VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD EN HET EUROPEES PARLEMENT over de toepassing van de regeling betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit bepaalde bijdragen, rechten en belastingen alsmede andere maatregelen in de periode 2009-2010 /* COM/2012/058 final */
VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD EN
HET EUROPEES PARLEMENT over de toepassing van de regeling
betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen
die voortvloeien uit bepaalde bijdragen, rechten en belastingen alsmede andere
maatregelen in de periode 2009-2010 1. Inleiding De EU-lidstaten verlenen elkaar wederzijdse
bijstand bij de invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit bepaalde
bijdragen, rechten, belastingen en andere maatregelen, overeenkomstig Richtlijn
2008/55/EG van 26 mei 2008[1].
Krachtens deze richtlijn moet de Commissie regelmatig verslag uitbrengen over
het gebruik van de regeling voor wederzijdse bijstand. Het voorliggende verslag
behandelt de invorderingsbijstand in 2009-2010[2]
alsook de actuele wijzigingen en lopende initiatieven op dit gebied. 2. Analyse van het gebruik van maatregelen
voor wederzijdse bijstand in 2009 en 2010 Een effectieve
inning en invordering van belastingen is een van de hoekstenen van een
efficiënt en billijk belastingstelsel. Met name in tijden waarin alle lidstaten
voor budgettaire uitdagingen staan, moeten overheden streven naar een betere
inning en invordering van belastingen. In dit verband is wederzijdse
invorderingsbijstand tussen de belastingdiensten van verschillende lidstaten
een essentieel instrument, dat de financiële belangen van de lidstaten en de
Europese Unie als geheel helpt te beschermen. Dit wordt bevestigd door het feit
dat er steeds vaker een beroep wordt gedaan op het EU-wetgevingskader voor
fiscale invorderingsbijstand. 2.1. Toenemend gebruik van de
EU-regeling betreffende wederzijdse bijstand De door de lidstaten verstrekte cijfers tonen
een stijging in het aantal verzoeken om bijstand op basis van de
EU-wetgeving (eerste balk in onderstaande grafiek). Er kan ook worden vastgesteld dat de
EU-lidstaten onderling in veel grotere mate een beroep doen op het
EU-wetgevingskader dan op andere overeenkomsten of regelingen voor wederzijdse
invorderingsbijstand. In de periode 2005-2010 hebben de lidstaten onderling
minder een beroep gedaan op andere wederzijdse bijstandsregelingen (tweede
balk in onderstaande grafiek). (Gegevens over het gebruik van andere
wederzijdse bijstandsregelingen zijn slechts beschikbaar voor de periode
2005-2010)[3]. 2.1.1. Ontwikkeling
van de verzoeken om inlichtingen 2.1.2. Ontwikkeling van de verzoeken tot
notificatie 2.1.3. Ontwikkeling van de verzoeken tot
invordering 2.1.4. Soort schuldvorderingen waarvoor
invorderingsbijstand is gevraagd Het soort schuldvorderingen kan, uitgedrukt in
een percentage van de som van alle vorderingen, aan de hand van de volgende
grafieken[4]
geïllustreerd worden: –
verzoeken
betreffende douanerechten (en andere schuldvorderingen als bedoeld in
artikel 2, onder a) tot en met d), van Richtlijn 2008/55/EG) vertegenwoordigen
een klein deel van alle verzoeken (5 % in 2009 en 9 % in 2010); –
verzoeken
betreffende btw-vorderingen (als bedoeld in artikel 2, onder e), van
Richtlijn 2008/55/EG) vertegenwoordigen niet langer het grootste deel van de
