Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot vaststelling van een stabiliteitsinstrument /* COM/2011/0845 definitief - 2011/0413 (COD) */
NL TOELICHTING 1. ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL Wereldwijd worden landen getroffen door crises en conflicten, die een bedreiging vormen voor de mondiale veiligheid en stabiliteit. Conflicten houden dikwijls verband met een kwetsbaar staatsbestel en worden verergerd door zwak bestuur en armoede. Een aantal van de meest cruciale uitdagingen op veiligheidsgebied doet zich bovendien op wereldschaal gelden en betreft zowel de ontwikkelingslanden als de geïndustrialiseerde naties. Natuurlijke of door de mens veroorzaakte rampen, drugshandel, georganiseerde misdaad en terrorisme, uitdagingen en dreigingen op het gebied van cyberveiligheid en soortgelijke problemen zorgen voor meer onveiligheid, belemmeren de ontwikkeling, verzwakken de rechtsstaat en dragen bij tot instabiliteit. De toenemende problemen inzake de verandering van het klimaat versterken bestaande bedreigingen en voegen een nieuwe dimensie toe van door de mens veroorzaakte risico's van natuurrampen en veiligheidsdreigingen. Om op deze structurele uitdagingen te kunnen reageren, zijn grote collectieve inspanningen nodig, gebaseerd op solide partnerschappen met andere staten, actoren van het maatschappelijk middenveld en multilaterale en regionale partners, teneinde de nodige voorwaarden te scheppen om landen te kunnen helpen een wederopleving van conflicten te voorkomen. Naast humanitaire bijstand is daarom een alomvattende respons van de EU op internationale crises vereist, in het kader waarvan de opbouw van de vermogens van de EU inzake crisisparaatheid, preventieve actie en reactie wordt bevorderd. Bovendien moet een capaciteit voor de deelname van deskundigen aan verschillende civiele missies op basis van interoperabiliteit tussen de lidstaten en andere internationale actoren en daarnaast een dialoog met niet-statelijke actoren worden ontwikkeld. In het nieuwe Verdrag betreffende de Europese Unie (artikel 21) zijn gemeenschappelijke overkoepelende beginselen en doelstellingen voor het externe optreden van de Unie vastgesteld, met name "handhaving van de vrede, voorkoming van conflicten en versterking van de internationale veiligheid". Deze doelstellingen en beginselen worden bovendien bevestigd door verschillende conclusies van de Raad betreffende de effectiviteit van het extern optreden (2004), veiligheid en ontwikkeling (2007) alsook door de algemene conclusies van 2010, waarin wordt opgeroepen tot een verdere versterking van de EU-instrumenten voor crisisbeheer ter ondersteuning van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid. Daarnaast werden in de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van 20 juni 2011 over conflictpreventie beleidsrichtsnoeren opgesteld. Door de Raad Buitenlandse Zaken van 18 juli 2011 werd de samenhang tussen klimaat en veiligheid aangewezen als een belangrijk aandachtspunt waar werk van moet worden gemaakt. Tevens heeft de Commissie in 2011 een uitvoeringsplan uitgestippeld voor de EU-strategie ter beperking van het risico op rampen in ontwikkelingslanden[1], waarin de ontwikkeling van inventarisaties van behoeften na rampen (hierna "PDNA" genoemd) wordt aangemerkt als prioriteit met het oog op de integratie van maatregelen voor rampenrisicovermindering in de kaders voor herstel van de betrokken landen en op de bevordering van veerkracht en crisisparaatheid. Dienovereenkomstig moet het nieuwe stabiliteitsinstrument dat de bestaande, op 31 december 2013 aflopende verordening zal vervangen, gebruik maken van de mogelijkheden die worden geboden om de gecoördineerde inspanningen van de EU op alle bovengenoemde gebieden naar een hoger plan te tillen. 2. RESULTATEN VAN DE RAADPLEGINGEN VAN DE BETROKKEN PARTIJEN EN EFFECTBEOORDELINGEN 1. Raadpleging De Europese Commissie heeft van 26 november 2010 tot 31 januari 2011 een openbare raadpleging gehouden over de toekomstige financiering van het extern optreden van de Unie. De raadplegingsprocedure was gebaseerd op een online-vragenformulier, dat vergezeld ging van een door de Commissie en de Europese dienst voor extern optreden (hierna "EDEO" genoemd) opgesteld document met achtergrondinformatie, getiteld "What funding for EU external action after 2013?" . De 220 ontvangen antwoorden vormden een breed en divers spectrum waarin de verscheidenheid aan structuren, standpunten en tradities aan bod kwam die representatief is voor de bestaande organisaties en instellingen op het gebied van het extern beleid. Wat betreft het extern optreden van de EU op het gebied van vrede en internationale veiligheid, met inbegrip van vredesopbouw en crisisparaatheid van de EU, werd door tal van respondenten ook het belang onderstreept van investeringen in duurzame stabiliteit, mensenrechten en economische ontwikkeling. Het stabiliteitsinstrument wordt zeer gewaardeerd en tal van respondenten verzoeken de EU het potentieel ervan te versterken, waarbij met name wordt gewezen op de noodzaak de voordelen van het instrument, te weten snelle uitvoering en rechtstreekse financiering, te behouden. 2. Vergaren en inzetten van deskundigheid In een in 2011 uitgevoerde evaluatie van de componenten crisisrespons en crisisparaatheid van het stabiliteitsinstrument (artikel 3 en artikel 4, lid 3, van de verordening) werd geconcludeerd dat het een uniek instrument in de context van het EU-beleid voor vrede, veiligheid en ontwikkeling is, dat de EU in staat stelt steun te bieden aan een breed spectrum van cruciale initiatieven inzake crisisparaatheid en crisisrespons. Het vermogen van de EU om op te treden in crisissituaties is vergroot, terwijl de samenhang en effectiviteit van de initiatieven inzake crisispreventie en vredesopbouw zijn verhoogd en het vermogen van de partners op het gebied van crisisparaatheid en crisisrespons is versterkt. In evaluaties van de acties ter beperking van chemische, biologische, radiologische en nucleaire (hierna "CBRN" genoemd) risico's (artikel 4, lid 2 van de verordening) werd gewezen op het belang dat de lidstaten hechten aan de oprichting van een EU-programma ter ondersteuning van de capaciteitsopbouw in partnerlanden met het oog op de bestrijding van de proliferatie van gevoelige materialen en kennis. Met acties ter beperking van chemische, biologische, radiologische en nucleaire risico's kunnen de lidstaten van de EU collectief bijdragen tot een vermindering van het gevaar dat materiaal en kennis inzake massavernietigingswapens voor verkeerde doeleinden wordt gebruikt. In een verkennende overzichtsstudie van 2009 inzake het onderdeel crisisparaatheid (artikel 4, partnerschap voor vredesopbouw) werd aanbevolen meer aandacht te besteden aan capaciteitsopbouw door lokale partners, beleidsdialoog met niet-statelijke actoren en de totstandbrenging van een zo groot mogelijke thematische synergie met de beleidsprioriteiten van de EU en de door haar ondersteunde acties. De financieringsaanpak moet worden geflexibiliseerd om niet-statelijke actoren en lidstaten van de EU in de gelegenheid te stellen van deze bijstand gebruik te maken. In een publicatie van het Instituut voor veiligheidsstudies van de Europese Unie uit 2009, waarin voor het eerst een uitvoerige evaluatie is gemaakt van de EVDB-activiteiten in de periode 1999-2009, werd gewezen op het katalysatoreffect van het instrument en werd erkend dat het een toegevoegde waarde heeft bij de voorbereiding en verbetering van de uitvoering van langdurige externe hulpacties van de EU en van acties in het kader van het GBVB. De beoordeling van de tenuitvoerlegging van het instrument tot dusver valt over het algemeen positief uit, maar ook werd een aantal gebieden aangewezen die nog voor verbetering vatbaar zijn. Met name gaat het om een snellere inzet van het instrument door een verhoging van de algehele flexibiliteit met betrekking tot uitvoeringstermijnen van buitengewone steunmaatregelen en interim-responsprogramma's en met betrekking tot drempelbedragen, en een uitbreiding van de financiële en personele middelen. 3. Effectbeoordeling De Commissie heeft een effectbeoordeling uitgevoerd, in het kader waarvan vier fundamentele beleidsalternatieven werden onderzocht: (optie 0) stopzetting van het stabiliteitsinstrument; (optie 1) voortzetting van het bestaande instrument, zonder wijziging van het toepassingsgebied; (optie 2) herziening van het instrument ter verbetering van de flexibiliteitsbepalingen; (optie 3) invoering van een nieuw instrument of nieuwe instrumenten, waarbij a) kwesties met betrekking tot crisisrespons en crisisparaatheid gescheiden van veiligheidsgerelateerde kwesties – terrorisme, transregionale dreigingen en CBRN-kwesties – worden aangepakt, en b) instrumenten inzake het extern optreden van de EU worden geïntegreerd die thans onder andere instrumenten vallen (bijvoorbeeld verkiezingswaarnemingsmissies van de EU of de Afrikaanse Vredesfaciliteit). Optie 0 werd onmiddellijk verworpen, aangezien de stopzetting van het instrument tot gevolg zou hebben dat de EU aan internationale geloofwaardigheid verliest en niet meer aan haar verantwoordelijkheden uit hoofde van artikel 21 van het Verdrag zou voldoen. Optie 1 zou betekenen dat de kans wordt gemist om het instrument op basis van de reeds opgedane ervaring te verbeteren en nog waardevoller te maken. Optie 3, de invoering van twee nieuwe instrumenten, opgesplitst in crisisrespons en crisisparaatheid enerzijds en mondiale en transnationale veiligheidsdreigingen anderzijds, werd niet raadzaam geacht. Niet alleen zou deze optie indruisen tegen de algemene doelstelling om het aantal bestaande instrumenten te verminderen, zij zou ook kunnen leiden tot een minder samenhangende en complementaire interactie bij het aanpakken van factoren die conflicten in de hand werken. Optie 2, waarbij zou worden vastgehouden aan de belangrijkste elementen en eigenschappen van het stabiliteitsinstrument, terwijl de bepalingen ervan met het oog op grotere flexibiliteit zouden worden gestroomlijnd, geniet de voorkeur, omdat zij de EU in staat stelt doeltreffender en sneller op toekomstige internationale uitdagingen op het gebied van vrede en veiligheid te reageren. Optie 2 biedt met name de mogelijkheid buitengewone steunmaatregelen in reactie op crises en langdurige conflicten uit te breiden en te verlengen en stelt de Commissie in staat om op korte termijn maatregelen voor een eerste respons goed te keuren en zo de strategische positie van de EU bij de respons op een bepaalde crisis te verstevigen. De in aanmerking komende beleidsopties zijn erop gericht de huidige functionering van het stabiliteitsinstrument te consolideren en waar mogelijk te verbeteren. 