52011PC0453




(...PICT...)

TOELICHTING

1. Achtergrond van het voorstel

Richtlijn 2006/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen bevat bepalingen die nauw met de coördinatie van nationale bepalingen betreffende de toegang tot de werkzaamheden van kredietinstellingen en het toezichtkader van deze instellingen verband houden (zoals bepalingen betreffende de vergunningverlening voor de bedrijfsuitoefening, de uitoefening van de vrijheid van vestiging en de bevoegdheden van de toezichthoudende autoriteiten van de lidstaat van herkomst en de lidstaat van ontvangst in dit verband, alsook bepalingen inzake de toetsing door toezichthouders van kredietinstellingen). In genoemde richtlijn en in Richtlijn 2006/49/EG, en in het bijzonder in de bijlagen bij deze richtlijn, zijn echter ook prudentiële voorschriften opgenomen. Om een verdere onderlinge aanpassing te bewerkstelligen van de wettelijke bepalingen die uit de omzetting van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG in nationaal recht voortvloeien, en om ervoor te zorgen dat dezelfde prudentiële voorschriften rechtstreeks op deze instellingen toepasselijk zijn – hetgeen van essentieel belang is voor de goede werking van de interne markt –, zijn deze prudentiële voorschriften opgenomen in een voorstel voor een verordening dat één geheel vormt met het onderhavige voorstel.

Dit voorstel bevat de volgende nieuwe elementen: bepalingen met betrekking tot sancties en een effectieve corporate governance, alsook bepalingen die moeten vermijden dat te veel op externe ratings wordt vertrouwd. In deze toelichting zal daarom uitsluitend op deze nieuwe elementen worden ingegaan. De overige onderdelen van deze richtlijn zijn herhalingen van bestaande wetgeving of aanpassingen aan de voorgestelde verordening. Ter wille van de duidelijkheid worden in dit voorstel ook bepalingen inzake kredietinstellingen en beleggingsondernemingen samengevoegd. De bepalingen die op beleggingsondernemingen betrekking hebben, zijn thans in Richtlijn 2006/49/EG vervat. Daarop wordt meer in detail teruggekomen in hoofdstuk 5. Alle met het "Bazel III"-akkoord verband houdende wijzigingen zijn in het voorstel voor een verordening verwerkt, met uitzondering van de bepalingen inzake kapitaalbuffers, die in het onderhavige voorstel voor een richtlijn zijn opgenomen. In deze toelichting worden dan ook alleen maar de doelstellingen en de juridische aspecten behandeld die met de kapitaalbuffers verband houden. Op de algemene context van Bazel III, zoals onder meer de resultaten van de effectbeoordeling en de uitkomsten van de openbare raadplegingen, wordt in detail ingegaan in het voorstel voor een verordening.

1.1. Motivering en doel van het voorstel

1.1.1. Sancties

Doeltreffende, evenredige en afschrikkende sanctieregelingen zijn van vitaal belang om de naleving van de EU-bankregelgeving te garanderen, gebruikers van bankdiensten te beschermen, en de veiligheid, stabiliteit en integriteit van bankmarkten te verzekeren.

Een analyse van nationale sanctieregelingen op de onder deze richtlijn en de verordening vallende terreinen heeft uitgewezen dat het juridisch kader met betrekking tot de sanctie- en onderzoeksbevoegdheden van de nationale autoriteiten tal van verschillen en tekortkomingen vertoont.

Het gevaar is dan ook niet denkbeeldig dat sancties die te sterk uiteenlopen en niet dwingend genoeg zijn, niet volstaan om schendingen van deze richtlijn en de verordening daadwerkelijk te voorkomen, een doeltreffend toezicht te garanderen en het ontstaan van gelijke concurrentievoorwaarden te waarborgen. Daarom stelt de Commissie voor over te gaan tot een versterking en onderlinge aanpassing van de diverse nationale rechtkaders wat administratieve sancties en maatregelen betreft door in het volgende te voorzien: afdoende afschrikkende administratieve sancties voor zware schendingen van deze richtlijn en de verordening, een passende personele werkingssfeer voor administratieve sancties, de bekendmaking van sancties en mechanismen die de melding van schendingen aanmoedigen.

1.1.2. Corporate governance

De ineenstorting van de financiële markten in het najaar van 2008 en de daaropvolgende kredietschaarste kunnen worden teruggevoerd op diverse, vaak onderling met elkaar verband houdende macro- en micro-economische factoren die in het op 25 februari 2009 bekendgemaakte verslag van de groep deskundigen op hoog niveau inzake financieel toezicht in de EU zijn beschreven, en met name op de accumulatie van overdreven risico's in het financiële stelsel. Deze overmatige risico-accumulatie was ten dele te wijten aan tekortkomingen in de corporate governance van financiële instellingen, en met name bij banken. Hoewel er niet bij alle banken sprake was van systeemrelevante zwakke plekken in de governanceregelingen, heeft het Bazelse Comité voor bankentoezicht toch gewezen op een aantal lacunes en onvolkomenheden in de corporate governance.

Vrijwel iedereen is het erover eens dat verandering op dit terrein geboden is. Ondernemingen, bevoegde autoriteiten en internationale instanties (de OESO, de Financial Stability Board (FSB) en het Bazelse Comité) hebben hun ter zake bestaande werkwijzen en richtsnoeren bijgesteld of zijn daarmee bezig. Versterking van de corporate governance is een prioriteit voor de Commissie, met name in de context van haar hervorming van de financiële markten en crisispreventieprogramma.

1.1.3. Overdreven vertrouwen in externe ratings

Er is sprake van overdreven vertrouwen in externe ratings wanneer financiële instellingen en institutionele beleggers uitsluitend of automatisch vertrouwen op ratings die door ratingbureaus zijn vastgesteld en de verplichtingen op het gebied van het verrichten van eigen onderzoek en van intern risicomanagement verwaarlozen. Als al te veel op ratings wordt vertrouwd, kan dit leiden tot kuddegedrag van financiële marktpartijen (bv. het gelijktijdig verkopen van schuldinstrumenten nadat de rating van het schuldinstrument is kwestie zodanig is verlaagd dat het niet meer als investeringswaardig wordt beschouwd), wat een nadelig effect kan hebben op de financiële stabiliteit, vooral als de weinige grote ratingbureaus het allemaal bij het verkeerde eind hebben.

1.1.4. Procycliciteit van kredietverlening door instellingen

Procyclische effecten zijn effecten die dezelfde trend als de conjunctuurontwikkeling vertonen en deze ontwikkeling versterken. Een van de kenmerken van de op het actuele risico gebaseerde kapitaalvereisten is dat zij variëren over de conjunctuurcyclus. Als kredietinstellingen erin slagen aan deze vereisten te voldoen, geldt er geen enkele uitdrukkelijke wettelijke beperking voor het risico dat zij mogen aangaan, en dus voor de hefboom die zij opbouwen.

1.2. Algemene context

1.2.1. Sancties

In haar mededeling van 2010 met als titel "Het versterken van sanctieregelingen in de financiële sector" [1] heeft de Commissie gepleit voor een EU-wetgevingsinitiatief om gemeenschappelijke minimumnormen vast te stellen met betrekking tot bepaalde essentiële aspecten van sanctieregelingen, waarbij deze minimumnormen op de specifieke kenmerken van de verschillende sectoren moeten worden afgestemd.

Ten eerste lopen de sancties voor zware schendingen van de Richtlijnen Kapitaalvereisten (RKV), zoals inbreuken op vergunningvereisten, prudentiële verplichtingen en rapportageverplichtingen, van lidstaat tot lidstaat uiteen en lijken zij niet altijd doeltreffend, evenredig en afschrikkend genoeg te zijn.

Ten tweede is er sprake van een zeker verschil tussen de lidstaten wat betreft de mate waarin sancties worden opgelegd. Dat geldt ook voor lidstaten met een banksector van vergelijkbare omvang. In sommige lidstaten zijn zelfs al gedurende ruim een jaar geen sancties meer getroffen, wat symptomatisch kan zijn voor een slechte handhaving van EU-regels.

1.2.2. Corporate governance

In haar mededeling van 4 maart 2009 [2] heeft de Europese Commissie aangekondigd dat zij: i) in het licht van de financiële crisis de binnen de financiële instellingen bestaande regels en praktijken inzake corporate governance zou onderzoeken, en ii) in voorkomend geval aanbevelingen zou doen of regelgeving zou voorstellen om onvolkomenheden in het corporate-governancesysteem in deze sleutelsector van de economie te verhelpen.

In juni 2010 heeft de Commissie een Groenboek over corporate governance in financiële instellingen en het beloningsbeleid [3], alsook een begeleidend werkdocument van de diensten van de Commissie bij dit Groenboek [4] gepubliceerd. Daarin werden de tekortkomingen in corporate-governanceregelingen in de sector van de financiële diensten geanalyseerd en mogelijke opties voor de toekomst voorgesteld.

De resultaten van deze openbare raadpleging hebben uitgewezen dat er over de gesignaleerde tekortkomingen een brede consensus bestaat, die op de steun van diverse overheidsinstanties en lidstaten kan rekenen. Ook het Europees Parlement heeft in zijn verslag over de beloning van bestuurders van beursgenoteerde ondernemingen en het beloningsbeleid in de sector van de financiële diensten [5] het belang van een versterking van de binnen financiële instellingen geldende normen en praktijken inzake corporate governance erkend. In zijn advies over het Groenboek "Corporate governance in financiële instellingen en het beloningsbeleid" [6] verwelkomt het Europees Economisch en Sociaal Comité het Groenboek van de Commissie en spreekt het zijn steun uit voor de voorgestelde maatregelen.

1.2.3. Overdreven vertrouwen in externe ratings

Op internationaal niveau heeft de FSB onlangs beginselen uitgevaardigd die ervoor moeten zorgen dat autoriteiten en financiële instellingen zich minder op externe ratings gaan verlaten [7]. Volgens deze beginselen moeten in wetgeving voorkomende verwijzingen naar dergelijke ratings worden verwijderd of vervangen wanneer valabele alternatieve kredietwaardigheidsnormen voorhanden zijn, en moeten banken hun eigen kredietbeoordelingen verrichten. De voorgestelde bepalingen liggen in de lijn van de FSB-beginselen.

1.2.4. Kapitaalbuffers

Kapitaalinstandhoudingsbuffers en vooral anticyclische buffers zijn bedoeld om het in punt 1.1.4 bedoelde risico van procycliciteit en van buitensporige hefboomwerking af te zwakken.

1.3. Bestaande uniale bepalingen op het door het voorstel bestreken gebied

In Richtlijn 2006/48/EG betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen is bepaald dat in kredietinstellingen solide governanceregelingen moeten bestaan. De richtlijn schrijft echter niet in detail voor hoe de governanceregelingen er uit moeten zien.

Om ervoor te zorgen dat banken minder op externe ratings gaan vertrouwen, is in Richtlijn 2006/48/EG een bepaling opgenomen die hen ertoe verplicht eigen onderzoek te verrichten ten aanzien van de onderliggende activa van securitisatieposities.

1.4. Samenhang met andere beleidsgebieden

Tegen de achtergrond van de hervorming van de Europese toezichtarchitectuur, de aanscherping van de kapitaalvereisten en crisismanagement en -afwikkeling moet de voorgestelde hervorming van de corporate governance in kredietinstellingen worden gezien als een integrerend onderdeel van een alomvattende hervorming van de sector van de financiële diensten. De hervorming van de corporate governance moet ook worden gezien in de context van de recente Commissiemededeling over het versterken van sanctieregelingen in de financiële sector.

De Commissie heeft een horizontaal initiatief genomen om de sector ertoe aan te moedigen een grotere vertegenwoordiging van vrouwen in de raden van bestuur na te streven. Na een jaar zal zij nagaan of zelfregulering het gewenste effect heeft gehad. Indien dat niet het geval is, zal zij wetgevingsbenaderingen voorstellen. Aangezien uit de effectbeoordeling blijkt dat deze kwestie van pertinent belang is voor de banksector, wordt in dit stadium gekozen voor een bottom-upbenadering. Indien de voor over een jaar geplande bredere evaluatie evenwel uitwijst dat wetgeving noodzakelijk is, dan zal de in deze sector gevolgde benadering moeten worden aangepast.

2. Resultaten van de raadpleging van de belanghebbende partijen en van de effectbeoordeling

2.1. Raadpleging van belanghebbende partijen

2.1.1. Sancties

De Commissie heeft een op 19 februari 2011 afgesloten openbare raadpleging gehouden die betrekking had op de geplande maatregelen om de sanctieregelingen in de financiële sector te versterken en onderling aan te passen [8]. Daarbij is ook ingegaan op de voor de banksector relevante kwesties die zijn gesignaleerd in een door het Comité van Europese bankentoezichthouders verrichte studie naar de nationale sanctieregelingen in deze sector [9].

De Commissie heeft van diverse respondenten, onder wie tal van belanghebbenden uit de banksector (toezichthoudende autoriteiten, centrale banken, banken en bankiersverenigingen), bijdragen ontvangen. Daarin werden opmerkingen geformuleerd over de noodzaak van een EU-optreden op dit gebied, het vereiste niveau van harmonisatie, de voorgestelde concrete maatregelen en de mogelijke voor- en nadelen die daaraan verbonden zijn.

De voorgenomen maatregelen met het oog op de onderlinge aanpassing en versterking van de sanctieregelingen zijn ook met de lidstaten besproken tijdens de vergadering van het Comité financiële diensten van 17 januari 2011.

2.1.2. Corporate governance

Dit initiatief en de effectbeoordeling zijn het resultaat van een uitvoerige en continue dialoog met en raadpleging van alle belangrijke belanghebbenden, zoals onder meer effectentoezichthouders en -regelgevers, marktdeelnemers (emittenten, tussenpersonen en beleggers) en consumenten.

Aan een diverse steekproef van tien belangrijke beursgenoteerde banken of verzekeringsondernemingen die in de EU gevestigd zijn, zijn vragenlijsten in verband met hun corporate-governancepraktijken toegezonden. De vragenlijsten zijn aangevuld met dertig follow-upgesprekken met bestuursleden, vennootschapssecretarissen, financieel directeuren, risicodirecteuren en interne controleurs.

Ook Europese bankentoezichthouders hebben een vragenlijst ontvangen. Daarin werd gevraagd naar hun standpunten over en rol in de corporate governance van financiële instellingen. Voorts is een vragenlijst toegezonden aan een representatieve steekproef van belangrijke Europese institutionele beleggers en aandeelhoudersverenigingen, waarin hun is gevraagd naar hun praktijken en verwachtingen op het gebied van corporate governance van financiële instellingen. Op 2 februari 2010 heeft een follow-upvergadering met ongeveer dertig beleggers plaatsgevonden.

Ten slotte is in het kader van het Groenboek tussen 2 juni 2010 en 1 september 2010 een openbare raadpleging gehouden over mogelijke toekomstige maatregelen om tekortkomingen in de corporate governance van financiële instellingen aan te pakken. De ontvangen antwoorden en de analyse ervan kunnen worden geraadpleegd op de website van de Commissie [10].

2.1.3. Overdreven vertrouwen in externe ratings

De Commissie heeft een openbare raadpleging georganiseerd over de problematiek van de externe ratings. Deze raadpleging had ook betrekking op het overdreven vertrouwen in dergelijke ratings. De raadpleging is op 7 januari 2011 afgesloten en heeft 93 reacties opgeleverd. Er zijn diverse opties voorgesteld, gaande van het aanmoedigen van het gebruik van interne modellen tot het verplichten van ondernemingen om zelf voor hun risicomanagement te zorgen zonder uitsluitend of automatisch op externe ratings te vertrouwen. De ontvangen antwoorden en de analyse ervan kunnen worden geraadpleegd op de website van de Commissie [11].

2.1.4. Kapitaalbuffers

Kapitaalbuffers vormen een onderdeel van het akkoord van 2010 van het Bazelse Comité en hebben als zodanig het voorwerp van een uitgebreide raadpleging uitgemaakt. Dergelijke buffers zijn ook aan de orde gekomen in het kader van de specifieke raadplegingen van de Commissie.

2.2. Bijeenbrengen en benutten van deskundigheid

2.2.1. Sancties

De in 2008 door het Comité van Europese bankentoezichthouders verrichte studie [12] heeft informatie opgeleverd over de in nationale wetgeving vastgelegde administratieve sancties en over de mate waarin bankentoezichthouders in de praktijk van sancties gebruikmaken. In 2011 heeft de Commissie aanvullende gegevens verzameld over de in de nationale wetgeving vastgelegde sancties voor zware schendingen van de RKV.

De voorgestelde maatregelen zijn gebaseerd op deze gegevens en op de reacties die op de openbare raadpleging zijn ontvangen.

2.2.2. Corporate governance

In het kader van het raadplegingsproces en van de opstelling van het Groenboek hebben de Commissiediensten op 12 oktober 2009 ook een openbare conferentie georganiseerd waaraan een aantal belanghebbenden heeft deelgenomen. Tijdens deze conferentie spitste de discussie zich toe op de rol en bevoegdheid van de raad van bestuur, governancekwesties in verband met interne controle en risicomanagement, en de respectieve rol van aandeelhouders, toezichthouders en met de wettelijke controle belaste auditors.

Het Groenboek is ook gebaseerd op de analyses en de studies die op internationaal, Europees en nationaal niveau werden of nog steeds worden verricht door publieke of particuliere organisaties. Bij hun werkzaamheden hebben de Commissiediensten ook nuttig gebruikgemaakt van het advies van het Europees corporate governance forum (ECGF) en van de ad-hocgroep inzake corporate governance, die bestaat uit een aantal ECGF-leden en andere gerenommeerde deskundigen op het gebied van corporate governance.

2.2.3. Overdreven vertrouwen in externe ratings

De Commissie neemt actief deel aan de bovenbeschreven FSB-werkzaamheden. Bovendien neemt zij deel aan het Bazelse Comité, dat er in het kader van zijn werkgroepen inzake liquiditeit en inzake ratings en securitisatie ook naar streeft dat minder op ratings wordt vertrouwd.

2.2.4. Kapitaalbuffers

Subgroepen van de werkgroep Richtlijnen Kapitaalvereisten, waarvan de leden door het Europees Comité voor het bankwezen worden aangewezen, hebben onder meer ook technische werkzaamheden in verband met kapitaalbuffers verricht.

2.3. Effectbeoordeling

2.3.1. Sancties

De mededeling over het versterken van sanctieregelingen in de financiële sector ging vergezeld van een effectbeoordeling waarin de voornaamste beleidsopties voor de onderlinge aanpassing en versterking van sanctieregelingen voor schendingen van regelgeving op het gebied van financiële diensten, met inbegrip van de banksector, zijn geanalyseerd. Dit voorstel gaat vergezeld van een tweede effectbeoordeling, waarin nader wordt ingegaan op de specifieke problemen op het gebied van de kapitaalvereisten.

De voorgestelde maatregelen zijn in de eerste plaats bedoeld om een betere inachtneming van de EU-bankregelgeving te waarborgen door nationale sanctieregelingen doeltreffender en afschrikkender te maken. Daartoe moeten de volgende operationele doelstellingen worden gerealiseerd:

· versterking en onderlinge aanpassing van het rechtskader met betrekking tot sancties door

– passende administratieve sancties voor zware schendingen van de RKV op te leggen;

– in een passende personele werkingssfeer voor administratieve sancties te voorzien;

– sancties bekend te maken;

· versterking en onderlinge aanpassing van de mechanismen die het opsporen van schendingen vergemakkelijken door

– te voorzien in doeltreffende mechanismen die de melding van onregelmatigheden aanmoedigen.

2.3.2. Corporate governance

Met dit initiatief wordt in de eerste plaats beoogd een doeltreffender risicogovernance binnen Europese kredietinstellingen en beleggingsondernemingen tot stand te brengen. De voorgenomen maatregelen moeten helpen vermijden dat individuele kredietinstellingen buitensporige risico's nemen en dat er zich uiteindelijk een accumulatie van overdreven risico's in het financiële stelsel voordoet. Om dat doel te bereiken, worden met dit initiatief hoofdzakelijk de volgende operationele doelstellingen nagestreefd:

– zorgen voor een doeltreffender risicotoezicht door de raden van bestuur;

– verbeteren van de status van de risicomanagementfunctie; en

– garanderen van een doeltreffende monitoring door toezichthouders van de risicogovernance.

Om deze doelstellingen te verwezenlijken, heeft de Commissie ervoor gekozen het bestaande rechtskader te verbeteren.

De voorschriften inzake de samenstelling en de selectie van de leden van de raad van bestuur moeten ertoe leiden dat leden een passender gedrag gaan vertonen, over passender competenties beschikken, een passender hoeveelheid tijd aan hun functie besteden, en meer verantwoording verschuldigd zijn. De combinatie van goed ingelichte, competente raden van bestuur en een sterke risicomanagementfunctie zal kredietinstellingen beter in staat stellen zich aandienende risico's beter op te sporen en te beheren, waardoor minder buitensporige risico's zullen worden genomen. Informatieverplichtingen zullen bijdragen tot meer transparantie, hetgeen in een beter geïnformeerde markt en een grotere marktdiscipline moet resulteren.

Indien kredietinstellingen hun raden van bestuur voor kandidaten met een meer uiteenlopende achtergrond zouden openstellen, zouden bepaalde personen die tot dusver van het lidmaatschap van een raad van bestuur waren uitgesloten, de kans krijgen daarin zitting te hebben. Zowel de groep voor lidmaatschap van een raad van bestuur geschikte kandidaten als de deskundigheid zou daardoor toenemen. Het mogelijk van het voorstel uitgaande negatieve effect op de groep geschikte kandidaten zou bijgevolg verwaarloosbaar zijn.

Strengere voorschriften op Europees niveau kunnen negatieve gevolgen hebben voor het internationale concurrentievermogen van Europese kredietinstellingen. Het eventuele verlies aan concurrentievermogen wegens strengere voorschriften zou evenwel worden gecompenseerd door een positief effect op beleggers, deposanten en andere belanghebbenden. Een betere risicogovernance zou tevens de weerbaarheid van de banksector ten goede komen.

Het voorstel zou geen grote kosten voor kredietinstellingen met zich meebrengen en evenmin grote gevolgen hebben voor de leningactiviteiten.

2.3.3. Overdreven vertrouwen in externe ratings

In de voor binnenkort geplande effectbeoordeling met betrekking tot het nieuwe initiatief inzake ratingbureaus (dat begin juli 2011 wordt verwacht) zal een algemeen deel aan het overdreven vertrouwen in externe ratings worden gewijd. Daarin zullen de voorgestelde punten worden behandeld.

2.3.4. Kapitaalbuffers

Aangezien kapitaalbuffers deel uitmaken van het Bazelse akkoord, wordt het effect ervan samen met dat van alle andere maatregelen van dit akkoord beoordeeld en nader belicht in de verordening waarvan deze richtlijn vergezeld gaat.

3. Gevolgen voor de begroting

Het voorstel heeft geen gevolgen voor de begroting van de Unie.

4. Juridische elementen van het voorstel

4.1. Rechtsgrondslag

De rechtsgrondslag van dit voorstel is artikel 53, lid 1, VWEU. Voor de sector kredietinstellingen en beleggingsondernemingen vormen de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG, die door deze richtlijn en Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] zouden worden vervangen, immers een essentieel instrument voor de totstandbrenging van de interne markt uit het oogpunt van zowel de vrijheid van vestiging als het vrij verrichten van diensten. dat voorziet in de vaststelling van richtlijnen voor de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van ondernemingen. Dit voorstel komt in de plaats van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG wat betreft de coördinatie van nationale bepalingen betreffende de vergunningverlening voor de bedrijfsuitoefening, de verwerving van gekwalificeerde deelnemingen, de uitoefening van de vrijheid van vestiging en van het recht van het vrij verrichten van diensten, en de bevoegdheden van de toezichthoudende autoriteiten van de lidstaat van herkomst en de lidstaat van ontvangst in dit verband, alsook de bepalingen inzake het aanvangskapitaal en de toetsing door toezichthouders van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen. Het voorstel heeft als voornaamste doel en onderwerp het coördineren van nationale bepalingen betreffende de toegang tot de werkzaamheden van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, de regelingen voor de governance van deze instellingen en het toezichtkader dat op hen van toepassing is. Dit voorstel is daarom gebaseerd op artikel 53, lid 1, VWEU.

Dit voorstel is complementair aan Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] tot vaststelling van uniforme en rechtstreeks toepasselijke prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, daar dergelijke vereisten nauw verband houden met de werking van de financiële markten voor een aantal activa die door kredietinstellingen en beleggingsondernemingen worden aangehouden. De verordening is gebaseerd op artikel 114 VWEU.

4.2. Subsidiariteit

Overeenkomstig het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel van artikel 5 VWEU kunnen de doelstellingen van het overwogen optreden niet voldoende door de lidstaten worden verwezenlijkt en kunnen deze derhalve beter door de EU worden verwezenlijkt. De voorgestelde bepalingen gaan niet verder dan wat nodig is om de beoogde doelstellingen te bereiken. Alleen een optreden op EU-niveau kan ervoor zorgen dat voor in meer dan één lidstaat actief zijnde kredietinstellingen en beleggingsondernemingen dezelfde verplichtingen gelden, zodat gelijke concurrentievoorwaarden worden gewaarborgd, de regelgeving minder ingewikkeld wordt, ongerechtvaardigde nalevingskosten voor grensoverschrijdende werkzaamheden worden vermeden, de verdere integratie in de EU-markt wordt bevorderd en tot het wegnemen van mogelijkheden voor toezicht- en regelgevingsarbitrage wordt bijgedragen. Een EU-optreden zorgt tevens voor een hoge mate van financiële stabiliteit binnen de EU.

4.3. Inachtneming van de artikelen 290 en 291 VWEU

Op 23 september 2009 heeft de Commissie haar goedkeuring gehecht aan voorstellen voor verordeningen tot oprichting van de EBA, de EAVB en de EAEM [13]. In dit verband herinnert de Commissie aan haar verklaringen bij de vaststelling van de verordeningen tot oprichting van de Europese toezichthoudende autoriteiten met betrekking tot de artikelen 290 en 291 VWEU: "Wat het proces voor de vaststelling van de regelgevingsnormen betreft, benadrukt de Commissie het unieke karakter van de financiëledienstensector, dat voortvloeit uit de Lamfalussy-structuur en expliciet erkend wordt in verklaring 39 bij het VWEU. De Commissie twijfelt er evenwel sterk aan of de beperkingen van haar rol bij het vaststellen van gedelegeerde handelingen en uitvoeringsmaatregelen in overeenstemming zijn met de artikelen 290 en 291 VWEU".

5. Gedetailleerde toelichting

5.1. Wisselwerking en consistentie tussen de onderdelen van het pakket

Deze richtlijn vormt één geheel met de voorgestelde Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau]. Dit pakket komt in de plaats van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG. Dit betekent dat de richtlijn en de verordening allebei zowel kredietinstellingen als beleggingsondernemingen zullen bestrijken. Momenteel heeft Richtlijn 2006/48/EG slechts via Richtlijn 2006/49/EG op beleggingsondernemingen betrekking. Laatstgenoemde richtlijn bevat bovendien veelal enkel verwijzingen naar Richtlijn 2006/48/EG. In het pakket worden de bepalingen die op beide soorten werkzaamheden betrekking hebben samengevoegd, wat bijgevolg resulteert in een betere leesbaarheid van de bepalingen die op deze werkzaamheden van toepassing zijn. Bovendien zijn de uitgebreide bijlagen bij beide richtlijnen thans in het dispositief opgenomen, waardoor de toepassing ervan verder wordt vereenvoudigd.

Rechtstreeks op banken en beleggingsondernemingen toepasselijke prudentiële regelgeving is in het voorstel voor een verordening opgenomen. Het voorstel voor een richtlijn blijft de bepalingen bevatten die op de vergunningverlening aan kredietinstellingen, de uitoefening van de vrijheid van vestiging en het vrije verkeer van diensten betrekking hebben. Beleggingsondernemingen zouden niet onder deze bepalingen vallen, aangezien hun overeenkomstige rechten en plichten bij Richtlijn 2004/39/EG (de "MiFID") worden geregeld. Ook de voor de lidstaten en hun bevoegde autoriteiten geldende algemene beginselen betreffende het toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen zouden in de richtlijn blijven. Het betreft in het bijzonder de uitwisseling van informatie, de taakverdeling tussen de toezichthouders van de lidstaat van herkomst en de toezichthouders van de lidstaat van ontvangst, en de uitoefening van sanctiebevoegdheden (nieuw). De richtlijn zou ook nog steeds de bepalingen betreffende de toetsing van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen door de nationale bevoegde autoriteiten bevatten. Op grond van deze bepalingen worden de in de verordening vastgelegde algemene prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen aangevuld met individuele regelingen die door de bevoegde autoriteiten worden getroffen naar aanleiding van hun doorlopende toetsing van elke individuele kredietinstelling en beleggingsonderneming. In de richtlijn zou louter worden aangegeven welke regelingen toezichthouders kunnen treffen, aangezien de bevoegde autoriteiten in staat moeten zijn naar eigen inzicht regelingen op te leggen. Dit onderdeel van de richtlijn heeft ook betrekking op de in een kredietinstelling of beleggingsonderneming bestaande interne procedures inzake met name het risicomanagement, alsmede op de nieuwe vereisten inzake corporate governance.

5.2. Sancties

De lidstaten dienen erop toe te zien dat passende administratieve sancties en maatregelen kunnen worden opgelegd in geval van schendingen van de bankwetgeving. Daartoe zullen zij krachtens de richtlijn verplicht zijn de volgende minimumregels in acht te nemen.

Ten eerste moeten administratieve sancties en maatregelen kunnen worden getroffen ten aanzien van de natuurlijke en rechtspersonen die voor een schending verantwoordelijk zijn. Dit kunnen onder meer kredietinstellingen, beleggingsondernemingen en personen zijn, al naargelang het geval.

Ten tweede moeten bevoegde autoriteiten kunnen beschikken over een minimumreeks van administratieve sancties en maatregelen die kunnen worden getroffen ingeval er van schending van sleutelbepalingen van deze richtlijn en de verordening sprake is. Deze reeks dient de volgende sancties en maatregelen te omvatten: intrekking van de vergunning, stakingsbevel, publieke verklaring, ontslag van het bestuur en administratieve geldboeten.

Ten derde moet het maximumniveau van de in de nationale wetgeving vastgelegde administratieve geldboeten hoger zijn dan de winst die aan de schending wordt ontleend indien deze kan worden bepaald. Dat niveau mag hoe dan ook niet lager zijn dan het niveau dat in de richtlijn is vastgelegd (10% van de totale jaaromzet van de betrokken instelling ingeval het een rechtspersoon betreft, 5 miljoen EUR of 10% van het jaarinkomen ingeval het een natuurlijke persoon betreft).

Ten vierde dienen de criteria die de bevoegde autoriteiten in aanmerking nemen bij de vaststelling van de aard en de omvang van de sanctie die in een bepaald geval moet worden opgelegd, ten minste de in de richtlijn neergelegde criteria te omvatten (bv. winst die aan de schending wordt ontleend, verlies dat derden door de schending lijden, medewerkingsbereidheid van de verantwoordelijke persoon enz.).