verzoeken om invorderingsmaatregelen, zij het dat hun aandeel nog altijd
aanzienlijk blijft (41 % in 2009 en 26 % in 2010); –
verzoeken
betreffende accijnzen (als bedoeld in artikel 2, onder f), van Richtlijn
2008/55/EG) maken eveneens een variërend deel uit van alle verzoeken (7 %
in 2009 en 21 % in 2010); –
verzoeken
betreffende belastingen naar inkomen en vermogen (als bedoeld in artikel
2, onder g), van Richtlijn 2008/55/EG) vertegenwoordigen een groot deel van de
verzoeken (47 % in 2009 en 44 % in 2010). 2.2. Stijging van ingevorderde
bedragen 2.2.1. Algemene ontwikkeling van de
bedragen waarvoor invorderingsbijstand is gevraagd De bedragen waarvoor in 2009 en in 2010 om
invorderingsbijstand is verzocht, zijn fors gedaald ten opzichte van de
voorgaande jaren (2003 = 100 %). Deze ontwikkeling spoort met de
tijdelijke terugval in het aantal invorderingsverzoeken in 2009, maar staat in
contrast met de toename van het aantal invorderingsverzoeken in 2010. 2.2.2. Algemene ontwikkeling van de
ingevorderde bedragen De ontwikkeling van de bedragen die effectief
worden ingevorderd, gaat in stijgende lijn. In vergelijking met de bedragen die
in 2003 zijn ingevorderd (100 %), zijn de ingevorderde bedragen in omvang
gestegen tot bijna 840 % in 2009 en bijna 880 % in 2010[5]. 2.2.3. Verdeling van de voor andere
lidstaten ingevorderde bedragen volgens het jaar waarop de verzoeken in kwestie
betrekking hebben Er gaat enige tijd overheen voordat
invorderingsmaatregelen worden genomen en voordat deze maatregelen effect
sorteren. Zo zullen bedragen die door een aangezochte lidstaat in 2008 zijn
ingevorderd, slechts ten dele betrekking hebben op verzoeken die deze lidstaat
in dat jaar heeft ontvangen, en zullen zij ook betrekking hebben op verzoeken
die de lidstaat al in vorige jaren heeft ontvangen. De volgende grafiek toont
voor de bedragen die effectief zijn ingevorderd in de jaren 2005-2010, het jaar
waarin de verzoeken in kwestie zijn gedaan. Uit deze statistieken blijkt dat
circa 90 % van de in deze periode ingevorderde bedragen betrekking heeft op
verzoeken uit hetzelfde jaar (aangegeven door "=" in onderstaande
grafiek) of uit de drie voorgaande kalenderjaren (aangegeven als "-1"
tot en met "-3" in onderstaande grafiek). 2.2.4. Totale invorderingsratio Uit de statistieken blijkt dat in de periode
2009-2010 de ingevorderde bedragen fors zijn blijven stijgen, terwijl de
bedragen waarvoor om invorderingsbijstand is verzocht, zijn gedaald. Er kan
evenwel niet worden geconcludeerd dat de totale invorderingsratio sterk is
gestegen in vergelijking met de situatie die in het vorige rapport werd
beschreven (toen werd opgemerkt dat de totale invorderingsratio voor de
invorderingsverzoeken tussen de EU-lidstaten onderling op dat ogenblik op circa
5 % kon worden geraamd). Het is immers zo dat de invorderingsmaatregelen
die worden genomen om uitvoering te geven aan een verzoek dat in een bepaald
jaar is ontvangen, veelal niet volledig zijn afgerond in datzelfde jaar (zie
punt 2.2.3). De hogere ingevorderde bedragen in 2009 en 2010 zien grotendeels
op verzoeken uit de jaren 2006-2008, toen de bedragen waarvoor om
invorderingsbijstand werd verzocht, ook hoger waren. Hoe dan ook kan de daling van de bedragen
waarvoor om invorderingsbijstand werd verzocht in 2009-2010, in de komende
