MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD over het Europees Innovatiepartnerschap "Productiviteit en duurzaamheid in de landbouw" /* COM/2012/079 final */
1.
Inleiding
In haar Europa 2020-strategie[1] onderstreept de Commissie het
belang van onderzoek en innovatie voor de toekomstbestendigheid van de Europese
Unie. Voorts wordt innovatie in "Het GLB tot 2020"[2] aangemerkt als onmisbaar voor
de toekomst van de EU-landbouw. De "Begroting voor 2020"[3] bevat 4,5 miljard euro voor
onderzoek en innovatie op het gebied van voedselzekerheid, de bio-economie en
duurzame landbouw. Vanwege de centrale rol die aan onderzoek en
innovatie wordt toebedacht, is in het kader van het
EU 2020-vlaggenschipinitiatief "Innovatie-Unie"[4] het concept Europese
Innovatiepartnerschappen (EIP's) geïntroduceerd, die de innovatie moeten
bevorderen. Er is een EIP-proefproject inzake actief en gezond ouder worden
gestart. Voorts wordt gewerkt aan EIP's voor grondstoffen, voor een
waterbesparend Europa en voor de landbouw. EIP's hebben tot doel een brug te
slaan tussen de wetenschap en de toepassing van innovatieve benaderingen in de
praktijk. De Raad heeft erop gewezen dat het van belang is dat EIP's een
duidelijke focus krijgen, dat de lidstaten erbij betrokken worden en dat de
bestaande instrumenten effectief worden gestroomlijnd. In deze mededeling wordt een eerste opzet van
het in de "Innovatie-Unie" al genoemde EIP voor de productiviteit en
duurzaamheid in de landbouw gepresenteerd. Het EIP volgt de strategische lijnen
van "Europa 2020" en van "het GLB tot 2020". Het berust op
het overleg dat met de belanghebbenden is gevoerd. Ook is rekening gehouden met
de ervaringen die zijn opgedaan in het kader van het EIP-proefproject inzake
actief en gezond ouder worden, bijvoorbeeld op het gebied van de ontwikkeling
van een "strategisch uitvoeringsplan", met de besprekingen in de Raad
en met de door de belanghebbenden geuite behoeften en ideeën.
2.
Sociale uitdagingen
Wereldwijd zal de vraag naar voedsel tot 2050
met 70% groeien (FAO-prognose). Naast deze aanzienlijke stijging zal ook de
vraag naar voer, vezels, biomassa en biomateriaal sterk toenemen. De
landbouwproducenten van de EU, een van de grootste leveranciers op de mondiale
landbouwmarkten, zullen daar onvermijdelijk op reageren. De EU-landbouw is goed
voor 18% van de mondiale voedselexport, met een waarde van 76 miljard euro. De
EU-landbouw neemt in de OESO meer dan 40% van de totale voedselproductie voor
zijn rekening. Natuurlijk loopt de bijdrage aan de voedselproductie van
lidstaat tot lidstaat en van regio tot regio uiteen aangezien in de nationale
en regionale landbouwsectoren sprake is van grote onderlinge verschillen in
economische en technologische ontwikkeling. In de afgelopen decennia is in de landbouw
grote productiviteitswinst geboekt. In de laatste jaren is deze groei in de
ontwikkelde landen echter afgevlakt. Deze winst is deels gerealiseerd door de
natuurlijke hulpbronnen en het milieu ernstig te belasten. 45% van de Europese
bodem kent kwaliteitsproblemen. Dit blijkt uit de geringe hoeveelheid organisch
materiaal in de bodem. Ook heeft een kwart van de bodem te kampen met een matige
tot zeer sterke erosie. Waardevolle ecosystemen en daarmee waardevolle
ecosysteemdiensten zijn aangetast of zelfs verdwenen. In de afgelopen twintig
jaar is de populatie akker- en weidevogels met 20 à 25% afgenomen, is de
populatie graslandvlinders met 70% achteruitgegaan en worden bestuivers als
bijen ernstig bedreigd. Zo'n 40% van de landbouwgrond is kwetsbaar voor
nitraatvervuiling, zodat de waterhulpbronnen in gevaar komen. Voorts is de
