4.10.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 299/103


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het programma „Justitie” voor de periode 2014-2020

(COM(2011) 759 final — 2011/0369 (COD))

2012/C 299/19

Rapporteur: de heer DE LAMAZE

De Raad heeft op 9 februari 2012 besloten om, overeenkomstig art. 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), het Europees Economisch en Sociaal Comité te raadplegen over het

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het programma "Justitie" voor de periode 2014-2020

COM(2011) 759 final — 2011/0369 (COD).

De afdeling Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Burgerschap, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 28 juni 2012 goedgekeurd.

Het Comité heeft tijdens zijn op 11 en 12 juli 2012 gehouden 482e zitting (vergadering van 11 juli 2012) onderstaand advies uitgebracht, dat met 126 stemmen vóór en 1 stem tegen, bij 5 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1   Het Europees Economisch en Sociaal Comité is ingenomen met het streven naar vereenvoudiging en rationalisatie in het huidige voorstel en steunt de Commissie in haar voorkeur voor optie B. De fusie van de programma's Civiel Recht en Strafrecht is een logische keuze omdat de doelstellingen, actoren en te financieren maatregelen nauw op elkaar aansluiten.

1.2   Het Comité blijft in het kader van het nieuwe programma ‧Justitie‧ echter wel vraagtekens plaatsen bij de beslissing om aan de twee eerste ‧specifieke‧ doelstellingen (de juiste toepassing van de wetgeving van de Unie op het gebied van de justitiële samenwerking inzake civiel- en strafrecht en het vereenvoudigen van de toegang tot de rechter), een derde doelstelling te koppelen, namelijk de preventie en de terugdringing van de vraag naar, en het aanbod van drugs. En deze twijfel wordt niet weggenomen door het juridische pleidooi van de Commissie ter onderbouwing van deze keuze. Ten eerste lijkt de derde doelstelling niet meer te zijn dan een afgeleide van de eerste, maar er zijn ook gevolgen verbonden aan de beslissing om een dergelijke doelstelling op te nemen in een wetgevingstekst, die per definitie een krachtig, onmiddellijk en rechtstreeks signaal afgeeft voor de burgers, verenigingen, ngo's en andere potentiële begunstigden van subsidies: een dergelijk besluit zou de indruk kunnen wekken dat andere vraagstukken die minstens even essentieel zijn, zoals bijvoorbeeld de bestrijding van de mensenhandel, niet op dezelfde mate van verontrusting kunnen rekenen bij de Commissie.

1.3   Het Comité is verder vooral bezorgd over de boodschap die de Commissie heeft afgegeven en wil nogmaals wijzen op zijn bekende standpunt dat er op het gebied van drugsbestrijding veel meer te winnen valt met goede voorlichting en welzijns- en gezondheidsmaatregelen dan met een repressieve aanpak. (1)

1.4   Het Comité kan zich vinden in de voorkeur van de Commissie om een grote mate van flexibiliteit toe te kennen bij het beheer van het huidige programma, teneinde beter op de behoeften van de civiele samenleving te kunnen inspelen, de mogelijke kandidaten de nodige armslag te geven, de creativiteit van de projecten te stimuleren en rekening te houden met latere beleidsoriëntaties.

1.5   Hoewel het dus niet mogelijk is om op voorhand inzicht te krijgen in de precieze toekenning van de middelen voor de verschillende prioriteiten, zou het Comité toch willen aandringen op een voorlopige inschatting van de verdeling van de middelen per doelstelling.

1.6   Het Comité neemt kennis van het voornemen van de Commissie om aan de specifieke doelstelling inzake drugs niet meer dan het hiervoor bestemde begrotingsaandeel toe te kennen. Het dringt er bij de Commissie op aan om zich heel duidelijk aan de afspraken in deze te houden en pleit er in dit opzicht voor om de middelen die vrijkomen dankzij de bevriezing en de inbeslagname van de opbrengsten van de drugshandel - zoals met een toekomstige richtlijn het geval zal zijn met de bevriezing en de inbeslagname van opbrengsten van misdaad - te gebruiken om een deel van de doelstelling te financieren.

1.7   Hoewel de financiële regeling heel complex is, zouden de toegangscriteria voor deze middelen toch zo inzichtelijk en toegankelijk mogelijk moeten worden gemaakt voor alle belanghebbende burgers, en dat in alle talen van de Unie. Dat zou ongetwijfeld bijdragen tot het gewicht van de projecten en deze stimuleren, ook in lidstaten die tot op heden ondervertegenwoordigd zijn in de geselecteerde programma's. Het Comité wil graag een lans breken voor een evenwichtig gespreide deelname van alle EU-burgers aan deze programma's.

