|
6.3.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 68/65 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot instelling van een mechanisme voor informatie-uitwisseling met betrekking tot intergouvernementele overeenkomsten tussen lidstaten en derde landen op energiegebied
(COM(2011) 540 definitief — 2011/0238 (COD))
2012/C 68/12
Rapporteur: de heer PEEL
De Raad van de Europese Unie heeft op 27 september 2011 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 194, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te raadplegen over het
Voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot instelling van een mechanisme voor informatie-uitwisseling met betrekking tot intergouvernementele overeenkomsten tussen lidstaten en derde landen op energiegebied
COM(2011) 540 final — 2011/0238 (COD).
De afdeling Vervoer, Energie, Infrastructuur en Informatiemaatschappij, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 20 december 2011 goedgekeurd.
Het Comité heeft tijdens zijn op 18 en 19 januari 2012 gehouden 477e zitting (vergadering van 18 januari 2012) het volgende advies uitgebracht, dat met 177 stemmen vóór en 1 stem tegen, bij 10 onthoudingen, is goedgekeurd.
1. Aanbevelingen en conclusies
1.1 Energie is van wezenlijk belang voor onze levensstandaard en de kwaliteit van ons bestaan. (1) Het Europees Economisch en Sociaal Comité verwelkomt het voorgestelde besluit, als gepubliceerd door de Commissie, om een mechanisme voor informatie-uitwisseling met betrekking tot intergouvernementele overeenkomsten tussen lidstaten en derde landen op energiegebied op te zetten. We zien dit als een passende stap op weg naar de effectieve tenuitvoerlegging van een gemeenschappelijk extern energiebeleid van de EU, in overeenstemming met het Verdrag van Lissabon (artikel 194 VWEU (2)) en met de EU-strategie Energie 2020 (3), evenals met de conclusies inzake energie van de Europese Raad van 4 februari 2011. Een doeltreffend, verplicht systeem voor informatie-uitwisseling, zoals voorgesteld – met een actieve rol voor de Commissie wanneer de lidstaten met partnerlanden over intergouvernementele energieovereenkomsten onderhandelen – had al lang moeten bestaan.
1.2 Met het oog hierop verwelkomt het Comité tevens dat het voorgestelde besluit de uitwisseling van informatie over alle bestaande bilaterale energieovereenkomsten omvat. De Commissie schat dat er ongeveer dertig intergouvernementele overeenkomsten tussen lidstaten en derde landen kunnen bestaan met betrekking tot olie en ongeveer zestig met betrekking tot gas, maar minder met betrekking tot elektriciteit.
1.2.1 Het Comité verbaast zich erover dat een dergelijk informatie-uitwisselingsmechanisme, onder volledige inachtneming van de vertrouwelijkheid, niet reeds bestaat, hetzij tussen de Commissie en de lidstaten, hetzij tussen de lidstaten zelf. Hierdoor hebben de Commissie noch de lidstaten momenteel een compleet beeld van de afspraken die er zijn met een bepaalde handelspartner, maar de belangrijkste partners hebben dat zeker wel! Om in de afzienbare toekomst een toereikende, stabiele en zekere energievoorziening veilig te stellen, is het essentieel dat Europa met één stem spreekt en blijft werken aan de totstandbrenging van een doelmatige interne markt voor energie. Uit schattingen blijkt dat de wereldwijde vraag naar energie – uit wat eindige energiereserves zijn – binnen twintig jaar mogelijk met circa 40 % zal stijgen, voornamelijk als gevolg van de toegenomen concurrentie van opkomende economieën, terwijl nu nog niet te voorziene maatregelen om de gevolgen van de klimaatverandering tegen te gaan waarschijnlijk verdere complicaties met zich mee zullen brengen.
