31.3.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 99/9


MEDEDELING VAN DE COMMISSIE

Richtsnoeren voor de facultatieve toepassing van artikel 10 quater van Richtlijn 2003/87/EG

2011/C 99/03

1.   INLEIDING

(1)

Krachtens artikel 10 quater van Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (1) mogen lidstaten waarvan de elektriciteitssystemen aan bepaalde voorwaarden voldoen voorlopig kosteloos emissierechten toewijzen aan installaties voor elektriciteitsproductie. De voorwaarden hebben betrekking op de behoefte om het energiesysteem te moderniseren, en lidstaten die voor deze optie kiezen moeten tegelijk voorzien in investeringen in het energiesysteem, zoals modernisering van de infrastructuur, schone technologieën enz., voor een bedrag dat gelijk is aan de marktwaarde van de overeenkomstige kosteloze toewijzing van emissierechten.

(2)

Er zij op gewezen dat lidstaten die aan de voorwaarden voldoen deze optie niet moeten kiezen; ze kunnen verkiezen dit niet te doen omdat ze anders inkomsten uit veilingen zouden derven. De lidstaten die wel voor deze optie kiezen, moeten echter voldoen aan de bepalingen van artikel 10 quater van Richtlijn 2003/87/EG.

(3)

Een geharmoniseerd systeem voor handel in emissierechten is onontbeerlijk om de voordelen van emissiehandel optimaal te benutten en om concurrentieverstoringen op de interne markt te vermijden. In Richtlijn 2003/87/EG is het veilen van emissierechten als basisbeginsel voor de toewijzing van emissierechten vastgesteld, omdat dit systeem het eenvoudigst is en algemeen als het efficiëntst wordt beschouwd vanuit economisch oogpunt. Veilingen zorgen ook voor een gelijk speelveld, zodat de mededinging op de interne elektriciteitsmarkt zich verder kan ontwikkelen.

(4)

Bovendien is in Richtlijn 2003/87/EG expliciet vermeld dat volledige veiling vanaf 2013 de regel wordt voor de energiesector, om te vermijden dat de sector de alternatieve kosten van CO2 zou doorberekenen aan de consumenten in de vorm van hogere elektriciteitsprijzen en op die manier uitzonderlijke winsten zou boeken. Veilingen maken dergelijke uitzonderlijke winsten onmogelijk.

(5)

Artikel 10 quater van Richtlijn 2003/87/EG bevat bepalingen die afwijken van een aantal kernbeginselen van die richtlijn, met name de in de hele EU volledig geharmoniseerde aanpak van toewijzingen, de invoering van veilingen als standaardtoewijzingsmethode en het expliciete verbod op kosteloze toewijzing van emissierechten voor elektriciteitsproductie. Deze beginselen en regels hebben als doel een zo groot mogelijke mate van economische efficiëntie in te bouwen in de regeling. De toepassing van artikel 10 quater mag deze algemene regels en doelstellingen van Richtlijn 2003/87/EG niet in het gedrang brengen.

(6)

Gezien deze achtergrond, en rekening houdende met de bezorgdheid van veel lidstaten over mogelijke concurrentieverstoringen ten gevolge van de toepassing van artikel 10 quater van Richtlijn 2003/87/EG, acht de Commissie het om de volgende redenen noodzakelijk richtsnoeren op te stellen voor de toepassing van artikel 10 quater:

De richtlijn verplicht de Commissie om aanvragen van individuele lidstaten om artikel 10 quater van Richtlijn 2003/87/EG toe te passen, te beoordelen. Met deze richtsnoeren stelt de Commissie een transparant kader voor die beoordelingen vast;

Artikel 10 quater van Richtlijn 2003/87/EG vormt een uitzondering op de kernbeginselen van die richtlijn. Er moet op worden toegezien dat deze uitzondering zodanig wordt geïnterpreteerd en toegepast dat ze de algemene doelstellingen van de richtlijn niet ondermijnt;

Volgens artikel 10 quater, lid 3, van Richtlijn 2003/87/EG moet de Commissie, volgens een comitéprocedure, „richtsnoeren verstrekken om ervoor te zorgen dat bij de toewijzingsmethoden onnodige concurrentieverstoring wordt voorkomen en negatieve effecten op de stimulansen voor emissiereducties zo veel mogelijk worden beperkt”, maar ook andere elementen van de toewijzingsmethoden, zoals het maximale aantal van de in artikel 10 quater, lid 2, gedefinieerde kosteloze toewijzingen, vereisen een consensus;

Artikel 10 quater van Richtlijn 2003/87/EG heeft alleen betrekking op de sector van de elektriciteitsopwekking. Daarom moet ook een consensus worden bereikt over welke installaties in aanmerking komen om tijdelijk kosteloos emissierechten te ontvangen op basis van deze bepaling;

Een aantal technische termen die in artikel 10 quater van Richtlijn 2003/87/EG worden gebruikt (bruto nationaal eindverbruik, marktwaarde van kosteloze toewijzingen) zijn niet gedefinieerd in die richtlijn. Om te garanderen dat lidstaten die ervoor kiezen artikel 10 quater toe te passen, dit op samenhangende wijze doen, zijn duidelijke richtsnoeren nodig;

De lidstaten mogen sommige bepalingen van artikel 10 quater van Richtlijn 2003/87/EG tot op bepaalde hoogte naar eigen inzicht toepassen. Dit geldt met name voor het nationaal plan van elke lidstaat en de daarmee gepaard gaande investeringen. Andere bepalingen bevatten elementen die nieuw zijn voor Richtlijn 2003/87/EG en die in overeenstemming moeten worden gebracht met de marktgebaseerde benadering van de regeling. De toepassing van artikel 10 quater mag niet ingaan tegen de doelstellingen van Richtlijn 2003/87/EG, noch het gelijke speelveld op de interne markt van de Unie in gevaar brengen.

2.   MAXIMAAL AANTAL VOORLOPIGE KOSTELOZE TOEWIJZINGEN OP HET NIVEAU VAN DE LIDSTATEN

2.1.   Vaststelling van een maximaal aantal

(7)

In artikel 10 quater, lid 2, van Richtlijn 2003/87/EG is het maximale aantal kosteloze emissierechten vastgesteld die in 2013 mogen worden toegewezen aan installaties die daarvoor in aanmerking komen. Volgens deze bepaling moet dit aantal in de daaropvolgende jaren afnemen, tot uiteindelijk geen kosteloze toewijzing van emissierechten meer plaatsvindt in 2020.

(8)

Als de Commissie een aanvraag overeenkomstig artikel 10 quater, lid 6, van Richtlijn 2003/87/EG beoordeelt, gaat zij na of het maximale aantal emissierechten dat krachtens artikel 10 quater van die richtlijn in 2013 kosteloos aan een bepaalde lidstaat wordt toegewezen, hoger is dan het resultaat van de berekening in bijlage I, welke gebaseerd is op artikel 10 quater, lid 2.

2.2.   Geleidelijke afname van de kosteloze toewijzingen

(9)

In artikel 10 quater, lid 2, van Richtlijn 2003/87/EG is duidelijk gestipuleerd dat „de geleidelijke kosteloze toewijzing geleidelijk [wordt] verlaagd, zodat er in 2020 geen kosteloze toewijzingen meer plaatsvinden”. Een geloofwaardig en overtuigend geleidelijk traject van het startpunt van de kosteloze toewijzing van emissierechten in 2013 tot het eindpunt in 2020 is dan ook onontbeerlijk.

(10)

In het licht van het wettelijke mandaat om de kosteloze toewijzing van emissierechten binnen hoogstens zeven jaar volledig te laten uitdoven van een maximumniveau van 70 % tot 0 %, moet het geloofwaardig en overtuigend geleidelijk traject op weg naar 2020, wanneer geen kosteloze toewijzingen meer mogen plaatsvinden, voorzien in een duidelijke neerwaartse tendens voor de stappen tussen 70 % en 0 %.

(11)

Wanneer de Commissie een overeenkomstig artikel 10 quater, lid 5, van Richtlijn 2003/87/EG ingediende aanvraag beoordeelt, gaat zij na of de lidstaat in kwestie een geloofwaardig en overtuigend geleidelijk traject op weg naar volledige toewijzing door middel van veilingen volgt. Door de verlaging van de kosteloze toewijzingen teveel op het einde van de periode te laten plaatsvinden, zou in totaal een hoger aantal emissierechten kosteloos worden toegewezen over de volledige periode 2013-2020, hetgeen zou leiden tot onnodige verstoringen van de mededinging op de markt van de Unie. Dit zou onverenigbaar zijn met artikel 10 quater, lid 5, van de richtlijn. De Commissie is van oordeel dat de lidstaten hun verlagingstraject tot op zekere hoogte zelf moeten kunnen bepalen. De Commissie is van mening dat de voorwaarde van een geleidelijke verlaging vervuld zou zijn en dat de mededinging niet onnodig zou worden verstoord wanneer een lidstaat voorziet in een lineair verlagingstraject of een niet-lineair verlagingstraject waarbij de afname van kosteloos toegewezen emissierechten in twee opeenvolgende jaren in de periode 2013 tot 2020, hoogstens 50 % afwijkt van de gemiddelde jaarlijkse afname die in de resterende jaren nodig is om in 2020 uit te komen op 0 %.

3.   IN AANMERKING KOMENDE INSTALLATIES

3.1.   Afsluitingsdatum

(12)

Om in aanmerking te komen voor kosteloze toewijzing van emissierechten voor elektriciteitsproductie moeten installaties uiterlijk op 31 december 2008 in werking zijn gesteld. In hun aanvraag krachtens artikel 10 quater, lid 5, van Richtlijn 2003/87/EG moeten lidstaten aantonen dat de installaties op hun grondgebied die geacht worden in aanmerking te komen voor de voorlopige kosteloze toewijzing van emissierechten overeenkomstig artikel 10 quater van Richtlijn 2003/87/EG, aan deze voorwaarde voldoen door de geverifieerde emissies van deze installaties voor de periode 2008-2010 te vermelden, inclusief het nummer van de vergunning en de rekeninghouder van de desbetreffende installatie, zoals geregistreerd in het CITL. Deze informatie doet ook dienst als bewijs dat de installatie nog steeds actief is en ondertussen niet is stopgezet.

(13)

Bij wijze van alternatief komen installaties ook in aanmerking voor voorlopige kosteloze toewijzing van emissierechten krachtens artikel 10 quater van Richtlijn 2003/87/EG als het desbetreffende investeringsproces uiterlijk op 31 december 2008 fysiek was geïnitieerd.

