VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD Tweede verslag over het effect van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG op de conjunctuurcyclus /* COM/2012/0400 final */
INHOUDSOPGAVE 1........... Inleiding.......................................................................................................................... 3 2........... Cycliciteit van de wettelijke
kapitaalvereisten................................................................... 4 3........... Effect van de kapitaalvereisten op
de kapitaalpositie van banken...................................... 7 4........... Effect van de kapitaalpositie van
banken op de kredietverlening door banken................... 8 5........... Effect van de beschikbaarheid van
krediet op de conjunctuurcyclus.................................. 9 6........... Maatregelen om de procycliciteit
aan te pakken............................................................. 10 6.1........ Het ene "rule book"...................................................................................................... 10 6.2........ Anticyclische kapitaalbuffer........................................................................................... 10 6.3........ Hefboomratio............................................................................................................... 11 6.4........ Ratingbureaus............................................................................................................... 11 6.5........ Midden- en kleinbedrijf (mkb)...................................................................................... 12 7........... Conclusies.................................................................................................................... 13 8........... Referenties................................................................................................................... 15 VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES
PARLEMENT EN DE RAAD Tweede verslag over het effect van de
Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG op de conjunctuurcyclus 1. Inleiding 1. De minimumkapitaalvereisten
die krachtens de op het Bazel II-raamwerk gebaseerde Europese Richtlijn
Kapitaalvereisten (RKV)[1] aan banken worden opgelegd, zijn risicogevoelig. Aangezien zowel het
krediet- als het marktrisico in tijden van economische neergang toeneemt,
stijgen ook de minimumkapitaalvereisten voor banken om hen in staat te stellen
aan het grotere risico het hoofd te bieden. Wanneer het kapitaal van banken
door verliezen wordt ondermijnd, is het mogelijk dat zij, om aan deze hogere
vereisten te kunnen voldoen, hun kapitaal moeten verhogen op een moment dat
zulks moeilijk en duur is. Dit zou hun kredietverleningsvermogen kunnen
beperken en zo de neergang kunnen versterken. Op dezelfde manier kan de
schijnbare vermindering van het risico in tijden van economische opleving,
wanneer de prijzen gestaag stijgen en het aantal gevallen van wanbetaling
afneemt, de kapitaalvereisten doen dalen en de kredietverlening doen toenemen,
waardoor de economie verder wordt gestimuleerd. Als de regelgeving een
dergelijk effect heeft, wordt zij "procyclisch" genoemd. 2. Het feit dat de RKV zou
kunnen bijdragen tot de procycliciteit van het financiële stelsel die in het
kader van het vroegere Bazel I-raamwerk werd waargenomen, heeft ertoe geleid
dat in de RKV artikel 156 is opgenomen[2].
Overeenkomstig dat artikel dient de Europese Commissie (de Commissie) periodiek
te onderzoeken of de RKV "van grote invloed is op de conjuncturele
cyclus", en om de twee jaar een verslag op te stellen, dat, zo nodig
vergezeld van passende corrigerende maatregelen, bij het Europees Parlement en
de Raad moet worden ingediend. 3. De Commissie heeft in 2010 haar eerste verslag over de
procycliciteit opgesteld. Dit tweede verslag is opnieuw gebaseerd op de analyse
van de Europese Centrale Bank (ECB). Deze werd uitgevoerd met ondersteuning van
de Impact Study Group (ISG), die in 2011 het Comité voor financiële stabiliteit
(FSC) van het Europees Stelsel van Centrale Banken (ESCB) en de Europese
Bankautoriteit (EBA) gezamenlijk hebben opgericht als opvolger van de
gezamenlijke taskforce inzake de impact van het nieuwe kader voor
kapitaalvereisten (JTFICF). Het ECB-verslag betreft voornamelijk een
kwantitatieve analyse van de IRB-gegevens van banken, maar bevat ook een korte
bespreking van de vermoedelijke procycliciteit van de standaardbenadering[3]. 4. Het analyseren van het
verband tussen wettelijke kapitaalvereisten en de procyclische kredietverlening
door banken blijft een ingewikkelde exercitie. Zoals in het eerste verslag is beschreven,
luiden de belangrijkste vragen die moeten worden beantwoord, als volgt: (a)
Zijn kapitaalvereisten cyclisch? (b)
Zo ja, beïnvloeden cyclische kapitaalvereisten de
kapitaalpositie die banken willen aanhouden of daadwerkelijk aanhouden? (c)
Zo ja, beïnvloedt de gewenste of werkelijke
kapitaalpositie van banken de cycliciteit van hun kredietverlening? (d)
Zo ja, versterkt de cycliciteit van de
kredietverlening door banken de conjuncturele cyclus? 5. Op 20 juli 2011 heeft de
Commissie een wetgevingspakket tot hervorming van de regelgeving voor banken
voorgesteld (Richtlijn Kapitaalvereisten IV, RKV IV). Het pakket bestaat uit
een richtlijn (CRD) en een verordening (CRR). Het voorstel van de Commissie
bevat enkele maatregelen die de procycliciteit kunnen beperken. Dit verslag
wordt afgesloten met een vooruitblik op de mate waarin deze