3. JURIDISCHE ELEMENTEN VAN HET VOORSTEL Rechtsgrondslag In het vijfde deel, titel III, hoofdstukken 1 en 2 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna "het Verdrag" genoemd) is het rechtskader vastgesteld voor de samenwerking met derde landen en regionale en internationale organisaties, statelijke en niet-statelijke actoren. De voorgestelde verordening is met name gebaseerd op artikel 209, lid 1, en artikel 212, lid 2, van het Verdrag en het voorstel wordt door de Commissie ingediend in overeenstemming met de procedure van artikel 294 van het Verdrag. Subsidiariteit en evenredigheid Het stabiliteitsinstrument heeft een wereldwijd toepassingsgebied en een dubbele rechtsgrondslag in het Verdrag ( "ontwikkelingssamenwerking" en "economische, financiële en technische samenwerking met derde landen" ), en aangezien het niet gebonden is aan de ODA-criteria, biedt het de EU de mogelijkheid passende maatregelen te nemen op het raakvlak van veiligheid en ontwikkeling. Op mondiaal niveau wordt de EU als geloofwaardige en neutrale speler beschouwd die meer dan andere mogendheden in staat is in tal van conflictgebieden tussenbeide te komen om escalatie te vermijden of goede diensten te bewijzen op het vlak van conflictpreventie. Een groter effect kan worden bereikt wanneer de respons op EU-niveau plaatsvindt, aangezien gezamenlijke inspanningen de invloed op betrokken autoriteiten en internationale partners verhogen. Door crisisresponsacties op Europees niveau te coördineren kan voor een zo groot mogelijke samenhang van de respons en een optimale effectiviteit van de hulpverlening worden gezorgd. Op internationaal niveau zijn in toenemende mate synergie en samenwerking vereist, aangezien alle donoren zich met het probleem van schaarse middelen geconfronteerd zien. In dit verband zij erop gewezen dat slechts een zeer klein aantal lidstaten van de EU over faciliteiten voor crisisrespons of vredesopbouw beschikt die qua reikwijdte vergelijkbaar zijn met het stabiliteitsinstrument. Keuze van het instrument Het stabiliteitsinstrument voorziet in behoeften waaraan niet op andere wijze kan worden beantwoord vanwege a) de urgentie van de crisis waarop een reactie nodig is; b) het mondiale of transregionale karakter van het probleem, dat de reikwijdte van een geografisch instrument te boven gaat; c) het feit dat het terrein waarop bijstand moet worden geboden uitgesloten is van steun in het kader van aan ODA-criteria gebonden instrumenten (bijv. terrorismebestrijding); of d) het feit dat de vereiste bijstand niet landenspecifiek is (bijv. projecten met het oog op de ontwikkeling van internationale normen of beleidsmaatregelen op het gebied van conflictpreventie en vredesopbouw). Bovendien is gebleken dat het instrument een katalysatoreffect heeft bij de voorbereiding en verbetering van de uitvoering van langdurige externe hulpacties van de EU en acties die de EU heeft vastgesteld ter verwezenlijking van de doelstellingen van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid ingevolge titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie. 4. GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING De Commissie stelt voor om voor de periode 2014-2020 70 miljard euro toe te kennen aan de instrumenten van het extern beleid[2]. De beoogde toewijzing aan het stabiliteitsinstrument beloopt voor deze periode van zeven jaar 2 828,9 miljoen euro. 5. FACULTATIEVE ELEMENTEN 4. Vereenvoudiging Net als in het kader van andere programma's in de context van het meerjarig financieel kader geeft de Commissie in deze nieuwe verordening prioriteit aan de vereenvoudiging van de regelgeving en de bevordering van de toegang tot EU-bijstand voor partnerlanden en -regio's, maatschappelijke organisaties, etc. voor zover deze de doelstellingen van de verordening nastreven. Een dergelijke vereenvoudiging zal worden bereikt door middel van een duidelijkere afbakening van en een vermindering van overlappingen tussen alle externe instrumenten, zodat zij zich door welomschreven beleidsdoelstellingen individueel onderscheiden. Een vereenvoudiging van de regels en procedures voor het verlenen van EU-bijstand wordt voorgesteld, met name door te voorzien in een afwijking van de comitologieprocedure voor de vaststelling van een tweede buitengewone steunmaatregel op grond van artikel 7, en een aanvullende nieuwe bepaling waarbij aan de Commissie de bevoegdheid wordt verleend om op grond van hetzelfde artikel buitengewone steunmaatregelen tot een hoogte van 3 miljoen EUR vast te stellen zonder de Raad daarvan vooraf in kennis te stellen. Daarnaast zal de herziening van het Financieel Reglement, die met name substantieel is met betrekking tot de specifieke bepaling inzake externe maatregelen, ertoe bijdragen de deelname van maatschappelijke organisaties aan financieringsprogramma's te vergemakkelijken, bijvoorbeeld door de regels te vereenvoudigen, de kosten van deelname te verminderen en de toekenningsprocedures te bespoedigen. De Commissie is voornemens de onderhavige verordening op basis van de nieuwe, flexibele procedures van het nieuwe Financieel Reglement toe te passen. 5. Gedelegeerde handelingen De Commissie is van mening dat de democratische controle op de externe hulpverlening moet worden verbeterd. Zij stelt voor om weliswaar vast te houden aan de componenten van het bestaande stabiliteitsinstrument, maar de democratische controle te versterken door voor bepaalde aspecten van de programma's te voorzien in de toepassing van gedelegeerde handelingen in overeenstemming met artikel 290 van het Verdrag. De bepalingen die de hulpverlening uit hoofde van de artikelen 3, 4 en 5 nader invullen, zullen via gedelegeerde handelingen worden vastgesteld. 6. Nadere uitleg van het voorstel De nieuwe structuur van de instrumenten van de Unie voor het verlenen van externe ontwikkelingshulp in het kader van de financiële vooruitzichten 2014-2020 wordt beschreven in de mededeling van de Commissie getiteld "Een begroting voor Europa 2020"[3]. Nadere informatie over de algemene en specifieke doelstellingen van en de voorwaarden voor de tenuitvoerlegging van het financiële stabiliteitsinstrument wordt verstrekt in het bij dit voorstel voor een verordening gevoegde financieel memorandum. 2011/0413 (COD) Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot vaststelling van een stabiliteitsinstrument HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 209, lid 1, en artikel 212, lid 2, Gezien het voorstel van de Europese Commissie, Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen, Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure, Overwegende hetgeen volgt: 7. Deze verordening is een van de instrumenten voor de rechtstreekse ondersteuning van het buitenlands beleid van de Europese Unie. Zij zal in de plaats komen van Verordening (EG) nr. 1717/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 november 2006 tot invoering van een stabiliteitsinstrument[4], die op 31 december 2013 verstrijkt. 8. Handhaving van de vrede, voorkoming van conflicten, versterking van de internationale veiligheid en het verlenen van hulp aan bevolkingen, landen en regio's die zich met natuurlijke of door de mens veroorzaakte rampen geconfronteerd zien, behoren tot de belangrijkste doelstellingen van het extern optreden van de Unie als vastgelegd in artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie. De crises en conflicten waarmee landen over de hele wereld te kampen hebben en andere factoren, zoals terrorisme, georganiseerde misdaad, klimaatverandering, uitdagingen en dreigingen op het gebied van cyberveiligheid alsook natuurrampen vormen een risico voor de stabiliteit en de veiligheid in de wereld. Om de bovengenoemde kwesties doelmatig en tijdig te kunnen aanpakken zijn specifieke financiële middelen en instrumenten nodig die een aanvulling kunnen vormen op humanitaire hulp en de instrumenten voor samenwerking op lange termijn. 9. Met de vaststelling van Verordening (EG) nr. 1717/2006 werd beoogd de Unie in staat te stellen voor een consequente en geïntegreerde respons op crisissituaties en dreigende crises te zorgen, specifieke transregionale veiligheidsdreigingen aan te pakken en de crisisparaatheid te verhogen. De onderhavige verordening heeft ten doel een herzien instrument in te voeren, dat voortbouwt op de met het vorige instrument opgedane ervaringen, teneinde de efficiëntie en samenhang van het optreden van de Unie op het gebied van conflictpreventie en crisisrespons, crisisparaatheid en vredesopbouw en het aanpakken van veiligheidsdreigingen, ook met betrekking tot klimaatveiligheid, te verhogen. 10. De uit hoofde van deze verordening genomen maatregelen zijn gericht op de verwezenlijking van de bij artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en de artikelen 208 en 212 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vastgestelde doelstellingen. Zij kunnen complementair zijn aan en dienen aan te sluiten bij de maatregelen die de EU heeft goedgekeurd voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid in het kader van titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie en de maatregelen die zijn goedgekeurd in het kader van titel V van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. De Raad en de Commissie dienen samen te werken om deze consistentie te garanderen, elk in overeenstemming met de eigen bevoegdheden. 11. In het EU-programma ter voorkoming van gewelddadige conflicten[5], dat door de Europese Raad is bekrachtigd, wordt benadrukt dat "politieke inzet van de EU voor conflictpreventie een van de belangrijkste doelstellingen van het buitenlandse beleid van de EU is" en aangegeven dat de instrumenten op het gebied van ontwikkelingssamenwerking een bijdrage kunnen leveren aan de verwezenlijking hiervan en aan de ontwikkeling van de EU als wereldspeler. In de conclusies van de Raad van 20 juni 2011 inzake conflictpreventie wordt bevestigd dat het programma een deugdelijke basis is voor het verdere optreden van de Europese Unie op het gebied van conflictpreventie. 12. In de conclusies van de Raad betreffende veiligheid en ontwikkeling[6] (evenals in de conclusies van de Raad inzake een antwoord van de EU op onstabiele situaties) wordt benadrukt dat de EU, teneinde de samenhang van haar externe optreden te bevorderen, bij haar strategieën en beleid met deze verwevenheid van ontwikkeling en veiligheid rekening dient te houden. Meer specifiek concludeerde de Raad dat bij toekomstige werkzaamheden betreffende veiligheid en ontwikkeling ook plaats moet worden ingeruimd voor de veiligheids- en ontwikkelingsimplicaties van klimaatverandering, aspecten betreffende het milieubeheer en het beheer van de natuurlijke hulpbronnen en migratie. 13. De Europese Raad heeft op 12 december 2003 zijn goedkeuring gehecht aan de Europese veiligheidsstrategie en op 11 december 2008 aan het verslag over de tenuitvoerlegging van die strategie. Ook in de eind 2010 goedgekeurde interneveiligheidsstrategie van de EU[7] wordt gewezen op het belang van samenwerking met derde landen en regionale organisaties, met name voor de bestrijding van meervoudige dreigingen, zoals mensen- en drugshandel en terrorisme. 14. Volgens de verklaring van de Europese Raad over terrorismebestrijding van 25 maart 2004 moeten doelstellingen in verband met terrorismebestrijding geïntegreerd worden in de programma's voor buitenlandse hulp; in de Europese terrorismebestrijdingsstrategie, die op 30 november 2005 werd goedgekeurd door de Raad, wordt aangedrongen op een sterkere samenwerking op het gebied van terrorismebestrijding met derde landen en de Verenigde Naties; en volgens de conclusies van de Raad over een sterkere koppeling tussen de interne en de externe aspecten van terrorismebestrijding dient bij de strategische programmering van het stabiliteitsinstrument de capaciteit van de bevoegde autoriteiten die bij terrorismebestrijding in derde landen betrokken zijn, te worden vergroot. 