(14)

Dit betekent dat de beslissing om een nieuwe elektriciteitscentrale te bouwen, genomen moet zijn zonder dat het vooruitzicht om kosteloos emissierechten voor deze nieuwe installatie te ontvangen daar enige invloed op had.

(15)

Gezien het voorgaande wordt ervan uitgegaan dat een investeringsproces uiterlijk op 31 december 2008 fysiek geïnitieerd was als kan worden aangetoond dat de investeringsbeslissing niet was beïnvloed door de mogelijkheid om kosteloze toewijzingen van emissierechten te ontvangen. De lidstaten kunnen dit aantonen door te bewijzen dat:

de bouwwerkzaamheden ter plaatse fysiek van start zijn gegaan en zichtbaar waren tegen 31 december 2008; of

vóór 31 december 2008 een contract voor de bouw van de elektriciteitscentrale in kwestie was gesloten tussen een investeerder (vaak de exploitant van de centrale) en een bedrijf dat verantwoordelijk is voor de bouwwerkzaamheden.

De Commissie gaat er in de huidige context van uit dat „bouwwerkzaamheden die al fysiek van start zijn gegaan” ook betrekking kan hebben op voorbereidende werken voor de bouw van de desbetreffende elektriciteitscentrale. Dergelijke werken moeten echter altijd worden ondernomen op basis van een expliciete toestemming, voor zover nodig, van de relevante nationale autoriteit. Het document waaruit blijkt dat deze toestemming is verleend, moet door de lidstaten worden ingediend; dit document moet rechtsgeldig zijn en zijn afgegeven overeenkomstig de nationale of EU-wetgeving. Indien geen expliciete toestemming vereist is voor het voorbereidende werk, moet met andere bewijzen worden aangetoond dat de bouwwerkzaamheden fysiek van start zijn gegaan.

De bovenstaande lijst is niet uitputtend; de lidstaten kunnen ook met andere middelen aantonen dat een bepaalde investeringsbeslissing niet beïnvloed is door de mogelijkheid om kosteloos emissierechten toegewezen te krijgen.

(16)

Wanneer de Commissie de beoordeling krachtens artikel 10 quater, lid 6, van Richtlijn 2003/87/EG uitvoert, vraagt zij duidelijke en onderbouwde bewijzen dat aan deze voorwaarden is voldaan. De lidstaten moeten alle in dit opzicht relevante informatie bij hun aanvraag overeenkomstig artikel 10 quater, lid 5, van Richtlijn 2003/87/EG voegen. Zoniet zal de Commissie de lijst van installaties waarop de aanvraag betrekking heeft, afwijzen.

3.2.   Installaties voor de productie van elektriciteit

(17)

Krachtens artikel 10 quater, lid 1, van Richtlijn 2003/87/EG mogen lidstaten voorlopig kosteloos emissierechten toewijzen aan installaties voor elektriciteitsproductie. De term „installaties voor elektriciteitsproductie” is niet gedefinieerd in Richtlijn 2003/87/EG. Aangezien dergelijke installaties een uitzonderling vormen op de algemene regel van Richtlijn 2003/87/EG dat emissierechten voor elektriciteitsproductie niet kosteloos mogen worden toegewezen, moet deze term zodanig worden geïnterpreteerd dat de doelstellingen van de richtlijn niet in het gedrang komen.

(18)

Deze benadering wordt ondersteund door de noodzaak om erop toe te zien dat de toepassing van artikel 10 quater van Richtlijn 2003/87/EG geen negatieve gevolgen heeft voor de industriële sector van de betrokken lidstaat en voor de EU-markt.

(19)

Om het toepassingsgebied van de term „installaties voor elektriciteitsproductie” af te bakenen, wordt verwezen naar het concept van „elektriciteitsopwekker”, dat gedefinieerd is in artikel 3, onder u), van Richtlijn 2003/87/EG, en waarnaar eveneens wordt verwezen in artikel 10 quater, lid 2, van deze richtlijn. Volgens dit concept heeft de term betrekking op alle installaties die uitsluitend elektriciteit produceren en alle installaties die elektriciteit en warmte produceren (2). Installaties die, naast de verbranding van brandstoffen (d.w.z. de productie van elektriciteit en/of warmte) een andere dan de in de lijst van bijlage I bij Richtlijn 2003/87/EG vermelde activiteiten verrichten, vallen niet onder deze definitie.

(20)

Gezien het voorgaande worden de volgende installaties door de Commissie beschouwd als installaties die in aanmerking komen voor kosteloze toewijzing van emissierechten krachtens artikel 10 quater, lid 1, van Richtlijn 2003/87/EG:

a)

installaties die kunnen worden beschouwd als een elektriciteitsopwekker in de zin van artikel 3, onder u), van Richtlijn 2003/87/EG, en

b)

elektriciteit en warmte produceren, maar in dat geval wordt alleen rekening gehouden met de emissies die kunnen worden toegeschreven aan de productie van elektriciteit.

(21)

Wanneer de Commissie de beoordeling krachtens artikel 10 quater, lid 6, van Richtlijn 2003/87/EG uitvoert, gaat zij na of bewijzen zijn ingediend waaruit blijkt dat aan de bovenstaande criteria is voldaan.

(22)

Om in het geval van installaties die zowel elektriciteit als warmte produceren te bepalen welke emissies kunnen worden toegeschreven aan elektriciteit, moeten de lidstaten erop toezien dat zij voldoen aan de uitvoeringsmaatregelen krachtens artikel 10 bis, en met name lid 4, van Richtlijn 2003/87/EG, en moeten zij verwijzen naar de toewijzingsmethode overeenkomstig artikel 10 quater, lid 3, van Richtlijn 2003/87/EG.

4.   AAN NATIONALE PROGRAMMA'S GESTELDE EISEN

4.1.   Beginselen voor nationale plannen

(23)

Overeenkomstig artikel 10 quater, lid 1, van Richtlijn 2003/87/EG dienen de betrokken lidstaten een nationaal investeringsplan in bij de Commissie. De Commissie raadt aan het nationale plan te baseren op een aantal gemeenschappelijke beginselen, die ontworpen zijn om te garanderen dat de doelstellingen die voortvloeien uit Richtlijn 2003/87/EG, en met name uit artikel 10 quater, op eerlijke en consequente wijze worden verwezenlijkt:

Beginsel 1: In het nationaal plan moeten investeringen worden vermeld die direct of indirect (investeringen in netwerken en aanvullende diensten) en op kosteneffectieve wijze bijdragen tot de vermindering van broeikasgasemissies;

Beginsel 2: De investeringen in het nationaal plan moeten zijn ontworpen om in de toekomst, in de mate van het mogelijke, de situaties die vermeld zijn in artikel 10 quater, lid 1, onder a) (3) en b) (4), en de eerste voorwaarde van c) (5), van Richtlijn 2003/87/EG te vermijden;

Beginsel 3: De investeringen moeten verenigbaar zijn met elkaar en met andere relevante wetgeving van de Unie. Ze mogen dominante posities niet versterken, noch de mededinging en handel op de interne markt onnodig verstoren en moeten, indien mogelijk, de mededinging op de interne markt voor elektriciteit versterken;

Beginsel 4: De in het nationaal plan vastgestelde investeringen moeten een aanvulling vormen op de investeringen die lidstaten moeten doen om te voldoen aan andere doelstellingen of wettelijke eisen uit hoofde van de wetgeving van de Unie. Investeringen die nodig zijn om de toenemende vraag naar elektriciteit af te stemmen op het aanbod, mogen niet in het nationaal plan worden opgenomen;

Beginsel 5: De investeringen die in het nationaal plan worden opgenomen, moeten bijdragen tot diversificatie en vermindering van de koolstofintensiteit van de elektriciteitsmix en de energiebronnen voor elektriciteitsproductie;

Beginsel 6: Zodra de voorlopige kosteloze toewijzing van emissierechten krachtens artikel 10 quater van Richtlijn 2003/87/EG wordt stopgezet, moeten de investeringen ook zonder die toewijzing economisch levensvatbaar zijn, met uitzondering van specifieke, vooraf bepaalde ontluikende technologieën die zich nog in de demonstratiefase bevinden en die zijn opgesomd in bijlage III.

(24)

De investeringen die in het nationaal plan zijn opgenomen moeten, in de mate van het mogelijke, aan deze beginselen beantwoorden. Wanneer een bepaalde investering niet aan alle beginselen beantwoordt, moeten de betrokken lidstaten in detail motiveren waarom dit zo is. Dergelijke investeringen mogen in geen geval in strijd zijn met deze beginselen, noch de onderliggende doelstellingen ondermijnen. De investeringen mogen ook de doestellingen van de Verdragen of van andere relevante EU-wetgeving niet ondermijnen.

(25)

Wanneer de Commissie de overeenkomstig artikel 10 quater, lid 5, van Richtlijn 2003/87/EG ingediende aanvraag beoordeelt, gaat zij na in welke mate de geïdentificeerde investeringen aan deze beginselen beantwoorden. Als de informatie die de lidstaten verstrekken in hun aanvraag krachtens artikel 10 quater, lid 5, van Richtlijn 2003/87/EG niet voldoende gedetailleerd is om de Commissie in staat te stellen een uitgebreide beoordeling uit te voeren en tot een gefundeerde conclusie te komen, kan de Commissie aanvullende informatie vragen. Als deze aanvullende informatie niet tijdig wordt verstrekt, verwerpt de Commissie de overeenkomstige delen van het nationaal plan. De Commissie kan bij de beoordeling van de aanvraag ook rekening houden met informatie en standpunten uit andere bronnen.

(26)

Op basis van de bepalingen van Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s (6), moeten de lidstaten nagaan of een beoordeling van de gevolgen van de nationale plannen voor het milieu noodzakelijk is.

(27)

De Commissie merkt voorts op dat de kosteloze toewijzing van emissierechten aan elektriciteitsopwekkers en de financiering van de bijbehorende investeringen die vereist zijn bij artikel 10 quater van Richtlijn 2003/87/EG in beginsel staatssteun vormen in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU. Krachtens artikel 108, lid 3, VWEU moeten de lidstaten de Commissie op de hoogte brengen van staatssteunmaatregelen. De lidstaten mogen de voorgenomen maatregelen niet tot uitvoering brengen voordat die procedure tot een eindbeslissing van de Commissie heeft geleid. De Commissie is voornemens in de nabije toekomst verenigbaarheidscriteria voor dit type steun vast te stellen. Aanvragen krachtens artikel 10 quater, lid 5, van Richtlijn 2003/87/EG en alle daaropvolgende besluiten van de Commissie laten de verplichting van de lidstaten om staatssteun aan te melden overeenkomstig artikel 108 VWEU onverlet, en de lidstaten moeten alle vereiste aanmeldingen van staatssteun dienovereenkomstig plannen. Wanneer de Commissie de kosteloze toewijzingen en de nationale plannen beoordeelt overeenkomstig artikel 107, lid 3, VWEU, ziet zij erop toe dat de nationale plannen geen aanleiding geven tot onnodige concurrentieverstoringen, rekening houdend met de doelstelling van algemeen belang die via artikel 10 quater van Richtlijn 2003/87/EG wordt nagestreefd. Wanneer in het nationaal plan de steun aan een beperkt aantal begunstigden wordt toegekend of wanneer het waarschijnlijk is dat de steun de marktpositie van de begunstigden zal versterken, moeten de lidstaten aantonen dat de steun de concurrentie niet sterker zal verstoren dan strikt noodzakelijk in het licht van de algemene doelstellingen van deze richtlijn.