anticyclische beleidsmaatregelen de procyclische impact van de RKV op de
financiële en conjunctuurcyclus kunnen beperken. 2. Cycliciteit van de
wettelijke kapitaalvereisten 6. De nationale toezichthoudende
autoriteiten die in 2011 aan de ECB-enquête hebben deelgenomen, zijn algemeen
van mening dat het krachtens de RKV vereiste minimumkapitaal (minimum required
capital, MRC) risicogevoeliger is geworden en overwegend cyclischer is dan bij
de eerdere Bazel I-vereisten het geval was. De grotere cycliciteit van de
kapitaalvereisten wordt vooral toegeschreven aan de hogere risicogevoeligheid
van het totale raamwerk, met name wat betreft de berekening van de
kapitaalvereisten op basis van de interneratingbenaderingen (IRB's). 7. De ECB heeft in het kader van
zijn kwantitatieve analyse onderzocht in hoeverre inputparameters van
IRB-modellen die betrekking hebben op risico's, te weten de kans op wanbetaling
(probability of default, PD), ramingen van het verlies bij wanbetaling (loss
given default, LGD) en het uitstaande bedrag (exposure), een correlatie
vertonen met macro-economische factoren, en in hoeverre dit doorwerkt in het
cyclische MRC. De bevindingen moeten als voorlopige aanwijzingen worden beschouwd,
veeleer dan als overtuigende empirische bevindingen[4]. 8. De ECB heeft geconstateerd
dat PD's van vorderingen op ondernemingen en particulieren waarvoor geen sprake
is van wanbetaling, doorgaans sterker stijgen bij geringere macro-economische
activiteit, lagere onroerendgoedprijzen en hogere werkloosheid. Daarmee is
voldaan aan een van de voorwaarden voor cyclische kapitaalvereisten. Er werd
daarentegen een vrij beperkt cyclisch effect gevonden voor LGD's, wat
waarschijnlijk weerspiegelt dat de in de interne modellen van banken gebruikte
LGD-waarden iets langzamer reageren dan de respectieve PD's en mogelijk dus
minder snel op veranderingen in de macro-economische situatie reageren.
Veranderingen in de uitstaande bedragen vertoonden een correlatie met
vertraagde veranderingen in het producenten- en consumentenvertrouwen
(indicatoren voor de conjuncturele cyclus) voor respectievelijk de
bedrijfskrediet- en particuliere kredietportefeuilles, hetgeen ook op
cycliciteit wijst: bij ongunstige economische vooruitzichten verlagen banken
hun vorderingen binnen deze portefeuilles. In het algemeen wijst de evaluatie van de
inputparameters voor de MRC-berekeningen op enige compenserende effecten tussen
cyclische risicoparameters zoals PD's en LGD's enerzijds en cyclische
ontwikkelingen in de posities anderzijds: in een tijd van neergang kan het
effect van een hogere PD worden tenietgedaan door een verlaging van de posities
wanneer deze als inputparameters in de MRC-berekeningen worden gecombineerd.
Deze compenserende effecten kunnen het cyclische effect op het totale MRC in de
loop van de tijd enigszins onduidelijk of zelfs instabiel maken, aangezien de
snelheid van de aanpassingen voor verschillende parameters en portefeuilles kan
verschillen. 9. De resultaten van de
schattingen van veranderingen in het totale MRC op bankniveau wijzen voor de
totale steekproef niet op een significant verband tussen de verandering in het
MRC en de bbp-groei op bankniveau (in plaats van op portefeuilleniveau).
Wanneer de analyse echter wordt beperkt tot banken van groep 1[5], is er een significante correlatie tussen een daling van de bbp-groei
en een toename van het MRC. Dit kan eventueel wijzen op enige cycliciteit van
het MRC voor banken van groep 1. 10. Er zij opgemerkt dat de dataset
beperkt was tot IRB-banken en dus geen gegevens bevatte van veel kleinere
banken van groep 2, die de standaardbenadering toepassen. De cycliciteit van
het MRC voor banken van groep 2 als geheel kan dus ook significant zijn, maar
de statistische onderbouwing daarvan valt buiten het bestek van de ECB-studie
(zie punt 13). 11. Er zijn aanwijzingen voor een
zekere cycliciteit van het MRC op portefeuilleniveau. Voor vertraagde
bbp-groei, de belangrijkste indicator van de conjuncturele cyclus, is er alleen
een significant negatief verband met het MRC van de bedrijfskredietportefeuille
van banken van groep 1. Voor alle banken in de steekproef is er echter ook een
significant negatief verband tussen vertraagde prijzen van commercieel vastgoed
en het MRC voor de bedrijfskredietportefeuille. Voor de
particuliere kredietportefeuille vertoont de bbp-groei ook alleen een verband
voor de banken van groep 1, al is dit verband minder significant. Veranderingen
in werkloosheidscijfers hebben voor de totale steekproef een significant effect
op het MRC voor de particuliere kredietportefeuille, zonder dat er sprake is
van een significant verschil voor banken van groep 1. 12. Kortom, cyclische effecten op
portefeuilleniveau lijken minder sterk tot uiting te komen op bankniveau. Zoals
al bleek uit de bevindingen met betrekking tot de compenserende cyclische
effecten van verschillende MRC-parameters, zijn de afzwakkingen waarschijnlijk
in de eerste plaats terug te voeren op aanpassingen op het punt van de omvang
en de samenstelling van de totale portefeuilles van banken. De aanleiding voor
de waargenomen herbestemming van activa was waarschijnlijk echter de financiële
crisis, veeleer dan veranderingen in de onderliggende risicoparameters als
zodanig. Banken kunnen bijvoorbeeld hebben gestreefd naar een hoger bedrag aan
activa die in aanmerking komen als beleenbaar onderpand voor
liquiditeitstransacties van centrale banken, teneinde hun liquiditeitspositie
te verbeteren en te kunnen profiteren van goedkope leningen van de centrale bank.