1.8   Verder zou er volgens het Comité meer aandacht moeten worden geschonken aan de notie van Europese meerwaarde, die immers het hoofdcriterium vormt voor de selectie van de programma's. Gezien de uiteindelijk beperkte middelen die voor dit programma beschikbaar zijn (ook al worden ze verhoogd, hetgeen een goede zaak is) wil het Comité ervoor pleiten om het geld vooral aan projecten toe te kennen waarvan de Europese meerwaarde duidelijk is aangetoond. Grensoverschrijdende projecten verdienen aanmoediging.

1.9   Aangezien er in de jaarlijkse werkprogramma's moet worden aangegeven welke aspecten essentieel zijn voor de tenuitvoerlegging van het programma (met name de verdeling van het budget), is het Comité van mening dat de goedkeuring ervan door de Commissie in de vorm van uitvoeringshandelingen, de onderzoeksprocedure vereist, en niet de raadplegingsprocedure zoals in het onderhavige voorstel wordt voorgesteld. Op die manier kan worden gegarandeerd dat deze programma's niet door de Commissie worden goedgekeurd zolang ze niet stroken met het advies van het op basis van Verordening 182/2011 opgerichte comité (dat uit vertegenwoordigers van de lidstaten bestaat).

1.10   Het is zaak dat duidelijker wordt aangegeven welke de prioriteiten zijn onder de te financieren activiteiten (artikel 6). Daarom is het Comité van mening dat de aandacht vooral meer moet uitgaan naar e-justitie, een terrein waar nog veel vooruitgang te boeken valt als het gaat om de toegang ertoe.

1.11   Het Comité is ingenomen met de nieuwe oriëntatie die naar voren komt in het huidige voorstel, waarbij ernaar wordt gestreefd om alle rechtsbeoefenaars, en met name advocaten toegang te verschaffen tot de Europese justitiële scholing: net zoals rechters en magistraten dragen zij bij tot de juiste toepassing van het Europees recht. Bovendien vormen zij voor rechtzoekenden de eerste toegangspoort tot het recht. Zij zijn bevoegd om in rechte op te treden.

1.12   Ook dienen er in de grensoverschrijdende netwerken voor juridische samenwerking dringend diverse andere juridische beroepsbeoefenaars te worden opgenomen, en dienen daar middelen voor te worden vrijgemaakt. Het Comité wil er verder op aandringen om, ter wille van een zo groot mogelijke coherentie met de recente beleidskoers voor versterking van de rechten van de verdediging, zo snel mogelijk de volgende onaanvaardbare situatie aan de kaak te stellen: de uitsluiting van advocaten, rechtens of feitelijk, van de meeste grensoverschrijdende netwerken voor juridische samenwerking.

1.13   In het kader van een gemeenschappelijke ruimte van rechten, met name wat het familierecht betreft, dient men zich absoluut te richten op het Handvest van de Grondrechten als een soort kompas voor de harmonisering. In een context die nog altijd wordt gekenmerkt door zeer verschillende juridische culturen en concepten, heeft het Comité dikwijls - en onlangs nog in het kader van de vermogensstelsels en vermogensrechtelijke gevolgen (2) - gewezen op het nut van een aanvullend en optioneel Europees stelsel (ook wel het 28e stelsel genoemd).

2.   De inhoud van het voorstel

2.1   Met het oog op vereenvoudiging en rationalisering heeft de Commissie besloten om het aantal financieringsprogramma's ter verwezenlijking van een Europese ruimte van recht en rechtvaardigheid te beperken. Streven van de Commissie is dat iedereen, of hij nou burger, partner of rechtsbeoefenaar is, zijn rechten kan kennen en weet hoe hij deze kan uitoefenen of toepassen. Naast het programma "Rechten en burgerschap" (3), omvat het programma Justitie voor de periode 2014-2020 de programma's "Burgerrecht", "Strafrecht"" en "Drugspreventie en -voorlichting".