4.2.   Investeringen die in aanmerking komen voor kosteloze toewijzingen

(28)

Gezien de titel en de algemene context van artikel 10 quater van Richtlijn 2003/87/EG moeten investeringen betrekking hebben op de elektriciteitssector en gedaan zijn na 25 juni 2009 om in aanmerking te komen voor kosteloze toewijzingen. In beginsel worden investeringen in andere energiesectoren echter niet uitgesloten, op voorwaarde dat ze nadrukkelijk worden gemotiveerd op basis van artikel 10 quater van Richtlijn 2003/87/EG.

(29)

De lidstaten zijn goed geplaatst om te beslissen welke investeringen het beste zouden bijdragen tot de modernisering van de sector elektriciteitsopwekking in hun land, en zijn verantwoordelijk voor het identificeren van investeringen die beantwoorden aan de eisen van de richtlijn. Ze moeten ook de rapportering coördineren over de tenuitvoerlegging van de investeringen die in hun land overeenkomstig artikel 10 quater van Richtlijn 2003/87/EG zijn verricht (7).

(30)

De lidstaten moeten in hun nationale plannen een lijst van installaties vermelden die de in het nationale plan geïdentificeerde investeringen verrichten en moeten specifiek aangeven welke geplande investeringen in aanmerking zullen komen voor kosteloze toewijzing van emissierechten. Zij moeten ook vermelden in welke mate deze investeringen zullen worden gefinancierd door winsten uit kosteloos toegewezen emissierechten en in welk jaar van de investeringscyclus dit zal gebeuren.

(31)

Investeringen die gefinancierd worden door winsten uit kosteloze toewijzing van emissierechten overeenkomstig artikel 10 quater van Richtlijn 2003/87/EG kunnen een aanvulling vormen op investeringen die gedeeltelijk gefinancierd worden uit andere EU-bronnen (bijv. fondsen uit de nieuwkomersreserve overeenkomstig artikel 10 bis, lid 8, van Richtlijn 2003/87/EG, regionale fondsen, TEN-E, het Europees economisch herstelplan, het Europees energieprogramma voor herstel, het SET-plan enz.) als ze beantwoorden aan de eisen die in dit document worden gesteld en als ze verenigbaar zijn met die instrumenten of bronnen. In dergelijke gevallen wordt met het oog op de toepassing van artikel 10 quater van Richtlijn 2003/87/EG echter alleen rekening gehouden met het gedeelte van de investering dat in aanmerking komt voor kosteloze toewijzing van emissierechten overeenkomstig artikel 10 quater van die richtlijn, voor zover de EU-regels inzake de totale financieringsplafonds worden gerespecteerd.

(32)

In bijlage IV wordt verder verduidelijkt wat de Commissie verstaat onder de termen „infrastructuur”, „schone technologieën” en „de diversificatie van de energiemix en de bevoorradingsbronnen”, die in artikel 10 quater, lid 1, van Richtlijn 2003/87/EG worden gebruikt.

(33)

Bijlage V bevat een niet-uitputtende lijst van types investeringen die in aanmerking komen voor artikel 10 quater van Richtlijn 2003/87/EG.

4.3.   Marktwaarde

(34)

Volgens artikel 10 quater, lid 1, van Richtlijn 2003/87/EG moet het bedrag van de investeringen die in het nationaal plan worden geïdentificeerd in de mate van het mogelijke gelijk zijn aan de marktwaarde van de kosteloze toewijzingen van emissierechten. De lidstaten moeten de marktwaarde van emissietoewijzingen gebruiken als referentiepunt om te bepalen welk bedrag aan investeringen ze in hun nationale plannen moeten opnemen.

(35)

Aangezien de lidstaten een exact cijfer moeten plakken op het bedrag aan geplande investeringen overeenkomstig artikel 10 quater van Richtlijn 2003/87/EG die zij in hun nationaal plan opnemen, moet de marktwaarde van kosteloos toegewezen emissierechten overeenkomstig artikel 10 quater van Richtlijn 2003/87/EG van tevoren worden vastgesteld en mag ze achteraf niet meer worden gewijzigd (8).

(36)

De Commissie raadt aan de marktwaarde van kosteloos toegewezen emissierechten af te leiden van de op modellen gebaseerde prognoses van de Europese koolstofprijzen, zoals bepaald in het werkdocument van de diensten van de Commissie dat als begeleidend document bij Mededeling COM(2010) 265 definitief van de Commissie is gevoegd (9). Dit document bevat geactualiseerde prognoses, rekening houdende met nieuwe omstandigheden in de Unie.

(37)

De lidstaten moeten de jaarlijkse waarden, zoals vastgesteld in bijlage VI en rekening houdende met de huidige wetgeving en doelstellingen inzake emissiereductie, als referentie gebruiken om de jaarlijkse marktwaarde van de kosteloze toewijzingen van emissierechten in hun nationale plannen te bepalen. In het licht van de relevante staatssteunregels kunnen de lidstaten beslissen om hogere waarden te gebruiken om het te investeren bedrag te bepalen: de cijfers in bijlage VI zijn de minimumwaarden die moeten worden gebruikt.

(38)

De waarde van de investeringen die in het kader van artikel 10 quater van Richtlijn 2003/87/EG in een bepaalde lidstaat worden gedaan, moet overeenstemmen met de marktwaarde van de emissierechten die krachtens dat artikel kosteloos zijn toegewezen, tenzij de lidstaat kan aantonen dat dit objectief onmogelijk is. In hun aanvragen overeenkomstig artikel 10 quater, lid 5, van Richtlijn 2003/87/EG moeten de lidstaten de bewijzen verstrekken die de Commissie nodig heeft om haar beoordeling overeenkomstig artikel 10 quater, lid 6, van die richtlijn uit te voeren.

4.4.   Mechanisme om het evenwicht tussen de investeringen en de kosteloze toewijzingen van emissierechten te garanderen

(39)

In Richtlijn 2003/87/EG wordt impliciet erkend dat de kosteloze toewijzing van emissierechten kan leiden tot uitzonderlijke winsten, met name als de exploitanten de financiële waarde van de emissierechten kunnen doorberekenen aan hun klanten. Dit is het geval voor elektriciteitsproducenten; het is een van de redenen waarom Richtlijn 2003/87/EG voorziet in veiling als de standaardwijze voor toewijzing, omdat dit „een eind maakt aan onverhoopte winsten” (10).

(40)

Artikel 10 quater van Richtlijn 2003/87/EG voorziet in de kosteloze toewijzing van emissierechten aan elektriciteitsopwekkers en wijkt dus af van het beginsel van veiling als standaardtoewijzingsmethode, hetgeen betekent dat de mogelijkheid van uitzonderlijke winsten impliciet wordt aanvaard. In artikel 10 quater van die richtlijn is echter duidelijk bepaald dat deze winsten moeten worden gebruikt voor de modernisering van de elektriciteitsopwekking in de betrokken lidstaten.

(41)

Een wetgevingsmaatregel van de EU moet worden geïnterpreteerd in het licht van de doelstellingen die ermee worden nagestreefd. Op basis van de bepalingen van artikel 10 quater van Richtlijn 2003/87/EG en gezien de onderliggende doelstelling van dat artikel kan worden geconcludeerd dat de uitzonderlijke winsten die bedrijven halen uit de kosteloze toewijzing van emissierechten moeten worden worden gebruikt voor de modernisering van de elektriciteitsopwekking in de betrokken lidstaat. In die zin houdt optimaal gebruik van de waarde van de kosteloos toegewezen emissierechten ook in dat de ondernemingen deze waarde niet mogen gebruiken om investeringen te financieren die zij zouden hebben gedaan om te voldoen aan andere doelstellingen en wettelijke voorschriften in de EU-wetgeving. Zoniet zouden ze extra winsten vormen, hetgeen Richtlijn 2003/87/EG tracht te vermijden, en zouden ze dus in strijd zijn met de doelstellingen van die richtlijn. Bovendien zou dit leiden tot onnodige concurrentieverstoringen, hetgeen onverenigbaar is met artikel 10 quater, lid 5, van de richtlijn.

(42)

Om deze redenen moeten de ontvangers van kosteloos toegewezen emissierechten uit hoofde van artikel 10 quater van Richtlijn 2003/87/EG de waarde van deze kosteloze toewijzingen gebruiken om investeringen te doen die overeenkomstig artikel 10 quater, lid 1, in het nationaal plan zijn vastgesteld. Als ondernemingen kosteloos emissierechten krijgen toegewezen zonder dergelijke investeringen te doen of als ze meer kosteloze emissierechten krijgen toegewezen dan nodig is om de desbetreffende, in het nationaal plan vastgestelde investeringen te doen, moeten ze worden verplicht om de waarde van de extra toewijzingen door te geven aan de entiteit die de investering doet.

(43)

Aangezien het nationaal plan, dat ontworpen is om de elektriciteitsopwekking in de desbetreffende lidstaat te moderniseren, investeringen kan bevatten die moeten worden gedaan door ondernemingen die niet onder de regeling van de Unie vallen (11), krijgen niet alle ondernemingen die de in het nationaal plan vastgestelde investeringen uitvoeren de kosteloos toegewezen emissierechten. In het licht van de bepalingen van artikel 10 quater, leden 1 en 4, van Richtlijn 2003/87/EG zijn transmissiesysteembeheerders en distributiesysteembeheerders in de zin van artikel 2, leden 4 en 6, van Richtlijn 2009/72/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot intrekking van Richtlijn 2003/54/EG (12) netwerkexploitanten in de zin van artikel 10 quater, lid 4, van Richtlijn 2003/87/EG. Het is mogelijk dat deze bedrijven niet betrokken zijn bij de opwekking of levering van elektriciteit. Ze zouden dus geen toewijzingen kunnen ontvangen, maar moeten niettemin investeringen doen die in het nationaal plan zijn vastgesteld.