15. Aangezien de doelstellingen van deze verordening niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve wegens de omvang van het optreden, beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken. 16. Terwijl de financieringsbehoeften op het vlak van buitenlandse hulpverlening door de Unie steeds meer toenemen, zijn de beschikbare middelen voor dergelijke hulp op grond van de economische en budgettaire situatie van de Unie beperkt. De Commissie moet er derhalve naar streven de beschikbare middelen zo efficiënt mogelijk in te zetten door met name gebruik te maken van financiële instrumenten met een hefboomeffect. Een dergelijk hefboomeffect wordt versterkt door te voorzien in de mogelijkheid om de met gebruikmaking van de financiële instrumenten geïnvesteerde en gegenereerde middelen te gebruiken en hergebruiken. 17. Teneinde het toepassingsgebied van deze verordening te kunnen aanpassen aan de in snel tempo veranderende werkelijkheid, dient aan de Commissie de bevoegdheid te worden gedelegeerd om in overeenstemming met artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen met betrekking tot de nadere invulling van de in de bijlagen bij deze verordening genoemde terreinen waarop technische en financiële bijstand kan worden verleend en om aanvullende procedures vast te stellen voor de uitwisseling van informatie en samenwerking. Het is van bijzonder belang dat de Commissie tijdens de voorbereidende werkzaamheden het nodige overleg pleegt en deskundigen raadpleegt. Bij het voorbereiden en opstellen van gedelegeerde handelingen moet de Commissie er tevens op toezien dat de desbetreffende documenten tijdig bij het Europees Parlement en de Raad worden ingediend. 18. Om eenvormige voorwaarden voor de tenuitvoerlegging van deze verordening te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. 19. De in deze verordening neergelegde uitvoeringsbevoegdheden betreffende programmerings- en uitvoeringsmaatregelen dienen te worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren[8]. Gelet op de aard van die uitvoeringshandelingen, met name hun beleidsbepalende karakter en hun gevolgen voor de begroting, dient bij de vaststelling ervan in beginsel de onderzoeksprocedure te worden gevolgd, behalve in het geval van maatregelen met geringe financiële implicaties. De Commissie dient onmiddellijk toepasbare uitvoeringshandelingen vast te stellen indien, in goed gemotiveerde gevallen waarin een snelle respons van de Unie noodzakelijk is, daarvoor dwingende urgente redenen zijn. 20. Bij Verordening (EU, Euratom) nr. …/…van het Europees Parlement en de Raad van …[9], hierna "algemene uitvoeringsverordening" genoemd, zijn algemene regels en procedures voor de tenuitvoerlegging van de EU-instrumenten voor extern optreden[10] vastgesteld. 21. De organisatie en werking van de Europese Dienst voor extern optreden zijn omschreven bij Besluit van de Raad nr. 2010/427/EU, HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD: TITEL I DOELSTELLINGEN EN TOEPASSINGSGEBIED Artikel 1 Doelstellingen 22. De Unie neemt maatregelen op het gebied van ontwikkelingssamenwerking en financiële, economische en technische samenwerking met derde landen, regionale en internationale organisaties en andere statelijke en niet-statelijke actoren overeenkomstig de in deze verordening neergelegde voorwaarden. 23. Overeenkomstig de doelstellingen van deze samenwerking heeft de verordening als specifieke doelstellingen: 24. in een situatie van crisis of dreigende crisis snel met een effectieve respons aan de stabiliteit bij te dragen, om te helpen zorgen voor het behouden, creëren of herstellen van de noodzakelijke voorwaarden voor een behoorlijke uitvoering van het ontwikkelings- en samenwerkingsbeleid van de Unie; 25. conflicten te voorkomen, de paraatheid te waarborgen om met pre- en post-crisissituaties te kunnen omgaan en aan vrede te bouwen; 26. mondiale en transregionale bedreigingen aan te pakken die een destabiliserend effect hebben, met inbegrip van klimaatverandering. Artikel 2 Coherentie en aanvullend karakter van de EU-bijstand 27. De Commissie ziet erop toe dat in het kader van deze verordening genomen maatregelen stroken met het algemene strategische beleidskader van de Unie voor het partnerland, en met name met de doelen van de in lid 2 bedoelde instrumenten, alsook met andere relevante maatregelen van de Unie. 28. Maatregelen die uit hoofde van deze verordening worden genomen, kunnen complementair zijn met en dienen aan te sluiten bij de maatregelen die zijn vastgesteld in het kader van titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie en titel V van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. 29. De krachtens deze verordening verleende bijstand van de Unie is een aanvulling op de bijstand die uit hoofde van verwante EU-instrumenten voor buitenlandse hulp wordt geboden. Deze bijstand wordt slechts verleend voor zover geen adequate en effectieve reactie uit hoofde van bovengenoemde instrumenten mogelijk is. 30. Activiteiten die onder Verordening (EG) nr. 1257/96 van 20 juni 1996 betreffende humanitaire hulp of Beschikking van de Raad nr. 2007/162/EG, Euratom tot instelling van een financieringsinstrument voor civiele bescherming vallen en uit hoofde daarvan in aanmerking komen voor financiering, kunnen niet in het kader van deze verordening gefinancierd worden. 31. Ter verhoging van de doelmatigheid en de samenhang van bijstandsmaatregelen van de Unie en de lidstaten en ter voorkoming van dubbele financiering, dient de Commissie een nauwe coördinatie tussen haar eigen activiteiten en die van de lidstaten op het niveau van de besluitvorming en in het veld te bevorderen. Te dien einde maken de lidstaten en de Commissie gebruik van een systeem voor de uitwisseling van gegevens. Indien nodig kan de Commissie in overeenstemming met artikel 9 aanvullende procedures voor de uitwisseling van informatie en samenwerking vaststellen. Artikel 3 Bijstand in respons op crises of dreigende crises met het oog op conflictpreventie 32. Ter uitvoering van de in artikel 1, lid 2, onder a), geformuleerde specifieke doelstellingen kan de Unie technische en financiële bijstand bieden in respons op noodsituaties, crises of dreigende crises, situaties die een gevaar betekenen voor de democratie, de rechtsstaat en de openbare orde, de bescherming van de mensenrechten en fundamentele vrijheden of voor de veiligheid van personen, of situaties die dreigen te escaleren tot een gewapend conflict of die dreigen het derde land of de derde landen in kwestie te destabiliseren. Dit soort maatregelen kan eveneens gericht zijn op situaties waarin de Unie met een beroep op de clausule "essentiële elementen" van internationale overeenkomsten de samenwerking met derde landen geheel of gedeeltelijk opschort. 33. De in lid 1 bedoelde technische en financiële bijstand kan de in bijlage I nader omschreven gebieden van bijstandsverlening bestrijken. De prestatie-indicator voor deze bijstandsverlening wordt gevormd door het percentage projecten dat binnen drie maanden na het ontstaan van een crisissituatie wordt goedgekeurd. 34. In de in lid 1 genoemde uitzonderlijke en onvoorziene situaties kan de Unie ook technische en financiële bijstand bieden die niet uitdrukkelijk wordt genoemd onder de specifieke in lid 2 genoemde gebieden van bijstandsverlening. Deze bijstand blijft beperkt tot buitengewone bijstandsmaatregelen in de zin van artikel 7, lid 2, die: a) vallen onder het algemene toepassingsgebied en de specifieke doelstellingen zoals omschreven in artikel 1, lid 2, onder a), en b) in looptijd beperkt zijn tot de in artikel 7, lid 2 genoemde periode, en c) in het normale geval in aanmerking komen krachtens andere EU-instrumenten voor buitenlandse bijstand of de andere onderdelen van dit instrument, maar die ingevolge het bepaalde in artikel 2 door middel van maatregelen voor het beheer van crisissituaties en dreigende crisis moeten worden aangepakt wegens de noodzaak van een snelle respons op de situatie. Artikel 4 Bijstand voor conflictpreventie, crisisparaatheid en vredesopbouw 35. De Unie verleent ter verwezenlijking van de in artikel 1, lid 2, onder b), bedoelde specifieke doelstellingen technische en financiële bijstand op het gebied van conflictpreventie, crisisparaatheid en vredesopbouw. 36. De in lid 1 bedoelde technische en financiële bijstand kan de in bijlage II nader omschreven gebieden van bijstandsverlening bestrijken. De prestatie-indicator voor deze bijstandsverlening wordt gevormd door de mate waarin het vermogen van de ontvangers van de bijstand om conflicten te voorkomen, met pre- en postcrisissituaties om te gaan en de vrede te herstellen is versterkt. Artikel 5 Bijstand voor het aanpakken van mondiale en transregionale bedreigingen De Unie verleent ter verwezenlijking van de in artikel 1, lid 2, onder c), bedoelde specifieke doelstellingen technische en financiële bijstand op de in bijlage III nader omschreven gebieden van bijstandsverlening. De prestatie-indicator voor deze bijstandsverlening wordt gevormd door de mate waarin de verleende bijstand is afgestemd op het relevante externe veiligheidsbeleid van de EU, met inbegrip van de externe dimensie van het interne veiligheidsbeleid. TITEL II PROGRAMMERING EN TENUITVOERLEGGING Artikel 6 Algemeen kader van de programmering en tenuitvoerlegging 37. De bijstandsverlening door de Unie wordt uitgevoerd in overeenstemming met de algemene uitvoeringsverordening en door middel van de volgende programmeringsdocumenten en financiële uitvoeringsmaatregelen: 38. thematische strategiedocumenten en indicatieve meerjarenprogramma's; 39. buitengewone steunmaatregelen en interim-responsprogramma's; 40. jaarlijkse actieprogramma's en individuele maatregelen; 41. bijzondere maatregelen. Artikel 7 Buitengewone bijstandsmaatregelen en interim-responsprogramma's 42. De bijstandsverlening van de Unie uit hoofde van artikel 3 wordt uitgevoerd door middel van buitengewone bijstandsmaatregelen en interim-responsprogramma's. 43. De Commissie kan buitengewone bijstandsmaatregelen vaststellen in crisissituaties zoals bedoeld in artikel 3, lid 1, alsook in uitzonderlijke en onvoorziene situaties zoals bedoeld in artikel 3, lid 3, indien de doelmatigheid van de maatregelen afhangt van snelle of soepele tenuitvoerlegging. Dergelijke maatregelen hebben een duur van ten hoogste achttien maanden. De duur van een maatregel kan tweemaal worden verlengd met nogmaals zes maanden (tot een maximale duur van dertig maanden) wanneer de tenuitvoerlegging stuit op objectieve en onvoorziene hindernissen, mits het aan de maatregel verbonden financiële bedrag niet hoger wordt. In het geval van langdurige crises of conflicten kan de Commissie een tweede buitengewone bijstandsmaatregel vaststellen. 44. Wanneer de kosten van een buitengewone bijstandsmaatregel het bedrag van 30 000 000 euro te boven gaan, wordt die maatregel goedgekeurd volgens de in artikel 15, lid 3, van de algemene uitvoeringsverordening bedoelde onderzoeksprocedure. 45. De Commissie kan volgens dezelfde procedure interim-responsprogramma's vaststellen voor het scheppen of herstellen van de essentiële voorwaarden voor de effectieve uitvoering van het beleid van de Unie op het gebied van buitenlandse samenwerking. Met deze interim-responsprogramma's dient te worden voortgebouwd op buitengewone bijstandsmaatregelen. 46. Alvorens buitengewone bijstandsmaatregelen waarmee niet meer dan 30 000 000 euro is gemoeid, vast te stellen of te verlengen, brengt de Commissie de Raad op de hoogte van aard en doel van die maatregelen en het voorziene bedrag. Zij stelt de Raad eveneens op de hoogte voordat zij wijzigingen van betekenis aanbrengt in reeds vastgestelde buitengewone bijstandsmaatregelen. Omwille van de samenhang van het buitenlandse optreden van de EU houdt zij bij de planning en de uitvoering van deze maatregelen rekening met de relevante door de Raad gevolgde beleidsmatige aanpak. 