2.2   In het huidige verordeningsvoorstel wordt er aan dit programma een financiering van 472 miljoen euro toegekend, waarmee maatregelen kunnen worden gefinancierd die een meerwaarde hebben dankzij Europees optreden (in vergelijking met afzonderlijke maatregelen van de lidstaten). De algemene doelstelling van het programma is bij te dragen tot de totstandbrenging van een Europese rechtsruimte door de justitiële samenwerking in burgerlijke en strafzaken te bevorderen. Deze hoofddoelstelling omvat de volgende specifieke doelstellingen: toezien op een correcte toepassing van de EU-wetgeving op dit gebied (rechtsgrondslag zijn de artikelen 81 en 82 van het VWEU), vereenvoudigen van de toegang tot de rechter en het voorkomen en reduceren van de vraag naar drugs; dit laatste aspect wordt niet vanuit een gezondheidsperspectief benaderd, maar vanuit het perspectief van de criminaliteitsbestrijding (rechtsgrondslag is artikel 84 van het VWEU).

2.3   Dankzij deze doelstellingen wordt met name steun aan bijscholingsactiviteiten voor magistraten en personeel in de justitiesector mogelijk, met inbegrip van advocaten en notarissen, aan samenwerkingsactiviteiten in de vorm van netwerken die kennisuitwisseling en wederzijds vertrouwen vergroten, en aan bewustmakingscampagnes voor het publiek.

2.4   Het budget zal onder meer dienen om een analytische grondslag te financieren om het beleid van de Unie te onderbouwen en verder uit te werken. Omwille van haar flexibiliteit worden de bedragen niet per actieterrein geoormerkt.

2.5   De jaarlijkse prioriteiten van het programma worden door de Commissie via uitvoeringshandelingen in het kader van de raadplegingsprocedure goedgekeurd.

2.6   Het voorstel bevat verplichtingen inzake toezicht en (ook "tussentijdse") evaluaties.

3.   Algemene opmerkingen

3.1   De ontwikkeling van een Europese ruimte voor recht vormt een publiek goed voor de EU, en iedereen - burger of beroepsbeoefenaar - zal daar de vruchten van kunnen plukken. Het gaat immers om zaken die essentiële aspecten van het leven en heel gangbare zaken betreffen (echtscheidingen, recht op bewoning en omgangsrecht, erfopvolging, voogdijschap, handelsrechtelijke zaken, consumentengeschillen… maar ook respect voor rechter in strafzaken) en draagt bij tot meer veiligheid in de Europese ruimte, doordat de samenwerking op het gebied van criminaliteitsbestrijding wordt bevorderd.

3.2   Aangezien het programma "Justitie" qua functionaliteit goed aansluit op het programma "Rechten en burgerschap", is het Comité van mening dat de Europese ruimte voor recht en vrijheid alleen maar zin heeft als alle burgers van de EU, ongeacht hun woonplaats, er daadwerkelijk toegang toe hebben; het onderhavige programma dient dan ook in die zin te worden geëvalueerd.

3.3   In het kader van een gemeenschappelijke rechtsruimte, met name wat het familierecht betreft, dient men zich absoluut te richten op het Handvest van de Grondrechten als een soort kompas voor de harmonisering. In een context die nog altijd wordt gekenmerkt door zeer verschillende juridische culturen en opvattingen, heeft het Comité dikwijls - en onlangs nog in het kader van de vermogensstelsels en vermogensrechtelijke gevolgen (4) - gewezen op het nut van een aanvullend en optioneel Europees stelsel (ook wel het 28e stelsel genoemd). Wanneer een dergelijk stelsel wordt ingevoerd, kan er vooruitgang worden geboekt wat de erkenning van de rechten voor de burgers van de EU betreft en kan er adequaat worden opgetreden tegen discriminatie waar dezen het slachtoffer van kunnen zijn, mocht de lidstaat waarvan zij inwoner zijn hen minder rechten toekennen dan het geval is in andere lidstaten.

3.4   De eerbiediging van rechten - en met name van grondrechten - binnen de EU, waaraan de justitiële samenwerking inzake civiel en strafrecht wordt geacht bij te dragen, is een doel op zich. Het stimuleringseffect op de interne markt in termen van groei en werkgelegenheid dat ervan kan uitgaan, mag niet worden onderschat en verdient aandacht, met name als het gaat om de verdere opleiding van rechtsbeoefenaren. (5) Het Comité wijst erop dat een betere samenwerking op burgerrechterlijk gebied, en derhalve een snellere afhandeling van grensoverschrijdende conflicten, een aanzienlijke invloed zou hebben op de dynamiek van hun grensoverschrijdende activiteiten.