landbouw verantwoordelijk voor 9% van de uitstoot van broeikasgassen in de EU. In de land- en bosbouw is al veel bereikt wat
betreft de afstemming van de productie op de noodzaak om natuurlijke
hulpbronnen duurzaam te beheren en het milieu te behouden. Deze positieve
ontwikkelingen kunnen echter worden ondermijnd door de verwachte toename van de
landbouwproductie als gevolg van de stijgende vraag wereldwijd. Indien deze
toename wordt gerealiseerd op basis van de huidige werkwijzen, dan zullen de
natuurlijke hulpbronnen en het milieu nog verder worden aangetast. Deze fenomenen blijven niet beperkt tot de
technologisch meest geavanceerde delen van de EU-landbouw. Europa heeft
namelijk ook een groot potentieel in gebieden met veel kleine, traditionele
landbouwbedrijven. Als deze bedrijven het vaste ontwikkelingspatroon volgen,
dan zal ook in hun gebieden grote milieuschade ontstaan aan de bestaande, vaak
rijke habitats en biodiversiteit en aan de bodemfunctionaliteit en
waterhulpbronnen. Voor de totstandbrenging van een concurrerende
en duurzame productie van voedsel, voer, vezels, biomassa en biomateriaal is
het noodzakelijk dat nieuwe wegen naar groei worden ingeslagen. Daartoe moet
efficiëntie in het aanbod worden aangevuld met een terugdringing van de forse
verliezen na de oogst. Een aanpassing aan de klimaatverandering en een
verstandig gebruik van biodiversiteit en een herstel van ecosystemen en
ecosysteemdiensten zijn in dit verband eveneens noodzakelijk. Voorts moet
rekening worden gehouden met de bijzonderheden van de verschillende gebieden en
met het potentieel van genetische diversiteit zodat een rijk genetisch erfgoed
wordt gecombineerd met uiteenlopende oude en nieuwe landbouwpraktijken en
gezorgd wordt voor een betere allocatie en een beter gebruik van de beperkte
hulpbronnen. Voedselketens zijn divers en de kenmerken ervan moeten integraal
worden bezien: "lange" voedselvoorzieningsketens omvatten aspecten
als conservering en opslag, terwijl in de "korte"
voedselvoorzieningsketens de nadruk ligt op de lokale voedselvoorziening en
bepaalde kwaliteitskenmerken. De consumenten moeten in het gehele proces centraal
staan en dus moet worden aangestuurd op veilig, hoogwaardig en duurzaam
geproduceerd voedsel. De productiestijging zal hand in hand moeten
gaan met een verbetering van de economische levensvatbaarheid van primaire
producenten, wier aandeel in de toegevoegde waarde in de voedselketen in het
afgelopen decennium is teruggelopen. Als hun winstgevendheid niet verbetert,
zal het voor hen nog lastiger worden om ecologisch duurzaam te produceren. Een hogere en duurzame landbouwproductie is
alleen haalbaar met grootschalige onderzoeks- en innovatieactiviteiten op alle
niveaus. Wetenschappers en belanghebbenden hebben telkens weer gewezen op de
gapende kloof tussen enerzijds de geleverde onderzoeksresultaten en anderzijds
de toepassing van nieuwe innovatieve werkwijzen in de landbouw. Het duurt te
lang voordat nieuwe werkwijzen het veld bereiken, terwijl de wetenschappelijke
wereld niet voldoende weet waaraan in de landbouwpraktijk behoefte bestaat. Kortom,
belangrijke innovaties worden niet op de nodige schaal toegepast en bepaalde
onderzoeksgebieden krijgen niet altijd de aandacht die ze verdienen. Voor een verhoging van de productiviteit en
het concurrentievermogen van de landbouw is het vooral van belang dat
efficiënter met hulpbronnen wordt omgesprongen zodat met minder water, energie,
kunstmest (in het bijzonder fosfor en stikstof) en bestrijdingsmiddelen wordt
geproduceerd. Daarnaast moet meer gebruik wordt gemaakt van hernieuwbare
energiebronnen en moet de hoeveelheid afval worden teruggedrongen, zulks