47. In buitengewone dringende situaties als bedoeld in artikel 3, lid 1, kan de Commissie buitengewone bijstandsmaatregelen waarmee niet meer dan 3 000 000 euro is gemoeid, vaststellen zonder voorafgaande kennisgeving aan de Raad. 48. Zo spoedig mogelijk, en in ieder geval binnen zeven maanden na de goedkeuring van buitengewone bijstandsmaatregelen, brengt de Commissie verslag uit aan de Raad en het Europees Parlement, waarbij zij een overzicht verschaft van de aard en de context van de genomen maatregel. 49. De Commissie houdt het Europees Parlement geregeld op de hoogte van haar planning inzake de bijstandsverlening van de Unie uit hoofde van artikel 3. Artikel 8 Thematische strategiedocumenten en indicatieve meerjarenprogramma's 50. Thematische strategiedocumenten vormen de algemene basis voor de tenuitvoerlegging van bijstand uit hoofde van de artikelen 4 en 5. In de thematische strategiedocumenten wordt, in overeenstemming met het algemene doel en de werkingssfeer, de doelstellingen en beginselen en het beleid van de Unie, het kader vastgesteld voor de samenwerking tussen de Unie en de betrokken partnerlanden of -regio's. 51. Bij de opstelling en tenuitvoerlegging van de thematische strategiedocumenten worden de beginselen van effectieve bijstandsverlening nageleefd: partnerschap, coördinatie en harmonisatie. Daartoe dienen thematische strategiedocumenten in overeenstemming te zijn met programmeringsdocumenten die uit hoofde van andere EU-instrumenten voor buitenlandse bijstand worden goedgekeurd of vastgesteld, en dient onderlinge overlapping van deze documenten te worden voorkomen. De thematische strategiedocumenten worden in beginsel gebaseerd op een dialoog van de EU en, in voorkomend geval, de lidstaten met de betrokken partnerlanden of -regio's, waarbij ook het maatschappelijk middenveld en de regionale en plaatselijke overheden van die landen en regio's worden betrokken, zodat wordt gewaarborgd dat de betrokken landen en regio's voldoende eigen verantwoordelijkheid voor het proces nemen. De Unie en de lidstaten plegen in een vroeg stadium van het programmeringsproces overleg met elkaar ter bevordering van de coherentie en de complementariteit van hun samenwerkingsactiviteiten. 52. Elk thematisch strategiedocument gaat vergezeld van een indicatief meerjarenprogramma waarin een samenvatting wordt gegeven van de prioritaire terreinen die voor EU-financiering zijn geselecteerd, de specifieke doelstellingen, de verwachte resultaten en het tijdpad voor de bijstandsverlening door de Unie. In de indicatieve meerjarenprogramma's worden de indicatieve financiële toewijzingen voor elk programma vastgelegd, met inachtneming van de behoeften van de betrokken partnerlanden of -regio's en de specifieke problemen die zij ondervinden. De financiële toewijzingen kunnen, waar nodig, met een zekere marge worden gegeven. 53. De Commissie keurt thematische strategiedocumenten goed en stelt indicatieve meerjarenprogramma's vast overeenkomstig de in artikel 15, lid 3, van de algemene uitvoeringsverordening bedoelde onderzoeksprocedure. Deze procedure is eveneens van toepassing op ingrijpende herzieningen die tot een substantiële wijziging van de strategie of de bijbehorende programmering leiden. 54. De in lid 4 bedoelde onderzoeksprocedure is niet van toepassing op niet-ingrijpende wijzigingen van thematische strategiedocumenten en indicatieve meerjarenprogramma's in het kader waarvan technische aanpassingen worden verricht, middelen binnen de indicatieve toewijzingen voor de afzonderlijke prioritaire terreinen worden herschikt of de hoogte van de oorspronkelijke indicatieve toewijzing van middelen met minder dan 20 % wordt verhoogd of verlaagd, op voorwaarde dat dergelijke wijzigingen niet van invloed zijn op de in die documenten vastgestelde prioritaire terreinen en doelstellingen. In dergelijke gevallen stelt de Commissie het Europees Parlement en de Raad binnen één maand van die wijzigingen op de hoogte. 55. Wanneer om dwingende en gegronde redenen van urgentie een snelle respons van de Unie vereist is, kunnen thematische strategiedocumenten en indicatieve meerjarenprogramma's worden gewijzigd volgens de in artikel 15, lid 4, van de algemene uitvoeringsverordening bedoelde urgentieprocedure. TITEL III SLOTBEPALINGEN Artikel 9 Delegatie van bevoegdheden aan de Commissie De Commissie wordt de bevoegdheid verleend om overeenkomstig artikel 10 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging of aanvulling van de bijlagen I, II en III bij deze verordening en om aanvullende procedures vast te stellen voor de uitwisseling van informatie en samenwerking. Artikel 10 Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie 56. De in artikel 9 bedoelde bevoegdheidsdelegatie wordt toegekend voor de geldigheidsduur van deze verordening. 57. De bevoegdheidsdelegatie kan op ieder moment door het Europees Parlement of de Raad worden ingetrokken. Het besluit tot intrekking maakt een einde aan de delegatie van de bevoegdheden die in het besluit worden vermeld. Het besluit treedt in werking op de dag na de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een latere datum die in het besluit wordt vermeld. Het besluit laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet. 58. Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling vaststelt, stelt zij het Europees Parlement en de Raad daarvan tegelijkertijd in kennis. 59. Een vastgestelde gedelegeerde handeling treedt pas in werking als noch het Europees Parlement noch de Raad binnen een termijn van twee maanden na de datum van kennisgeving bezwaar heeft gemaakt tegen de gedelegeerde handeling, of als zowel het Europees Parlement als de Raad de Commissie voor het verstrijken van deze termijn heeft meegedeeld niet voornemens te zijn bezwaar te maken. Op initiatief van het Europees Parlement of de Raad kan deze termijn met twee maanden worden verlengd. Artikel 11 Comité De Commissie wordt bijgestaan door het comité voor het stabiliteitsinstrument. Dit comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011. Artikel 12 Europese Dienst voor extern optreden Deze verordening wordt toegepast in overeenstemming met Besluit 2010/427/EU van de Raad tot vaststelling van de organisatie en werking van de Europese Dienst voor extern optreden. Artikel 13 Financieel referentiebedrag De financiële middelen voor de uitvoering van deze verordening gedurende de periode 2014-2020 bedragen 2 828 900 000 euro. De jaarlijkse kredieten worden toegestaan door de begrotingsautoriteit binnen de grenzen van het financiële kader. In de periode 2014-2020 worden ten minste 65 procentpunten van de financiële middelen toegewezen aan maatregelen die onder artikel 3 vallen. Artikel 14 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie. Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2014. Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat. Gedaan te Brussel, Voor het Europees Parlement Voor de Raad De voorzitter De voorzitter BIJLAGE I Gebieden van technische en financiële bijstandsverlening als bedoeld in artikel 3 De in artikel 3, lid 2, bedoelde technische en financiële bijstand bestrijkt de volgende terreinen: 60. steun, door middel van technische en logistieke bijstand, voor de inspanningen van internationale en regionale organisaties en statelijke en niet-statelijke actoren ter bevordering van vertrouwenscheppende maatregelen, bemiddeling, dialoog en verzoening; 61. steun voor vestiging en functioneren van interim-regeringen met een mandaat overeenkomstig internationaal recht; 62. steun voor de ontwikkeling van democratische en pluralistische staatsinstellingen, waaronder maatregelen om de rol van vrouwen in zulke instellingen te versterken, doelmatig burgerlijk bestuur en daarmee samenhangende juridische structuren op nationaal en lokaal niveau, een onafhankelijke rechterlijke macht, goed bestuur en openbare orde, met inbegrip van niet-militaire technische samenwerking ter versterking van het algehele burgerlijke gezag, toezicht op het veiligheidssysteem en maatregelen ter versterking van de capaciteit van de rechtshandhavings- en justitiële autoriteiten die betrokken zijn bij de bestrijding van terrorisme, georganiseerde misdaad en alle vormen van illegale handel; 63. steun voor internationale strafhoven en ad hoc nationale tribunalen, waarheids- en verzoeningscommissies en mechanismen voor de juridische afdoening van mensenrechtenklachten en voor de vaststelling en toekenning van eigendomsrechten, ingesteld volgens internationale normen op het gebied van de mensenrechten en de rechtsstaat; 64. steun voor de maatregelen die nodig zijn om een begin te maken met het herstel en de wederopbouw van belangrijke infrastructuur, huisvesting, openbare gebouwen en economische activa, alsmede fundamentele productiefaciliteiten, en andere maatregelen voor het weer op gang brengen van de economische activiteit, het scheppen van werkgelegenheid en de verwezenlijking van de minimumvoorwaarden die noodzakelijk zijn voor duurzame maatschappelijke ontwikkeling; 65. steun voor de civiele maatregelen in verband met de demobilisatie van voormalige strijders, hun re-integratie in de burgermaatschappij en, indien passend, hun repatriëring, alsmede maatregelen om het probleem van de kindsoldaten en de vrouwelijke strijders aan te pakken; 66. steun voor maatregelen om de maatschappelijke gevolgen van herstructurering van de strijdkrachten op te vangen; 67. steun voor maatregelen voor de aanpak, binnen het bestek van het samenwerkingsbeleid van de Unie en de doelstellingen daarvan, van de sociaaleconomische gevolgen voor de burgerbevolking van antipersoneelmijnen, niet-geëxplodeerde munitie of explosieve overblijfselen van de oorlog; tot de op grond van deze verordening gefinancierde maatregelen behoren voorlichting over risico's, slachtofferhulp, mijndetectie en -opruiming en, in samenhang daarmee, vernietiging van voorraden; 68. steun voor maatregelen voor het tegengaan, binnen het bestek van het samenwerkingsbeleid van de Unie en de doelstellingen daarvan, van het illegaal bezit en gebruik van vuurwapens, handvuurwapens en lichte wapens; deze steun is onder meer ook van toepassing op onderzoeksactiviteiten, slachtofferhulp, bewustmaking van het publiek en de ontwikkeling van juridische en bestuurlijke deskundigheid en goede praktijken. 