariële methode. Elke toe- of afname van het passief in verband met
financiële garanties wordt in het overzicht van gerealiseerde en
niet-gerealiseerde resultaten opgenomen onder de post "baten van honoraria
en provisies". Vervolgens worden de activa van de faciliteit die
met een dergelijke zekerheidsstelling worden gewaarborgd, afgeschreven waarbij
gebruik wordt gemaakt van de actuariële waarderingsmethode en worden zij op
waardevermindering gecontroleerd. Bij de ondertekening van een garantie-overeenkomst,
wordt deze overeenkomst opgenomen als een voorwaardelijke verplichting voor de
faciliteit en wanneer een beroep op de garantie wordt gedaan, als een
vastlegging voor de faciliteit. 2.4.4
Waardevermindering van
financiële activa De faciliteit beoordeelt bij elke balansdatum of er
voldoende objectieve aanwijzingen voorhanden zijn dat financiële activa een
waardevermindering hebben ondergaan. Financiële activa of groepen van
financiële activa worden geacht een waardevermindering te hebben ondergaan
indien, en alleen indien, er objectieve aanwijzingen voorhanden zijn van een
waardevermindering die het gevolg is van één of meer gebeurtenissen die zich
hebben voorgedaan na de eerste opname van de activa en die een op betrouwbare
wijze te ramen effect hebben op de geraamde toekomstige kasstromen van de
financiële activa of de groep financiële activa. Aanwijzingen van
waardevermindering kunnen zijn dat de lener of een groep van leners
aanzienlijke financiële moeilijkheden ondervindt, in gebreke blijft en rente of
hoofdsommen niet betaalt, de waarschijnlijkheid dat zij failliet zullen worden
verklaard of een andere financiële reorganisatie zullen ondergaan, of dat
waarneembare gegevens erop wijzen dat er een meetbare daling is in de geraamde
toekomstige kasstromen, zoals wijzigingen in betalingsachterstallen of in de
economische omstandigheden die met niet-nakoming samengaan. Voor de aan het einde van het begrotingsjaar
uitstaande leningen die tegen geamortiseerde kostprijs zijn geboekt, komen
waardeverminderingen tot stand wanneer er objectieve aanwijzingen voorhanden
zijn dat het risico bestaat dat de uitgeleende bedragen geheel of gedeeltelijk
niet volgens de oorspronkelijke contractuele voorwaarden of de overeenstemmende
waarde zullen kunnen worden geïnd. Indien er objectieve aanwijzingen voorhanden
zijn dat er zich een waardevermindering heeft voorgedaan, wordt het verlies
gewaardeerd als het verschil tussen de boekwaarde van het activum en de actuele
waarde van de geraamde toekomstige kasstromen. De boekwaarde van het activum
wordt verminderd door middel van een voorziening en het bedrag van het verlies
wordt in het overzicht van gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten
opgenomen. Rentebaten worden nog steeds toegerekend op de verminderde
boekwaarde volgens de effectieve rentevoet van de lening. Leningen worden samen
met de daarmee samenhangende voorziening afgeschreven indien er geen realistische
vooruitzichten op toekomstige inning bestaan. Indien het bedrag van de geraamde
waardevermindering in een volgend jaar toe- of afneemt ingevolge een
gebeurtenis die zich na de opname van de waardevermindering voordoet, wordt de
eerder geboekte waardevermindering verhoogd of verlaagd door de voorziening aan
te passen. Aangezien de faciliteit voor elke lening een
kredietrisicobeoordeling uitvoert, hoeft er geen voorziening voor collectieve
waardevermindering te worden opgenomen. Voor de voor verkoop beschikbare financiële activa
beoordeelt de faciliteit op elke balansdatum of er objectieve aanwijzingen
voorhanden zijn dat een investering een waardevermindering heeft ondergaan.
Objectieve aanwijzingen kunnen bestaan in een aanzienlijke of langdurige daling
van de reële waarde van de investering beneden haar kostprijs. Zijn er
aanwijzingen van een waardevermindering voorhanden, dan wordt het gecumuleerde
verlies (gewaardeerd als het verschil tussen de kosten van verwerving en de
actuele reële waarde, minus de waardevermindering op de betrokken investering
die reeds eerder in het overzicht van gerealiseerde en niet-gerealiseerde
resultaten was opgenomen) uit de middelen van de contribuant gehaald en in het
overzicht van gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten opgenomen.
Waardeverminderingen op voor verkoop financiële activa worden niet via het
overzicht van gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten teruggenomen;
toenames van hun reële waarde na waardevermindering worden direct in de middelen
van de contribuanten opgenomen. In het kader van haar risicobeheer gaat de EIB ten
minste eenmaal per jaar na of haar financiële activa een waardevermindering
hebben ondergaan. De hieruit voortvloeiende aanpassingen leiden onder meer tot
het ontbinden van de disagio in het overzicht van gerealiseerde en
niet-gerealiseerde resultaten tijdens de gehele levensduur van het activum en
alle aanpassingen die zijn vereist met betrekking tot een herbeoordeling van de
oorspronkelijke waardevermindering. 2.4.5
Afgeleide financiële
instrumenten Derivaten omvatten cross-currency swaps,
cross-currency renteswaps en currency forwards. De faciliteit mag in de uitoefening van haar normale
activiteiten swapovereenkomsten sluiten ter afdekking van specifieke
kredietverrichtingen of currency forward contracten sluiten ter afdekking van
haar valutaposities, die in andere actief verhandelde valuta dan de euro
luiden, om het risico (winst of verlies) van wisselkoersschommelingen af te
dekken. Per 31 december 2010 en 2011 heeft de faciliteit
geen dekkingsverrichtingen aangegaan. Bijgevolg zijn alle afgeleide financiële
instrumenten tegen reële waarde opgenomen in de winst-en-verliesrekening. Reële
waarden worden hoofdzakelijk bepaald op grond van contantewaardeberekeningen,
optiewaarderingsmodellen en prijsnoteringen van derde partijen. Derivaten worden tegen reële waarde als activa
geboekt wanneer hun reële waarde positief is en als passiva wanneer hun reële
waarde negatief is. Wijzigingen in de reële waarde van derivaten die voor
handelsdoeleinden worden aangehouden, worden in "Nettoresultaat van
financiële verrichtingen" opgenomen. 2.4.6
Bijdragen Bijdragen van de lidstaten worden in de balans als
te innen schuldvorderingen beschouwd met ingang van de datum van het besluit
van de Raad waarin de door de lidstaten te betalen financiële bijdragen aan de
faciliteit worden vastgesteld. De bijdragen van de lidstaten voldoen aan de
volgende voorwaarden en worden bijgevolg als vermogen geboekt: -
zoals
in de bijdrage-overeenkomst is vastgelegd, geven zij de lidstaten het recht om
bij een liquidatie van de faciliteit te bepalen hoe de netto-activa van de
faciliteit worden besteed; -
zij
behoren tot de categorie instrumenten die bij alle andere categorieën
instrumenten is achtergesteld; -
alle
financiële instrumenten die deel uitmaken van de categorie instrumenten die bij
alle andere categorieën instrumenten is achtergesteld, hebben identieke
kenmerken; -
het
instrument heeft geen kenmerken waardoor het als een passivum zou moeten
geboekt; en -
de verwachte
totale kasstromen die gedurende de looptijd van het instrument aan het
instrument zijn toe te rekenen, zijn in aanzienlijke mate gebaseerd op de winst
of het verlies, de verandering in de opgenomen nettoactiva of de verandering in
de reële waarde van de opgenomen en niet-opgenomen nettoactiva van de entiteit
gedurende de looptijd van het instrument. 2.4.7
Rentebaten van leningen Rente van door de faciliteit verstrekte leningen
wordt geboekt in het overzicht van gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten
("Rente en soortgelijke baten") en in de balans ("Leningen en
vorderingen") volgens het toerekeningsbeginsel met gebruikmaking van de
effectieve rentevoet, die de factor is om de geraamde toekomstige kasstromen of
ontvangsten tijdens de verwachte looptijd van de lening exact naar de
nettoboekwaarde van de lening te verdisconteren. Zodra de boekwaarde van een
lening door een waardevermindering afgenomen is, blijven de rentebaten
opgenomen met gebruikmaking van de oorspronkelijke effectieve rentevoet die op
de nieuwe boekwaarde wordt toegepast. 2.4.8
Rentesubsidies en
technische bijstand Het beheer van de rentesubsidies en technische
bijstand namens de lidstaten is een onderdeel van de activiteiten van de
faciliteit. Het deel van de bijdragen van de lidstaten dat aan
de betaling van rentesubsidies wordt toegewezen, wordt niet opgevoerd in de
middelen van de contribuanten van de faciliteit, maar wordt ingedeeld als
"aan derden verschuldigd bedrag". De faciliteit betaalt de
eindbegunstigden uit en vermindert vervolgens het aan derden verschuldigde
bedrag. Wanneer bijdragen voor rentesubisidies en technische
bijstand niet volledig worden toegekend, worden zij opnieuw geboekt als
bijdrage aan de faciliteit. 2.4.9
Rentebaten op
geldmiddelen en kasequivalenten Rentebaten van geldmiddelen en kasequivalenten
worden volgens het toerekeningsbeginsel opgenomen in het overzicht van
gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten van de faciliteit. 2.4.10 Honoraria, provisies en dividenden Honoraria die werden ontvangen met betrekking tot
diensten die over een bepaalde periode werden verstrekt worden als inkomsten
beschouwd in de mate dat de diensten zijn verstrekt. Commissielonen worden
uitgesteld en als inkomsten erkend waarbij de effectieve rentemethode wordt
gebruikt met betrekking tot periode van de uitbetaling tot de terugbetaling van
de desbetreffende lening. Dividenden van voor verkoop beschikbare beleggingen
in aandelen worden bij ontvangst opgenomen. 2.4.11 Fiscale bepalingen Het
Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese
Gemeenschappen, gehecht aan het Verdrag van 8 april 1965 tot instelling van één
Raad en één Commissie welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben, bepaalt
dat de eigendommen, fondsen en bezittingen van de Europese Gemeenschappen vrijgesteld
zijn van alle directe belastingen. 3
Risicobeheer Deze
toelichting bevat gegevens over de blootstelling van de faciliteit aan krediet-
en financiële risico's, beheer en controle van deze risico's door de
faciliteit, in het bijzonder de primaire risico's die verband houden met het
gebruik van financiële instrumenten. Hierbij gaat het om de volgende risico's: -
kredietrisico – het risico op verlies als gevolg van het in
gebreke blijven van de cliënt of tegenpartij dat zich voordoet bij alle vormen kredietblootstelling,
inclusief afwikkelingsrisico; -
liquiditeitsrisico - het risico dat een entiteit het
moeilijk zal hebben om verplichtingen die verband houden met de afwikkeling van
financiële verplichtingen door middel van de levering van geldmiddelen of een
ander financieel actief na te komen; -
marktrisico – de blootstelling aan waarneembare
marktvariabelen, zoals rentevoeten, wissel- en aandelenkoersen. 3.1. Organisatie van het
risicobeheer De
Europese Investeringsbank past haar risicobeheer voortdurend aan. Zij beschikt
over systemen voor controle van en rapportage over de belangrijkse risico's van
haar verrichtingen, nl. krediet-, markt- en liquiditeitsrisico's. Het
risicobeheer van de bank is verantwoordelijk voor de identificatie, de
beoordeling, het toezicht en de rapportage over de krediet- en
aandelenkoersrisico's waaraan de faciliteit is blootgesteld. Binnen een kader
waarbij de scheiding van taken in acht wordt genomen, staat het risicobeheer
los van de front offices. De directeur-generaal risicobeheer rapporteert over
de risico's aan de vicevoorzitter van de EIB die hiervoor verantwoordelijk is.