1.3 Ook verwelkomt het Comité het vooruitzicht dat in artikel 5 van het voorstel wordt geschetst dat de Commissie, met betrekking tot overeenkomsten waarover op dat moment wordt onderhandeld, een officiële verklaring zal afgeven dat het project geen inbreuk vormt op de internemarktregels, mits deze verklaring zo spoedig mogelijk en binnen de daarvoor voorziene periode wordt afgegeven. Zoals het Comité reeds eerder heeft benadrukt in zijn advies over een algemeen Europees internationaal investeringsbeleid (4), waarin veel van de hier naar voren gebrachte punten al aan de orde zijn gesteld, is rechtszekerheid voor investeerders essentieel.
1.3.1 De suggestie dat indien de Commissie niet binnen vier maanden advies uitbrengt, zij geacht wordt geen bezwaren te hebben, baart ons echter zorgen. We begrijpen dat het voor de Commissie om procedurele redenen niet gemakkelijk of praktisch is om in elk afzonderlijk geval uitdrukkelijk toestemming te geven. Maar aangezien uitdrukkelijk om een compatibiliteitsconrole wordt verzocht en het de duidelijkheid ten goede komt, zou het een goede zaak zijn dat zij indien mogelijk een positieve, zij het informele, indicatie geeft of anders voldoende lang van tevoren een waarschuwing afgeeft indien een potentieel probleem is vastgesteld dat nader onderzoek vereist.
1.4 Energieovereenkomsten moeten worden gesloten op basis van zowel strategische als commerciële overwegingen. De beginselen van proportionaliteit en transparantie indachtig betreurt het Comité het niettemin dat werkovereenkomsten met commerciële partijen niet in het Voorstel zijn opgenomen, niet in de laatste plaats vanwege de krachtige boodschap die is vervat in de toelichting (hoofdstuk 1) met betrekking tot bepaalde expediteurs die een monopolie of bijna-monopolie willen verkrijgen, hetgeen in strijd met het EU-recht zou zijn. We dringen er bij de Commissie op aan om actieve stappen te zetten teneinde gemakkelijk volledige toegang tot de desbetreffende delen van commerciële overeenkomsten te verkrijgen wanneer het vermoeden bestaat dat er sprake kan zijn van gevolgen die niet stroken met de EU-regelgeving, in het bijzonder wanneer deze delen de vorm van bijlagen bij intergouvernementele overeenkomsten hebben. Daarbij wijzen we met grote zorg op mogelijke dreigingen die kunnen ontstaan als strategische partnerschappen leiden tot het opleggen van praktijken op grond van andere belangen dan die van de EU die potentieel schadelijk voor deze EU-belangen kunnen blijken te zijn.
1.4.1 Bovendien willen we benadrukken dat Europese consumenten moeilijk het verschil zullen zien tussen intergouvernementele en private externe energieovereenkomsten – in beide gevallen zijn er gevolgen voor de prijzen, de keuze van de leveranciers, de energiemix en andere relevante zaken.
1.4.2 Het Comité dringt aan op redelijke maar resolute actie wanneer bepaalde leveranciers in derde landen strategische en commerciële belangen hebben die verschillen met die van de EU, hetgeen onvermijdelijk het geval zal zijn. We hebben twijfels met betrekking tot het uitkomen van de verwachting van de Commissie dat deze leveranciers zich in sterkere mate aan de regels van de interne EU-markt zullen houden. Desalniettemin is het Comité van mening dat onderhandelingen zo veel mogelijk moeten plaatsvinden in een sfeer van partnerschap, oprechtheid en wederzijds vertrouwen.