69. steun voor maatregelen om ervoor te zorgen dat aan de specifieke behoeften van vrouwen en kinderen in crisis- en conflictsituaties, waaronder ook blootstelling aan op gender gebaseerd geweld, adequaat wordt voldaan; 70. steun voor de revalidatie en herintegratie van de slachtoffers van gewapende geschillen, waaronder ook maatregelen om in de specifieke behoeften van vrouwen en kinderen te voorzien; 71. steun voor maatregelen om de eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, democratische beginselen en de rechtsstaat en van de daarmee verbonden internationale instrumenten te bevorderen en te handhaven; 72. steun voor sociaaleconomische maatregelen ter bevordering van een eerlijke toegang tot en een transparant beheer van natuurlijke rijkdommen in een situatie van crisis of dreigende crisis; 73. steun voor sociaaleconomische maatregelen ter ondervanging van de gevolgen van plotselinge verplaatsingen van bevolkingsgroepen, waaronder ook maatregelen om in de behoeften van de gastgemeenschappen te voorzien in een situatie van crisis of dreigende crisis; 74. steun voor maatregelen om de ontwikkeling en de organisatie van het maatschappelijke middenveld en zijn participatie in het politieke proces te steunen, waaronder maatregelen ter versterking van de rol van vrouwen in dergelijke processen en ter bevordering van onafhankelijke pluralistische en professionele media; 75. steun voor maatregelen in respons op natuurrampen of door de mens veroorzaakt rampen, alsmede bedreigingen van de volksgezondheid bij ontbreken van of in aanvulling op door de Unie verleende humanitaire bijstand of bijstand voor civiele bescherming overeenkomstig artikel 2. BIJLAGE II Gebieden van technische en financiële bijstandsverlening als bedoeld in artikel 4 De in artikel 4 bedoelde technische en financiële bijstand kan worden verleend voor maatregelen die zijn gericht op de opbouw en de versterking van het vermogen van de EU en haar partners om conflicten te voorkomen, vrede te herstellen en te voorzien in behoeften in pre- en postcrisissituaties in nauwe samenwerking met internationale, regionale en subregionale organisaties en statelijke en niet-statelijke actoren met betrekking tot hun inspanningen op het gebied van: 76. bevordering van vroegtijdige waarschuwing en van in verband met vertrouwen gevoelige risicoanalyse in de beleidsvorming; 77. bevordering van vertrouwensopbouw, mediatie en verzoening, met bijzondere aandacht voor dreigende conflicten binnen gemeenschappen; 78. versterking van capaciteiten voor de deelname aan civiele stabilisatiemissies; 79. verbetering van het herstel na een conflict of een ramp. De in dit punt genoemde maatregelen omvatten de overdracht van knowhow, de uitwisseling van informatie en beste praktijken, de beoordeling van risico's/bedreigingen, onderzoek en analyse, systemen voor vroegtijdige waarschuwing, opleiding en dienstverlening. De maatregelen kunnen ook betrekking hebben op financiële en technische bijstand voor de uitvoering van maatregelen ter ondersteuning van vredesopbouw en opbouw van overheidsinstellingen. BIJLAGE III Gebieden van technische en financiële bijstandsverlening als bedoeld in artikel 5 De in artikel 5 bedoelde technische en financiële hulp bestrijkt de volgende terreinen: 80. Situaties die een bedreiging vormen voor de rechtsstaat en de openbare orde, de veiligheid en zekerheid van personen, kritische infrastructuur en de volksgezondheid. Er kan bijstand worden verleend voor maatregelen die zijn gericht op: 81. de versterking van de capaciteit van de rechtshandhavings-, justitiële en civiele autoriteiten die zich bezighouden met de bestrijding van terrorisme, georganiseerde misdaad en alle vormen van illegale handel, en met daadwerkelijke controle van illegale handel en doorvoer. Er wordt prioriteit verleend aan transregionale samenwerking waarbij twee of meer derde landen betrokken zijn die duidelijk de politieke wil hebben getoond om deze problemen aan te pakken. Op het gebied van terrorismebestrijding kan ook worden samengewerkt met individuele landen, regio's of internationale, regionale en subregionale organisaties. Maatregelen op dit gebied leggen specifiek de nadruk op goed bestuur en moeten in overeenstemming zijn met het internationale recht, met name wetgeving op het gebied van de mensenrechten en het internationale humanitaire recht. Op het gebied van bijstand aan autoriteiten die betrokken zijn bij de strijd tegen het terrorisme, wordt prioriteit verleend aan ondersteunende maatregelen voor de ontwikkeling en de versterking van de wetgeving tegen het terrorisme, voor de toepassing en de uitoefening van het financieel recht, het douanerecht en het immigratierecht, voor de ontwikkeling van procedures voor rechtshandhaving die in overeenstemming zijn met de hoogste internationale normen, voor de versterking van mechanismen voor democratische controle en institutioneel toezicht en voor het voorkomen van radicalisme. Op het gebied van bijstand inzake het drugsprobleem wordt de nodige aandacht besteed aan internationale samenwerking gericht op de bevordering van de beste praktijken op het gebied van terugdringing van de vraag, de productie en de schade; 82. het aanpakken van bedreigingen voor kritieke infrastructuur, waaronder internationaal vervoer, met inbegrip van personen- en goederenvervoer, energievoorziening en energiedistributie en elektronische informatie- en communicatienetwerken. De op dit gebied getroffen maatregelen leggen specifiek de nadruk op transregionale samenwerking en de toepassing van internationale normen inzake risicobewustzijn, kwetsbaarheidsanalyse, paraatheid voor noodsituaties, waarschuwing en beheer van gevolgen; 83. het waarborgen van een adequate respons op grote gevaren voor de volksgezondheid, waaronder plotselinge epidemieën, met eventuele grensoverschrijdende gevolgen. Hierbij wordt de nadruk specifiek gelegd op rampenplanning, het beheer van vaccin- en geneesmiddelenvoorraden, internationale samenwerking en systemen voor vroegtijdige waarschuwing en alarmsystemen; 84. het aanpakken van mondiale en transregionale gevolgen van de klimaatverandering die een potentieel destabiliserend effect hebben; 85. Vermindering van en paraatheid voor hetzij opzettelijk, hetzij door ongevallen of door de natuur veroorzaakte risico's in verband met chemische, biologische, radiologische en nucleaire materialen en stoffen, Er kan bijstand worden verleend voor maatregelen die zijn gericht op: 86. de bevordering van civiele onderzoeksactiviteiten als alternatief voor aan defensie gerelateerd onderzoek; steun en bewustmakingsacties (bijv. bewustmaking inzake de gevoeligheid van bepaalde informatie) voor wetenschappers en voor de herscholing en alternatieve tewerkstelling van wetenschappers en ingenieurs die voordien in aan wapens gerelateerde sectoren werkten; (bijv. demilitarisatie van wetenschappelijke programma's, scheiding van de militaire en civiele nucleaire splijtstofcyclus); 87. de verbetering van de veiligheid in civiele voorzieningen waar gevoelige chemische, biologische, radiologische en nucleaire materialen of stoffen worden opgeslagen of verhandeld in het kader van civiele onderzoeksprogramma's; 88. de oprichting, in het kader van het samenwerkingsbeleid van de Unie en de doelstellingen daarvan, van civiele voorzieningen en de verrichting van relevante civiele studies die nodig zijn voor de ontmanteling, sanering of omvorming van aan wapens gerelateerde voorzieningen en sites als besloten is dat deze niet langer deel uitmaken van een defensieprogramma; 89. de versterking van de capaciteit van de bevoegde civiele autoriteiten die zich bezighouden met de ontwikkeling en het handhaven van doeltreffende controles op de illegale handel in chemische, biologische, radiologische en nucleaire materialen of stoffen (met inbegrip van de uitrusting voor de productie of levering ervan), onder meer door de installatie van moderne apparatuur voor logistieke evaluatie en controle; 90. de ontwikkeling van het juridisch kader en de institutionele capaciteit voor de instelling en handhaving van doeltreffende uitvoercontroles op goederen voor tweeërlei gebruik, met inbegrip van maatregelen op het gebied van regionale samenwerking; 91. de ontwikkeling van doeltreffende civiele rampenparaatheid, rampenplannen, crisisrespons en capaciteit voor schoonmaakmaatregelen in geval van eventuele grote milieurampen op dit gebied; 92. Voor de onder b) en d) genoemde maatregelen wordt de nadruk specifiek gelegd op bijstand aan regio's of landen waar er nog voorraden van de onder b) en d) bedoelde materialen of stoffen zijn en er een risico voor verspreiding van deze materialen of stoffen bestaat. FINANCIEEL MEMORANDUM VOOR VOORSTELLEN 1. KADER VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF 1.1. Benaming van het voorstel/initiatief 1.2. Betrokken beleidsterrein(en) in de ABM/ABB structuur 1.3. Aard van het voorstel/initiatief 1.4. Doelstelling(en) 1.5. Motivering van het voorstel/initiatief 1.6. Duur en financiële gevolgen 1.7. Beheersvorm(en) 2. BEHEERSMAATREGELEN 2.1. Regels inzake het toezicht en de verslagen 2.2. Beheers- en controlesysteem 2.3. Maatregelen ter voorkoming van fraude en onregelmatigheden 3. GERAAMDE FINANCIËLE GEVOLGEN VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF 3.1. Rubriek(en) van het meerjarige financiële kader en betrokken begrotingsonderde(e)l(en) voor uitgaven 3.2. Geraamde gevolgen voor de uitgaven 3.2.1. Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de uitgaven 3.2.2. Geraamde gevolgen voor de beleidskredieten 3.2.3. Geraamde gevolgen voor de administratieve kredieten 3.2.4. Verenigbaarheid met het huidige meerjarige financiële kader 3.2.5. Bijdrage van derden aan de financiering 3.3. Geraamde gevolgen voor de ontvangsten FINANCIEEL MEMORANDUM VOOR VOORSTELLEN KADER VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF Benaming van het voorstel/initiatief Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een stabiliteitsinstrument Betrokken beleidsterrein(en) in de ABM/ABB-structuur [11] Titel 19: Externe betrekkingen Activiteit 19 06: Crisisrespons en mondiale bedreigingen voor de veiligheid De titel van begrotingshoofdstuk 19 06 correspondeert met de huidige structuur van de financiële instrumenten voor de periode 2007-2013. Er wordt voorgesteld om vast te houden aan dezelfde activiteit en begrotingstitel 19 06. Aard van het voorstel/initiatief ( Het voorstel/initiatief betreft een nieuwe actie ( Het voorstel/initiatief betreft een nieuwe actie na een proefproject/een voorbereidende actie [12] ( Het voorstel/initiatief betreft de verlenging van een bestaande actie ( Het voorstel/initiatief betreft een actie die wordt omgebogen naar een nieuwe actie Doelstellingen De met het voorstel/initiatief beoogde strategische meerjarendoelstelling(en) van de Commissie Dit financieringsinstrument is gericht op de verwezenlijking van de volgende strategische doelstelling, als omschreven in de mededeling van de Commissie "Een begroting voor Europa 2020 – deel II" van 29 juni 2011 (COM/2011/500 – Begroting voor Europa 2020 - deel II. Beleidsfiche "Extern beleid", blz. 43): "Betere crisispreventie en -oplossing. Versterkte EU-actie voor crisisbeheersing en -oplossing, het behoud van de vrede en de versterking van de internationale veiligheid, met inbegrip van de versterking van de EU-capaciteit voor crisisparaatheid." Bovendien speelt het in op de algemene beleidsindicatie met betrekking tot alle externe instrumenten in deel I van voornoemde mededeling van de Commissie, waarin wordt gesteld dat nieuwe instrumenten de EU in staat moeten stellen " snel en afdoende te reageren op natuurrampen en door de mens veroorzaakte rampen " (blz. 19). Specifieke doelstelling(en) en betrokken ABM/ABB-activiteiten Specifieke doelstelling nr. 1 In crisissituaties of bij dreigende crises die door de mens zijn veroorzaakt of het gevolg zijn van natuurrampen met een effectieve respons aan de stabiliteit bijdragen, om mede te zorgen voor het behouden, creëren of herstellen van de noodzakelijke voorwaarden voor een behoorlijke uitvoering van het ontwikkelings- en samenwerkingsbeleid van de Unie. Specifieke doelstelling nr. 2 Bijdragen tot de versterking van capaciteiten om ervoor te zorgen dat de EU en haar partners zijn voorbereid op het voorkomen van conflicten, het opbouwen van vrede en het aanpakken van pre- en postcrisissituaties in nauwe samenwerking met internationale, regionale en