20.12.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 372/36


Conclusies van de Raad over de modernisering van het hoger onderwijs

2011/C 372/09

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

OVERWEGENDE HETGEEN VOLGT:

1.

De hogeronderwijssystemen spelen een cruciale rol bij het verwerven van kennis waardoor de ontwikkeling van mens en maatschappij wordt geschraagd en actief burgerschap wordt bevorderd.

2.

In de in juni 2010 aangenomen Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei (1) is de specifieke doelstelling opgenomen om de onderwijsniveaus te verhogen, in het bijzonder door het deel van de jongeren dat tertiair of gelijkwaardig onderwijs met succes heeft voltooid, uiterlijk in 2020 op te trekken tot ten minste 40 %.

3.

Bij de verklaring van Bologna van 19 juni 1999 is een door de Europese Unie actief gesteund intergouvernementeel proces op gang gebracht, dat moest uitmonden in een „Europese ruimte voor hoger onderwijs”. Op 28 en 29 april 2009 hebben de voor hoger onderwijs verantwoordelijke ministers van de deelnemende landen tijdens een bijeenkomst te Leuven en Louvain-la-Neuve de instellingen voor hoger onderwijs (2) opgeroepen hun activiteiten tussen nu en 2020 verder te moderniseren.

4.

In Richtlijn 2004/114/EG van de Raad van 13 december 2004 staan de voorwaarden en de regels voor het toelaten van onderdanen van derde landen voor een periode van meer dan drie maanden tot het grondgebied van de lidstaten met het oog op studie, scholierenuitwisseling, onbezoldigde beroepsopleiding of vrijwilligerswerk (3).

5.

In Richtlijn 2005/71/EG van de Raad van 12 oktober 2005 worden de voorwaarden vastgesteld voor de toelating van onderzoekers uit derde landen tot de lidstaten voor een periode van meer dan drie maanden om een onderzoeksproject uit te voeren in het kader van gastovereenkomsten met onderzoeksinstellingen (4).

6.

In zijn resolutie van 23 november 2007 over de modernisering van de universiteiten ten behoeve van het concurrentievermogen van Europa in een mondiale kenniseconomie (5) verzocht de Raad de lidstaten de internationalisering van de instellingen voor hoger onderwijs te bevorderen door kwaliteitsborging via onafhankelijke beoordelingen en collegiale toetsing van universiteiten aan te moedigen, mobiliteit te versterken, het gebruik van gezamenlijke en dubbele graden te stimuleren en de erkenning van kwalificaties en studietijdvakken te bevorderen.

7.

In zijn conclusies van 12 mei 2009 betreffende een strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding (6) verklaart de Raad dat, wil men de lidstaten helpen op weg naar de modernisering van het hoger onderwijs en de ontwikkeling van een Europese ruimte voor hoger onderwijs, gestreefd moet worden naar nauwe synergie met het proces van Bologna, met name wat betreft instrumenten ter bevordering van kwaliteitsborging, erkenning, mobiliteit en transparantie.

8.

In de conclusies van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen, op 26 november 2009 in het kader van de Raad bijeen, over het ontwikkelen van de rol van onderwijs in een ten volle functionerende kennisdriehoek (7) staat dat de bestuurs- en de financieringsstructuur van de universiteiten verder moet worden hervormd met het oog op meer autonomie en verantwoordingsplicht, zodat een gedifferentieerdere inkomstenstroom en een effectievere samenwerking met de zakenwereld in de hand worden gewerkt en universiteiten toegerust zijn om op wereldniveau te kunnen deelnemen aan de kennisdriehoek.

9.

In de conclusies van de Raad van 11 mei 2010 over de internationalisering van het hoger onderwijs (8) wordt de Commissie verzocht een EU-strategie voor internationaal hoger onderwijs uit te werken die de samenhang en complementariteit tussen de bestaande initiatieven voor internationale samenwerking op het niveau van de EU en op nationaal niveau moet verbeteren en de aantrekkingskracht van het Europese hoger onderwijs en onderzoek en de Europese innovatie in het kader van externe activiteiten van de EU verder zal bevorderen.

10.

In de conclusies van de Raad van 7 juni 2010, getiteld „Nieuwe vaardigheden voor nieuwe banen: de koers voor de toekomst” (9), wordt benadrukt dat inclusieve groei moet worden bevorderd en alle leeftijdsgroepen moeten worden geholpen veranderingen vóór te zijn en ze aan te kunnen, door hun de juiste vaardigheden en competenties bij te brengen.