jaren tot een toename van de invorderingsratio voor deze verzoeken leiden. Er
kan worden verwacht dat deze ratio zelfs hoger zal uitkomen dan de
invorderingsratio van 6 % die tot dusver werd behaald voor de
invorderingsverzoeken die in 2004 werden ontvangen[6]. Het blijft niettemin zaak de
totale invorderingsratio verder te verbeteren. 3. Versterking van de wederzijdse bijstand bij
invordering In haar vorige verslag (COM(2009) 451 van
4.9.2009) heeft de Commissie benadrukt dat er bijzondere inspanningen moesten
worden geleverd om de invorderingsbijstand efficiënter te maken, alsook ter
versterking van –
de mogelijkheden om uit hoofde van de EU-wetgeving
invorderingsbijstand te verlenen, en –
de invorderingsinstrumenten waarvan de
belastingdiensten uit hoofde van hun nationale wetgeving gebruik kunnen maken. 3.1. Nieuwe EU-wetgeving Op 16 maart 2010 heeft de Raad Richtlijn
2010/24/EU[7]
betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen
die voortvloeien uit belastingen, rechten en andere maatregelen aangenomen. De
lidstaten moeten deze nieuwe richtlijn toepassen vanaf 1 januari 2012. De
uitvoeringsbepalingen van de Commissie, die door het invorderingscomité op zijn
vergadering van 3 en 4 oktober 2011 unaniem werden ondersteund, zullen voor
eind 2011 worden aangenomen. Deze nieuwe richtlijn is een mijlpaal op de
weg naar een efficiëntere invorderingsbijstand. De belangrijkste verbeteringen
betreffen: –
de introductie van een uniforme titel voor het
nemen van executiemaatregelen in de aangezochte lidstaat en een uniform
notificatieformulier De vaststelling van deze uniforme instrumenten
biedt een oplossing voor de huidige problemen, de vertaalkosten en de erkenning
van buitenlandse executoriale titels. Een eerste poging om deze problemen aan
te pakken dateert van 2001, toen Richtlijn 2001/44/EG[8] van de Raad werd aangenomen.
Toen al werd er gestreefd naar een efficiëntere en doeltreffender invordering
van schuldvorderingen, met name door te bepalen dat de executoriale titel van
de schuldvordering in beginsel op dezelfde wijze moest worden behandeld als een
titel van de aangezochte lidstaat. Deze aanpak spoorde met de doelstellingen op
het gebied van burgerlijke, handels- en strafzaken, in navolging van de
richtsnoeren van de Europese Raad van Tampere van 15 en 16 oktober 1999, die
had verklaard dat een versterkte wederzijdse erkenning van rechterlijke
beslissingen en vonnissen de samenwerking tussen de autoriteiten en de
rechtszekerheid in de Europese Unie ten goede zouden komen[9]. Aangezien toen evenwel ook al
duidelijk was dat dit beginsel niet onverkort ten uitvoer kon worden gelegd,
was in Richtlijn 2001/44/EG nog bepaald dat de executoriale titel van de
schuldvordering, in voorkomend geval en volgens de geldende bepalingen in de
aangezochte lidstaat, kon worden bekrachtigd als, erkend als, aangevuld met of
vervangen door een op het grondgebied van de aangezochte lidstaat geldende
executoriale titel. In de nieuwe richtlijn worden een uniforme titel voor het
nemen van executiemaatregelen in de aangezochte lidstaat en een uniform
standaardformulier voor de notificatie van akten en beslissingen met betrekking
tot de schuldvordering vastgesteld, hetgeen een einde zou moeten maken aan de
problemen omtrent de erkenning en vertaling van in andere lidstaten afgegeven titels.