overeenkomstig het Stappenplan voor efficiënt hulpbronnengebruik in Europa[5]. Duurzaamheid houdt in dat de
vervuiling moet worden teruggedrongen om de waterkwaliteit en
bodemfunctionaliteit te beschermen, dat de biodiversiteit en ecosysteemdiensten
in stand moeten worden gehouden, en dat de uitstoot van broeikasgassen moet
worden verminderd. Oplossingen moeten uitstijgen boven het niveau van
individuele landbouwbedrijven en een bredere geografische context omvatten,
zoals bosbouw en natuurlijke reserves. Technologie, ICT en satellietnavigatie,
en nieuwe beheersinstrumenten bieden in dit verband een groot
ontwikkelingspotentieel. Voor de ontwikkeling van de nodige vaardigheden zijn
onderwijs en opleiding van essentieel belang. Voor een versterking van de
positie van landbouwers in de voorzieningsketen zijn innovatieve werkwijzen
nodig die leiden tot meer transparantie, informatie en beheerscapaciteit en tot
nieuwe kwaliteitsproducten. Duurzame productie moet gericht zijn op input-
en outputsubstitutie via een slim gebruik en hergebruik van biomassa en via
bioraffinage, en op de noodzaak om verliezen na de oogst terug te dringen. Dit
geldt voor de gehele voorzieningsketen, van de primaire productie tot de
consument. De consumenten kunnen de druk om de primaire productie op te voeren,
verlichten door hun consumptiepatroon te wijzigen. Onderwijs en opleiding
bieden een enorm potentieel om te komen tot een betere voeding, gezondere
leefwijzen en minder afval. Als op essentiële punten in de voorzieningsketen
duurzaamheidscriteria worden opgenomen, ontstaan meer transparantie, vertrouwen
en kennis.
3.
Bevordering van een concurrerende en duurzame
landbouw
Het EIP streeft naar een concurrerendere en
duurzamere land- en bosbouw waarin met minder meer wordt bereikt en in harmonie
met de omgeving wordt gewerkt. Het moet bijdragen aan de opbouw van een
concurrerende primaire sector die zorgt voor de wereldwijde beschikbaarheid van
voedsel, voor gediversifieerde producten en een gediversifieerde productie,
voor de levering van uiteenlopende grondstoffen voor voedings- en
niet-voedingsdoeleinden op lange termijn, alsmede voor een betere allocatie van
de toegevoegde waarde over de voedselketen. Voor een duurzame stijging van de
landbouwproductiviteit en –productie is een goed beheer van de natuurlijke
hulpbronnen noodzakelijk dat aansluit bij de milieueisen. Grond is in dit
verband van groot belang, omdat het welslagen of het falen van het streven naar
duurzamere productiepatronen daar zal worden waargenomen. Grond is dé hulpbron
voor de landbouwproductie. Grondgebruik enerzijds en waterkwaliteit en
–kwantiteit, biodiversiteit en het leveren van ecosysteemdiensten anderzijds
werken op meerdere manieren op elkaar in. Door de klimaatverandering wordt duidelijk dat
de bodem een zeer kwetsbare hulpbron is. Bodemfuncties als de bodemstabiliteit,
de cyclus van het bodemwater, de buffercapaciteit voor voedingsstoffen, en het
bodemleven zijn essentiële parameters voor de productiviteit van de grond.
Vanwege de koolstofopslagfunctie ervan speelt de bodem een centrale rol bij het
tegengaan van klimaatverandering. Een deugdelijk grondbeheer moet bodemdegradatie
en -erosie voorkomen, de bodemfuncties stabiliseren, en gericht zijn op de
matiging van en aanpassing aan klimaatverandering. Derhalve zijn twee doelindicatoren voor het
EIP vastgesteld: ·
met het oog op de bevordering van de
productiviteit en efficiëntie in de landbouwsector moet het EIP de recente
trend van teruglopende productiviteitswinsten[6]
uiterlijk in 2020 hebben gekeerd; ·
met het oog op de duurzaamheid van de
landbouw moet het EIP de bodemfunctionaliteit in Europa uiterlijk in 2020 op een
bevredigend niveau hebben gebracht[7].
