Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD betreffende de toetreding van de Unie tot het protocol inzake de bescherming van de Middellandse Zee tegen verontreiniging door exploratie en exploitatie van het continentaal plat en de zeebodem en de ondergrond daarvan /* COM/2011/0690 definitief - 2011/0304 (NLE) */
TOELICHTING 1. Het Verdrag inzake de bescherming van het
mariene milieu en de kustgebieden van de Middellandse Zee, ook bekend als
"het Verdrag van Barcelona", is op 16 februari 1976 te Barcelona
ondertekend en op 10 juni 1995 gewijzigd. Het verdrag is op 9 juli 2004 in
werking getreden. De Europese Unie is een partij bij het verdrag, evenals
Italië, Griekenland, Spanje, Frankrijk, Slovenië, Malta en Cyprus, samen met 14
andere landen in het Middellandse Zeegebied die geen lidstaat van de Europese
Unie zijn. Artikel 7 van het gewijzigde verdrag verplicht de partijen specifiek
tot het nemen van passende maatregelen om verontreiniging van het Middellandse
Zeegebied door exploratie en exploitatie van het continentaal plat, de zeebodem
en de ondergrond daarvan te voorkomen, te verminderen, te bestrijden en zo veel
mogelijk uit te bannen. 2. Een van de protocollen bij het Verdrag van
Barcelona heeft betrekking op de bescherming van de Middellandse Zee tegen
verontreiniging door exploratie en exploitatie van het continentaal plat, de
zeebodem en de ondergrond daarvan (het zogenoemde
"offshoreprotocol"). Het werd op 14 oktober 1994 goedgekeurd door de
conferentie van de partijen in Madrid, daarbij rekening houdend met de
bepalingen van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee
(december 1982). 3. De Europese Unie heeft het offshoreprotocol
niet ondertekend of geratificeerd. De Commissie heeft aan de Raad de
ondertekening van het protocol voorgesteld (COM(94) 397 definitief) vóór de
goedkeuring ervan door de conferentie van de partijen in oktober 1994. Het werd
toen passender geacht voort te werken aan een communautaire regeling voor
milieuaansprakelijkheid in plaats van een internationale overeenkomst af te
wachten. Er was al een Groenboek inzake herstel van milieuschade gepubliceerd
(in 1993, gevolgd door een Witboek betreffende milieuaansprakelijkheid in 2000).
De richtlijn betreffende milieuaansprakelijkheid (ELD) werd uiteindelijk
goedgekeurd in 2004. 4. Het offshoreprotocol is op 24 maart 2011 in
werking getreden. Tot dusver hebben Albanië, Tunesië, Marokko, Libië, Cyprus en
Syrië het protocol ondertekend. Bepaalde lidstaten van de Europese Unie die
partij bij het Verdrag van Barcelona zijn, hebben de afgelopen maanden
bekendgemaakt dat zij voornemens zijn het protocol eveneens te ratificeren. 5. Het offshoreprotocol heeft betrekking op
een grote verscheidenheid aan exploratie- en exploitatieactiviteiten,
vergunningsvereisten, opruiming van verlaten en niet meer gebruikte
installaties, gebruik en verwijdering van schadelijke stoffen,
aansprakelijkheids- en compensatievereisten, coördinatie met andere partijen
bij het Verdrag van Barcelona op regionaal niveau, alsook bepalingen inzake
veiligheid, noodplanning en monitoring. 6. De bepalingen van het offshoreprotocol
zullen moeten worden uitgevoerd door verschillende bestuursniveaus en
economische actoren. De lidstaten en hun bevoegde autoriteiten zijn
verantwoordelijk voor het ontwerp en de uitvoering van bepaalde in het
offshoreprotocol vastgestelde gedetailleerde maatregelen, zoals het opzetten
van een nationaal monitoringsysteem en het vaststellen en handhaven van
passende voorschriften en procedures voor het bepalen van aansprakelijkheid en
compensatie voor schade. 7. Er zijn naar schatting meer dan 200 actieve
offshoreplatformen in de Middellandse Zee en er worden nog meer installaties
gepland. Verwacht wordt dat activiteiten met betrekking tot de exploratie en
exploitatie van koolwaterstoffen zullen toenemen door de ontdekking van grote voorraden
fossiele brandstoffen in de Middellandse Zee. Door het half ingesloten karakter
en de bijzondere hydrodynamica van de Middellandse Zee zou een ongeval zoals
dat in de Golf van Mexico in 2010 onmiddellijke schadelijke
grensoverschrijdende gevolgen voor de economie en de kwetsbare mariene en
kustecoystemen van het Middellandse Zeegebied kunnen hebben. Op de middellange
termijn zullen andere minerale hulpbronnen in de diepzee, de zeebodem en de
ondergrond waarschijnlijk het voorwerp van exploratie- en
exploitatieactiviteiten vormen. 8. Indien de risico's die voortvloeien uit
zulke activiteiten niet doeltreffend worden aangepakt, kan dat de inspanningen
van Italië, Griekenland, Spanje, Frankrijk, Slovenië, Malta en Cyprus om een
goede milieutoestand te bereiken en te behouden, zoals Richtlijn 2008/56/EG
voorschrijft, alsook de naleving van de verbintenissen en verplichtingen die
Italië, Griekenland, Spanje, Frankrijk, Slovenië, Malta, Cyprus en de Europese
Unie zelf als partijen bij het Verdrag van Barcelona zijn aangegaan, ernstig in
het gedrang brengen. 9. In de recente mededeling van de Commissie
inzake offshoreveiligheid (COM(2010) 560 definitief, 12.10.2010) worden de
gebieden genoemd waarop actie vereist is om de geloofwaardigheid van de
Europese Unie op het gebied van veiligheid en milieu te handhaven en worden
concrete acties voorgesteld; een van de aangewezen gebieden is internationale
samenwerking om de veiligheid van offshoreactiviteiten en de reactiecapaciteit
bij ongevallen wereldwijd te versterken en een van de daarmee verbonden acties
is de verkenning van het potentieel van regionale overeenkomsten; met name
wordt in de mededeling aanbevolen in nauwe samenwerking met de betrokken
lidstaten een nieuwe impuls te geven aan het proces van bekrachtiging van het
offshoreprotocol. 10. De Raad heeft in zijn conclusies over de
veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten verklaard dat de Europese Unie
en haar lidstaten in het kader van internationale initiatieven en fora en
regionale samenwerking zoals in het Middellandse Zeegebied een prominente rol
moeten blijven spelen in het streven naar de strengste veiligheidsnormen en
roept de Commissie en de lidstaten op om bestaande internationale
overeenkomsten maximaal te benutten. 11. Het Europees Parlement heeft in zijn
resolutie van 13 september 2011 benadrukt hoe belangrijk het is dat het
niet-geratificeerde offshoreprotocol voor de Middellandse Zee uit 1994, dat
gericht is op de bescherming tegen verontreiniging door exploratie en
exploitatie, volledig in werking treedt. 12. Een van de doelstellingen van het
milieubeleid van de Europese Unie is het bevorderen van maatregelen op
internationaal niveau om regionale milieuproblemen aan te pakken. Met
betrekking tot het offshoreprotocol is het van bijzonder belang zich rekenschap
te geven van de grote kans op grensoverschrijdende milieueffecten in het geval
van ongevallen in een half ingesloten zee als de Middellandse Zee. Het is
daarom passend dat de Europese Unie alle nodige maatregelen neemt ter ondersteuning
van de veiligheid van offshore exploratie- en exploitatieactiviteiten en ter
bescherming van het mariene milieu in de Middellandse Zee. 13. De grote potentiële risico's van
offshoregerelateerde activiteiten, met name onder complexe omstandigheden, waaronder
diepzeeboringen, moeten dringend worden aangepakt en er moeten passende
mechanismen voor preventie en reactie op nationaal en regionaal niveau worden
ingesteld die betrekking hebben op operationele, illegale en accidentele
verontreiniging. Daarom stelt de Commissie in samenhang met de onderhavige
verordening tevens een verordening inzake de veiligheid van
offshoreactiviteiten met betrekking tot de prospectie, exploratie en productie
van olie en gas voor. 14. Het offshoreprotcol heeft betrekking op
een gebied dat in grote mate onder het recht van de Unie valt. Dit omvat
elementen als de bescherming van het mariene milieu, milieueffectbeoordeling en
milieuaansprakelijkheid. Onder voorbehoud van de eindbeslissing van de
wetgevers dienaangaande is het offshoreprotocol voorts in overeenstemming met
de doelstellingen van de voorgestelde verordening inzake de veiligheid van
offshoreactiviteiten met betrekking tot de prospectie, exploratie en productie
van olie en gas, onder meer met betrekking tot de vergunning, de
milieueffectbeoordeling en het technische en financiële vermogen van de