(44)

Telkens wanneer investeringen in de opwekking of levering van elektriciteit die overeenkomstig artikel 10 quater, lid 1, van Richtlijn 2003/87/EG in het nationaal plan zijn vastgesteld, zouden leiden tot onnodige concurrentieverstoringen of zouden dreigen een dominante positie te versterken, moeten de lidstaten, overeenkomstig beginsel 3 van de beginselen voor het nationaal plan en punt 27 van deze richtsnoeren, overwegen de begunstigden van de kosteloze toewijzingen van emissierechten te verplichten fondsen te verstrekken voor investeringen in transmissie- en distributiesystemen of voor de opwekking of levering van elektriciteit die niet tot dergelijke verstoringen leiden.

(45)

Het kan ook niet worden uitgesloten dat bedrijven kosteloos een aantal emissierechten krijgen toegewezen, maar dat de waarde daarvan lager is dan nodig om een in het nationaal plan vastgestelde investering te financieren. In dat geval kan het aangewezen zijn dergelijke bedrijven in staat te stellen de desbetreffende, in het nationaal plan vastgestelde investering uit te voeren.

(46)

Om deze redenen kunnen de lidstaten, indien nodig en passend, een mechanisme opzetten voor de overdracht van fondsen in de hierboven beschreven gevallen.

(47)

Bij het opzetten van een dergelijk mechanisme moet in elk geval rekening worden gehouden met de volgende voorschriften:

a)

De waarde van kosteloze toewijzingen van emissierechten in het kader van artikel 10 quater van Richtlijn 2003/87/EG moet worden weerspiegeld door de investeringen die zijn vastgesteld in het nationaal plan en die moeten worden uitgevoerd om overeenstemming te bereiken tussen het bedrag van de investeringen en de waarde van kosteloze toewijzingen van emissierechten.

b)

De investeringen die in het nationaal plan zijn geïdentificeerd en via het mechanisme worden gefinancierd, moeten beantwoorden aan de staatssteunregels (13).

c)

Jaarlijkse aanpassingen van fondsen en investeringen, inclusief jaarlijkse overdrachten van fondsen of investeringen naar het volgende jaar, moeten worden toegestaan voor zover het verdrag dat overeenkomstig het nationaal plan moet worden geïnvesteerd minstens gelijk is aan de totale marktwaarde van de kosteloze toewijzingen van emissierechten over de hele periode waarvoor de lidstaat een afwijking heeft aangevraagd krachtens artikel 10 quater van Richtlijn 2003/87/EG (zie ook punt 2.2).

(48)

Wanneer lidstaten hun inkomsten uit veilingen (14) of andere overheidsinkomsten gebruiken om de in het nationaal plan opgesomde investeringen te financieren, zal dit resulteren in uitzonderlijke winsten voor elektriciteitsopwekkers die kosteloze toewijzingen hebben ontvangen overeenkomstig artikel 10 quater van Richtlijn 2003/87/EG. In het licht van overwegingen 15 en 19 van Richtlijn 2009/29/EG en artikel 10 quater, lid 5, onder e), en de algemene benadering en aanpak van de richtlijn, die voorziet in veiling als de standaardtoewijzingsmethode, zal de Commissie alle overeenkomstig artikel 10 quater, lid 5, ingediende aanvragen die gericht zijn op het verwezenlijken van dergelijke uitzonderlijke winsten verwerpen.

5.   NIET-OVERDRAAGBARE TOEWIJZINGEN

(49)

Lidstaten die gebruik maken van de mogelijkheid van artikel 10 quater van Richtlijn 2003/87/EG om kosteloos emissierechten toe te wijzen, kunnen beslissen dat dergelijke toewijzingen alleen mogen worden ingeleverd door de installatie waaraan ze zijn toegewezen. Een onderneming die onder deze voorwaarde toewijzingen ontvangt, mag deze toewijzingen niet verkopen op de markt of overboeken naar een ander jaar, noch een andere installatie (ook al behoort deze tot dezelfde onderneming) de toestemming geven deze toewijzingen in te leveren.

(50)

Een lidstaat die een degelijke voorwaarde stelt, loopt het risico artikel 10 quater zodanig toe te passen dat het niet verenigbaar is met de doelstellingen en de architectuur van de EU-regeling, die ontworpen is om totale emissiereducties tot stand te brengen op kosteneffectieve en economisch efficiënte wijze. Indien lidstaten Richtlijn 2003/87/EG zouden toepassen op een wijze die in strijd is met de doelstellingen van die richtlijn, zou dit niet wettelijk zijn.

(51)

Niet-overdraagbare toewijzingen nemen voor de houder ervan de stimulans weg om emissiereductiemaatregelen te nemen die haalbaar zijn tegen kosten die lager liggen dan de geldende prijs van de emissietoewijzingen. Vanuit het oogpunt van de houder van niet-overdraagbare toewijzingen zal de toepassing van dergelijke emissiereductiemaatregelen altijd duurder zijn dan de emissies gewoon te dekken met niet-overdraagbare toewijzingen.

(52)

De Commissie raadt de lidstaten dan ook ten zeerste aan geen gebruik te maken van de mogelijkheid om niet-overdraagbare emissierechten toe te wijzen. Als lidstaten desondanks gebruik willen maken van deze mogelijkheid, moeten zij aantonen dat deze optie alleen wordt gebruikt in de mate die nodig is om een onderliggende doestelling van artikel 10 quater te verwezenlijken, die niet effectiever kan worden verwezenlijkt met andere middelen. De lidstaten moeten aantonen dat de doelstellingen die worden nagestreefd met de keuze om bepaalde emissietoewijzingen niet-overdraagbaar te maken, niet effectiever kunnen worden bereikt met andere middelen. De lidstaten moeten in hun motivering terdege rekening houden met de stimulansen voor emissiereductie en de potentiële toename van de kosten voor naleving van het emissiehandelssysteem die voortvloeien uit de keuze om bepaalde toewijzingen niet-overdraagbaar te maken.

(53)

In het licht van en onverminderd het bovenstaande, is de Commissie voorts van mening dat minstens de meerderheid van de overeenkomstig artikel 10 quater van de richtlijn kosteloos toegewezen emissierechten overdraagbaar moet zijn. Zij beveelt aan de niet-overdraagbare toewijzingen te beperken tot een aantal dat niet hoger is dan de totale emissies ten gevolge van de levering van elektriciteit aan sectoren die geen risico opleveren dat concurrentieverstoringen worden gecreëerd in de industriële sector van de desbetreffende lidstaat of van de Unie (dit kan bijvoorbeeld het geval zijn voor de huishoudsector). Overeenkomstig artikel 10 quater, lid 5, onder e), en artikel 10 quater, lid 6, worden aanvragen die concurrentieverstoringen tot gevolg hebben, door de Commissie geweigerd.

(54)

Wanneer de Commissie een overeenkomstig artikel 10 quater, lid 5, ingediende aanvraag beoordeelt, onderzoekt zij of het aantal niet-overdraagbaar gemaakte kosteloze emissierechten gerechtvaardigd is in het licht van de doelstellingen van Richtlijn 2003/87/EG in het algemeen, en met name de specifieke doelstelling van artikel 10 quater van die richtlijn, en of dit onnodige concurrentieverstoringen zou veroorzaken. Als de Commissie vaststelt dat deze voorwaarden niet zijn nageleefd, verwerpt zij de overeenkomstig artikel 10 quater, lid 5, indiende aanvraag.

6.   TOEZICHT EN HANDHAVING

6.1.   Beoordeling van de aanvraag

(55)

Overeenkomstig artikel 10 quater, lid 6, van Richtlijn 2003/87/EG beoordeelt de Commissie de aanvraag op grond van alle relevante elementen, inclusief die welke zijn opgesomd in artikel 10 quater, lid 5. Zij houdt ook rekening met de verplichtingen die voortvloeien uit de Verdragen en met de algemene beginselen van de EU-wetgeving. Om de efficiëntie van het beoordelingsproces te garanderen, moet de aanvraag gebaseerd zijn op het in bijlage VII bij dit document opgenomen model. De Commissie begint pas met de beoordeling van de aanvraag wanneer alle relevante informatie is ingediend, inclusief de nodige bewijsstukken ter staving van die informatie.

(56)

Artikel 10 quater is in Richtlijn 2003/87/EG opgenomen om de modernisering van de elektriciteitsopwekking in de in aanmerking komende lidstaten mogelijk te maken. Daarom voorziet dit artikel in een uitzondering op een essentieel beginsel van de richtlijn. Overeenkomstig de vaste rechtspraak moet de interpretatie en toepassing van deze uitzondering beperkt blijven tot wat noodzakelijk is om het doel van artikel 10 quater te bereiken, zonder de ruimere doelstellingen van Richtlijn 2003/87/EG in gevaar te brengen.

(57)

Met betrekking tot de waarde van de kosteloos toegewezen emissierechten en de verhouding ervan tot het bedrag van de bij artikel 10 quater, lid 1, van Richtlijn 2003/87/EG vereiste investeringen, zij erop gewezen dat bedrijven die deze emissierechten ontvangen uitzonderlijke winsten kunnen boeken als de waarde van die emissierechten wordt gebruikt voor investeringen die zouden zijn gedaan om te voldoen aan andere doelstellingen en wettelijke voorschriften van de EU-wetgeving of helemaal niet wordt gebruikt voor investeringen. In die gevallen wordt geen overeenkomstige bijdrage geleverd tot de verwezenlijking van de doelstelling waarvoor de kosteloze toewijzing van emissierechten overeenkomstig artikel 10 quater is aanvaard.

(58)

Bovendien zij erop gewezen dat de voordelen die voortvloeien uit de kosteloze toewijzing van emissierechten overeenkomstig artikel 10 quater van Richtlijn 2003/87/EG oneerlijke concurrentieverstoringen kunnen veroorzaken die in strijd zijn met artikel 10 quater, lid 5, onder e), als ze niet worden gebruikt voor de verwezenlijking van de doelstelling waarvoor ze zijn toegewezen.

(59)

Om deze redenen zal de Commissie met name beoordelen of de waarde van de emissierechten die overeenkomstig artikel 10 quater van Richtlijn 2003/87/EG kosteloos zijn toegewezen aan in aanmerking komende installaties gebruikt is voor de investeringen die door deze installaties zijn gedaan of, als dit niet het geval is, nagaan of de waarde van kosteloze emissierechten ter beschikking is gesteld van installaties/exploitanten of bedrijven die geen kosteloze emissierechten hebben ontvangen of onvoldoende emissierechten hebben ontvangen om de respectieve investeringen in het nationaal plan te dekken.