Ten vijfde dienen de getroffen sancties en maatregelen te worden bekendgemaakt zoals in deze richtlijn wordt voorgeschreven.

Ten slotte dient te worden voorzien in een passende mechanisme om de melding van schendingen binnen kredietinstellingen en beleggingsondernemingen aan te moedigen.

Strafrechtelijke sancties vallen niet onder dit voorstel.

5.3. Corporate governance

Het leidinggevend orgaan van een kredietinstelling of beleggingsonderneming in zijn geheel genomen zou steeds genoeg tijd moeten uittrekken en over voldoende vaardigheden, kennis en ervaring moeten beschikken om inzicht te hebben in de bedrijfsactiviteiten van de kredietinstelling en in de voornaamste risico's waaraan zij is blootgesteld. Alle leden van het leidinggevend orgaan moeten als voldoende betrouwbaar bekend staan en beschikken over de nodige individuele kwaliteiten en onafhankelijkheid van geest waardoor zij in staat zijn op constructieve wijze tegen de besluiten van het bestuur op te komen en deze te controleren. Om groepsdenken te vermijden en een kritische ingesteldheid te bevorderen, dienen de raden van bestuur van kredietinstellingen te worden gekenmerkt door voldoende diversiteit wat leeftijd, geslacht, geografische herkomst, opleiding en professionele achtergrond betreft, zodat daarin een grote verscheidenheid aan standpunten en ervaringen is vertegenwoordigd. Vooral genderevenwicht is belangrijk om tot een correcte weerspiegeling van de demografische realiteit te komen.

Met het oog op een doeltreffend toezicht op en een effectieve beheersing van de risico's dient het leidinggevend orgaan verantwoordelijk te zijn en verantwoording af te leggen voor de algemene risicostrategie van de kredietinstelling of beleggingsonderneming en voor de adequaatheid van de risicomanagementsystemen, rekening houdend met het risicoprofiel van de kredietinstelling. Gezien het belang van een degelijk risicomanagement door kredietinstellingen dient het leidinggevend orgaan in zijn toezichtfunctie een afzonderlijke risicocommissie op te zetten die specifiek met risicovraagstukken is belast en besluiten van het leidinggevend orgaan over risicovraagstukken voorbereidt. De risicocommissie zou het leidinggevend orgaan bijstaan bij het risicotoezicht, maar dat orgaan zou wel de eindverantwoordelijkheid voor de te volgen risicostrategie blijven dragen.

Opdat de hoogste leiding en het leidinggevend orgaan een volledig beeld hebben van het risico, dienen kredietinstellingen en beleggingsondernemingen te beschikken over een onafhankelijke risocomanagementfunctie die in staat moet zijn zich een effectief en holistisch beeld te vormen van het hele scala aan risico's die een kredietinstelling loopt. De risicomanagementfunctie moet voldoende status en gezag hebben om strategische risicomanagementbeslissingen te beïnvloeden en dient directe toegang tot het leidinggevend orgaan te hebben.

5.4. Overdreven vertrouwen in externe ratings

Kredietinstellingen en beleggingsondernemingen moeten deugdelijke criteria voor de verlening van kredieten en degelijke kredietacceptatieprocedures hanteren. Dit geldt ongeacht of instellingen leningen aan cliënten toekennen, dan wel securitisatieposities innemen. In het kader van dergelijke procedures kan van externe ratings worden gebruikgemaakt, maar deze mogen slechts als een van de vele andere factoren worden beschouwd en geen overheersende rol spelen. De interne methodieken mogen met name niet uitsluitend of automatisch op externe ratings berusten.

Voor het verrichten van specifieke berekeningen van kapitaalvereisten voor banken kunnen kredietbeoordelingen van ratingbureaus in een aantal gevallen fungeren als uitgangspunt voor de differentiatie van kapitaalvereisten naargelang van de risico's, maar niet om de minimaal vereiste hoeveelheid kapitaal te bepalen. Het RKV-kader in zijn geheel stimuleert banken om zelfs voor het berekenen van kapitaalvereisten van interne veeleer dan van externe ratings gebruik te maken.

Kredietinstellingen en beleggingsondernemingen die aan materiële kredietrisico's zijn blootgesteld of een aanzienlijk aantal tegenpartijen hebben, zouden ertoe worden verplicht interne modellen te ontwikkelen en te hanteren in plaats van de op externe ratings gebaseerde standaardbenadering te volgen.

Daarnaast wordt voorgesteld dat de EBA jaarlijks informatie openbaar maakt over de maatregelen die instellingen en toezichthoudende autoriteiten hebben genomen om overdreven vertrouwen in externe ratings tegen te gaan, en tevens verslagen publiceert over de mate van toezichtconvergentie in dit opzicht.

5.5. Kapitaalbuffers

Op grond van Bazel III worden krachtens dit voorstel, bovenop de reeds geldende vereisten, de volgende twee kapitaalbuffers ingevoerd: een kapitaalinstandhoudingsbuffer en een anticyclische kapitaalbuffer.

De kapitaalinstandhoudingsbuffer vertegenwoordigt 2,5% van de risicogewogen activa, is te allen tijde van toepassing en moet uit kapitaal van de hoogste kwaliteit bestaan.

De buffer moet ervoor zorgen dat instellingen in staat zijn verliezen op te vangen in moeilijke tijden die zich over meerdere jaren kunnen uitstrekken. Van instellingen wordt verwacht dat zij in goede economische tijden een dergelijke kapitaalbuffer opbouwen. Aan kredietinstellingen waarvan de buffer tot onder de doelstelling daalt, zullen beperkingen met betrekking tot discretionaire winstuitkeringen worden opgelegd totdat de doelstelling wederom wordt gehaald.

Met de anticyclische kapitaalbuffer wordt de bredere macroprudentiële doelstelling beoogd de banksector en de reële economie te beschermen tegen systeembrede risico's die voortvloeien uit een door hoogten en laagten gekenmerkte totale kredietgroei en, meer in het algemeen, uit andere structurele variabelen en uit de blootstelling van de banksector aan alle andere risicofactoren die met risico's voor de financiële stabiliteit verband houden. Deze buffer zal de vorm aannemen van een extra marge ter grootte van maximaal 2,5% bovenop de kapitaalinstandhoudingsbuffer.

De anticyclische kapitaalbuffer wordt door de nationale autoriteiten vastgesteld voor leningen die in hun lidstaat aan natuurlijke en rechtspersonen worden verstrekt. De buffer kan worden vastgesteld op 0% à 2,5% van de risicogewogen activa en moet eveneens uit kapitaal van de hoogste kwaliteit bestaan. Indien zulks gerechtvaardigd is, kunnen autoriteiten zelfs een buffer van meer dan 2,5% vaststellen. De anticyclische kapitaalbuffer zal moeten worden aangelegd tijdens perioden van buitensporige kredietgroei. Bij een neergang kan er dan op worden ingeteerd. Het ESRB kan aanbevelingen doen betreffende de vaststelling en het monitoren van de buffer door de nationale autoriteiten, ook in gevallen waarin de buffer meer dan 2,5% bedraagt. Zolang de anticyclische kapitaalbuffer op minder dan 2,5% is vastgesteld, moeten lidstaten het kapitaalbeslag wederzijds erkennen en op banken op hun grondgebied toepassen. Voor het gedeelte van de buffer dat hoger is dan 2,5%, kunnen de autoriteiten kiezen: ofwel aanvaarden zij het oordeel van hun tegenhangers en passen zij het hogere percentage toe, ofwel handhaven zij het percentage op 2,5% voor instellingen waaraan in hun lidstaat vergunning is verleend.

Voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen waarvan het kapitaal tot onder de buffers daalt, zullen beperkingen gelden ten aanzien van winstuitkeringen, betalingen op aanvullende tier 1-instrumenten en de toekenning van variabele beloningen en uitkeringen uit hoofde van discretionaire pensioenen. Daarnaast zullen deze instellingen bij de toezichthoudende autoriteiten kapitaalinstandhoudingsplannen moeten indienen met het oog op een snelle wederaanvulling van hun buffers.

2011/0203 (COD)

Voorstel voor een

RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de toegang tot de werkzaamheden van kredietinstellingen en het bedrijfseconomisch toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende het aanvullende toezicht op kredietinstellingen, verzekeringsondernemingen en beleggingsondernemingen in een financieel conglomeraat

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 53, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van de Europese Centrale Bank [14],

Gezien het advies van de Europese toezichthouder voor gegevensbescherming [15],

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Richtlijn 2006/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen [16] en Richtlijn 2006/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen [17] (hierna "instellingen" genoemd) zijn herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd. Talrijke bepalingen van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG zijn zowel op kredietinstellingen als op beleggingsondernemingen van toepassing. Ter wille van de duidelijkheid en van een coherente toepassing van deze bepalingen is het wenselijk deze bepalingen bijeen te brengen in nieuwe wetgeving die zowel op kredietinstellingen als op beleggingsondernemingen van toepassing is. Met het oog op een betere toegankelijkheid dienen de bepalingen van de bijlagen bij deze richtlijnen in het dispositief van deze nieuwe wetgeving te worden opgenomen.

(2) De nieuwe wetgeving dient uit twee verschillende juridische instrumenten te bestaan. Deze richtlijn dient de bepalingen te bevatten die betrekking hebben op de vergunningverlening voor de bedrijfsuitoefening, de verwerving van gekwalificeerde deelnemingen, de uitoefening van de vrijheid van vestiging en van het recht van het vrij verrichten van diensten, en de bevoegdheden van de toezichthoudende autoriteiten van de lidstaat van herkomst en de lidstaat van ontvangst in dit verband, alsook de bepalingen inzake het aanvangskapitaal en de toetsing door toezichthouders van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen. Deze richtlijn heeft als voornaamste doel en onderwerp het coördineren van nationale bepalingen betreffende de toegang tot de werkzaamheden van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, de regelingen voor de governance van deze instellingen en het toezichtkader dat op hen van toepassing is. Afgezien van deze bepalingen, bevatten de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG ook voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen geldende prudentiële vereisten. Deze vereisten dienen te worden opgenomen in een verordening tot vaststelling van uniforme en rechtstreeks toepasselijke prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, daar dergelijke vereisten nauw verband houden met de werking van de financiële markten voor een aantal activa die door kredietinstellingen en beleggingsondernemingen worden aangehouden. Deze richtlijn moet bijgevolg samen met bovenbedoelde verordening worden gelezen. Beide juridische instrumenten samen zouden het rechtskader vormen dat van toepassing is op het bankbedrijf en op de prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen.

(3) De in Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] vastgelegde algemene prudentiële vereisten worden aangevuld met door de bevoegde autoriteiten te treffen individuele regelingen naar aanleiding van hun doorlopende toetsing van elke individuele kredietinstelling en beleggingsonderneming. In deze richtlijn zou alleen worden aangegeven welke regelingen toezichthouders kunnen treffen. De bevoegde autoriteiten moeten immers in staat zijn naar eigen inzicht regelingen op te leggen. Wat de individuele regelingen met betrekking tot de liquiditeit betreft, dienen de bevoegde autoriteiten rekening te houden met de beginselen die zijn vastgelegd in de richtsnoeren inzake liquiditeit die zijn bekendgemaakt door het Comité van Europese bankentoezichthouders [18].

(4) Krachtens Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten [19] is het beleggingsondernemingen waaraan door de bevoegde autoriteiten van hun lidstaat van herkomst vergunning is verleend en waarop door deze autoriteiten toezicht wordt gehouden, toegestaan in andere lidstaten bijkantoren te vestigen en daar vrij diensten te verrichten. Genoemde richtlijn voorziet derhalve in de coördinatie van de regels betreffende de vergunningverlening aan en de bedrijfsvoering van beleggingsondernemingen. In de richtlijn worden echter noch bedragen voor het aanvangskapitaal van dergelijke ondernemingen, noch een gemeenschappelijk kader voor de bewaking van de door deze ondernemingen gelopen risico's vastgesteld; de onderhavige richtlijn zou daarvoor zorgen.

(5) De onderhavige richtlijn vormt met betrekking tot de sector kredietinstellingen, ten aanzien van zowel de vrijheid van vestiging als het vrij verrichten van diensten, het essentiële instrument voor de totstandbrenging van de interne markt.

(6) De harmonische werking van de interne markt vereist, naast rechtsnormen, nauwe en regelmatige samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten en aanzienlijk grotere convergentie van hun regelgevings- en toezichtpraktijken.

(7) Bij Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit) [20] is de EBA opgezet. In deze richtlijn dient rekening te worden gehouden met de in genoemde verordening omschreven rol en functie van de EBA en met de procedures die moeten worden gevolgd bij het toevertrouwen van taken aan de EBA.

(8) De maatregelen tot coördinatie van het toezicht op kredietinstellingen, zowel voor de bescherming van de spaargelden als ter bewerkstelliging van gelijke concurrentievoorwaarden voor kredietinstellingen, moeten op alle kredietinstellingen van toepassing zijn. Hierbij dient echter rekening te worden gehouden met de objectieve verschillen in hun status en hun bij de nationale wetgevingen vastgestelde specifieke taken.

(9) Het toepassingsgebied van deze maatregelen moet derhalve zo ruim mogelijk zijn en alle instellingen bestrijken die terugbetaalbare gelden van het publiek in ontvangst nemen, in de vorm van deposito's of in andere vormen, zoals de permanente uitgifte van obligaties en andere vergelijkbare stukken, en voor eigen rekening kredieten verlenen. Uitzonderingen moeten echter worden gemaakt voor bepaalde kredietinstellingen waarop deze richtlijn niet van toepassing is. Deze richtlijn dient de toepassing van de nationale wetgevingen onverlet te laten wanneer hierin de mogelijkheid wordt geboden van aanvullende speciale vergunningen op grond waarvan de kredietinstellingen specifieke werkzaamheden kunnen verrichten of specifieke soorten transacties kunnen uitvoeren.

(10) Het is raadzaam de harmonisatie tot stand te brengen die noodzakelijk is om te komen tot een wederzijdse erkenning van vergunningen en van de stelsels van bedrijfseconomisch toezicht, waardoor één en dezelfde vergunning voor de gehele Unie geldig is en waarbij het beginsel geldt dat het bedrijfseconomisch toezicht door de lidstaat van herkomst wordt uitgeoefend.

(11) De beginselen van wederzijdse erkenning en van toezicht door de lidstaat van herkomst vereisen dat de bevoegde autoriteiten van elke lidstaat een vergunning weigeren of intrekken wanneer uit bepaalde gegevens, zoals de inhoud van het programma van werkzaamheden, de lokalisatie van de werkzaamheden of de werkelijk uitgeoefende werkzaamheden, op ondubbelzinnige wijze blijkt dat de kredietinstelling het rechtsstelsel van een lidstaat heeft gekozen om zich te onttrekken aan de strengere voorschriften van een andere lidstaat, waar zij het grootste deel van haar werkzaamheden uitoefent of voornemens is uit te oefenen. Wanneer dit niet ondubbelzinnig blijkt, maar de totale activa van de entiteiten in een bankgroep grotendeels gelokaliseerd zijn in een andere lidstaat, waarvan de bevoegde autoriteiten belast zijn met het toezicht op geconsolideerde basis, zou de verantwoordelijkheid voor de uitoefening van het toezicht op geconsolideerde basis enkel met toestemming van die bevoegde autoriteiten veranderd mogen worden.

(12) De bevoegde autoriteiten zouden geen vergunning aan een kredietinstelling mogen verlenen of handhaven wanneer de nauwe banden die tussen deze instelling en andere natuurlijke of rechtspersonen bestaan, van dien aard zijn dat zij een belemmering vormen voor de juiste uitoefening van hun toezichtstaken. Kredietinstellingen waaraan reeds vergunning is verleend, moeten de bevoegde autoriteiten eveneens voldoening schenken wat dergelijke nauwe banden betreft.

(13) Met "juiste uitoefening van de toezichtstaken door de autoriteiten" wordt ook gedoeld op het toezicht op geconsolideerde basis, dat op een kredietinstelling of beleggingsonderneming dient te worden uitgeoefend wanneer de rechtsregels van de Unie een dergelijk toezicht voorschrijven. In zulke gevallen moeten de autoriteiten waaraan om een vergunning is gevraagd, de autoriteiten kunnen identificeren die bevoegd zijn voor de uitoefening van het toezicht op geconsolideerde basis op deze kredietinstelling of beleggingsonderneming.

(14) Het moet kredietinstellingen waaraan in hun lidstaat van herkomst vergunning is verleend, worden toegestaan alle werkzaamheden die in de in bijlage I bij deze richtlijn opgenomen lijst zijn vermeld, of een deel daarvan, door vestiging van een bijkantoor of het verrichten van diensten overal in de Unie uit te oefenen.

(15) Het is dienstig de wederzijdse erkenning ook te laten gelden voor de werkzaamheden die in voornoemde lijst zijn opgenomen wanneer zij worden verricht door een financiële instelling die een dochteronderneming is van een kredietinstelling, mits deze dochteronderneming is opgenomen onder het toezicht op geconsolideerde basis waaraan haar moederonderneming is onderworpen, en aan strenge voorwaarden voldoet.

(16) De lidstaat van ontvangst moet voor de uitoefening van het recht van vestiging en van het vrij verrichten van diensten kunnen eisen dat de specifieke voorschriften van zijn wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen worden nageleefd door instellingen die in hun lidstaat van herkomst geen vergunning als kredietinstelling hebben ontvangen, dan wel ten aanzien van werkzaamheden die niet in voornoemde lijst voorkomen, voor zover deze voorschriften niet al door Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] worden bestreken, verenigbaar zijn met het Unierecht en worden ingegeven door het algemeen belang, en deze instellingen, respectievelijk werkzaamheden niet op grond van de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaat van herkomst aan gelijkwaardige regels onderworpen zijn.

(17) In aanvulling op Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau], waarin rechtstreeks toepasselijke prudentiële voorschriften voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen zijn neergelegd, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat er geen enkele belemmering is voor de uitoefening, op dezelfde wijze als in de lidstaat van herkomst, van de werkzaamheden die onder de wederzijdse erkenning vallen, voor zover zij niet in strijd zijn met de geldende wettelijke bepalingen van algemeen belang van de lidstaat van ontvangst.

(18) De regeling voor bijkantoren van kredietinstellingen met hoofdkantoor buiten de Unie zou in alle lidstaten analoog moeten zijn. Er moet worden bepaald dat deze regeling niet gunstiger mag zijn dan voor bijkantoren van kredietinstellingen uit een andere lidstaat. De Unie moet met derde landen overeenkomsten kunnen sluiten die voorzien in de toepassing van bepalingen krachtens welke voor deze bijkantoren op haar gehele grondgebied een gelijke behandeling geldt. De bijkantoren van kredietinstellingen met hoofdkantoor buiten de Unie mogen niet in aanmerking komen voor het vrij verrichten van diensten en evenmin voor de vrijheid van vestiging in andere lidstaten dan die waarin zij gevestigd zijn.

(19) Tussen de Unie en derde landen dienen overeenkomsten te worden gesloten om de concrete toepassing van geconsolideerd toezicht op een zo breed mogelijke geografische basis mogelijk te maken.

(20) De verantwoordelijkheid voor het toezicht op de financiële soliditeit en met name de solvabiliteit van een kredietinstelling dient voortaan te berusten bij de lidstaat van herkomst van de instelling. Met betrekking tot het toezicht op het marktrisico moet er een nauwere samenwerking bestaan tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst en die van de lidstaat van ontvangst.

(21) De autoriteiten van de lidstaat van ontvangst dienen informatie te verkrijgen over de werkzaamheden die op hun grondgebied worden uitgeoefend. De autoriteiten van de lidstaat van herkomst dienen toezichtmaatregelen te nemen, tenzij de autoriteiten van de lidstaat van ontvangst conservatoire maatregelen moeten treffen.

(22) De harmonische werking van de interne bankmarkt vereist, naast rechtsnormen, nauwe en regelmatige samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten en een veel grotere convergentie van hun regelgevings- en toezichtpraktijken. Te dien einde moet de behandeling van problemen betreffende individuele kredietinstellingen en de onderlinge uitwisseling van informatie geschieden via de EBA. Deze procedure voor de uitwisseling van gegevens mag in geen geval in de plaats treden van de bilaterale samenwerking. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst moeten steeds, hetzij op eigen initiatief, hetzij op initiatief van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst, in dringende gevallen kunnen nagaan of de werkzaamheden van een kredietinstelling op haar grondgebied in overeenstemming zijn met de wet, en met de beginselen van goede administratieve en boekhoudkundige procedures en van adequate internecontrolemaatregelen.

(23) Het is dienstig de mogelijkheid toe te staan van uitwisseling van informatie tussen de bevoegde autoriteiten en autoriteiten of organen die uit hoofde van hun functie bijdragen tot de stabiliteit van het financiële stelsel. Teneinde het vertrouwelijke karakter van de doorgegeven informatie te bewaren, moet de lijst van geadresseerden daarvan strikt beperkt blijven.

(24) Bepaalde praktijken, zoals fraude of handel met voorkennis, kunnen de stabiliteit en integriteit van het financiële stelsel aantasten. Bepaald moet worden onder welke voorwaarden de uitwisseling van informatie in dergelijke gevallen is toegestaan.

(25) Wanneer is bepaald dat informatie alleen met de uitdrukkelijke toestemming van de bevoegde autoriteiten mag worden doorgegeven, mogen deze autoriteiten aan hun instemming strikte voorwaarden verbinden.

(26) Ook dient uitwisseling van informatie te worden toegestaan tussen enerzijds de bevoegde autoriteiten en anderzijds centrale banken en andere organen met een soortgelijke taak in hun hoedanigheid van monetaire autoriteit, alsmede, in voorkomend geval, andere voor het toezicht op betalingssystemen verantwoordelijke overheidsinstanties en centrale overheidsdiensten.

(27) Ter versterking van het bedrijfseconomische toezicht op instellingen en ter bescherming van de cliënten van kredietinstellingen moeten met de wettelijke controle van de jaarrekeningen belaste personen de bevoegde autoriteiten terstond in kennis stellen wanneer zij in de uitvoering van hun taken kennis krijgen van bepaalde feiten die van dien aard zijn dat zij de financiële positie of de administratieve en boekhoudkundige organisatie van een instelling ernstig kunnen aantasten. Om dezelfde reden moeten de lidstaten ook bepalen dat deze verplichting in alle gevallen geldt wanneer dergelijke feiten door een met de wettelijke controle van de jaarrekening belast persoon worden geconstateerd in de uitvoering van zijn taken bij een onderneming die nauwe banden met een kredietinstelling heeft. De aan de met de wettelijke controle van de jaarrekening belaste personen opgelegde verplichting om in voorkomend geval aan de bevoegde autoriteiten mededeling te doen van bepaalde feiten en besluiten met betrekking tot een instelling, welke zij in de uitvoering van hun taken bij een niet-financiële onderneming constateren, mag op zich geen wijziging inhouden van de aard van hun taken bij deze onderneming, en evenmin van de wijze waarop zij zich van hun taken bij die onderneming dienen te kwijten.

(28) Opdat instellingen, de personen die hun bedrijf feitelijk leiden en de leden van het leidinggevend orgaan van de instellingen aan de uit deze richtlijn en Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] voortvloeiende verplichtingen voldoen en in de gehele Unie op dezelfde wijze worden behandeld, dient van de lidstaten te worden verlangd dat zij voorzien in administratieve sancties en maatregelen die doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. Daarom moeten de door de lidstaten vastgestelde administratieve maatregelen en sancties aan bepaalde essentiële vereisten voldoen op het gebied van adressaten, in aanmerking te nemen criteria bij het opleggen van een sanctie of maatregel, bekendmaking van sancties of maatregelen, essentiële sanctiebevoegdheden en omvang van administratieve geldboeten.

(29) De bevoegde autoriteiten moeten met name worden gemachtigd om geldboeten op te leggen die hoog genoeg zijn om de te verwachten winsten teniet te doen en die zelfs op grotere instellingen en de bestuurders daarvan een afschrikkend effect hebben.

(30) Teneinde een consistente toepassing van de sancties in alle lidstaten te garanderen, dient van hen te worden verlangd dat zij er zorg voor dragen dat de bevoegde autoriteiten bij de vaststelling van de aard van de administratieve sancties of maatregelen en van de omvang van de administratieve geldboeten alle relevante omstandigheden in aanmerking nemen.

(31) Om te garanderen dat sancties een afschrikkend effect hebben op het grote publiek, dienen zij steeds te worden bekendgemaakt, behalve in bepaalde welomschreven omstandigheden.

(32) De bevoegde autoriteiten dienen over de nodige onderzoeksbevoegdheden te beschikken om mogelijke schendingen op te sporen, en dienen tevens doeltreffende mechanismen op te zetten om de melding van mogelijke of feitelijke schendingen aan te moedigen. Deze mechanismen mogen geen afbreuk doen aan adequate waarborgen voor beschuldigden.

(33) Deze richtlijn dient betrekking te hebben op zowel administratieve sancties als maatregelen, zodat alle acties worden bestreken die worden ondernomen nadat een schending heeft plaatsgevonden, en die bedoeld zijn om verdere schendingen te voorkomen, ongeacht of deze in nationaal recht als een sanctie dan wel als een maatregel worden aangemerkt.

(34) Deze richtlijn dient alle in de wetgeving van de lidstaten voorkomende bepalingen met betrekking tot strafrechtelijke sancties onverlet te laten.

(35) De lidstaten dienen er zorg voor te dragen dat kredietinstellingen en beleggingsondernemingen een intern vermogen hebben dat qua omvang, kwaliteit en verdeling is afgestemd op de risico's waaraan ze blootgesteld zijn of kunnen worden. Derhalve moeten de lidstaten erop toezien dat kredietinstellingen en beleggingsondernemingen beschikken over strategieën en procedures om de toereikendheid van hun intern vermogen te beoordelen en dit vermogen op peil te houden.

(36) De bevoegde autoriteiten moet worden opgedragen erop toe te zien dat de organisatie en het eigen vermogen van instellingen zijn afgestemd op de risico's waaraan deze blootgesteld zijn of kunnen worden. In dat verband kunnen de nationale bevoegde autoriteiten ook rekening houden met de risico's waaraan een deel van de balansen van de instellingen onderhevig zijn om een passend niveau voor het eigen vermogen vast te stellen.

(37) Om ervoor te zorgen dat kredietinstellingen die in meerdere lidstaten actief zijn, niet onevenredig zwaar worden belast doordat de autoriteiten die bevoegd zijn voor de verlening van vergunningen en voor de uitoefening van toezicht, hun taken op nationaal niveau blijven uitvoeren, is het van essentieel belang dat de samenwerking tussen deze autoriteiten sterk wordt geïntensiveerd. In dit verband moet de rol van de consoliderende toezichthouder worden versterkt. De EBA moet ervoor zorgen dat een dergelijke samenwerking duidelijker gestalte krijgt.

(38) Om overal in de Unie marktdiscipline te waarborgen, is het raadzaam dat de bevoegde autoriteiten informatie bekendmaken over de bedrijfsvoering van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen. Deze informatie moet uitgebreid genoeg zijn om een vergelijking mogelijk te maken tussen de door de verschillende bevoegde autoriteiten van de lidstaten gevolgde benaderingen, en tevens complementair zijn aan de vereisten van de verordening betreffende de openbaarmaking van technische informatie door instellingen.

(39) Het toezicht op instellingen op geconsolideerde basis heeft ten doel de belangen van de deposanten en beleggers van instellingen te beschermen en de stabiliteit van het financiële stelsel te waarborgen. Om doeltreffend te zijn, moet het toezicht op geconsolideerde basis kunnen worden uitgeoefend op alle bankgroepen, met inbegrip van die waarvan de moederonderneming geen kredietinstelling of beleggingsonderneming is. De lidstaten dienen de bevoegde autoriteiten met de nodige juridische instrumenten toe te rusten opdat zij een dergelijk toezicht kunnen uitoefenen.

(40) Voor groepen met gespreide activiteiten waarvan de moederonderneming de zeggenschap heeft over ten minste één dochteronderneming, moeten de bevoegde autoriteiten in staat zijn de financiële situatie van een kredietinstelling of beleggingsonderneming in groepsverband te beoordelen. De bevoegde autoriteiten moeten ten minste beschikken over middelen om van alle ondernemingen van de groep de gegevens te verkrijgen die nodig zijn om hun taak te kunnen vervullen. Voor groepen van ondernemingen die uiteenlopende financiële activiteiten uitoefenen, moet tussen de voor het toezicht op de verschillende financiële sectoren verantwoordelijke autoriteiten een vorm van samenwerking worden ingesteld.

(41) De lidstaten moeten een bankvergunning kunnen weigeren of intrekken in het geval van bepaalde groepsstructuren die zij voor het uitoefenen van bankactiviteiten ongeschikt achten omdat op deze activiteiten onvoldoende toezicht kan worden uitgeoefend. De bevoegde autoriteiten moeten ten dezen over de nodige bevoegdheden beschikken om een gezonde en prudente bedrijfsvoering van kredietinstellingen te waarborgen.

(42) Bij het mandaat van de bevoegde autoriteiten moet op passende wijze de Uniedimensie meewegen. De bevoegde autoriteiten moeten daarom naar behoren rekening houden met de gevolgen van hun beslissingen voor de stabiliteit van het financiële stelsel in alle andere betrokken lidstaten. Onverminderd het nationale recht behelst dit beginsel niet dat de bevoegde autoriteiten aan een specifieke resultaatsverbintenis moeten worden gehouden, maar is het veeleer bedoeld om de financiële stabiliteit in de gehele Unie te bevorderen.

(43) Tekortkomingen in de corporate governance van een aantal instellingen hebben ertoe bijgedragen dat in de banksector buitensporige en onverantwoorde risico's zijn genomen die tot de ondergang van individuele instellingen hebben geleid en niet alleen in de lidstaten maar in de hele wereld systeemproblemen hebben veroorzaakt. De zeer algemene bepalingen inzake de governance van instellingen en het niet-bindende karakter van een aanzienlijk deel van het corporate-governancekader, dat hoofdzakelijk op vrijwillige gedragscodes is gebaseerd, heeft de effectieve implementatie van deugdelijke corporate-governancepraktijken door instellingen niet bepaald vergemakkelijkt. Het ontbreken van doeltreffende controlemechanismen binnen de instellingen resulteerde in een gebrekkig toezicht op de besluitvorming van het bestuur, wat kortzichtige en te riskante bestuursstrategieën in de hand heeft gewerkt. De heersende onduidelijkheid over de rol die bevoegde autoriteiten bij het toezicht op coporate-governancesystemen van instellingen spelen, verhinderde de uitoefening van een afdoende toezicht op de doeltreffendheid van interne governanceprocedures.

(44) Om de mogelijk schadelijke gevolgen van onvolkomen vormgegeven corporate-governanceregelingen voor een degelijk risicomanagement aan te pakken, dienen de lidstaten beginselen en normen in te voeren teneinde een doeltreffend toezicht door het leidinggevend orgaan te garanderen, een gezonde risicocultuur op alle niveaus van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen te bevorderen en bevoegde autoriteiten in staat te stellen de adequaatheid van interne governanceregelingen te monitoren. Bij de toepassing van deze beginselen en normen dient rekening te worden gehouden met de aard, schaal en complexiteit van de werkzaamheden van instellingen.