exploitanten. 15. Het is daarom passend dat de Unie het
protocol inzake de bescherming van de Middellandse Zee tegen verontreiniging
door exploratie en exploitatie van het continentaal plat en de zeebodem en de
ondergrond daarvan sluit. 2011/0304 (NLE) Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD betreffende de toetreding van de Unie tot het
protocol inzake de bescherming van de Middellandse Zee tegen verontreiniging
door exploratie en exploitatie van het continentaal plat en de zeebodem en de
ondergrond daarvan DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gezien het Verdrag betreffende de werking van
de Europese Unie, en met name artikel 192, lid 1, in samenhang met artikel
218, lid 6, onder a), Gezien het voorstel van de Europese Commissie, Gezien de goedkeuring door het Europees
Parlement, Overwegende hetgeen volgt: (1)
Het Verdrag inzake de bescherming van de
Middellandse Zee tegen verontreiniging, waarvan de benaming later is gewijzigd
in het Verdrag inzake de bescherming van het mariene milieu en de kustgebieden
van de Middellandse Zee (hierna "het Verdrag van Barcelona" genoemd)
is namens de Europese Gemeenschap gesloten bij Besluit 77/585/EEG van de Raad
en Besluit 1999/802/EG van de Raad. (2)
Overeenkomstig artikel 7 van het Verdrag van
Barcelona moeten de verdragsluitende partijen alle passende maatregelen nemen
om verontreiniging van het Middellandse Zeegebied door exploratie en
exploitatie van het continentaal plat, de zeebodem en de ondergrond daarvan te
voorkomen, te verminderen, te bestrijden en zo veel mogelijk uit te bannen. (3)
Een van de protocollen bij het Verdrag van
Barcelona heeft betrekking op de bescherming van de Middellandse Zee tegen
verontreiniging door exploratie en exploitatie van het continentaal plat, de
zeebodem en de ondergrond daarvan (gewoonlijk het "offshoreprotocol"
genoemd). Het is op 24 maart 2011 in werking getreden. Tot dusver hebben
Albanië, Tunesië, Marokko, Libië, Cyprus en Syrië het ondertekend. Bepaalde
lidstaten van de Europese Unie die partij zijn bij het Verdrag van Barcelona
hebben de afgelopen maanden bekendgemaakt dat zij voornemens zijn het protocol
eveneens te ratificeren. (4)
Er zijn naar schatting meer dan 200 actieve
offshoreplatformen in de Middellandse Zee en er worden nog meer installaties
gepland. Verwacht wordt dat activiteiten met betrekking tot de exploratie en
exploitatie van koolwaterstoffen zullen toenemen door de ontdekking van grote
voorraden fossiele brandstoffen in de Middellandse Zee. Door het half
ingesloten karakter en de bijzondere hydrodynamica van de Middellandse Zee zou
een ongeval zoals dat in de Golf van Mexico in 2010 onmiddellijke schadelijke
grensoverschrijdende gevolgen voor de economie en de kwetsbare mariene en
kustecoystemen van het Middellandse Zeegebied kunnen hebben. Op de middellange
termijn zullen andere minerale hulpbronnen in de diepzee, de zeebodem en de
ondergrond waarschijnlijk het voorwerp van exploratie- en
exploitatieactiviteiten vormen. (5)
Indien de risico's die voortvloeien uit zulke
activiteiten niet doeltreffend worden aangepakt, kan dat de inspanningen van
Italië, Griekenland, Spanje, Frankrijk, Slovenië, Malta en Cyprus om een goede
milieutoestand te bereiken en te behouden, zoals Richtlijn 2008/56/EG
voorschrijft, en de naleving van de verbintenissen en verplichtingen die
Italië, Griekenland, Spanje, Frankrijk, Slovenië, Malta, Cyprus en de Europese
Unie zelf als partijen bij het Verdrag van Barcelona zijn aangegaan, ernstig in
het gedrang brengen. (6)
Het offshoreprotocol bevat bepalingen van diverse
aard die op verschillende bestuursniveaus moeten worden uitgevoerd. Onder meer
omdat het zeer waarschijnlijk is dat milieuproblemen die verband houden met
offshore exploratie- en exploitatieactiviteiten een grensoverschrijdend
karakter hebben, is het passend dat de Europese Unie ondersteuning biedt voor
de veiligheid van zulke activiteiten, maar het zijn de lidstaten en hun
bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor bepaalde in het
offshoreprotocol vastgestelde gedetailleerde maatregelen. (7)
In de mededeling van de Commissie inzake
offshoreveiligheid[1] wordt gewezen op de
behoefte aan internationale samenwerking om de veiligheid van
offshoreactiviteiten en de reactiecapaciteit bij ongevallen te versterken; een
van de daarmee verbonden acties is de verkenning van het potentieel van
regionale overeenkomsten. In de mededeling wordt aanbevolen in nauwe
samenwerking met de betrokken lidstaten een nieuwe impuls te geven aan het
proces van bekrachtiging van het offshoreprotocol. (8)
De Raad heeft in zijn conclusies over de veiligheid
van offshore olie- en gasactiviteiten verklaard dat de Europese Unie en haar
lidstaten in het kader van internationale initiatieven en fora en regionale
samenwerking zoals in het Middellandse Zeegebied een prominente rol moeten
blijven spelen in het streven naar de strengste veiligheidsnormen en roept de
Commissie en de lidstaten op om bestaande internationale overeenkomsten
maximaal te benutten. (9)
Het Europees Parlement heeft in zijn resolutie van 13
september 2011 benadrukt hoe belangrijk het is dat het niet-geratificeerde
offshoreprotocol voor de Middellandse Zee uit 1994, dat gericht is op de
bescherming tegen verontreiniging door exploratie en exploitatie, volledig in
werking treedt. (10)
Een van de doelstellingen van het milieubeleid van
de Europese Unie is het bevorderen van maatregelen op internationaal niveau om
regionale milieuproblemen aan te pakken. Met betrekking tot het
offshoreprotocol is het van bijzonder belang zich rekenschap te geven van de grote
kans op grensoverschrijdende milieueffecten in het geval van ongevallen in een
half ingesloten zee als de Middellandse Zee. Het is daarom passend dat de
Europese Unie alle nodige maatregelen neemt ter ondersteuning van de veiligheid
van offshore exploratie- en exploitatieactiviteiten en ter bescherming van het
mariene milieu in de Middellandse Zee. (11)
De Commissie stelt, in samenhang met de onderhavige
verordening, tevens een verordening inzake de veiligheid van
offshoreactiviteiten met betrekking tot de prospectie, exploratie en productie
van olie en gas voor. (12)
Het offshoreprotcol heeft betrekking op een gebied
dat in grote mate onder het recht van de Unie valt. Dit omvat elementen als de
bescherming van het mariene milieu, milieueffectbeoordeling en milieuaansprakelijkheid.
Onder voorbehoud van de eindbeslissing van de wetgevers dienaangaande is het
offshoreprotocol voorts in overeenstemming met de doelstellingen van de
voorgestelde verordening inzake de veiligheid van offshoreactiviteiten met
betrekking tot de prospectie, exploratie en productie van olie en gas,
waaronder met betrekking tot de vergunning, de milieueffectbeoordeling en het
technische en financiële vermogen van de exploitanten. (13)
Het is essentieel nauwe samenwerking tussen de
lidstaten en de instellingen van de Europese Unie te waarborgen, zowel bij het
onderhandelen over en sluiten van de overeenkomst als bij het nakomen van de
aangegane verbintenissen. De verplichting tot samenwerking vloeit voort uit de
eis dat de Europese Unie internationaal met één stem spreekt. Daarom moeten de
lidstaten die partij bij het Verdrag van Barcelona zijn, en die zulks nog niet
hebben gedaan, de nodige stappen ondernemen ter afronding van de procedures om
het offshoreprotocol te ratificeren of er tot toe te treden. (14)
Het offshoreprotocol dient te worden gesloten, HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1 De toetreding van de Europese Unie tot het
protocol inzake de bescherming van de Middellandse Zee tegen verontreiniging
door exploratie en exploitatie van het continentaal plat en de zeebodem en de
ondergrond daarvan wordt namens de Unie goedgekeurd. De tekst van de overeenkomst is aan dit
besluit gehecht. Artikel 2 De voorzitter van
de Raad wijst de persoon (personen) aan die gemachtigd wordt (worden) om namens
de Europese Unie de in artikel 32 van het protocol bedoelde akte van
goedkeuring neer te leggen bij de regering van Spanje, die als depositaris
optreedt, teneinde tot uiting te brengen dat de Unie ermee instemt door dit
protocol gebonden te zijn. Artikel 3 Dit besluit
treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld. Het wordt
bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie[2].