(60)

Om redenen van transparantie, en om de Commissie in staat te stellen een gefundeerde beoordeling te maken, moeten de lidstaten een aanvraag bekendmaken alvorens deze bij de Commissie in te dienen, zodat de Commissie informatie en meningen uit andere bronnen in overweging kan nemen. Alle door een lidstaat ingediende aanvragen dienen te worden beschouwd als milieu-informatie en vallen onder de eisen die zijn vastgesteld in Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie en tot intrekking van Richtlijn 90/313/EEG van de Raad (15) en Verordening (EG) nr. 1367/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 6 september 2006 betreffende de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van Aarhus betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden op de communautaire instellingen en organen (16). De lidstaten moeten ook nagaan of een milieueffectbeoordeling van hun nationaal plan vereist is, op basis van de bepalingen van Richtlijn 2001/42/EG.

6.2.   Bepalingen inzake bewaking en handhaving overeenkomstig artikel 10 quater, lid 5, van Richtlijn 2003/87/EG

(61)

De lidstaten moeten duidelijke en effectieve bewakings- en handhavingsbepalingen opstellen met betrekking tot de investeringen die gepland zijn in het nationaal plan, teneinde de goede uitvoering van deze investeringen te garanderen. Overeenkomstig artikel 10 quater, lid 5, onder d), van Richtlijn 2003/87/EG moeten deze bepalingen in detail zijn uiteengezet in een aanvraag voor kosteloze toewijzing van emissierechten.

(62)

De lidstaten zijn verantwoordelijk voor de bewaking en handhaving van de in hun nationaal plan geïdentificeerde investeringen. Wanneer de Commissie de aanvraag van een lidstaat om kosteloze toewijzing van emissierechten overeenkomstig artikel 10 quater, lid 6, van Richtlijn 2003/87/EG beoordeelt, hecht zij met name belang aan de vraag of de lidstaat voorziet in duidelijke en effectieve bewakings- en handhavingsbepalingen voor de tenuitvoerlegging van het nationaal plan, inclusief een mechanisme om van nabij toezicht te houden op de in het nationaal plan geïdentificeerde investeringen en deze effectief te handhaven. Daartoe moeten de lidstaten ervoor zorgen dat zij over de nodige wetten, regels en administratieve bepalingen beschikken om investeringen te laten toetsen door de bevoegde nationale autoriteiten, die duidelijk in de aanvraag moeten worden geïdentificeerd.

(63)

De volgende elementen zijn belangrijk in dit opzicht:

In de bepalingen moeten een aantal nalevingsindicatoren worden gedefinieerd (zie voorbeelden in Bijlage VIII), die door de bevoegde autoriteiten moeten worden gebruikt om de voortgang van de investeringen te beoordelen en de verenigbaarheid ervan met de eisen die zijn vastgesteld in Richtlijn 2003/87/EG en in deze richtsnoeren;

Er moet worden voorzien in toezicht op het terrein, teneinde de tenuitvoerlegging van de investeringen ter plaatse te kunnen volgen. Dit omvat controles ter plaatse en een jaarlijkse onafhankelijke verificatie van elke investering door externe auditors. De auditors moeten een officieel document opstellen waarin zij de aard van elke investering certificeren en het exacte bedrag dat elk jaar is uitgegeven. Dergelijke documenten dienen ook om de waarheidsgetrouwheid van beweerde uitgaven te attesteren;

De bepalingen moeten voorzien in kwantitatieve en kwalitatieve beoordeling van de investeringen door een derde partij, teneinde op onderbouwde en onafhankelijke wijze aan te tonen dat de investeringen beantwoorden aan Richtlijn 2003/87/EG, deze richtsnoeren en het nationaal plan;

De lidstaten moeten sancties en corrigerende maatregelen vaststellen in het geval bedrijven hun verplichting om te investeren (of bij te dragen tot investeringen door de waarde van kosteloze toewijzingen van emissierechten die niet zijn geïnvesteerd, over te dragen naar het mechanisme om het evenwicht tussen het bedrag van de investeringen en de kosteloos toegewezen emissierechten te garanderen) niet nakomen, teneinde het evenwicht tussen de waarde van kosteloze toewijzingen van emissierechten krachtens artikel 10 quater van Richtlijn 2003/87/EG en het bedrag van de in het nationaal plan geïdentificeerde investeringen te herstellen. Deze maatregelen moeten effectief, evenredig en afschrikkend zijn, en moeten het volgende omvatten:

een verplichting om de kosteloze toewijzingen van emissierechten terug te betalen (gewaardeerd overeenkomstig de marktwaarde op het ogenblik van de terugbetaling), ter waarde van het bedrag van het vastgestelde gebrek aan investeringen;

de automatische verbeurdverklaring van emissierechten van bedrijven die hun verplichtingen uit hoofde van het respectieve nationale plan en deze richtsnoeren niet nakomen, inclusief de omzetting van de kosteloze toewijzingen van emissierechten in toewijzingen die door de betrokken lidstaat worden geveild;

afschrikkende financiële sancties, die als straf zijn bedoeld;

het is mogelijk een deel van de investeringen die voor een bepaald jaar voor een installatie zijn gepland over te dragen, voor een bedrag dat gelijk is aan het tijdens dat jaar vastgestelde gebrek aan investeringen; het is de verantwoordelijkheid van de lidstaat te garanderen dat de passende bedragen worden geïnvesteerd tijdens de periode waarop de aanvraag betrekking heeft.

(64)

De resultaten van het bewakings- en handhavingsproces moeten, samen met onderbouwde bewijzen, elk jaar worden opgenomen in de jaarverslagen die de lidstaten krachtens artikel 10 quater, lid 1, van Richtlijn 2003/87/EG bij de Commissie moeten indienen. Met name kopieën van de certificeringsdocumenten van de externe auditor (met officiële zegels) moeten, samen met een officiële vertaling in het Engels (indien deze documenten niet reeds in het Engels zijn opgesteld) als bijlage bij de verslagen worden gevoegd. De lidstaten mogen de jaarverslagen van de relevante exploitanten openbaar maken.

6.3.   Jaarverslagen overeenkomstig artikel 10 quater, lid 1, van Richtlijn 2003/87/EG

(65)

De jaarverslagen van de lidstaten over de investeringen in de modernisering van de elektriciteitsopwekking, overeenkomstig artikel 10 quater, lid 1, van Richtlijn 2003/87/EG, moeten uiterlijk op 31 januari van elk jaar bij de Commissie worden ingediend, beginnende in 2014. Die verslagen moeten betrekking hebben op de aard en het bedrag van de investeringen die tijdens het voorgaande jaar zijn gedaan (17).

(66)

In de jaarverslagen moeten onderbouwde bewijzen worden gegeven dat de investeringen op het terrein zijn uitgevoerd en beantwoorden aan de eisen die zijn vastgesteld in Richtlijn 2003/87/EG en deze richtsnoeren, en met name dat ze bijdragen tot de vermindering van broeikasgasemissies.

(67)

In de verslagen moet ook worden aangetoond dat het jaarlijks geïnvesteerde bedrag coherent is met het totale bedrag aan investeringen dat gepland is voor de volledige periode waarop de aanvraag betrekking heeft, zoals uiteengezet in het nationaal plan van de lidstaat, en in verhouding staat tot de marktwaarde van de kosteloos toegewezen emissierechten, zoals gedefinieerd in deze richtsnoeren. De investeringen hoeven niet exact overeen te stemmen met de vastgestelde marktwaarde van de kosteloze toewijzingen van emissierechten op jaarbasis. Alle verschillen tussen de waarde van de kosteloze toewijzingen van emissierechten en het bedrag van de investeringen moeten echter in het daaropvolgende jaar worden gecompenseerd, teneinde een geloofwaardig investeringstraject aan te houden tijdens de periode waarop de aanvraag betrekking heeft, rekening houdende met het dalende aantal emissierechten die kosteloos worden toegewezen.

(68)

Overeenkomstig artikel 10 quater, lid 4, van Richtlijn 2003/87/EG moeten de jaarverslagen worden gebaseerd op de verslagen die de exploitanten jaarlijks bij de lidstaten moeten indienen en die betrekking hebben op de uitvoering van de in het nationaal plan vermelde investeringen. Ze moeten ook gebaseerd zijn op aanvullende informatiebronnen, met name officiële gegevens en onafhankelijk geverifieerde gegevens. De bronnen van de gegevens en de referenties van de documenten die ter staving worden aangevoerd, moeten in de verslagen worden vermeld.

(69)

De jaarverslagen die de lidstaten bij de Commissie moeten indienen, moeten op transparante wijze ter beschikking worden gesteld. Overeenkomstig artikel 10 quater, lid 4, van Richtlijn 2003/87/EG dienen de jaarverslagen die de lidstaten bij de Commissie indienen openbaar te worden gemaakt. Daarbij moet in elk geval rekening worden gehouden met de vertrouwelijkheid van commercieel gevoelige informatie.

(70)

Wanneer de Commissie de beoordeling krachtens artikel 10 quater, lid 6, van Richtlijn 2003/87/EG uitvoert, gaat zij, op basis van de ingediende bewijzen, na of de jaarverslagen correct zijn. Wanneer niet alle relevante bewijzen zijn ingediend, kan de Commissie om nadere informatie verzoeken.

(71)

Als een lidstaat in zijn jaarverslagen niet voldoende aantoont dat de in het nationaal plan geïdentificeerde investeringen zijn verricht overeenkomstig de planning en de waarde van de kosteloze toewijzingen van emissierechten, zoals vastgesteld in het nationaal plan, en tenzij

de betrokken lidstaat het gebrek aan investeringen in een bepaald jaar kan rechtvaardigen in zijn jaarverslagen, of

de betrokken lidstaat kan aantonen dat corrigerende maatregelen zijn genomen, zoals hij overeenkomstig artikel 10 quater, lid 5, onder d), in haar aanvraag heeft uiteengezet, of

in de jaarverslagen van het daaropvolgende jaar wordt aangetoond dat het gebrek aan investeringen in het voorgaande jaar is gecompenseerd,

gaat de Commissie ervan uit dat de in artikel 10 quater van Richtlijn 2003/87/EG gestelde voorwaarde, namelijk dat emissierechten alleen kosteloos mogen worden toegewezen als de bij artikel 10 quater, lid 1, vereiste investeringen worden gedaan, is geschonden. Wanneer deze investeringen niet worden gedaan, boekt de betrokken onderneming immers uitzonderlijke winsten, hetgeen niet bijdraagt tot de verwezenlijking van de onderliggende doelstellingen van Richtlijn 2003/87/EG, en met name van artikel 10 quater. Dit kan tot gevolg hebben dat Richtlijn 2003/87/EG op illegale wijze — namelijk in strijd met haar eigen doelstellingen — wordt toegepast. Het kan ook aanleiding geven tot ernstige bezorgdheid van de Commissie in verband met de staatssteunregels. Indien nodig kan de Commissie een onderzoek opstarten krachtens artikel 108, lid 2, VWEU en/of een inbreukprocedure inleiden. Een procedure onder artikel 108, lid 2, VWEU kan ertoe leiden dat een aantal emissierechten die overeenkomstig artikel 10 quater van Richtlijn 2003/87/EG kosteloos zijn toegewezen, voor een bedrag dat overeenstemt met het tekort aan investeringen, wordt opgeschort. Wanneer de situatie niet wordt rechtgezet, moeten de betrokken lidstaten het desbetreffende aantal emissierechten uiteindelijk veilen, overeenkomstig de verordening die krachtens artikel 10, lid 4, van Richtlijn 2003/87/EG wordt vastgesteld.