(45) Om maatregelen en beslissingen van het bestuur effectief te kunnen monitoren, dient het leidinggevend orgaan van een instelling voldoende tijd te besteden aan de vervulling van zijn taken en bekend te zijn met de bedrijfsactiviteiten van de instelling, de voornaamste risico's waaraan zij is blootgesteld, en de gevolgen van de bedrijfs- en de risicostrategie. Het gelijktijdig combineren van een te groot aantal bestuursmandaten zou een lid van het leidinggevend orgaan kunnen beletten genoeg tijd uit te trekken voor het vervullen van zijn toezichtrol. Daarom is het noodzakelijk het aantal mandaten te beperken dat een lid van het leidinggevend orgaan van een instelling tegelijkertijd in verschillende entiteiten mag uitoefenen.

(46) Het feit dat raden van bestuur verzuimen bestuursbeslissingen te monitoren, is ten dele te wijten aan het verschijnsel van het groepsdenken. Dat verschijnsel wordt onder meer veroorzaakt door een gebrek aan diversiteit in de samenstelling van de raden van bestuur. Om een onafhankelijke meningsvorming en een kritische ingesteldheid te bevorderen, dienen de raden van bestuur van instellingen derhalve te worden gekenmerkt door voldoende diversiteit wat leeftijd, geslacht, geografische herkomst, opleiding en professionele achtergrond betreft, zodat daarin een grote verscheidenheid aan standpunten en ervaringen is vertegenwoordigd. Vooral genderevenwicht is belangrijk om tot een correcte vertegenwoordiging van de bevolking te komen. Door een grotere verscheidenheid gekenmerkte raden van bestuur zouden het bestuur effectiever monitoren en aldus bijdragen tot een beter risicotoezicht en een grotere weerbaarheid van de instellingen. Diversiteit dient bijgevolg een van de criteria te zijn die een rol speelt in de samenstelling van raden van bestuur.

(47) Een beloningsbeleid dat aanspoort tot het nemen van buitensporige risico's kan een degelijk en doeltreffend risicomanagement van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen ondermijnen. De G-20 heeft zich ertoe verbonden de "Principles for Sound Compensation Practices and Implementing Standards" van de Financial Stability Board (FSB) (de FSB-beginselen en –normen) toe te passen; deze FSB-beginselen en –normen pakken de mogelijk schadelijke gevolgen aan van onvolkomen vormgegeven beloningsstructuren voor een degelijk risicomanagement en een degelijke controle van het risicogedrag van individuele personen. Met deze richtlijn wordt beoogd op Europees niveau aan internationale beginselen en normen uitvoering te geven door de introductie van een uitdrukkelijke verplichting voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen om voor de categorieën van medewerkers wier beroepsactiviteiten hun risicoprofiel materieel beïnvloeden, een beloningsbeleid en een beloningscultuur vast te stellen en in stand te houden die tot een doeltreffend risicomanagement bijdragen.

(48) Om ervoor te zorgen dat kredietinstellingen en beleggingsondernemingen over een degelijk beloningsbeleid beschikken, verdient het aanbeveling duidelijke beginselen inzake governance en de structuur van het beloningsbeleid te specificeren. Het beloningsbeleid dient met name te stroken met de risicobereidheid, waarden en langetermijnbelangen van de kredietinstelling of beleggingsonderneming. Te dien einde moeten prestatiegerelateerde beloningscomponenten worden beoordeeld op basis van prestaties op langere termijn, rekening houdend met de bestaande en toekomstige risico's die aan deze prestaties verbonden zijn. Om ervoor te zorgen dat de vormgeving van het beloningsbeleid deel uitmaakt van het risicomanagement van de kredietinstelling, dient het leidinggevend orgaan in zijn toezichtfunctie het bestaande beloningsbeleid goed te keuren en regelmatig te toetsen. De bepalingen inzake beloningen weerspiegelen de verschillen tussen de diverse soorten kredietinstellingen en beleggingsondernemingen op evenredige wijze, naar gelang van hun omvang, interne organisatie en de aard, reikwijdte en complexiteit van hun werkzaamheden, en in het bijzonder in de gevallen waarin het voor bepaalde soorten beleggingsondernemingen wellicht niet in verhouding is om alle beginselen na te leven.

(49) Aangezien onvolkomen vormgegeven beloningsbeleidslijnen en bonusregelingen de risico’s waaraan kredietinstellingen en beleggingsondernemingen zijn blootgesteld tot een onaanvaardbare omvang kunnen doen toenemen, moet er onmiddellijk bijsturend, en zo nodig ook met passende corrigerende maatregelen, worden opgetreden. Het is dan ook raadzaam om erop toe te zien dat bevoegde autoriteiten bij machte zijn om de betrokken entiteiten kwalitatieve of kwantitatieve maatregelen op te leggen waarmee wordt beoogd de problemen aan te pakken die in het kader van de toetsing door de toezichthouder met betrekking tot het beloningsbeleid zijn geconstateerd.

(50) De bepalingen inzake beloningen mogen geen afbreuk doen aan de volledige uitoefening van de fundamentele rechten die door de bepalingen van artikel 153, lid 5, VWEU worden gegarandeerd, aan de algemene beginselen van nationaal overeenkomstenrecht en arbeidsrecht, aan toepasselijke wetgeving inzake rechten van aandeelhouders en de algemene verantwoordelijkheden van de leidinggevende organen van de instelling in kwestie, en evenmin aan de eventuele rechten van de sociale partners om collectieve arbeidsovereenkomsten te sluiten en te bekrachtigen, overeenkomstig nationaal recht en gebruiken.

(51) Kapitaalvereisten voor het kredietrisico en het marktrisico mogen alleen op externe ratings worden gebaseerd voor zover zulks noodzakelijk is. Ingeval er van een materieel kredietrisico sprake is, dienen instellingen er bijgevolg in het algemeen naar te streven interneratingbenaderingen of interne modellen te hanteren. Bij een minder materieel kredietrisico kan evenwel van op externe ratings berustende standaardbenaderingen worden gebruikgemaakt; dat is doorgaans het geval voor minder kundige instellingen, categorieën vorderingen die geen noemenswaardige omvang hebben, dan wel in situaties waarin de toepassing van interne benaderingen te belastend zou zijn.

(52) Wat het toezicht op de liquiditeit betreft, dient de verantwoordelijkheid bij de lidstaten van herkomst te berusten zodra gedetailleerde criteria voor het liquiditeitsdekkingsvereiste van toepassing zijn. Daarom is het noodzakelijk het toezicht op dit terrein te coördineren om er tegen die tijd voor te zorgen dat het toezicht door de lidstaat van herkomst wordt uitgeoefend. Om een doeltreffend toezicht te garanderen, dienen de autoriteiten van de lidstaat van herkomst en van de lidstaat van ontvangst verder samen te werken wat liquiditeit betreft.

(53) Wanneer binnen een groep liquide activa van de ene instelling in stresssituaties de liquiditeitsbehoeften van een ander lid van de groep opvangen, dienen de bevoegde autoriteiten de instelling van liquiditeitsdekkingsvereisten vrij te stellen en deze vereisten in plaats daarvan op geconsolideerde basis toe te passen.

(54) Overeenkomstig Richtlijn 2001/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 april 2011 betreffende de sanering en de liquidatie van kredietinstellingen [21] genomen maatregelen mogen niet strijdig zijn met maatregelen die op grond van deze richtlijn worden getroffen. Toezichtmaatregelen mogen niet leiden tot discriminatie tussen schuldeisers van verschillende lidstaten.

(55) In het licht van de financiële crisis en van de procyclische mechanismen die tot het ontstaan van deze crisis hebben bijgedragen en het effect ervan hebben verergerd, hebben de FSB, het Bazelse Comité en de G-20 aanbevelingen gedaan om de procyclische effecten van de financiële regelgeving af te zwakken . In december 2010 heeft het Bazelse Comité nieuwe wereldwijde reguleringsnormen voor de toereikendheid van het bankkapitaal uitgevaardigd. Deze normen omvatten onder meer regels die het aanhouden van kapitaalinstandhoudingsbuffers en anticyclische kapitaalbuffers voorschrijven.

(56) Het is bijgevolg passend van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen te verlangen dat zij, naast de inachtneming van andere eigenvermogensvereisten, ook een kapitaalinstandhoudingsbuffer en een anticyclische kapitaalbuffer aanhouden om te garanderen dat zij tijdens perioden van economische groei een kapitaalbasis opbouwen die groot genoeg is om in moeilijke tijden verliezen op te vangen. De anticyclische kapitaalbuffer zou moeten worden aangelegd wanneer wordt geoordeeld dat de totale kredietgroei met het ontstaan van een systeembreed risico gepaard gaat; gedurende moeilijke tijden zou dan op deze buffer kunnen worden ingeteerd.

(57) Om te waarborgen dat anticyclische buffers het aan buitensporige kredietgroei verbonden risico voor de banksector naar behoren weergeven, dienen kredietinstellingen en beleggingsondernemingen hun instellingsspecifieke buffers te berekenen als het gewogen gemiddelde van de anticyclische bufferpercentages die van toepassing zijn op de landen waar hun kredietrisico's gelokaliseerd zijn. Elke lidstaat dient daarom een autoriteit aan te wijzen die verantwoordelijk is voor de driemaandelijkse vaststelling van het percentage van de anticyclische kapitaalbuffer voor in de betrokken lidstaat gelokaliseerde risico's. In dat bufferpercentage dient rekening te worden gehouden met de kredietgroei en met veranderingen in het verleende krediet als percentage van het bbp in de betrokken lidstaat, alsook met alle andere variabelen die relevant zijn voor de risico's voor de financiële stabiliteit.

(58) Ter bevordering van de internationale consistentie bij de vaststelling van de anticyclische kapitaalbufferpercentages heeft het Bazelse Comité een methodiek ontwikkeld die gebaseerd is op de verhouding tussen de kredietverlening en het bbp. Deze methodiek dient te fungeren als gemeenschappelijk uitgangspunt voor de besluitvorming van de betrokken nationale autoriteiten ten aanzien van bufferpercentages, maar mag niet tot een automatische vaststelling van de buffer leiden; de aangewezen autoriteit mag er evenmin door gebonden zijn. De aangewezen autoriteiten kunnen met name ook rekening houden met structurele variabelen en met de blootstelling van de banksector aan andere risicofactoren die met risico's voor de financiële stabiliteit samenhangen.

(59) Om een coherente toepassing en een macroprudentieel toezicht in de gehele Unie te garanderen, is het passend dat het Europees Comité voor systeemrisico's (European Systemic Risk Board – ESRB) op de economie van de Unie toegesneden beginselen ontwikkelt en verantwoordelijk is voor het monitoren van de toepassing daarvan. Deze richtlijn mag het ESRB niet beletten alle maatregelen te nemen die het op grond van Verordening (EU) nr. 1092/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 betreffende macroprudentieel toezicht van de Europese Unie op het financiële stelsel en tot oprichting van een Europees Comité voor systeemrisico's [22] nodig acht.

(60) Het verdient aanbeveling dat de besluitvorming van lidstaten ten aanzien van anticyclische bufferpercentages zo veel mogelijk wordt gecoördineerd. In dat verband kan het ESRB op verzoek van de nationale autoriteiten hun onderlinge besprekingen over voorgenomen bufferpercentages faciliteren. Om een consequente benadering te bevorderen van de factoren waarop aangewezen autoriteiten de bovenbedoelde besluitvorming baseren, en om te garanderen dat de vaststelling van anticyclische bufferpercentages consistent is met de fundamentele beginselen van de interne markt, dient ook van de aangewezen autoriteiten te worden verlangd dat zij het ESRB en de EBA ervan in kennis stellen telkens als zij met andere variabelen dan de afwijking van de krediet/bbp-ratio ten opzichte van zijn langetermijntrend en niet met de desbetreffende richtsnoeren van het ESRB rekening houden, en als gevolg daarvan een hoger bufferpercentage vaststellen dan het geval zou zijn geweest mocht niet met deze andere variabelen rekening zijn gehouden. Een dergelijke kennisgeving moet het ESRB en de EBA de gelegenheid bieden de aard van die variabelen te beoordelen en na te gaan of de vaststelling van het bufferpercentage strookt met de beginselen van de interne markt.

(61) Ingeval een kredietinstelling of beleggingsonderneming de vereiste kapitaalinstandhoudingsbuffer en eventuele aanvullende anticyclische buffer niet volledig in acht neemt, moeten aan de instelling of onderneming maatregelen worden opgelegd om te garanderen dat zij haar eigen vermogen tijdig wederom op het vereiste niveau brengt. Om het kapitaal in stand te houden, is het raadzaam evenredige beperkingen te stellen aan discretionaire winstuitkeringen, met inbegrip van betalingen van dividenden en van variabele beloningen. Teneinde te garanderen dat dergelijke instellingen of ondernemingen een geloofwaardige strategie volgen om hun eigen vermogen weer op peil te brengen, moeten zij ertoe worden verplicht een kapitaalinstandhoudingsplan op te stellen en met de bevoegde autoriteiten overeen te komen. Daarin dient te worden aangegeven hoe de beperkingen op de uitkeringen zullen worden toegepast en welke andere maatregelen de instelling of onderneming voornemens is te treffen om volledig aan de buffervereisten te voldoen.

(62) De uitvaardiging van technische normen op het gebied van financiële diensten moet resulteren in een consistente harmonisatie en adequate bescherming van deposanten, beleggers en consumenten in de gehele Unie. Het zou efficiënt en passend zijn om de EBA, als orgaan met hooggespecialiseerde expertise, te belasten met de uitwerking van aan de Commissie voor te leggen ontwerpen van technische regulerings- en uitvoeringsnormen die geen beleidskeuzen inhouden.

(63) De Commissie dient door middel van gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 290 VWEU en in overeenstemming met de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 de op de volgende terreinen door de EBA ontwikkelde ontwerpen van technische reguleringsnormen vast te stellen: toestaan van verwervingen van significante deelnemingen in kredietinstellingen, uitwisseling van informatie tussen bevoegde autoriteiten, uitoefening van de vrijheid van vestiging en van het recht tot het vrij verrichten van diensten, samenwerking tussen toezichthouders, governance, beloningsbeleid en internecontroleprocedures van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, toezicht op gemengde financiële holdings en toetsing door de toezichthouder.

(64) Aan de Commissie moet tevens de bevoegdheid worden toegekend door middel van uitvoeringshandelingen overeenkomstig artikel 291 VWEU en in overeenstemming met artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 technische uitvoeringsnormen vast te stellen op de volgende terreinen: toestaan van verwervingen van significante deelnemingen in kredietinstellingen, uitwisseling van informatie tussen bevoegde autoriteiten, samenwerking tussen toezichthouders, specifieke prudentiële vereisten en openbaarmaking van informatie door toezichthoudende autoriteiten. De EBA dient te worden belast met de uitwerking van aan de Commissie voor te leggen technische uitvoeringsnormen.

(65) Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze richtlijn, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren [23].

(66) Met het oog op de nadere uitwerking van de in deze richtlijn vervatte voorschriften moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van de verduidelijking van de in deze richtlijn gehanteerde definities en begrippen, de uitbreiding van de in de bijlage opgenomen lijst van werkzaamheden die onder de wederzijdse erkenning vallen, de verbetering van de uitwisseling van informatie over bijkantoren van kredietinstellingen en de aanpassing van de bepalingen die op interne regelingen, procedures en mechanismen betrekking hebben. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau.

(67) De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad.

(68) Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) [24] is van toepassing wanneer gekwalificeerde deelnemingen in een kredietinstelling worden verworven.

(69) Verwijzingen in bestaande nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen naar de bij deze richtlijn ingetrokken richtlijnen gelden als verwijzingen naar deze richtlijn.

(70) In Richtlijn 2007/64/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 betreffende betalingsdiensten in de interne markt tot wijziging van de Richtlijnen 97/7/EG, 2002/65/EG, 2005/60/EG en 2006/48/EG, en tot intrekking van Richtlijn 97/5/EG [25], Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) [26], Richtlijn 2009/110/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het prudentieel toezicht op de werkzaamheden van instellingen voor elektronisch geld, tot wijziging van de Richtlijnen 2005/60/EG en 2006/48/EG en tot intrekking van Richtlijn 2000/46/EG [27], Richtlijn 2002/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 betreffende het aanvullende toezicht op kredietinstellingen, verzekeringsondernemingen en beleggingsondernemingen in een financieel conglomeraat [28], en Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2003/41/EG en 2009/65/EG en van de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 1095/2010 wordt verwezen naar bepalingen van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG die op eigenvermogensvereisten betrekking hebben en die thans in Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] zijn opgenomen. De in deze richtlijnen voorkomende verwijzingen naar de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG gelden derhalve als verwijzingen naar de in deze verordening vervatte bepalingen die de eigenvermogensvereisten regelen.

(71) Om ervoor te zorgen dat technische normen kunnen worden ontwikkeld die garanderen dat van een financieel conglomeraat deel uitmakende instellingen de geëigende berekeningsmethoden toepassen voor de bepaling van het vereiste kapitaal op geconsolideerde basis, moet Richtlijn 2002/87/EG dienovereenkomstig worden aangepast.

(72) Om de effectiviteit van de interne bankmarkt te vergroten en de burgers van de Unie voldoende transparantie te bieden, is het noodzakelijk dat de bevoegde autoriteiten bekendmaken hoe zij deze richtlijn ten uitvoer hebben gelegd. Dit dient zodanig te geschieden dat een zinvolle vergelijking mogelijk wordt.

(73) Wat het liquiditeitstoezicht betreft, dient te worden voorzien in een periode waarin de lidstaten overgaan naar een toezicht- en regelgevingskader waarin gedetailleerde criteria voor het liquiditeitsdekkingsvereiste van toepassing zijn.

(74) Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens [29] en Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens [30] dienen geheel van toepassing te zijn op de verwerking van persoonsgegevens voor de doeleinden van deze richtlijn.

(75) Aangezien de doelstellingen van deze richtlijn, te weten de vaststelling van voorschriften voor de toegang tot de werkzaamheden van kredietinstellingen en het bedrijfseconomisch toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve vanwege de omvang en de gevolgen van het vooropgestelde optreden beter op het niveau van de Europese Unie (hierna de "Unie" genoemd) kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in dat artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken.

(76) De verplichting tot omzetting van deze richtlijn in nationaal recht dient te worden beperkt tot de bepalingen die ten opzichte van de vorige richtlijnen materieel zijn gewijzigd.

(77) Richtlijn 2006/48/EG betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen en Richtlijn 2006/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 moeten bijgevolg worden ingetrokken,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

INHOUDSOPGAVE

Titel I Onderwerp, toepassingsgebied en definities (...)33

Titel II Bevoegde autoriteiten (...)37

Titel III Voorwaarden voor de toegang tot de werkzaamheden van kredietinstellingen (...)39

Hoofdstuk 1 Algemene voorwaarden voor de toegang tot de werkzaamheden van kredietinstellingen (...)39

Hoofdstuk 2 Gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling (...)45

Titel IV Aanvangskapitaal van beleggingsondernemingen (...)51

Titel V Bepalingen betreffende de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten (...)55

Hoofdstuk 1 Algemene beginselen (...)55

Hoofdstuk 2 Recht van vestiging van kredietinstellingen (...)56

Hoofdstuk 3 Uitoefening van het recht tot het vrij verrichten van diensten (...)59

Hoofdstuk 4 Bevoegdheden van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst (...)60

Titel VI Betrekkingen met derde landen (...)63

Titel VII Bedrijfseconomisch toezicht (...)66

Hoofdstuk 1 Grondregels voor bedrijfseconomisch toezicht (...)66

Afdeling I Bevoegdheden van de lidstaten van herkomst en van ontvangst (...)66

Afdeling II Uitwisseling van informatie en beroepsgeheim (...)71

Afdeling III Verplichtingen van de personen belast met de wettelijke controle van de jaarrekening en de geconsolideerde rekening (...)77

Afdeling IV Toezichtbevoegdheden, sanctiebevoegdheid en beroepsrecht (...)78

Hoofdstuk 2 Toetsingsprocedures (...)85

Afdeling I Interne beoordelingsprocedure van de kapitaaltoereikendheid (...)85

Afdeling II Regelingen en procedures van instellingen (...)85

Onderafdeling 1 Algemene beginselen (...)85

Onderafdeling 2 Technische criteria voor de organisatie en behandeling van risico's (...)87

Onderafdeling 3 Governance (...)94

Afdeling III Toetsings- en evaluatieproces door de toezichthouder (...)101

Afdeling IV Toezichtmaatregelen (...)108

Afdeling V Toepassingsniveau (...)110

Hoofdstuk 3 Toezicht op geconsolideerde basis (...)112

Afdeling I Beginselen voor de uitoefening van toezicht op geconsolideerde basis (...)112

Afdeling II Financiële holdings en gemengde financiële holdings (...)122

Hoofdstuk 4 Kapitaalbuffers (...)127

Afdeling I Kapitaalinstandhoudingsbuffers en anticyclische kapitaalbuffers (...)127

Afdeling II Vaststellen en berekenen van anticyclische kapitaalbuffers (...)128

Afdeling III Kapitaalinstandhoudingsmaatregelen (...)136

Titel VIII Openbaarmaking van informatie door de bevoegde autoriteiten (...)141

Titel IX Gedelegeerde en uitvoeringshandelingen (...)144

Titel X Wijzigingen van Richtlijn 2002/87/EG (...)146

Titel XI Overgangs- en slotbepalingen (...)147

Hoofdstuk 1 Overgangsbepalingen met betrekking tot het toezicht op kredietinstellingen die de vrijheid van vestiging en het recht tot het vrij verrichten van diensten uitoefenen (...)147

Hoofdstuk 2 Overgangsbepaling betreffende kapitaalbuffers (...)152

Hoofdstuk 3 Slotbepalingen (...)153

Bijlage I Lijst van werkzaamheden die onder de wederzijdse erkenning vallen (...)156

BIJLAGE II Concordantietabel (...)158

Titel I

Onderwerp, toepassingsgebied en definities

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze richtlijn worden voorschriften vastgesteld op grond waarvan de lidstaten verplicht zijn gemeenschappelijke resultaten te boeken op de volgende terreinen:

a) toegang tot de werkzaamheden van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen (hierna "instellingen" genoemd);

b) toezichtbevoegdheden en -instrumenten voor de uitoefening van het bedrijfseconomisch toezicht op instellingen door bevoegde autoriteiten;

c) het bedrijfseconomisch toezicht op instellingen door bevoegde autoriteiten wat risico's betreft die niet worden bestreken door de eenvormige regels die in Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] zijn vastgelegd;

d) openbaarmakingsvereisten voor bevoegde autoriteiten op het gebied van prudentiële regelgeving voor en bedrijfseconomisch toezicht op instellingen.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1. Artikel 34 en titel VII, hoofdstuk 3, zijn van toepassing op financiële holdings, op gemengde financiële holdings en op gemengde holdings die hun hoofdkantoor in de Unie hebben.

2. Met uitzondering van de centrale banken worden de instellingen waarvoor deze richtlijn krachtens lid 3 van dit artikel niet geldt, voor de toepassing van artikel 34 en titel VII, hoofdstuk 3, als financiële instellingen behandeld.

3. Deze richtlijn is niet van toepassing op:

1) de toegang tot de werkzaamheden van beleggingsondernemingen voor zover deze bij Richtlijn 2004/39/EG is geregeld;

2) centrale banken;

3) postcheque- en girodiensten;

4) in België, het "Herdiscontering- en Waarborginstituut/Institut de Réescompte et de Garantie";

5) in Denemarken, het "Dansk Eksportfinansieringsfond", het "Danmarks Skibskredit A/S" en het "KommuneKredit";

6) in Duitsland, de "Kreditanstalt für Wiederaufbau", instellingen die op grond van de "Wohnungsgemeinnützigkeitsgesetz" erkend zijn als organen ter uitvoering van het woningbouwbeleid van de centrale overheid en niet overwegend banktransacties verrichten, alsmede instellingen die op grond van deze wet erkend zijn als woningbouwverenigingen van algemeen nut;

7) in Griekenland, de "Ταμείο Παρακαταθηκών και Δανείων" (Tamio Parakatathikon kai Danion);

8) in Spanje, het "Instituto de Crédito Oficial";

9) in Frankrijk, de "Caisse des dépôts et consignations";

10) in Ierland, de "credit unions" en de "friendly societies";

11) in Italië, de "Cassa Depositi e Prestiti";

12) in Letland, de "krājaizdevu sabiedrības", ondernemingen die op grond van de "krājaizdevu sabiedrības likums" erkend zijn als coöperatieve ondernemingen die alleen aan hun leden financiėle diensten verlenen;

13) in Litouwen, de "kredito unijos", behalve de "Centrinė kredito uniją";

14) in Hongarije, de "Magyar Fejlesztési Bank Rt." en de "Magyar Export-Import Bank Rt.";

15) in Nederland, de "Nederlandse Investeringsbank voor Ontwikkelingslanden NV", de "NV Noordelijke Ontwikkelingsmaatschappij", de "NV Industriebank Limburgs Instituut voor Ontwikkeling en Financiering" en de "Overijsselse Ontwikkelingsmaatschappij NV";

16) in Oostenrijk, ondernemingen die zijn erkend als bouwvereniging van algemeen nut en de "Österreichische Kontrollbank AG";

17) in Polen, de "Spółdzielcze Kasy Oszczędnościowo- Kreditowe" en de "Bank Gospodarstwa Krajowego";

18) in Portugal, de op 1 januari 1986 bestaande "Caixas Económicas" met uitzondering van die gedeelten die naamloze vennootschap zijn en de "Caixa Económica Montepio Geral";

19) in Finland, "Teollisen yhteistyön rahasto Oy/Fonden för industriellt samarbete Ab" en "Finnvera Oyi/Finnvera Abp";

20) in Zweden, de "Svenska Skeppshypotekskassan";

21) in het Verenigd Koninkrijk, de "National Savings Bank", de "Commonwealth Development Finance Company Ltd", de "Agricultural Mortgage Corporation Ltd", de "Scottish Agricultural Securities Corporation Ltd", de "Crown Agents for overseas governments and administrations", de "credit unions" en de "municipal banks";

22) in Slovenië, de "SID-Slovenska izvozna in razvojna banka, d.d. Ljubljana".

Artikel 3

Verbod voor andere ondernemingen dan kredietinstellingen om bedrijfsmatig van het publiek deposito's of andere terugbetaalbare gelden in ontvangst te nemen

1. De lidstaten verbieden personen of ondernemingen die geen kredietinstelling zijn, bedrijfsmatig van het publiek deposito's of andere terugbetaalbare gelden in ontvangst te nemen.

2. Dit geldt niet voor het in ontvangst nemen van deposito's of van andere terugbetaalbare gelden door een lidstaat, door de regionale of lagere overheden van een lidstaat of door internationale openbare instellingen waarvan een of meer lidstaten lid zijn en voor de uitdrukkelijk in de nationale of uniale wetgeving bedoelde gevallen, mits deze werkzaamheden onderworpen zijn aan reglementering en controle ter bescherming van deposanten en beleggers welke op deze gevallen van toepassing zijn.

Artikel 4

Definities

1. De definities van artikel 4 van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] zijn van toepassing.

2. Voor de toepassing van deze richtlijn gelden tevens de volgende definities:

a) "onderneming die nevendiensten verricht": een onderneming waarvan de hoofdactiviteit bestaat in het bezit of het beheer van onroerend goed, het beheer van gegevensverwerkingsdiensten of een andere soortgelijke activiteit welke ten opzichte van de hoofdactiviteit van een of meer kredietinstellingen het karakter van een ondersteunende activiteit heeft;

b) "risico van buitensporige hefboomwerking": het risico dat voortvloeit uit de kwetsbaarheid van een instelling als gevolg van een hefboomwerking of mogelijke hefboomwerking die onbedoelde corrigerende maatregelen in haar bedrijfsplan kan vereisen, met inbegrip van noodverkopen van activa die in verliezen of waarderingsaanpassingen in haar resterende activa kunnen resulteren;

c) "interne benaderingen": de benaderingen bedoeld in artikel 138, lid 1, de artikelen 216 en 220, artikel 301, lid 2, de artikelen 277 en 352 en artikel 254, lid 3, van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau].

Titel II

Bevoegde autoriteiten

Artikel 5

Aanwijzing en bevoegdheden van de bevoegde autoriteiten

1. De lidstaten wijzen de bevoegde autoriteiten aan die de in deze richtlijn omschreven taken vervullen. Zij stellen de Commissie en de EBA daarvan in kennis, onder vermelding van een eventuele taakverdeling.

2. De lidstaten dragen er zorg voor dat de bevoegde autoriteiten de werkzaamheden van instellingen controleren om na te gaan of deze de vereisten van deze richtlijn en Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] in acht nemen.

3. De lidstaten dragen er zorg voor dat passende maatregelen zijn getroffen opdat de bevoegde autoriteiten de informatie kunnen verkrijgen die nodig is om na te gaan of instellingen deze verplichtingen nakomen.

4. De lidstaten dragen er zorg voor dat de bevoegde autoriteiten over de deskundigheid, de middelen, de operationele capaciteit en de onafhankelijkheid beschikken die noodzakelijk zijn om de toezichts- en onderzoekstaken te vervullen die in deze richtlijn en Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] zijn vastgelegd. Aan de bevoegde autoriteiten worden alle benodigde toezichts- en onderzoeksbevoegdheden toegekend voor de vervulling van hun taken.

5. De lidstaten schrijven voor dat instellingen aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst alle nodige gegevens moeten verstrekken om te beoordelen of zij zich houden aan de regels die ingevolge deze richtlijn en Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] zijn vastgesteld. De lidstaten dragen er tevens zorg voor dat de internecontrolemechanismen en de administratieve en boekhoudprocedures van de instellingen het mogelijk maken te allen tijde na te gaan of deze regels in acht worden genomen.

6. De lidstaten dragen er zorg voor dat instellingen al hun onder deze richtlijn en Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] vallende transacties en documentsystemen en -processen op zodanige wijze registreren dat de bevoegde autoriteiten te allen tijde kunnen verifiëren of aan de vereisten van deze richtlijn en Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] is voldaan.

Artikel 6

Coördinatie binnen de lidstaten

Indien er in de lidstaten meer dan één bevoegde autoriteit is voor het bedrijfseconomisch toezicht op kredietinstellingen, beleggingsondernemingen en financiële instellingen, nemen de lidstaten de nodige maatregelen om de onderlinge coördinatie te organiseren.

Artikel 7

Samenwerking met de EBA

Bij de uitoefening van hun taken houden de bevoegde autoriteiten rekening met de convergentie van de toezichtinstrumenten en -praktijken bij de toepassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die overeenkomstig deze richtlijn zijn vastgesteld. Te dien einde dragen de lidstaten er zorg voor dat:

a) de bevoegde autoriteiten deelnemen aan de werkzaamheden van de EBA;

b) de bevoegde autoriteiten zich overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 tot het uiterste inspannen om aan de richtsnoeren en aanbevelingen van de EBA te voldoen;

c) nationale mandaten die aan de bevoegde autoriteiten worden toegekend, hun taakvervulling als leden van de EBA of in het kader van deze richtlijn en Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] niet in de weg staan.