Gedaan te Brussel, Voor
de Raad De
voorzitter BIJLAGE De verdragsluitende partijen bij dit
protocol, Partijen bij het
Verdrag inzake de bescherming van de Middellandse Zee tegen verontreiniging,
goedgekeurd te Barcelona op 16 februari 1976, Indachtig artikel 7
van het genoemde verdrag, Indachtig de
toename van activiteiten die verband houden met de exploratie en exploitatie
van de bodem van de Middellandse Zee en de ondergrond daarvan, Erkennende dat de
verontreiniging die daaruit kan voortvloeien een ernstig gevaar vormt voor het
milieu en de mens, Verlangende de
Middellandse Zee te beschermen tegen en te behoeden voor verontreiniging die
resulteert uit exploratie- en exploitatieactiviteiten, Rekening houdende met de protocollen bij het Verdrag inzake de bescherming van de
Middellandse Zee tegen verontreiniging en, met name, het Protocol betreffende
de samenwerking in noodsituaties bij de bestrijding van de verontreiniging van
de Middellandse Zee door koolwaterstoffen en andere schadelijke stoffen,
goedgekeurd op 16 februari 1976 te Barcelona, en het Protocol inzake speciaal
beschermde gebieden van de Middellandse Zee, goedgekeurd op 3 april 1982 te
Genève, Indachtig de
toepasselijke bepalingen van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het
recht van de zee, goedgekeurd te Montego Bay op 10 december 1982 en door veel
verdragsluitende partijen ondertekend, Erkennende de
verschillen in ontwikkeling tussen de kuststaten en rekening houdende met de
economische en sociale vereisten van de ontwikkelingslanden, Zijn als volgt overeengekomen: DEEL I -
ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1 DEFINITIES Voor de toepassing van dit protocol wordt
verstaan onder: (a)
"het verdrag": het Verdrag inzake de
bescherming van de Middellandse Zee tegen verontreiniging, goedgekeurd te
Barcelona op 16 februari 1976, (b)
"de Organisatie": de in artikel 17 van
het verdrag bedoelde instantie; (c)
"hulpbronnen": alle minerale hulpbronnen,
hetzij vast, vloeibaar of gasvormig; (d)
"activiteiten die verband houden met de
exploratie en/of de exploitatie van de hulpbronnen in het protocolgebied"
(hierna "activiteiten" genoemd): (i) activiteiten in het kader van wetenschappelijk
onderzoek naar de hulpbronnen van de zeebodem en de ondergrond daarvan; (ii) exploratieactiviteiten: - seismologische activiteiten; kartering
van de zeebodem en de ondergrond daarvan; bemonstering - exploratieboringen; (iii) exploitatieactiviteiten: - het opzetten van een
installatie met het oog op de winning van hulpbronnen, en daarmee verband
houdende activiteiten; - ontwikkelingsboringen; - winning, behandeling en
opslag; - vervoer naar de kust via
pijpleidingen en het laden van schepen; - onderhoud, herstelling en
andere ondersteunende werkzaamheden; (e)
"verontreiniging": verontreiniging als
gedefinieerd in artikel 2, onder a), van het Verdrag; (f)
"installatie": elke bij activiteiten
gebruikte vaste of drijvende structuur, en elk integrerend onderdeel daarvan,
met inbegrip van, met name: (i) vaste of mobiele offshore booreenheden; (ii) vaste of drijvende productie-eenheden,
met inbegrip van dynamisch gepositioneerde eenheden; (iii) offshore opslagvoorzieningen, met
inbegrip van daartoe gebruikte schepen; (iv) offshore laadterminals en
transportsystemen voor de gewonnen producten, zoals onderzeese pijpleidingen; (v) daarmee verbonden apparatuur en
uitrusting voor de overslag, verwerking, opslag en dumping van aan de zeebodem
of de ondergrond daarvan onttrokken stoffen; (g)
"exploitant": (i) iedere natuurlijke of rechtspersoon
waaraan door de partij die jurisdictie uitoefent over het gebied waar de
activiteiten worden ondernomen (hierna de "verdragsluitende partij"
genoemd) overeenkomstig dit protocol toestemming is verleend om activiteiten te
verrichten en/of die zulke activiteiten verricht; of (ii) iedere persoon die geen toestemming in
de zin van dit protocol heeft, maar de facto zeggenschap heeft over zulke
activiteiten; (h)
"veiligheidszone": een overeenkomstig de
bepalingen van algemeen internationaal recht en technische voorschriften rond
installaties ingestelde zone, met passende markeringen om de veiligheid van
zowel de scheepvaart als de installaties te verzekeren; (i)
"afvalstoffen":stoffen of materialen, van
wat voor soort, vorm of omschrijving dan ook, die voortkomen uit onder dit
protocol vallende activiteiten en die worden gedumpt, bestemd zijn voor dumping
of moeten worden gedumpt; (j)
"schadelijke stoffen en materialen":
stoffen en materialen, van wat voor soort, vorm of omschrijving dan ook, die
verontreiniging kunnen veroorzaken als ze in het protocolgebied worden
geïntroduceerd; (k)
"plan voor het gebruik van chemische
stoffen": een door de exploitant van een offshore installatie opgesteld
plan waarin de volgende elementen worden vermeld: (i) de chemische stoffen die de exploitant
voornemens is te gebruiken bij de werkzaamheden; (ii) het doel of de doelen waarvoor de
exploitant voornemens is de chemische stoffen te gebruiken; (iii) de maximale concentraties van de
chemische stoffen die de exploitant voornemens is te gebruiken in andere
stoffen, en de maximale hoeveelheden die hij voornemens is in een bepaalde
periode te gebruiken; (iv) het gebied waarbinnen de chemische stof
kan ontsnappen in het mariene milieu; (l)
"olie": aardolie in elk vorm, met
inbegrip van ruwe olie, stookolie, oliedrab, olieafval en geraffineerde
producten en, onverminderd het omvattende karakter van het voorgaande, de in
het aanhangsel bij dit protocol opgenomen stoffen; (m)
"oliehoudend mengsel": een mengsel dat
olie bevat, ongeacht het gehalte; (n)
"afvalwater": (i) spoelwater en ander afval uit alle
soorten toiletten, urinoirs en WC-spuigaten; (ii) spoelwater uit medische ruimten
(behandelkamer, ziekenboeg enz.), via wastafels, badkuipen en spuigaten in
dergelijke ruimten; (iii) ander afvalwater, indien vermengd met
het bovenomschreven spoelwater; (o)
"vuilnis": alle soorten voedsel-,
huishoudelijk en bedrijfsafval dat tijdens de normale werking van de
installaties wordt gegenereerd en dat voortdurend of periodiek moet worden
verwijderd, met uitzondering van de elders in dit protocol gedefinieerde of
opgenomen stoffen; (p)
"zoetwatergrens": de plaats in waterlopen
waar bij laag water en in een periode met gering zoetwaterdebiet, het
zoutgehalte merkbaar stijgt ten gevolge van de aanwezigheid van zeewater. Artikel 2 GEOGRAFISCHE WERKINGSSFEER 1.
Het gebied waarop dit protocol van toepassing is
(in dit protocol het "protocolgebied" genoemd) is: (q)
het Middellandse Zeegebied als gedefinieerd in
artikel 1 van het verdrag, met inbegrip van het continentaal plat en de
zeebodem en de ondergrond daarvan; (r)
de wateren, met inbegrip van de zeebodem en de
ondergrond daarvan, gelegen aan de landzijde van de basislijnen van waaraf de
breedte van de territoriale zee wordt gemeten en, in het geval van waterlopen,
zich uitstrekkende tot de zoetwatergrens. 2.
Elk van de verdragsluitende partijen bij dit
protocol (in dit protocol de "partijen" genoemd) mag ook wetlands of
kustgebieden op haar grondgebied opnemen in het protocolgebied. 3.
Niets in dit protocol of enig op grond van dit
protocol aangenomen besluit doet afbreuk aan de rechten van een staat inzake de
afbakening van het continentaal plat. Artikel 3 ALGEMENE VERBINTENISSEN 1.
De partijen nemen, individueel of door bilaterale
of multilaterale samenwerking, alle passende maatregelen ter voorkoming,
vermindering, bestrijding en beheersing van door activiteiten veroorzaakte
verontreiniging in het protocolgebied, onder meer door ervoor te zorgen dat de
daartoe beste beschikbare, vanuit milieuoogpunt doeltreffende en economisch
gepaste technieken worden ingezet. 2.
De partijen zorgen ervoor dat alle nodige
maatregelen worden genomen zodat activiteiten geen verontreiniging veroorzaken. DEEL II -
TOESTEMMINGSSYSTEEM Artikel 4 ALGEMENE BEGINSELEN 1.
Voor alle activiteiten in het protocolgebied, met
inbegrip van de oprichting van installaties ter plaatse, is een voorafgaande
schriftelijke exploratie- of exploitatievergunning van de bevoegde autoriteit
vereist. Alvorens een dergelijke autoriteit de vergunning verleent, vergewist
zij zich ervan dat de installatie overeenkomstig internationale normen en
praktijken is gebouwd en dat de exploitant over de technische deskundigheid en
de financiële draagkracht beschikt om de activiteiten te verrichten. Dergelijke
vergunning wordt verleend overeenkomstig de passende procedure, zoals
vastgesteld door de bevoegde autoriteit. 2.
De vergunning wordt geweigerd indien er
aanwijzingen zijn dat de voorgestelde activiteiten waarschijnlijk significante
nadelige effecten op het milieu kunnen hebben die niet kunnen worden voorkomen
door naleving van de in de vergunning vastgestelde voorwaarden als bedoeld in
artikel 6, lid 3, van dit protocol. 3.
Wanneer een verdragsluitende partij zich moet
uitspreken over de goedkeuring van de vestigingsplaats van een installatie,
waakt zij erover dat de vestigingsplaats geen negatieve effecten zal sorteren
op bestaande faciliteiten, met name pijpleidingen en kabels. Artikel 5 VEREISTEN VOOR VERGUNNINGEN 1.
De verdragsluitende partijen schrijven voor dat de
kandidaat-exploitant voor elke aanvraag voor een machtiging of voor de
verlenging van een machtiging het desbetreffende project aan de bevoegde
autoriteit moet voorleggen en dat die aanvraag met name het volgende moet
omvatten: (a)
een overzicht van de effecten van de voorgestelde
activiteiten op het milieu; de bevoegde autoriteit kan, rekening houdend met de
aard, de omvang en de duur van de activiteiten en de daarbij gebruikte
technische methoden en met de kenmerken van het gebied, een milieueffectbeoordeling
overeenkomstig bijlage IV bij dit protocol voorschrijven; (b)
de precieze omschrijving van de geografische
gebieden waar de activiteit wordt gepland, met inbegrip van veiligheidszones; (c)
bijzonderheden over de professionele en technische
kwalificaties van de kandidaat-exploitant en het personeel van de installatie,
alsook over de samenstelling van de bemanning; (d)
de veiligheidsmaatregelen als omschreven in artikel
15 ; (e)
het noodplan van de exploitant als omschreven in
artikel 16; (f)
de controleprocedures als omschreven in artikel 19
; (g)
de plannen voor de opruiming van installaties als
omschreven in artikel 20; (h)
voorzorgsmaatregelen voor speciaal beschermde
gebieden als omschreven in artikel 21; (i)
de verzekering of andere financiële zekerheid ter
dekking van aansprakelijkheid zoals voorgeschreven in artikel 27, lid 2, onder
b). 2.
In het geval van activiteiten voor wetenschappelijk
onderzoek en exploratie kan de bevoegde autoriteit, rekening houdend met de
aard, de omvang en de duur van de activiteiten en de daarbij gebruikte
technische methoden en met de kenmerken van het gebied, ertoe besluiten het
toepassingsgebied van de in lid 1 van dit artikel vervatte voorschriften te
begrenzen. Artikel 6 VERLENING VAN VERGUNNINGEN 1.
De in artikel 4 bedoelde machtigingen worden
slechts verleend nadat de bevoegde autoriteit heeft onderzocht of aan de in
artikel 5 en bijlage IV opgenomen voorschriften is voldaan. 2.