Deze vicevoorzitter vergadert op gezette tijden met het auditcomité om te
overleggen over risicokwesties. Hij is ook verantwoordelijk voor het toezicht
op de risicorapportage aan het beheerscomité en het directiecomité van de
Europese Investeringsbank. 3.2 Kredietrisico Kredietrisico is het mogelijke risico op verlies als
gevolg van het in gebreke blijven van de cliënt of tegenpartij dat zich voordoet
bij alle vormen kredietblootstelling, inclusief afwikkeling. 2.4.12 Beleid op het vlak kredietrisico Bij het uitvoeren van de
kredietanalyse van de tegenpartijen bij de lening beoordeelt de EIB het
kredietrisico met het oog op een getalsmatige weging en waardering. De
faciliteit heeft een interne ratingmethodiek (IRM) ontwikkeld voor bedrijven of
financiële instellingen om de interne ratings te bepalen van de belangrijkste
begunstigde tegenpartijen die als lener/borgsteller optreden. De methodiek is
gebaseerd op een systeem van puntenlijsten die zijn aangepast aan elke
belangrijke tegenpartij (bv. bedrijven, banken, openbare entiteiten, enz.).
Rekening houdende met zowel de beste bancaire praktijken als de principes in
het kader van kapitaalakkoord Bazel II, worden alle tegenpartijen die essentieel
zijn voor het kredietprofiel van een specifieke transactie gerangschikt in
interne ratingcategorieën waarbij gebruik wordt het gemaakt van de IRM voor het
specifieke type tegenpartij. Aan elke tegenpartij wordt in eerste instantie een
interne rating toegekend die een weerspiegeling is van de lange-termijnrating
in vreemde valuta van de tegenpartij (of de gelijkwaardige lokale munteenheid
indien nodig) na een diepgaande analyse van het risicoprofiel van de tegenpartij
en de risicocontext van het land van die tegenpartij. De kredietbeoordeling van
projectfinanciering en andere gestructureerde transacties met beperkte
aanwending is niet onderworpen aan IRM. Hierbij wordt gebruik gemaakt van
kredietrisico-instrumenten die van belang zijn voor de sector en hoofdzakelijk
zijn toegespitst op beschikbaarheid van cash flow en aflossingscapaciteit. Bij
deze instrumenten gaat het om de analyse van het contractueel kader van
projecten, de analyse van de tegenpartij en cashflowsimulaties. Net zoals bij
bedrijven en financiële instellingen wordt voor elk project een interne
risicorating en een verwacht verlies berekend. Alle verrichtingen zonder
de overheid als tegenpartij (of zonder overheidsgarantie/hiermee gelijkgestelde
garantie) zijn onderworpen aan een specifiek transactieniveau en beperkingen
van de grootte van de tegenpartij. Voor het maximale nominale bedrag van elke
transactie geldt een bovengrens die afhangt van het verwachte verlies van de
transactie. Tegenpartijlimieten worden toegepast op geconsolideerde
blootstellingen. Dergelijke beperkingen weerspiegelen doorgaans de omvang van
de eigen middelen van de tegenpartijen alsook hun totale externe financiering
op lange termijn. Om het kredietrisico te
beperken, maakt de faciliteit gebruik van verschillende kredietverbeteringen,
waaronder: -
projectgerelateerde
effecten (bv. de aandelen als onderpand, de activa als onderpand, overdracht
van rechten, toezeggingen met betrekking tot de rekeningen), en/of -
waarborgen,
doorgaans verstrekt door de sponsor van het gefinancierde project (bv.
vervollediging van de waarborgen, afroepgaranties). Daarnaast maakt de faciliteit zelden gebruik van
kredietverbeteraars die geen rechtstreeks verband houden met het projectrisico,
zoals onderpanden of bankgaranties. De faciliteit doet geen beroep op kredietderivaten
om het kredietrisico te beperken. 3.2.1. Maximale blootstelling aan kredietrisico
zonder rekening te houden met zekerheidsstellingen en andere
kredietbeschermingen In de
onderstaande tabel is de maximale blootstelling aan kredietrisico opgenomen
voor de onderdelen van de balans, inclusief derivaten. De maximale
blootstelling is een brutoweergave, zonder het risicobeperkende effect van het
gebruik van zekerheidsstellingen. Maximale blootstelling (x 1 000 EUR) || 31.12.2011 || 31.12.2010 || || ACTIVA || || Geldmiddelen en kasequivalenten || 452 279 || 411 587 Afgeleide financiële instrumenten || 434 || 1 376 Leningen en vorderingen || 1 033 160 || 844 428 Door contribuanten te storten bedragen || 87 310 || 100 000 Overige activa || 416 || 3 172 Totaal activa || 1 573 599 || 1 360 563 || || POSTEN BUITEN DE BALANS || || Niet in de balans opgenomen verplichtingen || || - Niet-aangesproken garanties || 20 000 || 45 000 Vastleggingen || || - Niet-uitgekeerde leningen || 701 092 || 808 865 - Aangesproken garanties || 7 909 || 9 484 Totaal buitenbalansposten || 729 001 || 863 349 || || Totaal kredietrisico || 2 302 600 || 2 223 912 3.2.2. Kredietrisico op leningen en vorderingen 3.2.3.1 Meting kredietrisico op
leningen en vorderingen Elke leningsactiviteit van
de faciliteit gaat gepaard met een uitgebreide risicobeoordeling en weging van
de prognoses van verwachte verliezen die zijn opgenomen in de rangschikking van
de lening. De rangschikking wordt opgesteld volgens algemeen aanvaarde
criteria, op basis van de kwaliteit van de lener, de looptijd van de lening, de
garantie en in voorkomend geval de borgsteller. Het systeem voor de
rangschikking van leningen omvat methodieken, processen, databases en
IT-systemen voor de beoordeling van het kredietrisico bij leningen en de weging
van de prognoses van verwachte verliezen. Het is een samenvatting van een grote
hoeveelheid gegevens om een relatieve rangschikking van de kredietrisco's van
de leningen tot stand te brengen. De rangschikking is een weerspiegeling van de
huidige waarde van het geraamde niveau van de "verwachte verliezen",
waarbij rekening wordt gehouden met de waarschijnlijkheid van een wanbetaling
van de belangrijkste schuldenaars, de risicoblootstelling en de ernst van het
verlies bij wanbetaling. De rangschikking wordt gebruikt voor de volgende
doelstellingen: -
als
hulpmiddel voor een meer accurate en kwantitieve beoordeling van de
leningrisico's; -
als
hulpmiddel bij het toezicht; -
als
beschrijving van de kwaliteit van de leningportfolio op een bepaalde datum; -
als
input bij risicowaarderingsbesluiten op basis van de verwachte verliezen. De volgende factoren spelen
mee bij de vaststelling van een rangschikking: i)
de
kredietwaardigheid van de lener: hierbij gaat het om een onafhankelijke
beoordeling van de leners en een evaluatie van hun kredietwaardigheid op basis
van interne methodieken en externe data. Overeenkomstig de gekozen geavanceerde
benadering van Basel II heeft de Bank een interne methodiek voor
rangschikkingen opgesteld om de interne ratings van leners en borgstellers te
bepalen. Dit is gebaseerd op een reeks specifieke puntenlijsten voor elke
categorie tegenpartij. ii)
de
wanbetaling-correlatie geeft aan hoe waarschijnlijk het is dat zowel de lener
als de borgsteller tegelijkertijd met financieringsmoeilijkheden zullen worden
geconfronteerd. Hoe hoger de correlatie tussen kansen op wanbetaling van de
lener en de borgsteller, hoe geringer de waarde van de garantie en dus hoe
lager de rangschikking. iii)
de
waarde van garantie-instrumenten en effecten: deze waarde wordt beoordeeld op
basis van de combinatie van de kredietwaardigheid van de emittent en het soort
instrument dat wordt gebruikt. iv)
het
contractuele kader: een degelijk contractueel kader versterkt de kwaliteit van
de lening en verhoogt zijn interne rangschikking. v)
de
looptijd van de lening: als alle andere parameters gelijk blijven, geldt: hoe
langer de looptijd van de lening, hoe hoger het risico op moeilijkheden bij de
aflossing van de lening. Het verwachte verlies op
een lening wordt berekend door een combinatie te maken van de vijf
bovenvermelde punten. Uitgaande van het niveau van dit verlies wordt een lening
ondergebracht in een van de onderstaande categorieën: A Leningen
van uitstekende kwaliteit: er zijn drie subcategorieën. A° omvat alle