De bodemfunctionaliteit omvat de productieve capaciteit van de bodem en de
essentiële rol die deze vervult wat betreft de matiging van en aanpassing aan
klimaatverandering en de stabiliteit van het ecosysteem. Hoewel deze doelindicatoren betrekking hebben
op de primaire productie, zal het EIP ook kijken naar de talrijke
wisselwerkingen in de gehele voorzieningsketen tot en met de consument. De
specifieke doelstellingen van het EIP zullen worden uitgewerkt tijdens de
concrete uitvoering ervan. Daarbij zal rekening worden gehouden met de
strategische richting van het beleid dat eraan ten grondslag ligt. De operationele doelstellingen van het EIP
zullen erop gericht zijn een brug te slaan tussen enerzijds grensverleggend
onderzoek en technologie en anderzijds belanghebbenden als landbouwers,
bedrijven, de industrie, adviesdiensten en ngo's, zodat onderzoeksresultaten
worden vertaald in concrete innovaties, innovaties sneller in de praktijk
worden gebracht, de onderzoeknoden vanuit het veld systematisch worden
teruggekoppeld naar de wetenschap, de uitwisseling van kennis wordt bevorderd,
en duidelijk wordt dat gezamenlijk moet worden geïnvesteerd in duurzame
innovatie. Het EIP moet synergie creëren tussen de
verschillende beleidsterreinen, sectoren, initiatieven en projecten, zodat de
bestaande beleidsinstrumenten meer effect sorteren en zo nodig worden aangevuld
met nieuwe acties.
4.
Voordelen en kansen
De landbouw- en de voedselsector zijn
tegenwoordig samen goed voor 17 miljoen banen (7,6% van de totale
werkgelegenheid) en voor 3,5% van de totale bruto toegevoegde waarde in de
EU27. Het EIP zal leiden tot een versterking van de positie van de landbouw als
concurrerende sector waarin efficiënt wordt omgesprongen met hulpbronnen, en
tot een duurzamere bosbouw en een duurzamer grondgebruik. Upstream- en
downstreamsectoren die primaire producenten "groene" technologieën
bieden, moeten in het EIP worden geïntegreerd en zullen er ook van profiteren. In de voorzieningsketen moet de rol van
landbouwers worden versterkt, zodat hun potentieel ten volle kan worden benut.
Aangezien de vraag van de consument verschuift naar veilig, gezond en hoogwaardig
voedsel, zal het belang van lokale markten in dit verband toenemen. De gestaag
groeiende markt voor voedsel, voer, vezels, biomateriaal en bio-energie zorgt
voor economische ontwikkeling en werkgelegenheid en biedt mogelijkheden tot
sociale innovatie. Door gebruik te maken van de Europese genetische
diversiteit, komen enorme ontwikkelingsmogelijkheden binnen bereik. Kortom, er
ontstaan nieuwe product- en marktkansen voor de primaire producenten. Het EIP
zal hen helpen om deze kansen te benutten. Bij gebrek aan een innovatiemotor als het EIP
zal de EU-landbouw moeite hebben om de productie op te voeren zonder verdere
verslechtering van de productiecapaciteit en natuurlijke hulpbronnen, en in het
bijzonder bodem, water en ecosysteemdiensten. Volgens de studie over de
economische aspecten van ecosystemen en biodiversiteit ("The Economics of
Ecosystems and Biodiversity") heeft de biodiversiteit van terrestrische
systemen in 2050 bij het behoud ervan een waarde van zo'n 7% van het geraamde
bbp. De insectenbestuiving wordt in de studie als voorbeeld genoemd: deze is
goed voor 15 miljard euro per jaar. Daarnaast zal het EIP bijdragen aan de
koolstofvastlegging, aan een beperking van de uitstoot van broeikasgassen en
aan de terugdringing van de energiebehoefte. Een betere kennis van nutritionele
aspecten zal leiden tot een gedragsverandering bij de consument en tot een
grotere diversiteit aan en een hogere kwaliteit van producten.
5.