3.5   Hoewel uit de evaluaties is gebleken dat de voorgaande programma's ("Civiel recht", "Strafrecht", "Drugspreventie en –voorlichting" voor de periode 2007-2013) aan de verwachtingen hebben beantwoord, is het op zich een goede zaak dat hun aantal wordt teruggebracht - en dat het beheer ervan dus kan worden gestroomlijnd. De verwezenlijking van de verschillende doelstellingen wordt erdoor vereenvoudigd. Naast de harmonisering van de procedures wijst het Comité erop dat het een goede zaak zou zijn om de programma's op zich minder complex te maken.

3.6   Het Comité is derhalve erg ingenomen met de vereenvoudiging- en rationalisering dankzij de fusie van de programma's "Civiel recht" en "Strafrecht", die logisch is omdat de derde peiler uit het Verdrag van Lissabon is vervallen, en omdat er veel overlappingen zijn tussen de doelstellingen, de actoren en de te financieren maatregelen op beide rechtsterreinen (met name wat e-justitie en opleiding betreft).

3.7   Het Comité zou graag een toename zien van projecten op strafrechtelijk gebied, met name in de lidstaten die - tot op heden - weinig gebruik hebben kunnen maken van de beschikbare subsidies. Aangezien het om een tamelijk nieuw onderdeel gaat, is de Europese samenwerking op dit gebied nog niet zo ver gevorderd, en daar moet wat aan worden gedaan.

3.8   Het Comité is echter minder enthousiast over het programma "Drugspreventie en -voorlichting", dat voor zijn rechtsgrondslag uitgaat van de volksgezondheid. De volksgezondheidsaspecten verdienen volgens het Comité namelijk prioritaire aandacht. Maar het Comité wil wijzen op overlappingen met maatregelen die door het toekomstige Fonds voor interne veiligheid zullen worden gefinancierd. Een zuiver op repressie gerichte aanpak zal die overlappingen zeker in de hand werken. Het hamert nogmaals op het belang van de ontwikkeling van een preventieve aanpak wat de drugsbestrijding betreft, waardoor drugsverslaafden de mogelijkheid hebben om zich te laten begeleiden en te verzorgen. Er is wat dat betreft nood aan bewustmaking onder rechters en advocaten.

3.9   Om te voorkomen dat de drugsgerelateerde maatregelen niet een te groot deel van het totaal budget opsouperen, stelt het Comité voor om deze doelstelling deels te financieren uit de middelen die vrijkomen dankzij bevriezing en confiscatie van opbrengsten van drugshandel - zoals wordt gepland met de toekomstige richtlijn inzake de bevriezing en confiscatie van opbrengsten van misdrijven in de Europese Unie. (6)

3.10   Het blijft het Comité nog onduidelijk hoe de te financieren maatregelen voor de preventie van drugsgerelateerde criminaliteit eruit gaan zien, maar het is ingenomen met het feit dat het budget van 472 miljoen euro dat wordt uitgetrokken voor de verwezenlijking van dit programma een aanzienlijke toename van de steun van de Commissie lijkt te zijn.

3.11   Aangezien de EU-begroting dient te worden aangesproken om "collectieve voorzieningen en maatregelen te financieren waar de lidstaten en de regio's dat zelf niet of niet met beter resultaat kunnen" (7), wijst het Comité erop dat de middelen zoveel mogelijk moeten worden bestemd voor projecten die een Europese meerwaarde kunnen opleveren (art. 3), met name op strafrechtelijk gebied waar de lidstaten zich nogal terughoudend tonen als het gaat om Europese regelgeving.

3.12   Verder dient er met het oog op een doeltreffende besteding van de begrotingsmiddelen te worden toegezien op samenhang, complementariteit en synergie tussen de verschillende financieringsprogramma's, en met name met het programma "Rechten en burgerschap" voor de periode 2014-2020. Er dient daarbij wel heel zorgvuldig gekeken te worden dat er geen overlappingen plaatsvinden.