In elke vergunning worden de activiteiten en de
geldigheidsduur van de machtiging vermeld, worden de geografische grenzen van
het onder de vergunning vallende gebied afgebakend en worden de technische
voorschriften en de gemachtigde installaties vermeld. De nodige
veiligheidszones worden te gepasten tijde in een later stadium vastgesteld. 3.
Aan de machtiging kunnen voorwaarden worden
verbonden inzake maatregelen, technieken of methoden die erop zijn gericht de
risico's op door de activiteiten veroorzaakte verontreiniging en daaruit
voortvloeiende schade tot een minimum te beperken. 4.
De partijen stellen de Organisatie zo snel mogelijk
in kennis van machtigingen die zijn verleend of verlengd. De Organisatie houdt
een register bij van alle gemachtigde installaties in het protocolgebied. Artikel 7 SANCTIES Elke partij schrijft sancties voor die worden
opgelegd bij inbreuken op uit dit protocol voortvloeiende verplichtingen, of
bij niet-naleving van de nationale wet- of regelgeving ter uitvoering van dit
protocol, of bij niet-nakoming van aan de machtiging verbonden specifieke
voorwaarden. DEEL III –
AFVALSTOFFEN EN SCHADELIJKE STOFFEN EN MATERIALEN Artikel 8 ALGEMENE VERPLICHTING Onverminderd andere in dit deel genoemde
normen of verplichtingen leggen de partijen aan exploitanten de algemene
verplichting op om de beste beschikbare, vanuit milieuoogpunt doeltreffende en
economisch gepaste technieken in te zetten en zich te houden aan internationaal
aanvaarde normen inzake afvalstoffen, alsook inzake het gebruik, de opslag en
de lozing van schadelijke stoffen of materialen, om het risico op
verontreiniging tot een minimum te beperken. Artikel 9 SCHADELIJKE STOFFEN EN MATERIALEN 1.
Het gebruik en de opslag van chemische stoffen voor
de activiteiten wordt goedgekeurd door de bevoegde autoriteit op basis van het
plan voor het gebruik van chemische stoffen. 2.
De verdragsluitende partij mag het gebruik van
chemische stoffen voor de activiteiten reguleren, beperken of verbieden
overeenkomstig de door de verdragsluitende partijen vast te stellen
richtlijnen. 3.
Met het oog op de bescherming van het milieu zorgen
de partijen ervoor dat alle voor activiteiten gebruikte stoffen en materialen
vergezeld gaan van een door de producent van die stoffen of materialen
verstrekte chemische omschrijving. 4.
Het is verboden de in bijlage I bij dit protocol
opgenomen schadelijke stoffen en materialen die resulteren uit de onder dit
protocol vallende activiteiten, in het protocolgebied te dumpen. 5.
Voor de dumping in het protocolgebied van de in
bijlage II bij dit protocol opgenomen schadelijke stoffen en materialen die
resulteren uit de onder dit protocol vallende activiteiten is per geval een
voorafgaande speciale vergunning van de bevoegde autoriteit vereist. 6.
Voor de dumping in het protocolgebied van alle
andere schadelijke stoffen en materialen die resulteren uit de onder dit
protocol vallende activiteiten en die verontreiniging kunnen veroorzaken, is
een voorafgaande algemene vergunning van de bevoegde autoriteit vereist. 7.
De in de leden 5 en 6 bedoelde vergunningen worden
pas afgegeven nadat alle in bijlage III bij dit protocol uiteengezette factoren
zorgvuldig zijn onderzocht. Artikel 10 OLIE EN OLIEHOUDENDE MENGSELS EN
BOORVLOEISTOFFEN EN BOORGRUIS 1.
De partijen stellen gemeenschappelijke normen op
voor de dumping in het protocolgebied van olie en oliehoudende mengsels uit
installaties en keuren deze goed: (a)
deze gemeenschappelijke normen worden opgesteld
overeenkomstig de bepalingen van bijlage V, deel A; (b)
deze gemeenschappelijk normen zijn niet minder
strikt dan hieronder is aangegeven: (i) voor de effluenten van machinekamers,
een maximaal oliegehalte van 15 mg per liter, vóór verdunning; (ii) voor productiewater, een oliegehalte dat
nooit meer dan 100 mg per liter bedraagt en met kalendermaandgemiddelde van
maximaal 40 mg per liter; (c)
de partijen bepalen in onderling overleg welke
methode wordt gebruikt om het oliegehalte te analyseren. 2.
De partijen stellen gemeenschappelijke normen op
voor het gebruik en de dumping van boorvloeistoffen en boorgruis in het
protocolgebied en keuren deze goed. Deze gemeenschappelijke normen worden
opgesteld overeenkomstig de bepalingen van bijlage V, deel B. 3.
Elke partij neemt passende maatregelen ter
handhaving van de krachtens dit artikel vastgestelde normen of ter handhaving
van de strengere normen die zij eventueel heeft vastgesteld. Artikel 11 AFVALWATER 1.
De verdragsluitende partijen verbieden de lozing in
het protocolgebied van afvalwater van installaties die permanent worden bemand
door 10 of meer personen, behalve in de volgende gevallen: (a)
de installatie loost afvalwater na behandeling
zoals goedgekeurd door de bevoegde autoriteit op een afstand van ten minste
vier zeemijl van het dichtstbijzijnde land of de dichtstbijzijnde vaste
visserijinstallatie; de verdragsluitende partij kan dan per geval een besluit
nemen; of (b)
het afvalwater wordt niet behandeld, maar de lozing
wordt verricht overeenkomstig internationale regels en normen; of (c)
het afvalwater passeert via een door de bevoegde
autoriteit gecertificeerde afvalwaterbehandelingsinstallatie. 2.
De verdragsluitende partijen leggen passende
strengere bepalingen op wanneer deze nodig worden geacht vanwege onder meer het
stromingsregime in het gebied of de nabijheid van een in artikel 21 bedoeld
gebied. 3.
De in lid 1 bedoelde uitzonderingen zijn niet van
toepassing indien de lozing zichtbare drijvende vaste deeltjes of kleuring,
verkleuring of vertroebeling van het water in de omgeving ten gevolge heeft. 4.
Indien het afvalwater is vermengd met afvalstoffen
of schadelijke stoffen en materialen waarvoor andere dumpingsvoorschriften
gelden, zijn de strengste normen van toepassing. Artikel 12 VUILNIS 1.
De verdragsluitende partijen verbieden de dumping
in het protocolgebied van de volgende producten en materialen: (a)
alle kunststoffen, met inbegrip van synthetische
koorden, synthetische visnetten en plastic vuilniszakken; (b)
alle ander niet biologisch afbreekbaar vuilnis, met
inbegrip van papier en karton, poetslappen, glas, metaal, flessen, aardewerk en
stuw-, bekledings- en verpakkingsmaterialen. 2.
De dumping van voedselafval in het protocolgebied
vindt zo ver mogelijk van het land plaats, overeenkomstig internationale regels
en normen. 3.
Indien vuilnis is vermengd met andere geloosde
stoffen of materialen waarvoor andere dumpings- of lozingsvoorschriften gelden,
zijn de strengste normen van toepassing. Artikel 13 ONTVANGSTFACILITEITEN, INSTRUCTIES EN
SANCTIES De partijen zorgen ervoor dat: (a)
exploitanten zich naar behoren ontdoen van alle
afvalstoffen en schadelijke stoffen en materialen in daartoe bestemde onshore
ontvangstfaciliteiten, behalve indien anders toegestaan in het protocol; (b)
al het personeel instructies krijgt inzake goede
dumpingsmethoden; (c)
sancties worden opgelegd voor illegale dumping. Artikel 14 UITZONDERINGEN 1.
De bepalingen van dit deel zijn niet van toepassing
in geval van: (a)
overmacht en met name voor dumping: - om mensenlevens te redden, - om de veiligheid van installaties te
verzekeren, - in geval van schade aan de installatie
of de uitrusting ervan, op voorwaarde dat nadat de schade is
ontdekt of nadat de dumping is uitgevoerd alle redelijke voorzorgsmaatregelen
worden genomen om de kwalijke gevolgen te reduceren. (b)
de lozing in zee van oliehoudende stoffen of
schadelijke stoffen of materialen die, na voorgaande goedkeuring door de
bevoegde autoriteit, worden gebruikt ter bestrijding van bepaalde gevallen van
verontreiniging teneinde de schade door de verontreiniging tot een minimum te
beperken. 2.
De bepalingen van dit deel gelden echter wel
wanneer de exploitant heeft gehandeld met de intentie om schade toe te brengen
of roekeloos heeft gehandeld en in de wetenschap dat zijn handelen
waarschijnlijk tot schade zou leiden. 3.
Elke dumping die plaatsvindt in de in lid 1
bedoelde omstandigheden wordt onmiddellijk bij de Organisatie gemeld en, hetzij
via de Organisatie, hetzij direct, ter kennis gebracht van alle partijen die er
de gevolgen van kunnen ondervinden, samen met alle bijzonderheden over de
omstandigheden en de aard en de hoeveelheden geloosde afvalstoffen of
schadelijke stoffen en materialen. DEEL IV -
VOORZORGSMAATREGELEN Artikel 15 VEILIGHEIDSMAATREGELEN 1.
De verdragsluitende partij binnen wier jurisdictie
activiteiten zijn gepland of worden verricht, zorgt ervoor dat er
veiligheidsmaatregelen worden genomen met betrekking tot het ontwerp, de
constructie, de plaatsing, de uitrusting, de markering, de werking en het
onderhoud van installaties. 2.
De verdragsluitende partij zorgt ervoor dat de
exploitant in de installaties te allen tijde over adequate en goed onderhouden
uitrusting en apparatuur beschikt om mensenlevens te beschermen, accidentele
verontreiniging te voorkomen en te bestrijden en een snelle reactie op noodsituaties
te faciliteren, overeenkomstig de beste beschikbare vanuit milieuoogpunt
doeltreffende en economisch gepaste technieken en de bepalingen van het in
artikel 16 bedoelde noodplan van de exploitant. 3.