(1)  PB L 275 van 25.10.2003, blz. 32.

(2)  Het is belangrijk te benadrukken dat ook installaties die vanuit zuiver juridisch oogpunt kunnen worden beschouwd als elektriciteitsopwekkers overeenkomstig artikel 3, onder u), van Richtlijn 2003/87/EG, niet in aanmerking komen voor kosteloze toewijzingen krachtens artikel 10 quater van Richtlijn 2003/87/EG als ze een andere industriële activiteit verrichten, zelfs als deze industriële activiteit buiten het toepassingsgebied van bijlage I bij Richtlijn 2003/87/EG valt, aangezien het mogelijk is dat ze niet is opgenomen in de lijst in deze bijlage of de drempel voor de respectieve industriële activiteit, zoals vastgelegd in bijlage I bij Richtlijn 2003/87/EG, niet overschrijdt.

(3)  In 2007, geen directe of indirecte koppeling met het voormalige UCTE-netwerk.

(4)  In 2007, koppeling met het voormalige UCTE-netwerk via één lijn met een capaciteit van minder dan 400 MW.

(5)  In 2006 werd meer dan 30 % van de elektriciteit geproduceerd op basis van één fossiele brandstof.

(6)  PB L 197 van 21.7.2001, blz. 30.

(7)  Zie ook hoofdstuk 6 en bijlage VII.

(8)  Bij het vaststellen van de marktwaarde van kosteloze toewijzingen met het oog op de toepassing van deze mededeling wordt geen rekening gehouden met marktwaarden die krachtens de beoordeling van staatssteun worden vastgesteld, en evenmin met de toekomstige evolutie van de Europese CO2-prijzen tijdens de derde handelsperiode. De richtlijn voorziet in dit opzicht in enige flexibiliteit door te vermelden dat het bedrag van de investering „in de mate van het mogelijke” gelijk moet zijn aan de marktwaarde van de kosteloze toewijzing. Dit betekent dat de vaststelling van de marktwaarde van kosteloze toewijzingen voor de toepassing van artikel 10 quater gebaseerd moet zijn op een geloofwaardige en overtuigende ex ante-veronderstelling van de toekomstige evolutie van de CO2-prijzen, maar geen exacte weergave hoeft te zijn van de dagelijkse waarden van spot-, future- en forward-contracten op de Europese CO2-markten van 2013 tot en met 2020.

(9)  SEC(2010) 650, Werkdocument van de diensten van de Commissie, begeleidend document bij de Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Analyse van de opties voor een broeikasgasemissiereductie van meer dan 20 % en beoordeling van het risico van koolstoflekkage, achtergrondinformatie en analyse, Deel II.

(10)  Zie Richtlijn 2009/29/EG, overweging 15.

(11)  In artikel 10 quater, lid 4, worden expliciet netwerkexploitanten vermeld, die volgens de EU-wetgeving inzake de interne elektriciteitsmarkt (Richtlijn 2009/72/EG) volledig moeten gescheiden zijn van de elektriciteitsproductie („ontvlechting”). Ook exploitanten van installaties voor de opwekking van hernieuwbare energie ontvangen geen toewijzingen, maar zij vallen onder het toepassingsgebied van de in artikel 10 quater, lid 1, vastgestelde investeringen.

(12)  PB L 211 van 14.8.2009, blz. 55.

(13)  Zie punt 27.

(14)  Volgens artikel 10, lid 3, moet minstens 50 % van de inkomsten worden gebruikt voor klimaatgerelateerde doelstellingen, terwijl de lidstaten (maximaal) de overige 50 % naar eigen inzicht mogen gebruiken.

(15)  PB L 41 van 14.2.2003, blz. 26.

(16)  PB L 264 van 25.9.2006, blz. 13.

(17)  Het eerste jaarverslag, dat in 2014 moet worden ingediend, mag betrekking hebben op investeringen die gedaan zijn tussen 25 juni 2009 en 31 december 2013.


BIJLAGE I

Vaststelling van het maximale aantal kosteloze emissierechten

Aan de hand van de volgende stappen kan worden bepaald hoeveel emissierechten een lidstaat die in aanmerking komt om een aanvraag in te dienen overeenkomstig artikel 10 quater van Richtlijn 2003/87/EG kosteloos krijgt toegewezen in 2013 en de daaropvolgende jaren:

a)

bepaal de gemiddelde jaarlijkse emissies van alle in aanmerking komende installaties in de periode 2005-2007;

b)

bepaal hoe het jaarlijkse gemiddelde bruto nationale eindverbruik in de periode 2005-2007 zich verhoudt tot de jaarlijkse gemiddelde totale bruto elektriciteitsproductie in die zelfde periode; het resulterende percentage geeft aan welk aandeel van de emissies is toe te schrijven aan het bruto nationale eindverbruik in de periode 2005-2007;

c)

vermenigvuldig de gemiddelde jaarlijkse emissies in de periode 2005-2007 (zie a)) met het aandeel van de emissies dat is toe te schrijven aan het bruto nationaal eindverbruik in de periode 2005-2007 (zie b));

d)

het resultaat geeft aan welke hoeveelheid emissierechten nodig is om de emissies die zijn toe te schrijven aan de opwekking van elektriciteit overeenkomstig het bruto nationale eindverbruik voor 100 % te dekken; om het maximale aantal emissierechten te bepalen dat overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG kosteloos mag worden toegewezen in 2013 en de daaropvolgende jaren, moet dit resultaat worden vermenigvuldigd met een variabele, die in 2013 hoogstens 0,7 (70 %) mag bedragen en daarna elk jaar moet dalen om in 2020 uiteindelijk 0 (0 %) te bedragen.

Met de volgende formule kan het maximale aantal kosteloze emissierechten overeenkomstig artikel 10 quater, lid 2, worden bepaald:

TQFAx = (GFNC05-07/TGEP05-07) × AAQEEI 05-07 × ax

Afkorting

Betekenis

TQFAx

De totale hoeveelheid kosteloze toewijzingen in jaar x, waarbij x gelijk is aan elk jaar van 2013 tot en met 2020

X

Variabele die elk jaar van 2013 tot en met 2020 vertegenwoordigt

GFNC05-07

Jaarlijks gemiddeld bruto nationaal eindverbruik in de periode 2005-2007

TGEP05-07

Jaarlijkse gemiddelde totale bruto elektriciteitsproductie in de periode 2005-2007 (Eurostatcode 107000 onder productcode 6000„Elektriciteit”)

AAQEEI 05-07

Jaarlijkse gemiddelde hoeveelheid emissies van in aanmerking komende installaties in de periode 2005-2007

ax

Variabele die het aandeel van de jaarlijkse gemiddelde geverifieerde emissies in de periode 2005-2007 weergeeft, overeenkomstig het bruto nationaal eindverbruik van de betrokken lidstaat. De waarde van de variabele mag niet meer dan 0,7 (70 %) bedragen in 2013 (a2013) en moet elk daaropvolgend jaar dalen om uiteindelijk 0 (0 %) te bedragen in 2020.

Om de berekening uit te voeren, moeten de lidstaten bepalen welke installaties in aanmerking komen voor kosteloze toewijzingen van emissierechten overeenkomstig artikel 10 quater van Richtlijn 2003/87/EG. In het geval van installaties die niet alleen elektriciteit maar ook warmte produceren, mag alleen rekening worden gehouden met de emissies die zijn toe te schrijven aan de productie van elektriciteit.

Het concept „bruto nationaal eindverbruik” en de formule om het te berekenen, worden verduidelijkt in bijlage II.

De totale hoeveelheid emissierechten die het resultaat is van de bovenvermelde formule is het maximumaantal kosteloze emissierechten op nationaal niveau in jaar x.


BIJLAGE II

Bruto nationaal eindverbruik en de formule om het te berekenen

Het concept „bruto nationaal eindverbruik” van elektriciteit is van cruciaal belang om het maximale aantal kosteloze emissierechten overeenkomstig artikel 10 quater, lid 2, van Richtlijn 2003/87/EG, te bepalen. Dit concept is echter geen statistische term die door Eurostat is gedefinieerd of wordt gebruikt, en moet daarom worden geïnterpreteerd in de context van artikel 10 quater.

In het licht van de relevante bepalingen van artikel 10 quater van de richtlijn moet het bruto nationaal eindverbruik betrekking hebben op de hoeveelheid elektriciteit die bij de eindverbruiker wordt geleverd, d.w.z. het totale elektriciteitsverbruik van alle huishoudelijke consumenten in een bepaald land, inclusief het aandeel van de totale elektriciteitsproductie dat nodig is om het eindverbruik aan elektriciteit op te wekken, te vervoeren en te verdelen.

Voor het bepalen van het bruto nationaal eindverbruik in een lidstaat wordt alleen rekening gehouden met de in- en uitvoer van elektriciteit als de invoer groter is dan de uitvoer. Aangezien de elektriciteitsproducenten van een lidstaat geen kosteloze emissierechten mogen ontvangen voor elektriciteit die is verbruikt, maar niet is opgewekt in die lidstaat, mag bij het bepalen van het bruto nationaal eindverbruik geen rekening worden gehouden met de netto-invoer.