Artikel 8

Europese dimensie van het toezicht

De bevoegde autoriteiten in de ene lidstaat nemen bij de uitoefening van hun algemene taken naar behoren de gevolgen in overweging die hun besluiten, met name in noodsituaties, kunnen hebben voor de stabiliteit van het financiële stelsel van alle andere betrokken lidstaten, uitgaande van de op het desbetreffende tijdstip beschikbare informatie.

Titel III

Voorwaarden voor de toegang tot

de werkzaamheden van kredietinstellingen

Hoofdstuk 1

Algemene voorwaarden voor de toegang tot

de werkzaamheden van kredietinstellingen

Artikel 9

Vergunning

1. De lidstaten schrijven voor dat kredietinstellingen een vergunning moeten hebben verkregen alvorens hun werkzaamheden aan te vangen. Onverminderd de artikelen 10 tot en met 14 stellen zij daarvoor de voorwaarden vast, die zij ter kennis brengen van de EBA.

2. De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen met betrekking tot het volgende:

a) de informatie die aan de bevoegde autoriteiten moet worden verstrekt in de vergunningaanvraag van kredietinstellingen, met inbegrip van het in artikel 10 bedoelde programma van werkzaamheden,

b) de voorwaarden om te voldoen aan het vereiste van artikel 13;

c) de vereisten die gelden voor aandeelhouders en vennoten met gekwalificeerde deelnemingen;

d) de belemmeringen voor de effectieve uitoefening van de toezichtstaken van de bevoegde autoriteit, als omschreven in artikel 14.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen de in de eerste alinea, onder a) tot en met d), bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen volgens de procedure van de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

3. De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische uitvoeringsnormen met het oog op de vaststelling van de standaardformulieren, templates en procedures voor de verstrekking van deze informatie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

4. De EBA legt de in de leden 2 en 3 bedoelde ontwerpen van technische normen uiterlijk op 31 december 2015 voor aan de Commissie.

Artikel 10

Programma van werkzaamheden en organisatiestructuur

De lidstaten schrijven voor dat de vergunningaanvraag vergezeld moet gaan van een programma van werkzaamheden waarin de aard van de beoogde bedrijfsactiviteiten, alsmede de organisatiestructuur van de kredietinstelling moeten worden vermeld.

Artikel 11

Economische behoeften

De lidstaten schrijven niet voor dat de vergunningaanvraag aan de economische marktbehoeften moet worden getoetst.

Artikel 12

Aanvangskapitaal

1. Onverminderd andere bij nationale regelgeving vastgestelde algemene voorwaarden verlenen de bevoegde autoriteiten geen vergunning wanneer de kredietinstelling geen afgescheiden eigen vermogen heeft of wanneer het aanvangskapitaal minder bedraagt dan 5 miljoen EUR.

2. Onder aanvangskapitaal wordt verstaan: het kapitaal en de reserves als bedoeld in artikel 24, onder a) tot en met e), van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau].

3. De lidstaten mogen voortzetting toestaan van de werkzaamheden van kredietinstellingen die niet voldoen aan de voorwaarde betreffende het afgescheiden eigen vermogen, en die op 15 december 1979 bestonden. Zij mogen deze kredietinstellingen vrijstellen van de in artikel 13, lid 1, eerste alinea, bedoelde voorwaarde.

4. De lidstaten mogen een vergunning verlenen aan bijzondere categorieën kredietinstellingen met een aanvangskapitaal dat minder bedraagt dan wat in lid 1 is voorgeschreven, mits:

a) het aanvangskapitaal niet geringer is dan 1 miljoen EUR;

b) de betrokken lidstaten de Commissie en de EBA in kennis stellen van de redenen waarom zij van deze mogelijkheid gebruikmaken.

Artikel 13

Feitelijke leiding van het bedrijf en ligging van het hoofdkantoor

1. De bevoegde autoriteiten verlenen de vergunning aan de kredietinstelling slechts wanneer ten minste twee personen het bedrijf van de kredietinstelling feitelijk leiden.

De autoriteiten verlenen de vergunning niet wanneer deze personen niet de noodzakelijke betrouwbaarheid of de vereiste kennis, vaardigheden en ervaring bezitten om deze functies uit te oefenen.

2. Elke lidstaat schrijft voor dat:

a) het hoofdkantoor van kredietinstellingen die rechtspersonen zijn en overeenkomstig hun nationale wetgeving een statutaire zetel hebben, zich bevindt in de lidstaat waar de statutaire zetel is gevestigd;

b) het hoofdkantoor van andere kredietinstellingen zich bevindt in de lidstaat waar de vergunning is verleend en waar zij feitelijk werkzaam zijn.

Artikel 14

Aandeelhouders en vennoten

1. De bevoegde autoriteiten verlenen geen vergunning voor het aanvangen van de werkzaamheden van een kredietinstelling tenzij zij in kennis zijn gesteld van de identiteit van de directe of indirecte aandeelhouders of vennoten, natuurlijke of rechtspersonen, die daarin een gekwalificeerde deelneming bezitten, alsmede van het bedrag van die deelneming.

Om uit te maken of aan de criteria voor een gekwalificeerde deelneming wordt voldaan, worden de in de artikelen 9 en 10 van Richtlijn 2004/109/EG [31] bedoelde stemrechten, alsmede de in artikel 12, leden 4 en 5, van die richtlijn bedoelde voorwaarden voor samenvoeging daarvan, in aanmerking genomen.

De lidstaten houden geen rekening met stemrechten of aandelen die beleggingsondernemingen of kredietinstellingen kunnen houden als gevolg van het overnemen van financiële instrumenten of plaatsen van financiële instrumenten met plaatsingsgarantie, vermeld in bijlage I, deel A, punt 6, van Richtlijn 2004/39/EG, mits die rechten niet worden uitgeoefend of anderszins gebruikt om inspraak uit te oefenen in het bestuur van de uitgevende instelling, en binnen één jaar na de verwerving worden overgedragen.

2. De bevoegde autoriteiten verlenen geen vergunning indien zij, gelet op de noodzaak een gezonde en prudente bedrijfsvoering van de kredietinstelling te garanderen, niet overtuigd zijn van de geschiktheid van de aandeelhouders of vennoten.

3. Wanneer er nauwe banden bestaan tussen de kredietinstelling en andere natuurlijke of rechtspersonen, verlenen de bevoegde autoriteiten de vergunning slechts indien deze banden de juiste uitoefening van hun toezichtstaken niet belemmeren.

De bevoegde autoriteiten verlenen de vergunning ook niet indien de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van een derde land die van toepassing zijn op één of meer natuurlijke of rechtspersonen met wie de kredietinstelling nauwe banden heeft, of moeilijkheden in verband met de toepassing van die wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen, een belemmering vormen voor de juiste uitoefening van hun toezichtstaken.

De bevoegde autoriteiten verlangen van kredietinstellingen dat zij hen de informatie verstrekken die zij nodig hebben om zich ervan te vergewissen dat doorlopend aan de in dit lid gestelde voorwaarden wordt voldaan.

Artikel 15

Weigering van de vergunning

Indien de bevoegde autoriteit besluit geen vergunning te verlenen, wordt dit besluit met redenen omkleed aan de aanvrager medegedeeld binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag, of, indien de aanvraag onvolledig is, binnen zes maanden na de toezending door de aanvrager van de voor het besluit benodigde gegevens.

In elk geval wordt binnen twaalf maanden na de aanvraag een besluit genomen.

Artikel 16

Voorafgaande raadpleging van de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten

1. Vóór de verlening van een vergunning aan een kredietinstelling raadpleegt de bevoegde autoriteit de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaat in de volgende gevallen:

a) de desbetreffende kredietinstelling is een dochteronderneming van een kredietinstelling waaraan in een andere lidstaat vergunning is verleend;

b) de desbetreffende kredietinstelling is een dochteronderneming van de moederonderneming van een kredietinstelling waaraan in een andere lidstaat vergunning is verleend;

c) de desbetreffende kredietinstelling staat onder de zeggenschap van dezelfde natuurlijke of rechtspersonen die de zeggenschap hebben over een kredietinstelling waaraan in een andere lidstaat vergunning is verleend.

2. Vóór de verlening van een vergunning aan een kredietinstelling raadpleegt de bevoegde autoriteit de bevoegde autoriteit van een betrokken lidstaat die verantwoordelijk is voor het toezicht op verzekeringsondernemingen of beleggingsondernemingen in de volgende gevallen:

a) de desbetreffende kredietinstelling is een dochteronderneming van een verzekeringsonderneming of beleggingsonderneming waaraan in de Unie vergunning is verleend;

b) de desbetreffende kredietinstelling is een dochteronderneming van de moederonderneming van een verzekeringsonderneming of beleggingsonderneming waaraan in de Unie vergunning is verleend;

c) de desbetreffende kredietinstelling staat onder de zeggenschap van dezelfde natuurlijke persoon of rechtspersoon die zeggenschap uitoefent over een verzekeringsonderneming of beleggingsonderneming waaraan in de Unie vergunning is verleend.

3. De onder de leden 1 en 2 bedoelde relevante bevoegde autoriteiten raadplegen elkaar in het bijzonder indien de geschiktheid van de aandeelhouders en de reputatie en ervaring van de bij de leiding van een andere entiteit van dezelfde groep betrokken leden van het leidinggevend orgaan worden beoordeeld. Zij wisselen alle informatie uit betreffende de geschiktheid van de aandeelhouders en de reputatie en ervaring van de leden van het leidinggevend orgaan welke van belang is voor het verlenen van een vergunning, alsook voor de doorlopende toetsing van de naleving van de voorwaarden voor de bedrijfsuitoefening.

Artikel 17

Bijkantoren van kredietinstellingen waaraan in een andere lidstaat vergunning is verleend

De lidstaten van ontvangst mogen noch een vergunning noch dotatiekapitaal eisen voor bijkantoren van kredietinstellingen waaraan in andere lidstaten vergunning is verleend. Voor de vestiging van en het toezicht op deze bijkantoren gelden de voorschriften van artikel 35, artikel 36, leden 1, 2 en 3, en de artikelen 37, 40 tot en met 46, 49, 73 en 74.

Artikel 18

Intrekking van de vergunning

De bevoegde autoriteiten kunnen de vergunning die is verleend aan een kredietinstelling alleen dan intrekken wanneer de instelling:

a) binnen een termijn van twaalf maanden geen gebruikmaakt van de vergunning, uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven geen gebruik van de vergunning te zullen maken of de werkzaamheden gedurende een periode van meer dan zes maanden heeft gestaakt, tenzij de betrokken lidstaat heeft bepaald dat in die gevallen de vergunning vervalt;

b) de vergunning heeft verkregen door middel van valse verklaringen of op enige andere onregelmatige wijze;

c) niet meer voldoet aan de voorwaarden waarop de vergunning is verleend;

d) geen voldoende eigen vermogen meer bezit of geen garantie meer biedt voor de nakoming van de verplichtingen tegenover schuldeisers en in het bijzonder niet meer de veiligheid van de toevertrouwde gelden waarborgt;

e) in een van de overige gevallen van intrekking verkeert waarin de nationale voorschriften voorzien;

f) een van de in artikel 67, lid 1, genoemde schendingen begaat.

Artikel 19

Naam van de kredietinstelling

De kredietinstellingen mogen voor de uitoefening van hun werkzaamheden op het grondgebied van de Unie dezelfde benaming gebruiken als in de lidstaat van hun hoofdkantoor, niettegenstaande de voorschriften in de lidstaat van ontvangst betreffende het gebruik van de woorden "bank", "spaarbank" of andere soortgelijke benamingen. Ingeval gevaar voor verwarring bestaat, kunnen de lidstaten van ontvangst ter verduidelijking eisen dat er aan de benaming een verklarende vermelding wordt toegevoegd.

Artikel 20

Kennisgeving aan de EBA van de verlening van een vergunning

en van de intrekking van een vergunning

1. De bevoegde autoriteiten stellen de EBA in kennis van elke vergunning die overeenkomstig artikel 9 wordt verleend.

2. Een lijst met de namen van alle kredietinstellingen waaraan vergunning is verleend, wordt bekendgemaakt op de website van de EBA en wordt regelmatig geactualiseerd.

3. De consoliderende toezichthouder verstrekt de betrokken bevoegde autoriteiten en de EBA alle in artikel 14, lid 3, artikel 73, lid 1, en artikel 104, lid 2, bedoelde informatie over de groep van instellingen, en met name over de rechts- en organisatiestructuur en de governance van de groep.

4. In de lijst wordt de naam vermeld van elke kredietinstelling die niet over het bij artikel 12, lid 1, voorgeschreven kapitaal beschikt.

5. De bevoegde autoriteiten brengen iedere intrekking van een vergunning, met redenen omkleed, ter kennis van de EBA.

Artikel 21

Vrijstellingen voor kredietinstellingen die blijvend zijn aangesloten bij een centraal orgaan

1. De bevoegde autoriteiten kunnen een kredietinstelling die aan de in artikel 9, van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] gestelde voorwaarden voldoet, onder de in artikel 9 van genoemde verordening gestelde voorwaarden van artikel 10, artikel 12 en artikel 13, lid 1, van deze richtlijn vrijstellen.

2. Ingeval de bevoegde autoriteiten overeenkomstig artikel 9 van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] van vrijstellingen gebruikmaken, zijn de artikelen 17, 33, 34 en 35, artikel 36, leden 1, 2 en 3, en de artikelen 39 tot en met 46 van deze richtlijn van toepassing op het geheel gevormd door het centrale orgaan en de daarbij aangesloten instellingen.

Hoofdstuk 2

Gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling

Artikel 22

Kennisgeving en beoordeling van voorgenomen verwervingen

1. De lidstaten schrijven voor dat iedere natuurlijke of rechtspersoon of dergelijke in onderlinge overeenstemming handelende personen (hierna "kandidaat-verwerver" genoemd), die besloten hebben om rechtstreeks of middellijk een gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling te verwerven dan wel rechtstreeks of middellijk een dergelijke gekwalificeerde deelneming verder te vergroten, waardoor het percentage van de gehouden stemrechten of aandelen in het kapitaal 20%, 30% of 50% bereikt of overschrijdt dan wel de kredietinstelling hun dochteronderneming wordt (hierna "voorgenomen verwerving" genoemd), de bevoegde autoriteiten van de kredietinstelling waarin zij een gekwalificeerde deelneming willen verwerven dan wel vergroten, daarvan vooraf schriftelijk kennis moeten geven onder vermelding van de omvang van de beoogde deelneming en de in artikel 23, lid 4, bedoelde relevante informatie. De lidstaten hoeven de drempel van 30% niet toe te passen wanneer zij overeenkomstig artikel 9, lid 3, onder a), van Richtlijn 2004/109/EG een drempelwaarde van een derde toepassen.

2. De bevoegde autoriteiten zenden de kandidaat-verwerver terstond en in elk geval binnen twee werkdagen na ontvangst van de kennisgeving, alsook na eventuele ontvangst op een later tijdstip van de in lid 3 bedoelde informatie, een schriftelijke ontvangstbevestiging.

De bevoegde autoriteiten hebben vanaf de datum van de schriftelijke ontvangstbevestiging van de kennisgeving en van alle door de lidstaat vereiste documenten van de in artikel 23, lid 4, bedoelde lijst die bij de kennisgeving gevoegd moeten worden, een termijn van 60 werkdagen (hierna "beoordelingsperiode" genoemd), om de in artikel 23, lid 1, bedoelde beoordeling (hierna "beoordeling" genoemd), uit te voeren.

De bevoegde autoriteiten stellen de kandidaat-verwerver bij de ontvangstbevestiging in kennis van de datum waarop de beoordelingsperiode afloopt.

3. De bevoegde autoriteiten mogen, indien nodig, tijdens de beoordelingsperiode, doch niet na de vijftigste werkdag daarvan, aanvullende informatie opvragen die noodzakelijk is om de beoordeling af te ronden. In dit verzoek, dat schriftelijk moet worden gedaan, is vermeld welke aanvullende informatie nodig is.

Vanaf de datum van het verzoek van de bevoegde autoriteiten om informatie tot de ontvangst van een antwoord daarop van de kandidaat-verwerver wordt de beoordelingsperiode onderbroken. De onderbreking duurt ten hoogste twintig werkdagen. Eventuele aanvullende verzoeken van de bevoegde autoriteiten ter vervollediging of verduidelijking van de informatie staan ter discretie van de bevoegde autoriteiten maar mogen geen onderbreking van de beoordelingsperiode tot gevolg hebben.

4. De bevoegde autoriteiten mogen de in lid 3, tweede alinea, bedoelde onderbreking tot ten hoogste 30 werkdagen verlengen indien de kandidaat-verwerver buiten de Unie is gevestigd of onder toezicht staat, of indien hij een natuurlijke of rechtspersoon is, en niet onderworpen is aan toezicht uit hoofde van deze richtlijn of Richtlijn 2009/65/EG, Richtlijn 2009/138/EG of Richtlijn 2004/39/EG.

5. Indien de bevoegde autoriteiten na voltooiing van de beoordeling besluiten zich te verzetten tegen de voorgenomen verwerving, geven zij de kandidaat-verwerver daarvan binnen twee werkdagen en zonder de beoordelingsperiode te overschrijden schriftelijk kennis en delen zij de redenen voor dat besluit mede. Onverminderd het nationale recht kan een passende motivering van het besluit op verzoek van de kandidaat-verwerver openbaar worden gemaakt. Dit neemt niet weg dat een lidstaat de bevoegde autoriteit kan toestaan deze informatie openbaar te maken zonder dat de kandidaat-verwerver daarom heeft verzocht.

6. Indien de bevoegde autoriteiten zich binnen de beoordelingsperiode niet schriftelijk tegen de voorgenomen verwerving verzetten, wordt deze geacht te zijn goedgekeurd.

7. De bevoegde autoriteiten mogen voor de voltooiing van de voorgenomen verwerving een maximumtermijn vaststellen en deze termijn zo nodig verlengen.

8. De lidstaten mogen geen voorschriften inzake kennisgeving aan en goedkeuring door de bevoegde autoriteiten van rechtstreekse of middellijke verwervingen van stemrechten of kapitaal opleggen die stringenter zijn dan de bepalingen van deze richtlijn.

9. De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen ter vaststelling van een uitputtende lijst van de informatie, als bedoeld in artikel 23, lid 4, die kandidaat-verwervers in hun kennisgeving moeten opnemen, onverminderd lid 3 van dit artikel.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 vast te stellen.

10. De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische uitvoeringsnormen met het oog op de vaststelling van de gemeenschappelijke procedures, formulieren en templates voor het overlegproces tussen de relevante bevoegde autoriteiten als bedoeld in artikel 24.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

11. De EBA legt de in de leden 9 en 10 bedoelde ontwerpen van technische normen uiterlijk op 31 december 2015 voor aan de Commissie.

Artikel 23

Beoordelingscriteria

1. Bij de beoordeling van de in artikel 22, lid 1, bedoelde kennisgeving en de in artikel 22, lid 3, bedoelde informatie beoordelen de bevoegde autoriteiten, met het oog op de gezonde en prudente bedrijfsvoering van de kredietinstelling die het doelwit van de verwerving is, en rekening houdend met de waarschijnlijke invloed van de kandidaat-verwerver op de kredietinstelling, de geschiktheid van de kandidaat-verwerver en de financiële soliditeit van de voorgenomen verwerving op de navolgende criteria:

a) de reputatie van de kandidaat-verwerver;

b) de reputatie en ervaring van de personen die als gevolg van de voorgenomen verwerving het bedrijf van de instelling zullen leiden;

c) de financiële soliditeit van de kandidaat-verwerver, met name met betrekking tot de aard van de werkzaamheden die verricht en beoogd worden in de kredietinstelling die het doelwit van de verwerving is;

d) of de kredietinstelling zal kunnen voldoen en blijven voldoen aan de prudentiële voorschriften op grond van deze richtlijn en Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau], en, in voorkomend geval, aan de prudentiële voorschriften op grond van andere richtlijnen, met name de Richtlijnen 2009/110/EG en 2002/87/EG, met name of de groep waarvan zij deel gaat uitmaken zodanig gestructureerd is dat effectief toezicht en effectieve uitwisseling van informatie tussen de bevoegde autoriteiten mogelijk zijn en dat de verdeling van de verantwoordelijkheden tussen de bevoegde autoriteiten kan worden bepaald;

e) of er goede redenen zijn om te vermoeden dat in verband met de voorgenomen verwerving geld wordt of werd witgewassen of terrorisme wordt of werd gefinancierd, of dat gepoogd wordt of gepoogd werd geld wit te wassen of terrorisme te financieren in de zin van artikel 1 van Richtlijn 2005/60/EG [32], of dat de voorgenomen verwerving het risico daarop zou kunnen vergroten.

2. De bevoegde autoriteiten mogen zich alleen tegen de voorgenomen verwerving verzetten indien daarvoor goede redenen zijn op grond van de criteria van lid 1 of indien de door de kandidaat-verwerver verstrekte informatie onvolledig is.

3. De lidstaten stellen geen voorafgaande voorwaarden aan de omvang van de deelneming die verworven dient te worden, en staan hun bevoegde autoriteiten evenmin toe de voorgenomen verwerving aan de economische marktbehoeften te toetsen.

4. De lidstaten publiceren een lijst met informatie die nodig is voor de beoordeling en die bij de in artikel 22, lid 1, bedoelde kennisgeving aan de bevoegde autoriteiten moet worden verstrekt. De vereiste informatie staat in verhouding tot en is afgestemd op de aard van de kandidaat-verwerver en van de voorgenomen verwerving. De lidstaten verlangen geen informatie die niet relevant is voor een prudentiële beoordeling.

5. Niettegenstaande artikel 22, leden 2, 3 en 4, worden, wanneer de bevoegde autoriteit kennis wordt gegeven van twee of meer voornemens om een gekwalificeerde deelneming in dezelfde kredietinstelling te verwerven of te vergroten, de kandidaat-verwervers door de autoriteit op niet-discriminerende wijze behandeld.

Artikel 24

Samenwerking tussen bevoegde autoriteiten

1. De bevoegde autoriteiten werken in onderling overleg samen bij de beoordeling indien de kandidaat-verwerver een van de volgende personen betreft:

a) een kredietinstelling, verzekeringsonderneming, herverzekeringsonderneming, beleggingsonderneming of beheermaatschappij in de zin van artikel 2, lid 1, onder b), van Richtlijn 2009/65/EG (hierna "icbe-beheermaatschappij" genoemd), waaraan vergunning is verleend in een andere lidstaat of in een andere sector dan die van de voorgenomen verwerving;

b) de moederonderneming van een kredietinstelling, verzekeringsonderneming, herverzekeringsonderneming, beleggingsonderneming of icbe-beheermaatschappij waaraan vergunning is verleend in een andere lidstaat of in een andere sector dan die van de voorgenomen verwerving;

c) een natuurlijke persoon of rechtspersoon die zeggenschap uitoefent over een kredietinstelling, verzekeringsonderneming, herverzekeringsonderneming, beleggingsonderneming of icbe-beheermaatschappij waaraan vergunning is verleend in een andere lidstaat of in een andere sector dan die van de voorgenomen verwerving.

2. De bevoegde autoriteiten verstrekken elkaar zonder onnodige vertraging alle informatie die voor de beoordeling van essentieel belang of relevant is. Daartoe geven zij elkaar op verzoek alle relevante informatie en verstrekken zij uit eigen beweging alle essentiële informatie. In een besluit van de bevoegde autoriteit die aan de kredietinstelling welke het doelwit van de verwerving is, vergunning heeft verleend, worden de standpunten en bedenkingen van de voor de kandidaat-verwerver verantwoordelijke bevoegde autoriteit vermeld.

Artikel 25

Kennisgeving in geval van afstoting

De lidstaten schrijven voor dat iedere natuurlijke of rechtspersoon die heeft besloten zijn rechtstreekse of middellijke gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling af te stoten, de bevoegde autoriteiten daarvan vooraf schriftelijk in kennis moet stellen onder vermelding van het bedrag van zijn voorgenomen deelneming. Tot kennisgeving aan de bevoegde autoriteiten is eveneens gehouden iedere natuurlijke of rechtspersoon die heeft besloten de omvang van zijn gekwalificeerde deelneming zodanig te verkleinen dat het percentage van de door hem gehouden stemrechten of aandelen in het kapitaal onder 20%, 30% of 50% daalt of dat de kredietinstelling ophoudt zijn dochteronderneming te zijn. De lidstaten hoeven de drempel van 30% niet toe te passen wanneer zij overeenkomstig artikel 9, lid 3, onder a), van Richtlijn 2004/109/EG een drempelwaarde van een derde toepassen.

Artikel 26

Informatieplicht en sancties

1. De kredietinstellingen stellen, zodra zij kennis hebben van verwervingen of afstotingen van deelnemingen in hun kapitaal, waardoor stijging boven of daling onder één van de percentages als bedoeld in artikel 22, lid 1, en artikel 25 optreedt, de bevoegde autoriteiten van deze verwervingen of afstotingen in kennis.

Kredietinstellingen die genoteerd zijn op een gereglementeerde markt die voorkomt op de door de Europese Autoriteit voor effecten en markten (EAEM) overeenkomstig artikel 47 van Richtlijn 2004/39/EG te publiceren lijst van gereglementeerde markten, stellen de bevoegde autoriteiten ten minste eens per jaar in kennis van de identiteit van de aandeelhouders of vennoten die gekwalificeerde deelnemingen bezitten, alsmede van de omvang van de deelnemingen zoals deze met name blijken uit de gegevens die worden vastgelegd bij de jaarlijkse algemene vergadering van aandeelhouders of vennoten, of uit de informatie die is ontvangen uit hoofde van de verplichtingen van ter beurze genoteerde vennootschappen.

2. De lidstaten schrijven voor dat, indien de door de in artikel 22, lid 1, bedoelde personen uitgeoefende invloed een prudente en gezonde bedrijfsvoering van de instelling zou kunnen belemmeren, de bevoegde autoriteiten passende maatregelen moeten treffen om aan deze toestand een einde te maken. Die maatregelen kunnen bestaan uit bindende aanwijzingen en sancties, onder voorbehoud van de artikelen 65 tot en met 69, ten aanzien van leden van het leidinggevend orgaan en bestuurders, dan wel uit de schorsing van de uitoefening van de stemrechten die verbonden zijn aan de aandelen welke door de betrokken aandeelhouders of vennoten van de kredietinstelling worden gehouden.

Soortgelijke maatregelen zijn van toepassing op natuurlijke of rechtspersonen die de in artikel 22, lid 1, bedoelde verplichting inzake voorafgaande kennisgeving niet naleven, behoudens de artikelen 65 tot en met 69.

Wanneer een deelneming wordt verworven ondanks het bezwaar van de bevoegde autoriteiten, bepalen de lidstaten, onverminderd andere te treffen sancties, dat de uitoefening van de betrokken stemrechten wordt geschorst of dat de uitgebrachte stemmen nietig zijn of nietig verklaard kunnen worden.

Artikel 27

Criteria voor gekwalificeerde deelneming

Om uit te maken of aan de in de artikelen 22, 25 en 26 vastgelegde criteria voor een gekwalificeerde deelneming wordt voldaan, worden de in de artikelen 9 en 10 van Richtlijn 2004/109/EG bedoelde stemrechten, alsmede de in artikel 12, leden 4 en 5, van die richtlijn bedoelde voorwaarden voor samenvoeging daarvan, in aanmerking genomen.

Om uit te maken of aan de criteria voor een gekwalificeerde deelneming, als bedoeld in artikel 26, wordt voldaan, houden de lidstaten geen rekening met stemrechten of aandelen die beleggingsondernemingen of kredietinstellingen kunnen houden als gevolg van het overnemen van financiële instrumenten en/of plaatsen van financiële instrumenten met plaatsingsgarantie, vermeld in bijlage I, deel A, punt 6, van Richtlijn 2004/39/EG, tenzij die rechten worden uitgeoefend of anderszins gebruikt om inspraak uit te oefenen in het bestuur van de uitgevende instelling, en mits ze binnen één jaar na de verwerving worden overgedragen.

Titel IV

Aanvangskapitaal van beleggingsondernemingen

Artikel 28

Aanvangskapitaal van beleggingsondernemingen

1. Het aanvangskapitaal van beleggingsondernemingen omvat enkel de bestanddelen genoemd in artikel 24, onder a) tot en met e), van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau].

2. Alle andere beleggingsondernemingen dan die bedoeld in de artikelen 29, 30 en 31 hebben een aanvangskapitaal van 730 000 EUR.

Artikel 29

Aanvangskapitaal van bijzondere beleggingsondernemingen

1. Een beleggingsonderneming die zelf geen transacties met financiële instrumenten voor eigen rekening verricht of emissies van financiële instrumenten met plaatsingsgarantie overneemt, maar die geld of waardepapieren van cliënten onder zich houdt, heeft een aanvangskapitaal van 125 000 EUR als zij een of meer van de volgende diensten verricht:

a) het ontvangen en doorgeven van orders van beleggers met betrekking tot financiële instrumenten;

b) het uitvoeren van orders van beleggers met betrekking tot financiële instrumenten;

c) het beheren van persoonlijke beleggingsportefeuilles van financiële instrumenten.

2. De bevoegde autoriteiten mogen beleggingsondernemingen die orders van beleggers met betrekking tot financiële instrumenten uitvoeren, toestaan deze instrumenten voor eigen rekening te houden mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a) dergelijke posities zijn uitsluitend het resultaat van het feit dat de beleggingsonderneming niet bij machte is van beleggers ontvangen orders exact met elkaar te matchen;

b) de totale marktwaarde van al deze posities vertegenwoordigt niet meer dan 15% van het aanvangskapitaal van de onderneming;

c) de onderneming voldoet aan de in de artikelen 87 tot en met 90 en deel vier van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] gestelde vereisten;

d) deze posities hebben een incidenteel en voorlopig karakter en blijven strikt beperkt tot de tijd die voor de uitvoering van de bewuste transactie nodig is.

3. De lidstaten mogen het in lid 1 genoemde bedrag tot 50 000 EUR verlagen indien de onderneming niet over een vergunning beschikt om geld of effecten van cliënten te houden, transacties voor eigen rekening te verrichten, of emissies met plaatsingsgarantie over te nemen.

4. Het houden van posities in financiële instrumenten buiten de handelsportefeuille om eigen vermogen te beleggen, wordt niet beschouwd als het verrichten van transacties in de zin van lid 1 of voor de toepassing van lid 3.

Artikel 30

Aanvangskapitaal van plaatselijke ondernemingen

Plaatselijke ondernemingen hebben een aanvangskapitaal van 50 000 EUR voor zover zij vrijheid van vestiging of van dienstverrichting genieten als omschreven in de artikelen 31 en 32 van Richtlijn 2004/39/EG.