subregionale organisaties en statelijke en niet-statelijke actoren. Specifieke doelstelling nr. 3 Het aanpakken van mondiale en transregionale bedreigingen voor de veiligheid die een risico vormen voor de vrede en de stabiliteit. Betrokken ABM/ABB-activiteit(en) 19.06 : Crisisrespons en mondiale bedreigingen voor de veiligheid Verwacht(e) resulta(a)t(en) en gevolg(en) Vermeld de gevolgen die het voorstel/initiatief zou moeten hebben voor de begunstigden/doelgroepen. - Bijdragen tot een brede respons van de EU om onstabiele situaties, bijv. dreigende crises of natuurrampen, aan te pakken met behulp van gerichte en aanvullende maatregelen in het kader van crisisrespons door middel van het stabiliteitsinstrument. - Versterken van het vermogen van de EU om een effectieve bijdrage te leveren aan multilaterale en internationale inspanningen voor de mondiale preventie en oplossing van conflicten. - Ondersteunen van conflictpreventie en vredesopbouw teneinde het aantal gewapende conflicten wereldwijd terug te dringen en het aantal landen die terugvallen in een conflictsituatie te verminderen. - Het aanpakken van mondiale en transregionale bedreigingen door de inspanningen in het kader van andere EU-instrumenten en van andere internationale actoren aan te vullen middels capaciteitsopbouw met het oog op een betere integratie van de begunstigden in de internationale gemeenschap (met inbegrip van de ontwikkeling van netwerken, versterking van capaciteiten voor de vergaring en uitwisseling van gegevens, ondersteuning van regionale samenwerking en regionale fora). Resultaat- en effectindicatoren Vermeld de indicatoren aan de hand waarvan kan worden nagegaan in hoeverre het voorstel/initiatief is uitgevoerd. - In crisissituaties of bij dreigende crises, het percentage projecten dat binnen drie maanden na het ontstaan van een crisissituatie wordt goedgekeurd, teneinde de EU in staat te stellen een effectieve bijdrage te leveren tot het voorkomen en oplossen van conflicten en het stabiliseren van de situatie. - De mate waarin het vermogen van de ontvangers van de bijstand om conflicten te voorkomen, met pre- en postcrisissituaties om te gaan en de vrede te herstellen is versterkt. - De mate waarin de verleende bijstand is afgestemd op het relevante externe veiligheidsbeleid van de EU, met inbegrip van de externe dimensie van het interne veiligheidsbeleid. Behoefte(n) waarin op korte of lange termijn moet worden voorzien Onder punt 1 van de toelichting worden, in een context waarin de richtsnoeren voor het toekomstige beleid verder worden ontwikkeld, de beleidsvereisten omlijnd waaraan het instrument beoogt te voldoen. Gezien de specifieke aard en context van maatregelen op het gebied van crisisparaatheid en crisisrespons en van maatregelen voor het aanpakken van mondiale en transregionale veiligheidsdreigingen, gaat het om vereisten voor zowel de korte als de lange termijn. Toegevoegde waarde van de deelname van de EU Op mondiaal niveau wordt de EU als geloofwaardige en neutrale speler beschouwd, als eerlijke bemiddelaar die meer dan andere mogendheden in staat is in tal van conflictgebieden tussenbeide te komen om escalatie te vermijden of goede diensten te bewijzen op het vlak van conflictpreventie. Een groter effect kan worden bereikt wanneer de respons op EU-niveau plaatsvindt, aangezien gezamenlijke inspanningen de invloed op betrokken autoriteiten en internationale partners verhogen. Door crisisresponsacties op Europees niveau te coördineren kan voor een zo groot mogelijke samenhang van de respons en een optimale effectiviteit van de hulpverlening worden gezorgd. Op internationaal niveau zijn in toenemende mate synergie en samenwerking vereist, aangezien alle donoren zich met het probleem van schaarse middelen geconfronteerd zien. In dit verband zij erop gewezen dat slechts een zeer klein aantal lidstaten van de EU over faciliteiten voor crisisrespons of vredesopbouw beschikt die qua reikwijdte vergelijkbaar zijn met het stabiliteitsinstrument. Gezien de steeds complexer wordende uitdagingen kan geen enkele interne prioritaire beleidsdoelstelling van de EU geïsoleerd van de rest van de wereld worden verwezenlijkt – of het nu om veiligheid gaat, om groei en het scheppen van banen, klimaatverandering, de toegang tot energiebronnen, gezondheid en pandemieën of migratie. In tijden van economische crisis zorgt een beter gecoördineerde en geïntegreerde aanpak van de EU en de lidstaten middels gezamenlijke programmering voor meer toegevoegde waarde, grotere kracht en legitimiteit en meer impact en effectiviteit. Van het bestaande stabiliteitsinstrument voor de periode 2007-2013 ging een aantoonbaar katalysatoreffect uit bij de voorbereiding en verbetering van de uitvoering van langdurige externe hulpacties van de EU en van maatregelen die door de EU zijn vastgesteld ter verwezenlijking van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid in het kader van titel V van het VEU. Nuttige ervaring die bij soortgelijke activiteiten in het verleden is opgedaan Vier jaar na de invoering functioneert het stabiliteitsinstrument nu als een uitstekende aanvulling op de crisisresponsinstrumenten van de EU. Het heeft de EU tot op de dag van vandaag op effectieve wijze in staat gesteld om in het kader van haar beleid op het gebied van vrede, veiligheid en ontwikkeling een breed spectrum van cruciale initiatieven inzake conflictpreventie, crisisparaatheid en crisisrespons te financieren in gevallen waarin geen ander samenwerkingsinstrument van de EU of aanvullende maatregelen uit hoofde van andere instrumenten ter beschikking stonden. De toepassing van het instrument moet evenwel worden bespoedigd, terwijl de flexibiliteit ervan bij de programmering en tenuitvoerlegging over de hele linie moet worden verhoogd, om beter te kunnen inspelen op onder meer beleidsrichtsnoeren van de Raad en een duurzaam antwoord te kunnen geven op uitdagingen op het gebied van vrede en veiligheid. Bovendien is het in de bestaande verordening vastgestelde maximale bedrag voor maatregelen met betrekking tot bedreigingen voor de rechtsstaat en de openbare orde, de veiligheid en de zekerheid van individuen, kritische infrastructuur en de volksgezondheid te laag gebleken. De plafonds met betrekking tot mondiale bedreigingen voor de veiligheid (met inbegrip van maatregelen voor risicobestrijding en paraatheid in verband met chemische, biologische, radiologische en nucleaire materialen en stoffen) dienen, in overeenstemming met het voorstel dat de Commissie in het kader van de tussentijdse evaluatie in 2009 van de verordening heeft gedaan, te worden herzien teneinde voor de flexibiliteit te zorgen die nodig is om op adequate wijze te kunnen reageren op nieuwe dreigingen. Samenhang en eventuele synergie met andere relevante instrumenten In het Verdrag betreffende de Europese Unie (artikel 21) zijn gemeenschappelijke overkoepelende doelstellingen voor het externe optreden van de Unie vastgesteld, waaronder "handhaving van de vrede, voorkoming van conflicten en versterking van de internationale veiligheid". Het stabiliteitsinstrument dient ter ondersteuning van EU-maatregelen voor de versterking van de veiligheid, het behoud van vrede en het voorkomen van conflicten en is net als alle andere EU-instrumenten voor externe samenwerking gericht op het waarborgen van de waarden van de Unie, met name de mensenrechten en de democratie. Het zal bijdragen tot een aanvullende en samenhangende crisisrespons door de EU en kan in dit kader naast activiteiten in het kader van het GBVB, humanitaire hulpverlening en bijstand voor civiele bescherming, macrofinanciële steun en het instrument voor samenwerking op het gebied van nucleaire veiligheid worden ingezet. Voorts zal het bijdragen tot conflictpreventie, vredesopbouw en de opbouw van overheidsinstanties in coördinatie met algemene geografische EU-instrumenten (ENI, DCI, EOF, IPA) en thematische instrumenten, zoals het Europese instrument voor democratie en mensenrechten (EIDHR). In het geval van politieke crises of natuurrampen kan een beroep op het instrument worden gedaan om onder meer maatregelen te financieren die humanitaire bijstand en ontwikkelingshulp ("linking relief, rehabilitation and development" – LRRD) op subsidiaire wijze combineren, dat wil zeggen wanneer de geografische of thematische instrumenten niet op tijd kunnen worden gemobiliseerd of door aanvullende maatregelen moeten worden geflankeerd om een effectieve respons te kunnen bewerkstelligen. Tussen het externe optreden van de EU op het gebied van crisisrespons en crisispreventie en het aanpakken van mondiale veiligheidsdreigingen en het intern beleid inzake migratie, justitie, vrijheid en veiligheid bestaat een duidelijk verband. De conclusies van de Raad van 9 juni 2011 over een sterkere koppeling tussen de interne en de externe aspecten van terrorismebestrijding en de werkmethode voor nauwere samenwerking en coördinatie op het gebied van externe veiligheid van 6 juni 2011 zijn in dezen van bijzonder belang. Gezien het feit dat tal van transregionale bedreigingen en risico's ook tot de belangrijkste prioriteiten van de EU inzake externe veiligheid behoren, zou het instrument tevens een bijdrage leveren tot de tenuitvoerlegging van de Europese Veiligheidsstrategie (zoals herzien in 2008) en tot het aanpakken van de "externe dimensie" van de interneveiligheidsstrategie van de EU (2010). Natuurrampen, achteruitgang van het milieu en concurrentie om hulpbronnen verergeren conflicten, met name in situaties die gekenmerkt zijn door armoede en sterke bevolkingsgroei, met alle gevolgen voor de humanitaire en politieke situatie, de volksgezondheid en de veiligheid van dien, zoals sterkere migratie. Duur en financiële gevolgen ( Voorstel/initiatief met een beperkte geldigheidsduur - ( Voorstel/initiatief is van kracht vanaf 01/01/2014 tot en met 31/12/2020 - ( Financiële gevolgen vanaf 01/01/2014 tot en met 31/12/2020 - ( Voorstel/initiatief met een onbeperkte geldigheidsduur - Uitvoering met een opstartperiode vanaf JJJJ tot en met JJJJ, - gevolgd door een volledige uitvoering. Beheersvorm(en)[13] ( Direct gecentraliseerd beheer door de Commissie ( Indirect gecentraliseerd beheer door delegatie van uitvoeringstaken aan: - ( uitvoerende agentschappen - ( door de Unie opgerichte organen [14] - ( nationale publiekrechtelijke organen of organen met een openbaredienstverleningstaak - ( personen aan wie de uitvoering van specifieke acties in het kader van titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie is toevertrouwd en die worden genoemd in het betrokken basisbesluit in de zin van artikel 49 van het Financieel Reglement ( Gedeeld beheer met lidstaten ( Gedecentraliseerd beheer met derde landen ( Gezamenlijk beheer met internationale organisaties (geef aan welke) Verstrek, indien meer dan een beheersvorm is aangekruist, extra informatie onder "Opmerkingen". Opmerkingen Op grond van de aard van het instrument, dat zowel gericht is op de respons op crises en conflicten als op de versterking van crisisparaatheidsmaatregelen en het aanpakken van mondiale en transregionale veiligheidsdreigingen moet het gehele spectrum van beheersvormen worden toegepast. BEHEERSMAATREGELEN Regels inzake het toezicht en de verslagen Vermeld frequentie en voorwaarden. De toezicht- en evaluatiesystemen van de Europese Commissie zijn in toenemende mate resultaatgericht. Bij toezicht en evaluatie zijn niet alleen interne personeelsleden betrokken, maar wordt tevens een