11.

In de conclusies van de Raad van 19 november 2010 over het initiatief „Jeugd in beweging” (10) wordt aangedrongen op versterking van de kwaliteit en de aantrekkelijkheid van het onderwijs op alle niveaus, met name in het hoger onderwijs.

12.

In de conclusies van de Raad van 26 november 2010 over de Innovatie-Unie voor Europa (11) wordt beklemtoond dat prioriteit moet worden toegekend aan investeringen in onderwijs, opleiding en onderzoek en dat het intellectuele kapitaal van Europa onverkort moet worden benut teneinde concurrentievermogen en groei voor de lange termijn veilig te stellen.

13.

In de conclusies van de Europese Raad van 4 februari 2011 wordt een strategische en geïntegreerde aanpak verlangd ter bevordering van innovatie en voor het optimaal benutten van het intellectuele kapitaal van Europa, ten behoeve van burgers, bedrijfsleven (in het bijzonder het midden- en kleinbedrijf) en onderzoekers (12).

14.

In de conclusies van de Raad van 14 februari 2011 over de rol van onderwijs en opleiding in de uitvoering van de Europa 2020-strategie (13) wordt onderstreept dat de instellingen voor hoger onderwijs ernaar moeten streven de kwaliteit en de relevantie van hun onderwijsaanbod te verbeteren, opdat een bredere groep burgers wordt aangetrokken, en dat een hechtere samenwerking tussen instellingen voor hoger onderwijs, onderzoeksinstellingen en ondernemingen moet worden bevorderd met het oog op een sterkere kennisdriehoek als basis voor een innovatievere en creatievere economie.

15.

In de conclusies van de Raad van 19 mei 2011 over een EU-kader voor de nationale strategieën voor integratie van de Roma tot 2020 (14) wordt de lidstaten verzocht doelen te bepalen, en deze te blijven nastreven, die zouden kunnen worden toegespitst op het zorgen voor gelijke toegang tot kwalitatief goed onderwijs, inclusief hoger onderwijs.

16.

In de conclusies van de Raad van 31 mei 2011 over de ontwikkeling van de Europese Onderzoeksruimte (EOR) via de EOR-gerelateerde groepen (15) wordt opgemerkt dat de aanzienlijke vooruitgang die is geboekt bij de uitvoering van de EOR, dient te resulteren in een voortzetting van de alomvattende strategische benadering om het intellectueel kapitaal van Europa optimaal te benutten.

17.

In de aanbeveling van de Raad van 28 juni 2011„Jeugd in beweging — de leermobiliteit van jongeren bevorderen” (16), wordt opgemerkt dat leermobiliteit stelsels en instellingen voor onderwijs en beroepsopleiding opener, Europeser en internationaler, toegankelijker en doelmatiger kan maken. Ook kan zij het concurrentievermogen van Europa versterken door de opbouw van een kennisintensieve samenleving te stimuleren.

18.

In de conclusies van de Raad van 28 november 2011 over een benchmark betreffende leermobiliteit wordt getracht de deelname van leerlingen in het hoger onderwijs aan leermobiliteit te verhogen en worden kwantitatieve en kwalitatieve minimumvoorwaarden gesteld voor het meten van de met hoger onderwijs verband houdende studie- of opleidingsperioden in het buitenland.

19.

De Europese Unie heeft een lange traditie van samenwerking met derde landen op basis van een beleids- en instrumentenpakket waarin hoger onderwijs een steeds grotere rol speelt. Samenwerking op het gebied van hoger onderwijs heeft ook een prominente plaats in multilaterale samenwerkingsverbanden zoals het Oostelijk Partnerschap, de Unie voor het Middellandse Zeegebied, de Noordelijke Dimensie en de Westelijke Balkan.

IN HET LICHT VAN

1.

De eerste ministeriële EOR-conferentie over Intellectueel Kapitaal — Creatieve Impact, die op 20 juli 2011 te Sopot heeft plaatsgevonden, tijdens welke de rol is belicht die de universiteiten in een gemondialiseerde wereld vervullen als vitale bronnen van kennis en vernieuwend denken, in het bijzonder ten aanzien van strategische onderzoeksgebieden, gericht op hedendaagse uitdagingen.