EU-landenrisico's, dit zijn leningen die zijn verleend aan of die volledig,
uitdrukkelijk en onvoorwaardelijk door de lidstaten zijn gegarandeerd, waarbij
verwacht wordt dat er zich geen terugbetalingsmoeilijkheden zullen voordoen en
met een percentage voor onverwachte verliezen van 0%. A+ omvat leningen die
toegekend zijn aan (of gegarandeerd zijn door) andere entiteiten dan lidstaten,
waarbij ervan uitgegaan wordt dat tijdens de looptijd geen verslechtering zal
optreden. A- omvat leningen waarbij er enige twijfel is omtrent het behoud van
hun huidige status (bijvoorbeeld wegens de lange looptijd of als gevolg van de
hoge volatiliteit van de toekomstige prijs van een anders uitstekend
onderpand), maar waarbij elke neerwaartse ontwikkeling naar verwachting vrij
beperkt zal zijn. B Leningen
van hoge kwaliteit: activa waarvoor de bank geen problemen verwacht, hoewel een
geringe verslechtering in de toekomst niet wordt uitgesloten. B+ and B- worden
gebruikt om de relatieve waarschijnlijkheid aan te geven van de mogelijkheid
dat een dergelijke verslechtering zich voordoet. C Leningen
van goede kwaliteit: voorbeelden hiervan zijn niet-gegarandeerde leningen aan
solide banken en bedrijven met een 7-jaar bullet of soortgelijke afschrijving,
vervaldag bij uitbetaling. D Deze
categorie vertegenwoordigt de grensgevallen tussen leningen van
"aanvaardbare kwaliteit" en die waarbij zich enige problemen hebben
voorgedaan. Dit keerpunt in de rangschikking wordt nauwkeuriger omschreven door
de subcategorieën D+ en D-. Leningen met een rating D- vereisen een verhoogd
toezicht. E Deze
categorie omvat leningen met een groter risicoprofiel dan doorgaans wordt
aanvaard. Tot deze categorie behoren ook leningen waarbij zich tijdens de
looptijd ernstige problemen hebben voorgedaan en waarbij een verlies niet kan
worden uitgesloten. Derhalve zijn deze leningen onderworpen aan een rigoureus
en doorgedreven toezicht. Met de subcategorieën E+ en E- wordt het verschil in
intensiteit aangegeven van dit speciaal toezicht, waarbij de transacties met
een rangschikking E- zich in een positie bevinden waarbij er een grote kans is
dat de aflossing niet tijdig kan plaatsvinden en er dus een vorm van
schuldherstructurering noodzakelijk wordt, hetgeen kan resulteren in een
waardeverminderingsverlies. F F
(fail/wanbetaling) verwijst naar leningen met onaanvaardbare risico's. Leningen
met een rangschikking F- kunnen alleen het resultaat zijn van lopende
transacties die na ondertekening geconfronteerd werden met onvoorziene,
uitzonderlijke en bijzonder ongunstige omstandigheden. Alle transacties waarbij
zich een verlies van de hoofdsom voor de faciliteit voordoet, worden onder F
gerangschikt. Hiervoor geldt een specifieke benadering. Doorgaans
worden leningen die intern D- of lager zijn gerangschikt op een toezichtslijst
geplaatst. Indien een lening in eerste instantie was goedgekeurd met een
risicoprofiel van D- of lager, zal deze lening alleen op de toezichtslijst
worden geplaatst als gevolg een feitelijke kredietgebeurtenis die geleid heeft
tot een verdere verslechtering van de rangschikking van de lening. In de
tabel in afdeling 3.2.3.3 is de analyse opgenomen van de kredietkwaliteit van
de leningportfolio van de faciliteit op basis van de bovenstaande
rangschikking. 3.2.3.2 Analyse van
blootstelling aan kredietrisico van leningen In de onderstaande tabel wordt de
maximale blootstelling weergegeven aan kredietrisico van ondertekende en
uitbetaalde leningen per categorie lener, waarbij rekening wordt gehouden met
de garanties die door de borgstellers zijn verstrekt: Per 31.12.2011 (× 000 EUR) || Gegarandeerd || Niet gegarandeerd || Totaal Banken || 111 020 || 197 245 || 308 265 Bedrijven || 71 300 || 475 012 || 546 312 Openbare instellingen || 37 670 || - || 37 670 Staten || 6 214 || 134 699 || 140 913 Totaal uitgekeerd || 226 204 || 806 956 || 1 033 160 Ondetekend, niet uitgekeerd || 183 918 || 517 174 || 701 092 Per 31.12.2010 (× 000 EUR) || Gegarandeerd || Niet gegarandeerd || Totaal Banken || 101 675 || 156 488 || 258 163 Bedrijven || 304 283 || 127 611 || 431 894 Openbare instellingen || 36 667 || - || 36 667 Staten || 6 779 || 110 925 || 117 704 Totaal uitgekeerd || 449 403 || 395 025 || 844 428 Ondetekend, niet uitgekeerd || 279 425 || 529 410 || 808 865 3.2.3.3
Analyse
kredietkwaliteit per categorie lener In de
onderstaande tabel geeft de analyse weer van de kredietkwaliteit van de
portefeuille leningen van de portfolio van de faciliteit per 31 december 2011
en 31 december 2010 uitgaande van de rangschikking van de leningen, op basis
van de ondertekende blootstellingen (uitgekeerd en niet-uitgekeerd). Per 31.12.2011 || || Uitstekende rangschikking || Standaard rangschikking || Min. aanvaarbaar || Hoog Risico || Geen rangschikking || TOTAAL (x 000 EUR) || || || risico || || || || || A tot B- || C || D+ || D- en lager || || Lener || Banken || 50 002 || 9 674 || 39 966 || 356 629 || 351 476 || 807 747 Bedrijven || 3 917 || 5 279 || - || 635 825 || - || 645 021 Openbare instellingen || - || - || - || 38 761 || - || 38 761 Staten || - || - || - || 242 723 || - || 242 723 TOTAAL || || 53 919 || 14 953 || 39 966 || 1 273 938 || 351 476 || 1 734 252 Per 31.12.2010 || || Uitstekende rangschikking || Standaard rangschikking || Min. aanvaardbaar || Hoog risico || Geen rangschikking || TOTAAL (x 000 EUR) || || || risico || || || || || A tot B- || C || D+ || D- en lager || || Lener || Banken || 4 915 || 19 754 || 16 208 || 335 759 || 359 497 || 736 133 Bedrijven || 4 189 || 5 095 || 3 366 || 595 062 || - || 607 712 Openbare instellingen || - || - || - || 37 757 || - || 37 757 Staten || - || - || - || 271 691 || - || 271 691 TOTAAL || || 9 104 || 24 849 || 19 574 || 1 240 269 || 359 497 || 1 653 293 3.2.3.4
Risicoconcentraties
van leningen en vorderingen 3.2.3.4.1 Geografische
analyse Op basis
van het land van de ontlener kan de leningportefeuille van de faciliteit worden
uitgesplitst in de volgende geografische regio's (x 1 000 EUR): Land van de ontlener || 31.12.2011 || 31.12.2010 Regionaal - ACS || 99 543 || 94 789 Uganda || 117 035 || 102 676 Regionaal – West-Afrika || 14 161 || 6 659 Mozambique || 126 666 || 86 992 Mauritanië || 43 427 || 29 359 Ethiopië || 84 266 || 52 449 Dominicaanse Republiek || 66 118 || 55 717 Kenia || 65 611 || 69 183 Kameroen || 60 706 || 67 546 Zambia || 43 294 || 50 557 Congo (Democratische Republiek) || 8 980 || 2 742 Nigeria || 28 691 || 49 395 Regionaal – Stille Oceaan || 20 603 || 29 766 Regionaal – Centraal Afrika || 12 109 || 13 838 Jamaica || 59 317 || 30 062 Madagaskar || 1 253 || 1 503 Mauritius || 12 732 || 14 742 Ghana || 7 812 || 10 585 Angola || 13 598 || 6 719 Trinidad en Tobago || 1 002 || 5 269 Burkina Faso || 12 588 || 14 242 Malawi || 5 833 || 6 086 Nieuw-Caledonië || 4 673 || 1 802 Rwanda || 11 197 || 9 600 Niger || 3 950 || 5 935 Frans-Polynesië || 3 131 || 2 734 Botswana || - || 1 609 Senegal || 10 329 || 6 779 Lesotho || 3 902 || 3 751 Vanuatu || 3 917 || 4 189 Belize || 103 || 729 Grenada || 2 698 || 2 907 Gabon || 1 509 || 2 014 Togo || 53 224 || - Kaapverdië || 28 405 || - Djibouti || 777 || 1 504 TOTAAL || 1 033 160 || 844 428 3.2.3.4.2
Analyse
op grond van bedrijfstak In de onderstaande tabel wordt de leningportefeuille
van de faciliteit opgesplitst per bedrijfstak van de ontlener. De uitkeringen
die eerst worden verstrekt aan een financiële tussenpersoon voordat zij aan de
eindbegunstigde worden uitbetaald, zijn onder de globale leningen opgenomen (x