Als de crisis er niet was geweest, was het MRC mogelijk cyclischer geweest. 13. Een
andere belangrijke factor die tot de cycliciteit van minimumkapitaalvereisten
kan bijdragen, zijn ingrepen in externe ratings van bepaalde specifieke activa
op de balans van banken. Een aanzienlijk aantal banken in EU-landen past bij
het berekenen van hun kapitaalvereisten immers (geheel of gedeeltelijk) de
standaardbenadering toe. Aangezien de standaardbenadering sterk steunt op het
gebruik van externe ratings voor reguleringsdoeleinden, zal elke cycliciteit in
externe ratings ook leiden tot cyclische schommelingen in de kapitaalvereisten[6]. Banken die de standaardbenadering toepassen, kunnen de door de RKV
aangejaagde procycliciteit van de kredietverlening door banken dus in
belangrijke mate versterken. 14. De
door ratingbureaus vastgestelde vereisten zijn bovendien belangrijke factoren
in de besluitvorming van banken met betrekking tot de kapitaaltoewijzing, omdat
banken er in het kader van hun bedrijfsstrategie vaak naar streven een bepaalde
rating te behouden of te verkrijgen, wat kan leiden tot een hogere en
cyclischere kapitaalratio dan de ratio die door de RKV wordt vereist[7]. 3. Effect
van de kapitaalvereisten op de kapitaalpositie van banken 15. Het vermogen en de bereidheid
van banken om geld uit te lenen, hangt gedeeltelijk af van de mate waarin de
voorschriften met betrekking tot het minimumkapitaal bindend zijn. Een
procyclische verhoging van het MRC in tijden van een economische neergang zou
een grotere hap nemen uit de kapitaalbuffer van een bank boven het minimum, wat
een prudente bank ertoe zou aanzetten om meer kapitaal aan te trekken of om het
MRC te verlagen door de kredietverlening te beperken. 16. Uit de academische literatuur
over het gedrag van kapitaalbuffers van banken in de loop van de conjuncturele
cyclus in het algemeen blijkt dat de kapitaalbuffers van banken boven het MRC
afnemen wanneer de bedrijfsactiviteit toeneemt, wat betekent dat buitensporige
risico's worden genomen in tijden van economische opleving en de
kredietverlening wordt beperkt in tijden van economische neergang[8]. 17. Uit de empirische analyse van
de ECB blijkt dat er enigszins significante correlaties bestaan tussen de
bbp-groei en solide kapitaalbuffers, wat wijst op het omgekeerde gedrag –
hogere buffers in tijden van opleving en lagere buffers in tijden van neergang.
Gezien de korte steekproefperiode en de door de crisis aangewakkerde verhoging
van de kapitaalbuffers in de tweede helft van 2010 en de eerste helft van 2011,
moeten deze waarnemingen echter met voorzichtigheid worden behandeld[9]. 18. De kapitaalposities van banken
kunnen ook worden beïnvloed door verwachtingen op het gebied van de toekomstige
wettelijke vereisten. Tot deze toekomstige vereisten behoren de regelgeving die
in de "Bazel III"-akkoorden is vervat, de recente EBA-maatregelen[10] en alle andere aanvullende nationale voorschriften met betrekking tot
de kapitaalratio's van banken die onlangs zijn vastgesteld of naar verwachting
in de nabije toekomst zullen worden vastgesteld. In het algemeen wijzen de
enquêteresultaten op een zeker merkbaar effect van wijzigingen in de
regelgeving op zowel de balans als het kredietbeleid van banken, met inbegrip
van de kredietvoorwaarden[11]. 19. De EBA
heeft voorlopige gegevens over de herkapitalisatie-exercitie bekendgemaakt[12]. Alle ondernomen acties samen resulteren in een voorlopig totaal
kapitaaloverschot van circa 26%. De acties houden hoofdzakelijk verband met
directe kapitaalmaatregelen, die ongeveer 96% van het kapitaaltekort en 77% van
het totaalbedrag van de voorgestelde acties voor hun rekening nemen. Het
merendeel van deze maatregelen betreft kapitaalverhogingen, inhoudingen van
winsten en conversies van hybride instrumenten in gewoon aandelenkapitaal.