beroep gedaan op externe deskundigen. De taskmanagers in de delegaties en op het hoofdkwartier monitoren de tenuitvoerlegging van de projecten en programma's doorlopend op verschillende manieren, voor zover mogelijk ook door bezoeken ter plaatse. Door monitoring wordt waardevolle informatie verschaft over de voortgang; hierdoor kunnen managers bestaande en potentiële obstakels opsporen en corrigerende maatregelen nemen. Externe, onafhankelijke deskundigen worden gecontracteerd om de prestaties van de externe EU-maatregelen met behulp van drie systemen te beoordelen. Deze beoordelingen dragen bij tot de verantwoording en de verbetering van lopende activiteiten; bovendien maken zij het mogelijk lessen te trekken uit de opgedane ervaringen en de verworven inzichten toe te passen bij de ontwikkeling van toekomstige beleidsmaatregelen en acties. Alle evaluatie-instrumenten zijn gebaseerd op de internationaal erkende OESO/DAC-evaluatiecriteria, zoals (potentiële) impact. Ten eerste wordt op projectniveau middels het door het hoofdkwartier beheerde systeem voor resultaatgericht toezicht (Results-Oriented Monitoring – ROM) een beknopt en helder overzicht gepresenteerd van de kwaliteit van steekproefsgewijs gekozen activiteiten. Onafhankelijke ROM-deskundigen geven onder gebruikmaking van een zeer gestructureerde, gestandaardiseerde methode "cijfers" waaruit de sterke en zwakke punten van het project naar voren komen en zij doen aanbevelingen met het oog op de verbetering van de effectiviteit. Evaluaties op projectniveau, die worden uitgevoerd onder het beheer van de voor het project verantwoordelijke EU-delegatie, verschaffen een meer gedetailleerde, diepgaande analyse en helpen de projectmanagers de lopende activiteiten te verbeteren en toekomstige activiteiten voor te bereiden. Externe, onafhankelijke deskundigen die over thematische en geografische expertise beschikken, worden in de arm genomen om de analyse uit te voeren en bij alle belanghebbenden, niet in de laatste plaats de uiteindelijke begunstigden, feedback en gegevens te vergaren. De Commissie verricht ook strategische evaluaties van haar beleid, van de programmering en de strategie tot de uitvoering van activiteiten in een specifieke sector (zoals volkgezondheid, onderwijs, enz.) in een bepaald land of een bepaalde regio of van een specifiek instrument. Deze evaluaties vormen belangrijke input voor de formulering van het beleid en de opzet van instrumenten en projecten. Al deze evaluaties worden op de website van de Commissie gepubliceerd, en een samenvatting van de bevindingen wordt opgenomen in het jaarverslag aan de Raad en het Europees Parlement. Specifieke informatie over de hoogte van de klimaatgerelateerde uitgaven, berekend aan de hand van de op de Rio-indicatoren gebaseerde methode die in de mededeling betreffende het meerjarige financiële kader van juni 2011 is omschreven, wordt opgenomen op het niveau van de begrotingslijnen voor het stabiliteitsinstrument in de jaarlijkse ABB/ABM-activiteitenberichten, in alle programmeringsdocumenten alsmede in de evaluaties op alle niveaus en in de jaarverslagen. Beheers- en controlesysteem Mogelijke risico's Risicosituaties De operationele omgeving waarin steun wordt verleend in het kader van dit instrument, wordt gekenmerkt door de volgende risico's dat de doelstellingen van het instrument niet worden behaald, dat de financiële middelen suboptimaal worden beheerd en/of dat niet aan de toepasselijke voorschriften wordt voldaan (fouten inzake wettigheid en regelmatigheid): - economische/politieke instabiliteit en/of natuurrampen kunnen tot moeilijkheden en vertragingen leiden bij de ontwikkeling en uitvoering van activiteiten, met name in kwetsbare staten; - Een gebrek aan institutionele en administratieve capaciteiten in partnerlanden kan tot moeilijkheden en vertragingen leiden bij de ontwikkeling en uitvoering van activiteiten; - vanwege de geografische verspreiding van projecten en programma's (over vele landen/gebieden/regio's) kan het toezicht – met name de follow-up ter plekke van activiteiten – problemen van logistieke aard opleveren of zeer veel middelen vergen; - de verscheidenheid van potentiële partners/begunstigden met hun uiteenlopende interne controlesystemen en -capaciteiten kunnen tot versnippering leiden, zodat de effectiviteit en efficiëntie van de middelen die de Commissie voor de ondersteuning van en het toezicht op de tenuitvoerlegging kan inzetten, worden verminderd; - slechte kwaliteit van of een tekort aan gegevens over de resultaten en het effect van de externe hulpverlening/de tenuitvoerlegging van het nationale ontwikkelingsplan in partnerlanden kan afbreuk doen aan het vermogen van de Commissie om verslag te doen van de voortgang en voor de resultaten in te staan. Inschatting van het risico dat de toepasselijke regels niet worden nageleefd De doelstelling is om voor dit instrument een risico van niet-naleving (foutenpercentage) te realiseren dat niet hoger is dan het percentage dat in het verleden voor de FPI/DEVCO-portefeuille is bereikt, namelijk een resterend 'netto'-foutenpercentage (op meerjarige basis na uitvoering van alle controles en correcties voor alle gesloten contracten) van minder dan 2 %. In de regel komt dit neer op een foutenpercentage van naar schatting 2 tot 5 % voor een jaarlijks door de Europese Rekenkamer met het oog op de jaarlijkse betrouwbaarheidsverklaring (DAS) genomen steekproef van verrichtingen. FPI/DEVCO is van oordeel dat dit het laagste risico van niet-naleving is dat kan worden bereikt in het licht van de grote risico's van de operationele omgeving en rekening houdend met de administratieve lasten en de noodzakelijke kosteneffectiviteit van de nalevingscontroles. Controlemiddel(en) Interne controlestructuur van FPI/DEVCO Het interne controle-/beheersproces van FPI/DEVCO is erop gericht redelijke zekerheid te bieden wat betreft de verwezenlijking van de doelstellingen met betrekking tot de effectiviteit en efficiëntie van zijn activiteiten, de betrouwbaarheid van zijn financiële verslaglegging en de naleving van de toepasselijke wetgeving en procedures. Effectiviteit en efficiëntie Om de effectiviteit en efficiëntie van zijn activiteiten te waarborgen (en om het hoge risico waarmee de externe hulpverlening gepaard gaat te verminderen) blijft FPI/DEVCO voor al zijn instrumenten, naast alle onderdelen van het algemene strategische beleids- en planningsproces van de Commissie, interne audits en andere voorschriften in de context van de interne controlenormen van de Commissie, een specifiek op het betrokken instrument toegesneden beheerskader toepassen, dat onder meer het volgende inhoudt: - gedecentraliseerd beheer van het merendeel van de externe steun door EU-delegaties ter plekke; - duidelijke en geformaliseerde financiële verantwoordelijkheidsketen (vanaf de gedelegeerde ordonnateur) door middel van subdelegatie aan het hoofd van de delegaties (voor FPI); - een duidelijke en geformaliseerde financiële verantwoordelijkheidsketen (vanaf de gedelegeerde ordonnateur (de directeur-generaal)) door middel van subdelegatie door de subgedelegeerde ordonnateur (directeur) op het hoofdkwartier aan het hoofd van de delegatie (voor DEVCO); - regelmatige rapportage door de EU-delegaties aan het hoofdkwartier (beheersverslagen over externe steun voor DEVCO), waaronder een jaarlijkse betrouwbaarheidsverklaring door het hoofd van de delegatie; - verzorging van een substantieel scholingsprogramma voor personeel op het hoofdkwartier en bij de delegatie, - omvangrijke steun aan en begeleiding van de delegatie door het hoofdkwartier (ook via internet); - regelmatige controlebezoeken aan 'gedecentraliseerde' delegaties om de drie à zes jaar; - een methode voor het beheer van de programma- en projectcyclus die onder meer het volgende behelst: - waar nodig kwalitatief hoogwaardige ondersteuningsinstrumenten voor het ontwerp van de activiteiten, de methode van uitvoering, financiële mechanismen, het beheersysteem, beoordeling en selectie van eventuele partners bij de uitvoering, etc.; - programma- en projectbeheer, toezicht- en rapportage-instrumenten voor een effectieve uitvoering, met inbegrip van regelmatige externe projectcontroles ter plekke; - doeltreffende evaluatie- en auditcomponenten. Financiële verslaglegging en boekhouding FPI/DEVCO zal de hoogste normen inzake boekhouding en financiële verslaglegging blijven toepassen, waarbij gebruik zal worden gemaakt van het boekhoudsysteem op transactiebasis van de Commissie (ABAC) en van specifieke instrumenten voor externe hulpverlening, zoals het Common Relex Information System (CRIS). De controlemethoden met betrekking tot de naleving van de toepasselijke wetgeving en procedures worden omschreven onder punt 2.2 (maatregelen ter voorkoming van fraude en onregelmatigheden). Maatregelen ter voorkoming van fraude en onregelmatigheden Vermeld de bestaande en geplande preventie- en beschermingsmaatregelen. Gezien de hoge risico's in de omgeving waarin FPI/EuropeAid actief is, moeten de controlesystemen die worden toegepast, anticiperen op een significante hoeveelheid potentiële nalevingsfouten (onregelmatigheden) bij de transacties waarbij zo vroeg mogelijk in het betalingsproces zeer strikte preventie-, detectie- en correctiemechanismen gehanteerd worden. In de praktijk komt dit erop neer dat de nalevingscontroles van FPI/EuropeAid met name op een aanzienlijke mate van ex-antecontroles op een meerjarenbasis gebaseerd zullen zijn, uitgevoerd door zowel externe auditors als medewerkers van de Commissie ter plaatse voorafgaand aan de eindbetalingen (terwijl er daarbij nog sprake zal zijn van een aantal ex-postaudits en -controles). De betreffende controles zijn veel strenger dan de financiële waarborgen die op grond van het Financieel Reglement vereist zijn. Het nalevingskader van FPI/EuropeAid bestaat onder andere uit de volgende, substantiële componenten: Preventieve maatregelen - verplichte basisopleidingen met betrekking tot fraudekwesties voor met beheer van steun belast personeel en financiële controleurs; - begeleiding (ook via internet), mede door middel van de Practical Guide to Contracts, de EuropeAid Companion en de Financial Management Toolkit (voor uitvoerende partners); - ex-ante-beoordeling om te verzekeren dat door de autoriteiten die betreffende middelen beheren in het kader van gezamenlijk en gedecentraliseerd beheer, passende fraudebestrijdingsmaatregelen worden getroffen om fraude bij het beheer van EU-middelen te voorkomen en op te sporen; - ex-ante-inventarisatie van de in het partnerland toegepaste fraudebestrijdingsmaatregelen als onderdeel van de toetsing aan het subsidiabiliteitscriterium inzake het beheer van overheidsmiddelen voor het ontvangen van begrotingssteun (d.w.z. actieve bestrijding van fraude en corruptie, adequate toezichtinstanties, voldoende justitiële capaciteit en doeltreffende respons- en sanctiemechanismen); - De Commissie heeft in 2008 in Accra het Internationaal initiatief inzake transparantie van ontwikkelingshulp (IATI) ondertekend, waarin normen voor de transparantie van hulpverlening zijn overeengekomen die ervoor zorgen dat tijdiger en met grotere regelmaat gedetailleerdere gegevens worden verstrekt inzake hulpstromen en desbetreffende documenten; - Sinds 14 oktober 2011 geeft de Commissie uitvoering aan de eerste fase van de IATI-norm voor de transparantie van de publicatie van gegevens over hulpverlening, die van kracht is tot het volgende forum