2.

De conferentie van het voorzitterschap over de Modernisering van het hoger onderwijs, die op 24-25 oktober 2011 te Sopot is gehouden, tijdens welke is benadrukt dat de stelsels voor hoger onderwijs moeten worden gemoderniseerd, zeker nu zij te maken hebben met de huidige uitdagingen zoals mondiale concurrentie en demografische tendensen.

IS INGENOMEN MET

De mededeling van de Commissie van 20 september 2011 aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's over Ondersteuning van groei en werkgelegenheid — een agenda voor de modernisering van de Europese hogeronderwijssystemen  (17).

BEVESTIGT HET VOLGENDE:

1.

In het huidige economische klimaat speelt het hoger onderwijs (inclusief beroepsonderwijs en -opleiding op het tertiaire niveau) — door zijn band met onderzoek en innovatie — een essentiële rol bij het leveren van het hooggekwalificeerde menselijk kapitaal en het bevorderen van het essentiële onderzoek dat Europa nodig heeft in zijn streven om banen, economische groei en welvaart veilig te stellen.

2.

De kwalificaties van afgestudeerden beantwoorden niet altijd aan de behoeften van de arbeidsmarkt en de maatschappij. Werkgevers in de overheids- en de privésector melden dat het steeds moeilijker wordt om mensen te vinden die aan de steeds wisselende behoeften van de kenniseconomie voldoen.

3.

Europa heeft veel meer opgeleide onderzoekers en onderzoekers met ervaring buiten de academische wereld nodig, ook uit de particuliere sector, om zijn economieën onderzoeksintensiever te maken en tevens een stimulans te bieden voor innovatie en concurrentievermogen.

4.

Een ruimere deelneming aan het hoger onderwijs vereist een grotere aandacht voor de uitdagingen in verband met kwaliteit en diversiteit.

5.

De kracht van Europese instellingen voor hoger onderwijs ligt in hun diversiteit, in het bieden van hoogwaardig, duurzaam en relevant onderwijs en onderzoek, en in het verband tussen institutionele autonomie, verantwoording aan alle belanghebbenden, en het vermogen zich aan te passen aan veranderende omstandigheden. Naast hun twee traditionele taken, namelijk onderwijs en onderzoek, wordt een derde taak, die de instellingen en het bedrijfsleven, ook op regionaal niveau, aan elkaar koppelt, en die maatschappelijke verantwoordelijkheid omvat, steeds belangrijker.

6.

Het potentieel van de Europese instellingen voor hoger onderwijs om hun maatschappelijke rol te vervullen en aan de Europese welvaart bij te dragen, blijft evenwel onderbenut. Europa loopt achter in de wereldwijde concurrentiestrijd om kennis en talent, terwijl de investeringen van opkomende economieën in het hoger onderwijs snel toenemen.

7.

Tegelijkertijd proberen instellingen voor hoger onderwijs al te vaak op te veel gebieden te concurreren, terwijl slechts een aantal excellentie bereiken op specifieke gebieden waarop er sterke wereldwijde concurrentie is.

8.

Instellingen voor hoger onderwijs moeten zich dus intern blijven hervormen op basis van de keuze van hun institutionele taken, afhankelijk van het soort intellectueel kapitaal waar zij voor staan en de mogelijkheden om zichzelf te profileren ten opzichte van andere nationale instellingen.

9.

Institutionele autonomie is nodig voor het bevorderen van de institutionele diversiteit binnen nationale stelsels voor hoger onderwijs: de institutionele taken en opdrachten moeten worden gediversifieerd, teneinde excellentie in de instellingen voor hoger onderwijs te stimuleren.

IS HET EENS OVER HET VOLGENDE:

1.

Het doorvoeren en steunen van hervormingen in het hoger onderwijs is vooral de taak van de lidstaten en de onderwijsinstellingen zelf. Het Bolognaproces en de daaropvolgende ontwikkeling van de Europese ruimte voor hoger onderwijs, de EU-agenda voor de modernisering van de hogeronderwijssystemen en de totstandbrenging van de Europese Onderzoeksruimte maken echter duidelijk dat de uitdagingen en de vereiste beleidsrespons de nationale grenzen overstijgen en dat Europese samenwerking een waardevolle bijdrage moet leveren wat betreft financieringssteun, empirisch onderbouwde beleidsanalyse en uitwisseling van de beste praktijken.