Maatregelen die op de risicogewogen activa van invloed zijn, maken de
resterende 23% van het totaalbedrag van de acties uit. Rekening houdend met de
maatregelen die uit EU-staatssteunbesluiten met betrekking tot de
herstructurering van banken of andere nationale programma's voortvloeien, zou
het effect van de acties die de kredietverlening aan de reële economie
beperken, minder dan 1% van het totale bedrag vertegenwoordigen. De Commissie, de EBA en de ECB zijn echter vastbesloten om nauw toe te
zien op het schuldafbouwproces, ongeacht of deze al dan niet met het
herkapitalisatieplan samenhangen. Aangezien het verminderen van de
schuldhefboom waarschijnlijk bij niet-kernactiviteiten en/of buiten de eigen
nationale jurisdictie zal plaatsvinden. is een nauwe
"home-host"-samenwerking zowel binnen als buiten de EU van groot
belang. Bovendien is het aandeel van banken uit het
eurogebied in de totale kredietverlening aan Midden- en Oost-Europa (47,3%)
hoog in vergelijking met andere opkomende economieën, wat wijst op een zeer
hoog niveau van kredietafhankelijkheid en een bijzonder grote gevoeligheid voor
besluiten van moedermaatschappijen tot vermindering van de schuldhefboom. Voor
enkele specifieke landen in de regio is de kredietverlening bijna volledig in
handen van bankgroepen uit het eurogebied[13]. 4. Effect van de
kapitaalpositie van banken op de kredietverlening door banken 20. De overgrote meerderheid van
de nationale toezichthoudende autoriteiten heeft aangegeven dat er duidelijke
verbanden bestaan tussen het kapitaalmanagementbeleid van banken en hun proces
voor de toekenning van leningen. In de meeste gevallen spelen de wettelijke
kapitaalvereisten van de RKV een belangrijke rol. De autoriteiten hebben echter
geen duidelijke effecten van de wettelijke kapitaalvereisten op bepaalde
activaklassen of leningencategorieën vastgesteld. Andere sturende factoren achter het
kapitaalmanagementbeleid maken het moeilijk om de invloed van de RKV op de
kredietverlening van banken te onderscheiden. Dergelijke sturende factoren zijn
het beleid van banken inzake risicobereidheid, stresstests, pijler
I/II-vereisten en RAROC[14] en streefcijfers voor de groei van portefeuilles. Wat betreft andere
vraag- en aanbodfactoren die op de cycliciteit in uitstaande leningen van
invloed kunnen zijn, hebben de autoriteiten uiteenlopende zienswijzen, maar
deze andere factoren worden in het algemeen belangrijker gevonden dan de
wettelijke kapitaalvereisten. Relevante factoren voor de kredietverlening zijn
onder meer de macro-economische situatie (financieringskosten, beschikbaarheid
van kapitaal en liquiditeit, marktvertrouwen) en de individuele leenstrategie
van banken. De vraag naar leningen wordt hoofdzakelijk beïnvloed door de
macro-economische omstandigheden (groeipercentage, inflatie, werkloosheid,
inkomensontwikkeling, aantal gevallen van insolventie, consumptie(verwachting),
uitvoer enz.), maar ook marktomstandigheden (rentevoeten, beschikbaarheid van
financiering) werden genoemd. De autoriteiten merkten ook op dat bijzondere
waardeverminderingen en afschrijvingen van leningen cyclischer zijn dan de
wettelijke kapitaalvereisten voor niet-achterstallige leningen. Ook
verslaggeving op basis van de reële waarde en International Financial Reporting
Standards (IFRS) worden gezien als belangrijke sturende factoren voor de
kredietverlening door banken. 5. Effect van de
beschikbaarheid van krediet op de conjunctuurcyclus 21. Het blijft moeilijk om de
effecten van wijzigingen in het MRC op de kredietverlening en het bbp te
kwantificeren. De ECB heeft de resultaten bestudeerd van een analyse (BIS, 2010)
die is uitgevoerd door de Macroeconomic Assessment Group (MAG), een groep die
door het Bazels Comité van bankentoezichthouders en de Raad voor financiële
stabiliteit (Financial Stability Board, FSB) is opgericht om de macro-economische
effecten van de overgang naar strengere kapitaal- en liquiditeitsvereisten
onder Bazel III te beoordelen. Deze studie wordt echter slechts ter illustratie
genoemd, want hij had in de eerste plaats betrekking op een eenmalige overgang
naar hogere vereisen, veeleer dan op het onderkennen van een vast verband
tussen de ontwikkeling van het MRC, de kredietverlening en het bbp. 22. De MAG merkte op dat het niet
gemakkelijk is om de effecten van prudentiële beleidswijzigingen op de
kredietverlening en het bbp rechtstreeks te onderzoeken met behulp van
macro-economische standaardmodellen. Hoewel verschillende door de MAG gebruikte
modellen met veel van de belangrijkste aspecten rekening houden, is er niet één
model dat alle relevante mechanismen omvat. De studie presenteert daarom de
mediane uitkomst van meerdere modellen als gemiddelde schatting van het effect
al naargelang de verschillende modellen en landen[15]. 23. Gezien alle voorbehouden van