op hoog niveau over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp, dat in november 2011 in Busan plaatsvindt. Daarnaast zal de Commissie samen met de lidstaten een gemeenschappelijke IT-applicatie op internet ('TR-AID') ontwikkelen waarmee de gegevens over de steun die via het IATI en andere bronnen worden verstrekt, in gebruiksvriendelijke informatie over ontwikkelingshulp worden omgezet. Opsporings- en correctiemaatregelen - Externe audits en controles (zowel verplichte als risicogebaseerde), onder meer door de Europese Rekenkamer; - (risicogebaseerde) controles achteraf en terugvordering; - opschorting van de EU-financiering in het geval van ernstige fraude, waartoe ook wordt gerekend grootschalige corruptie, totdat de autoriteiten de nodige maatregelen hebben getroffen om dergelijke fraude te corrigeren en in de toekomst te voorkomen; FPI/EuropeAid zal de fraudebestrijdingsstrategie verder ontwikkelen in overeenstemming met de nieuwe, op 24 juni 2011 vastgestelde fraudebestrijdingsstrategie van de Commissie (CAFS), teneinde er onder meer voor te zorgen dat: - de door FPI/EuropeAid met het oog op fraudebestrijding uitgevoerde interne controles volledig in overeenstemming zijn met de CAFS; - de aanpak van FPI/EuropeAid met het oog op het beheer van het frauderisico geschikt is om risicogebieden met betrekking tot fraude op te sporen en deze risico's op passende wijze aan te pakken; - de systemen voor de besteding van EU-middelen in derde landen maken het mogelijk om relevante gegevens op te roepen om deze te gebruiken voor het beheer van frauderisico's (bijv. het opsporen van dubbele financiering); - Indien nodig kunnen op netwerken gebaseerde groepen worden opgericht en passende IT-instrumenten worden ontwikkeld die specifiek zijn gericht op de analyse van fraudegevallen in de context van de externe hulpverlening. Kostenraming en voordelen van de controles De kosten van het intern toezicht en beheer voor het stabiliteitsinstrument dienen vergelijkbaar te zijn met de kosten die volgens de berekeningen van EuropeAid zijn verbonden aan het beheer van zijn instrumenten voor externe maatregelen (d.w.z. 6 % van de financiële enveloppe): Voor de EuropeAid-portefeuille als geheel bedragen de totale kosten van het intern toezicht en beheer jaarlijks gemiddeld 658 miljoen euro aan vastleggingen in de begrotingsplanning 2014-2020. Onder dit bedrag valt ook het beheer van het EOF, waarvan de werking geïntegreerd is met de beheerstructuur van EuropeAid. Deze 'niet-operationele' kosten maken rond 6,4 % uit van het geraamde jaarlijkse gemiddelde van 10,2 miljard EUR aan totale vastleggingen (operationele en administratieve) dat door EuropeAid is ingepland in de uit de algemene begroting van de EU en het Europees Ontwikkelingsfonds gefinancierde portefeuille van EuropeAid voor de periode 2014-2020. Bij de raming van deze beheerkosten is rekening gehouden met het voltallige personeel van EuropeAid op het hoofdkantoor en bij de delegaties, de infrastructuur, reizen, scholing, monitoring, evaluatie en auditcontracten (met inbegrip van audits in opdracht van de begunstigden). EuropeAid is voornemens de verhouding beheerkosten/operationele kosten mettertijd in het kader van de verbeterde en vereenvoudigde regelingen van de nieuwe instrumenten te verminderen, daarbij profiterend van mogelijkheden die zich naar verwachting met het herziene Financieel Reglement zullen voordoen. De belangrijkste voordelen die deze beheerkosten opleveren zijn de verwezenlijking van beleidsdoelstellingen, een efficiënt en effectief gebruik van middelen en de uitvoering van solide kosteneffectieve preventiemaatregelen en andere controles om een wettig en regelmatig gebruik van de middelen te waarborgen. Hoewel verdere inspanningen worden ondernomen ter verbetering van de aard en de doelgerichtheid van de beheeractiviteiten en nalevingscontroles ten opzichte van de portefeuille, zijn deze kosten over het algemeen onvermijdelijk wil men de doelstellingen van de instrumenten met een minimaal risico van niet-naleving (een restrisico van minder dan 2 %) effectief en efficiënt verwezenlijken. Dit risico is duidelijk lager dan het zou zijn indien de interne controles op dit door grote risico's gekenmerkte gebied zouden worden gestaakt of beperkt. GERAAMDE FINANCIËLE GEVOLGEN VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF RUBRIEK(EN) VAN HET MEERJARIGE FINANCIËLE KADER EN BETROKKEN BEGROTINGSONDERDE(E)L(EN) VOOR UITGAVEN - Bestaande begrotingsonderdelen voor uitgaven In volgorde van de rubrieken van het meerjarige financiële kader en de begrotingsonderdelen. Rubriek van het meerjarige financiële kader | Begrotingsonderdeel | Soort krediet | Bijdrage | Nummer [Omschrijving .…………………...……….] | GK/ NGK ([15]) | van EVA-landen [16] | van kandidaat-lidstaten [17] | van derde landen | In de zin van artikel 18, lid 1, onder a bis), van het Financieel Reglement | IV | 19 06 : Crisisrespons en mondiale bedreigingen voor de veiligheid 19 06 01 Paraatheid voor rampen en crisissituaties 19 06 01 01 Paraatheid voor rampen en crisissituaties 19 06 01 02 Voltooiing van eerdere samenwerking 19 06 02 Maatregelen om landen en hun bevolking te beschermen tegen kritieke technologische bedreigingen 19 06 02 01 Acties op het gebied van risicovermindering en paraatheid met betrekking tot chemische, nucleaire en biologische materialen of agentia 19 06 02 02 Voorbereidende werkzaamheden — Verminderen van het aantal nucleaire, biologische en chemische wapens en het aantal kleine wapens 19 06 02 03 Beleid van de Unie ter bestrijding van de verspreiding van lichte wapens 19 06 03 Transregionale maatregelen op het gebied van de georganiseerde misdaad, mensenhandel, de bescherming van kritieke infrastructuur, bedreigingen voor de volksgezondheid en de strijd tegen het terrorisme 19 06 09 Proefproject — Programma voor vredesopbouwactiviteiten onder leiding van ngo's | GK | NEE | NEE | NEE | NEE | - Te creëren nieuwe begrotingsonderdelen In volgorde van de rubrieken van het meerjarige financiële kader en de begrotingsonderdelen . Rubriek van het meerjarige financiële kader | Begrotingsonderdeel | Soort krediet | Bijdrage | Nummer [Omschrijving ……………………………..] | GK/NGK | van EVA-landen | van kandidaat-lidstaten | van derde landen | in de zin van artikel 18, lid 1, onder a bis), van het Financieel Reglement | IV | 19 06: Crisisrespons en mondiale bedreigingen voor de veiligheid 19 06 01 Crisisrespons en respons op dreigende crises 19 06 02 Conflictpreventie, crisisparaatheid en vredesopbouw 19 06 03 Mondiale en transregionale bedreigingen voor de veiligheid | GK | NEE | NEE | NEE | NEE | Geraamde gevolgen voor de uitgaven Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de uitgaven in miljoenen euro's (tot op 3 decimalen) Rubriek van het meerjarige financiële kader | Nummer | Rubriek IV – Europa in de wereld | in miljoenen euro's (tot op 3 decimalen) Geraamde personeelsbehoeften - ( Voor het voorstel/initiatief zijn geen personele middelen nodig - ( Voor het voorstel/initiatief zijn personele middelen nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven: Raming in een geheel getal (of met hoogstens 1 decimaal) Jaar N | Jaar N+1 | Jaar N+2 | Jaar N+3 | … invullen: zoveel jaren als nodig om de duur van de gevolgen weer te geven (zie punt 1.6) | ( Posten opgenomen in de lijst van het aantal ambten (ambtenaren en tijdelijke functionarissen) | Extern personeel | Verenigbaarheid met het huidige meerjarige financiële kader 2014-2020 - ( Het voorstel/initiatief is verenigbaar met het huidige meerjarige financiële kader 2014-2020. - ( Het voorstel/initiatief vergt herprogrammering van de betrokken rubriek van het meerjarige financiële kader. Zet uiteen welke herprogrammering nodig is, onder vermelding van de betrokken begrotingsonderdelen en de desbetreffende bedragen. - ( Het voorstel/initiatief vergt toepassing van het flexibiliteitsinstrument of herziening van het meerjarige financiële kader [27]. Zet uiteen wat nodig is, onder vermelding van de betrokken rubrieken en begrotingsonderdelen en de desbetreffende bedragen. Bijdrage van derden aan de financiering - Het voorstel/initiatief voorziet niet in medefinanciering door derden - Het voorstel/initiatief voorziet in medefinanciering, zoals hieronder wordt geraamd: Kredieten in miljoenen euro's (tot op 3 decimalen) Jaar N | Jaar N+1 | Jaar N+2 | Jaar N+3 | … invullen: zoveel jaren als nodig om de duur van de gevolgen weer te geven (zie punt 1.6) | Totaal | Jaar N | Jaar N+1 | Jaar N+2 | Jaar N+3 | … invullen: zoveel kolommen als nodig om de duur van de gevolgen weer te geven (zie punt 1.6) | Artikel …………. | | | | | | | | | |Voor de diverse ontvangsten die worden "toegewezen", vermeld het (de) betrokken begrotingsonderde(e)l(en) voor uitgaven. Vermeld de wijze van berekening van de gevolgen voor de ontvangsten. [1] SEC(2011) 215 definitief. [2] Het EOF, het Wereldklimaat- en -biodiversiteitsfonds en de reserve voor noodhulp komen hier nog bij en staan los van de EU-begroting. [3] COM(2011) 500 van 29 juni 2011. [4] PB L 327 van 24.11.2006, blz. 1–11. [5] Conclusies van het voorzitterschap, Europese Raad van Göteborg van 15-16 juni 2001. [6] Document van de Raad nr. 15097/07 van 20.11.2007. [7] "De EU-interneveiligheidsstrategie in actie: vijf stappen voor een veiliger Europa", COM (2010) 673 definitief van 22.11.2010. [8] PB L 55 van 28.2.2011, blz.13. [9] [10] [11] ABM: Activity Based Management – ABB: Activity Based Budgeting. [12] In de zin van artikel 49, lid 6, onder a) of b), van het Financieel Reglement. [13] Nadere gegevens over de beheersvormen en verwijzingen naar het Financieel Reglement zijn beschikbaar op BudgWeb: http://www.cc.cec/budg/man/budgmanag/budgmanag_en.html. [14] In de zin van artikel 185 van het Financieel Reglement. [15] GK = gesplitste kredieten/NGK = niet-gesplitste kredieten. [16] EVA: Europese Vrijhandelsassociatie. [17] Kandidaat-lidstaten en, in voorkomend geval, potentiële kandidaat-lidstaten van de Westelijke Balkan. [18] Het jaar N is het jaar waarin met de uitvoering van het voorstel/initiatief wordt begonnen. [19] Technische en/of administratieve bijstand en uitgaven ter ondersteuning van de uitvoering van programma's en/of acties van de EU (vroegere "BA"-onderdelen), onderzoek door derden, eigen onderzoek. [20] Het jaar N is het jaar waarin met de uitvoering van het voorstel/initiatief wordt begonnen. [21] Outputs zijn de te verstrekken producten en diensten (bv. aantal gefinancierde studentenuitwisselingen, aantal km aangelegde wegen, enz.). [22] Zoals beschreven in punt 1.4.2. "Specifieke doelstelling(en)…". [23] Het jaar N is het jaar waarin met de uitvoering van het voorstel/initiatief wordt begonnen. [24] Technische en/of administratieve bijstand en uitgaven ter ondersteuning van de uitvoering van programma's en/of acties van de EU (vroegere "BA"-onderdelen), onderzoek door derden, eigen onderzoek. [25] AC= Agent Contractuel (arbeidscontractant); AL= Agent Local (plaatselijk functionaris); END= Expert National Détaché (gedetacheerd nationaal deskundige); INT= Intérimaire (uitzendkracht); JED= Jeune Expert en Délégation (jonge deskundige in delegaties). [26] Onder het maximum voor extern personeel uit beleidskredieten (vroegere "BA"-onderdelen). [27] Zie de punten 19 en 24 van het Interinstitutioneel Akkoord. [28] Voor traditionele eigen middelen (douanerechten en suikerheffingen) moeten nettobedragen worden vermeld, d.w.z. na aftrek van 25 % aan inningskosten.