2.

De kwaliteit en relevantie van het hoger onderwijs vormen een sleutelvoorwaarde voor een volledige benutting van het intellectueel kapitaal van Europa.

3.

De kwaliteit van onderwijs en onderzoek is een belangrijke factor voor het welslagen van de modernisering van de hogeronderwijssystemen in Europa.

4.

Versterking van de kennisdriehoek onderwijs-onderzoek-innovatie is een belangrijke voorwaarde, wil het hoger onderwijs voor banen en groei kunnen zorgen, de bestuurs- en de financieringsstructuur hervormen, en internationaal aantrekkelijker worden.

5.

De ontwikkeling van de Europese onderzoeksruimte maakt de nationale stelsels meer complementair, waardoor de kosteneffectiviteit van investeringen in onderzoek wordt verbeterd en de uitwisseling en samenwerking tussen instellingen in het kader van de kennisdriehoek wordt geïntensiveerd.

6.

De internationale mobiliteit van studenten, onderzoekers en onderwijzend personeel, die is toegenomen sinds de vorming van de Europese ruimte voor hoger onderwijs, heeft een positieve invloed op de kwaliteit en heeft betrekking op alle grote hervormingssectoren. Dit kan echter ook problematisch zijn voor onderwijsstelsels met een sterke instroom van studenten, of voor landen die ten prooi dreigen te vallen aan hersenvlucht omdat veel mensen met talent in het buitenland gaan studeren en er blijven.

7.

De beste studenten, wetenschappers en onderzoekers van buiten de EU aantrekken en nieuwe vormen van grensoverschrijdende samenwerking ontwikkelen, zijn de voornaamste voorwaarden om van de Europese ruimte voor hoger onderwijs en de Europese onderzoeksruimte aantrekkelijke bestemmingen te maken in de wereldwijde slag om kennis en talent.

8.

De werkgevers en andere belanghebbenden betrekken bij het ontwerpen en uitvoeren van programma's is van essentieel belang voor het verbeteren van de kwaliteit en de relevantie van het hoger onderwijs.

9.

Overheidsinvesteringen, mede bekostigd uit extra financieringsbronnen, moeten ook in de toekomst de grondslag zijn voor duurzaam hoger onderwijs, vooral gezien de huidige financiële crisis in Europa.

VERZOEKT BIJGEVOLG DE LIDSTATEN OM — IN OVEREENSTEMMING MET HUN NATIONALE PRAKTIJKEN — MET DE INSTELLINGEN VOOR HOGER ONDERWIJS SAMEN TE WERKEN, MET INACHTNEMING VAN HUN AUTONOMIE, EVENALS MET ALLE BELANGHEBBENDEN, MET DE VOLGENDE DOELEN:

1.

Zich meer inspannen om de opleidingsniveaus in het hoger onderwijs te verhogen teneinde het Europa 2020-kerndoel voor onderwijs te halen, volgens hetwelk 40 % van de mensen tussen 30 en 34 jaar in de EU tertiair of gelijkwaardig onderwijs moet hebben voltooid, aangezien er volgens de ramingen in 2020 voor 35 % van alle banen in de EU hoge kwalificaties vereist zullen zijn (18).

2.

Duidelijke trajecten van beroeps- en andere opleidingstypes naar hoger onderwijs ontwikkelen, alsmede mechanismen voor de erkenning van eerdere, buiten het formele onderwijs- en opleidingssysteem opgedane kennis en ervaring, met name door problemen in verband met de toepassing en het gebruik van de aan het Europees kwalificatiekader gerelateerde nationale kwalificatiekaders aan te pakken.

3.

De systematische ontwikkeling bevorderen van doeltreffende strategieën die moeten waarborgen dat achterstandsgroepen en ondervertegenwoordigde groepen toegang krijgen, met name door die groepen beter te benaderen en hun transparantere informatie te verstrekken over onderwijsmogelijkheden en -resultaten, alsook betere richtsnoeren te verstrekken voor het maken van de juiste studiekeuze.

4.

De inspanningen opvoeren om te zorgen voor zo weinig mogelijk uitval in het hoger onderwijs door de kwaliteit, de relevantie en de aantrekkelijkheid van de curricula te verhogen, in het bijzonder door studentgericht onderwijs en door, ook tijdens de studie, passende bijstand, begeleiding en advies te verstrekken.