de ECB bij de kwantitatieve analyse van de cycliciteit van het MRC, zoals de
zeer beperkte beschikbaarheid van gegevens en het effect van de financiële
crisis in de vorm van aanvullende wijzigingen in de regelgeving,
overheidsbemoeienis en gedragsaanpassingen, lijkt het echter te vroeg om een
kwantitatieve schatting te maken van de grootte van het mogelijke procyclische
effect van de RKV-kapitaalvereisten op de kredietverlening en het bbp. 6. Maatregelen om de
procycliciteit aan te pakken 24. In juli 2011 heeft de
Commissie een wetgevingspakket voor de hervorming van de regelgeving voor
banken voorgesteld. Het pakket, dat bestaat uit een richtlijn (RKV IV) en
een verordening (CRR), sluit aan bij het Bazel III-akkoord en voldoet aan de
hoofddoelstelling, namelijk het op peil houden van de kredietverlening aan de
reële economie in de EU. 25. Het voorstel bevat een aantal
maatregelen die de procycliciteit in de kredietverlening door banken kunnen
beperken: het ene "rule book", een anticyclische kapitaalbuffer, de
invoering van een hefboomratio, verminderde afhankelijkheid van ratingbureaus
voor prudentiële vereisten en ruimte voor het nemen van verdere maatregelen om
de beschikbaarheid van leningen voor het midden- en kleinbedrijf (mkb) te
vergroten. 6.1. Het
ene "rule book" 26. Zoals is opgemerkt in punt 19,
kan er, als gevolg van de integratie van de EU-banksector, buiten de nationale
jurisdicties bij internationale banken sprake zijn van maatregelen ter
vermindering van de schuldhefboom in reactie op door nationale toezichthouders
vastgestelde wettelijke vereisten. De invoering van één "rule book"
zal niet alleen de regelgevingsarbitrage verminderen, maar ook de procyclische
effecten van een asymmetrische vermindering van de schuldhefboom in
"landen van ontvangst" beperken. 6.2. Anticyclische
kapitaalbuffer 27. Een belangrijk regelgevend
antwoord op de waargenomen procycliciteit van de kredietverlening door banken
is de anticyclische kapitaalbuffer (countercyclical capital buffer, CCB), die
een integraal onderdeel van het RKV IV-voorstel van de Commissie uitmaakt. Op
deze extra buffer, die geleidelijk wordt opgebouwd in economisch goede tijden,
kan in tijden van economische neergang worden ingeteerd, zodat banken hun
verliezen kunnen opvangen op een ordelijke wijze die niet leidt tot kostbare
verhogingen van de prijs van krediet, die de recessie zouden kunnen verdiepen.
De CCB zal de bestaande ongevoeligheid van wettelijke vereisten voor de opbouw
van risico's op macroniveau en de cycliciteit ervan beperken. 28. Omdat de dynamiek in
verschillende markten heel verschillend kan zijn, wordt de omvang van de
buffers op basis van de nationale markten vastgesteld. Het Europees Comité voor
systeemrisico's zal in het kader van zijn mandaat de leiding krijgen over het
ontwikkelen van gemeenschappelijke richtsnoeren en over het bevorderen en
coördineren van dit macroprudentiële instrument. 29. In het ECB-verslag wordt
benadrukt dat er weliswaar enkele conceptuele vragen rijzen met betrekking tot
de praktische tenuitvoerlegging van de CCB[16], maar dat
het totale bedrag van de CCB een duidelijke anticyclische trend zou hebben
gevolgd. In overeenstemming met de kredietgroei in de jaren vóór de crisis en
op basis van een hypothetische tenuitvoerlegging van de CCB in 2005 zou het
bufferrichtsnoer geleidelijk zijn toegenomen tot een piek van circa 290 miljard
EUR voor alle EU-landen in 2007[17]. 6.3. Hefboomratio 30. De hefboomratio is een
aanvullend kapitaalvereiste dat een bindend plafond voor de hefboomwerking kan
worden als de ratio van de activa ten opzichte van het Tier 1-kapitaal een
bepaalde waarde te boven gaat. Dit zou excessieve kredietverlening door banken
helpen beperken in tijden van economische opleving, wanneer banken de neiging
hebben hun balans te verlengen zonder dat daar een passende verhoging van het
kapitaal tegenover staat. 31. Conform Bazel III heeft de
Commissie de hefboomratio als pijler 2-maatstaf voorgesteld met "het oog
op de overgang naar een bindend (pijler 1-)instrument, na passende evaluatie en
ijking". Aangezien de hefboomratio voor de EU (en in zijn huidige vorm
voor bijna de hele wereld) een nieuw instrument is, heeft de Commissie een
voorzichtige aanpak met een gedegen evaluatie en parallelle proefperiode
voorgesteld, voordat een besluit over de definitieve vorm van het instrument
wordt genomen[18]. 6.4. Ratingbureaus 32. Ook ratingbureaus en modellen
voor economisch kapitaal kunnen een belangrijke rol spelen bij de vaststelling
van de werkelijke kapitaalpositie van banken. Zoals is opgemerkt in punt 13,
hangen externe ratings nauw samen met de conjunctuurcyclus, wat betekent dat
aan deze ratings gekoppelde kapitaalvereisten ook een duidelijk cyclisch
patroon zullen vertonen, althans op het niveau van de afzonderlijke posities.