1.5 Het Comité betreurt echter in het bijzonder het feit dat is afgezien van het maken van een volledige effectbeoordeling, aangezien dit tot een betere en open anticipatie op en een beter begrip van de waarschijnlijke reacties van de lidstaten zou hebben geleid. Energie is uiteraard een gedeelde bevoegdheid van de Commissie en de lidstaten, en voor veel lidstaten is dit gebied nauw verbonden met hun opvatting van soevereiniteit. Dit zal twee verschillende gevolgen hebben: sommige lidstaten zullen extra steun zoeken, terwijl andere lidstaten dit voorstel als ongewenste inmenging zullen beschouwen, met name vanwege het verlies van controle over hun onderhandelingsmandaat en autonomie, waarbij het nieuwe mechanisme zal worden gezien als een poging om via de achterdeur bevoegdheden op het gebied van energiebeleid aan de EU over te dragen. De Commissie beschikt op energiegebied niet over dezelfde bevoegdheden als op het gebied van investeringen, waar soortgelijke maatregelen worden voorgesteld via bilaterale investeringsverdragen (waarvan er veel meer bestaan), maar waar het eveneens in ieders belang zou zijn om behoedzaamheid te betrachten.
1.5.1 De Commissie moet laten zien dat ze zich bewust is van zulke bedenkingen van de kant van lidstaten die een dergelijke bedreiging voelen en moet een mogelijke omschakeling zorgvuldig voorbereiden om ervoor te zorgen dat de lidstaten inzien dat de voorgestelde informatie-uitwisseling de onderhandelingspositie van lidstaten tegenover derde landen zal versterken. Volledige samenwerking met de regelgevende autoriteiten van de lidstaten zal daarbij van groot belang zijn. We zijn ingenomen met de nadruk die wordt gelegd op ondersteuning van de lidstaten tijdens onderhandelingen, maar om de onvermijdelijke zorgen weg te nemen moet wel duidelijk blijken dat de vroegtijdige betrokkenheid van de Commissie bij de onderhandelingen effectief is en genoeg vruchten afwerpt.
1.5.2 Het Comité wenst meer duidelijkheid over de vraag hoe artikel 7 over vertrouwelijkheids in praktijk zal worden gebracht, aangezien alle essentiële elementen van een zakelijk contract (met inbegrip van de prijzen en de voorwaarden) handelsgeheimen zijn en dus vertrouwelijk. Dit zal een cruciaal punt worden om het besluit aanvaard te krijgen. Bij ontstentenis van een volwaardig gemeenschappelijk EU-energiebeleid moeten de lidstaten en de Commissie zich blijven inspannen om het vereiste onderlinge vertrouwen tussen alle belanghebbende partijen tot stand te brengen: dit voorstel kan slechts als vertrekpunt dienen.
1.6 We betwijfelen dat het voorstel geen gevolgen voor de begroting zal hebben, zoals de Commissie stelt. Gezien de toenemende eisen die door een Europees energiebeleid zullen worden opgelegd, denken wij niet dat de voorziene frequente monitoring- en adviesactiviteiten kunnen worden uitgevoerd zonder extra middelen.
1.7 Het Comité dringt erop aan om de eerste tussentijdse evaluatie na twee jaar uit te voeren, in plaats van na vier jaar, omdat er tegen die tijd voldoende ervaring zal zijn opgedaan en gegevens beschikbaar zullen zijn om de doeltreffendheid van het mechanisme te beoordelen.
1.8 Met betrekking tot de bredere implicaties van het voorstel, die vooral worden behandeld in de begeleidende – en veel uitvoerigere – mededeling, sluit het Comité zich aan bij de overkoepelende doelstelling van de Commissie om de externe dimensie van het energiebeleid van de EU te versterken. De begrippen energie-efficiëntie, -zekerheid en -stabiliteit worden duidelijk aan elkaar gekoppeld, maar we betreuren het feit dat het verband met de drie meer gevestigde doelen van een concurrerende, duurzame en continue energievoorziening niet volledig duidelijk wordt gemaakt, niet in de laatste plaats omdat een concurrerende en een zekere energievoorziening niet altijd met elkaar verenigbaar zijn.
1.8.1 Het Comité betreurt eveneens dat in het voorstel voornamelijk wordt ingegaan op technische aspecten en procedures, maar nauw met het onderwerp verbonden aspecten als diplomatieke en sociaaleconomische betrekkingen met de leverancier- en doorvoerlanden niet specifiek worden behandeld (en slechts tot op bepaalde hoogte in de mededeling).