000 EUR): Bedrijfstak van de ontlener || 31.12.2011 || 31.12.2010 Globale leningen en agentuurovereenkomsten || 218 912 || 232 581 Luchtvaartmaatschappijen en producenten van luchtvaartuigen || 103 || 729 Luchthavens en systemen voor luchtverkeersafhandeling || 31 052 || 30 062 Grondstoffen en mijnbouw || 135 573 || 119 512 Chemicaliën, kunststoffen en farmaceutische producten || 20 400 || 5 925 Drinkwater, waterzuivering || 33 247 || 17 074 Elektriciteit, kolen en andere || 358 745 || 320 490 Voedselketen || 1 244 || 1 491 Investeringsgoederen/duurzame consumptiegoederen || 3 902 || 3 751 Vervoer over zee en andere || 6 214 || 6 779 Verwerking van materialen, bouwsector || 29 025 || 64 Papierketen || 4 840 || 2 603 Autosnelwegen en andere wegen || 62 856 || 23 125 Telecommunicatie || 24 963 || 26 621 Tertitaire sector en overige || 102 084 || 53 620 TOTAAL || 1 033 160 || 844 428 3.2.3.5 Achterstal op leningen De identificatie, het toezicht en de rapportage over
achterstallige bedragen verloopt overeenkomstig een reeks procedures, de
zogeheten "Richtsnoeren voor het toezicht op laattijdige betalingen". Het toezicht en de rapportage over laattijdige
betalingen wordt doorgaans beheerd door de eenheid Laattijdige betalingen van
het directoraat Beheer en Herstructurering van Transacties van de EIB. Deze
eenheid stelt een maandelijks verslag op over de onbetaalde leningtranches van
de faciliteit, inclusief een tabel waarin de achterstallen van meer dan acht
dagen van maand tot maand worden vergeleken. Dit maandelijks verslag geeft een
gedetailleerd beeld van de maatregelen die reeds zijn genomen of die moeten
worden genomen, per land, lening en tranche. Daarnaast wordt een maandelijks rapport opgesteld
over leningen met achterstallige betalingen van meer dan 90 dagen, dat
vervolgens bij de Europese Commissie wordt ingediend. Tweemaal per jaar
ontvangt het directiecomité van de EIB een overzichtstabel van de leningen met
achterstallige betalingen van meer dan 30 dagen en 90 dagen alsook een verslag
met vergelijkende gegevens over de jaarlijkse en halfjaarlijkse ontwikkeling
van de achterstallen. De achterstallen op de betalingen van de
desbetreffende leningen kunnen als volgt worden geanalyseerd (x 1 000 EUR): || Tranches met meer dan 30 dagen achterstal || Tranches met meer dan 90 dagen achterstal || Tranches met meer dan 180 dagen achterstal || || || 31.12.2011 || 14 087 || 10 179 || 10 146 31.12.2010 || 8 224 || 4 461 || 4 366 3.2.3. Kredietrisico met betrekking tot
geldmiddelen en kasequivalenten De
beschikbare middelen worden geïnvesteerd overeenkomstig het schema van de
faciliteit voor de contractuele uitbetaling van de verplichtingen. Vanaf
31.12.2011 waren er alleen investeringen in de vorm van bankrekeningen en
andere financiële instrumenten op korte termijn. Investeringen in obligaties op
middellange en lange termijn kwamen ook in aanmerking, overeenkomstig de
investeringsrichtsnoeren en afhankelijk van de liquiditeitsbehoeften. De
minimale kortetermijn rating voor goedgekeurde banken of emittenten is
A-1/P-1/F1 (Moody’s, S&P, Fitch). Bij verschillende ratings die door meer
dan een ratingbureau zijn verleend, geldt de laagste rating. De maximaal
toegestane limiet voor elke goedgekeurde bank of emittent bedraagt momenteel 50
000 000 EUR (vijftig miljoen EUR). De
deposito's worden geplaatst bij de goedgekeurde entiteiten met een maximale
looptijd van drie maanden vanaf de transactiedatum tot de limietdatum van de
kredietblootstelling. Per 31
december 2011 en 31 december 2010 hadden alle deposito's en het schuldpapier op
korte termijn van de faciliteit een minimale rating van P-2 overeenkomstig
Moody's. In de
onderstaande tabel is het saldo van de bankrekeningen inclusief opgelopen rente
opgenomen (x 1000 EUR): Minimun kortetermijnrating || Rating Moody's || 31.12.2011 || 31.12.2010 P-1 || A1 || 117 603 || 26% || 138 724 || 36% P-1 || A2 || 179 938 || 40% || 18 822 || 5% P-1 || Aa2 || 28 622 || 6% || 118 562 || 31% P-1 || Aa3 || 105 547 || 24% || 110 527 || 29% P-2 || A3 || 17 441 || 4% || - || - TOTAAL || || 449 151 || 100% || 386 635 || 100% In de
onderstaande tabel is de stand van zaken opgenomen voor het schuldpapier op
korte termijn (x 1000 EUR): Minimun kortetermijnrating || Rating Moody's || 31.12.2011 || 31.12.2010 P-1 || A1 || - || - || 21 473 || 100% TOTAAL || || - || - || 21 473 || 100% 3.2.4. Kredietrisico met betrekking tot derivaten 3.2.5.1 Beleid op het vlak van kredietrisico
van derivaten Het
kredietrisico met betrekking tot derivaten is het verlies dat een bepaalde
partij kan oplopen wanneer de tegenpartij bij de transactie niet in staat zou
zijn zijn contractuele verplichtingen na te komen. Het kredietrisico bij derivaten
hangt af van een aantal factoren (zoals rentevoeten en wisselkoersen) en stemt
doorgaans overeen met een klein onderdeel van hun referentiewaarde. De
faciliteit mag in de uitoefening van haar normale activiteiten
swapovereenkomsten sluiten ter afdekking van specifieke kredietverrichtingen of
currency forward contracten sluiten ter afdekking van haar valutaposities, die
in andere actief verhandelde valuta dan de euro luiden. Alle swaps worden
uitgevoerd door de Europese Investeringsbank met een externe tegenpartij. De
swaps vallen onder dezelfde Master Swap overeenkomsten en Credit Support
bijlagen die tussen de Europese Investeringsbank en haar externe tegenpartijen
zijn afgesloten. 3.2.5.2 Meting van de kredietrisico's
voor derivaten Alle
door de Europese Investeringsbank uitgevoerde swaps die betrekking hebben op de
faciliteit, worden behandeld binnen hetzelfde contractuele kader en volgens
dezelfde methodiek die gelden voor de derivaten die door de Europese
Investeringsbank voor eigen doeleinden zijn ingezet. Met name de geschiktheid
van de tegenpartijen bij de swapovereenkomst wordt bepaald door de Europese
Investeringsbank op basis van dezelfde geschiktheidsvoorwaarden die gelden voor
de algemene swapdoeleinden. Voor het
meten van de blootstelling aan kredietrisico met betrekking tot transacties met
swaps en derivaten maakt de Europese Investeringsbank gebruik van de Net
Market Exposure (NME) en Potential Future Exposure (PFE) benadering
voor verslaglegging en toezicht op de limieten. De derivaten van de faciliteit
zijn volledig opgenomen in de NME en PFE. In de
onderstaande tabel zijn de looptijden van de swapcontracten opgenomen (met cross
currency swaps, cross currency interest rate swaps, maar zonder short-term
currency swaps), opgesplitst voor hun referentiewaarde en reële waarde: Swapcontracten per 31.12.2011 || minder dan || 1 || 5 || meer dan || Totaal 2011 (x 1 000 EUR) || 1 jaar || tot 5 jaar || tot 10 jaar || 10 jaar || || || || || || Referentiebedrag || 7 042 || 43 593 || 16 899 || - || 67 534 Reële waarde (d.i. netto contante waarde) || -674 || -1 331 || -3 869 || - || -5 874 Swapcontracten per 31.12.2010 || minder dan || 1 || 5 || meer dan || Totaal 2010 (x 1000 EUR) || 1 jaar || tot 5 jaar || tot 10 jaar || 10 jaar || || || || || || Referentiebedrag || 431 || 37 822 || 65 514 || 1 440 || 105 207 Reële waarde (d.i. netto contante waarde) || - 6 || -728 || - 3 787 || - 213 || - 4 734 De
faciliteit sluit currency swap contracten op korte termijn af om het
valuatarisico af te dekken op uitkeringen van leningen in andere valuta dan de
EUR. Currency swap contracten op korte termijn hebben een looptijd van maximum
drie maanden en worden regelmatig verlengd. Het
referentiebedrag van currency swap contracten op korte termijn bedroeg 585
miljoen EUR op 31 december 2011 ten opzichte van 458 miljoen EUR op 31 december
2010. De reële waarde van currency swap contracten op korte termijn bedroeg
-6,4 miljoen EUR op 31 december 2011 ten opzichte van O EUR op 31 december
2010. 3.3 Liquiditeitsrisico Liquiditeitsrisico
is het risico dat een entiteit het moeilijk zal hebben om verplichtingen die
verband houden met de afwikkeling van financiële verplichtingen door middel van
de levering van geldmiddelen of een ander financieel actief na te komen. De
faciliteit wordt in eerste instantie gefinancierd met jaarlijkse bijdragen van
de lidstaten (middelen 9e en 10e EOF) en in tweede instantie met
terugbetalingen afkomstig van door de faciliteit uitgevoerde verrichtingen.