Doordat de standaardbenadering van kredietrisico sterk steunt op externe
ratings, is dit punt van bijzonder belang voor banken die nog niet op de
interneratingbenadering (IRB) zijn overgestapt. 33. In dit
licht moedigt het RKV IV-voorstel het gebruik van interne ratings aan, terwijl
het gelijktijdig het aantal verwijzingen naar externe ratings beperkt en de
bepalingen versterkt die betrekking hebben op de wijze waarop externe ratings
mogen worden gebruikt[19]. Het voorstel respecteert het evenredigheidsbeginsel door kleinere kredietinstellingen en beleggingsondernemingen de
mogelijkheid te bieden te kiezen voor de minder van
ratingbureaus afhankelijke (en risicogevoeligere) IRB en het gebruik van de
eenvoudigste ratingprocedures toe te staan[20].
Toepassing van de IRB houdt in dat onafhankelijke risicobeoordelingen moeten
kunnen worden verricht en stimuleert ook betere risicomanagementtechnieken om
het kredietrisico in bankportefeuilles te beheersen. 34. Op 15 november 2011 heeft de
Commissie bovendien een wetgevingsvoorstel[21]
aangenomen dat een algemene verplichting voor alle gereguleerde financiële
instellingen bevat om hun eigen kredietrisicobeoordelingen te verrichten. Later
in 2012 zullen vergelijkbare voorstellen voor verzekeraars volgen. De Commissie
is ook zeer nauw betrokken bij en staat volledig achter de werkzaamheden die in
Bazel worden verricht om het belang van ratings als criterium voor het
omschrijven van liquide activa terug te dringen en alternatieven te zoeken voor
de berekening van de kapitaalvereisten voor securitisatiebeleggingen. Dit alles
moet de procycliciteit van financiële regelgeving als gevolg van het overdreven
vertrouwen op ratingbureaus beperken. 6.5. Midden-
en kleinbedrijf (mkb) 35. Het mkb is sterker van banken
afhankelijk omdat het minder mogelijkheden heeft om alternatieve
financieringsbronnen aan te boren. Het mkb vormt de ruggengraat van de Europese
economie[22] . Een eventuele procycliciteit van de kapitaalvereisten kan de groei
van de reële economie dan ook het sterkst beïnvloeden via een beperking van de
kredietverlening aan het mkb. 36. De toegang van het mkb tot
bankleningen bleek te zijn verslechterd in de door de SAFE-enquête van de ECB
bestreken periode april – september 2011. Deze trend werd bevestigd in de
enquête voor de periode oktober 2011 – maart 2012. Volgens de resultaten van
deze laatste enquête nam de financieringsbehoefte van het mkb in het eurogebied
in deze periode toe: 19% van de respondenten meldde een toename van hun
behoefte aan (vraag naar) bankleningen (tegen 17% in de vorige periode),
terwijl 11% een daling meldde (tegen 12% in de vorige periode). Per saldo
meldde 20% van de ondernemingen een verslechtering van de beschikbaarheid (het
aanbod) van bankleningen, tegen 14% in de vorige periode[23]. Tegelijkertijd
verminderde de netto-aanscherping van de kredietvoorwaarden van leningen aan
het mkb in de laatste kwartaalenquête van de ECB over de kredietverlening door
banken (Bank Lending Survey, BLS) (april 2012) van 28% in het vierde kwartaal
van 2011 tot 1% in het eerste kwartaal van 2012, terwijl de netto-aanscherping
van de kredietvoorwaarden voor de groep van niet-financiële ondernemingen als
geheel terugliep van 35% tot 9%, een veel grotere daling dan bij de vorige
enquête door de deelnemers werd verwacht. Dit zou kunnen worden verklaard door
een scherpe daling van het nettopercentage banken in het eurogebied dat meldde
dat de financieringskosten en de balansbeperkingen tot een aanscherping van de
kredietvoorwaarden hadden bijgedragen – 8% van de banken meldde uitdagende
marktfinancieringsomstandigheden, tegen 28% bij de vorige enquête. Toch maakt
een minder grote aanscherping van de kredietvoorwaarden de uitdagende
financieringssituatie voor het mkb niet gemakkelijker. 37. Vorderingen op het mkb
genieten een gunstige behandeling in het kader van de bestaande RKV. In het RKV
IV-voorstel worden de kapitaalvereisten voor de kredietrisico's over de hele
linie verhoogd, wat betekent dat het mkb zijn preferentiële behandeling ten
opzichte van andere kredietrisico's in het kader van Bazel II behoudt.