Artikel 31

Ondernemingen die geen aan hun cliënten toebehorende gelden

of waardepapieren aanhouden

1. De in artikel 4, lid 8, onder c), van Verordening [in te voegen door het Publicatiebrueau] bedoelde ondernemingen beschikken over:

a) een aanvangskapitaal van 50 000 EUR;

b) een beroepsaansprakelijkheidsverzekering die het volledige grondgebied van de Unie bestrijkt of een andere vergelijkbare waarborg tegen aansprakelijkheid als gevolg van beroepsnalatigheid, voor een bedrag van ten minste 1 000 000 EUR, van toepassing per schadevordering, en in het totaal 1 500 000 EUR per jaar voor alle schadevorderingen;

c) een combinatie van aanvangskapitaal en beroepsaansprakelijkheidsverzekering die resulteert in een dekking die gelijkwaardig is aan die van de punten a) of b).

De in de eerste alinea bedoelde bedragen worden periodiek door de Commissie aangepast aan de veranderingen in het door Eurostat bekendgemaakte Europees indexcijfer van de consumentenprijzen, waarbij de aanpassingen in de lijn liggen van en tegelijkertijd plaatsvinden met die welke overeenkomstig artikel 4, lid 7, van Richtlijn 2002/92/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 december 2002 betreffende verzekeringsbemiddeling worden verricht [33].

2. Indien een onderneming als bedoeld in artikel 4, lid 8, onder c), van Verordening [in te voegen door het Publicatiebrueau] tevens uit hoofde van Richtlijn 2002/92/EG [34] in een register is ingeschreven, voldoet zij aan de voorschriften van artikel 4, lid 3, van die richtlijn en beschikt zij bovendien over:

a) een aanvangskapitaal van 25 000 EUR;

b) een beroepsaansprakelijkheidsverzekering die het volledige grondgebied van de Unie bestrijkt of een andere vergelijkbare waarborg tegen aansprakelijkheid als gevolg van beroepsnalatigheid, voor een bedrag van ten minste 500 000 EUR, van toepassing per schadevordering, en in het totaal 750 000 EUR per jaar voor alle schadevorderingen;

c) een combinatie van aanvangskapitaal en beroepsaansprakelijkheidsverzekering die resulteert in een dekking die gelijkwaardig is aan die van de punten a) of b).

Artikel 32

"Grandfathering"-clausule

1. In afwijking van het bepaalde in artikel 28, lid 2, artikel 29, leden 1 en 3, en artikel 30 mogen de lidstaten de vergunning handhaven voor beleggingsondernemingen en onder artikel 30 vallende ondernemingen die vóór 31 december 1995 bestonden, en waarvan het eigen vermogen geringer is dan de voor hen in artikel 28, lid 2, artikel 29, leden 1 en 3, en artikel 30 genoemde bedragen van het aanvangskapitaal.

Het eigen vermogen van dergelijke ondernemingen of beleggingsondernemingen mag niet kleiner worden dan het hoogste referentieniveau dat na 23 maart 1993 is berekend. Het referentieniveau is het daggemiddelde van het eigen vermogen, berekend over de zes maanden voorafgaande aan de datum van berekening. Dit referentieniveau wordt om de zes maanden berekend voor de overeenkomstige voorafgaande periode.

2. Indien de zeggenschap over een onder lid 1 vallende onderneming wordt verworven door een andere natuurlijke of rechtspersoon dan degene die voordien de zeggenschap over de onderneming uitoefende, is het eigen vermogen van deze onderneming ten minste gelijk aan de in artikel 28, lid 2, artikel 29, leden 1 en 3, en artikel 30 genoemde bedragen, behalve in het geval van een eerste overdracht door vererving gedaan na 31 december 1995, onder voorbehoud van goedkeuring door de bevoegde autoriteiten en gedurende niet meer dan tien jaar na de datum van de overdracht.

Titel V

Bepalingen betreffende de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten

Hoofdstuk 1

Algemene beginselen

Artikel 33

Kredietinstellingen

De lidstaten bepalen dat de werkzaamheden die in de lijst in bijlage I bij deze richtlijn zijn genoemd, op hun grondgebied kunnen worden uitgeoefend overeenkomstig het bepaalde in artikel 35, artikel 36, leden 1, 2 en 3, artikel 39, leden 1 en 2, en de artikelen 40 tot en met 46, zowel door middel van het vestigen van een bijkantoor als door middel van het verrichten van diensten, door iedere kredietinstelling waaraan door de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat vergunning is verleend en waarop door hen toezicht wordt gehouden, mits deze werkzaamheden onder de vergunning vallen.

Artikel 34

Financiële instellingen

1. De lidstaten bepalen dat de werkzaamheden die in de lijst in bijlage I bij deze richtlijn zijn genoemd, op hun grondgebied mogen worden uitgeoefend overeenkomstig het bepaalde in artikel 35, artikel 36, leden 1, 2 en 3, artikel 39, leden 1 en 2, en de artikelen 40 tot en met 46, zowel door middel van het vestigen van een bijkantoor als door middel van het verrichten van diensten, door iedere financiële instelling van een andere lidstaat die een dochteronderneming van een kredietinstelling of een gemeenschappelijke dochteronderneming van twee of meer kredietinstellingen is, waarvan de statuten de betrokken werkzaamheden toestaan en die aan alle volgende voorwaarden voldoet:

a) aan de moederonderneming of -ondernemingen is vergunning verleend als kredietinstelling in de lidstaat van het recht waaronder de financiële instelling valt;

b) de betrokken werkzaamheden worden daadwerkelijk op het grondgebied van dezelfde lidstaat uitgeoefend;

c) de moederonderneming of -ondernemingen is, respectievelijk zijn in het bezit van 90% of meer van de aan de aandelen van de financiële instelling verbonden stemrechten;

d) de moederonderneming of -ondernemingen toont, respectievelijk tonen ten genoegen van de bevoegde autoriteiten aan dat de financiële instelling op een prudente wijze wordt beheerd en heeft, respectievelijk hebben zich, met instemming van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst, hoofdelijk borg gesteld voor de verplichtingen van de financiële instelling;

e) de financiële instelling is, in het bijzonder voor de betrokken werkzaamheden, daadwerkelijk opgenomen in het toezicht op geconsolideerde basis waaraan de moederonderneming, of elk van de moederondernemingen, overeenkomstig titel VII, hoofdstuk 3, van deze richtlijn en deel een, titel II, hoofdstuk 2, van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] (bedrijfseconomische consolidatie) is onderworpen, met name voor de toepassing van de in artikel 87 van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] vastgestelde eigenvermogensvereisten, het toezicht op grote posities waarin deel vier van deze verordening voorziet, en de in de artikelen 84 en 85 van genoemde verordening gestelde beperking van de deelnemingen.

De vervulling van deze voorwaarden wordt geverifieerd door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst, die vervolgens een attest aan de financiële instelling afgeven dat dient te worden gevoegd bij de in de artikelen 35 en 39 bedoelde kennisgevingen.

2. Indien de financiële instelling als bedoeld in lid 1, eerste alinea, niet langer aan één van de gestelde voorwaarden voldoet, stelt de lidstaat van herkomst de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst daarvan in kennis, en vallen de door die financiële instelling in de lidstaat van ontvangst uitgeoefende werkzaamheden onder de wetgeving van de lidstaat van ontvangst.

3. De leden 1 en 2 zijn van overeenkomstige toepassing op dochterondernemingen van een financiële instelling als bedoeld in lid 1, eerste alinea.

Hoofdstuk 2

Recht van vestiging van kredietinstellingen

Artikel 35

Kennisgevingsplicht en interactie tussen bevoegde autoriteiten

1. Iedere kredietinstelling die op het grondgebied van een andere lidstaat een bijkantoor wenst te vestigen, stelt de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst daarvan in kennis.

2. De lidstaten schrijven voor dat elke kredietinstelling die een bijkantoor in een andere lidstaat wenst te vestigen, de in lid 1 bedoelde kennisgeving vergezeld moet doen gaan van de volgende gegevens:

a) de lidstaat op het grondgebied waarvan zij voornemens is een bijkantoor te vestigen;

b) een programma van werkzaamheden waarin onder meer de aard van de voorgenomen activiteiten en de organisatiestructuur van het bijkantoor worden vermeld;

c) het adres in de lidstaat van ontvangst waar documenten kunnen worden opgevraagd;

d) de naam van de degenen die het bijkantoor gaan besturen.

3. Tenzij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst, gelet op het betrokken project, redenen hebben om aan de deugdelijkheid van de administratieve structuur of van de financiële positie van de kredietinstelling te twijfelen, doen zij binnen drie maanden na ontvangst van alle in lid 2 bedoelde gegevens, mededeling van deze gegevens aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst en stellen zij de betrokken kredietinstelling hiervan in kennis.

De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst doen tevens mededeling van het bedrag en de samenstelling van het eigen vermogen en van de som van de eigenvermogensvereisten uit hoofde van artikel 87 van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] van de kredietinstelling.

In afwijking van de tweede alinea doen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst in het in artikel 34 bedoelde geval mededeling van het bedrag en de samenstelling van het eigen vermogen van de financiële instelling en de totale risicopositiebedragen uit hoofde van artikel 87 van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] van de kredietinstelling die haar moederonderneming is.

4. Wanneer de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst weigeren de in lid 2 bedoelde gegevens mede te delen aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst, delen zij de redenen van deze weigering binnen drie maanden na ontvangst van alle gegevens mede aan de betrokken kredietinstelling.

Tegen deze weigering of het uitblijven van een antwoord staat beroep open bij de rechter in de lidstaat van herkomst.

5. De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen met het oog op de specificatie van de gegevens die overeenkomstig dit artikel moeten worden verstrekt.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen volgens de procedure van de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

6. De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische uitvoeringsnormen met het oog op de vaststelling van de standaardformulieren, templates en procedures voor deze kennisgeving.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

7. De EBA legt de in de leden 5 en 6 bedoelde ontwerpen van technische normen uiterlijk op 1 januari 2014 voor aan de Commissie.

Artikel 36

Aanvang van de werkzaamheden

1. Voordat het bijkantoor van de kredietinstelling met zijn werkzaamheden aanvangt, beschikken de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst over twee maanden, te rekenen vanaf de ontvangst van de in artikel 35 bedoelde mededeling, om het in hoofdstuk 4 bedoelde toezicht op de kredietinstelling voor te bereiden en om, in voorkomend geval, de voorwaarden aan te geven waaronder deze werkzaamheden om redenen van algemeen belang in de lidstaat van ontvangst moeten worden uitgeoefend.

2. Zodra een mededeling van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst is binnengekomen of, wanneer deze niet reageren, zodra de in lid 1 bedoelde termijn is verstreken, kan het bijkantoor gevestigd worden en met zijn werkzaamheden aanvangen.

3. In geval van wijziging van de inhoud van een van de overeenkomstig artikel 35, lid 2, onder b), c) of d), verstrekte gegevens stelt de kredietinstelling de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst en van de lidstaat van ontvangst schriftelijk van de desbetreffende wijziging in kennis, zulks ten minste één maand voor de toepassing van de wijziging, opdat de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst zich overeenkomstig artikel 35, en de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst zich overeenkomstig lid 1 van dit artikel kunnen uitspreken.

4. De bijkantoren die, overeenkomstig de bepalingen van de lidstaat van ontvangst, hun werkzaamheden hebben aangevangen vóór 1 januari 1993, worden geacht onderworpen te zijn geweest aan de procedure van artikel 35 en van de leden 1 en 2 van het onderhavige artikel. Zij vallen vanaf 1 januari 1993 onder het bepaalde in lid 3 van het onderhavige artikel en onder artikel 33, artikel 53 en hoofdstuk 4.

5. De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen met het oog op de specificatie van de gegevens die overeenkomstig dit artikel moeten worden verstrekt.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen volgens de procedure van de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

6. De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische uitvoeringsnormen met het oog op de vaststelling van de standaardformulieren, templates en procedures voor deze kennisgeving.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

7. De EBA legt de in de leden 5 en 6 bedoelde ontwerpen van technische normen uiterlijk op 1 januari 2014 voor aan de Commissie.

Artikel 37

Informatie over weigeringen

De lidstaten stellen de Commissie en de EBA in kennis van het aantal en de aard van de gevallen waarin overeenkomstig artikel 35 en artikel 36, leden 1, 2 en 3, een weigering is uitgesproken.

Artikel 38

Samenneming van bijkantoren

Verscheidene bedrijfszetels in eenzelfde lidstaat van een kredietinstelling met hoofdkantoor in een andere lidstaat worden als één enkel bijkantoor beschouwd.

Hoofdstuk 3

Uitoefening van het recht tot het vrij verrichten van diensten

Artikel 39

Kennisgevingsprocedure

1. Elke kredietinstelling die voor de eerste maal in het kader van het vrij verrichten van diensten haar werkzaamheden wil uitoefenen op het grondgebied van een andere lidstaat, stelt de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst in kennis van de in de lijst in bijlage I bij deze richtlijn voorkomende werkzaamheden die zij wenst uit te oefenen.

2. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst doen aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst mededeling van de in lid 1 bedoelde kennisgeving, zulks binnen een termijn van één maand te rekenen vanaf de ontvangst van de kennisgeving.

3. Dit artikel doet geen afbreuk aan de rechten die verkregen zijn door kredietinstellingen welke vóór 1 januari 1993 werkzaam waren bij wege van het verrichten van diensten.

4. De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen met het oog op de specificatie van de gegevens die overeenkomstig dit artikel moeten worden verstrekt.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

5. De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische uitvoeringsnormen met het oog op de vaststelling van de standaardformulieren, templates en procedures voor deze kennisgeving.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

6. De EBA legt de in de leden 4 en 5 bedoelde ontwerpen van technische normen uiterlijk op 1 januari 2014 voor aan de Commissie.

Hoofdstuk 4

Bevoegdheden van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst

Artikel 40

Rapportagevereisten

De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst kunnen eisen dat elke kredietinstelling die een bijkantoor op hun grondgebied heeft, aan de bevoegde autoriteiten van deze lidstaat een periodiek verslag over de werkzaamheden op hun grondgebied zendt.

Dergelijke verslagen kunnen alleen worden verlangd voor informatiedoeleinden en voor de toepassing van artikel 52, lid 1.

De bevoegde autoriteiten van de lidstaten van ontvangst kunnen meer in het bijzonder informatie van de in de eerste alinea bedoelde kredietinstellingen verlangen om te kunnen uitmaken of het gaat om een significant bijkantoor in de zin van artikel 52, lid 1.

Artikel 41

Door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst getroffen maatregelen

ten aanzien van in de lidstaat van ontvangst uitgeoefende werkzaamheden

1. Indien de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst constateren dat een kredietinstelling die op hun grondgebied een bijkantoor heeft of in het kader van het verrichten van diensten werkzaam is, voldoet aan een van de volgende voorwaarden die met betrekking tot de in de betrokken lidstaat van ontvangst uitgeoefende activiteiten worden gesteld, stellen zij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst daarvan in kennis:

a) de kredietinstelling voldoet niet aan de nationale uitvoeringsbepalingen van deze richtlijn of aan Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau];

b) aangenomen wordt dat de kredietinstelling niet voldoet aan de nationale uitvoeringsbepalingen van deze richtlijn of aan Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau].

De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst treffen zo spoedig mogelijk alle passende maatregelen om te bewerkstelligen dat de betrokken kredietinstelling een einde maakt aan deze onregelmatige situatie of maatregelen treft om het risico van niet-naleving uit te sluiten. Deze maatregelen worden medegedeeld aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst.

2. Indien de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst menen dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst hun verplichtingen niet zijn nagekomen of hun verplichting uit hoofde van lid 1 niet zullen nakomen, kunnen zij overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 de zaak naar de EBA verwijzen en om haar bijstand verzoeken. In dat geval mag de EBA handelen overeenkomstig de haar bij dat artikel toegekende bevoegdheden. De EBA neemt binnen 24 uur een besluit in de zin van artikel 19, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 42

Rechtvaardiging

Elke ter uitvoering van artikel 41, lid 1, artikel 43 of artikel 44 genomen maatregel die sancties of een beperking van de uitoefening van het recht tot het verrichten van diensten of de vrijheid van vestiging behelst, wordt naar behoren met redenen omkleed en aan de betrokken kredietinstelling medegedeeld.

Artikel 43

Conservatoire maatregelen

1. Alvorens de in artikel 41 bedoelde procedure toe te passen, kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst in noodsituaties, in afwachting van maatregelen van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst of van in artikel 2 van Richtlijn 2001/24/EG bedoelde saneringsmaatregelen, alle conservatoire maatregelen treffen die onontbeerlijk zijn voor de bescherming van de belangen van deposanten, beleggers en cliënten in de lidstaat van ontvangst.

2. Conservatoire maatregelen staan in verhouding tot het doel waarvoor ze worden getroffen, namelijk het beschermen tegen schadelijke gevolgen van de belangen van deposanten, beleggers en cliënten in de lidstaat van ontvangst. De maatregelen kunnen een opschorting van betaling omvatten. Zij resulteren niet in een bevoordeling van de schuldeisers van de kredietinstelling in de lidstaat van ontvangst ten opzichte van schuldeisers in andere lidstaten.

3. Conservatoire maatregelen mogen alleen worden getroffen voordat een in artikel 2 van Richtlijn 2001/24/EG bedoelde saneringsmaatregel wordt genomen. Een conservatoire maatregel houdt op effect te sorteren wanneer de administratieve of rechterlijke instanties van de lidstaat van herkomst saneringsmaatregelen in de zin van artikel 2 van Richtlijn 2001/24/EG treffen.

4. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst beëindigen de conservatoire maatregelen wanneer deze achterhaald zijn uit hoofde van artikel 41, tenzij zij overeenkomstig lid 3 ophouden effect te sorteren.

5. De Commissie, de EBA en de bevoegde autoriteiten van de overige betrokken lidstaten worden zo spoedig mogelijk van conservatoire maatregelen op de hoogte gebracht.

Indien de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst bezwaar hebben tegen door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst getroffen maatregelen, kunnen zij overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 de zaak naar de EBA verwijzen en om haar bijstand verzoeken. In dat geval mag de EBA handelen overeenkomstig de haar bij dat artikel toegekende bevoegdheden. Indien de EBA handelt, neemt zij binnen 24 uur een besluit in de zin van artikel 19, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

6. De Commissie kan, na raadpleging van de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten en de EBA, besluiten dat de betrokken lidstaat de conservatoire maatregelen moet wijzigen of intrekken.

Artikel 44

Bevoegdheden van de lidstaat van ontvangst

De lidstaat van ontvangst kan, ongehinderd door de artikelen 40 en 41, in het kader van de uitoefening van de bevoegdheden die hem bij deze richtlijn worden toegekend passende maatregelen treffen om op zijn grondgebied begane onregelmatigheden die in strijd zijn met de wettelijke bepalingen die hij overeenkomstig onderhavige richtlijn of om redenen van algemeen belang heeft vastgesteld, te voorkomen of te bestraffen. Met name kan de lidstaat van ontvangst de in overtreding zijnde kredietinstelling beletten nieuwe transacties op zijn grondgebied aan te vangen.

Artikel 45

Na de intrekking van de vergunning te nemen maatregelen

Ingeval de vergunning wordt ingetrokken, worden de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst daarvan in kennis gesteld en nemen zij passende maatregelen teneinde de betrokken kredietinstelling te beletten om op hun grondgebied nieuwe transacties aan te vangen en teneinde de belangen van de deposanten te vrijwaren.

Artikel 46

Reclame

Dit hoofdstuk belet kredietinstellingen die hun hoofdkantoor in een andere lidstaat hebben, niet hun diensten met alle beschikbare communicatiemiddelen te adverteren in de lidstaat van ontvangst, mits zij alle eventuele voorschriften inzake de vorm en de inhoud van dit adverteren in acht nemen die zijn vastgesteld om redenen van algemeen belang.

Titel VI

Betrekkingen met derde landen

Artikel 47

Kennisgeving van bijkantoren uit derde landen en van de toegangsvoorwaarden

voor kredietinstellingen die dergelijke bijkantoren hebben

1. De lidstaten passen op bijkantoren van kredietinstellingen met hoofdkantoor buiten de Unie voor wat betreft de toegang tot de werkzaamheden dan wel de uitoefening ervan geen bepalingen toe die leiden tot een gunstiger behandeling dan die welke geldt voor bijkantoren van kredietinstellingen die hun hoofdkantoor binnen de Unie hebben.

2. De bevoegde autoriteiten geven de Commissie, de EBA en het Europees Comité voor het bankwezen kennis van alle vergunningen voor bijkantoren die aan kredietinstellingen met hoofdkantoor in een derde land zijn verleend.

3. De Unie kan, via met één of meer derde landen gesloten overeenkomsten, regelingen treffen inzake de toepassing van bepalingen die bijkantoren van een kredietinstelling met hoofdkantoor buiten de Unie eenzelfde behandeling op het gehele grondgebied van de Unie verzekeren.

Artikel 48

Samenwerking inzake toezicht op geconsolideerde basis

met de bevoegde autoriteiten van derde landen

1. De Commissie kan op verzoek van een lidstaat of op eigen initiatief aan de Raad voorstellen doen voor onderhandelingen over overeenkomsten met één of meer derde landen met het oog op het maken van afspraken over de uitoefening van toezicht op geconsolideerde basis op:

a) instellingen waarvan de moederonderneming haar hoofdkantoor in een derde land heeft;

b) instellingen die in een derde land gelegen zijn en waarvan de moederonderneming een kredietinstelling, een financiële holding of een gemengde financiële holding met hoofdkantoor in de Unie is.

2. De in lid 1 bedoelde overeenkomsten hebben met name ten doel al hetgeen volgt te waarborgen:

a) de bevoegde autoriteiten van de lidstaten verkrijgen de inlichtingen die nodig zijn voor het toezicht, op grond van de geconsolideerde financiële positie, op een kredietinstelling, een financiële holding of een gemengde financiële holding die in de Unie gelegen is en die als dochteronderneming een kredietinstelling of een financiële instelling heeft die buiten de Unie gelegen is, of die in zulke instellingen een deelneming heeft;

b) de bevoegde autoriteiten van derde landen verkrijgen de inlichtingen die nodig zijn voor het toezicht op moederondernemingen met hoofdkantoor op hun grondgebied die als dochteronderneming een kredietinstelling of een financiële instelling hebben die gelegen is in één of meer lidstaten, of die in zulke instellingen deelnemingen hebben;

c) de EBA is in staat om overeenkomstig artikel 35 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten de inlichtingen te verkrijgen die zij ontvangen van de nationale autoriteiten van derde landen.

3. Onverminderd artikel 218 van het Verdrag, onderzoekt de Commissie met het Europees Comité voor het bankwezen het resultaat van de in lid 1 bedoelde onderhandelingen en de daaruit voortvloeiende situatie.

4. Overeenkomstig artikel 33 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 staat de EBA de Commissie bij voor de toepassing van dit artikel.

Titel VII

Bedrijfseconomisch toezicht

Hoofdstuk 1

Grondregels voor bedrijfseconomisch toezicht

Afdeling I

Bevoegdheden van de lidstaten van herkomst en van ontvangst

Artikel 49

Toezichtbevoegdheid van de lidstaat van herkomst

1. Het bedrijfseconomisch toezicht op een instelling, met inbegrip van het bedrijfseconomisch toezicht op de werkzaamheden die deze instelling overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 33 en 34 uitoefent, berust bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst, onverminderd de bepalingen van de onderhavige richtlijn welke een bevoegdheid van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst inhouden.

2. Lid 1 belet geenszins de uitoefening van toezicht op geconsolideerde basis.

Artikel 50

Bevoegdheid van de lidstaat van ontvangst

Door de lidstaat van ontvangst getroffen maatregelen mogen geen discriminerende of restrictieve behandeling inhouden uit hoofde van het feit dat aan de instelling in een andere lidstaat vergunning is verleend.

Artikel 51

Samenwerking inzake toezicht

1. Teneinde toezicht te houden op de werkzaamheden van de instellingen waarvan het werkterrein zich tot één of meer andere lidstaten uitstrekt dan de lidstaat van hun hoofdkantoor, met name door middel van een bijkantoor, werken de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten nauw samen. Zij verstrekken elkaar alle gegevens betreffende het bestuur en de eigendom van de betrokken instellingen, waardoor het toezicht op die instellingen en het onderzoek van de voorwaarden voor het verlenen van een vergunning aan die instellingen kan worden vergemakkelijkt, alsmede alle gegevens die het toezicht op deze instellingen, met name op het gebied van de liquiditeit, de solvabiliteit, de depositogarantie, de beperking van grote posities, de administratieve en boekhoudkundige procedures en de interne controle kunnen vergemakkelijken.

2. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst stellen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten van ontvangst onmiddellijk in kennis van alle inlichtingen en bevindingen met betrekking tot het in overeenstemming met deel zes van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] en titel VII, hoofdstuk 3, van deze richtlijn uitgeoefende liquiditeitstoezicht op de werkzaamheden die de instelling via het bijkantoor verricht, voor zover die informatie relevant is voor de bescherming van deposanten of beleggers in de lidstaat van ontvangst.

3. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst stellen de bevoegde autoriteiten van alle lidstaten van ontvangst onmiddellijk in kennis indien er zich liquiditeitsspanning voordoet of indien redelijkerwijze mag worden verwacht dat er zich liquiditeitsspanning zal voordoen. Bij deze kennisgeving worden ook nadere bijzonderheden verstrekt over de planning en uitvoering van een herstelplan en over enigerlei in dat verband genomen prudentiële maatregelen.

4. Op verzoek van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst delen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst mee en leggen zij uit hoe met de door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst meegedeelde inlichtingen en bevindingen rekening is gehouden. Ingeval er na de mededeling van de inlichtingen en bevindingen volgens de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst geen passende maatregelen zijn genomen door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst, kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 de zaak naar de EBA verwijzen. In dat geval mag de EBA handelen overeenkomstig de haar bij dat artikel toegekende bevoegdheden. Indien de EBA handelt, neemt zij binnen een termijn van één maand een besluit.

5. De bevoegde autoriteiten kunnen naar de EBA situaties verwijzen waarin een verzoek om samenwerking, met name een verzoek om uitwisseling van informatie, is afgewezen of niet binnen een redelijke termijn is gehonoreerd. Onverminderd artikel 258 van het Verdrag kan de EBA in die gevallen handelen overeenkomstig de haar bij artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 toegekende bevoegdheden.

6. De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen om de in dit artikel bedoelde informatie nader te specificeren.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen volgens de procedure van de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

7. De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische uitvoeringsnormen om standaardformulieren, templates en procedures vast te stellen voor de informatie-uitwisselingsvereisten die het toezicht op instellingen kunnen vergemakkelijken.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

8. De EBA legt de in de leden 6 en 7 bedoelde ontwerpen van technische normen uiterlijk op 1 januari 2014 voor aan de Commissie.

Artikel 52

Significante bijkantoren

1. De bevoegde autoriteiten van een lidstaat van ontvangst kunnen in gevallen waarin artikel 107, lid 1, van toepassing is, de consoliderende toezichthouder of anders de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst verzoeken een bijkantoor van een instelling dat niet aan de in artikel 90 van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] gestelde eisen voldoet, als significant aan te merken.

Het verzoek vermeldt de redenen waarom het bijkantoor als significant moet worden aangemerkt, en met name:

a) of het marktaandeel in deposito’s van het bijkantoor van een instelling in de lidstaat van ontvangst meer dan 2% bedraagt;

b) wat de vermoedelijke gevolgen van een opschorting of beëindiging van de werkzaamheden van de instelling voor de liquiditeit van de markt en de betalings-, clearing- en afwikkelingssystemen in de lidstaat van ontvangst zullen zijn;

c) de omvang en het belang van het bijkantoor, wat het aantal cliënten betreft, binnen het bancaire of financiële stelsel in de lidstaat van ontvangst.

De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst en van de lidstaat van ontvangst, alsmede de consoliderende toezichthouder in gevallen waarin artikel 108 van toepassing is, stellen alles in het werk om tot een gezamenlijk besluit te komen over de kwalificatie van een bijkantoor als significant.

Als binnen twee maanden na ontvangst van een verzoek ingevolge de eerste alinea geen gezamenlijk besluit wordt genomen, beslissen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst uiterlijk twee maanden daarna zelf of het bijkantoor significant is. Bij deze beslissing houden de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst rekening met de standpunten en voorbehouden van de consoliderende toezichthouder of van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst.

Indien een van de betrokken bevoegde autoriteiten aan het einde van de eerste termijn van twee maanden, de zaak overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 naar de EBA heeft verwezen, schorten de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst hun beslissing op en wachten zij het door de EBA overeenkomstig artikel 19, lid 3, van genoemde verordening genomen besluit af. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst nemen hun besluit in overeenstemming met dat van de EBA. De termijn van twee maanden wordt beschouwd als de verzoeningsfase in de zin van artikel 19 van genoemde verordening. De EBA neemt haar besluit binnen één maand. De zaak wordt niet meer naar de EBA verwezen na het einde van de eerste termijn van twee maanden of nadat een gezamenlijk besluit is genomen.

De in de derde alinea bedoelde besluiten worden op schrift gesteld met volledige opgaaf van redenen, worden aan de betrokken bevoegde autoriteiten toegezonden en worden bindend voor de bevoegde autoriteiten in de betrokken lidstaten.

De kwalificatie van een bijkantoor als significant doet geen afbreuk aan de rechten en plichten van de bevoegde autoriteiten in het kader van deze richtlijn.

2. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst zenden de bevoegde autoriteiten van een lidstaat van ontvangst waarin een significant bijkantoor is gevestigd, de in artikel 112, lid 1, onder c) en d), genoemde informatie toe en voeren de in artikel 107, lid 1, onder c), genoemde taken in samenwerking met de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst uit.

Als een bevoegde autoriteit van een lidstaat van herkomst kennis krijgt van een noodsituatie in een instelling in de zin van artikel 109, lid 1, waarschuwt zij zonder onnodige vertraging de in artikel 59, lid 4, en artikel 60 genoemde autoriteiten.

De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst delen aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst waar significante bijkantoren zijn gevestigd, de resultaten van de risicobeoordelingen van instellingen met dergelijke bijkantoren als bedoeld in artikel 92 en, in voorkomend geval, in artikel 108, lid 2, onder a), mee. Zij delen ook de besluiten uit hoofde van de artikelen 64, 98 en 99 mee, voor zover deze beoordelingen en besluiten relevant zijn voor deze bijkantoren.

Ingeval zulks relevant is voor liquiditeitsrisico's in de valuta van de lidstaat van ontvangst, raadplegen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst de bevoegde autoriteiten van de lidstaten van ontvangst waar significante bijkantoren zijn gevestigd over de krachtens artikel 84, lid 10, vereiste operationele maatregelen.

Wanneer de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst niet hebben geraadpleegd, of wanneer door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst genomen operationele stappen als bedoeld in artikel 84, lid 10, niet adequaat zijn, kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst de zaak overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 naar de EBA verwijzen. In dat geval mag de EBA handelen overeenkomstig de haar bij dat artikel toegekende bevoegdheden.