De wederzijdse invorderingsbijstand zal hierdoor efficiënter worden; –
de uitbreiding van het toepassingsgebied De uitbreiding van het toepassingsgebied tot alle
in de lidstaten geheven belastingen en rechten zal het werk van de
belastingdiensten aanzienlijk vereenvoudigen: voortaan kunnen dezelfde regels
worden toegepast op alle verzoeken om invorderingen van belastingen. Hierdoor
kunnen de problemen worden vermeden die zich voordoen bij de toepassing van
verschillende overeenkomsten en regelingen, elk met hun eigen mogelijkheden,
voorwaarden, werkwijzen en communicatiemethoden. Deze uitbreiding is ook
logisch, omdat het concurrentievermogen en de fiscale neutraliteit van de
interne markt niet alleen worden ondergraven door de niet-betaling van de belastingen
die tot dusver onder het toepassingsgebied van Richtlijn 2008/55/EG vielen. Ook
fraude in verband met andere belastingen kan immers de verhoudingen op de
interne markt verstoren of een bedreiging vormen voor de financiële belangen
van de Gemeenschap en haar lidstaten; –
de versterking van de mogelijkheden om een beroep
te doen op invorderingsbijstand Volgens de bestaande regels kan de verzoekende
autoriteit slechts een verzoek tot invordering indienen wanneer zij in haar
eigen lidstaat de daartoe ter beschikking staande invorderingsprocedures heeft
ingesteld en de genomen maatregelen niet tot volledige betaling van de
schuldvordering zullen leiden (artikel 7, lid 2, onder b), van Richtlijn
2008/55/EG). In de nieuwe richtlijn zijn de mogelijkheden om een beroep te doen
op bijstand bij invordering, verruimd. Ofschoon van de verzoekende autoriteit
in principe nog altijd verwacht wordt dat zij passende invorderingsmiddelen
aanwendt die in haar eigen lidstaat ter beschikking staan voordat zij om
bijstand verzoekt, is voorzien in een uitdrukkelijke uitzondering voor gevallen
waarin "de aanwending van die middelen in de verzoekende lidstaat tot
onevenredige moeilijkheden zou leiden" (artikel 11, lid 2, onder b), van
Richtlijn 2010/24/EU). In dit verband is het belangrijk erop te wijzen dat de
Raad heeft gekozen voor dezelfde formulering als in artikel 19 van het verdrag
inzake wederzijdse administratieve bijstand in fiscale aangelegenheden van de
Raad van Europa en de OESO. Dit laat toe te concluderen dat deze nieuwe
bepaling op dezelfde wijze kan worden uitgelegd, hetgeen betekent dat er om
bijstand bij invordering kan worden verzocht wanneer de invordering
gemakkelijker kan worden gerealiseerd in de aangezochte lidstaat[10]. Dankzij de nieuwe richtlijn
kunnen invorderingsverzoeken dus in een vroeg stadium worden verzonden. De
ervaring leert dat de kansen op invordering dalen naarmate de schuldvordering
ouder is. Dat het mogelijk wordt om in een vroeg stadium een verzoek in te
dienen, is met name belangrijk in situaties waarbij frauduleuze debiteuren
proberen vermogensbestanddelen te verschuiven en hun betalingsverplichtingen
te ontlopen. De afhandeling van verzoeken om bijstand zal
nog worden vergemakkelijkt door het gebruik van nieuwe elektronische
standaardverzoekformulieren, die ook de nieuwe uniforme titels omvatten en
automatische vertaling mogelijk maken. 3.2. Versterking van de innings-
en invorderingssystemen in de lidstaten De invorderingsbijstand kan pas slagen als ook
de nationale invorderingsmaatregelen doortastend zijn. De lidstaten zijn
voortdurend op zoek naar doeltreffender innings- en invorderingsprocedures.
Deze procedures verbeteren is in eerste instantie een nationale aangelegenheid.