Het bruto nationaal eindverbruik heeft alleen betrekking op elektriciteit, niet op andere vormen van energie. Omwille van de transparantie moet het bruto nationaal eindverbruik worden berekend op basis van publiek beschikbare gegevens en algemeen erkende statistische concepten, zoals vastgesteld en gebruikt door Eurostat. Het bruto nationaal eindverbruik wordt berekend aan de hand van de volgende formule:

GFNC = FEC – MNET + {[(FEC – MNET)/(TGEP + MNET)] × TDL} + {[(FEC – MNET)/TGEP] × CEG}

 

Statistische concepten

Eurostatcode onder productcode 6000„elektrische energie”

GFNC

Bruto nationaal eindverbruik aan elektriciteit

Niet van toepassing

FEC

Eindverbruik aan energie (in termen van elektriciteit)

101700

MNET

Netto-invoer van elektriciteit

100600

TGEP

Totale bruto elektriciteitsproductie

107000

TDL

Verliezen bij transmissie en distributie

101400

CEG

Elektriciteitsverbruik van de elektriciteitssector

101301

Bij het invullen van de formule moet voor de in de tabel vermelde concepten het jaarlijkse gemiddelde in de periode 2005-2007 worden gebruikt. Het resultaat van de formule is GFNC05-07, zoals gebruikt in bijlage I.


BIJLAGE III

Specifieke vooraf bepaalde ontluikende technologieën in de demonstratiefase

A.   PROJECTCATEGORIEËN

I.   Categorieën CCS-demonstratieprojecten (met capaciteitsdrempelwaarden  (1) ):

elektriciteitsopwekking: voorverbranding 250 MW;

elektriciteitsopwekking: naverbranding 250 MW;

elektriciteitsopwekking: oxyfuel 250 MW.

II.   Innovatieve RES-demonstratieprojectcategorieën (met capaciteits-drempelwaarden):

Bio-energie-projectsubcategorieën:

lignocellulose via pyrolyse in intermediaire vaste, vloeibare of slurryvormige bio-energiedragers, waarbij het eindproduct een capaciteit van 40 kt per jaar (kt/j) heeft;

lignocellulose via roosten in intermediaire vaste, vloeibare of slurryvormige bio-energiedragers, waarbij het eindproduct een capaciteit van 40 kt/j heeft;

lignocellulose via vergassing in synthetisch aardgas (SNG) of synthesegas en/of elektriciteit, waarbij het eindproduct een capaciteit van 40 miljoen normale kubieke meter per jaar (M Nm3/j) heeft of per jaar 100 GWh elektriciteit wordt geproduceerd;

lignocellulose via onder meer autotherme vergassing in biobrandstoffen of vloeibare biomassa en/of in elektriciteit, waarbij het eindproduct een capaciteit heeft van 15 miljoen liter per jaar (M l/j) of per jaar 100 GWh elektriciteit wordt geproduceerd. De productie van synthetisch aardgas valt niet onder deze subcategorie;

grondstoffen uit lignocellulose, zoals zwart afvalloog en/of producten afkomstig van pyrolyse of roosten, via stofwolkvergassing in gelijk welke biobrandstof, waarbij het eindproduct een capaciteit heeft van 40 M l/j;

lignocellulose in elektriciteit met een capaciteit van 40 MWe of meer met een op de calorische onderwaarde (vochtgehalte van 50 %) gebaseerde omzettingsefficiëntie van 48 %;

lignocellulose via chemische en biologische processen in ethanol en hogere alcoholen, waarbij het eindproduct een capaciteit van 40 M l/j heeft;

lignocellulose en/of huishoudelijk afval via chemische en biologische processen in biogas, biobrandstoffen of vloeibare biomassa, waarbij het eindproduct een capaciteit van 6 M Nm3/j (miljoen normale kubieke meter methaan per jaar) of 10 M l/j heeft;

algen en/of micro-organismen via biologische en/of chemische processen in biobrandstoffen of vloeibare biomassa, waarbij het eindproduct een capaciteit van 40 M l/j heeft;

Opmerking: Biobrandstoffen en vloeibare biomassa in de zin van die richtlijn moeten voldoen aan de in Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad (2) opgenomen duurzaamheidscriteria ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen.

Geconcentreerde zonne-energie — projectsubcategorieën:

parabolische trogcollectoren of Fresnelsystemen met gebruikmaking van gesmolten zouten of andere milieuvriendelijke warmteoverdrachtsvloeistoffen met een nominale capaciteit van 30 MW;

parabolische trogcollectoren of Fresnelsystemen op basis van rechtstreekse stoomopwekking met een nominale capaciteit van 30 MW. De temperatuur van de rechtstreeks met zonne-energie opgewekte stoom moet meer dan 500 °C bedragen;

zonnetorensystemen op basis van een oververhitte-stoomcyclus (met meerdere torens of een combinatie van lineaire collectoren en een toren) met een nominale capaciteit van 50 MW;

zonnetorensystemen op basis van hogedruklucht met een temperatuur van meer dan 750 °C en hybride zon/gasturbines met een nominale capaciteit van meer dan 30 MW;

grootschalige schotelcentrales met stirlingmotoren met een omzettingsefficiëntie van zonnewarmte in elektriciteit van meer dan 20 % en een nominaal vermogen van ten minste 25 MW;

Opmerking: De demonstratie-installaties mogen geen oplossingen op het vlak van droge koeling, hybridisatie en (geavanceerde) warmteopslag bevatten.

Fotovoltaïsche energie — projectsubcategorieën:

Grootschalige PV-centrales met concentratoren met een nominale capaciteit van 20 MW;

Grootschalige PV-centrales op basis van multijunctie-Si-dunnefilmzonnecellen met een nominale capaciteit van 40 MW;

Grootschalige PV-centrales op basis van koper-indium-gallium-(di) selenide (CIGS) met een nominale capaciteit van 40 MW;

Geothermische energie — projectsubcategorieën:

Verbeterde geothermische systemen in trekspanningsvelden, met een nominale capaciteit van 5 MWe;

Verbeterde geothermische systemen in drukspanningsvelden met een nominale capaciteit van 5 Mwe;

Verbeterde geothermische systemen in gebieden met diepe compacte sedimentgesteenten en graniet en andere kristallijne structuren, met een nominale capaciteit van 5 MWe;

Verbeterde geothermische systemen in diepe kalksteen, met een nominale capaciteit van 5 MWe;

Opmerking: In het geval van toepassingen voor warmtekrachtkoppeling (WKK) met dezelfde elektriciteitsdrempels komt alleen de elektriciteitsproductie in aanmerking.

Windenergie — projectsubcategorieën:

offshore windmolenparken (6 MW minimumcapaciteit per turbine) met een nominale capaciteit van 40 MW;

offshore windmolenparken (8 MW minimumcapaciteit per turbine) met een nominale capaciteit van 40 MW;

offshore windmolenparken (10 MW minimumcapaciteit per turbine) met een nominale capaciteit van 40 MW;

drijvende offshore-windsystemen met een nominale capaciteit van 25 MW;

onshore-windturbines voor complexe terreinen (bijvoorbeeld bos- of bergachtige gebieden): met een nominale capaciteit van het windmolenpark van 25 MW;

onshore windturbines voor koude klimaten (die functioneren bij temperaturen van lager dan – 30 °C en zware ijsvorming) met een nominale capaciteit van 25 MW;

Zee-energie — projectsubcategorieën:

Golfslagenergie-installaties met een nominale capaciteit van 5 MW;

Zee- en getijdestromingsinstallaties met een nominale capaciteit van 5 MW;

Omzetting van thermische energie uit zee (Ocean thermal energy conversion, OTEC) met een nominale capaciteit van 10 MW;

Waterkrachtenergie — projectsubcategorieën:

Energieproductie met supergeleidende generatoren bij hoge temperaturen: 20 MW;

Gedecentraliseerd beheer van hernieuwbare energiebronnen (intelligente netwerken) — projectsubcategorieën:

Beheer en optimalisering van hernieuwbare energie voor kleine en middelgrote plaatselijke producenten in landelijke gebieden met overwegend zonnestroomopwekking: 20 MW op een net met laagspanning (LS) + 50 MW op een net met middenspanning (MS);

Beheer en optimalisering van hernieuwbare energie voor kleine en middelgrote plaatselijke producenten in landelijke gebieden met overwegend windstroomopwekking: 20 MW op een LS-net + 50 MW op een MS-net;

Beheer en optimalisering van hernieuwbare energie voor kleine en middelgrote plaatselijke producenten in stedelijke gebieden: 20 MW op een LS-net + 50 MW op een MS-net;

Opmerking: het gebruik van actieve belastingen (elektrische kachels/warmtepompen) is niet uitgesloten.


(1)  CCS-capaciteitsdrempelwaarden worden uitgedrukt als bruto elektrische output voor afvang.

(2)  PB L 140 van 5.6.2009, blz. 16.


BIJLAGE IV

Infrastructuur, schone technologieën, diversificatie van de energiemix en bevoorradingsbronnen

De manier waarop „infrastructuur” in de relevante EU-wetgeving (1) wordt gebruikt, geeft duidelijk aan dat deze term betrekking heeft op alle netwerkgerelateerde faciliteiten die nodig zijn voor het vervoer (transmissie en distributie) van elektriciteit, niettegenstaande het feit dat „infrastructuur” ook zodanig kan worden opgevat dat het elektriciteitsopwekkingsinstallaties omvat.

Er is geen toepasselijke definitie van de term „schone technologieën” voorhanden met het oog op de toepassing van deze richtsnoeren, maar de Commissie gebruikt deze term om te verwijzen naar elektriciteitsproductietechnologieën die resulteren in relatief lage koolstofemissies of een hoger niveau van milieubescherming, inclusief energie uit hernieuwbare bronnen.

De Commissie is van mening dat een verhoging van het aandeel van hernieuwbare energiebronnen in de totale primaire energievoorziening en in de elektriciteitsopwekking ongetwijfeld bijdraagt tot de diversificatie van de energiemix en van de voorzieningsbronnen; daardoor zorgt het voor een evenwichtiger energievoorziening die minder afhankelijk is van de invoer van fossiele brandstoffen.

Door de afnemende indigene energieproductie zal de afhankelijkheid van ingevoerde energie ongetwijfeld stijgen (2). Zo zal de invoer van gas tegen 2020 naar verwachting toenemen tot 73 %, tegenover 61 % nu. Dit wordt beschouwd als een redelijk evenwicht op het niveau van de Unie, maar een aantal lidstaten, die ook in aanmerking komen voor artikel 10 quater, zijn voor 100 % van hun gasbehoefte afhankelijk van één leverancier. In dergelijke gevallen kunnen investeringen die ontworpen zijn om de gasleveringen aan deze lidstaten te diversifiëren, aanzienlijk bijdragen tot de diversificatie van de energiemix en de voorzieningszekerheid van deze lidstaten versterken. Dergelijke investeringen moeten verenigbaar zijn met de doelstelling om de koolstofintensiteit van de energievoorziening van deze lidstaten te verminderen, zodat niet alleen de voorzieningszekerheid wordt versterkt maar tegelijk ook de broeikasgasemissies worden teruggedrongen.