Rekening houdend met de verwachtingen van de EIB betreffende het beheer en de
verrichtingen van de faciliteit, stelt de Commissie jaarlijks de staat vast van
de vastleggingen, de betalingen en het jaarlijkse bedrag van de afroepen van de
bijdragen (met inbegrip van de rentesubsidies) voor het lopende en de volgende
begrotingsjaren, en zij stelt de Raad hiervan vóór 15 oktober in kennis. Om de
jaarlijkse bijdragen van de lidstaten te berekenen, wordt het uitkeringspatroon
van de bestaande en geplande portefeuille onderzocht en tijdens het jaar
opgevolgd. Speciale gebeurtenissen, zoals vroegtijdige terugbetalingen, verkoop
van aandelen of wanbetalingen worden in aanmerking genomen met het oog op een
aanpassing van de jaarlijkse liquiditeitsvereisten. Om het liquiditeitsrisico
verder te beperken, beschikt de faciliteit over een liquiditeitsreserve die
voldoende is om steeds de tijdig voorspelde uitbetalingen (op gezette tijden
bekendgemaakt door OPS) te dekken. Het
schatkistpapier op de in naam van de faciliteit geopende rekeningen wordt
beheerd door de afdeling thesaurie van de bank, overeenkomstig het beginsel van
scheiding van taken tussen front en back office. Afwikkelingstransacties die
betrekking hebben op de investering van deze activa, vallen onder de
verantwoordelijkhied van de afdeling planning en afwikkeling van transacties. Wanneer
de managers van de front en back offices dit in het kader van het dagelijks
beheer van hun schatkistpapier voor operationele redenen noodzakelijk achten,
kan het operationeel comité Liquiditeit en kasstromen (LICOCOM - Liquidity
and Cash flows Operational Committee) van de EIB, een orgaan waarin de
beheerseenheden Financiën, Leninen en Risico wekelijks vergaderen, met name een
beslissing nemen over problemen die aan de orde zijn gekomen en de passende
oplossingen. Operationele vereisten die buiten het kader van het dagelijks
beheer van de activa vallen en de genomen geschikte oplossingen, zullen in
beginsel ter goedkeuring aan de Europese Commissie worden voorgelegd. Daarnaast
vallen volgens het beginsel van scheiding van taken de goedkeuring van
tegenprestaties en de limieten voor investeringen in schatkistpapier, alsook het
toezicht op deze limieten, onder de verantwoordelijkheid van de directoraat
Risicobeheer van de bank. In de
onderstaande tabel worden de activa en passiva van de faciliteit per looptijd
ingedeeld op grond van de resterende looptijd tot de contractuele vervaldag (×
1000 EUR): Per 31 december 2011 || Tot drie maanden || 3 tot 12 maanden || 1 t/m 5 jaar || Langer dan vijf jaar || Niet-gedefinieerd || Totaal ACTIVA || || || || || || Geldmiddelen en kasequivalenten || 452 279 || - || - || - || - || 452 279 Afgeleide financiële instrumenten || - || 15 || 419 || - || - || 434 Leningen en vorderingen || 62 505 || 14 649 || 118 795 || 837 211 || - || 1 033 160 Voor verkoop beschikbare financiële activa || - || - || - || 236 446 || 15 214 || 251 660 Door contribuanten te storten bedragen || 87 310 || - || - || - || - || 87 310 Overige activa || 122 || - || - || 294 || - || 416 Totaal activa || 602 216 || 14 664 || 119 214 || 1 073 951 || 15 214 || 1 825 259 PASSIVA EN MIDDELEN VAN CONTRIBUANTEN || || || || || || Passiva || || || || || || Afgeleide financiële instrumenten || 6 469 || 615 || 1 749 || 3 869 || - || 12 702 Uitgestelde baten || 505 || - || - || 32 498 || - || 33 003 Aan derden verschuldigde bedragen || 329 660 || - || - || - || - || 329 660 Overige passiva || 178 || - || - || 935 || - || 1 113 Totaal passiva || 336 812 || 615 || 1 749 || 37 302 || - || 376 478 Middelen contribuanten || || || || || || Afgeroepen faciliteitsbijdrage lidstaten || - || - || - || - || 1 281 309 || 1 281 309 Reëlewaardereserve || - || - || - || 31 873 || 9 877 || 41 750 Ingehouden winst || - || - || - || - || 125 722 || 125 722 Totaal middelen contribuanten || - || - || - || 31 873 || 1 416 908 || 1 448 781 Totaal passiva en middelen contribuanten || 336 812 || 615 || 1 749 || 69 175 || 1 416 908 || 1 825 259 || || || || || || Per 31 december 2010 || Tot drie maanden || 3 tot 12 maanden || 1 t/m 5 jaar || Langer dan vijf jaar || Niet-gedefinieerd || Totaal ACTIVA || || || || || || Geldmiddelen en kasequivalenten || 411 587 || - || - || - || - || 411 587 Afgeleide financiële instrumenten || - || 3 || 572 || 801 || - || 1 376 Leningen en vorderingen || 7 431 || 7 146 || 131 222 || 698 629 || - || 844 428 Voor verkoop beschikbare financiële activa || - || - || - || 171 637 || 23 191 || 194 828 Door contribuanten te storten bedragen || 100 000 || - || - || - || - || 100 000 Overige activa || 2 822 || - || - || - || 350 || 3 172 Totaal activa || 521 840 || 7 149 || 131 794 || 871 067 || 23 541 || 1 555 391 PASSIVA EN MIDDELEN VAN CONTRIBUANTEN || || || || || || Passiva || || || || || || Afgeleide financiële instrumenten || - || 10 || 1 300 || 4 800 || - || 6 110 Uitgestelde baten || - || - || - || 92 || 29 487 || 29 579 Aan derde partijen verschuldigde bedragen || 298 415 || - || - || - || - || 298 415 Overige passiva || 169 || 419 || - || 352 || - || 940 Totaal passiva || 298 584 || 429 || 1 300 || 5 244 || 29 487 || 335 044 Middelen contribuanten || || || || || || Afgeroepen faciliteitsbijdrage lidstaten || - || - || - || - || 1 131 309 || 1 131 309 Reëlewaardereserve || - || - || - || 10 113 || 14 457 || 24 570 Ingehouden winst || - || - || - || - || 64 468 || 64 468 Totaal middelen contribuanten || - || - || - || 10 113 || 1 210 234 || 1 220 347 Totaal passiva en middelen contribuanten || 298 584 || 429 || 1 300 || 15 357 || 1 239 721 || 1 555 391 3.4 Marktrisico Het
marktrisico is het risico dat wijzigingen in marktprijzen, zoals rentevoeten,
aandelenkoersen, wisselkoersen en creditspreads (die geen verband houden met
wijzigingen in de kredietwaardigheid van de emittent) de ontvangsten van de
entiteit of de waarde van haar deelnemingen in financiële instrumenten
beïnvloeden. 3.4.1.
Het renterisico Het renterisico is de volatiteit van de economische
waarde van of van de baten afkomstig van de posities van de faciliteit als
gevolg van ongunstige ontwikkelingen in de marktrendementen of de
rentetermijnstructuur. Blootstelling aan renterisico doet zich voor wanneer er
verschillen optreden in de renteherzieningen en looptijdkenmerken van de
verschillende activa en passiva. Het renterisico wordt niet door de faciliteit
beheerd. In de onderstaande tabel wordt het rentevoetrisico
weergegeven dat de faciliteit op grond van haar leningen en vorderingen loopt
(x 1000 EUR): || 31.12.2011 || 31.12.2010 Vaste rentevoet || 516 175 || 412 428 Variabele rentevoet || 516 985 || 432 000 Totaal || 1 033 160 || 844 428 3.4.2.
Valutarisico Het
valutarisico is de volatiteit van de economische waarde van of van de baten
afkomstig van de posities van de faciliteit als gevolg van ongunstige
ontwikkelingen van de wisselkoersen. De
faciliteit is blootgesteld aan een valutarisico wanneer er zich
valutamismatches voordoen tussen de activa en passiva. Onder het valutarisico
valt ook het effect van onverwachte en ongunstige wijzigingen in de waarde van
toekomstige kasstromen als gevolg van wisselkoersschommelingen. 3.4.2.1 Valutarisico en schatkistpapier Het schatkistpapier van de faciliteit luidt in EUR
of USD. Het valutarisico wordt gedekt door valutaspot of
termijntransacties, valutaswaps of cross-currency swaps. De afdeling thesaurie
van de bank kan, als zij dit nodig en passend acht, gebruik maken van een ander
instrument, overeenkomstig het beleid van de bank, dat bescherming biedt tegen
de marktrisico's met betrekking tot de financiële activiteiten van de
faciliteit. 3.4.2.2 Valutarisico en door de faciliteit
gefinancierde of gegarandeerde transacties. De bijdragen van de lidstaat aan de faciliteit
worden ontvangen in EUR. De door de faciliteit gefinancierde of gegarandeerde
transacties alsook de rentesubsidies kunnen in EUR, USD of elke andere
goedgekeurde valuta luiden. Een blootstelling aan valutarisico (ten opzichte van
de referentievaluatie EUR) doet zich voor wanneer transacties in andere valuta
dan de EUR niet afgedekt worden. De richtsnoeren voor de afdekking van de
wisselkoers van de faciliteit worden hierna toegelicht. 3.4.2.2.1. Afdekking van transacties in
andere valuta dan EUR of USD -
Leningen
van de faciliteit die worden uitgekeerd in andere valuatie dan EUR of USD
worden afgedekt met cross-currency swap contracten met hetzelfde financiële
profiel als de onderliggende lening, op voorwaarde dat er een operationele
swapmarkt is. -
Voor
uitkeringen in het kader van transacties van de faciliteit in een andere valuta
dan EUR en USD waarbij niet is voorzien in een afdekking op lange termijn,
voert de afdeling thesaurie twee werkdagen voorafgaand aan de uitkering een
valutietransatie uit. De wissekoers die geldt voor de transacties van de
faciliteit stemt overeen met de wisselkoers op de markt waartegen de afdeling
thesaurie de transactie heeft uitgevoerd. Dit geldt ook voor terugbetalingen in
andere valuta dan de EUR en USD, waarbij de afdeling thesaurie in voorkomend
geval een wisselkoerstransactie uitvoert om de ontvangen valuta om te wisselen. -
Voor
niet-afgeroepen waarborgen is er geen valutadekking. Afgeroepen waarborgen in