Mobilisatie van het potentieel
De lidstaten en de belanghebbenden hebben herhaaldelijk
gewezen op het belang van innovatie in de landbouw en op de bevordering ervan
via een EU-brede aanpak. In dit verband heeft de Europese Raad op 20 juni 2008
verklaard: Er moet verder werk worden gemaakt van innovatie, onderzoek en
ontwikkeling van de landbouwproductie, met name om de energie-efficiëntie, de
groei van de productiviteit en het vermogen om zich aan de klimaatverandering
aan te passen, te versterken. Landbouworganisaties hebben soortgelijke
conclusies getrokken. In de G20-verklaring van Cannes is onderstreept dat
investeringen in landbouwonderzoek en –innovatie van essentieel belang zijn. De opzet en inhoud van het EIP voor de
productiviteit en duurzaamheid in de landbouw is besproken met een breed scala
aan belanghebbenden. Zij hebben erop gewezen dat een agrarisch EIP dringend
nodig is en dat de kloof tussen de landbouwpraktijk en de wetenschap met slimme
netwerkvorming moet worden overbrugd. Het EIP zal de partners op de verschillende
institutionele en geografische niveaus en in de verschillende sectoren
aanmoedigen om samen te werken en het enorme synergiepotentieel te benutten. Er
zal vooral moeten worden geprofiteerd van de kansen die de verschillende
beleidsterreinen van de EU bieden, en met name het gemeenschappelijk landbouwbeleid
(GLB), het onderzoek- en innovatiebeleid, het cohesiebeleid, het milieu- en
klimaatveranderingsbeleid, het consumenten- en gezondheidsbeleid, het
onderwijs- en opleidingsbeleid, het industriebeleid en het informatiebeleid.
Met andere EIP´s, en met name het EIP voor grondstoffen en het EIP voor een
waterefficiënt Europa, zal nauw worden samengewerkt en zullen ervaringen worden
uitgewisseld. Het EIP voor een waterefficiënt Europa is met het agrarisch EIP
verbonden omdat het waterinfrastructuur en de toewijzing van water in
plattelandsgebieden betreft, terwijl het agrarisch EIP zich richt op waterbeheer
en de terugdringing van de vervuiling van water op landbouwbedrijfsniveau.
6.
Omzetting van innovaties in concrete
landbouwproducten
Het EIP zal meerdere fasen beslaan: van het
onderzoek zelf en de verspreiding van de onderzoeksresultaten tot de
ontwikkeling van producten en technieken, en de opname ervan in het
productieproces. Certificeringsprocessen waarin bevestigd wordt dat de
onderzoeksproducten een toegevoegde waarde hebben, zullen daarin ook een
belangrijke rol krijgen. Met het oog op de vertaling van innovaties
naar de landbouwpraktijk zal het EIP concrete innovatieve acties steunen in het
kader van allerlei bestaande beleidsterreinen, en in het bijzonder het
EU-plattelandsontwikkelingsbeleid en het onderzoek- en innovatiebeleid van de
EU. Aangezien plattelandsontwikkelingsprogramma's doorgaans aan bepaalde -
meestal lokale, regionale of nationale - grenzen zijn gebonden, moeten
innovatieve acties op transregionaal, grensoverschrijdend of EU-niveau mede
worden gefinancierd in het kader van het onderzoek- en innovatiebeleid van de
EU. Ook moet worden gestreefd naar synergie met de kansen die het
cohesiebeleid, met name via regionale innovatiestrategieën en transnationale en
interregionale samenwerkingsprogramma's, biedt. De toegevoegde waarde van het EIP ligt ten
eerste in de mogelijkheden ervan om bestaand beleid te richten op innovatie, en
ten tweede in zijn functie als dynamisch platform om landbouwers,
belanghebbenden en onderzoekers samen te brengen. De uitvoering zal verlopen
via operationele groepen die de spil vormen en waarvan onder meer landbouwers,
wetenschappers, adviseurs, ngo's en/of bedrijven deel zullen uitmaken. De
operationele groepen zullen zich organiseren rondom specifieke onderwerpen en
zullen projecten uitvoeren die gericht zijn op het uittesten en toepassen van
innovatieve praktijken, processen, producten, diensten en technologieën. Op
grensoverschrijdend of EU-niveau zullen operationele groepen zich met name
bezighouden met clusterinitiatieven en met proef- en demonstratieprojecten. De
concrete acties zullen worden gevoed met de kennis uit het EU-kader voor
onderzoek en innovatie. Onder de paraplu van het
plattelandsontwikkelingsnetwerk zal een EIP-netwerkfaciliteit worden opgezet.