1.8.2 Ook is niet duidelijk dat dit voorstel zeer nauw verbonden is, ook wat de informatie-uitwisseling betreft, met de bredere handelsgerelateerde aspecten van energie. Onderhandelingen over handelsovereenkomsten vallen natuurlijk al decennia onder de bevoegdheid van de EU; het Comité is zich ervan bewust dat energie een belangrijke rol speelt in de eerste en baanbrekende – en inmiddels in het eindstadium verkerende – onderhandelingen over een diepe en brede vrijhandelsovereenkomst met Oekraïne, een voor de EU essentieel doorvoerland voor energie. Ook met andere buurlanden van de EU, zowel in het kader van het Oostelijk Partnerschap als in het kader van het Euromediterraan partnerschap, worden onderhandelingen over een diepe en brede vrijhandelsovereenkomst, waarin energie een sleutelrol dient te spelen, actief overwogen.
1.8.3 Bij de onderhandelingen over de voornaamste energieaspecten van de nieuwe overeenkomst tussen de EU en Rusland zou speciale aandacht moeten uitgaan naar de unieke positie van de drie Baltische landen. Hun elektriciteitsnetten zijn namelijk afgestemd op het Russische in plaats van op enig EU-systeem.
1.9 Tot slot betreurt het Comité het ten diepste dat noch in het voorstel, noch in de mededeling van de Commissie wordt verwezen naar enig mechanisme om het maatschappelijk middenveld bij onderhandelingen te betrekken. Dit moet worden rechtgezet. Formele mechanismen voor de bewaking van de tenuitvoerlegging van de recentelijk door de EU gesloten vrijhandelsovereenkomsten, met name met Zuid-Korea, zijn of zullen binnen afzienbare tijd worden ingesteld, terwijl ook voor het Oostelijk Partnerschap een actief Forum van het maatschappelijk middenveld is opgezet.
1.9.1 Het doet ons echter deugd dat het EESC nu eindelijk wordt betrokken bij de werkzaamheden van het energieplatform van het Oostelijk Partnerschap, temeer daar het maatschappelijk middenveld al een vaste inbreng heeft in de andere drie thematische platforms.
2. Achtergrond
2.1 Op 4 februari 2011 heeft de Europese Raad besloten dat de Unie en de lidstaten hun externe energieactiviteiten beter moeten coördineren en de lidstaten verzocht om de Commissie – vanaf 1 januari 2012 – in kennis te stellen van al hun nieuwe en bestaande bilaterale energieovereenkomsten met derde landen.
2.2 In september 2011 heeft de Europese Commissie twee documenten gepubliceerd over de instelling van een extern EU-energiebeleid: een voorstel tot instelling van een mechanisme voor informatie-uitwisseling met betrekking tot intergouvernementele overeenkomsten tussen lidstaten en derde landen op energiegebied (5) en de mededeling „Het energiebeleid van de EU: verbintenissen met partners buiten onze grenzen” (6).
2.3 Alleen het wetgevingsdocument, waarin het mechanisme voor de tenuitvoerlegging van de conclusies van de Europese Raad van februari 2011 wordt beschreven, is voor advies aan het Comité voorgelegd. De mededeling beslaat een veel breder terrein en gaat slechts kort in op het voorstel. We betreuren deze beperking, omdat in het voorstel veel belangrijke aspecten aan de orde komen waarover we graag ons licht hadden laten schijnen, van hernieuwbare energie, energie-efficiëntie en andere aspecten die relevant zijn voor duurzame ontwikkeling tot de betrekkingen van de EU met Rusland, China, andere snel groeiende economieën en ontwikkelingslanden in het algemeen.
2.3.1 De Commissie heeft duidelijk gemaakt dat de mededeling zal leiden tot een aantal voorstellen, waarvan dit het eerste is, maar tegelijk een van de belangrijkste.