andere valuta dan EUR en USD worden afgedekt. -
Transacties
in andere valuta dan EUR en USD die door de afdeling thesaurie niet kunnen
worden afgedekt met een valutadekking, blijven ongedekt. Dit geldt ook voor
(synthetische) transacties in een lokale valuta die in EUR of USD worden
afgewikkeld. De faciliteit blijft blootgesteld aan het valutarisico die hierbij
wordt gelopen. 3.4.2.2.2. Afdekking
van verrichtingen in USD -
Het
totale uitstaande bedrag van alle transacties van de faciliteit (met
uitzondering van niet-afgeroepen waarborgen) in USD wordt afgeschermd door
middel van USD/EUR valutaswaps, die periodiek worden verlengd. Bij de aanvang
van elke periode worden de tijdens de volgende periode in USD te ontvangen of
betalen kasstromen geraamd op basis van de geplande of verwachte
terugbetalingen/uitkeringen. Vervolgens worden de verlopen valutaswaps
verlengd, waarbij hun bedrag wordt aangepast om ten minste de voor de volgende
periode geraamde liquiditeitsbehoeften in USD te dekken. -
In de
boekhouding komt een periodieke berekening van de totale blootstelling aan USD
tot stand om in voorkomend geval de afdekking op de volgende
valutaswapverlenging aan te passen. -
Indien
de dienst thesaurie dit uit operationeel oogpunt passend vindt, kunnen ook
cross-currency swaps worden gebruikt om specifieke leningen in USD af te
dekken. -
Binnen
een doorrolperiode kunnen onverwachte tekorten aan liquiditeiten in USD worden
gedekt door ad-hocvalutaswaptransacties, terwijl liquiditeitsoverschotten in
schatkistpapier geïnvesteerd kunnen worden of in EUR kunnen worden omgezet. -
Te
allen tijde mag het totale uitstaande niet-afgedekte bedrag van USD transacties
(in nominale termen) nooit hoger zijn dan 5 000 000 USD (vijf
miljoen USD). Deze limiet wordt jaarlijks aangepast. Bij overschrijding van
deze limiet brengt de afdeling thesaurie de blootstelling terug binnen de
limiet door middel van een valutatransactie. In de onderstaande
tabellen wordt de deviezenpositie van de facilteit toegelicht (x 1 000
EUR): Per 31 december 2011 || EUR || USD || CAD || ACS/LGO valuta || Totaal || || || || || ACTIVA || || || || || Geldmiddelen en kasequivalenten || 416 384 || 35 895 || - || - || 452 279 Afgeleide financiële instrumenten || 13 419 || -12 985 || - || - || 434 Leningen en vorderingen || 477 340 || 501 923 || - || 53 897 || 1 033 160 Voor verkoop beschikbare financiële activa || 54 287 || 186 525 || 4 303 || 6 545 || 251 660 Door contribuanten te storten bedragen || 87 310 || - || - || - || 87 310 Overige activa || 50 || - || - || 366 || 416 Totaal activa || 1 048 790 || 711 358 || 4 303 || 60 808 || 1 825 259 || || || || || PASSIVA EN MIDDELEN VAN CONTRIBUANTEN || || || || || Passiva || || || || || Afgeleide financiële instrumenten || - 641 758 || 654 460 || - || - || 12 702 Uitgestelde baten || 32 689 || 314 || - || - || 33 003 Aan derde partijen verschuldigde bedragen || 329 598 || 62 || - || - || 329 660 Overige passiva || 691 || 19 || - || 403 || 1 113 Totaal passiva || -278 780 || 654 855 || - || 403 || 376 478 Middelen contribuanten || || || || || Afgeroepen faciliteitsbijdrage lidstaten || 1 281 309 || - || - || - || 1 281 309 Reëlewaardereserve || 41 750 || - || - || - || 41 750 Ingehouden winst || 125 722 || - || - || - || 125 722 Totaal middelen contribuanten || 1 448 781 || - || - || - || 1 448 781 Totaal passiva en middelen contribuanten || 1 170 001 || 654 855 || - || 403 || 1 825 259 Valutapositie per 31 december 2011 || -121 211 || 56 503 || 4 303 || 60 405 || - || || || || || Per 31 december 2011: || || || || || VASTLEGGINGEN || || || || || Niet-uitgekeerde leningen en voor verkoop beschikbare financiële activa || 761 319 || 204 340 || - || - || 965 659 Aangesproken garanties || - || - || - || 7 909 || 7 909 || || || || || VOORWAARDELIJKE PASSIVA || || || || || Niet-aangesproken garanties || - || - || - || 20 000 || 20 000 Per 31 december 2010 || EUR || USD || CAD || ACS/LGO valuta || Totaal || || || || || ACTIVA || || || || || Geldmiddelen en kasequivalenten || 378 570 || 33 017 || - || - || 411 587 Afgeleide financiële instrumenten || 332 399 || - 331 023 || - || - || 1 376 Leningen en vorderingen || 385 187 || 403 417 || - || 55 824 || 844 428 Voor verkoop beschikbare financiële activa || 40 184 || 137 505 || 12 444 || 4 695 || 194 828 Door contribuanten te storten bedragen || 100 000 || - || - || - || 100 000 Overige activa || 2 742 || - || - || 430 || 3 172 Totaal activa || 1 239 082 || 242 916 || 12 444 || 60 949 || 1 555 391 || || || || || PASSIVA EN MIDDELEN VAN CONTRIBUANTEN || || || || || Passiva || || || || || Afgeleide financiële instrumenten || - 69 815 || 75 925 || - || - || 6 110 Uitgestelde baten || 29 235 || 344 || - || - || 29 579 Aan derde partijen verschuldigde bedragen || 298 415 || - || - || - || 298 415 Overige passiva || 577 || 1 || - || 362 || 940 Totaal passiva || 258 412 || 76 270 || - || 362 || 335 044 Middelen contribuanten || || || || || Afgeroepen faciliteitsbijdrage lidstaten || 1 131 309 || - || - || - || 1 131 309 Reëlewaardereserve || 24 570 || - || - || - || 24 570 Ingehouden winst || 64 468 || - || - || - || 64 468 Totaal middelen contribuanten || 1 220 347 || - || - || - || 1 220 347 Totaal passiva en middelen contribuanten || 1 478 759 || 76 270 || - || 362 || 1 555 391 Valutapositie per 31 december 2010 || - 239 677 || 166 646 || 12 444 || 60 587 || - || || || || || Per 31 december 2010: || || || || || VASTLEGGINGEN || || || || || Niet-uitgekeerde leningen en voor verkoop beschikbare financiële activa || 858 279 || 236 035 || - || - || 1 094 314 Aangesproken garanties || - || - || - || 9 484 || 9 484 || || || || || VOORWAARDELIJKE PASSIVA || || || || || Niet-aangesproken garanties || 45 000 || - || - || - || 45 000 3.4.3.
Aandelenkoersrisico Het aandelenkoersrisico is het risico dat de reële
waarde van aandelen daalt als gevolg van de wijzigingen in het niveau van de
aandelenindexen en de waarde van de individuele aandeleninvesteringen. De faciliteit is blootgesteld aan het aandelenkoersrisico
via zijn investeringen in risicokapitaal, d.i. directe beleggingen in aandelen
en risicokapitaalfondsen. Aan investeringen in aandelen worden scores
toegekend. Elke investering wordt beoordeeld volgens verschillende criteria die
ondergebracht zijn in drie hoofdcategorieën: beheer, bedrijfsplan en structuur.
De afzonderlijkse scores worden vervolgens geconsolideerd in een totaalscore
die aan de investering wordt toegekend en die de totale sterkte van de
investering weerspiegelt. Blootstelling aan aandelenrisico is ook aan
beperkingen onderworpen, die zowel op het individuele als het gecumuleerde
niveau zijn vastgesteld. De omvang van deze beperkingen hangt af van de
kwaliteit van de aandeleninvesteringen. 4
Reële waarde van activa
en passiva In de onderstaande tabel
wordt een vergelijking gemaakt per catergorie van de boekwaarden en reële
waarden van de activa en passiva van de faciliteit die in de jaarrekening (x 1
000 EUR) zijn opgenomen: || Boekwaarde 31.12.2011 || Reële waarde 31.12.2011 || Boekwaarde 31.12.2010 || Reële waarde 31.12.2010 Activa geboekt tegen reële waarde || || || || Voor verkoop beschikbare financiële activa || 251 660 || 251 660 || 194 828 || 194 828 Afgeleide financiële instrumenten || 434 || 434 || 1 376 || 1 376 Totaal || 252 094 || 252 094 || 196 204 || 196 204 || || || || Activa gewaardeerd tegen geamortiseerde kostprijs || || || || Geldmiddelen en kasequivalenten || 452 279 || 452 279 || 411 587 || 411 587 Leningen en vorderingen || 1 033 160 || 1 022 679 || 844 428 || 844 428 Door contribuanten te storten bedragen || 87 310 || 87 310 || 100 000 || 100 000 Overige activa || 416 || 416 || 3 172 || 3 172 Totaal || 1 573 165 || 1 562 684 || 1 359 187 || 1 359 187 || || || || Totaal activa || 1 825 259 || 1 814 778 || 1 555 391 || 1 555 391 || || || || Passiva geboekt tegen reële waarde || || || || Afgeleide financiële instrumenten || 12 702 || 12 702 || 6 110 || 6 110 Totaal || 12 702 || 12 702 || 6 110 || 6 110 || || || || Passiva gewaardeerd tegen geamortiseerde kostprijs || || || || Uitgestelde baten || 33 003 || 33 003 || 29 579 || 29 579 Aan derde partijen verschuldigde bedragen || 329 660 || 329 660 || 298 415 || 298 415 Overige passiva || 1 113 || 1 113 || 940 || 940 Totaal || 363 776 || 363 776 || 328 934 || 328 934 || || || || Totaal passiva || 376 478 || 376 478 || 335 044 || 335 044 Hierna worden de
methodieken en veronderstellingen toegelicht die worden gebruikt voor het
bepalen van de reële waarde van activa en passiva: §
Activa waarvan de reële
waarde de boekwaarde benadert Voor liquide of
kortlopende (looptijd minder dan drie maanden) activa en passiva wordt
verondersteld dat de boekwaarde de reële waarde benadert. §
Tegen hun reële waarde
geboekte activa en passiva Gepubliceerde
prijsnoteringen op een actieve markt zijn de eerste bron om de reële waarde van
een financieel instrument te bepalen. Wegens de reikwijdte van de
investeringsportefeuille van de faciliteit zijn deze noteringen zelden
beschikbaar. Voor instrumenten zonder beschikbare marktwaarde worden de reële
waarden geraamd met behulp van waarderingstechnieken of modellen die zoveel