De bevoegde autoriteit schrijft voor dat een door
een erkende instantie afgegeven veiligheids- en geschiktheidscertificaat
(hierna "het certificaat" genoemd) wordt overgelegd voor
productieplatforms, mobiele offshore booreenheden, offshore
opslagvoorzieningen, offshore laadsystemen en pijpleidingen en voor eventuele
andere door de verdragsluitende partij gespecificeerde installaties. 4.
De partijen verzekeren door inspecties dat de
exploitanten de activiteiten verrichten overeenkomstig dit artikel. Artikel 16 NOODPLANNNEN 1.
In noodsituaties passen de verdragsluitende
partijen mutatis mutandis de bepalingen toe van het Protocol betreffende de
samenwerking in noodsituaties bij de bestrijding van de verontreiniging van de
Middellandse Zee door koolwaterstoffen en andere schadelijke stoffen. 2.
Elke partij schrijft voor dat exploitanten van
installaties onder haar jurisdictie beschikken over een noodplan ter
bestrijding van accidentele verontreiniging dat aansluit bij het noodplan van
de verdragsluitende partij zoals opgesteld overeenkomstig het Protocol
betreffende de samenwerking in noodsituaties bij de bestrijding van de
verontreiniging van de Middellandse Zee door koolwaterstoffen en andere
schadelijke stoffen en dat is goedgekeurd overeenkomstig de door de bevoegde
autoriteiten vastgestelde procedures. 3.
Elke verdragsluitende partij zorgt voor de
coördinatie van de ontwikkeling en uitvoering van de noodplannen. Die plannen
worden opgesteld overeenkomstig door de bevoegde internationale organisatie
vastgestelde richtsnoeren. De plannen zijn met name in overeenstemming met de
bepalingen van bijlage VII bij dit protocol. Artikel 17 KENNISGEVING Elke partij schrijft voor dat exploitanten van
installaties onder haar jurisdictie de bevoegde autoriteit onverwijld in kennis
stellen van: (a)
elke gebeurtenis op hun installatie die in het
protocolgebied verontreiniging of een risico op verontreiniging veroorzaakt; (b)
elke gebeurtenis op zee die in het protocolgebied
verontreiniging of een risico op verontreiniging veroorzaakt. Artikel 18 WEDERZIJDSE BIJSTAND IN NOODSITUATIES In noodsituaties kan een partij die bijstand
nodig heeft ter voorkoming, vermindering of bestrijding van verontreiniging die
het gevolg is van activiteiten, rechtstreeks of via het Regionaal Centrum voor
noodmaatregelen tegen accidentele verontreiniging van de Middellandse Zee
(REMPEC), de hulp van de andere partijen inroepen, die al het mogelijke doen om
de gevraagde bijstand te verlenen. Een partij die tevens partij is bij het
Protocol betreffende de samenwerking in noodsituaties bij de bestrijding van de
verontreiniging van de Middellandse Zee door koolwaterstoffen en andere
schadelijke stoffen past te dien einde de desbetreffende bepalingen van dat
protocol toe. Artikel 19 TOEZICHT 1.
Van de exploitant wordt vereist dat hij de
milieueffecten van de activiteiten meet of door een gespecialiseerde bevoegde
instantie laat meten, rekening houdend met de aard, de omvang en de duur van de
activiteiten en de daarbij gebruikte technische methoden en met de kenmerken
van het gebied, en dat hij de meetresultaten, overeenkomstig een door de
bevoegde autoriteit in haar toestemmingssysteem vastgestelde procedure,
periodiek of op verzoek van de bevoegde autoriteit, meedeelt met het oog op een
evaluatie door die bevoegde autoriteit. 2.
De bevoegde autoriteit stelt waar nodig een
nationaal monitoringsysteem in om de installaties en de milieueffecten van de
activiteiten regelmatig te monitoren teneinde erover te waken dat de aan de
verlening van de toestemming verbonden voorwaarden worden nageleefd. Artikel 20 OPRUIMING VAN INSTALLATIES 1.
Teneinde de veiligheid van de scheepvaart te
verzekeren, wordt de exploitant er door de bevoegde autoriteit toe verplicht
elke verlaten of afgedankte installatie op te ruimen, rekening houdend met de
door de bevoegde internationale organisatie vastgestelde richtsnoeren en
normen. Bij een dergelijke opruiming wordt tevens terdege rekening gehouden met
elk ander rechtmatig gebruik van de zee, met name de visvangst en de
bescherming van het mariene milieu, en met de rechten en plichten van andere
verdragsluitende partijen. Voorafgaand aan een dergelijke opruiming neemt de
exploitant onder wiens verantwoordelijkheid deze plaatsvindt, alle nodige
maatregelen om overvloeiing of lekkage vanuit de plaats van de activiteiten te
voorkomen. 2.
De bevoegde autoriteit schrijft voor dat de
exploitant verlaten of afgedankte pijpleidingen opruimt overeenkomstig lid 1 of
dat hij deze vanbinnen schoonmaakt en dan achterlaat of ze vanbinnen
schoonmaakt en dan begraaft, zodat ze geen verontreiniging veroorzaken, de
scheepvaart niet in gevaar brengen, de visserij niet hinderen, geen bedreiging
voor het mariene milieu vormen of geen ander rechtmatig gebruik van de zee of
de rechten en plichten van de andere verdragsluitende partijen doorkruisen. De
bevoegde autoriteit zorgt ervoor dat er voldoende bekendheid wordt gegeven aan
de diepte, positie en afmetingen van elke begraven pijpleiding en dat die
informatie wordt weergegeven op zeekaarten en aan de Organisatie of andere
bevoegde internationale organisaties en de partijen wordt gemeld. 3.
De bepalingen van dit artikel zijn ook van
toepassing op installaties die zijn afgedankt of verlaten door een exploitant
wiens toestemming is ingetrokken of opgeschort overeenkomstig artikel 7. 4.
De bevoegde autoriteit kan aangeven welke
wijzigingen van het aanvankelijk vastgestelde activiteitsniveau en de
aanvankelijk vastgestelde maatregelen ter bescherming van het mariene milieu
noodzakelijk zijn. 5.
De bevoegde autoriteit kan de overdracht aan andere
personen regelen van activiteiten waarvoor een toestemming is verleend. 6.
Wanneer de exploitant de bepalingen van dit artikel
niet naleeft, onderneemt de bevoegde autoriteit op kosten van de exploitant de
actie of acties die nodig zijn om de gevolgen van de niet-naleving door de
exploitant te verhelpen. Artikel 21 SPECIAAL BESCHERMDE GEBIEDEN Ter bescherming van de in het Protocol inzake
speciaal beschermde gebieden van de Middellandse Zee afgebakende gebieden en
elk ander door een partij ingesteld gebied en ter bevordering van de in dat
protocol opgenomen doelstellingen nemen de partijen, hetzij individueel, hetzij
middels multilaterale of bilaterale samenwerking, met het internationaal recht
strokende speciale maatregelen om door activiteiten in die gebieden
veroorzaakte verontreiniging te voorkomen, te verminderen, te bestrijden en te
beheersen. Naast de in het Protocol inzake speciaal
beschermde gebieden van de Middellandse Zee bedoelde maatregelen met betrekking
tot de verlening van toestemming kunnen zulke maatregelen onder meer bestaan
uit: (a)
speciale beperkingen of voorwaarden bij het
verlenen van toestemming voor zulke gebieden: (i) de voorbereiding en evaluatie van
milieueffectbeoordelingen; (ii) de uitwerking van speciale bepalingen
inzake monitoring, de opruiming van installaties en een algemeen lozingsverbod in
zulke gebieden; (b)
versterkte informatie-uitwisseling tussen
exploitanten, de bevoegde autoriteiten, de partijen en de Organisatie met
betrekking tot zaken die gevolgen kunnen hebben voor zulke gebieden. DEEL V -
SAMENWERKING Artikel 22 STUDIES EN ONDERZOEKSPROGRAMMA'S Overeenkomstig artikel 11 van het verdrag
werken de partijen waar nodig samen bij de bevordering van studies en het
opzetten van programma's voor wetenschappelijk of technologisch onderzoek
teneinde nieuwe methoden te ontwikkelen om: (a)
activiteiten te verrichten op een wijze die het
risico op verontreiniging tot een minimum beperkt; (b)
verontreiniging te voorkomen, te verminderen, te
bestrijden en te beheersen, met name in noodsituaties. Artikel 23 INTERNATIONALE REGELS, NORMEN EN AANBEVOLEN
PRAKTIJKEN EN PROCEDURES 1.
De partijen werken samen, hetzij direct, hetzij via
de Organisatie of andere bevoegde internationale organisaties, teneinde: (a)
passende wetenschappelijke criteria op te stellen
voor het formuleren en uitwerken van internationale regels, normen en
aanbevolen praktijken en procedures ter verwezenlijking van de doelstellingen
van dit protocol; (b)
zulke internationale regels, normen en aanbevolen
praktijken en procedures te formuleren en uit te werken; (c)
overeenkomstig internationale praktijken en procedures
richtsnoeren te formuleren en vast te stellen om ervoor te zorgen dat de
bepalingen van bijlage VI worden nageleefd. 2.
De partijen streven ernaar hun wet- en regelgeving
zo snel mogelijk in overeenstemming te brengen met de in lid 1 bedoelde internationale
regels, normen en aanbevolen praktijken en procedures. 3.
Voor zover mogelijk streven de partijen ernaar
informatie uit te wisselen met betrekking tot hun binnenlands beleid, hun
nationale wet- en regelgeving en de in lid 2 bedoelde harmonisering. Artikel 24 WETENSCHAPPELIJKE EN TECHNISCHE BIJSTAND
AAN ONTWIKKELINGSLANDEN 1.