2.4 De mondiale vraag naar energie en de afhankelijkheid van de EU van geïmporteerde fossiele brandstoffen nemen beide toe. Zoals in de mededeling wordt opgemerkt, importeert de EU als geheel 60 % van haar gas en ruim 80 % van haar olie, terwijl ze wordt geconfronteerd met een snel toenemende concurrerende vraag van andere landen, in het bijzonder opkomende economieën. De mondiale vraag naar energie zou de komende twintig jaar met 40 % kunnen groeien, terwijl nog niet te voorziene maatregelen om de klimaatverandering tegen te gaan de zaken nog verder kunnen compliceren. Veel lidstaten kunnen slechts op een beperkt aantal energieleveranciers rekenen en zijn daardoor kwetsbaar voor knelpunten en prijsvolatiliteit, met name met betrekking tot gas en olie. Er bestaat derhalve een sterk gevoel van urgentie om het externe energiebeleid van de EU een veel steviger fundament te geven. Om in de afzienbare toekomst een toereikende, stabiele en zekere energievoorziening veilig te stellen, is het essentieel dat Europa met één stem spreekt en blijft werken aan de totstandbrenging van een doelmatige interne markt voor energie.
2.5 Hiervoor zijn tot nu toe maar weinig effectieve instrumenten beschikbaar. De verwachting is dat energie een essentieel onderdeel van de hun voltooiing naderende onderhandelingen over een diepe en brede vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Oekraïne zal vormen. De Energiegemeenschap reguleert de energiebetrekkingen van de EU met negen partnerlanden (7) in Oost- en Zuidoost-Europa. Een strategische internationale langetermijnaanpak zal veel sterker gestructureerde en consistente institutionele bepalingen vereisen. In de EU-strategie Energie 2020 wordt versterking van de externe dimensie van het energiebeleid van de EU terecht als belangrijke prioriteit aangemerkt, met het oog waarop het voorgestelde besluit is opgesteld.
2.6 In het voorgestelde besluit wordt van de lidstaten verlangd dat ze informatie uitwisselen met de Europese Commissie over hun voornemens om intergouvernementele energieovereenkomsten met derde landen te sluiten. De Commissie wil er door middel van een mechanisme voor verenigbaarheidscontrole (artikel 5) voor zorgen dat dergelijke overeenkomsten in overeenstemming zijn met de regels voor de interne markt. Een groot voordeel hiervan zou zijn dat investeerders rechtszekerheid wordt geboden (8). De Commissie benadrukt dat het nieuwe mechanisme een coördinatiemaatregel is die bedoeld is om de lidstaten te ondersteunen en hun onderhandelingskracht te vergroten in plaats van om deze te vervangen of hun vermogen om dergelijke overeenkomsten te sluiten te beperken. Ook wordt in artikel 7 benadrukt dat het voorstel bepalingen bevat om de vertrouwelijkheid van informatie, een onderwerp dat bijzonder gevoelig ligt, te waarborgen.
2.7 Het Comité betreurt echter dat overeenkomsten tussen commerciële partijen zijn uitgesloten van het toepassingsgebied van het voorstel, niet in de laatste plaats gezien de duidelijke waarschuwing van de Commissie met betrekking tot bepaalde expediteurs die een monopolie of bijna-monopolie proberen te verkrijgen, hetgeen in strijd met het EU-recht zou zijn (9). We dringen er bij de Commissie op aan om actieve stappen te zetten teneinde gemakkelijk volledige toegang tot de desbetreffende delen van commerciële overeenkomsten te verkrijgen wanneer het vermoeden bestaat dat er sprake kan zijn van gevolgen die niet stroken met de EU-regelgeving, in het bijzonder wanneer deze delen de vorm van bijlagen bij intergouvernementele overeenkomsten hebben.