3. Ingeval artikel 111 niet van toepassing is, richten de bevoegde autoriteiten die toezicht houden op een instelling met significante bijkantoren in andere lidstaten, een door hen voorgezeten college van toezichthouders op om de samenwerking ingevolge lid 2 van het onderhavige artikel en artikel 51 te vergemakkelijken. Na raadpleging van de betrokken bevoegde autoriteiten stelt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst de regeling voor de oprichting en werking van het college schriftelijk vast. De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst beslist welke bevoegde autoriteiten aan een vergadering of activiteit van het college deelnemen.

Bij haar beslissing houdt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst rekening met de relevantie van de te plannen of te coördineren toezichtactiviteit voor die autoriteiten en in het bijzonder met de gevolgen die deze beslissing kan hebben voor de stabiliteit van het financiële stelsel in de betrokken lidstaten als bedoeld in artikel 8, en met het bepaalde in lid 2 van dit artikel.

De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst informeert alle leden van het college vooraf volledig over het beleggen van vergaderingen, de voornaamste agendapunten en de in overweging te nemen activiteiten. De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst informeert alle leden van het college tevens tijdig over de acties of maatregelen die in die bijeenkomsten ondernomen of uitgevoerd worden.

4. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst hebben de bevoegdheid per geval de werkzaamheden van bijkantoren van instellingen op hun grondgebied ter plaatse te verifiëren en van een bijkantoor informatie over zijn werkzaamheden te verlangen. Vóór de verificatie worden de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst geraadpleegd. Na de verificatie stellen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst in kennis van de verkregen inlichtingen en bevindingen die relevant zijn voor de risicobeoordeling van de instelling of voor de stabiliteit van het financiële stelsel in de lidstaat van ontvangst. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst houden naar behoren met deze inlichtingen en bevindingen rekening bij de opstelling van hun in artikel 96 bedoelde programma voor toezichtonderzoek, en letten ook op de stabiliteit van het financiële stelsel van de lidstaat van ontvangst.

5. De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen om algemene voorwaarden voor het functioneren van colleges van toezichthouders te specificeren.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen deze technische reguleringsnormen vast te stellen volgens de procedure van de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

6. De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische uitvoeringsnormen om de operationele werking van colleges van toezichthouders nader te bepalen.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend deze technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

7. De EBA legt de in de leden 5 en 6 bedoelde ontwerpen van technische normen uiterlijk op 31 december 2015 voor aan de Commissie.

Artikel 53

Verificatie ter plaatse van in een andere lidstaat gevestigde bijkantoren

1. De lidstaten van ontvangst bepalen dat, wanneer een instelling waaraan in een andere lidstaat vergunning is verleend, haar werkzaamheden uitoefent door middel van een bijkantoor, de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst, na de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst daarvan vooraf in kennis te hebben gesteld, zelf of met inschakeling van door de eerstgenoemde autoriteiten daartoe aangewezen personen ter plaatse de in artikel 51 bedoelde gegevens kunnen verifiëren.

2. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst kunnen voor de verificatie van de bijkantoren ook gebruikmaken van een van de andere in artikel 116 genoemde procedures.

Afdeling II

Uitwisseling van informatie en beroepsgeheim

Artikel 54

Beroepsgeheim

1. De lidstaten bepalen dat alle personen die werkzaam zijn of zijn geweest voor de bevoegde autoriteiten, alsmede auditors of deskundigen die in opdracht van de bevoegde autoriteiten handelen, aan het beroepsgeheim gebonden zijn.

De vertrouwelijke gegevens waarvan zij beroepshalve kennis krijgen, mogen aan geen enkele persoon of autoriteit bekend worden gemaakt, behalve in een samengevatte of geaggregeerde vorm, zodat individuele kredietinstellingen niet kunnen worden geïdentificeerd, zulks onverminderd de gevallen die onder het strafrecht vallen.

Indien een kredietinstelling failliet is verklaard of op grond van een rechterlijke uitspraak moet worden geliquideerd, mogen echter vertrouwelijke gegevens die geen betrekking hebben op derden die betrokken zijn bij pogingen om de kredietinstellingen te redden, in het kader van civiele of handelsrechtelijke procedures openbaar worden gemaakt.

2. Lid 1 belet niet dat de bevoegde autoriteiten van de verschillende lidstaten overeenkomstig deze richtlijn, Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] en andere richtlijnen die op kredietinstellingen van toepassing zijn, alsook de artikelen 31 en 35 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 informatie uitwisselen of aan de EBA doen toekomen. Deze informatie is onderworpen aan de voorwaarden met betrekking tot het in lid 1 bedoelde beroepsgeheim.

3. Lid 1 belet niet dat de bevoegde autoriteiten de resultaten van de overeenkomstig artikel 97 of artikel 32 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 gehouden stresstests bekendmaken en aan de EBA doen toekomen met het oog op de bekendmaking door de EBA van de resultaten van EU-brede stresstests.

Artikel 55

Gebruik van vertrouwelijke informatie

De bevoegde autoriteiten die uit hoofde van artikel 54 vertrouwelijke gegevens ontvangen, mogen deze alleen gebruiken voor de uitoefening van hun taken en alleen voor een van de volgende doeleinden:

a) voor het onderzoek van de voorwaarden voor de toegang tot de werkzaamheden van kredietinstellingen en voor het vergemakkelijken van de bewaking, op individuele en op geconsolideerde basis, van die werkzaamheden, in het bijzonder ten aanzien van het toezicht op de liquiditeit, de solvabiliteit, de grote posities, de administratieve en boekhoudkundige procedures en de interne controle;

b) voor het opleggen van sancties;

c) in het kader van een beroep tegen een besluit van de bevoegde autoriteit, met inbegrip van rechtszaken die aanhangig zijn gemaakt overeenkomstig artikel 71;

d) bij rechtszaken die aanhangig zijn gemaakt overeenkomstig bijzondere bepalingen van het Unierecht betreffende kredietinstellingen.

Artikel 56

Samenwerkingsovereenkomsten

De lidstaten en de EBA kunnen overeenkomstig artikel 33 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 met de bevoegde autoriteiten van derde landen of met de autoriteiten of instanties van derde landen, zoals gedefinieerd in artikel 57 en artikel 58, lid 1, van deze richtlijn alleen dan samenwerkingsovereenkomsten voor de uitwisseling van gegevens sluiten, als met betrekking tot de meegedeelde gegevens ten minste gelijkwaardige waarborgen inzake het beroepsgeheim gelden als de in artikel 54, lid 1, van deze richtlijn bedoelde waarborgen. Dergelijke uitwisseling van informatie geschiedt ten behoeve van het uitoefenen van de toezichtstaken van de genoemde autoriteiten of instanties.

Informatie die afkomstig is van een andere lidstaat wordt alleen doorgegeven met de uitdrukkelijke instemming van de autoriteiten die de informatie hebben meegedeeld, en wordt, in voorkomend geval, alleen gebruikt voor de doeleinden waarmee deze autoriteiten hebben ingestemd.

Artikel 57

Informatie-uitwisseling binnen eenzelfde lidstaat

Artikel 54, lid 1, en artikel 55 vormen geen belemmering voor de uitwisseling van gegevens binnen eenzelfde lidstaat, wanneer er verscheidene bevoegde autoriteiten zijn, of tussen lidstaten, tussen de bevoegde autoriteiten en de volgende partijen voor de vervulling van hun toezichtstaak:

a) de autoriteiten aan wie van overheidswege het toezicht op andere financiële instellingen en verzekeringsmaatschappijen is opgedragen, alsmede de autoriteiten die belast zijn met het toezicht op financiële markten;

b) de instanties die betrokken zijn bij de liquidatie en het faillissement van kredietinstellingen en andere soortgelijke procedures;

c) de met de wettelijke controle van de jaarrekening van kredietinstellingen en andere financiële instellingen belaste personen.

Artikel 54, lid 1, en artikel 55 vormen geen belemmering voor de toezending aan de organen die belast zijn met de uitvoering van de depositogarantiestelsels, van de gegevens die nodig zijn voor de vervulling van hun taak.

In beide gevallen vallen de ontvangen gegevens onder het in artikel 54, lid 1, bedoelde beroepsgeheim.

Artikel 58

Informatie-uitwisseling met toezichthoudende instanties

1. Onverminderd de artikelen 54, 55 en 56 kunnen de lidstaten toestaan dat uitwisseling van informatie plaatsvindt tussen de bevoegde autoriteiten en:

a) de autoriteiten die belast zijn met het toezicht op de instanties die betrokken zijn bij de liquidatie en het faillissement van kredietinstellingen en andere soortgelijke procedures;

b) de autoriteiten die belast zijn met het toezicht op personen die belast zijn met de wettelijke controle van de jaarrekening van verzekeringsondernemingen, kredietinstellingen, beleggingsondernemingen en andere financiële instellingen.

2. In de in lid 1 bedoelde gevallen, schrijven de lidstaten voor dat minimaal aan de volgende voorwaarden moet worden voldaan:

a) de informatie is bestemd voor de uitoefening van de in lid 1 bedoelde toezichtstaken;

b) de in dit verband ontvangen informatie valt onder het in artikel 54, lid 1, bedoelde beroepsgeheim;

c) gegevens die afkomstig zijn van een andere lidstaat mogen alleen worden doorgegeven met de uitdrukkelijke toestemming van de bevoegde autoriteiten die de gegevens hebben medegedeeld, en in voorkomend geval alleen worden gebruikt voor de doeleinden waarmede deze autoriteiten hebben ingestemd.

De lidstaten delen de EBA de identiteit mede van de autoriteiten die op grond van de leden 1 en 2 informatie mogen ontvangen.

3. Onverminderd de artikelen 54, 55 en 56 kunnen de lidstaten, ter versterking van de stabiliteit en integriteit van het financiële stelsel, toestaan dat uitwisseling van informatie plaatsvindt tussen de bevoegde autoriteiten en de autoriteiten of instanties die wettelijk belast zijn met de opsporing en het onderzoek van inbreuken op het vennootschapsrecht.

In dergelijke gevallen schrijven de lidstaten voor dat minimaal aan de volgende voorwaarden moet worden voldaan:

a) de informatie is bestemd voor de uitoefening van de in de eerste alinea bedoelde taken;

b) de in dit verband ontvangen informatie valt onder het in artikel 54, lid 1, bedoelde beroepsgeheim;

c) gegevens die afkomstig zijn van een andere lidstaat mogen alleen worden doorgegeven met de uitdrukkelijke toestemming van de bevoegde autoriteiten die de gegevens hebben medegedeeld, en in voorkomend geval alleen worden gebruikt voor de doeleinden waarmede deze autoriteiten hebben ingestemd.

4. Indien de in lid 1 bedoelde autoriteiten of instanties die in een lidstaat bij de uitoefening van hun opsporings- of onderzoekstaken een beroep doen op personen die op grond van hun specifieke deskundigheid met een opdracht worden belast en die geen openbaar ambt bekleden, kan de in de eerste alinea bedoelde mogelijkheid tot uitwisseling van informatie tot deze personen worden verruimd op de in de tweede alinea genoemde voorwaarden.

5. De lidstaten delen de EBA de identiteit mede van de autoriteiten of instanties die op grond van het onderhavige artikel informatie mogen ontvangen.

6. Voor de toepassing van lid 4 delen de in lid 1 bedoelde autoriteiten of instanties aan de bevoegde autoriteiten die de informatie hebben medegedeeld, de identiteit en de juiste opdracht mede van de personen aan wie deze informatie zal worden doorgegeven.

Artikel 59

Doorgeven van informatie over monetaire, systeem- en betalingsaspecten

1. De bepalingen van dit hoofdstuk houden geen belemmering voor een bevoegde autoriteit in om voor de uitoefening van haar taak dienstige gegevens mede te delen aan:

a) centrale banken en andere instanties met een soortgelijke taak in hun hoedanigheid van monetaire autoriteit als deze informatie van belang is voor de uitoefening van hun wettelijke taken, waaronder het voeren van monetair beleid en de daarmee samenhangende beschikbaarstelling van liquide middelen, de uitoefening van toezicht op betalings-, clearing- en afwikkelingssystemen en de waarborging van de stabiliteit van het financiële stelsel;

b) in voorkomend geval, andere overheidsinstanties die verantwoordelijk zijn voor het toezicht op betalingssystemen;

c) het Europees Comité voor systeemrisico's (ESRB) als die gegevens van belang zijn voor de uitoefening van zijn wettelijke taken krachtens Verordening (EU) nr. 1092/2010 [35].

2. De bepalingen van dit hoofdstuk houden voor de in lid 1 bedoelde autoriteiten of instanties geen belemmering in om aan de bevoegde autoriteiten de informatie toe te zenden die deze nodig hebben ter uitvoering van artikel 55.

3. De in dit verband ontvangen gegevens vallen onder het in artikel 54, lid 1, bedoelde beroepsgeheim.

4. In een noodsituatie als bedoeld in artikel 109, lid 1, staan de lidstaten de bevoegde autoriteiten toe dat zij onverwijld gegevens toezenden aan centrale banken als die gegevens van belang zijn voor de uitoefening van hun wettelijke taken, waaronder het voeren van monetair beleid en de daarmee samenhangende beschikbaarstelling van liquide middelen, de uitoefening van toezicht op betalings-, clearing- en afwikkelingssystemen en waarborging van de stabiliteit van het financiële stelsel, en aan het ESRB als die gegevens van belang zijn voor de uitoefening van zijn wettelijke taken.

Artikel 60

Informatieverstrekking aan andere autoriteiten

1. Niettegenstaande artikel 54, lid 1, en artikel 55 mogen de lidstaten, op grond van wettelijke bepalingen de mededeling van bepaalde gegevens toestaan aan andere centrale overheidsdiensten die bevoegd zijn voor de wetgeving inzake het toezicht op kredietinstellingen, financiële instellingen, beleggingsdiensten en verzekeringsmaatschappijen, alsmede aan de inspecteurs die in opdracht van deze overheidsdiensten optreden.

Deze gegevens mogen echter alleen worden verstrekt wanneer zulks ter wille van het bedrijfseconomisch toezicht nodig blijkt.

In een noodsituatie als bedoeld in artikel 109, lid 1, staan de lidstaten de bevoegde autoriteiten toe dat zij gegevens die van belang zijn mededelen aan de in de eerste alinea genoemde diensten in alle betrokken lidstaten.

2. De lidstaten kunnen onder de volgende voorwaarden toestaan dat bepaalde informatie over het bedrijfseconomisch toezicht op instellingen aan parlementaire onderzoekscommissies, rekenkamers en andere voor onderzoek verantwoordelijke entiteiten in een lidstaat wordt meegedeeld:

a) de betrokken entiteiten hebben een nauwkeurig in de nationale wetgeving omschreven mandaat om de maatregelen van autoriteiten die voor het toezicht op instellingen of voor wetgeving inzake dit toezicht verantwoordelijk zijn, te onderzoeken of te controleren;

b) de informatie is strikt noodzakelijk om het onder a) bedoelde mandaat te vervullen;

c) voor de personen die toegang hebben tot de informatie, gelden krachtens de nationale wetgeving geheimhoudingsverplichtingen die garanderen dat de informatie niet wordt bekendgemaakt aan personen die geen lid of werknemer zijn van dergelijke entiteiten.

d) gegevens die afkomstig zijn van een andere lidstaat mogen alleen worden doorgegeven met de uitdrukkelijke instemming van de bevoegde autoriteiten die de gegevens hebben meegedeeld, en in voorkomend geval alleen worden gebruikt voor de doeleinden waarmee deze autoriteiten hebben ingestemd.

Indien de mededeling van informatie over het bedrijfseconomisch toezicht de verwerking van persoonsgegevens met zich meebrengt, geschiedt een dergelijke verwerking door de bovengenoemde entiteiten met inachtneming van de toepasselijke nationale wetten tot omzetting van Richtlijn 95/46/EG.

Artikel 61

Bij verificaties ter plaatse verkregen gegevens

De lidstaten bepalen dat de gegevens die op grond van artikel 52, lid 4, artikel 54, lid 2, en artikel 57 zijn ontvangen, en die welke zijn verkregen naar aanleiding van in artikel 53, leden 1 en 2, bedoelde verificaties ter plaatse, in geen enkel geval op grond van artikel 60 mogen worden medegedeeld, tenzij met de uitdrukkelijke instemming van de bevoegde autoriteiten die de gegevens hebben verstrekt of van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de verificatie ter plaatse is verricht.

Artikel 62

Gegevens over clearing- en afwikkelingsdiensten

1. De bepalingen van dit hoofdstuk vormen geen belemmering voor de bevoegde autoriteiten van een lidstaat om de in de artikelen 54, 55 en 56 bedoelde gegevens mede te delen aan een clearinginstelling of een ander, soortgelijk orgaan dat bij de nationale wetgeving is erkend voor het verstrekken van clearing- en afwikkelingsdiensten op één van hun nationale markten, indien zij van oordeel zijn dat dit nodig is om de regelmatige werking van deze organen te garanderen in verband met het, zelfs potentiële, in gebreke blijven van een marktdeelnemer. De in dit verband ontvangen gegevens vallen onder het in artikel 54, lid 1, genoemde beroepsgeheim.

2. De lidstaten zien er evenwel op toe dat uit hoofde van artikel 54, lid 2, ontvangen gegevens in het in de eerste alinea bedoelde geval niet kunnen worden doorgegeven, tenzij met de uitdrukkelijke toestemming van de bevoegde autoriteiten die de gegevens hebben verstrekt.

Afdeling III

Verplichtingen van de personen belast met de wettelijke controle van de jaarrekening en de geconsolideerde rekening

Artikel 63

Verplichtingen van de personen belast met de

wettelijke controle van de jaarrekening en de geconsolideerde rekening

1. De lidstaten bepalen minimaal dat iedere persoon die is toegelaten in de zin van Richtlijn 2006/43/EG [36], en die bij een instelling de taken verricht zoals bedoeld in artikel 51 van Richtlijn 78/660/EEG [37], artikel 37 van Richtlijn 83/349/EEG [38] of artikel 73 van Richtlijn 2009/65/EG, dan wel een andere wettelijke taak, de verplichting heeft terstond aan de bevoegde autoriteiten melding te doen van elk feit of besluit met betrekking tot deze instelling, waarvan de betrokken persoon bij de uitvoering van die taken kennis heeft gekregen en dat van dien aard is:

a) dat het een inbreuk ten gronde inhoudt op de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen tot vaststelling van de voorwaarden voor vergunningverlening of van specifieke voorschriften betreffende de uitoefening van de werkzaamheden van de instelling;

b) dat het de bedrijfscontinuïteit van de instelling aantast;

c) dat het leidt tot weigering van de goedkeuring van de jaarrekening of tot het uiten van voorbehouden.

De lidstaten bepalen minimaal dat dezelfde verplichting rust op deze persoon ten aanzien van feiten of besluiten waarvan hij kennis zou hebben gekregen bij de uitvoering van taken als beschreven in de eerste alinea, bij een onderneming die uit een zeggenschapsband voortvloeiende nauwe banden heeft met de instelling waar deze persoon de desbetreffende taken uitvoert.

2. Melding te goeder trouw aan de bevoegde autoriteiten door de personen die zijn toegelaten in de zin van Richtlijn 2006/43/EEG van in lid 1 bedoelde feiten of besluiten vormt geen inbreuk op ongeacht welke op grond van een contract of van een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling opgelegde beperking inzake de openbaarmaking van informatie, en leidt voor de betrokken personen tot geen enkele vorm van aansprakelijkheid.

Afdeling IV

Toezichtbevoegdheden, sanctiebevoegdheid en beroepsrecht

Artikel 64

Toezichtbevoegdheden

Voor de toepassing van artikel 99 en Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] beschikken de bevoegde autoriteiten ten minste over de volgende bevoegdheden:

a) zij kunnen instellingen verplichten een specifiek eigen vermogen aan te houden met betrekking tot niet door artikel 1 van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] bestreken aspecten van risico's en risico's, zoals overeenkomstig artikel 98 door de bevoegde autoriteiten is bepaald;

b) zij kunnen verlangen dat de met het oog op de artikelen 72 en 74 ingevoerde regelingen, procedures, mechanismen en strategieën worden aangescherpt;

c) zij kunnen instellingen verplichten in verband met de eigenvermogensvereisten een specifiek voorzieningenbeleid te voeren of activa op een specifieke wijze te behandelen;

d) zij kunnen restricties of beperkingen opleggen ten aanzien van de bedrijfsactiviteiten, de transacties of het netwerk van instellingen of de afstoting verlangen van activiteiten die buitensporige risico's voor de soliditeit van een instelling met zich meebrengen;

e) zij kunnen verlangen dat het aan de werkzaamheden, producten en systemen van instellingen verbonden risico wordt beperkt;

f) zij kunnen van instellingen verlangen dat ze de variabele beloning tot een bepaald percentage van hun netto-inkomsten beperken als deze inkomsten niet met de instandhouding van een solide kapitaalbasis te verenigen zijn;

g) zij kunnen van instellingen verlangen dat zij hun nettowinsten gebruiken om het eigen vermogen te versterken, onder meer door uitkeringen door de instelling aan aandeelhouders of vennoten te beperken of te verbieden;

h) zij kunnen aanvullende rapportagevereisten opleggen of een frequentere rapportage verlangen, onder meer wat de rapportage over kapitaal en liquiditeitsposities betreft;

i) zij kunnen beperkingen opleggen ten aanzien van looptijdverschillen tussen activa en passiva;

j) zij kunnen de betaling of uitkering van dividenden of interesten op aanvullende tier 1-instrumenten verbieden.

Artikel 65

Sancties

1. De lidstaten bepalen dat hun respectieve bevoegde autoriteiten passende administratieve sancties en maatregelen kunnen treffen ingeval de bepalingen van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] of de nationale voorschriften voor de tenuitvoerlegging van deze richtlijn niet zijn nageleefd, en zorgen ervoor dat deze worden toegepast. De sancties en maatregelen zijn doeltreffend, evenredig en afschrikkend.

2. De lidstaten dragen er zorg voor dat als instellingen, financiële holdings, gemengde financiële holdings en gemengde holdings aan verplichtingen onderworpen zijn, bij een schending van deze verplichtingen sancties kunnen worden opgelegd aan de leden van het leidinggevend orgaan en aan alle andere personen die uit hoofde van het nationale recht voor de schending verantwoordelijk zijn.

3. Aan de bevoegde autoriteiten worden alle onderzoeksbevoegdheden toegekend die nodig zijn voor de vervulling van hun taken. Bij de uitoefening van hun sanctiebevoegdheden werken de bevoegde autoriteiten nauw met elkaar samen om ervoor te zorgen dat de sancties of maatregelen het gewenste resultaat opleveren, en om hun optreden te coördineren wanneer het om grensoverschrijdende zaken gaat.

Artikel 66

Vergunningvereisten en vereisten voor de verwerving van gekwalificeerde deelnemingen

1. Dit artikel is van toepassing op het volgende:

a) in schending van artikel 3 bedrijfsmatig van het publiek deposito's of andere terugbetaalbare gelden in ontvangst nemen zonder een kredietinstelling te zijn;

b) in schending van artikel 9 werkzaamheden als een kredietinstelling aanvangen zonder een vergunning te hebben verkregen;

c) in schending van artikel 22, lid 1, rechtstreeks of middellijk een gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling verwerven, dan wel rechtstreeks of middellijk een dergelijke gekwalificeerde deelneming verder vergroten, waardoor het percentage van de gehouden stemrechten of aandelen in het kapitaal 20%, 30% of 50% bereikt of overschrijdt, dan wel de kredietinstelling een dochteronderneming wordt (hierna "voorgenomen verwerving" genoemd), zonder de bevoegde autoriteiten van de kredietinstelling ten aanzien waarvan een verwerving of vergroting van een gekwalificeerde deelneming wordt beoogd, daarvan vooraf schriftelijk kennis te hebben gegeven;

d) in schending van artikel 25 rechtstreeks of middellijk een gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling afstoten of verminderen, waardoor het percentage van de gehouden stemrechten of aandelen in het kapitaal tot minder dan 20%, 30% of 50% daalt, dan wel de kredietinstelling geen dochteronderneming meer is, zonder de bevoegde autoriteiten daarvan vooraf schriftelijk kennis te hebben gegeven.

2. De lidstaten dragen er zorg voor dat in de in lid 1 bedoelde gevallen ten minste onder meer de volgende administratieve sancties en maatregelen kunnen worden opgelegd:

a) een publieke verklaring waarin de voor de schending verantwoordelijke natuurlijke of rechtspersoon en de aard van de schending worden vermeld;

b) een bevel waarin wordt geëist dat de voor de schending verantwoordelijke natuurlijke of rechtspersoon het gedrag staakt en niet meer herhaalt;

c) ingeval het een rechtspersoon betreft, administratieve geldboeten oplopend tot 10% van de totale jaaromzet van de onderneming in het voorgaande boekjaar; wanneer de rechtspersoon een dochteronderneming van een moederonderneming is, is de desbetreffende totale jaaromzet gelijk aan de totale jaaromzet die blijkt uit de geconsolideerde rekening van de uiteindelijke moederonderneming in het voorgaande boekjaar;

d) ingeval het een natuurlijke persoon betreft, administratieve geldboeten oplopend tot 5 000 000 EUR of, in de lidstaten waar de euro niet de officiële valuta is, het overeenkomstige bedrag in de nationale valuta op de datum van vaststelling van deze richtlijn.

e) administratieve geldboeten oplopend tot tweemaal het bedrag van de aan de schending ontleende winst ingeval deze kan worden bepaald.

Artikel 67

Andere bepalingen

1. Dit artikel is van toepassing in alle volgende omstandigheden:

a) in schending van artikel 18, onder b), heeft een instelling een vergunning verkregen door middel van valse verklaringen of op enige andere onregelmatige wijze;

b) in schending van artikel 26, lid 1, eerste alinea, verzuimt een instelling om, zodra zij kennis heeft van verwervingen of afstotingen van deelnemingen in haar kapitaal, waardoor voor holdings stijging boven of daling onder één van de percentages als bedoeld in artikel 22, lid 1, en artikel 25 optreedt, de bevoegde autoriteiten van deze verwervingen of afstotingen in kennis te stellen.

c) in schending van artikel 26, lid 1, tweede alinea, verzuimt een instelling die voorkomt op de door de EAEM overeenkomstig artikel 47 van Richtlijn 2004/39/EG te publiceren lijst van gereglementeerde markten, de bevoegde autoriteiten ten minste eens per jaar in kennis te stellen van de identiteit van de aandeelhouders of vennoten die gekwalificeerde deelnemingen bezitten, alsmede van de omvang van de deelnemingen;

d) een instelling beschikt niet over de governanceregelingen die overeenkomstig de nationale voorschriften voor de tenuitvoerlegging van artikel 73 door de bevoegde autoriteiten worden geëist;

e) een instelling verzuimt aan de bevoegde autoriteiten informatie te verstrekken over de verplichting om aan de in artikel 87 van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] vastgelegde eigenvermogensvereisten te voldoen, zoals bij artikel 95, lid 1, eerste alinea, van genoemde verordening wordt voorgeschreven;

f) een instelling verzuimt aan de bevoegde autoriteiten de krachtens artikel 96 van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] vereiste gegevens over de kapitaalvereisten te verstrekken;

g) een instelling verzuimt aan de bevoegde autoriteiten informatie over een grote positie mee te delen, zoals bij artikel 383, lid 1, van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] wordt voorgeschreven;

h) een instelling verzuimt aan de bevoegde autoriteiten informatie over de liquiditeit mee te delen, zoals bij artikel 403, leden 1 en 2, van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] wordt voorgeschreven;

i) een instelling verzuimt aan de bevoegde autoriteiten informatie over de hefboomratio mee te delen, zoals bij artikel 417, lid 1, van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] wordt voorgeschreven;

j) een instelling verzuimt te allen tijde liquide activa aan te houden, zoals bij artikel 401 van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] wordt voorgeschreven;

k) een instelling neemt een positie in die de limieten overschrijdt die in artikel 384 van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] zijn vastgelegd;

l) een instelling is blootgesteld aan het kredietrisico van een securitisatiepositie zonder dat zij voldoet aan de in artikel 394 van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] gestelde voorwaarden;

m) een instelling verzuimt overeenkomstig artikel 418, leden 1, 2 en 3, of artikel 436, lid 1, van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] informatie openbaar te maken.

2. Onverminderd de krachtens artikel 64 aan de bevoegde autoriteiten toegekende toezichtbevoegdheden, dragen de lidstaten er zorg voor dat in de in lid 1 bedoelde gevallen, ten minste de volgende administratieve sancties en maatregelen kunnen worden opgelegd:

a) een publieke verklaring waarin de voor de schending verantwoordelijke natuurlijke of rechtspersoon en de aard van de schending worden vermeld;

b) een bevel waarin wordt geëist dat de voor de schending verantwoordelijke natuurlijke of rechtspersoon het gedrag staakt en niet meer herhaalt;

c) ingeval het een instelling betreft, intrekking van de vergunning van de instelling in overeenstemming met artikel 18;

d) een voorlopig verbod voor een lid van het leidinggevend orgaan van de instelling of enigerlei andere natuurlijke persoon die voor de schending verantwoordelijk wordt gehouden, om functies in instellingen te bekleden;

e) ingeval het een rechtspersoon betreft, administratieve geldboeten oplopend tot 10% van de totale jaaromzet van de rechtspersoon in het voorgaande boekjaar; wanneer de rechtspersoon een dochteronderneming van een moederonderneming is, is de desbetreffende totale jaaromzet gelijk aan de totale jaaromzet die blijkt uit de geconsolideerde rekening van de uiteindelijke moederonderneming in het voorgaande boekjaar;

f) ingeval het een natuurlijke persoon betreft, administratieve geldboeten oplopend tot maximaal 5 000 000 EUR of, in de lidstaten waar de euro niet de officiële valuta is, het overeenkomstige bedrag in de nationale valuta op de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn.

g) administratieve geldboeten oplopend tot tweemaal het bedrag van de als gevolg van de schending behaalde winsten of vermeden verliezen ingeval deze kunnen worden bepaald.

Artikel 68

Bekendmaking van sancties

De lidstaten dragen er zorg voor dat de bevoegde autoriteiten alle sancties of maatregelen die bij schending van de bepalingen van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] of van de nationale voorschriften voor de tenuitvoerlegging van deze richtlijn worden opgelegd, zonder onnodige vertraging bekendmaken, waarbij informatie wordt verstrekt over de aard van de schending en de identiteit van de personen die ervoor verantwoordelijk zijn, tenzij een dergelijke bekendmaking een ernstige bedreiging zou vormen voor de stabiliteit van de financiële markten. Ingeval bekendmaking de betrokken partijen onevenredige schade zou berokkenen, maken de bevoegde autoriteiten de sancties zonder vermelding van namen bekend.