3.13   Het is een goede zaak dat de projecten, die weliswaar zijn geselecteerd in het kader van de jaarlijkse werkprogramma's, over verschillende jaren kunnen worden uitgespreid, waardoor ze goed op stoom kunnen komen en de doelstellingen kunnen worden bereikt. Het principe van cofinanciering is op zich goed, maar het Comité vraagt zich wel af wat de argumenten zijn voor een eventuele modulering ervan. (8)

3.14   Hoewel de financiële regeling heel complex is, zouden de toegangscriteria betreffende deze middelen toch zo duidelijk mogelijk moeten worden gemaakt voor alle belangstellende burgers, en dat in alle talen van de Unie. Vooral de notie van Europese meerwaarde zou verder moeten worden uitgewerkt. Dat zou ongetwijfeld bijdragen tot de relevantie van de projecten en zou deze zo aanmoedigen, ook in lidstaten die tot op heden ondervertegenwoordigd zijn in de geselecteerde programma's. Het Comité wil graag een lans breken voor een evenwichtig gespreide deelname van alle EU-burgers aan deze programma's.

3.15   Wat ook verbazing wekt is dat er in het financieel memorandum bij het besluit geen enkele poging is gedaan om een inschatting te geven van de verdeling van het budget over de verschillende doelstellingen. Hoewel het Comité begrip heeft voor de behoefte aan flexibiliteit bij het beheer van de middelen, wil het toch wijzen op het belang van een voorafgaande indicatie.

4.   Specifieke overwegingen

4.1   Europese justitiële opleiding

4.1.1   Als het ontbreekt aan wederzijds vertrouwen, kan er geen enkele vooruitgang worden geboekt. Daarom pleit het Comité voor acties die bijdragen tot de totstandbrenging van een gemeenschappelijke Europese cultuur, die heel nadrukkelijk op de praktijk en de uitoefening van het recht is gericht en gebaseerd is op kennis van en inzicht in de nationale rechtsstelsels. Wil de wederzijdse rechtshulp binnen de EU kunnen functioneren, dan is het van groot belang dat met name wordt toegezien op de bescherming van de procedurele rechten van mensen die bij een rechtszaak in andere lidstaten betrokken zijn.

4.1.2   Het Comité is van mening dat de Europese justitiële opleiding van rechtsbeoefenaars een essentieel onderdeel vormt van het nieuwe programma, dat meer aandacht verdient. In het Europees recht is er nog sprake van een te heterogene toepassing al naar gelang de lidstaten, vaak vanwege een gebrek aan belangstelling en van bewustmaking van de rechtsbeoefenaren in eigen land. Dat is vooral flagrant op douanegebied. Het Comité wijst in dit verband op de noodzaak om de steun aan de Europese justitiële opleiding verder consequent op te schroeven. Dat is des te belangrijker gezien de door de Commissie vastgestelde doelstelling om tegen 2020 zo'n 20 000 rechtsbeoefenaars per jaar op te leiden, d.w.z. 700 000 in het totaal. (9) Zoals de Commissie zelf ook aangeeft, is verbetering van de talenkennis een absolute voorwaarde voor een betere communicatie tussen de rechtsbeoefenaren over de nationale grenzen heen, binnen de Europese ruimte van recht en vrijheid.

4.1.3   Het is volgens het Comité van belang om met name advocaten te betrekken bij deze opleidingsactiviteiten, iets wat des te logischer lijkt omdat hun opleiding in bepaalde lidstaten overeenkomt met die van magistraten. Advocaten vormen de eerste de eerste toegang tot het recht. Van hun weloverwogen advies hangt vervolgens de toegang af tot de rechter van de beschuldigde personen. Zij dienen op dezelfde wijze als rechters en officieren van justitie gebruik te kunnen maken van dit soort financieringsinitiatieven van de EU. Hierdoor wordt immers de kwaliteit bepaald van de toegang tot de rechtspraak binnen de Europese ruimte van recht. Ook is deze deelname noodzakelijk om te zorgen voor een beter evenwicht, hetgeen de rechten van de verdediging ten goeden komt.

4.1.4   Hoewel het Comité betreurt dat er gekozen is voor een verwarring zaaiende term als "justitieel personeel" (10), wil het er bij de Commissie op aandringen om in het huidige voorstel voor een verordening duidelijk aan te geven dat het om alle rechtspractici gaat, met inbegrip van advocaten en notarissen, die inderdaad op een heel essentiële manier bijdragen tot de goede toepassing van het recht van de Unie. Het Comité is ingenomen met het feit dat de Commissie vastbesloten lijkt om deze benadering voort te zetten in het kader van het proefproject dat dit jaar zal worden gelanceerd rond de Europese justitiële opleiding.