In overeenstemming met de aanbeveling van het invorderingscomité zal de
Commissie evenwel een projectgroep oprichten die de lidstaten bijstand zal
verlenen door op dit gebied beste praktijken te ontwikkelen. 4. Conclusies en verdere initiatieven Uit de statistieken blijkt dat er in de
periode 2009-2010 een intensief beroep is gedaan op de regeling voor
wederzijdse invorderingsbijstand. De stijging van de ingevorderde bedragen
bewijst dat deze samenwerking tussen de lidstaten vruchten afwerpt. De toepassing
van de nieuwe EU-wetgeving vanaf 1 januari 2012 zou de invorderingsbijstand nog
efficiënter moeten maken. Daarnaast moeten de lidstaten nagaan in hoeverre hun
nationale wetgeving, procedures en instrumenten voor de inning en invordering
van belastingen kunnen worden verbeterd. Te dien einde zal de Commissie
Fiscalis-projectgroepen opzetten om op dit gebied aanbevelingen voor beste
praktijken te ontwikkelen. De Commissie zal de lidstaten ook helpen bij de
ontwikkeling van spontane en automatische inlichtingenuitwisseling voor
invorderingsdoeleinden. Op basis van de ervaringen van de lidstaten met het
nieuwe wetgevingskader zal de Commissie ten slotte ook nagaan of er verdere
EU-initiatieven moeten worden genomen om de wederzijdse invorderingsbijstand te
verbeteren, met name wat betreft conservatoire maatregelen en gevallen van
insolventie. [1] PB L 150 van 10.6.2008, blz. 28. [2] Het eerste verslag (COM(2006) 43), dat op 8
februari 2006 is verschenen, geeft een overzicht van de in 2003 en 2004
verleende wederzijdse bijstand bij invordering. Het tweede verslag (COM(2009) 451),
dat op 4 september 2009 is verschenen, geeft een overzicht van de tussen 2005
en 2008 verleende wederzijdse bijstand bij invordering. [3] Gegevens op basis van de door de aangezochte lidstaten
verstrekte statistieken. [4] Statistieken op basis van het gemiddelde van ontvangen
en verzonden verzoeken. Voor 2005 zijn deze statistieken gebaseerd op door 17
lidstaten gerapporteerde gegevens, voor 2006 op door 20 lidstaten
gerapporteerde gegevens, voor 2007 op door 24 lidstaten gerapporteerde
gegevens, voor 2008 op door 25 lidstaten gerapporteerde gegevens, en voor 2009
en 2010 op door 26 lidstaten gerapporteerde gegevens. Het aandeel van de
verzoeken betreffende belastingen op verzekeringspremies (als bedoeld in
artikel 2, onder h), van Richtlijn 2008/55/EG) in alle verzoeken is zo klein
dat het niet in de tabel is opgenomen. [5] Statistieken gerapporteerd door de aangezochte lidstaten
als ingevorderd op verzoek van andere lidstaten. [6] Er zij ook op gewezen dat de totale som van de in de
invorderingsverzoeken genoemde bedragen niet noodzakelijk overeenstemt met de
werkelijk verschuldigde bedragen; zo kan dezelfde vordering zijn opgenomen in
verschillende verzoeken aan verschillende lidstaten. Verzoeken kunnen achteraf
ook worden ingetrokken, omdat de vordering vrijwillig is betaald of met succes
is bestreden. In de beschikbare statistieken kan momenteel geen rekening worden
gehouden met al deze situaties. [7] PB L 84 van 31.3.2010, blz. 1. [8] Richtlijn 2001/44/EG van de Raad van 15 juni 2001 (PB L 175
van 28.6.2001, blz. 17). [9] Zie het ontwerpprogramma van de Raad van maatregelen
voor de uitvoering van het beginsel van wederzijdse erkenning van beslissingen
in burgerlijke en handelszaken (PB C 12 van 15.1.2001, blz. 1) en het programma
van de Raad van maatregelen om uitvoering te geven aan het beginsel van
wederzijdse erkenning van strafrechtelijke beslissingen (PB C 12 van 15.1.2001,
blz. 10). [10] Zie het toelichtend rapport bij het verdrag inzake
wederzijdse administratieve bijstand in fiscale aangelegenheden van de Raad van
Europa en de OESO, punt 204: (…) Zo kan het, in het geval van bijstand bij
invordering, voorkomen dat sommige vermogensbestanddelen pas na omslachtige
procedures in de verzoekende staat in beslag kunnen worden genomen, terwijl er
andere vermogensbestanddelen in de aangezochte staat zijn, die gemakkelijker in
beslag kunnen worden genomen.