Artikel 69

Effectieve toepassing van sancties en uitoefening van sanctiebevoegdheden

door bevoegde autoriteiten

1. De lidstaten dragen er zorg voor dat de bevoegde autoriteiten bij de vaststelling van de aard van administratieve sancties of maatregelen en van de omvang van administratieve geldboeten alle relevante omstandigheden in aanmerking nemen, zoals onder meer:

a) de ernst en duur van de schending;

b) de mate van verantwoordelijkheid van de voor de schending verantwoordelijke natuurlijke of rechtspersoon;

c) de financiële draagkracht van de voor de schending verantwoordelijke natuurlijke of rechtspersoon, zoals deze blijkt uit de totale omzet van de voor de schending verantwoordelijke rechtspersoon of het jaarinkomen van de voor de schending verantwoordelijke natuurlijke persoon;

d) de omvang van de winsten of verliezen die door de voor de schending verantwoordelijke natuurlijke of rechtspersoon zijn behaald, respectievelijk vermeden, voor zover deze kunnen worden bepaald;

(e) de verliezen die derden wegens de schending hebben geleden, voor zover deze kunnen worden bepaald;

f) de mate waarin de voor de schending verantwoordelijke natuurlijke of rechtspersoon met de bevoegde autoriteit meewerkt;

g) eerdere overtredingen van de voor de schending verantwoordelijke natuurlijke of rechtspersoon.

2. Overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 richt de EBA richtsnoeren tot de bevoegde autoriteiten met betrekking tot de aard van de administratieve maatregelen en sancties en de omvang van de administratieve geldboeten.

Artikel 70

Melding van schendingen

1. De lidstaten dragen er zorg voor dat de bevoegde autoriteiten doeltreffende mechanismen opzetten om de melding van schendingen van de bepalingen van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] en van de nationale voorschriften voor de tenuitvoerlegging van deze richtlijn aan de bevoegde autoriteiten aan te moedigen.

2. De in lid 1 bedoelde mechanismen omvatten ten minste:

a) specifieke procedures voor de ontvangst van meldingen van schendingen en de follow-up daarvan;

b) passende regelingen ter bescherming van werknemers van instellingen die schendingen aanklagen die binnen een instelling hebben plaatsgevonden;

c) bescherming van persoonsgegevens, zowel van de persoon die de schendingen meldt, als van de voor een schending verantwoordelijk geachte natuurlijke persoon in overeenstemming met de beginselen van Richtlijn 95/46/EG.

3. De lidstaten schrijven voor dat instellingen over passende procedures moeten beschikken opdat hun werknemers in staat zijn schendingen intern via een specifiek kanaal te melden.

Artikel 71

Recht van beroep

De lidstaten dragen er zorg voor dat tegen besluiten en maatregelen die op grond van overeenkomstig deze richtlijn of Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] vastgestelde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen zijn genomen, beroep op de rechter openstaat. Dit geldt eveneens voor het geval er binnen zes maanden na indiening geen beslissing is genomen aangaande een vergunningaanvraag die alle krachtens de geldende bepalingen vereiste gegevens bevat.

Hoofdstuk 2

Toetsingsprocedures

Afdeling I

Interne beoordelingsprocedure van de kapitaaltoereikendheid

Artikel 72

Intern kapitaal

De instellingen beschikken over solide, doeltreffende en alomvattende strategieën en procedures aan de hand waarvan zij doorlopend kunnen nagaan of en ervoor kunnen zorgen dat de hoogte, samenstelling en verdeling van het interne kapitaal nog aansluiten op de aard en omvang van hun huidige en mogelijke toekomstige risico's.

Deze strategieën en procedures worden op gezette tijden intern tegen het licht gehouden; daarbij wordt ervoor gezorgd dat eventuele hiaten worden aangevuld en dat ze in verhouding blijven staan tot de aard, schaal en complexiteit van de werkzaamheden van de desbetreffende instelling.

Afdeling II

Regelingen en procedures van instellingen

Onderafdeling 1

Algemene beginselen

Artikel 73

Organisatie en internecontroleprocedures

1. De bevoegde autoriteiten eisen dat er in elke instelling solide governanceregelingen bestaan, waaronder een duidelijke organisatiestructuur met duidelijk omschreven, transparante en samenhangende verantwoordelijkheden, effectieve procedures voor de detectie, het management, de bewaking en de rapportage van de risico’s waaraan zij blootstaat of bloot kan komen te staan, adequate internecontroleprocedures, zoals een degelijke administratieve en boekhoudkundige organisatie, en een beloningsbeleid en een beloningscultuur die in overeenstemming zijn met en bijdragen tot een degelijk en doeltreffend risicomanagement.

2. De in lid 1 bedoelde regelingen en procedures zijn gedetailleerd uitgewerkt en staan in verhouding tot de aard, schaal en complexiteit van de werkzaamheden van de instelling. Er wordt rekening gehouden met de technische criteria van de onderafdelingen 2 en 3.

3. De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen ter nadere bepaling van de in lid 1 bedoelde regelingen en procedures, met inachtneming van de in lid 2 bedoelde beginselen inzake evenredigheid en gedetailleerde uitwerking.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen volgens de procedure van de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 31 december 2015 voor aan de Commissie.

Artikel 74

Toezicht op het beloningsbeleid

1. De bevoegde autoriteiten gebruiken de informatie die verzameld is overeenkomstig de criteria inzake openbaarmaking die zijn vastgelegd in artikel 435, lid 1, van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] voor het maken van een vergelijkende studie (benchmarken) van ontwikkelingen en praktijken op beloningsgebied. De bevoegde autoriteiten stellen de EBA in kennis van deze informatie.

2. De EBA vaardigt richtsnoeren uit voor een goed beloningsbeleid dat in overeenstemming is met de in artikel 88 neergelegde beginselen. De richtsnoeren nemen de beginselen van degelijk beloningsbeleid in acht die in de aanbeveling van de Commissie van 30 april 2009 over de beloningspolitiek in de financiële dienstverlening [39] zijn neergelegd.

De EAEM werkt nauw met de EBA samen bij de ontwikkeling van richtsnoeren voor het beloningsbeleid van de categorieën van medewerkers die betrokken zijn bij het verrichten van beleggingsdiensten en -activiteiten in de zin van artikel 4, lid 1, punt 2, van Richtlijn 2004/39/EG.

De EBA gebruikt de informatie die overeenkomstig lid 3 van de bevoegde autoriteiten is ontvangen voor het maken van een vergelijkende studie (benchmarken) van beloningsontwikkelingen en -praktijken op het niveau van de Unie.

3. De bevoegde autoriteiten verzamelen informatie over het aantal personen per instelling met een beloning ten belope van ten minste 1 miljoen EUR, met inbegrip van de desbetreffende afdeling en de voornaamste elementen van salaris, bonussen, vergoedingen op lange termijn en pensioenbijdragen. Deze informatie wordt doorgegeven aan de EBA, die deze in een geaggregeerd rapportageformaat openbaar maakt op zodanige wijze dat alle informatie over de eigen lidstaat te raadplegen is. De EBA kan richtsnoeren ontwikkelen ter vergemakkelijking van de toepassing van dit lid en om de consistentie van de verzamelde informatie te verzekeren.

Onderafdeling 2

Technische criteria voor de organisatie en behandeling van risico's

Artikel 75

Behandeling van risico's

1. De bevoegde autoriteiten dragen er zorg voor dat het leidinggevend orgaan zijn goedkeuring hecht aan en periodiek overgaat tot de toetsing van de strategieën en gedragslijnen voor het aangaan, beheren, bewaken en limiteren van de risico's waaraan de instelling blootgesteld is of eventueel kan zijn, met inbegrip van de risico's die voortvloeien uit de macro-economische omgeving waarin de instelling actief is en die verband houden met de stand van de conjunctuurcyclus.

2. De bevoegde autoriteiten dragen er zorg voor dat het leidinggevend orgaan in zijn toezichtfunctie genoeg tijd aan de bestudering van risicovraagstukken besteedt.

3. De bevoegde autoriteiten dragen er zorg voor dat instellingen een risicocommissie instellen die is samengesteld uit leden van het leidinggevend orgaan die in de betrokken instelling geen uitvoerende functie bekleden. De leden van de risicocommissie bezitten passende kennis, vaardigheden en deskundigheid om de risicostrategie en de risicobereidheid van de instelling ten volle te begrijpen en te monitoren.

De risicocommissie dient het leidinggevend orgaan in zijn toezichtfunctie van advies over de algemene huidige en toekomstige risicobereidheid en –strategie van de instelling en staat het leidinggevend orgaan in zijn toezichtfunctie bij bij de uitoefening van het toezicht op de tenuitvoerlegging van deze strategie.

De bevoegde autoriteiten kunnen een instelling toestaan geen afzonderlijke risicocommissie in te stellen gezien de aard, schaal en complexiteit van de werkzaamheden van de kredietinstelling.

4. De bevoegde autoriteiten dragen er zorg voor dat de risicocommissie of, wanneer een dergelijke commissie niet is ingesteld, het leidinggevend orgaan in zijn toezichtfunctie regelmatig met de risicomanagementfunctie van de instelling communiceert en, in voorkomend geval, toegang heeft tot het advies van externe deskundigen.

De risicocommissie of, wanneer een dergelijke commissie niet is ingesteld, het leidinggevend orgaan in zijn toezichtfunctie bepaalt de aard, omvang, vorm en frequentie van de risicogerelateerde informatie die zij, respectievelijk het, van de hoogste leiding ontvangt.

5. De bevoegde autoriteiten dragen er zorg voor dat instellingen beschikken over een risicomanagementfunctie die onafhankelijk is van de operationele en bestuursfuncties en die voldoende gezag, status, middelen en toegang tot het leidinggevend orgaan heeft.

De risicomanagementfunctie is verantwoordelijk voor het detecteren, meten en rapporteren van risicoposities. De risicomanagementfunctie is actief betrokken bij de uitstippeling van de risicostrategie van de instelling en bij alle wezenlijke risicomanagementbeslissingen. De risicomanagementfunctie is in staat een volledig beeld te geven van het hele scala aan risico's die de instelling loopt.

De risicomanagementfunctie is in staat, indien nodig, onafhankelijk van de hoogste leiding rechtstreeks verslag uit te brengen aan het leidinggevend orgaan in zijn toezichtfunctie.

Het hoofd van de risicomanagementfunctie is een onafhankelijk hoog kaderlid met aparte verantwoordelijkheid voor de risicomanagementfunctie. Ingeval de aard, schaal en complexiteit van de werkzaamheden van de instelling niet rechtvaardigen dat speciaal daarvoor een persoon wordt aangewezen, kan een ander hoge persoon binnen de instelling deze functie vervullen, mits er geen belangenconflict bestaat.

Het hoofd van de risicomanagementfunctie wordt niet ontslagen zonder voorafgaande toestemming van het leidinggevend orgaan in zijn toezichtfunctie en is in staat rechtstreekse toegang tot het leidinggevend orgaan in zijn toezichtfunctie te krijgen wanneer zulks noodzakelijk is.

Artikel 76

Interne benaderingen voor de berekening van eigenvermogensvereisten

1. De bevoegde autoriteiten dragen er zorg voor dat instellingen passende maatregelen nemen met het oog op de ontwikkeling van interneratingbenaderingen voor de berekening van eigenvermogensvereisten voor het kredietrisico wanneer hun blootstelling materieel is in absolute termen en wanneer zij tegelijkertijd een groot aantal materiële tegenpartijen hebben.

2. De bevoegde autoriteiten dragen er zorg voor dat instellingen passende maatregelen nemen met het oog op de ontwikkeling en het gebruik van interne modellen voor de berekening van eigenvermogensvereisten voor het specifieke risico dat aan in de handelsportefeuille opgenomen schuldinstrumenten is verbonden, in combinatie met interne modellen voor de berekening van eigenvermogensvereisten voor het wanbetalings- en migratierisico wanneer hun blootstelling aan specifieke risico's materieel is in absolute termen en wanneer zij tegelijkertijd een groot aantal materiële posities in schuldinstrumenten van verschillende uitgevende instellingen hebben.

3. De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen om het in de leden 1 en 2 bedoelde begrip "blootstelling die materieel is in absolute termen" nader te omschrijven en om de drempels voor grote aantallen materiële tegenpartijen en posities in schuldinstrumenten van verschillende uitgevende instellingen nader te specificeren. De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 1 januari 2014 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen volgens de procedure van artikel 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 77

Krediet- en tegenpartijrisico

De bevoegde autoriteiten dragen er zorg voor dat:

a) de kredietverlening geschiedt op basis van gedegen en welomschreven criteria. De procedure voor de acceptatie, aanpassing, vernieuwing en herfinanciering van kredieten is duidelijk vastgelegd;

b) instellingen beschikken over interne methodieken die hen is staat stellen zowel het aan vorderingen op individuele leningnemers en posities in effecten of jegens tegenpartijen verbonden kredietrisico als het kredietrisico op het niveau van de portefeuille te beoordelen. De interne methodieken berusten met name niet uitsluitend of automatisch op externe ratings. Ingeval eigenvermogensvereisten zijn gebaseerd op een rating van een externe kredietbeoordelingsinstelling (EKBI) of op het feit dat een vordering of positie geen rating heeft, maken instellingen gebruik van eigen methodieken voor de beoordeling van de adequaatheid van de rangorde van het kredietrisico die deze eigenvermogensvereisten impliceren, en houden zij rekening met het resultaat daarvan bij de allocatie van intern kapitaal;

c) van doeltreffende systemen wordt gebruikgemaakt voor de lopende administratie en bewaking van de diverse portefeuilles en vorderingen van instellingen waaraan een kredietrisico verbonden is, met inbegrip van de detectie en het beheer van probleemkredieten, het verrichten van adequate waardeaanpassingen en de vorming van voorzieningen;

d) de spreiding van de kredietportefeuilles aansluit bij de doelmarkten en bij de algemene kredietstrategie van de instellingen.

Artikel 78

Restrisico

De bevoegde autoriteiten dragen er zorg voor dat het risico dat door de instellingen toegepaste, erkende kredietrisicolimiteringstechnieken minder doeltreffend blijken dan verwacht, wordt aangepakt en beheerst door middel van schriftelijk vastgelegde gedragslijnen en procedures.

Artikel 79

Concentratierisico

De bevoegde autoriteiten dragen er zorg voor dat het concentratierisico dat voortvloeit uit vorderingen op tegenpartijen, met inbegrip van centrale tegenpartijen, groepen van verbonden tegenpartijen en tegenpartijen van dezelfde economische sector of geografische regio, dan wel uit dezelfde activiteit of grondstof, de toepassing van technieken voor de limitering van het kredietrisico, en met name van grote indirecte kredietrisico's (bv. jegens één enkele uitgevende instelling van zekerheden), wordt aangepakt en beheerst door middel van schriftelijk vastgelegde gedragslijnen en procedures.

Artikel 80

Securitisatierisico

1. De bevoegde autoriteiten dragen er zorg voor dat de risico’s die voortvloeien uit securitisatietransacties waarbij de kredietinstellingen optreden als belegger, initiator of sponsor, inclusief reputatierisico’s (zoals die welke voortvloeien uit complexe structuren of producten), worden beoordeeld en aangepakt aan de hand van passende gedragslijnen en procedures om ervoor te zorgen dat bij het nemen van beslissingen op het gebied van de risicobeoordeling en het risicomanagement ten volle met het economische belang van de transactie rekening wordt gehouden.

2. De bevoegde autoriteiten dragen er zorg voor dat instellingen die optreden als initiator van revolverende securitisatietransacties waarbij er sprake is van vervroegde-aflossingsbepalingen, een liquiditeitsplan vaststellen om de gevolgen van zowel geplande als vervroegde aflossingen op te vangen.

Artikel 81

Marktrisico

1. De bevoegde autoriteiten dragen er zorg voor dat er voorschriften en procedures voor het meten en beheren van alle wezenlijke bronnen en effecten van marktrisico's worden ingevoerd.

2. De bevoegde autoriteiten dragen er zorg voor dat als de baissepositie eerder vervalt dan de haussepositie, instellingen ook maatregelen nemen ter dekking van het risico van een te geringe liquiditeit.

3. Het interne kapitaal is toereikend ter dekking van materiële marktrisico's waarvoor geen eigenvermogensvereiste geldt.

Instellingen die bij de berekening van hun eigenvermogensvereisten voor het positierisico overeenkomstig deel drie, titel IV, hoofdstuk 2, van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] hun posities in een of meer van de aan een aandelenindex ten grondslag liggende aandelen gesaldeerd hebben met een of meer tegengestelde posities in de aandelenindexfuture of een ander aandelenindexproduct, beschikken over toereikend intern kapitaal ter dekking van het basisrisico van verlies als gevolg van het feit dat de waarde van de future of van het andere product niet exact de ontwikkeling volgt van de waarde van de samenstellende aandelen; hetzelfde geldt wanneer een instelling tegengestelde posities houdt in beursindexfutures die wat betreft looptijd en/of samenstelling niet identiek zijn.

Instellingen die de in artikel 334 van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] beschreven behandeling toepassen, dragen er zorg voor dat zij over voldoende intern kapitaal beschikken ter dekking van het risico van verlies in het tijdvak tussen het aangaan van de oorspronkelijke verbintenis en de volgende werkdag.

Artikel 82

Uit activiteiten buiten de handelsportefeuille voortvloeiend renterisico

De bevoegde autoriteiten dragen er zorg voor dat instellingen systemen toepassen voor de beoordeling en het beheer van het risico dat voortvloeit uit potentiële veranderingen in rentetarieven welke van invloed zijn op de activiteiten buiten de handelsportefeuille van een instelling.

Artikel 83

Operationeel risico

1. De bevoegde autoriteiten dragen er zorg voor dat instellingen gedragslijnen en procedures toepassen om de blootstelling aan operationeel risico, met inbegrip van zelden voorkomende, zeer ernstige gebeurtenissen, te beoordelen en te beheren. De instellingen omschrijven nader wat voor de toepassing van deze gedragslijnen en procedures onder operationeel risico moet worden verstaan.

2. De bevoegde autoriteiten dragen er zorg voor dat er calamiteiten- en bedrijfscontinuïteitsplannen bestaan om ervoor te zorgen dat de continuïteit van de bedrijfsvoering van instellingen is verzekerd en dat verliezen kunnen worden beperkt ingeval de bedrijfsactiviteiten ernstig worden verstoord.

Artikel 84

Liquiditeitsrisico

1. De bevoegde autoriteiten dragen er zorg voor dat instellingen met het oog op de vaststelling, de meting, het beheer en de bewaking van het liquiditeitsrisico over een passende reeks tijdshorizonten, waaronder intra-day, beschikken over deugdelijke strategieën, gedragslijnen, procedures en systemen die ervoor zorgen dat instellingen voldoende liquiditeitsbuffers aanhouden. Deze strategieën, gedragslijnen, procedures en systemen zijn op de business lines, valuta’s, bijkantoren en rechtspersonen toegesneden en bevatten passende mechanismen voor de allocatie van liquiditeitskosten, -baten en -risico's.

2. De in lid 1 bedoelde strategieën, gedragslijnen, procedures en systemen staan in verhouding tot de complexiteit, het risicoprofiel en het werkterrein van de instelling en tot de door het leidinggevend orgaan vastgestelde risicotolerantie en houden rekening met het belang van de instelling in elke lidstaat waarin zij werkzaam is. De instellingen delen de risicotolerantie mee ten aanzien van alle relevante business lines.

3. De bevoegde autoriteiten dragen er zorg voor dat instellingen methodieken ontwikkelen voor de vaststelling, de meting, het beheer en de monitoring van financieringsposities. Deze methodieken omvatten de bestaande en geraamde materiële kasstromen in en voortvloeiende uit activa, passiva, posten buiten de balanstelling, waaronder voorwaardelijke verplichtingen, en de mogelijke gevolgen van het reputatierisico.

4. De bevoegde autoriteiten dragen er zorg voor dat instellingen een onderscheid maken tussen in pand gegeven en niet-bezwaarde activa die te allen tijde, en met name in noodsituaties, beschikbaar zijn. Zij houden ook rekening met de juridische entiteit waarin de activa zich bevinden, met het land waar de activa in een register of een rekening zijn ingeschreven, alsmede met hun toelaatbaarheid als eigen vermogen, en houden in het oog hoe de activa tijdig vrijgemaakt kunnen worden.

5. De bevoegde autoriteiten dragen er zorg voor dat instellingen ook de bestaande wettelijke, bestuursrechtelijke en operationele beperkingen op mogelijke overdrachten van liquiditeit en niet-bezwaarde activa tussen entiteiten in en buiten de EER in aanmerking nemen.

6. De bevoegde autoriteiten dragen er zorg voor dat instellingen verschillende middelen overwegen om het liquiditeitsrisico te limiteren, waarbij te denken valt aan een systeem van limieten en liquiditeitsbuffers voor uiteenlopende probleemsituaties, en aan een voldoende gediversifieerde financieringsstructuur en voldoende toegang tot financieringsbronnen. De desbetreffende regelingen worden regelmatig tegen het licht gehouden.

7. De bevoegde autoriteiten dragen er zorg voor dat alternatieve scenario's voor liquiditeitsposities en risicolimitering in overweging worden genomen en dat de hypothesen die aan beslissingen betreffende de financiële positie ten grondslag liggen, regelmatig opnieuw worden bezien. Daartoe wordt in deze scenario’s met name gelet op posten buiten de balanstelling en andere voorwaardelijke verplichtingen, waaronder die van special purpose entities voor securitisatiedoeleinden (securitisation special purpose entities – SSPE’s) en andere special purpose entities, als bedoeld in Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau], waarbij de instelling als sponsor fungeert of wezenlijke liquiditeitssteun verleent.

8. De bevoegde autoriteiten dragen er zorg voor dat instellingen ook kijken naar de mogelijke gevolgen van instellingsspecifieke, marktbrede en gecombineerde alternatieve scenario’s. Daarbij worden verschillende tijdsperioden en stressniveaus in aanmerking genomen.

9. De bevoegde autoriteiten dragen er zorg voor dat instellingen hun strategieën, interne gedragslijnen en liquiditeitsrisicolimieten aanpassen en effectieve calamiteitenplannen ontwikkelen op basis van de resultaten van de in lid 7 bedoelde alternatieve scenario's.

10. De bevoegde autoriteiten dragen er zorg voor dat instellingen over liquiditeitsherstelplannen met deugdelijke strategieën en uitvoeringsmaatregelen beschikken om mogelijke liquiditeitstekorten het hoofd te kunnen bieden, ook in bijkantoren die in een andere lidstaat zijn gevestigd. Deze plannen worden regelmatig getest, bijgewerkt op basis van de resultaten van alternatieve scenario's als beschreven in lid 7, en gemeld aan en goedgekeurd door de hoogste leiding, zodat interne gedragslijnen en procedures dienovereenkomstig kunnen worden aangepast. Instellingen nemen van tevoren de nodige operationele maatregelen om ervoor te zorgen dat liquiditeitsherstelplannen onmiddellijk kunnen worden uitgevoerd. Voor kredietinstellingen behelzen dergelijke operationele maatregelen onder meer het aanhouden van zekerheden die onmiddellijk beschikbaar zijn voor centralebankfinanciering. Dit betekent onder meer dat, indien nodig, zekerheden worden aangehouden in de valuta van een andere lidstaat of in de valuta van een derde land waarop de kredietinstelling vorderingen heeft, en, indien zulks voor operationele doeleinden noodzakelijk is, op het grondgebied van een lidstaat van ontvangst of een derde land in de valuta waarvan zij een positie heeft ingenomen.

Artikel 85

Risico van buitensporige hefboomwerking

1. De bevoegde autoriteiten dragen er zorg voor dat de instelling beschikt over gedragslijnen en procedures voor de detectie, het management en de bewaking van het risico van buitensporige hefboomwerking. Indicatoren voor het risico van buitensporige hefboomwerking zijn onder meer de overeenkomstig artikel 416 van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] vastgestelde hefboomratio en mismatches tussen activa en verplichtingen.

2. De bevoegde autoriteiten dragen er zorg voor dat instellingen voorzorgen nemen voor het risico van buitensporige hefboomwerking door naar behoren rekening te houden met mogelijke verhogingen van het risico van buitensporige hefboomwerking welke worden veroorzaakt door verminderingen van het eigen vermogen van instellingen als gevolg van verwachte of gerealiseerde verliezen, al naargelang de toepasselijke boekhoudregels. In dat verband zijn instellingen in staat uiteenlopende probleemsituaties met betrekking tot het risico van buitensporige hefboomwerking te doorstaan.

Onderafdeling 3

Governance

Artikel 86

Governanceregelingen

1. De lidstaten dragen er zorg voor dat het leidinggevend orgaan governanceregelingen opstelt en toezicht houdt op de uitvoering ervan; deze regelingen garanderen een doeltreffend en prudent bestuur van een instelling en voorzien onder meer in een scheiding van taken in de organisatie en in de voorkoming van belangenconflicten.

Die regelingen zijn in overeenstemming met de volgende beginselen:

a) het leidinggevend orgaan draagt de algemene verantwoordelijkheid voor de instelling, met inbegrip van de goedkeuring van de strategische doelstellingen, de risicostrategie en de interne governance en het toezicht op de uitvoering daarvan;

b) het leidinggevend orgaan is verantwoordelijk voor de uitoefening van een doeltreffend toezicht op de hoogste leiding;

c) de voorzitter van het leidinggevend orgaan van een instelling bekleedt niet tegelijkertijd de functie van chief executive officer binnen dezelfde instelling, tenzij dat gerechtvaardigd is en toegestaan is door de bevoegde autoriteiten.

De bevoegde autoriteiten dragen er zorg voor dat het leidinggevend orgaan van de instelling de doeltreffendheid van de governanceregelingen monitort en periodiek beoordeelt en passende stappen onderneemt om eventuele tekortkomingen aan te pakken.

2. De bevoegde autoriteiten dragen er zorg voor dat instellingen een benoemingscomité instellen dat is samengesteld uit leden van het leidinggevend orgaan die in de betrokken instelling geen uitvoerende functie bekleden.

Het benoemingscomité heeft de volgende taken:

a) aanwijzen en aanbevelen, voor goedkeuring door het leidinggevend orgaan in zijn toezichtfunctie, van kandidaten voor het vervullen van vacatures in het leidinggevend orgaan. Het benoemingscomité gaat hierbij na hoe de kennis, vaardigheden, diversiteit en ervaring in het leidinggevend orgaan zijn verdeeld, geeft een beschrijving van de taken en bekwaamheden die voor een bepaalde benoeming zijn vereist, en beoordeelt hoeveel tijd er aan de functie moet worden besteed;

b) periodiek evalueren van de structuur, omvang, samenstelling en prestaties van het leidinggevend orgaan en aanbevelingen doen aan het leidinggevend orgaan in zijn toezichtfunctie met betrekking tot wijzigingen;

c) periodiek de kennis, vaardigheden en ervaring van individuele leden van het leidinggevend orgaan en van het leidinggevend orgaan als geheel beoordelen en daarover verslag uitbrengen aan het leidinggevend orgaan in zijn toezichtfunctie;

d) periodiek het beleid van het leidinggevend orgaan voor de selectie en benoeming van de hoogste leiding toetsen en aanbevelingen doen aan het leidinggevend orgaan.

Bij de uitvoering van zijn taken is het benoemingscomité in staat gebruik te maken van alle soorten hulpmiddelen die het geschikt acht, zoals het inwinnen van extern advies; het ontvangt hiertoe van de instelling toereikende middelen.

De bevoegde autoriteiten kunnen een instelling toestaan geen afzonderlijk benoemingscomité in te stellen gezien de aard, schaal en complexiteit van de werkzaamheden van de instelling.

Ingeval het leidinggevend orgaan op grond van de nationale wetgeving geen enkele bevoegdheid heeft in het kader van de procedure voor de benoeming van zijn leden, is dit lid niet van toepassing.

Artikel 87

Leidinggevend orgaan

1. De bevoegde autoriteiten eisen dat alle leden van het leidinggevend orgaan van een instelling steeds als voldoende betrouwbaar bekendstaan, over voldoende kennis, vaardigheden en ervaring beschikken en genoeg tijd aan de vervulling van hun taken besteden. De leden van het leidinggevend orgaan voldoen in het bijzonder aan de volgende vereisten:

a) de leden van het leidinggevend orgaan besteden genoeg tijd aan de vervulling van hun taken in de instelling. Zij combineren niet tegelijkertijd meer dan een van de volgende combinaties:

i) een uitvoerend bestuursmandaat en twee niet-uitvoerende bestuursmandaten;

ii) vier niet-uitvoerende bestuursmandaten.

Uitvoerende of niet-uitvoerende bestuursmandaten binnen dezelfde groep tellen als een enkel bestuursmandaat.

De bevoegde autoriteiten kunnen een lid van het leidinggevend orgaan van een instelling toestaan meer bestuursmandaten dan toegestaan te combineren, mits zulks het lid niet belet genoeg tijd aan de vervulling van zijn taken in de instelling te besteden, rekening houdend met de individuele omstandigheden en de aard, schaal en complexiteit van de werkzaamheden van de instelling;

b) het leidinggevend orgaan in zijn geheel genomen beschikt over voldoende kennis, vaardigheden en ervaring om inzicht te hebben in de bedrijfsactiviteiten van de instelling, met inbegrip van de voornaamste risico's waaraan zij is blootgesteld;

c) elk lid van het leidinggevend orgaan handelt eerlijk, integer en met onafhankelijkheid van geest om effectief tegen de besluiten van de hoogste leiding op te komen indien zulks noodzakelijk is.

2. De bevoegde autoriteiten eisen dat instellingen voldoende personele en financiële middelen wijden aan de introductie en opleiding van leden van het leidinggevend orgaan.

3. De bevoegde autoriteiten eisen dat instellingen rekening houden met diversiteit als een van de criteria voor de selectie van leden van het leidinggevend orgaan. Instellingen voeren met name een beleid ter bevordering, binnen het leidinggevend orgaan, van diversiteit wat geslacht, leeftijd, geografische herkomst, opleiding en professionele achtergrond betreft.

4. De bevoegde autoriteiten maken gebruik van de in overeenstemming met de in artikel 422 van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] vastgelegde openbaarmakingscriteria voor het benchmarken van diversiteitspraktijken. De bevoegde autoriteiten stellen de EBA in kennis van deze informatie. De EBA gebruikt deze informatie voor de benchmarking van diversiteitspraktijken op Unieniveau.

5. De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen met het oog op de specificatie van het volgende:

a) het begrip "besteding van genoeg tijd door een lid van het leidinggevend orgaan aan de vervulling van zijn taken in verhouding tot de individuele omstandigheden en de aard, schaal en complexiteit van de instellingen" waarmee de bevoegde autoriteiten rekening moeten houden wanneer zij een lid van het leidinggevend orgaan van een instelling machtigen meer bestuursmandaten te combineren dan krachtens lid 1, onder a), is toegestaan;

b) het begrip "voldoende kennis, vaardigheden en ervaring van het leidinggevend orgaan in zijn geheel genomen", als bedoeld in lid 1, onder b);

c) de begrippen "eerlijkheid, integriteit en onafhankelijkheid van geest van een lid van het leidinggevend orgaan", als bedoeld in lid 1, onder c);

d) het begrip "voldoende personele en financiële middelen gewijd aan de introductie en opleiding van leden van het leidinggevend orgaan", als bedoeld in lid 2;

e) het begrip "diversiteit waarmee rekening moet worden gehouden als een van de criteria voor de selectie van leden van het leidinggevend orgaan", als bedoeld in lid 3.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 31 december 2015 voor aan de Commissie.