Niettemin heeft de Commissie de EBA verzocht om de huidige risicogewichten voor
mkb-leningen en de gebruikte drempels voor het identificeren van kleine en
middelgrote ondernemingen in het kader van de nieuwe normen van Bazel III te
analyseren en hierover verslag uit te brengen. Mogelijkheden om de gunstige
behandeling van vorderingen op het mkb verder te verbeteren, zijn onder meer
een verlaging van de risicogewichten van 75% tot 50% of een verhoging van de
drempel voor vorderingen op het mkb van 1 miljoen EUR tot 2 miljoen EUR of 5 miljoen
EUR. De Commissie zal deze mogelijkheden zorgvuldig bestuderen binnen de
overkoepelende doelstelling van RKV IV om de financiële stabiliteit te
vergroten. 38. Er zij tevens opgemerkt dat
wordt verwacht dat afgevlakte procycliciteit als gevolg van de verbeterde
anticyclische maatregelen in RKV IV in de eerste plaats aan het mkb ten goede
zal komen, voor zover banken de kredietverlening aan het mkb rantsoeneren. 7. Conclusies 39. De ECB heeft aanwijzingen
gevonden voor een cyclisch MRC onder invloed van cyclische PD's voor grotere
banken van groep 1 die de voor het kredietrisico de interneratingbenadering
toepassen, maar de cycliciteit wordt deels tenietgedaan door cyclische posities
(die lager zijn in tijden van een neergang). Hoewel er enige aanwijzingen zijn
voor cyclische MRC's op portefeuilleniveau (voor ondernemingen en
particulieren), lijkt dit effect kleiner te zijn op bankniveau wanneer de hele
steekproef van banken in beschouwing wordt genomen. 40. Deze afzwakking is mogelijk
voornamelijk toe te schrijven aan crisisgebonden portefeuilleaanpassingen,
bijvoorbeeld het streven om meer activa in aanmerking te laten komen als
beleenbaar onderpand voor liquiditeitstransacties van centrale banken; zonder
de crisis zou er dus mogelijk overtuigender bewijs zijn geweest voor een
cyclisch MRC. Banken die de standaardbenadering toepassen, kunnen ook een
cyclisch MRC hebben omdat de methode steunt op externe ratingbureaus, waarvan
de ratings cyclisch zijn. 41. Het vermogen en de bereidheid
van banken om geld uit te lenen hangt gedeeltelijk af van de mate waarin de
beperkingen met betrekking tot het minimumkapitaal bindend zijn. Hoewel het
volgens de huidige RKV berekende MRC, samen met diverse andere factoren, een
effect op de werkelijke kapitaalposities van banken kan hebben gehad, kunnen
ook verwachtingen met betrekking tot strengere toekomstige wettelijke vereisten
ertoe hebben geleid dat kapitaaldoelstellingen zijn vastgesteld die aanzienlijk
hoger zijn dan het MRC, met grote gevolgen voor de balans en het kredietbeleid.
Dit is echter een andere sturende factor dan de cycliciteit van de huidige
wetgeving. 42. RKV IV, die Bazel III in de EU
ten uitvoer zal leggen, zal een structurele breuk met het verleden betekenen:
het MRC zal strenger zijn op het punt van de kwaliteit en de kwantiteit van het
vereiste kapitaal en er zullen nieuwe vereisten met betrekking tot de
liquiditeit en de hefboomwerking worden vastgesteld. Belangrijk is dat RKV IV
ook een aantal anticyclische beleidsmaatregelen zal bevatten, zoals onder meer
het ene "rule book", een anticyclische kapitaalbuffer, een
hefboomratio en maatregelen met betrekking tot ratingbureaus en het mkb. Indien
nodig zullen de maatregelen geleidelijk worden ingevoerd om procyclische
effecten te vermijden. 8. Referenties Basel Committee on Banking Supervision, Bank
for International Settlements, 16 december 2010, "Basel III: A global
regulatory framework for more resilient banks and banking systems",
beschikbaar op: http://www.bis.org/publ/bcbs189.pdf. BIS (2010), Macroeconomic Assessment Group:
Interim Report, "Assessing the macroeconomic impact of the transition to
stronger capital and liquidity requirements", augustus 2010, beschikbaar
op: http://www.bis.org/publ/othp10.pdf. ECB, EBA (2012), "Pro-Cyclicality of
Capital Requirements, Second Report". ECB (2010), "EU Banking Structures",
beschikbaar op: http://www.ecb.int/pub/pdf/other/eubankingstructures201009en.pdf. Europese Commissie, juni 2010, "Verslag
van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement over het effect van de
Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG op de conjunctuurcyclus", beschikbaar
op: http://ec.europa.eu/internal_market/bank/docs/regcapital/monitoring/23062010_report_nl.pdf, bevat ook verdere literatuurverwijzingen. Europese Commissie, juli 2011, nieuwe
voorstellen inzake kapitaalvereisten (RKV IV), nadere informatie is te vinden
op: http://ec.europa.eu/internal_market/bank/regcapital/index_en.htm. [1] De RKV omvat Richtlijn 2006/48/EG van het Europees
Parlement en de Raad betreffende de toegang tot en de uitoefening van de
werkzaamheden van kredietinstellingen en Richtlijn 2006/49/EG van het Europees
Parlement en de Raad inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen
en kredietinstellingen. [2] In 2009 gewijzigd bij Richtlijn 2009/111/EG van het
Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009. [3] De kwantitatieve beoordeling door de ECB omvat
kwartaalgegevens van het vierde kwartaal van 2008 tot en met het tweede
kwartaal van 2011 van circa tachtig banken die de interneratingbenadering (IRB)