mogelijk zijn gebaseerd op beschikbare waarneembare marktgegevens op de
balansdatum. In de onderstaande tabellen zijn financiële activa opgenomen
waarvan de reële waarde met een waarderingsmethode is vastgesteld. De
verschillende niveaus zijn als volgt vastgesteld: -
Niveau
1: genoteerde prijzen (niet-aangepast) op actieve markten; -
Niveau
2: andere inputs dan de in niveau 1 ondergebrachte genoteerde prijzen
die voor het actief waarneembaar zijn, hetzij direct (d.w.z. als prijzen)
hetzij indirect (d.w.z. afgeleid van prijzen); -
Niveau
3: inputs voor de activa die niet gebaseerd zijn op waarneembare
marktgegevens (niet-waarneembare inputs). Per 31 december 2011 || Niveau 1 || Niveau 2 || Niveau 3 || Totaal (x 1 000 EUR) || || || || || || || || Financiële activa || || || || Afgeleide financiële instrumenten || - || 434 || - || 434 Voor verkoop beschikbare financiële activa || 15 214 || - || 236 446 || 251 660 TOTAAL || 15 214 || 434 || 236 446 || 252 094 || || || || Financiële verplichtingen || || || || Afgeleide financiële instrumenten || - || 12 702 || - || 12 702 TOTAAL || - || 12 702 || - || 12 702 Per 31 december 2010 || Niveau 1 || Niveau 2 || Niveau 3 || Totaal (x 1 000 EUR) || || || || || || || || Financiële activa || || || || Afgeleide financiële instrumenten || - || 1 376 || - || 1 376 Voor verkoop beschikbare financiële activa || 23 190 || - || 171 638 || 194 828 TOTAAL || 23 190 || 1 376 || 171 638 || 196 204 || || || || Financiële verplichtingen || || || || Afgeleide financiële instrumenten || - || 6 110 || - || 6 110 TOTAAL || - || 6 110 || - || 6 110 In
2011 vonden er binnen de faciliteit geen overdrachten plaats van het niveau 1
naar 2 of van het niveau 2 naar 1 van de reëlewaardehiërarchie. In
de onderstaande tabellen zijn de wijzigingen opgenomen bij de instrumenten in
niveau 3 voor de op 31 december 2011 en 31 december 2010 afgesloten jaren: (x 1 000 EUR) || Voor verkoop beschikbare financiële activa Saldo op 1 januari 2011 || 171 638 Totaal winsten of verliezen || - in winst of verlies || -3 206 - niet in winst of verlies opgenomen resultaten || 21 759 Uitgekeerde bedragen || 67 829 Terugbetalingen || -21 574 Saldo op 31 december 2011 || 236 446 (x 1 000 EUR) || Voor verkoop beschikbare financiële activa Saldo op 1 januari 2010 || 151 049 Totaal winsten of verliezen || - in winst of verlies || -3 176 - niet in winst of verlies opgenomen resultaten || -4 773 Uitgekeerde bedragen || 50 952 Terugbetalingen || -22 414 Saldo op 31 december 2010 || 171 638 5
Geldmiddelen en
kasequivalenten (x 1 000 EUR) De geldmiddelen en kasequivalenten kunnen worden
opgesplitst tussen middelen ontvangen van lidstaten die nog niet uitgekeerd
zijn en middelen die zijn verkregen uit de bedrijfseconomische en financiële
activiteiten van de faciliteit. || 31.12.2011 || 31.12.2010 || || Ontvangen maar nog niet uitgekeerde bijdragen van lidstaten || 195 205 || 33 128 Middelen uit de financiële en bedrijfseconomische activiteiten || 257 074 || 378 459 || || Geldmiddelen en kasequivalenten || 452 279 || 411 587 6
Afgeleide financiële
instrumenten (x 1 000 EUR) Hierna volgt een overzicht van de voornaamste
onderdelen van de afgeleide financiële instrumenten: Per 31 december 2011 || Reële waarde || Referentiebedrag Activa || Passiva Cross-currency swaps || 434 || -953 || 29 376 Cross-currency renteswaps || - || -5 355 || 38 158 Currencyswaps op korte termijn || - || -6 394 || 585 000 || || || Afgeleide financiële instrumenten || 434 || -12 702 || Per 31 december 2010 || Reële waarde || Referentiebedrag Activa || Passiva Cross-currency swaps || 1 235 || -945 || 47 526 Cross-currency renteswaps || 141 || -5 165 || 57 681 Currencyswaps op korte termijn || - || - || 458 000 || || || Afgeleide financiële instrumenten || 1 376 || -6 110 || 7
Leningen en vorderingen
(x 1 000 EUR) Hierna volgt een overzicht van de belangrijkste
onderdelen van leningen en vorderingen: || Globale leningen (*) || Niet-achtergestelde leningen || Achtergestelde leningen || Totaal Totaal per 1 januari 2011 || 246 500 || 542 322 || 123 910 || 912 732 Uitgekeerde bedragen || 25 689 || 211 351 || - || 237 040 Afschrijvingen || - || - || -2 000 || -2 000 Terugbetalingen || -48 554 || -51 712 || -4 144 || -104 410 Gekapitaliseerde rente || - || 459 || 10 053 || 10 512 Verschillen wisselkoersen || 1 730 || 13 930 || 860 || 16 520 Totaal per 31 december 2011 || 225 365 || 716 350 || 128 679 || 1 070 394 || || || || Waardevermindering per 1 januari 2011 || -15 006 || -18 056 || -44 023 || -77 085 Waardevermindering geboekt in overzicht van van gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten || -1 746 || -1 514 || -773 || -4 033 Afschrijvingen || - || - || 2 000 || 2 000 Terugboeking van waardeverminderingsverliezen || 9 499 || 3 263 || 18 723 || 31 485 Verschillen wisselkoersen || -356 || -65 || -762 || -1 183 Waardevermindering per 31 december 2011 || -7 609 || -16 372 || -24 835 || -48 816 || || || || Geamortiseerde kosten || -1 700 || -3 428 || -99 || -5 227 Lopende rente || 3 498 || 9 499 || 3 812 || 16 809 || || || || Leningen en vorderingen per 31 december 2011 || 219 554 || 706 049 || 107 557 || 1 033 160 (*) inclusief agentuurovereenkomsten || Globale leningen (*) || Niet-achtergestelde leningen || Achtergestelde leningen || Totaal Totaal per 1 januari 2010 || 230 989 || 406 799 || 145 482 || 783 270 Uitgekeerde bedragen || 39 596 || 165 781 || 1 575 || 206 952 Terugbetalingen || -33 573 || -46 053 || -40 098 || -119 724 Gekapitaliseerde rente || - || - || 13 239 || 13 239 Verschillen wisselkoersen || 9 488 || 15 795 || 3 712 || 28 995 Totaal per 31 december 2010 || 246 500 || 542 322 || 123 910 || 912 732 || || || || Waardevermindering per 1 januari 2010 || -8 371 || -30 217 || -59 556 || -98 144 Waardevermindering geboekt in overzicht van van gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten || -6 522 || - || -582 || -7 104 Terugboeking van waardeverminderingsverliezen || 266 || 13 843 || 18 423 || 32 532 Verschillen wisselkoersen || -379 || -1 682 || -2 308 || -4 369 Waardevermindering per 31 december 2010 || -15 006 || -18 056 || -44 023 || -77 085 || || || || Geamortiseerde kosten || -1 727 || -2 047 || - 118 || -3 892 Lopende rente || 3 670 || 6 226 || 2 777 || 12 673 Leningen en vorderingen per 31 december 2010 || 233 437 || 528 445 || 82 546 || 844 428 (*) inclusief
agentuurovereenkomsten 8
Voor verkoop
beschikbare financiële activa (X 1000 EUR) Hierna volgt een overzicht van de voornaamste
onderdelen van de voor verkoop beschikbare activa: || Risicokapitaalfonds || Directe aandeleninvesteringen || Totaal Kosten per 1 januari 2011 || 142 932 || 33 350 || 176 282 Uitgekeerde bedragen || 59 579 || 8 250 || 67 829 Terugbetalingen / verkoop || -20 236 || -4 735 || -24 971 Wisselkoerswijzigingen bij terugbetalingen/verkoop || 417 || -300 || 117 Kosten per 31 december 2011 || 182 692 || 36 565 || 219 257 || || || Niet-gerealiseerde winsten of verliezen per 1 januari 2011 || 11 335 || 13 235 || 24 570 Nettowijziging niet-gerealiseerde winsten en verliezen || 18 446 || -1 266 || 17 180 Niet-gerealiseerde winsten of verliezen per 31 december 2011 || 29 781 || 11 969 || 41 750 || || || Waardevermindering per 1 januari 2011 || -2 || -6 022 || -6 024 Waardevermindering geboekt in overzicht van gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten in de loop van het jaar || - 6 888 || - || -6 888 Gebruik van waardevermindering in het overzicht van gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten tijdens vorige jaren || 2 || 3 714 || 3 716 Wisselkoersverschillen bij waardevermindering || 1 || -152 || -151 Waardevermindering per 31 december 2011 || -6 887 || -2 460 || -9 347 || || || Voor verkoop beschikbare financiële activa per 31 december 2011 || 205 586 || 46 074 || 251 660 || Risicokapitaalfonds || Directe aandeleninvesteringen || Totaal Kosten per 1 januari 2010 || 116 652 || 30 462 || 147 114 Uitgekeerde bedragen || 48 040 || 2 912 || 50 952 Terugbetalingen / verkoop || -22 414 || - || -22 414 Wisselkoerswijzigingen bij terugbetalingen/verkoop || 654 || -24 || 630 Kosten per 31 december 2010 || 142 932 || 33 350 || 176 282 || || || Niet-gerealiseerde winsten of verliezen per 1 januari 2010 || 18 138 || 1 572 || 19 710 Nettowijziging niet-gerealiseerde winsten en verliezen || -6 803 || 11 663 || 4 860 Niet-gerealiseerde winsten of verliezen per 31 december 2010 || 11 335 || 13 235 || 24 570 || || || Waardevermindering per 1 januari 2010 || -2 || -2 308 || -2 310 Waardevermindering geboekt in overzicht van gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten in de loop van het jaar || - || -3 714 || -3 714 Waardevermindering per 31 december 2010 || -2 || -6 022 || -6 024 || || || Voor verkoop beschikbare financiële activa per 31 december 2010 || 154 265 || 40 563 || 194 828 9
Door contribuanten te
storten bijdragen (x 1 000 EUR) Hierna volgt een overzicht van de belangrijkste
onderdelen van de door contribuanten te storten bedragen: || 31.12.2011 || 31.12.2010 || || Afgeroepen maar niet vrijgegeven bijdrage van de lidstaten || 87 310 || 100 000 || || Totaal van contribuanten te ontvangen bedragen || 87 310 || 100 000 10 Overige activa (x