Het netwerk zal activiteiten stimuleren op lokaal, regionaal, nationaal en
Uniaal niveau. Ook zal het de oprichting van operationele groepen aanmoedigen
en informatie geven over de kansen die het EU-beleid biedt. De operationele
groepen moeten op hun beurt aan het netwerk verslag uitbrengen over hun
projecten. Het netwerk functioneert dus als verbindende schakel die de
communicatie en samenwerking tussen de wetenschap en de praktijk versterkt en
helpt bij de uitwisseling van zowel positieve als negatieve ervaringen, goede
praktijken en de lessen die geleerd zijn. Ook zal het zorgen voor een
mechanisme van systematische terugkoppeling van de praktijkbehoeften naar de
wetenschapsagenda. Het welslagen van het EIP hangt af van de
verstrekking en overdracht van relevante kennis vanuit een breed scala aan
disciplines binnen de Europese onderzoeksgemeenschap. Van de zogeheten
gezamenlijke programmeringsinitiatieven (JPI), het Permanent Comité voor
onderzoek in de landbouw (SCAR), de ERA-NET's[8]
en de Europese technologieplatforms wordt een aanzienlijke bijdrage aan de
discussie over en het ontwikkelen van consistente en relevante thematische
lijnen verwacht. Deze initiatieven leveren input voor de discussie over potentiële
innovatieve acties en de ervaringen die zijn opgedaan. Ze kunnen de oprichting
van operationele groepen stimuleren met het oog op de multiplicatie van
innovatieve acties. Het EIP-netwerk zal er mede voor zorgen dat deze
initiatieven nauwer met elkaar in verbinding komen te staan. Een en ander zal
worden gemonitord en geëvalueerd om een solide uitvoeringspraktijk te
waarborgen.
7.
Organisatie
Een hoge stuurgroep, bestaande uit een beperkt
aantal vertegenwoordigers uit de lidstaten en belanghebbenden uit de vraag- en
aanbodzijde die op persoonlijke titel worden benoemd, zal strategische adviezen
en oriëntering verlenen via een strategisch uitvoeringsplan waarin de
prioritaire actiegebieden en de aanbevelingen ter verwezenlijking van de
EIP-doelen worden aangeduid. Op basis van de ervaringen met het
bovengenoemde proef-EIP (het EIP inzake actief en gezond ouder worden) zal de
stuurgroep de lidstaten en belanghebbenden volledig betrekken bij de concrete
acties en de follow-up van het agrarisch EIP. Dit zal ook gebeuren via
focusgroepen en thematische seminars die door het netwerk moeten worden
opgezet. Het EIP baseert zich op het bestaande
EU-beleid. De financiering, uitvoering en prioritering van acties berust op de
mechanismen van dit beleid. Zo moeten onder meer de lidstaten in het kader van het
plattelandsontwikkelingsbeleid "gekwantificeerde mijlpalen" vaststellen
(ook voor innovatie) op basis van de doelstellingen van Europa 2020. Het
onderzoek- en innovatiebeleid van de EU zal projecten steunen die aansluiten
bij de strategische richting en de besluitvormingsmechanismen van Horizon 2020.
Het EIP-netwerk zal gebruikmaken van de bestaande mechanismen voor de
rapportage aan en de interactie met de lidstaten en de beheersautoriteiten voor
plattelandsontwikkeling, waaronder het comité voor plattelandsontwikkeling en
de monitoringcomités.
8.