toepassen om hun kapitaalvereisten te berekenen. De kwalitatieve beoordeling is
gebaseerd op enquêtegegevens van nationale toezichthoudende autoriteiten en de
enquête van het Eurosysteem over de kredietverlening door banken (Bank Lending
Survey, BLS). [4] Er blijven twee elementaire voorbehouden: de RKV is pas
vrij recentelijk ten uitvoer gelegd (de geavanceerde modellen worden toegepast
sinds 2008), waardoor de beschikbaarheid van relevante gegevens over een hele
conjunctuurcyclus beperkt is en de analyse dus afhangt van verschillen in het
stadium van de conjunctuurcyclus tussen landen; tevens valt de recente
financiële crisis binnen de periode die door de beschikbare gegevens wordt
bestreken, zodat door de crisis veroorzaakte gedragsveranderingen en
beleidsinterventies de algemene verbanden tussen gedragingen kunnen hebben
verstoord. [5] Een bank behoort tot groep 1 indien haar Tier 1-kapitaal
meer dan 3 miljard EUR bedraagt, haar activiteiten voldoende gediversifieerd
zijn en zij internationaal actief is. Alle overige banken worden beschouwd als
banken van groep 2. [6] Zie de toelichting en de grafieken 1, 2 en 3 in het
bijgaande werkdocument van de diensten van de Commissie. [7] Zie ook punt 6.4. [8] Zie bijvoorbeeld Ayuso, Perez en Saurina (2004), Bikker
en Metzemakers (2004), Lindquist (2004), Jokipii en Milne (2008) en Stolz en
Wedow (2011). [9] De ECB merkt evenwel op dat in een paar theoretische
artikelen (bijvoorbeeld Heid (2007), Zhu (2008), Jokivuolle, Kiema en Vesala (2009)
en Repullo en Suarez (2009)) is gewezen op de mogelijkheid van een verandering
in het gedrag van banken met betrekking tot hun kapitaalbuffer bij de overgang
naar een op Bazel II gebaseerd raamwerk. Banken kunnen besluiten om met
aanvullende buffers te werken en zich op een meer vooruitziende wijze in te
dekken tegen een MRC dat als cyclischer wordt ervaren. Dit kan ertoe leiden dat
kapitaalbuffers meebewegen met de cyclus en dus hoger zijn in tijden van
economische opleving en lager in tijden van economische neergang. [10] De EBA heeft voor zeventig Europese banken een uit twee
delen bestaande kapitaaldoelstelling vastgesteld die uiterlijk in juni 2012
moet zijn gerealiseerd. Het eerste deel betreft een tijdelijke kapitaalbuffer
tegen vorderingen op centrale overheden tegen marktprijzen van september 2011.
Het tweede deel betreft een verhoging van de Tier 1-kernkapitaalratio's tot 9%. [11] Zie de grafieken 4, 5, 6 en 7 met een aantal resultaten
van de enquête over de kredietverlening door banken in het eurogebied (Bank
Lending Survey, BLS). Deze grafieken hebben betrekking op het effect van
wijzigingen in de regelgeving op het kredietverleningsgedrag van banken. Er zij
evenwel benadrukt dat dit een ander verschijnsel is dan de procycliciteit van
de bestaande vereisten. [12] EBA-website, 9 februari 2012, http://www.eba.europa.eu/News--Communications/Year/2012/The-EBAs-Board-of-Supervisors-makes-its-first-agg.aspx. [13] Zie tabel 1, "EU banking assets", en de
grafieken 8 en 9 in het werkdocument van de diensten van de Commissie voor
verdere informatie over en een bespreking van grensoverschrijdende
kredietverlening. [14] RAROC staat voor "risk adjusted return on capital"
(risicogewogen rendement op kapitaal) en is een risicogebaseerde maatstaf voor
de winstgevendheid. [15] Zie grafiek 10, "Macroeconomic Assessment Group model
study results", in het werkdocument van de diensten van de Commissie. [16] De ECB heeft de Bazel III-leidraad betreffende de
verhouding tussen kredietverlening en bbp in de verschillende lidstaten
bestudeerd. [17] Zie grafiek 11 in het werkdocument van de diensten van de
Commissie. [18] Het RKV IV-voorstel belast de EBA met de taak een verslag
over de doeltreffendheid en de impact van de hefboomratio op te stellen. Dat verslag
moet uiterlijk in juni 2016 bij de Commissie worden ingediend. Op basis van dit
verslag van de EBA zal de Commissie uiterlijk op 31 december 2016 verslag
uitbrengen aan het Parlement en de Raad over de doeltreffendheid en de impact van
de hefboomratio en "in voorkomend geval" in 2018 een
wetgevingsvoorstel voor de invoering van een hefboomratio (artikel 482,
lid 1) opstellen. [19] Op internationaal niveau heeft de
Raad voor financiële stabiliteit (FSB) in oktober 2010 beginselen uitgevaardigd
die ertoe moeten leiden dat autoriteiten en financiële instellingen minder op
ratings van ratingbureaus gaan vertrouwen (http://www.financialstabilityboard.org/publications/r_101027.pdf). [20] Overwegingen 28 en 29 van het CRR-voorstel van juli 2011. [21] Zie http://ec.europa.eu/internal_market/securities/agencies/index_en.htm
voor verdere informatie. [22] Het mkb is goed voor 99,8% van de ondernemingen, 66,9% van
de werknemers en 58,4% van de bruto toegevoegde waarde in de EU-27 (schatting 2010,
Eurostat/National Statistics Offices of Member States/Cambridge
Econometrics/Ecorys). [23] Enquête over de toegang van het mkb tot financiering in
het eurogebied (Survey on the access to finance of SMEs in the euro area,
SAFE), beschikbaar op:
http://www.ecb.europa.eu/stats/money/surveys/sme/html/index.en.html.