1 000 EUR) Hierna volgt een overzicht van de belangrijkste
onderdelen van de overige activa: || 31.12.2011 || 31.12.2010 || || Door de EIB te betalen bedragen || 59 || 2 743 Financiële waarborgen || 357 || 429 || || Totaal overige activa || 416 || 3 172 11 Uitgestelde baten (x 1 000 EUR) Hierna volgt een overzicht van de voornaamste
onderdelen van uitgestelde baten: || 31.12.2011 || 31.12.2010 || || Uitgestelde rentesubsidies || 32 744 || 29 073 Uitgestelde commissies op leningen en vorderingen || 259 || 506 || || Totaal uitgestelde baten || 33 003 || 29 579 12 Aan derden verschuldigde bedragen (x
1 000 EUR) Hierna volgt een overzicht van de belangrijkste
onderdelen van de aan derde partijen verschuldigde bedragen: || 31.12.2011 || 31.12.2010 || || Netto algemene administratiekosten aan EIB te betalen || 38 011 || 34 086 Andere aan EIB te betalen bedragen || 219 || - Not niet uitgekeerde rentesubsidies die aan lidstaten zijn verschuldigd || 291 430 || 264 329 || || Totaal aan derde partijen verschuldigde bedragen || 329 660 || 298 415 13 Overige verplichtingen (x
1 000 EUR) De voornaamste onderdelen van overige passiva zijn
als volgt: || 31.12.2011 || 31.12.2010 || || Financiële waarborgen || 294 || 351 Overige || 819 || 589 || || Totaal bedrag van overige passiva || 1 113 || 940 14 Afgeroepen faciliteitsbijdrage lidstaten (x
1 000 EUR) Lidstaten || Bijdrage aan de faciliteit || Bijdrage rentesubsidies || Totaal bijgedragen || Afgeroepen en niet betaald (*) Oostenrijk || 33 955 || 10 168 || 44 123 || 2 650 België || 50 227 || 15 041 || 65 268 || 3 920 Denemarken || 27 420 || 8 211 || 35 631 || 2 140 Finland || 18 963 || 5 679 || 24 642 || 1 480 Frankrijk || 311 358 || 93 237 || 404 595 || 24 300 Duitsland || 299 314 || 89 630 || 388 944 || 23 360 Griekenland || 16 016 || 4 796 || 20 812 || 1 250 Ierland || 7 944 || 2 379 || 10 323 || 620 Italië || 160 676 || 48 115 || 208 791 || 12 540 Luxemburg || 3 716 || 1 113 || 4 829 || 290 Nederland || 66 884 || 20 028 || 86 912 || 5 220 Portugal || 12 429 || 3 722 || 16 151 || 970 Spanje || 74 828 || 22 407 || 97 235 || 5 840 Zweden || 34 980 || 10 475 || 45 455 || 2 730 Verenigd Koninkrijk || 162 599 || 48 690 || 211 289 || - Totaal per 31 december 2011 || 1 281 309 || 383 691 || 1 665 000 || 87 310 Totaal per 31 december 2010 || 1 131 309 || 333 691 || 1 465 000 || 100 000 (*)
Op 18.11.2010 heeft de Raad het bedrag vastgesteld van de financiële bijdragen
die door elke lidstaat uiterlijk op 21.1.2012 dienen te worden betaald. 15 Voorwaardelijke verplichtingen en
vastleggingen (x 1 000 EUR) || 31.12.2011 || 31.12.2010 || || Vastleggingen || || Niet-uitgekeerde leningen || 701 092 || 808 865 Niet-uitgekeerde voor verkoop beschikbare financiële activa || 264 567 || 285 449 Aangesproken garanties || 7 909 || 9 484 || || Voorwaardelijke verplichtingen || || Niet-aangesproken garanties || 20 000 || 45 000 || || Totaal || 993 568 || 1 148 798 16 Nettorentebaten (x 1 000 EUR) De voornaamste onderdelen van rente en soortgelijke
baten zijn als volgt: || Van 1.1.2011 || Van 1.1.2010 || tot 31.12.2011 || tot 31.12.2010 || || Geldmiddelen en kasequivalenten || 5 518 || 1 878 Leningen en vorderingen || 50 800 || 50 299 Rentesubsidies || 3 243 || 2 424 || || Totale rente en soortgelijke baten || 59 561 || 54 601 De voornaamste onderdelen van rente en soortgelijke
uitgaven zijn als volgt: || Van 1.1.2011 || Van 1.1.2010 || tot 31.12.2011 || tot 31.12.2010 || || Afgeleide financiële instrumenten || -940 || -2 591 || || Totale rente en soortgelijke uitgaven || -940 || -2 591 17 Nettobaten van honoraria en provisies (x
1 000 EUR) De voornaamste onderdelen van honoraria en provisies
zijn als volgt: || Van 1.1.2011 || Van 1.1.2010 || tot 31.12.2011 || tot 31.12.2010 || || Honoraria en provisies op leningen en vorderingen || 1 894 || 11 510 Honoraria en provisies op financiële garanties || 255 || 265 || || Totaal baten uit honoraria en provisies || 2 149 || 11 775 De voornaamste onderdelen van honoraria en provisies
zijn als volgt: || Van 1.1.2011 || Van 1.1.2010 || tot 31.12.2011 || tot 31.12.2010 || || Provisies betaald aan derde partijen met betrekking tot voor verkoop beschikbare financiële activa || -144 || -372 || || Totaal uitgaven uit honoraria en provisies || -144 || -372 18 Nettoresultaten van financiële transacties
(x 1 000 EUR) De voornaamste onderdelen van het nettoresultaat
van financiële verrichtingen zijn als volgt: || Vanaf 01.01.2011 || Vanaf 01.01.2010 || tot 31.12.2011 || tot 31.12.2010 || || Wijziging in reële waarde van afgeleide financiële instrumenten || -7 534 || -12 082 Valutaverschil || 8 376 || -5 556 Baten uit dividenden en gerealiseerde winst van voor verkoop beschikbare financiële activa || 17 228 || 1 815 || || Nettoresultaten van financiële transacties || 18 070 || -15 823 19 Algemene administratiekosten (x
1 000 EUR) De algemene administratiekosten zijn de werkelijke
kosten die door de EIB worden gemaakt bij het beheer van de faciliteit minus de
baten uit standaard taxatievergoedingen die direct door de EIB aan de cliënten
van de faciliteit in rekening worden gebracht. || Vanaf 01.01.2011 || Vanaf 01.01.2010 || tot 31.12.2011 || tot 31.12.2010 || || De daadwerkelijke kosten die door de EIB zijn gemaakt || -39 937 || -36 028 Baten van taxatievergoedingen die rechtstreeks bij de cliënten van de faciliteit in rekening worden gebracht || 1 931 || 1 942 || || Netto algemene administratiekosten || -38 006 || -34 086 Na de inwerkingtreding van de herziene
partnerschapsovereenkomst van Cotonou op 1 juli 2008 worden de algemene
administratiekosten niet meer door de lidstaten gedekt. 20 Latere gebeurtenissen Er hebben zich na de balansdatum geen materiële
gebeurtenissen voorgedaan die aanleiding zouden geven tot bekendmaking of
wijziging van de financiële staten per 31 december 2011. BIJLAGE BIJ DEEL I -
HOOFDSTUK 2 (VERSLAG OVER DE TENUITVOERLEGGING VAN DE MIDDELEN): SITUATIE PER
LAND EN PER INSTRUMENT Toelichting
bij de tabellen: · In de tabellen betekent het
cijfer "0,00" dat het desbetreffende bedrag tussen – 4999 EUR en 4999
EUR ligt. Als geen cijfer is vermeld, is het desbetreffende bedrag gelijk aan
nul.
Landen met een nulsaldo in alle kolommen zijn niet in de tabellen opgenomen. · De rubriek "Alle
ACS/LGO landen" verwijst naar projecten die verschillende landen
bestrijken, doch niet uit hoofde van de regionale samenwerking worden
gefinancierd. · De rubriek "Adm.- en
financieringskosten" verwijst naar met EOF-rente gefinancierde projecten
of de toewijzing voor administratieve uitgaven. [1] PB L 247 van 9.9.2006, blz. 1. [2] Alle cijfers zijn afgerond tot miljoenen euro. Doordat de
cijfers zijn afgerond, kan het lijken alsof sommige financiële gegevens niet
correct zijn opgeteld. Bedragen die met 0 worden weergegeven, zijn bedragen van
minder dan 500 000 EUR. Bedragen die gelijk zijn aan nul worden met een
streepje (-) weergegeven. [3] In 2010 zijn de cofinancieringsbijdragen heringedeeld en
als aan de lidstaten te betalen bedragen geboekt. De cofinancieringsbijdragen
voldoen aan de criteria van inkomsten uit voorwaardelijke
niet-wisseltransacties en moeten als zodanig worden geboekt. Het heringedeelde
bedrag vertegenwoordigt de gecumuleerde cofinancieringsbijdragen van de jaren
2008 en 2009. [4] De nettoactiva van het 10e EOF zijn negatief omdat pas in
2011 voor de eerste keer bijdragen zijn afgeroepen. [5] In 2010 zijn de cofinancieringsbijdragen heringedeeld en
als aan de lidstaten te betalen bedragen geboekt. De cofinancieringsbijdragen
voldoen aan de criteria van inkomsten uit voorwaardelijke
niet-wisseltransacties en moeten als zodanig worden geboekt. Het heringedeelde
bedrag vertegenwoordigt de gecumuleerde cofinancieringsbijdragen van de jaren
2008 en 2009. [6] Overeenkomstig artikel 153 van het Financieel Reglement van
het 10e EOF is de kas opgenomen in de balans van het 10e EOF. De kenmerken van
de verschillende bankrekeningen worden toegelicht in hoofdstuk 6, Financieel
risicobeheer. [7] Dit saldo komt overeen met de voor de Democratische
Republiek Congo beschikbare middelen overeenkomstig de bepalingen van
Beschikking 2003/583/EG van de Raad. Deze middelen zijn bestemd voor een
specifiek doel en een welbepaalde begunstigde staat. [8] PB C 156 van 29.5.1998, blz. 3-106. [9] PB L 247 van 9.9.2006, blz. 1. [10] Besluit
2010/406/EU van de Raad van 12 juli 2010 inzake de toewijzing van
geannuleerde middelen voor projecten van het negende en eerdere Europese
Ontwikkelingsfondsen (EOF) ten behoeve van de meest kwetsbare bevolkingsgroepen
in Sudan. [11] Besluit 2011/315/EU van de Raad van 23 mei 2011. [12] PB L 247 van 9.9.2006, blz. 1. [13] Het negatieve saldo voor Sysmin wordt veroorzaakt door een
terugboeking van toegerekende uitgaven. [14] De
niet-toegewezen middelen van de eerdere EOF omvatten tevens de resterende
Sysmin-middelen die bij Besluit nr. 3/2000 van de ACS-EG-Raad van ministers op
410,926 miljoen EUR werden vastgesteld. Bij Besluit nr.
PE/410/2001 van de Commissie werden deze middelen opgenomen in de programmering
van de nationale indicatieve budgetten (deel B) uit hoofde van het financieel
protocol bij de ACS-EG-partnerschapsovereenkomst.