(1)  Richtlijn 2003/54/EG betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en houdende intrekking van Richtlijn 96/92/EG, Richtlijn 2009/72/EG betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot intrekking van Richtlijn 2003/54/EG, Verordening (EG) nr. 714/2009 betreffende de voorwaarden voor toegang tot het net voor grensoverschrijdende handel in elektriciteit en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1228/2003 en Richtlijn 2009/28/EG ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG.

(2)  Zie de Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Tweede strategische toetsing van het energiebeleid — Een EU-actieplan inzake energiezekerheid en -solidariteit, COM(2008) 781.


BIJLAGE V

Types investeringen die in aanmerking komen

De volgende types investeringen komen in aanmerking voor artikel 10 quater van richtlijn 2003/87/EG:

Types investeringen

A

Retrofitten van infrastructuur

B

Upgraden van infrastructuur

C

Schone technologieën

D

Diversificatie van de energiemix

E

Diversificatie van de voorzieningsbronnen

Hierna volgen enkele voorbeelden van investeringen die in aanmerking komen voor artikel 10 quater:

a)

modernisering van de elektriciteitsopwekking teneinde ze efficiënter en minder CO2-intensief te maken (betere verhouding tussen bruto en netto elektriciteitsverbruik, d.w.z. verhoging van het aandeel van het netto in het bruto elektriciteitsverbruik en minder CO2-emissies per MWe);

b)

beperking van de CO2-emissies door kolencentrales te retrofitten tot state-of-the-art centrales;

c)

meer elektriciteitsopwekking op basis van hernieuwbare energiebronnen dan voorzien in de richtlijn hernieuwbare energiebronnen, inclusief de bijbehorende netwerkvereisten;

d)

CO2-intensieve opwekking vervangen door minder CO2-intensieve opwekkingscapaciteit;

e)

koolstofafvang en –opslag;

f)

slimme netwerken;

g)

WKK, inclusief de bijbehorende netwerkvereisten.

Deze lijst is niet exhaustief. Voor zover de in aanmerking komende projecten staatssteun omvatten, moet de verenigbaarheid ervan met de staatssteunregels worden beoordeeld.


BIJLAGE VI

Op modellen gebaseerde prognoses van koolstofprijzen in de derde handelsperiode

Prognoses van koolstofprijzen (jaarlijks gemiddelde in euro's/ton CO2)

2010-2014

2015-2019

In euro's 2008

14,5

20,0

In euro's 2005

13,6

18,7

De waarden zijn afkomstig uit het basisscenario dat is vastgesteld in het Werkdocument van de diensten van de Commissie, begeleidend document bij de Mededeling van de Commissie „Analyse van de opties voor een broeikasgasemissiereductie van meer dan 20 % en beoordeling van het risico van koolstoflekkage”, Achtergrondinformatie en analyse, Deel II, SEC(2010) 650.


BIJLAGE VII

Model voor de beoordeling overeenkomstig artikel 10 quater, lid 5

Wanneer de lidstaten hun aanvraag voor voorlopige kosteloze toewijzing van emissierechten indienen overeenkomstig artikel 10 quater, lid 5, van Richtlijn 2003/87/EG, moeten zij gebruik maken van het onderstaande model en de volgende informatie vermelden:

A.   Kosteloze toewijzing van emissierechten aan lidstaten

Bewijzen dat minstens een van de voorwaarden van artikel 10 quater, lid 1, van Richtlijn 2003/87/EG is vervuld.

B.   Voorlopige kosteloze toewijzing van emissierechten aan installaties, maximaal aantal kosteloze emissierechten en aantal kosteloze emissierechten die aan deze installaties zijn toegewezen, inclusief niet-overdraagbare emissierechten

1.

Lijst van installaties die in aanmerking komen voor voorlopige kosteloze toewijzing van emissierechten overeenkomstig artikel 10 quater van Richtlijn 2003/87/EG

2.

Maximaal aantal kosteloze emissierechten in 2013 en de daaropvolgende jaren

3.

Voorlopige kosteloze toewijzing van emissierechten per installatie

3.1.

Aantal kosteloze emissierechten op basis van geverifieerde emissies in de periode 2005-2007

3.2.

Aantal kosteloze emissierechten op basis van benchmarks

3.3.

Gedetailleerde informatie over het aantal emissierechten die niet-overdraagbaar zijn gemaakt en zijn toegewezen aan in aanmerking komende installaties

C.   Nationaal plan en investeringen in het nationaal plan, subsidiabiliteit van investeringen in het nationaal plan, evenwicht tussen de marktwaarde van kosteloos toegewezen emissierechten en het bedrag van de investeringen

In het nationaal plan wordt uiteengezet welke strategie de betrokken lidstaat zal volgen om de elektriciteitsopwekking te moderniseren tijdens de periode van de voorlopige kosteloze toewijzing van emissierechten. In het plan worden ook de daartoe vereiste investeringen vermeld, alsook de rol van de investeringstypes bij het verwezenlijken van de doelstelling. In het nationaal plan wordt ook de uitvoering van elke daarin opgenomen investering toegewezen aan een bepaald jaar, rekening houdende met het afnemende aantal kosteloze toewijzingen van emissierechten tijdens de volledige periode van de voorlopige kosteloze toewijzing van emissierechten.

Voor elke investering die in het nationaal plan is opgenomen, moet de lidstaat specifiek het volgende vermelden:

de onderneming die de investering verricht,

het type investering, overeenkomstig bijlage V,

het bedrag van de investering,

het aantal en de marktwaarde van de emissierechten die kosteloos aan de onderneming zijn toegewezen voor de betrokken investering, en

de beginselen waaraan de investering beantwoordt, met inbegrip van de informatie die nodig is om de naleving van de investeringsbeginselen te beoordelen.

Als de lidstaten gebruik maken van een mechanisme om te garanderen dat de waarde van de kosteloze emissierechten die overeenkomstig artikel 10 quater van Richtlijn 2003/87/EG zijn toegewezen, overeenstemt met het bedrag van de in het nationaal plan geïdentificeerde investeringen, moeten de lidstaten de algemene aanpak, de rechtsgrond en de operationele bijzonderheden van dit mechanisme specificeren. Ze moeten ook voorzien in wettelijke bepalingen die garanderen dat informatie over de netto financiële stromen in het kader van dit mechanisme beschikbaar wordt gesteld via de verslagen die krachtens artikel 10 quater, lid 1, van Richtlijn 2003/87/EG bij de Commissie moeten worden ingediend.

D.   Bewakings- en handhavingsvoorschriften met betrekking tot de investeringen die in het nationaal plan zijn opgenomen

De lidstaten moeten

een beschrijving geven van de bewakings- en handhavingsvoorschriften die in hun lidstaat zijn vastgesteld, met inbegrip van nalevingsindicatoren, bepalingen inzake bezoeken ter plaatse en onafhankelijke verificaties van investeringen, en

bepalingen vaststellen om te garanderen dat ondernemingen hun verplichting nakomen om de in het nationaal plan vastgestelde investeringen uit te voeren, met inbegrip van sancties in het geval van niet-naleving.

E.   Transparantie en openbare raadpleging

De lidstaten moeten een samenvatting verstrekken van het proces volgens hetwelk de aanvraag en het plan zijn voorbereid en van de wijze waarop het publiek is geïnformeerd en bij de aanvraag is betrokken.


BIJLAGE VIII

Voorbeelden van nalevingsindicatoren

De bewakings- en handhavingsbepalingen moeten nalevingsindicatoren bevatten die worden gebruikt om aan te tonen dat investeringen beantwoorden aan de in de richtsnoeren vastgestelde beginselen, met name wat de eisen voor nationale plannen betreft.

Hierna volgt een niet-exhaustieve lijst van nalevingsindicatoren:

a)

vergelijking van de emissiefactor van de technologie waarvan een installatie gebruik maakt ten gevolge van investeringen in het kader van artikel 10 quater van Richtlijn 2003/87/EG met de emissiefactor van de technologie die vóór de retrofit/upgrade werd gebruikt;

b)

vergelijking van de emissiefactor van de technologie die door een installatie wordt gebruikt naar aanleiding van investeringen overeenkomstig artikel 10 quater met de emissiefactor van de beste in de Unie beschikbare technologie, rekening houdende met de gebruikte brandstof;

c)

verwachte en geplande vermindering van de totale broeikasgasemissies van de nationale elektriciteitsproductie ten gevolge van overeenkomstig artikel 10 quater verrichte investeringen (in vergelijking met het „business as usual”-scenario);

d)

verwachte en geplande vermindering van het aandeel van de dominante fossiele brandstof in de nationale elektriciteitsproductie ten gevolge van overeenkomstig artikel 10 quater verrichte investeringen;

e)

verwachte en geplande toename van de efficiëntie van de elektriciteitsopwekking/-distributienetwerken (in termen van bespaarde MWh) ten gevolge van de uitvoering van overeenkomstig artikel 10 quater gefinancierde projecten, en de overeenkomstige vermindering van de CO2-emissies;

f)

verwachte en geplande toename van het aandeel CO2-vrije en minder CO2-intensieve brandstoffen in de nationale energiemix ten gevolge van overeenkomstig artikel 10 quater verrichte investeringen;

g)

geïnstalleerde capaciteit (in MW) in december 2008 die zal worden vervangen door nieuwe, minder koolstofintensieve capaciteit die gefinancierd wordt door middel van investeringen overeenkomstig artikel 10 quater;

h)

aandeel van de geïnstalleerde capaciteit in december 2008 dat wordt vervangen door nieuwe, minder koolstofintensieve capaciteit die gefinancierd wordt door middel van investeringen overeenkomstig artikel 10 quater, in vergelijking met de totale geïnstalleerde capaciteit in december 2008;

i)

geïnstalleerde capaciteit (in MW) aan hernieuwbare energie die naar verwachting zal worden geproduceerd ten gevolge van investeringen overeenkomstig artikel 10 quater;

j)

aandeel van de overeenkomstig artikel 10 quater verstrekte financiële middelen in het totale investeringsproject;

k)

voor investeringen die financiële middelen ontvangen uit andere EU-bronnen en/of andere publieke en private bronnen: aandeel van elke EU-financieringsbron en andere publieke en private bronnen in het totale investeringsproject;

l)

verwachte financiële prestaties van de investeringen overeenkomstig artikel 10 quater (d.w.z. financieel rendement, kosten/baten enz.).