3. Het EESC: krachtige steun voor een sterk Europees extern energiebeleid op basis van een zekere energievoorziening
3.1 In maart 2011 heeft het Comité (10) ondubbelzinnig gevraagd om vaart te zetten achter de geleidelijke versterking van het gemeenschappelijke externe beleid van de EU op het gebied van energie. In reactie op het toenmalige Hongaarse voorzitterschap drong het Comité aan op concrete maatregelen om het interne en het externe beleid beter op elkaar af te stemmen en op de ontwikkeling van een geïntegreerde, consistente aanpak. Ook pleitte het Comité voor een nieuwe institutionele grondslag voor energievraagstukken, de ontwikkeling van een strategisch multilateraal beleid en de efficiënte tenuitvoerlegging van geprivilegieerde energiepartnerschappen met de buurlanden van de EU.
3.2 In 2009 had het Comité (11) reeds gevraagd om een alomvattende externe energiestrategie voor de EU, in combinatie met de middelen om een dergelijke strategie doeltreffend te kunnen uitvoeren. Op basis van een langetermijnperspectief stelde het Comité vast dat energiezekerheid en klimaatbeleid de twee hoofdpijlers zijn waarop de internationale energiebetrekkingen van de EU berusten. Het Comité onderstreepte daarbij het belang van het derde energiepakket voor het verminderen van de afhankelijkheid van de EU van externe leveranciers, maar benadrukte ook dat duurzame opwekking en duurzaam gebruik van energie in derde landen moeten worden aangemoedigd. Het sterke verband tussen energie en het relevante handelsbeleid werd daarbij onderstreept, evenals de verplichting voor partnerlanden om marktregels als wederkerigheid, gelijke behandeling, transparantie, bescherming van investeringen en eerbiediging van de rechtsstaat en de mensenrechten toe te passen. Aangezien energie een steeds belangrijkere rol zal spelen in internationale geschillen, benadrukken we opnieuw de dringende noodzaak om de nationale belangen van de lidstaten meer met elkaar in evenwicht te brengen en met één Europese stem te spreken.
3.3 Het Comité (12) heeft daarnaast benadrukt dat de bevordering van het gebruik van hernieuwbare energie en de diversificatie van bronnen niet los kunnen worden gezien van het externe optreden van de EU, met name in het Euromediterrane gebied. In het kader van het klimaatbeleid van de EU zouden schadelijke subsidies voor fossiele brandstoffen in partnerlanden moeten worden afgebouwd en zouden financiering voor onderzoek en ontwikkeling in projecten op het gebied van hernieuwbare energie en de handel in energievriendelijke goederen en diensten moeten worden bevorderd.
4. De rol voor het maatschappelijk middenveld
4.1 Door het falen dat heeft geleid tot de opstanden in een groot aantal van de Arabische landen is de centrale rol van het maatschappelijk middenveld in de overgang naar democratie, constitutionele hervormingen en institutionele opbouw opnieuw aangetoond. De bijdrage van het maatschappelijk middenveld, en met name van de sociale partners, zowel hier als in de landen van het Oostelijk Partnerschap (13), moet volledig in aanmerking worden genomen om voor transparante en inclusieve besluitvormingsprocessen te zorgen die door de bevolking worden geaccepteerd. Het Comité betreurt ten zeerste dat het voorstel en de mededeling geen enkele verwijzing bevatten naar een mechanisme om de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld te waarborgen – ondanks het feit dat de sociale partners in geval van problemen sterk bij het vinden van een oplossing zullen worden betrokken en nodig zullen zijn om essentiële feedback te geven, en ondanks de specifieke verwijzing in de mededeling naar „gezamenlijke door de industrie geleide projecten” (14). Het doet ons echter deugd dat het EESC nu eindelijk wordt betrokken bij de werkzaamheden van het energieplatform van het Oostelijk Partnerschap, temeer daar het maatschappelijk middenveld al een vaste inbreng heeft in de andere drie thematische platforms.