5.

Ervoor zorgen dat gerichte financiële steun potentiële studenten uit lagere inkomensgroepen bereikt.

6.

Het gebruik van vaardigheden- en groeiprognoses en van gegevens over werkgelegenheid voor afgestudeerden aanmoedigen (onder meer nagaan waar afgestudeerden werk vinden) bij het ontwerpen, onderwijzen en evalueren van cursussen, alsook een grotere flexibiliteit stimuleren bij het opstellen van studieprogramma's, met inbegrip van interdisciplinaire leertrajecten, teneinde de inzetbaarheid van afgestudeerden te vergroten.

7.

Het gebruik van studentgerichte onderwijs- en leermethoden aanmoedigen, waarbij de behoeften van een diverse studentenpopulatie in acht worden genomen en een grotere verscheidenheid aan studievormen wordt bevorderd, onder meer door doeltreffend gebruik te maken van ICT's.

8.

Instellingen voor hoger onderwijs ertoe aansporen om in permanente beroepsontwikkeling voor hun personeel te investeren, en excellentie in het onderwijs te belonen.

9.

Stereotypen ontkrachten en obstakels wegnemen waarmee vrouwen nog steeds worden geconfronteerd als zij de hoogste niveaus in postdoctoraal onderwijs en onderzoek willen bereiken, vooral voor bepaalde specialisaties en in leidende posities, zodat onbenut talent kan worden geëxploiteerd.

10.

Waar relevant en passend, de nationale financiering van doctoraalprogramma's koppelen aan de beginselen voor innovatieve doctoraalopleidingen (19), en de ontwikkeling van loopbaanmogelijkheden voor onderzoekers ondersteunen.

11.

De ontwikkeling bevorderen van creatieve, ondernemers- en innovatievaardigheden in alle vakgebieden en in alle cycli, en innovatie in het hoger onderwijs bevorderen door meer interactieve leeromgevingen en een sterkere infrastructuur voor kennisoverdracht.

12.

Waar relevant, het toekennen van een grotere rol aan interdisciplinair onderzoek in instellingen voor hoger onderwijs aanmoedigen, alsmede de onderlinge verbanden tussen hoger onderwijs en onderzoek versterken, teneinde de kennisdriehoek efficiënter te doen werken.

13.

Naast de taken van het hoger onderwijs op het gebied van onderwijs en onderzoek, de verdere ontwikkeling van tertiaire activiteiten aanmoedigen, zoals kennis- en innovatieoverdracht, maatschappelijk engagement, levenslang leren en activiteiten die van belang zijn voor de regionale en lokale ontwikkeling.

14.

Partnerschap en samenwerking met het bedrijfsleven aanmoedigen, bijvoorbeeld door middel van beloningsstructuren, stages en stageplaatsen, stimulansen voor samenwerking tussen vakgebieden en organisaties, alsook het verminderen van administratieve en regelgevingsbarrières voor partnerschappen tussen instellingen voor hoger onderwijs en andere belanghebbenden uit de overheids- en de particuliere sector. De effectieve kennisoverdracht aan de markt, en in dit verband de aansluiting tussen basisonderzoek en toegepast onderzoek, kan worden verwezenlijkt door de uitvoering van overheidsbeleid dat partnerschappen tussen een breed scala van entiteiten versterkt.

15.

De banden tussen instellingen voor hoger onderwijs, werkgevers en arbeidsmarktinstellingen aanhalen teneinde in de studieprogramma's meer rekening te houden met de behoeften van de arbeidsmarkt, de vaardigheden beter af te stemmen op de banen, en een actief arbeidsmarktbeleid te ontwikkelen dat gericht is op bevordering van werkgelegenheid voor afgestudeerden.

16.