4.1.5   Het is wenselijk om een aantal objectieve criteria vast te stellen waaraan de programma's voor justitiële opleiding moeten voldoen om voor ondersteuning in aanmerking te kunnen komen. In ieder geval dient er in het kader van deze opleiding aandacht te worden besteed aan het Handvest van de grondrechten. Vervolgens dient regelmatig en nauwkeurig te worden nagegaan of de programma's ook voldoen aan de vastgestelde criteria. Het Comité wijst op de noodzaak om de toekenning van de subsidies te laten afhangen van de intrinsieke kwaliteit van de programma's, die terdege moeten worden beoordeeld.

4.1.6   Het Comité is er groot voorstander van dat er in de justitiële opleidingsprogramma's voor rechters en advocaten aandacht wordt besteed aan de specifieke aspecten van drugsverslaving en dat er een justitiële aanpak wordt ontwikkeld waarbij rekening wordt gehouden met de volksgezondheids- en welzijnsaspecten en die gericht is op het voorkomen van de recidive.

4.2   Grensoverschrijdende justitiële samenwerking

4.2.1   Het Comité dringt erop aan dat er zo snel mogelijk een einde wordt gemaakt aan de onaanvaardbare uitsluiting van advocaten van netwerken voor juridische samenwerking. Het justitiële netwerk op strafrechtelijk gebied valt weliswaar onder Eurojust en niet onder het onderhavige programma, maar het blijft opmerkelijk dat advocaten er geen toegang toe hebben. Financiële redenen mogen niet als excuus worden gebruikt om te rechtvaardigen dat de huidige situatie in het voordeel is van de vervolging. Het beginsel van gelijkheid van wapens moet worden gerespecteerd door de toekenning van middelen, hoe beperkt ook, in het geval van grensoverschrijdende zaken.

4.2.2   Die vereiste veronderstelt dat advocaten, met name in het kader van de tenuitvoerlegging van een Europees arrestatiebevel, in staat zijn om snel een kundige advocaat in een andere lidstaat, aan te wijzen die toegang heeft tot het dossier en raad kan geven over de nationale procedurerechten in die andere lidstaat, en meer in het bijzonder over de lokale aspecten van de zaak. De nieuwe bepalingen die zijn ingevoerd door het voorstel voor een richtlijn betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en die in het kader van een Europees arrestatiebevel het principe van het inhuren van twee advocaten vastleggen (één in het land van uitlevering en één in het land van onderzoek en eventuele berechting), vormen - voor zover nodig - nog een bijkomend argument om de optimale deelname van advocaten aan juridische netwerken op het gebied van strafrecht te rechtvaardigen. In dit verband is het Comité ingenomen met de steun die het toekomstige grensoverschrijdende advocatennetwerk kan bieden aan een groeiend aantal advocaten dat in grensoverschrijdende gebieden werkzaam is. Met het oog op de coherentie en efficiency zou de Commissie dit netwerk zoveel mogelijk financieel tegemoet moeten komen, en het zodoende sterker moeten maken.

4.2.3   In diezelfde lijn betreurt het Comité het dat advocaten en notarissen in de praktijk gemarginaliseerd worden als het gaat om het juridische netwerk in burger- en handelszaken, terwijl in de wetsteksten sinds 1 januari 2011 is vastgelegd dat deze wordt opengesteld voor deze beroepen, evenals voor gerechtsdeurwaarders - allemaal beroepen die rechtstreeks bijdragen aan de toepassing van de communautaire besluiten en de internationale instrumenten. Ook daar vraagt een goede functionering van het netwerk om voldoende financiële steun.

4.2.4   Aangezien er een groot aanbod is van initiatieven door talloze beroepsbeoefenaren, in de vorm van vaak dure kleine structuren, pleit het Comité ervoor om de samenhang, evenals de coördinatie van de netwerken te verbeteren, teneinde ‧kringen van samenhang‧ (11) te creëren, waarop vervolgens een daadwerkelijke Europese justitiële architectuur kan worden gebouwd.

4.3   E-justitie

4.3.1   De dematerialisering van het recht is een essentieel aspect dat volgens het Comité niet voldoende naar voren komt in het huidige voorstel. De impact ervan op justitieel gebied, ook voor burgers die sociaal kwetsbaar of mindervalide zijn, verdient een grondige analyse. Er kan in dit opzicht nog veel vooruitgang worden geboekt, zowel voor rechtzoekenden als voor beroepsbeoefenaren.