Ter voorkoming, vermindering, bestrijding en
beheersing van verontreiniging door activiteiten in het protocolgebied werken
de partijen, direct of met de hulp van bevoegde regionale of andere
internationale organisaties, samen aan de ontwikkeling en, voor zover mogelijk,
uitvoering van programma's voor bijstand aan ontwikkelingslanden, met name op
het gebied van wetenschap, recht, onderwijs en technologie. 2.
Technische bijstand omvat met name de opleiding van
wetenschappelijk, juridisch en technisch personeel, alsook de verwerving, het
gebruik en de productie van de geschikte uitrusting door die landen tegen
gunstige, door de betrokken partijen overeen te komen voorwaarden. Artikel 25 WEDERZIJDSE INFORMATIEVERSTREKKING De partijen informeren elkaar, direct of via
de Organisatie, over hun maatregelen, resultaten en, in voorkomend geval,
moeilijkheden bij de toepassing van dit protocol. De procedures voor de
inzameling en indiening van die informatie worden vastgesteld op de
vergaderingen van de partijen. Artikel 26 GRENSOVERSCHRIJDENDE VERONTREINIGING 1.
Elke partij neemt de nodige maatregelen om ervoor
te zorgen dat activiteiten onder haar jurisdictie op zodanige wijze worden
verricht dat ze geen verontreiniging veroorzaken buiten de grenzen van haar
jurisdictie. 2.
Een partij binnen wier jurisdictie activiteiten
worden gepland of verricht, houdt rekening met alle schadelijke milieueffecten,
ongeacht of deze effecten zich waarschijnlijk binnen, dan wel buiten haar
jurisdictie zullen voordoen. 3.
Indien een partij kennis krijgt van gevallen waarin
het mariene milieu door verontreiniging een onmiddellijk gevaar van schade
loopt of schade heeft opgelopen, stelt het de andere partijen die haars inziens
een groot risico lopen de gevolgen van die schade te ondervinden en het
Regionaal Centrum voor noodmaatregelen tegen accidentele verontreiniging van de
Middellandse Zee (REMPEC) daarvan terstond in kennis en verstrekt het hen
tijdig de informatie die hen in staat stelt waar nodig passende maatregelen te
nemen. Het REMPEC deelt de informatie onmiddellijk mee aan alle betrokken
partijen. 4.
De partijen streven ernaar overeenkomstig hun
rechtsstelsels en, waar passend, op basis van een overeenkomst, in hun administratieve
procedures gelijke toegang en gelijke behandeling te verlenen aan personen in
andere staten die mogelijk invloed ondervinden van door voorgestelde of
bestaande werkzaamheden veroorzaakte verontreiniging of andere nadelige
effecten. 5.
Wanneer verontreiniging haar oorsprong vindt op
grondgebied van een staat die geen verdragsluitende partij bij dit protocol is,
tracht elke getroffen partij met de bedoelde staat samen te werken teneinde de
toepassing van het protocol mogelijk te maken. Artikel 27 AANSPRAKELIJKHEID EN SCHADEVERGOEDING 1.
De partijen verbinden zich ertoe zo snel mogelijk
samen te werken ter opstelling en goedkeuring van passende regels en procedures
voor de bepaling van de aansprakelijkheid voor de vergoeding van schade die het
gevolg is van onder dit protocol vallende activiteiten, overeenkomstig artikel 16
van het verdrag. 2.
In afwachting van de ontwikkeling van zulke
procedures stelt elke partij: (a)
de nodige maatregelen vast om ervoor te zorgen dat
exploitanten aansprakelijk worden gesteld voor door activiteiten veroorzaakte
schade en dat zij onverwijld voldoende schadevergoeding moeten betalen; (b)
de nodige maatregelen vast om ervoor te zorgen dat
de exploitanten door een verzekering gedekt zijn en blijven of conform door de
verdragsluitende partij vastgestelde voorwaarden over een andere, soortgelijke
financiële zekerheid beschikken om de vergoeding te garanderen van schade die
door onder dit protocol vallende activiteiten wordt veroorzaakt. DEEL
VI - SLOTBEPALINGEN Artikel 28 AANWIJZING VAN DE BEVOEGDE AUTORITEITEN Elke verdragsluitende partij wijst een of meer
bevoegde autoriteiten aan om: (a)
de in deel II van dit protocol bedoelde
toestemmingen te verlenen, te verlengen en te registreren; (b)
de in artikel 9 van dit protocol bedoelde speciale
en algemene vergunningen af te geven en te registreren; (c)
de in bijlage V bij dit protocol bedoelde
vergunningen af te geven; (d)
de in artikel 11, lid 1, van dit protocol bedoelde
afvalwaterbehandeling goed te keuren en de daartoe bedoelde
afvalwaterbehandelingsinstallatie te certificeren; (e)
voorafgaande goedkeuring te geven voor in artikel 14,
lid 1, onder b), van dit protocol bedoelde uitzonderlijke lozingen; (f)
de in artikel 15, leden 3 en 4, van dit protocol
bedoelde taken met betrekking tot de veiligheidsmaatregelen te verrichten; (g)
de in artikel 16 en bijlage VII van dit protocol
beschreven functies met betrekking tot de noodplannen uit te oefenen; (h)
monitoringprocedures als bedoeld in artikel 19 van
dit protocol vast te stellen; (i)
toe te zien op de in artikel 20 van dit protocol
bedoelde opruimingswerkzaamheden. Artikel 29 OVERGANGSMAATREGELEN Elke partij stelt procedures en regelgeving
vast met betrekking tot activiteiten die zijn aangevangen vóór de
inwerkingtreding van dit protocol, ongeacht of daarvoor toestemming is verleend
of niet, teneinde ervoor te zorgen dat deze, voor zover haalbaar, voldoen aan
de bepalingen van dit protocol. Artikel 30 VERGADERINGEN 1.
De gewone vergaderingen van de partijen worden
gehouden samen met de krachtens artikel 18 van het verdrag belegde gewone
vergaderingen van de partijen bij het Verdrag. De partijen kunnen ook
buitengewone vergaderingen houden overeenkomstig artikel 18 van het Verdrag. 2.
De vergaderingen van de partijen bij dit protocol
hebben onder meer ten doel: (a)
de uitvoering van dit protocol te toetsen en de
doeltreffendheid van de genomen maatregelen en de noodzaak van het vaststellen
van andere maatregelen, met name in de vorm van bijlagen en aanhangsels, te
onderzoeken; (b)
de bijlagen en aanhangsels bij dit protocol te
herzien en te wijzigen; (c)
de informatie over overeenkomstig deel II van dit
protocol verleende of verlengde toestemmingen te onderzoeken; (d)
de informatie over overeenkomstig deel III van dit
protocol afgegeven vergunningen of verleende goedkeuringen te onderzoeken; (e)
de in artikel 9, lid 2, en artikel 23, lid 1, onder
c), van dit protocol bedoelde richtsnoeren vast te stellen; (f)
de registers van de overeenkomstig artikel 16 van
dit protocol vastgestelde noodplannen en interventiemethoden voor noodsituaties
te onderzoeken; (g)
criteria vast te stellen en internationale regels,
normen en aanbevolen praktijken en procedures overeenkomstig artikel 23, lid 1,
van dit protocol op te stellen, in welk door de partijen overeengekomen vorm
dan ook; (h)
de uitvoering van het beleid en het halen van de in
deel V bedoelde doelstellingen te bevorderen, met name de harmonisering van
nationale en EU-wetgeving overeenkomstig artikel 23, lid 2, van dit protocol; (i)
de bij de uitvoering van artikel 27 van dit
protocol gemaakte vooruitgang te toetsen; (j)
andere taken uit te voeren die nodig zijn voor de
toepassing van dit protocol. Artikel 31 VERHOUDING TOT HET VERDRAG 1.
De voor alle protocollen geldende bepalingen van
het verdrag zijn ook van toepassing op dit protocol. 2.
Het reglement van orde en de financiële regels die
zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 24 van het verdrag zijn van
toepassing op dit protocol, tenzij de partijen bij dit protocol anderszins
overeenkomen. Artikel 32 SLOTBEPALING 1.
Dit protocol staat open voor ondertekening te
Madrid van 14 oktober 1994 tot 14 oktober 1995 door elke staat die partij is
bij het verdrag en is uitgenodigd deel te nemen aan de op 13 en 14 oktober 1994
te Madrid gehouden Conferentie van Gevolmachtigden van de kuststaten van het
Middellandse Zeegebied over het Protocol inzake de bescherming van de
Middellandse Zee tegen door exploratie of exploitatie van de zeebodem en de
ondergrond daarvan veroorzaakte verontreiniging. Het staat ook, tot dezelfde
datum, open voor ondertekening door de Europese Gemeenschap en elke soortgelijke
regionale economische groepering waarvan ten minste één lidstaat een kuststaat
van het protocolgebied is, en die bevoegdheden uitoefent op onder dit protocol
vallende terreinen overeenkomstig artikel 30 van het verdrag. 2.
Dit protocol dient te worden bekrachtigd, aanvaard
of goedgekeurd. De akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring worden
neergelegd bij de regering van Spanje, die als depositaris optreedt. 3.
Vanaf 15 oktober 1995 staat dit protocol open voor
toetreding door de in lid 1 genoemde staten, de Europese Gemeenschap en elke in
dat lid bedoelde groepering. 4.
Dit protocol treedt in werking op de dertigste dag
na de datum van de nederlegging van ten minste zes akten van bekrachtiging,
aanvaarding of goedkeuring van, of toetreding tot, het protocol door in lid 1
bedoelde partijen. TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe
naar behoren gemachtigd, dit protocol hebben ondertekend. BIJLAGE I Schadelijke
stoffen en materialen waarvan de dumping in het protocolgebied verboden is A. De volgende stoffen en
materialen en verbindingen daarvan vallen onder artikel 9, lid 4, van het
protocol. Ze zijn voornamelijk geselecteerd op basis van hun toxiciteit,
persistentie en bioaccumulatie: 1.