Actiegebieden voor innovatie
Uit de ervaring met het proef-EIP is gebleken
dat de inhoud en prioriteiten van het EIP op een open wijze gestalte moeten
krijgen en recht moeten doen aan de behoefte aan diverse oplossingen. Voor de
vertaling van nieuwe technologieën, methoden en processen naar de
landbouwpraktijk en voor het creëren van ruimte voor het stellen van praktische
vragen en het verlenen van praktische adviezen is een bottom-upaanpak in
combinatie met effectieve netwerkactiviteiten nodig. Overeenkomstig de
conclusies van de OESO[9]
zal het EIP niet inzetten op één innovatiemodel. Voorts moet rekening worden
gehouden met het feit dat innovatie niet per se van technologische aard hoeft
te zijn. Innovatie kan ook betrekking hebben op sociale en op
niet-technologische innovatie en kan gebaseerd zijn op zowel nieuwe als
traditionele praktijken. Op basis van de input van en gedachtewisseling
met belanghebbenden en onderzoekers zijn diverse indicatieve
prioriteitsgebieden voor onderzoek en innovatie geselecteerd. Er zij op gewezen
dat de onderstaande lijst niet bedoeld is om de inhoud van innovatieacties in
het veld vooraf vast te leggen. De uitvoering van het EIP zal er een aanvulling
op vormen. ·
Verhoging van de productiviteit, productie en
een efficiënt gebruik van hulpbronnen in de landbouw Dit innovatiegebied beoogt een verhoging van de
landbouwproductie in combinatie met een efficiënt en duurzaam gebruik van
hulpbronnen. Productiesystemen met een lage input zijn gericht op een duurzaam
gebruik van voedingsstoffen (zoals fosfor en stikstof) en bestrijdingsmiddelen,
op een optimaal gebruik van energie, water en genetische hulpbronnen en op een
geringere afhankelijkheid van externe input. Er is vooruitgang nodig op het
gebied van geïntegreerde plaagbestrijding, van biologische bestrijding van plantenziekten
en plagen, van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en van de
terugdringing van de uitstoot van broeikasgassen bij de dierlijke productie en
vanuit de bodem. De druk op de natuurlijke hulpbronnen kan verminderen met
recyclingoplossingen en oplossingen voor de beperking van de verliezen na de
oogst. Voorts moeten de mogelijkheden van groene technologieën als ICT, precisielandbouw
en waarschuwingssystemen voor schadelijke organismen, worden verkend. ·
Innovatie gericht op de bio-economie Innovatieve oplossingen moeten geschikt zijn voor
de gehele voorzieningsketen en voor de groeiende bio-economie als zodanig. Er
moeten oplossingen worden gevonden op het gebied van de bioraffinage en ‑recycling
en een slim gebruik van gewassen, bossen en voedselafval, waarbij het
potentieel ervan trapsgewijs wordt benut zonder dat het organisch materiaal in
de bodem wordt verminderd. Ook kan worden gekeken naar de vervanging van de
primaire eiwitproductie door algen of biofermentatie. De teelt van dieren en
planten kan worden onderzocht op de mogelijkheden om een hogere productie te
bewerkstelligen, de uitstoot te beperken en/of de ziektebestendigheid ervan te
verhogen, en om de kwaliteit van de eindproducten te verhogen (door
bijvoorbeeld een verbetering van de voedingsprofielen). ·
Biodiversiteit, ecosysteemdiensten en
bodemfunctionaliteit Innovatie die leidt tot een duurzamere landbouw
–en bosbouw, heeft ook een gunstige uitwerking op ecosysteemdiensten en op de
bodemfunctionaliteit. Daarbij moet de nadruk komen te liggen op geïntegreerde
agromilieusystemen, waaronder de verbetering van de biodiversiteit in de bodem,
de koolstofvastlegging, het vasthouden van water, de stabiliteit en veerkracht
van het ecosysteem, en bestuivingsfuncties. De oplossingen kunnen gericht zijn
op een verbetering van het grondbeheer (zoals minimale bodembewerking, en de
instandhouding van groene infrastructuur), een geïntegreerde ruimtelijke planning
en nieuwe agroforestrysystemen, alsmede methoden om natuurlijke ecosystemen in
stand te houden. Voorts kan worden gedacht aan een optimalisatie van het
gebruik van genetische hulpbronnen, aan biologische of lage-inputsystemen, aan
een vergroting van de genetische diversiteit in de landbouw, aan de
ontwikkeling van bioremediatie voor verontreinigde bodems en aan innovatieve
strategieën voor de aanpassing aan klimaatverandering. ·
Innovatieve producten en diensten voor de geïntegreerde
voorzieningsketen Doel is de ontwikkeling en inzet van innovatieve
producten, apparaten en diensten in combinatie met de opzet van een
transparante en duurzame voorzieningsketen. Daarbij ligt de nadruk op een
verbetering van informatiesystemen en risicobeheersinstrumenten waarin de kenmerken
van producten en productieprocessen tot uiting komen, zoals benchmarking,
duurzaamheidsnormen, voetafdrukken, levenscyclusanalysen (met de nadruk op
afvalbeheer) en certificeringssystemen. De oplossingen kunnen betrekking hebben
op managementinnovatie met betrekking tot landbouwers die hun rol in de
voorzieningsketens versterken, bijvoorbeeld via producentengroeperingen of
korte voedselketens. Met nieuwe diagnostische hulpmiddelen zouden de
ecologische en sociale prestaties van landbouwbedrijven kunnen worden gevolgd.