De kwaliteit verbeteren door middel van mobiliteit en grensoverschrijdende samenwerking, mede door:

a.

leermobiliteit in voorkomend geval systematischer in leerplannen in te bouwen, en te zorgen voor een efficiënte erkenning van in het buitenland verworven studiepunten door doeltreffend gebruik van transparantie-instrumenten zoals het Europees puntenoverdrachtsysteem (ECTS), het diplomasupplement, kwaliteitsborging en het Europees kwalificatiekader;

b.

onnodige belemmeringen op te heffen bij het veranderen van instelling tussen het bachelors- en het mastersniveau en voor grensoverschrijdende samenwerking en uitwisselingen;

c.

toegang, arbeidsvoorwaarden en doorgroeimogelijkheden voor studenten, onderzoekers en leraren uit niet-EU-landen te verbeteren, onder meer — waar mogelijk — door het oplossen van administratieve kwesties die problemen veroorzaken bij het verkrijgen van visa;

d.

ervoor te zorgen dat de kwaliteitsborgingssystemen franchiseformules in het onderwijs adequaat bestrijken;

e.

bredere institutionele samenwerking bevorderen, onder meer door het ontwikkelen van curricula die tot dubbele en gezamenlijke graden leiden.

17.

Flexibeler bestuurs- en financieringssystemen in instellingen voor hoger onderwijs aanmoedigen, waaronder prestatie- en concurrentiegerelateerde mechanismen, alsook de professionalisering van het interne beheer bevorderen.

18.

De toegang tot alternatieve financieringsbronnen vergemakkelijken, onder meer — waar passend — door overheidsmiddelen aan te wenden voor het aantrekken van particuliere en andere overheidsinvesteringen.

IS INGENOMEN MET HET VOORNEMEN VAN DE COMMISSIE OM

1.

De lidstaten in hun inspanningen ter hervorming van hun stelsels voor hoger onderwijs te steunen, door ten volle gebruik te maken van EU-programma's op het gebied van onderwijs en opleiding, en door middel van betere empirische onderbouwing, een gedetailleerde analyse en meer transparantie, mede door:

a.

in overleg met de belanghebbenden vóór eind 2013 een onafhankelijk, op prestaties gebaseerd transparantie-instrument voor de profilering van instellingen voor hoger onderwijs („U-Multirank”) ontwikkelen, dat rekening houdt met het specifieke karakter van nationale stelsels voor hoger onderwijs overal in Europa waarbij de verscheidenheid aan instellingen voor hoger onderwijs wordt onderkend, alsook de gebruikers in staat worden gesteld gepersonaliseerde multidimensionale rangschikkingen te creëren;

b.

betere informatie inzake hoger onderwijs en de arbeidsmarkt te blijven ontwikkelen, met name door (met de beschikbare middelen en met een minimum aan administratieve lasten) betere gegevens te verzamelen over leermobiliteit en werkgelegenheidsresultaten in het Europees hoger onderwijs, en door specifieke richtsnoeren te presenteren betreffende de verbetering van basisvaardigheden en transversale vaardigheden en ervoor te zorgen dat vaardigheden, beter op de arbeidsmarkt aansluiten;

c.

de impact van verschillende financieringsmethoden te analyseren wat diversificatie, efficiëntie en rechtvaardigheid van systemen voor hoger onderwijs, en ook de mobiliteit van studenten, betreft;

d.

een groep deskundigen op hoog niveau op te richten om de voornaamste elementen voor de modernisering van het hoger onderwijs te analyseren, te beginnen bij de bevordering van excellentie in het onderwijzen, met het oog op rapportage in 2013.

2.

De toename van leermobiliteit te faciliteren door versterking van het ECTS en de mechanismen voor kwaliteitsborging, met het oog op een verbeterde erkenning.

3.

Zonder vooruit te lopen op de komende onderhandelingen over het toekomstige EU-programma voor onderwijs, opleiding en jeugd, een Erasmus-mobiliteitsplan voor mastersopleidingen voor te stellen, teneinde mobiliteit, excellentie en toegang tot betaalbare financiering voor studenten die hun mastersgraad in een andere lidstaat behalen te bevorderen, ongeacht hun sociale achtergrond.

4.

De analyse van de mobiliteitsstromen en van de ontwikkelingen in het franchiseonderwijs te ondersteunen.

5.

Samen met de lidstaten de coherente ontwikkeling te bevorderen van de Europese Onderzoeksruimte en de Europese ruimte voor hoger onderwijs, en ernaar te streven de synergie tussen de EU en het Bolognaproces te versterken, onder meer door gebruik te maken van het programma voor de periode na 2013 op het gebied van onderwijs en opleiding, teneinde bij te dragen tot de Bologna- en EU-mobiliteitsdoelstelling van 20 %.

6.