Kwik en kwikverbindingen; 2.
Cadmium en cadmiumverbindingen; 3.
Organische tinverbindingen en stoffen die
dergelijke verbindingen kunnen vormen in het mariene milieu[3]; 4.
Organische fosforverbindingen en stoffen die
dergelijke verbindingen kunnen vormen in het mariene milieu; 5.
Organische halogeenverbindingen en stoffen die
dergelijke verbindingen kunnen vormen in het mariene milieu; 6.
Ruwe olie, stookolie, oliedrab, afgewerkte
smeerolie en geraffineerde producten; 7.
Persistente kunststoffen die in water kunnen
drijven, zinken of zweven en die een storende factor kunnen zijn bij het
legitieme gebruik van de zee; 8.
Stoffen waarvan is bewezen dat ze
kankerverwekkende, teratogene of mutagene eigenschappen hebben in of via het
mariene milieu; 9.
Radioactieve stoffen, met inbegrip van het afval
daarvan, wanneer de lozing daarvan niet geschiedt in overeenstemming met de
principes van de stralingsbescherming, zoals bepaald door de bevoegde
internationale organisaties, rekening houdend met de bescherming van het
mariene milieu. B. Deze bijlage is niet van
toepassing op lozingen die de in deel A opgesomde stoffen bevatten in
hoeveelheden die lager liggen dan de door de partijen gezamenlijk bepaalde
grenswaarden en, wat olie betreft, lager liggen dan de in artikel 10 van dit
protocol bepaalde grenswaarden. BIJLAGE II Schadelijke
stoffen en materialen waarvan de dumping in het protocolgebied alleen is
toegestaan met een speciale vergunning A. De volgende stoffen en
materialen en verbindingen daarvan vallen onder artikel 9, lid 5, van het
protocol. 1.
Arseen 2.
Lood 3.
Koper 4.
Zink 5.
Beryllium 6.
Nikkel 7.
vanadium 8.
Chroom 9.
Biociden en derivaten daarvan die niet in bijlage I
worden genoemd 10.
Seleen 11.
Antimoon 12.
Molybdeen 13.
Titaan 14.
tin 15.
Barium (met uitzondering van bariumsulfaat) 16.
Boor 17.
Uranium 18.
Kobalt 19.
thallium 20.
tellurium 21.
Zilver 22.
Cyaniden B. De controle en strikte
beperking van de lozing van de in deel A genoemde stoffen geschiedt
overeenkomstig bijlage III. BIJLAGE III FACTOREN
WAARMEE REKENING MOET WORDEN GEHOUDEN BIJ DE AFGIFTE VAN VERGUNNINGEN Voor de afgifte van een krachtens artikel 9,
lid 7, vereiste vergunning wordt, naargelang van het geval, bijzondere aandacht
geschonken aan de volgende factoren: A. Kenmerken en samenstelling
van de afvalstof 1.
Soort en omvang van de afvalbron (bijvoorbeeld
industrieel proces); 2.
Soort afval (oorsprong, gemiddelde samenstelling); 3.
Vorm van het afval (vast, vloeibaar, slib, slurrie,
gasvormig); 4.
Totale hoeveelheid (bijvoorbeeld geloosd volume per
jaar); 5.
Lozingspatroon (continu, met tussenpozen,
seizoenafhankelijk enz.); 6.
Concentraties van de hoofdbestanddelen, in bijlage
I vermelde stoffen, in bijlage II vermelde stoffen en, zo nodig, andere
stoffen; 7.
Fysische, chemische en biochemische eigenschappen
van de afvalstof. B. Kenmerken van
afvalbestanddelen met betrekking tot hun schadelijkheid 1.
Persistentie (fysisch, chemisch, biologisch) in het
mariene milieu; 2.
Toxiciteit en andere schadelijke effecten; 3.
Accumulatie in biologische materialen of
sedimenten; 4.
Biochemische transformaties waardoor schadelijke
verbindingen worden gevormd; 5.
Schadelijke uitwerkingen op zuurstofgehalte en
zuurstofbalans; 6.
Gevoeligheid voor fysische, chemische en
biochemische veranderingen en wisselwerking in het aquatisch milieu met andere
zeewaterbestanddelen, die kunnen leiden tot schadelijke biologische of andere
effecten op de in deel E vermelde gebruiksvormen. C. Kenmerken van de
lozingsplaats en van het ontvangende mariene milieu 1.
Hydrografische, meteorologische, geologische en
topografische kenmerken van het gebied; 2.
Plaats en soort van lozing (afvoerriool, kanaal,
uitlaat enz.) in verhouding tot andere gebieden (zoals recreatieoorden,
paaiplaatsen, kraamgebieden, visgronden, schaaldiergronden) en andere lozingen; 3.
Oorspronkelijke verdunning op de plaats van lozing
in het ontvangende mariene milieu; 4.
Verspreidingskenmerken zoals effecten van
stromingen, getijden en wind op horizontaal transport en verticale menging; 5.
Kenmerken van het ontvangende water wat betreft
fysische, chemische, biologische en ecologische omstandigheden in het
lozingsgebied; 6.
Capaciteit van het ontvangende mariene milieu om
afvallozingen zonder ongunstige uitwerkingen te absorberen. D. Beschikbaarheid van
afvaltechnologieën De methoden voor afvalreductie en lozing van
industriële afvalstoffen en huishoudelijk rioolwater moeten worden geselecteerd
rekening houdend met de beschikbaarheid en de uitvoerbaarheid van: (a)
alternatieve behandelingsprocedés, (b)
methoden voor hergebruik of vernietiging, (c)
alternatieven inzake lozing op het land, (d)
passende schone technologieën. E. Potentiële aantasting van
mariene ecosystemen en gebruiksmogelijkheden van zeewater 1.
Gevolgen voor het leven van de mens door het effect
van de verontreiniging op: (a)
eetbare zeeorganismen, (b)
zwemwateren, (c)
esthetische aspecten. 2.
Gevolgen voor mariene ecosystemen, in het bijzonder
biologische hulpbronnen, bedreigde soorten en kwetsbare leefgebieden. 3.
Gevolgen voor andere legitieme gebruiksvormen van
de zee overeenkomstig het internationaal recht. BIJLAGE IV MILIEUEFFECTBEOORDELING 1.
Elke partij eist dat de milieueffectbeoordeling ten
minste de volgende elementen bevat: (a)
een beschrijving van de geografische grenzen van
het gebied waarbinnen de activiteiten zullen worden verricht, indien van
toepassing met inbegrip van veiligheidszones; (b)
een beschrijving van de initiële staat van het
milieu in het gebied; (c)
een vermelding van de aard, doelen, omvang en duur
van de voorgestelde activiteiten; (d)
een beschrijving van de te gebruiken methoden,
installaties en middelen en van mogelijke alternatieven voor die methoden en
middelen; (e)
een beschrijving van de voorzienbare directe of
indirecte korte- en langetermijneffecten van de voorgestelde activiteiten op het
milieu, met inbegrip van de effecten op fauna, flora en het ecologische
evenwicht; (f)
een uiteenzetting van de voorgestelde maatregelen
om het risico op schade aan het milieu door het verrichten van de voorgestelde
activiteiten tot een minimum te beperken, met inbegrip van mogelijke
alternatieven voor die maatregelen; (g)
een vermelding van de maatregelen die moeten worden
genomen om het milieu tijdens en na de voorgestelde activiteiten te beschermen
tegen verontreiniging en andere nadelige effecten; (h)
een verwijzing naar de voor de effectbeoordeling
gebruikte methodologie; (i)
de vermelding of een andere staat waarschijnlijk
invloed zal ondervinden van de voorgestelde activiteiten. 2.
Rekening houdend met de overeenkomstig artikel 23
van het protocol vastgestelde internationale regels, normen en aanbevolen
praktijken en procedures, kondigt elke partij normen af volgens welke de
milieueffectbeoordelingen moeten worden geëvalueerd. BIJLAGE V OLIE EN
OLIEHOUDENDE MENGSELS EN BOORVLOEISTOFFEN EN BOORGRUIS De partijen schrijven overeenkomstig artikel 10
voor dat: A. Olie en oliehoudende mengsels 1.
Effluenten met een hoog oliegehalte afkomstig van
de verwerkingsafvoer of de platformafvoer worden opgevangen en afgeleid en
vervolgens als een deel van het product behandeld, maar de rest wordt vóór de
lozing tot op een aanvaardbaar niveau behandeld, overeenkomstig de goede
olieveldpraktijk; 2.
Olieachtig afval en slib van scheidingsprocessen
worden naar de kust vervoerd; 3.
Alle vereiste voorzorgen worden genomen om
verliezen van bij het testen van bronnen ingezamelde of afgefakkelde olie in
zee tot een minimum te beperken; 4.
Alle vereiste voorzorgen worden genomen om ervoor
te zorgen dat al het van olieactiviteiten afkomstige gas wordt afgefakkeld of
op een passende manier wordt gebruikt. B. Boorvloeistoffen en boorgruis 1.
Voor boorvloeistoffen en boorgruis op waterbasis
gelden de volgende voorschriften: (a)
zulke boorvloeistoffen worden gebruikt en gedumpt
overeenkomstig het plan voor het gebruik van chemische stoffen en de bepalingen
van artikel 9 van dit protocol; (b)
boorgruis wordt ofwel op het land ofwel in zee in
een door de bevoegde autoriteit omschreven locatie of gebied gedumpt. 2.