4.2 Verder wordt er of zal er worden gewerkt aan formele mechanismen voor het toezicht op de uitvoering van onlangs door de EU gesloten vrijhandelsovereenkomsten – met name de overeenkomst met Zuid-Korea – terwijl er voor het Oostelijk Partnerschap ook een actief forum voor de civiele samenleving is. Als het op energie aankomt is de stem van het maatschappelijk middenveld al even belangrijk. Zeker met het oog op een grotere transparantie, grotere invloed en een betere voorlichting van het publiek moet dit middenveld ook consumenten omvatten, aangezien zij vaak onevenredig hard worden getroffen als de markt het laat afweten.
5. Bredere strategische overwegingen
5.1 Het Comité steunt de intentie van de Commissie om een leidende rol te spelen in de ontwikkeling van een alomvattende en gecoördineerde externe energiestrategie van de EU ten volle en doet een beroep op de lidstaten om de inspanningen van de Commissie in een geest van solidariteit en onderling vertrouwen te ondersteunen.
5.2 Het Comité beschouwt solidariteit als een hoeksteen van een gemeenschappelijk energiebeleid van de EU, niet in de laatste plaats om lidstaten te helpen die over onvoldoende onderhandelingskracht beschikken om tegen redelijke en duurzame prijzen energie te kopen.
5.3 Behalve een grote energieconsument is de EU ook een grote leverancier van technologie, zoals wordt onderkend, en heeft de EU enkele van 's werelds hoogste normen voor markttransparantie en -regulering, mede op het gebied van de veiligheid van nucleaire en andere energie.
5.4 We nemen nota van de cijfers die in de mededeling (15) worden verstrekt dat Rusland, Noorwegen en Algerije 85 % van het in de EU ingevoerde aardgas en bijna 50 % van de in de EU ingevoerde ruwe aardolie leveren (de OPEC-landen leveren 36 % van de in de EU ingevoerde ruwe aardolie). Rusland is ook een van de grootste leveranciers van steenkool en uranium aan de EU.
5.5 Samen met de toegang tot grondstoffen is toegang tot energie een fundamentele strategische overweging voor de EU, aangezien de wereldwijde vraag naar energie in de komende twintig jaar sterk zal stijgen. We pleiten voor het aangaan van strategische partnerschappen met de grote mondiale spelers op het gebied van energie (of dat nu leverancierlanden, doorvoerlanden of afnemerlanden, zijn) in het kader waarvan moet worden samengewerkt om de winstgevendheid en ingebruikneming van koolstofarme technologieën te verbeteren en energie-efficiëntie en energievernieuwing te bevorderen en meer nadruk (16) moet worden gelegd op de zekerheid van de energievoorziening. Daarbij zien we in het bijzonder uit naar de op handen zijnde overeenkomst met Oekraïne waarin de zekerheid van een ononderbroken aanvoer, de prijzen en andere belangrijke onderwerpen worden gereguleerd.
5.6 Dit zal met name belangrijk zijn voor de toekomst van het handelsbeleid van de EU, maar we verwelkomen ook de verwijzing in de mededeling naar sterkere banden tussen het energiebeleid en het beleid met betrekking tot de ontwikkeling, uitbreiding, investeringen en bredere internationale betrekkingen van de EU. Een hoofddoelstelling van het Verdrag van Lissabon was om het beheer van deze verschillende gebieden van het EU-beleid sterker te bundelen. Het is essentieel dat het energiebeleid van de EU nu ook volledig wordt afgestemd met deze andere beleidsterreinen, onder meer in het kader van de duurzame economische en sociale ontwikkeling van ontwikkelingslanden.
5.7 We hopen dat onze belangrijkste partners in de Energiegemeenschap zich zullen inspannen om te voldoen aan de regelgeving inzake de interne energiemarkt van de EU en deze te eerbiedigen. We uiten onze zorg naar aanleiding van de kritische beoordeling van de resultaten van deze Gemeenschap die de Commissie afgelopen maart heeft gepubliceerd (17). Er is nog steeds sprake van een aanzienlijke kloof tussen de politieke toezeggingen en de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van het energieacquis door de leden van de Gemeenschap, die ook door de Commissie worden bekritiseerd omdat ze verouderde marktstructuren in stand houden, investeringen bemoeilijken en de mededinging verstoren door publieke leveranciers voordelen te blijven geven door middel van gereguleerde prijzen. We vragen ons daarom af welke instrumenten voor de EU het meest geschikt zijn om haar betrekkingen met partners uit andere delen van de wereld te regelen en of de EU moet overschakelen van leverancier-afnemerrelaties naar een grotere convergentie van energiemarkten.