4.3.2   Het Comité hoopt in dit verband op een duidelijke koersaanduiding door de Commissie: momenteel lijken de toepassingen van e-justitie meer onder de aandacht van het grote publiek te worden gebracht dan bij de rechtsbeoefenaren zelf. Teneinde toe te zien op de kwaliteit van de rechtsbesluiten en op hun overeenstemming met het Europees recht is het echter van groot belang om het gebruik van deze instrumenten te vereenvoudigen en aan te moedigen onder de rechtspractici, die daartoe ook de nodige opleiding moeten kunnen volgen.

4.3.3   Het stemt het Comité tevreden dat het in het huidige voorstel ingeplande budget kan bijdragen aan de verbetering van de informaticanetwerken op dit gebied (artikel 8, lid 2). Het Comité denkt dan met name aan het project voor het vinden van een advocaat via een zoekmachine op het Europees e-justitieportaal, en het project e-CODEX, die er beiden op gericht zijn de nationale elektronische rechtsstelsels beter op elkaar af te stemmen. Het wijst er verder op dat met het oog op de veiligheid en de efficiency van deze netwerken, de beroepsidentiteit van de advocaten moet kunnen worden gestaafd door de balies.

4.4   Indicatoren

4.4.1   Het is duidelijk dat de indicatoren nog verder dienen te worden bestudeerd. Het is een goede zaak dat de Commissie zich inmiddels over de indicatoren is gaan buigen, zowel wat de jaarlijkse monitoring betreft als de tussentijdse en eindevaluatie. Wat de toegang tot het recht betreft, dient met name het zuiver subjectieve criterium (de manier waarop deze toegang wordt ervaren in Europa) verder te worden uitgewerkt. Verder zouden wat de opleiding betreft meer gestreefd moeten worden naar publiekprivate partnerschappen, waarbij universiteiten, justitiële opleidingsinstituten en balies met elkaar in contact worden gebracht. De aan het toezicht verbonden kosten (in brede zin opgevat) die in het financieel memorandum worden geschat op 3 en 6 % van het totale budget, zouden volgens het Comité, hoewel ze in de loop van de tijd logischerwijze zouden moeten afnemen, toch op een maximum moeten worden vastgelegd.

4.5   Goedkeuringsbepalingen voor de jaarlijkse werkprogramma's

4.5.1   Het Comité plaatst vraagtekens bij de keuze voor een raadplegingprocedure wat de jaarlijkse prioriteiten van het programma betreft, die door de Commissie worden goedgekeurd in de vorm van uitvoeringshandelingen. De onderzoeksprocedure lijkt beter geschikt, aangezien zo kan worden gegarandeerd dat deze programma's niet door de Commissie worden goedgekeurd zolang ze niet conform zijn aan het advies van het op basis van verordening 182/2011 opgerichte comité (dat uit vertegenwoordigers van de lidstaten bestaat).

Brussel, 11 juli 2012

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


(1)  Cf. Advies van het EESC over de Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad - "Naar een sterker Europees antwoord op de drugsproblematiek", goedgekeurd op 24 mei 2012 (PB C 229 van 31.07.2012, blz. 85).

(2)  PB C 376, 22.12.2011, p. 87–91

(3)  PB C 191, 29.06.2012, p. 108-110

(4)  Zie voetnoot 2.

(5)  In zijn verslag "Een nieuwe strategie voor de interne markt" (9 mei 2010) benadrukte Mario Monti het belang van een goede toepassing van het recht van de Unie en van de opleiding van magistraten in deze materie, teneinde de doeltreffendheid van de interne markt te verbeteren.

(6)  Overeenkomstig het EESC-advies van 11.07.2012 (zie blz. van het huidig Publicatieblad).

(7)  COM (2010) 700 final.

(8)  Een bijdrage van 20 % is momenteel noodzakelijk om de overige 80 % te kunnen verkrijgen in de vorm van subsidies.

(9)  COM(2011) 551 final.

(10)  Overeenkomstig art. 81, lid 2, letter h, en art. 82, lid 1, letter c, van het VWEU, betreffende de justitiële samenwerking op civielrechtelijk en strafrechtelijk gebied, en waarin de termen "magistraten en justitieel personeel" worden gebruikt.

(11)  Cf. Resolutie van het Europees Parlement van 14 maart 2012 over de justitiële opleiding, (2012/2575(RSP)).