Voorts kunnen de oplossingen betrekking hebben op de benutting van de volledige
diversiteit van het genetisch erfgoed, op het creëren van nieuwe, duurzamere
kansen en op de totstandbrenging van institutionele innovaties (bijvoorbeeld
koolstofmarkten). Monitoringsystemen kunnen worden gericht op aanwezigheid van
resten (van bijvoorbeeld bestrijdingsmiddelen) in voedsel. ·
Voedselkwaliteit, voedselveiligheid en gezonde
leefstijlen Goed geïnformeerde consumenten zijn van essentieel
belang voor de sturing van de gehele voorzieningsketen. De acties ter zake
hebben in dit geval betrekking op de voedselkwaliteit en ‑veiligheid,
bijvoorbeeld de ontwikkeling van nieuwe voedselkwaliteitsregelingen en
regelingen voor de diergezondheidszorg. Bioprospectie en het potentieel van
geneeskrachtige planten als grondstof kunnen nader worden onderzocht. Voorts
kan worden gedacht aan de natuurlijke behandeling van dieren en planten en aan
methoden voor de analyse van de biologische eigenschappen van voedsel.
Hulpmiddelen voor de verandering van consumptiepatronen en de bijbehorende
educatie-, informatie- en leermiddelen kunnen leiden tot een verbetering van de
volksgezondheid. Daarnaast kan worden gedacht aan gezonde ingrediënten in
producten (zoals melk of olie met omega 3‑vetzuren) die het
resultaat zijn van een verdere ontwikkeling van voedingsstoffen en de
veredeling van dieren. Met intelligente verpakkingen en met educatie en
voorlichting kan op consumentenniveau iets worden gedaan aan het probleem van
de verliezen na oogst.
9.
Volgende stappen
Aangezien het dringend nodig is om het accent
van de ontwikkelingspatronen in de landbouw te verschuiven naar meer
duurzaamheid, moeten deze activiteiten zo spoedig mogelijk van start gaan. Deze
mededeling is bedoeld om het debat met de lidstaten, het Europees Parlement en
belanghebbenden over de strategische doelstellingen en het format van het
agrarisch EIP te stimuleren. Met inachtneming van het standpunt van het
Europees Parlement en van de Raad over deze mededeling zal een strategisch
uitvoeringsplan worden opgesteld. Eerst zullen met de technische hulp van het
plattelandsontwikkelingsbeleid netwerkfaciliteiten worden opgezet. Zo'n
EIP-netwerk moet tijdig worden opgericht om de actoren en belanghebbenden
vroegtijdig te informeren over de kansen op het gebied van innovatieve actie.
Dat zal de vertaling van prioriteiten naar concrete innovatieve acties in het
veld vergemakkelijken. [1] COM(2010) 2020. [2] COM(2010) 672. [3] COM(2011) 500. [4] COM(2010) 546. [5] COM(2011) 571 definitief. [6] Gemeten als "totale factorproductiviteit". [7] Hetgeen ook inhoudt dat de trend van afname van
organisch materiaal in de bodem moet worden gekeerd, en dat passende
landbouwpraktijken moeten worden toegepast op erosiegevoelige landbouwgrond. [8] In het kader van ERA-NET-regelingen wordt steun geboden
aan de samenwerking en coördinatie van onderzoeksactiviteiten op nationaal of
regionaal niveau. [9] Zie het Oslo-handboek voor het verzamelen en
interpreteren van gegevens over innovatie, OESO en Eurostat, Parijs (2005).