5.8 Aangezien Rusland momenteel de leidende energieleverancier van de EU is, dringt het Comité er bij de Commissie op aan om hard te blijven werken aan de totstandkoming van een nieuwe overeenkomst tussen de EU en Rusland, die een alomvattende energieovereenkomst moet omvatten. Rusland is evenzeer afhankelijk van de grote markt die de EU kan vormen. Een dergelijke overeenkomst zou een belangrijke doorbraak en een mijlpaal op weg naar gemeenschappelijke EU-actie in de externe betrekkingen op energiegebied betekenen.
5.8.1 Bij de onderhandelingen over de voornaamste energieaspecten van de nieuwe overeenkomst tussen de EU en Rusland zou speciale aandacht moeten uitgaan naar de unieke positie van de drie Baltische landen. Hun elektriciteitsnetten zijn namelijk afgestemd op het Russische in plaats van op enig EU-systeem, waardoor zij voor de stabiliteit en de frequentieregeling in hun elektriciteitsnetten helemaal van Rusland afhankelijk zijn.
5.9 Algerije, Libië en de Euromediterrane regio als geheel blijven ook van cruciaal belang voor externe samenwerking op het gebied van energie.
5.10 Tot slot heeft het Comité erkend dat Centraal-Azië (18) beschikt over „aanzienlijke energievoorraden, die een aanvullende bron van (niet-alternatieve) energie kunnen vormen voor Europa” en erop aangedrongen om bij het beantwoorden van de vraag of dergelijke verbindingen haalbaar zijn, praktische en economische overwegingen de boventoon te laten voeren en om bij het aanhalen van de banden tussen de EU en die regio „samen te werken en informatie uit te wisselen met Rusland, China en Turkije”. Met name China is als andere grote energieconsument belangrijk. Het is daarom essentieel dat ook hier bijzondere nadruk wordt gelegd op nauwe samenwerking op het gebied van energie, technologie en klimaatverandering.
Brussel, 18 januari 2012
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Staffan NILSSON
(1) Giles Chichester, lid van het Europees Parlement, oud-voorzitter van EP-commissie, oktober 2011
(2) Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie
(3) COM(2010) 639 final
(4) PB C 318 van 29.10.2011, blz. 150-154
(5) COM (2011) 540 definitief
(6) COM(2011) 539 definitief
(7) Albanië, Bosnië en Herzegovina, Kroatië, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Moldavië, Montenegro, Servië, Oekraïne en Kosovo.
(8) Dit moet uiteraard worden afgestemd op het beleid en de nieuwe alomvattende bevoegdheden van de EU op het gebied van investeringen die voortvloeien uit het Verdrag van Lissabon – zie het EESC-advies PB C 318 van 29.10.2011, blz. 150-154.
(9) Toelichting (hoofdstuk 1 van COM (2011) 540 definitief)
(10) PB C 132 van 3.5.2011, blz. 15-21
(11) PB C 182 van 4.8.2009, blz. 8-12
(12) PB C 376 van 22.12.2011, blz. 1
(13) Oekraïne, Moldavië, Georgië, Armenië, Azerbeidzjan en Wit-Rusland
(14) Hoofdstuk 1.3, blz. 7
(15) COM(2011) 539 definitief, blz. 9 (voetnoot 20)
(16) PB C 318 van 29.10.2011, blz. 150-154
(17) COM(2011) 105 definitief
(18) PB C 248 van 25.8.2011, blz. 49-54