Het Europees Instituut voor innovatie en technologie (EIT) verder te ontwikkelen door het voorstel voor een agenda voor strategische innovatie aan te nemen waarin de toekomst van het EIT en de prioriteiten daarvan worden uiteengezet, alsmede voorstellen voor het opzetten van nieuwe KIG's, vooral om het innovatiepotentieel van instellingen voor hoger onderwijs in samenwerking met het bedrijfsleven te vergroten.

7.

De toepassing van open en transparante wervingsprocedures te ondersteunen en de grens- en sectoroverschrijdende mobiliteit van onderzoekers te stimuleren door het Europees kader voor onderzoekloopbanen en het Europese initiatief EURAXESS — Researchers in Motion („Onderzoekers in beweging”) (20) te bevorderen.

8.

In het kader van de Marie Curie-acties de mobiliteitsstelsels voor doctoraalstudenten te versterken, onder meer door steun voor herintegratie te verlenen, en een Europese industriële doctoraalsopleiding te stimuleren teneinde toegepast onderzoek te ondersteunen.

9.

Een kwaliteitskader voor stages voor te stellen om studenten en afgestudeerden te helpen de praktische kennis te verwerven die zij nodig zullen hebben in het arbeidsleven en meer en betere stages te vinden.

10.

De EU als studie- en onderzoeksbestemming voor toptalent van over de hele wereld te promoten, met inachtneming van de diversiteit van de instellingen voor hoger onderwijs, en betrekkingen inzake hoger onderwijs te ontwikkelen met partners van buiten de Unie, om de nationale stelsels voor hoger onderwijs, de beleidsdialoog, de mobiliteit en academische erkenning te verbeteren, onder meer door middel van de uitbreidingsstrategie, het Europees nabuurschapsbeleid, het Oostelijk Partnerschap, het Europees-mediterraan partnerschap, samenwerking met de Westelijke Balkan, de totaalaanpak van migratie en het Bolognabeleidsforum.

11.

Een EU-strategie voor internationaal hoger onderwijs uit te werken teneinde bovenstaande doelstellingen beter te kunnen verwezenlijken, waarbij de internationale aantrekkingskracht en zichtbaarheid worden verhoogd, en met partners wordt samengewerkt met als doel de betrekkingen te versterken en de capaciteitsopbouw in het hoger onderwijs te verstevigen.

12.

Het langetermijneffect van EU-financiering voor de modernisering van het hoger onderwijs te versterken door een betere complementariteit tussen verschillende financieringsinstrumenten, met name het toekomstige EU-programma voor onderwijs, opleiding en jeugd, het kaderprogramma Horizon 2020 voor onderzoek en innovatie en de instrumenten van het Europees cohesiebeleid.


(1)  EUCO 13/10.

(2)  Om rekening te houden met taalkundige verscheidenheid en nationale tradities en praktijken wordt deze term gebruikt ter aanduiding van alle instellingen van tertiair onderwijs, met inbegrip van universiteiten, hogescholen, technologische instituten, „grandes écoles”, business schools, ingenieursopleidingen, IUT, colleges voor hoger onderwijs, „professional schools”, polytechnische scholen, academies enz.

(3)  PB L 375 van 23.12.2004, blz. 12.

(4)  PB L 289 van 3.11.2005, blz. 15.

(5)  Doc. 16096/1/07 REV 1.

(6)  PB C 119 van 28.5.2009, blz. 2.

(7)  PB C 302 van 12.12.2009, blz. 3.

(8)  PB C 135 van 26.5.2010, blz. 12.

(9)  Doc. 10841/10.

(10)  PB C 326 van 3.12.2010, blz. 9.

(11)  Doc. 17165/10.

(12)  Doc. EUCO 2/11, blz. 6, punt 16.

(13)  PB C 70 van 4.3.2011, blz. 1.

(14)  Doc. 10658/11.

(15)  11032/11.

(16)  PB C 199 van 7.7.2011, blz. 1.

(17)  Doc. 14198/11 + ADD 1.

(18)  Verslag Cedefop 2010.

(19)  Verslag dat in mei door de EOR-stuurgroep voor menselijk potentieel en mobiliteit is goedgekeurd en op 27 juni 2011 zijn definitieve vorm heeft gekregen.

(20)  Verslag dat in mei 2011 door de EOR-stuurgroep voor menselijk potentieel en mobiliteit is goedgekeurd en op 21 juli 2011 zijn definitieve vorm heeft gekregen.