Voor boorvloeistoffen en boorgruis op oliebasis
gelden de volgende voorschriften: (a)
zulke vloeistoffen worden uitsluitend gebruikt
indien de toxiciteit ervan laag genoeg is en pas nadat de exploitant een
vergunning van de bevoegde autoriteit heeft ontvangen nadat deze de lage
toxiciteit heeft geverifieerd; (b)
de dumping van zulke boorvloeistoffen in zee is
verboden; (c)
de dumping van het boorgruis in zee is enkel
toegestaan op voorwaarde dat er een efficiënte installatie voor de controle van
vaste stoffen is geïnstalleerd die naar behoren wordt bediend, dat het
lozingspunt zich voldoende ver onder het wateroppervlak bevindt, en dat het
oliegehalte minder dan 100 gram olie per kilogram boorgruis bedraagt; (d)
de dumping van zulk boorgruis in speciaal
beschermde gebieden is verboden; (e)
In het geval van productie- en
ontwikkelingsboringen moet ten aanzien van de contaminatiezone een programma
van zeebodembemonstering en -analyse worden opgezet. 3.
Boorvloeistoffen op dieselbasis: Het gebruik van boorvloeistoffen op
dieselbasis is verboden. Dieselolie mag uitzonderlijk aan boorvloeistoffen
worden toegevoegd in door de partijen gespecificeerde omstandigheden. BIJLAGE VI VEILIGHEIDSMAATREGELEN De partijen schrijven overeenkomstig artikel 15
voor dat: (a)
de installatie veilig moet zijn en geschikt moet
zijn voor het doel waarvoor ze wordt gebruikt, met name dat ze zo moet zijn
ontworpen en gebouwd dat ze, behalve bij maximale belasting, bestand is tegen
elke natuurlijke omstandigheid, met inbegrip van, meer bepaald, aan de hand van
historische weerpatronen vastgestelde maximale wind- en golfcondities,
aardbevingsrisico's, de zeebodemgesteldheid en -stabiliteit en de waterdiepte; (b)
alle fasen van de activiteiten, met inbegrip van
opslag en vervoer van de gewonnen hulpbronnen, naar behoren moeten worden
voorbereid en dat de hele activiteit open moet staan voor controle om
veiligheidsredenen en op de veiligst mogelijke manier moet worden verricht, en
dat de exploitant voor alle activiteiten een monitoringsysteem moet toepassen; (c)
de meest geavanceerde veiligheidssystemen moeten
worden gebruikt en regelmatig moeten worden getest om het gevaar op lekken,
spillages, accidentele lozingen, brand, explosies, blow-outs of elke ander
bedreiging voor de veiligheid van de mens of het milieu tot een minimum te
beperken, dat er een opgeleide gespecialiseerde bemanning aanwezig moet zijn om
deze systemen te bedienen en te onderhouden en dat die bemanning regelmatig
oefeningen moet houden. In het geval van niet permanent bemande installaties
waarvoor toestemming is verleend, wordt de permanente beschikbaarheid van een
gespecialiseerde bemanning gegarandeerd; (d)
de installatie ─ en, waar nodig, de
vastgestelde veiligheidszone ─ overeenkomstig internationale
aanbevelingen moet zijn gemarkeerd zodat op een adequate manier voor haar
aanwezigheid wordt gewaarschuwd en voldoende details voor de identificatie
ervan worden gegeven. (e)
overeenkomstig de internationale maritieme praktijk
de installaties op kaarten moeten zijn aangegeven en aan de betrokkenen moeten
worden bekendgemaakt; (f)
teneinde de naleving van de voorgaande bepalingen
te verzekeren, de persoon (personen) die verantwoordelijk (is) zijn voor de
installatie en/of de activiteiten, met inbegrip van de persoon die
verantwoordelijk is voor de blow-outpreventer, over de door de bevoegde
autoriteit vereiste kwalificaties moet (moeten) beschikken en dat er permanent
voldoende gekwalificeerd personeel beschikbaar is. Zulke kwalificaties omvatten
met name continue opleiding over veiligheids- en milieukwesties. BIJLAGE VII NOODPLAN A. Noodplan van de exploitant: 1.
Exploitanten zijn verplicht ervoor te zorgen: (a)
dat het meest geschikte alarmsysteem en
communicatiesysteem beschikbaar zijn op de installatie en dat deze goed
functioneren; (b)
dat er onmiddellijk alarm wordt geslagen bij een
noodsituatie en dat elke noodsituatie onmiddellijk wordt meegedeeld aan de
bevoegde autoriteit; (c)
dat, in coördinatie met de bevoegde autoriteit,
onverwijld de transmissie van het alarm en passende bijstand en coördinatie van
de bijstand kunnen worden georganiseerd en gecontroleerd; (d)
dat de bemanning op de installatie en de bevoegde
autoriteit onmiddellijk op de hoogte worden gebracht van de aard en de omvang
van de noodsituatie; (e)
dat de bevoegde autoriteit constant op de hoogte
wordt gehouden van de vorderingen bij het bestrijden van de noodsituatie; (f)
dat er te allen tijde voldoende geschikte
materialen en geschikte uitrusting, met inbegrip van stand-byboten en
-luchtvaartuigen, beschikbaar zijn om het noodplan uit te voeren; (g)
dat de in bijlage VI, onder c), bedoelde
gespecialiseerde bemanning op de hoogte is van de meest geschikte methoden en
technieken om lekken, spillages, accidentele lozingen, brand, explosies,
blow-outs en elke andere bedreiging voor het menselijk leven of het milieu te
bestrijden; (h)
dat de gespecialiseerde bemanning die belast is met
het verminderen en voorkomen van nadelige langetermijneffecten op het milieu
bekend is met de meest geschikte methoden en technieken; (i)
dat de bemanning grondig vertrouwd is met het
noodplan van de exploitant en dat er regelmatig noodoefeningen worden gehouden
zodat de bemanning een grondige operationele kennis van de uitrusting en de
procedures heeft en elk individu precies weet wat zijn rol in het plan is. 2.
De exploitant werkt op institutionele basis samen
met andere exploitanten of entiteiten die in staat zijn de nodige bijstand te
verlenen zodat, wanneer zich een noodsituatie voordoet waarvan de schaal of de
aard een risico veroorzaakt waarvoor bijstand nodig is of kan zijn, zulke
bijstand kan worden verleend. B. Nationale coördinatie en sturing De voor noodsituaties bevoegde autoriteit van
een verdragsluitende partij zorgt voor: (a)
de coördinatie van het nationale noodplan en/of de
nationale noodprocedures met het noodplan van de exploitant en controle van de
uitvoering van de maatregelen, met name wanneer de noodsituatie aanzienlijke
schadelijke gevolgen heeft; (b)
aanwijzingen aan de exploitant om ter voorkoming,
vermindering of bestrijding van verontreiniging of bij de voorbereiding van
verdere actie daartoe, elke door haar gespecificeerde actie te ondernemen, met
inbegrip van het plaatsen van een bestelling voor een ontlastingsboorplatform,
of om de exploitant ervan te weerhouden een bepaalde maatregel te nemen; (c)
de coördinatie van acties ter voorkoming,
vermindering of bestrijding van verontreiniging of ter voorbereiding van
verdere actie daartoe binnen de nationale jurisdictie, met soortgelijke acties
die binnen de jurisdictie van andere staten of door internationale organisaties
worden ondernomen; (d)
het verzamelen en direct beschikbaar maken van alle
nodige informatie betreffende de bestaande activiteiten; (e)
een geactualiseerde lijst van de personen en
entiteiten die moeten worden gewaarschuwd bij een noodsituatie en op de hoogte
moeten worden gehouden van de ontwikkeling ervan en de genomen maatregelen; (f)
het verzamelen van alle nodige informatie
betreffende de omvang en de middelen ter bestrijding van incidenten en de
verspreiding van die informatie onder de belanghebbende partijen; (g)
de coördinatie van en het toezicht op de in deel A
bedoelde bijstand, in samenwerking met de exploitant; (h)
de organisatie en, indien nodig, de coördinatie van
bepaalde acties, met inbegrip van de interventie door technische deskundigen en
opgeleid personeel met de nodige uitrusting en materialen; (i)
onmiddellijke communicatie aan de bevoegde
autoriteiten van andere partijen die gevolgen zouden kunnen ondervinden van een
incident, teneinde hen in staat te stellen waar nodig de passende maatregelen
te nemen; (j)
de verlening van technische bijstand aan andere
partijen, indien nodig; (k)
onmiddellijke communicatie aan de bevoegde
internationale organisaties ter voorkoming van gevaar voor de scheepvaart en
andere belangen. AANHANGSEL Lijst van oliën[4] Asfaltoplossingen Mengvoorraden Dakbedekkingsflux "straight-run"-residu Oliën: Geklaarde olie Ruwe aardolie Mengsels met ruwe aardolie Dieselolie Brandstofolie nr. 4 Brandstofolie nr. 5 Brandstofolie nr. 6 Residuale stookolie "Road oil" Transformatorolie Aromatische olie (met uitzondering van
plantaardige olie) Smeeroliën en mengvoorraden Minerale olie Motorolie Kruipolie Spindelolie Turbineolie Destillaten "straight-run"-benzine door flashverdamping van uitgangsmaterialen
verkregen fracties Gasolie Gekraakte gasolie Reactiemotorbrandstof JP-1 (kerosine) JP‑3 JP‑4 JP-5 (kerosine, zwaar) Turbobrandstof Kerosine Minerale spiritus Nafta Oplosnafta Petroleumnafta Kernfractiedestillaat Mengvoorraden benzine Alkylaten - brandstof Reformaten Polymeer - brandstof Benzines Aardgascondensaat Motorrijtuigbenzine Vliegtuigbenzine "straight-run"-benzine Brandstofolie nr. 1 (kerosine) Brandstofolie nr. 1-D Brandstofolie nr. 2 Brandstofolie nr. 2-D [1] COM(2010) 560 definitief van 12.10.2010. [2] De datum van inwerkingtreding van de overeenkomst voor
de Europese Unie zal door het secretariaat-generaal van de Raad in het Publicatieblad
van de Europese Unie worden bekendgemaakt. [3] Met uitzondering van die welke biologisch onschadelijk
zijn of snel worden omgezet in onschadelijke stoffen. [4] De lijst van oliën moet niet noodzakelijk als exhaustief
worden beschouwd.