Artikel 88

Beloningsbeleid

1. De bevoegde autoriteiten dragen er zorg voor dat artikel 88, lid 2, en de artikelen 89 tot en met 91 voor instellingen op het niveau van de groep, de moederonderneming en haar dochterondernemingen worden toegepast, met inbegrip van vestigingen in offshore financiële centra.

2. De bevoegde autoriteiten dragen er zorg voor dat bij de vaststelling en toepassing van het totale beloningsbeleid, met inbegrip van salarissen en uitkeringen uit hoofde van discretionaire pensioenen, voor de categorieën van medewerkers, inclusief die verantwoordelijk voor de hoogste leiding, risiconemende functies en controlefuncties, en elke werknemer wiens totale beloning hem op hetzelfde beloningsniveau plaatst als die medewerkers verantwoordelijk voor de hoogste leiding of medewerkers in een risiconemende functie, wier beroepswerkzaamheden hun risicoprofiel materieel beïnvloeden, instellingen de volgende beginselen in acht nemen op een wijze en in een mate die aansluit bij hun omvang en hun interne organisatie en bij de aard, reikwijdte en complexiteit van hun werkzaamheden:

a) het beloningsbeleid is in overeenstemming met en draagt bij tot een degelijk en doeltreffend risicomanagement en moedigt niet aan tot het nemen van meer risico's dan voor de instelling aanvaardbaar is;

b) het beloningsbeleid strookt met de bedrijfsstrategie, de doelstellingen, de waarden en de langetermijnbelangen van de instelling, en behelst ook maatregelen die belangenconflicten moeten vermijden;

c) het leidinggevend orgaan in zijn toezichtfunctie van de instelling neemt de algemene beginselen van het beloningsbeleid aan, toetst deze periodiek en is verantwoordelijk voor de tenuitvoerlegging ervan;

d) de tenuitvoerlegging van het beloningsbeleid wordt ten minste eenmaal per jaar onderworpen aan een centrale en onafhankelijke interne beoordeling om deze te toetsen op de naleving van het beloningsbeleid en de beloningsprocedures die het leidinggevend orgaan in zijn toezichtfunctie heeft aangenomen;

e) personeelsleden in controlefuncties staan los van de bedrijfseenheden waar ze toezicht op uitoefenen, hebben voldoende gezag, en worden beloond naar gelang van de verwezenlijking van de doelstellingen waar hun functie op gericht is, onafhankelijk van de resultaten van de bedrijfsactiviteiten waarop ze toezicht houden;

f) de in artikel 91 bedoelde remuneratiecommissie of, indien een dergelijke commissie niet is opgericht, het leidinggevend orgaan in zijn toezichtfunctie houdt rechtstreeks toezicht op de beloning van hogere leidinggevende medewerkers die risicomanagement- en compliancefuncties uitoefenen.

Artikel 89

Instellingen waarvoor overheidsmaatregelen gelden

In het geval van instellingen waarvoor uitzonderlijke overheidsmaatregelen gelden, zijn de volgende beginselen van toepassing naast die welke in artikel 88, lid 2, zijn neergelegd:

a) de variabele beloning is strikt beperkt tot een percentage van de nettowinsten wanneer zij niet strookt met de handhaving van een solide kapitaalbasis en een tijdige beëindiging van overheidssteun;

b) de ter zake bevoegde autoriteiten eisen van instellingen dat zij hun beloningen zodanig herstructureren dat zij in lijn zijn met een degelijk risicomanagement en de langetermijnontwikkeling, onder meer door, waar van toepassing, het begrenzen van de beloning van de in artikel 13, lid 1, bedoelde personen die het bedrijf van de kredietinstelling feitelijk leiden;

c) er wordt geen variabele beloning betaald aan de in artikel 13, lid 1, bedoelde personen die het bedrijf van de instelling feitelijk leiden, tenzij dit gerechtvaardigd is.

Artikel 90

Variabele beloningscomponenten

1. Voor variabele beloningscomponenten zijn de volgende beginselen van toepassing, naast die welke in artikel 88, lid 2, zijn neergelegd:

a) wanneer de beloning prestatiegerelateerd is, is het totale bedrag van de beloning gebaseerd op een combinatie van de beoordeling van de prestaties van de betrokken persoon, de betrokken bedrijfseenheid en de resultaten van de instelling als geheel, en bij de beoordeling van persoonlijke prestaties worden zowel financiële als niet-financiële criteria gehanteerd;

b) de prestatiebeoordeling is gespreid over meerdere jaren om te verzekeren dat de beoordeling is gebaseerd op langeretermijnprestaties en dat de feitelijke uitbetaling van prestatiegebonden componenten van de beloning wordt uitgespreid over een periode waarin rekening wordt gehouden met de onderliggende bedrijfscyclus van de kredietinstelling en haar bedrijfsrisico’s;

c) de totale variabele beloning beperkt niet de mogelijkheid voor de instelling om haar kapitaalbasis te versterken;

d) een gegarandeerde variabele beloning is een uitzondering; zij wordt slechts bij indienstneming van nieuwe personeelsleden toegekend en blijft beperkt tot het eerste jaar;

e) de vaste en variabele componenten van de totale beloning zijn evenwichtig verdeeld; het aandeel van de vaste component in het totale beloningspakket is groot genoeg voor het voeren van een volledig flexibel beleid inzake variabele beloningscomponenten, inclusief de mogelijkheid om geen variabele beloningscomponent uit te betalen;

f) instellingen stellen passende verhoudingen tussen de vaste en de variabele component van de totale beloning vast;

g) ontslagvergoedingen hangen samen met in de loop der tijd gerealiseerde prestaties en zijn zodanig vormgegeven dat falen niet wordt beloond;

h) bij de beoordeling van prestaties, als basis voor de berekening van variabele beloningscomponenten of van pools van variabele beloningscomponenten, wordt een correctie aangebracht voor alle soorten van actuele en toekomstige risico's en wordt rekening gehouden met de kosten van het gebruikte kapitaal en de vereiste liquiditeit.

i) bij de toewijzing van de variabele beloningscomponenten binnen de kredietinstelling wordt ook rekening gehouden met alle soorten actuele en toekomstige risico's;

j) een aanzienlijk deel, en in ieder geval ten minste 50% van een variabele beloning, bestaat uit een afgewogen mix van het volgende:

i) aandelen of vergelijkbare eigendomsbelangen, afhankelijk van de juridische structuur van de instelling in kwestie, dan wel, in het geval van een niet ter beurze genoteerde instelling, op aandelen gebaseerde instrumenten of vergelijkbare niet-liquide instrumenten;

ii) indien van toepassing, andere instrumenten als bedoeld in artikel 49 van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] die een goede weerspiegeling zijn van de kredietkwaliteit van de instelling in het kader van de lopende bedrijfsuitoefening.

De in dit punt bedoelde instrumenten zijn onderworpen aan een passend retentiebeleid dat tot doel heeft financiële prikkels af te stemmen op de langeretermijnbelangen van de instelling. De lidstaten of hun bevoegde autoriteiten kunnen beperkingen stellen aan de soorten en de opzet van deze instrumenten of, indien van toepassing, bepaalde instrumenten verbieden. Dit punt is van toepassing op zowel het gedeelte van de variabele beloningscomponent waarvan de uitkering wordt uitgesteld overeenkomstig punt k), als op het gedeelte van de variabele beloningscomponent waarvan de uitkering niet wordt uitgesteld;

k) een aanzienlijk deel, en in ieder geval ten minste 40% van de variabele beloningscomponent, wordt uitgesteld over een periode van ten minste drie tot vijf jaar die aansluit bij de aard van de bedrijfsactiviteiten, de daaraan verbonden risico's en de activiteiten van het betrokken personeelslid.

Uitgestelde beloning wordt niet sneller dan op pro-ratabasis verworven. Indien een variabele beloningscomponent een bijzonder hoog bedrag is, wordt ten minste 60% daarvan uitgesteld. De duur van de uitstelperiode wordt vastgesteld in overeenstemming met de bedrijfscyclus, de aard van de bedrijfsactiviteiten, de daaraan verbonden risico's en de activiteiten van het betrokken personeelslid;

l) de variabele beloning, inclusief het uitgestelde gedeelte, wordt slechts uitbetaald of verworven wanneer dit met de financiële toestand van de instelling in haar geheel te verenigen is en door de prestaties van de instelling, de bedrijfseenheid en het betrokken individu te rechtvaardigen is;

Onverminderd de algemene beginselen van het nationale verbintenissen- en arbeidsrecht wordt de totale variabele beloning in het algemeen aanzienlijk verlaagd indien de instelling geringere of negatieve financiële prestaties levert, daarbij rekening houdend met zowel de huidige beloning als met de verlaging van uitbetalingen van eerder verdiende bedragen, onder meer door middel van malus- of terugvorderingsregelingen;

m) het pensioenbeleid is afgestemd op de bedrijfsstrategie, de doelstellingen, de waarden en de langetermijnbelangen van de kredietinstelling.

Indien de werknemer vóór pensionering de instelling verlaat, worden de uitkeringen uit hoofde van een discretionair pensioen gedurende een termijn van vijf jaar door de instelling aangehouden in de vorm van onder j) bedoelde instrumenten. Wanneer een werknemer zijn pensionering bereikt, worden discretionaire pensioenuitkeringen aan hem betaald in de vorm van de onder j) bedoelde instrumenten, onder voorbehoud van een retentieperiode van vijf jaar;

n) van personeelsleden wordt de toezegging verlangd dat zij geen gebruik zullen maken van persoonlijke hedgingstrategieën of een aan beloning en aansprakelijkheid gekoppelde verzekering om de risicoafstemmingseffecten die in hun beloningsregelingen zijn ingebed, te ondermijnen;

o) variabele beloningen worden niet uitgekeerd door middel van vehikels of methoden die de niet-inachtneming van de vereisten van deze richtlijn of van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] vergemakkelijken.

2. De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen met betrekking tot de criteria tot vaststelling van de passende verhoudingen tussen de vaste en de variabele component van de totale beloning als bedoeld onder e), en de specificatie van de categorieën instrumenten die aan de onder j) ii) gestelde voorwaarden voldoen.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 31 december 2013 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen volgens de procedure van artikel 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 91

Remuneratiecommissie

1. De bevoegde autoriteiten dragen er zorg voor dat instellingen die significant zijn wat hun omvang, interne organisatie en de aard, reikwijdte en complexiteit van hun werkzaamheden betreft, een remuneratiecommissie instellen. De remuneratiecommissie is zodanig samengesteld dat zij een kundig en onafhankelijk oordeel kan geven over het beloningsbeleid en de beloningscultuur en de prikkels die daarvan uitgaan voor het management van risico, kapitaal en liquiditeit.

2. De bevoegde autoriteiten dragen er zorg voor dat de remuneratiecommissie verantwoordelijk is voor het voorbereiden van beslissingen over beloning, inclusief beslissingen die gevolgen hebben voor de risico’s en het risicomanagement van de kredietinstelling in kwestie en die het leidinggevend orgaan in zijn toezichtfunctie moet nemen. De voorzitter en de leden van de remuneratiecommissie zijn leden van het bestuursorgaan die in de betrokken kredietinstelling geen uitvoerende functie uitoefenen. Bij de voorbereiding van dergelijke beslissingen houdt de remuneratiecommissie rekening met de langetermijnbelangen van aandeelhouders, investeerders en andere belanghebbenden van de instelling.

Afdeling III

Toetsings- en evaluatieproces door de toezichthouder

Artikel 92

Toetsing en evaluatie door de toezichthouder

1. Aan de hand van de technische criteria van artikel 94 toetsen de bevoegde autoriteiten de regelingen, strategieën, procedures en mechanismen die de instellingen met het oog op de inachtneming van deze richtlijn en Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] hebben ingevoerd, en evalueren zij de huidige en mogelijke toekomstige risico's van de instellingen en het risico dat een instelling voor het financiële stelsel impliceert, rekening houdend met de vaststelling en meting van systeemrisico uit hoofde van artikel 23 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

2. De reikwijdte van de in lid 1 bedoelde toetsing en evaluatie bestrijkt alle vereisten van de onderhavige richtlijn.

3. Op basis van de in lid 1 bedoelde toetsing en evaluatie bepalen de bevoegde autoriteiten of de door de instellingen ingevoerde regelingen, strategieën, procedures en mechanismen en het eigen vermogen dat door deze instellingen wordt aangehouden, een degelijk management en een solide dekking van hun risico's waarborgen.

4. De bevoegde autoriteiten stellen de frequentie en de intensiteit van de in lid 1 bedoelde toetsing en evaluatie vast en houden daarbij rekening met de omvang, systeemrelevantie, aard, schaal en complexiteit van de werkzaamheden van de desbetreffende kredietinstelling, alsmede met het evenredigheidsbeginsel. De toetsing en de evaluatie worden minimaal eenmaal per jaar bijgewerkt.

Artikel 93

Toezicht op gemengde financiële holdings

1. Ingeval een gemengde financiële holding onderworpen is aan gelijkwaardige bepalingen van zowel deze richtlijn als van Richtlijn 2002/87/EG, met name in termen van risicogebaseerd toezicht, kan de consoliderende toezichthouder, na overleg met de overige betrokken bevoegde autoriteiten die voor het toezicht op dochterondernemingen verantwoordelijk zijn, besluiten op de betrokken gemengde financiële holding alleen de bepaling van Richtlijn 2002/87/EG toe te passen.

2. Ingeval een gemengde financiële holding onderworpen is aan gelijkwaardige bepalingen van zowel deze richtlijn als van Richtlijn 2009/138/EG, met name in termen van risicogebaseerd toezicht, kan de consoliderende toezichthouder, in onderlinge overeenstemming met de groepstoezichthouder in de verzekeringssector, besluiten op de betrokken gemengde financiële holding alleen de bepaling van de richtlijn van de belangrijkste financiële sector als omschreven in artikel 3, lid 2, van Richtlijn 2002/87/EG toe te passen.

3. De consoliderende toezichthouder stelt de EBA en de bij Verordening (EU) nr. 1094/2010 [40] opgerichte Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen (EAVB) in kennis van de overeenkomstig de leden 1 en 2 genomen besluiten.

4. De EBA, de EAVB en de EAEM ontwikkelen, via het in artikel 54 van de genoemde verordeningen bedoelde gemengde comité, richtsnoeren met het oog op de convergentie van de toezichtpraktijken, en ontwikkelen uiterlijk drie jaar na de aanneming van de richtsnoeren ontwerpen van technische reguleringsnormen.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen volgens de procedure van de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010, Verordening (EU) Nr. 1094/2010 en Verordening (EU) nr. 1095/2010 [41].

Artikel 94

Technische criteria voor de toetsing en evaluatie door de toezichthouder

1. De toetsing en de evaluatie die overeenkomstig artikel 92 door de bevoegde autoriteiten worden verricht, hebben, afgezien van het kredietrisico, het marktrisico en het operationele risico, eveneens betrekking op alle volgende aspecten:

a) de resultaten van de stresstests die zijn uitgevoerd door de instellingen die een interneratingbenadering toepassen;

b) de blootstelling aan en het management van het concentratierisico door de instellingen, met inbegrip van de naleving van de in deel vier van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] en artikel 79 van deze richtlijn vervatte vereisten door deze instellingen;

c) de deugdelijkheid, geschiktheid en wijze van toepassing van de door de instellingen gevolgde gedragslijnen en procedures met het oog op het management van het restrisico dat de toepassing van erkende kredietrisicolimiteringstechnieken met zich brengt;

d) de vraag in hoeverre het eigen vermogen dat een instelling houdt met betrekking tot de activa die zij gesecuritiseerd heeft, toereikend is in het licht van het economische belang van de transactie, met inbegrip van de mate waarin er sprake is van risico-overdracht;

e) de blootstelling aan en de meting en het management van het liquiditeitsrisico door de instellingen, waaronder onderzoek van alternatieve scenario's, het beheer van risicolimiterende factoren (met name de omvang, samenstelling en kwaliteit van liquiditeitsbuffers) en effectieve calamiteitenplannen;

f) de impact van diversificatie-effecten en de wijze waarop dergelijke effecten in het systeem van risicometing worden verwerkt;

g) de resultaten van de stresstests die zijn uitgevoerd door de instellingen die gebruik maken van een intern model voor de berekening van de eigenvermogensvereisten voor het marktrisico overeenkomstig deel drie, titel IV, hoofdstuk 5, van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau];

h) de geografische locatie van de vorderingen van de instellingen;

i) het bedrijfsmodel van de instelling.

2. Voor de toepassing van lid 1, onder e), onderwerpen de bevoegde autoriteiten het algehele liquiditeitsrisicomanagement van instellingen regelmatig aan een uitgebreide evaluatie en bevorderen zij de ontwikkeling van solide interne methodieken. Bij deze toetsingen letten zij op de rol die instellingen op de financiële markten spelen. De bevoegde autoriteiten in de ene lidstaat nemen de gevolgen die hun besluiten kunnen hebben voor de stabiliteit van het financiële stelsel van alle andere betrokken lidstaten naar behoren in overweging.

3. De bevoegde autoriteiten controleren of een instelling een securitisatie stilzwijgend heeft gesteund. Indien blijkt dat een instelling meer dan eens stilzwijgende steun heeft verleend, dan neemt de bevoegde autoriteit passende maatregelen op basis van het vermoeden dat de kans groter is dat zij ook in de toekomst haar securitisaties zal steunen, waardoor er dus geen sprake is van een aanzienlijke risico-overdracht.

4. Voor het verrichten van de in artikel 92, lid 3, van deze richtlijn bedoelde bepaling houden de bevoegde autoriteiten er rekening mee of de waarderingsaanpassingen voor posities/portefeuilles in de handelsportefeuille als bedoeld in artikel 100 van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] de instelling in staat stellen haar posities onder normale marktomstandigheden op korte tijd te verkopen of af te dekken zonder dat wezenlijke verliezen worden geleden.

5. De toetsing en de evaluatie van de bevoegde autoriteiten omvatten ook het renterisico dat een instelling bij activiteiten buiten de handelsportefeuille loopt. Indien de economische waarde van een instelling met meer dan 20% van het eigen vermogen afneemt door een plotselinge en onverwachte verandering in de rentetarieven, wordt geëist dat maatregelen worden getroffen. De omvang van de verandering in de rentetarieven zal worden voorgeschreven door de bevoegde autoriteiten en mag niet van instelling tot instelling verschillen.

6. De toetsing en de evaluatie door de bevoegde autoriteiten hebben onder meer betrekking op de blootstelling van instellingen aan het risico van buitensporige hefboomwerking zoals weergegeven door indicatoren van buitensporige hefboomwerking, met inbegrip van onder meer de overeenkomstig artikel 416 van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] vastgestelde hefboomratio. Bij de bepaling van de adequaatheid van de hefboomratio van instellingen en van de regelingen, strategieën, procedures en mechanismen die instellingen met het oog op het management van het risico van buitensporige hefboomwerking toepassen, kunnen de bevoegde autoriteiten met het bedrijfsmodel van deze instellingen rekening houden.

7. De toetsing en de evaluatie door de bevoegde autoriteiten hebben onder meer betrekking op de goveranceregelingen van instellingen, hun bedrijfscultuur en -waarden, en het vermogen van de leden van het leidinggevend orgaan om hun taken te vervullen. Bij het verrichten van deze toetsing en evaluatie bestuderen de bevoegde autoriteiten ten minste de agenda's en werkdocumenten voor vergaderingen van het leidinggevend orgaan en zijn commissies en comités, alsook de resultaten van de interne of externe evaluatie van de prestaties van het leidinggevend orgaan.

Artikel 95

Toepassing van toezichtmaatregelen op een categorie instellingen

1. Ingeval de bevoegde autoriteiten overeenkomstig artikel 92 bepalen dat een bepaalde categorie instellingen aan vergelijkbare risico's is of kan zijn blootgesteld of vergelijkbare risico's voor het financiële stelsel vormt, kunnen zij de artikelen 98 en 99 op overeenkomstige wijze op deze categorie instellingen toepassen.

De categorie instellingen kan meer in het bijzonder worden bepaald op grond van de in artikel 94, lid 1, onder h) en i), bedoelde criteria.

2. De bevoegde autoriteiten stellen de EBA ervan in kennis wanneer zij lid 1 toepassen. De EBA monitort de toezichtpraktijken en vaardigt richtsnoeren uit over de wijze waarop vergelijkbare risico's moeten worden beoordeeld. Deze richtsnoeren worden vastgesteld overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 96

Programma voor toezichtonderzoek

1. De bevoegde autoriteiten nemen ten minste jaarlijkse een programma voor toezichtonderzoek aan voor de instellingen waarop zij toezicht uitoefenen. In een dergelijk programma wordt rekening gehouden met het toetsings- en evaluatieproces door de toezichthouder uit hoofde van artikel 92. Het programma bevat de volgende elementen:

a) een indicatie van de wijze waarop de bevoegde autoriteiten voornemens zijn hun taken uit te voeren en hun middelen toe te wijzen;

b) de identificatie van instellingen die aan verscherpt toezicht zullen worden onderworpen en zich op een dergelijk toezicht moeten voorbereiden overeenkomstig lid 3;

c) een plan voor verificaties in de bedrijfsruimten van een instelling, met inbegrip van haar bijkantoren en dochterondernemingen die in andere lidstaten gevestigd zijn, overeenkomstig de artikelen 53, 114 en 116.

2. De programma's voor toezichtonderzoek hebben onder meer betrekking op de volgende instellingen:

a) instellingen waarvoor de resultaten van de in artikel 94, lid 1, onder g), en artikel 97 bedoelde stresstests of de uitkomsten van het toetsings- en evaluatieproces door de toezichthouder uit hoofde van artikel 92 duiden op significante risico's voor hun continue financiële soliditeit of op schendingen van de vereisten van deze richtlijn en Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau];

b) instellingen die een systeemrisico voor het financiële stelsel vormen;

c) alle andere instellingen waarvoor de bevoegde autoriteiten zulks noodzakelijk achten.

3. Indien zulks overeenkomstig artikel 92 passend wordt geacht, worden, indien nodig, een of meer van de volgende maatregelen genomen:

a) een verhoging van het aantal of de frequentie van de verificaties ter plaatse bij de instelling;

b) een permanente aanwezigheid van de bevoegde autoriteit bij de instelling;

c) aanvullende of veelvuldiger rapportage door de instelling;

d) aanvullende of veelvuldiger toetsing van de operationele, strategische of bedrijfsplannen van de instelling;

e) thematische onderzoeken met het oog op de bewaking van specifieke risico's die zich waarschijnlijk zullen voordoen.

Artikel 97

Stresstests voor toezichtdoeleinden

1. De bevoegde autoriteiten voeren jaarlijks stresstests voor toezichtdoeleinden uit op de instellingen waarop zij toezicht uitoefenen indien het toetsings- en evaluatieproces uit hoofde van artikel 92 duidt op de noodzaak van dergelijke testen en de overeenkomstig artikel 32 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 uitgevoerde stresstests onvoldoende op de uitkomst van het proces van artikel 92 inspelen.

2. De EBA vaardigt richtsnoeren uit overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 om ervoor te zorgen dat de bevoegde autoriteiten gemeenschappelijke methodieken hanteren wanneer zij jaarlijkse stresstests voor toezichtdoeleinden uitvoeren.

Artikel 98

Doorlopende toetsing van de toelating om interne benaderingen te hanteren

1. De bevoegde autoriteiten toetsen doorlopend, of herbekijken ten minste om de drie jaar of de instellingen de interne benaderingen in acht nemen. De toetsingen hebben in het bijzonder betrekking op veranderingen in het bedrijf van de instelling en op de toepassing van deze benaderingen op nieuwe producten.

2. Voor instellingen die de toelating hebben gekregen om van interne benaderingen gebruik te maken, toetsen en evalueren de bevoegde autoriteiten in het bijzonder of de instelling van goed ontwikkelde en actuele technieken en praktijken gebruikmaakt.

3. Indien voor een internemarktrisicomodel een groot aantal overschrijdingen als bedoeld in artikel 355 van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] erop wijst dat het model niet accuraat genoeg is, trekken de bevoegde autoriteiten de toelating voor het gebruik van het interne model in of leggen zij passende maatregelen op om ervoor te zorgen dat het model terstond wordt verbeterd.

4. Wanneer het een instelling is toegestaan van een interne benadering gebruik te maken maar wanneer de benadering niet langer aan de toepasselijke vereisten voldoet, eisen de bevoegde autoriteiten dat de instelling een plan presenteert om opnieuw aan de vereisten te voldoen en een uiterste termijn vaststelt voor de uitvoering ervan. De bevoegde autoriteiten eisen verbeteringen in het plan indien het onwaarschijnlijk is dat het in het volledig voldoen aan de vereisten zal resulteren of indien de uiterste termijn niet passend is. Indien het onwaarschijnlijk is dat de instelling erin zal slagen binnen een passende termijn wederom aan de vereisten te voldoen, wordt de toelating om van de interne benadering gebruik te maken ingetrokken, dan wel beperkt tot terreinen waarop aan de vereisten wordt voldaan of waarop binnen een passende termijn aan de vereisten kan worden voldaan. Indien het waarschijnlijk is dat het niet voldoen aan de vereisten tot een ontoereikend eigen vermogen leidt, eisen de bevoegde autoriteiten tijdig dat in dienovereenkomstig aanvullend eigen vermogen wordt voorzien. De bevoegde autoriteiten monitoren de uitvoering van het plan en leggen passende sancties op overeenkomstig artikel 64 indien de instelling een aanzienlijke achterstand heeft bij de uitvoering van haar plan.

5. Teneinde een consistente deugdelijkheid van de interne benaderingen in de Unie te bevorderen, analyseert de EBA de interne benaderingen van instellingen, met inbegrip van de consistentie van de toepassing van de definitie van wanbetaling en van de wijze waarop deze instellingen vergelijkbare risico's of posities behandelen.

Overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 ontwikkelt de EBA op grond van deze analyse richtsnoeren die benchmarks bevatten.

De bevoegde autoriteiten houden rekening met deze analyse en benchmarks bij de toetsing van de aan instellingen verleende toelatingen om van interne benaderingen gebruik te maken.

Afdeling IV

Toezichtmaatregelen

Artikel 99

Toezichtmaatregelen

1. De bevoegde autoriteiten eisen dat instellingen onder de volgende omstandigheden in een vroeg stadium de nodige acties ondernemen of maatregelen treffen om relevante problemen aan te pakken:

a) de instelling voldoet niet aan de vereisten van deze richtlijn;

b) de instelling zal waarschijnlijk de vereisten van deze richtlijn schenden.

2. Voor de toepassing van lid 1 beschikken de bevoegde autoriteiten over de in artikel 64 genoemde bevoegdheden.

Artikel 100

Specifieke eigenvermogensvereisten

1. De bevoegde autoriteiten leggen in ieder geval kredietinstellingen die niet voldoen aan de vereisten van de artikelen 72, 73 en 74 en artikel 382 van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] of ten aanzien waarvan een negatieve beslissing is genomen betreffende de kwestie beschreven in artikel 92, lid 3, specifieke eigenvermogensvereisten op met betrekking tot niet door artikel 1 van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] bestreken risico's, als andere maatregelen naar alle waarschijnlijkheid op zich niet zullen volstaan om binnen een redelijk tijdsbestek een verbetering van deze regelingen, procedures, mechanismen en strategieën te bewerkstelligen.

2. Voor de bepaling van het passende niveau van het eigen vermogen op basis van de toetsing en evaluatie overeenkomstig artikel 92 gaan de bevoegde autoriteiten na of specifieke eigenvermogensvereisten moeten worden opgelegd die strenger zijn dan het kapitaalvereiste dat noodzakelijk is om risico's te ondervangen waaraan een instelling is of kan zijn blootgesteld, waarbij zij met het volgende rekening houden:

a) de kwantitatieve en kwalitatieve aspecten van de in artikel 72 bedoelde beoordelingsprocedure van de instelling;

b) de in de artikelen 73 en 74 bedoelde regelingen, procedures en mechanismen van de kredietinstelling;

c) de uitkomst van de toetsing en evaluatie overeenkomstig artikel 92.

3. Ingeval een instelling overeenkomstig artikel 367, lid 5, van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] aan de bevoegde autoriteit meldt dat de resultaten van de in genoemd artikel bedoelde stresstest aanzienlijk hoger liggen dan haar eigenvermogensvereiste voor de correlation tradingportefeuille, overwegen de bevoegde autoriteiten een specifiek eigenvermogensvereiste voor de correlation tradingportefeuille om die overschrijding te dekken.

Artikel 101

Specifieke publicatieverplichtingen

1. De lidstaten machtigen de bevoegde autoriteiten om instellingen de volgende verplichtingen op te leggen:

a) ze publiceren de in deel acht van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] bedoelde informatie meer dan eenmaal per jaar en ze krijgen een termijn opgelegd voor de publicatie ervan;

b) ze verstrekken de informatie niet in de financiële rapporten, maar in bepaalde media en op bepaalde locaties; de lidstaten machtigen de bevoegde autoriteiten om moederondernemingen ertoe te verplichten jaarlijks een beschrijving van hun juridische structuur en governance- en organisatiestructuur van de groep instellingen in overeenstemming met artikel 14, lid 3, artikel 73, lid 1, en artikel 104, lid 2, openbaar te maken, hetzij door volledige vermelding, hetzij door verwijzing naar gelijkwaardige informatie.

Artikel 102

Consistentie van toetsingen en evaluaties door de toezichthouder en van toezichtmaatregelen

1. De bevoegde autoriteiten stellen de EBA in kennis van het volgende:

a) de werking van hun toetsings- en evaluatiesysteem als bedoeld in artikel 92;

b) de gehanteerde methodiek om de in artikel 94, lid 3, en de artikelen 97, 98 en 99 bedoelde besluiten op de onder a) bedoelde systemen te baseren.

De bevoegde autoriteiten stellen de EBA in kennis van hun overeenkomstig artikel 94, lid 3, en de artikelen 97, 98 en 99 genomen besluiten en de motivering daarachter.

2. De EBA brengt jaarlijks verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over de mate van convergentie tussen de lidstaten welke bij de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk is gerealiseerd.

Om tot een hogere mate van dergelijke convergentie te komen, organiseert de EBA collegiale toetsingen overeenkomstig artikel 30 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

3. De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen teneinde het volgende nader te bepalen:

a) de gemeenschappelijke procedure en methodiek voor de in lid 1 en in artikel 92 bedoelde toetsing- en evaluatiesystemen;

b) de criteria betreffende de organisatie en behandeling van de in de artikelen 75 tot en met 85 bedoelde risico's en de criteria betreffende de in artikel 92 bedoelde toetsing en evaluatie door de bevoegde autoriteiten.

4. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen de in lid 3 bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

De EBA legt de in lid 3 bedoelde ontwerpen van technische normen uiterlijk op 31 december 2015 voor aan de Commissie.

Afdeling V

Toepassingsniveau

Artikel 103

Interne beoordelingsprocedure van de kapitaaltoereikendheid

1. De bevoegde autoriteiten eisen dat zowel een instelling die geen dochterneming is in de lidstaat waar zij een vergunning heeft gekregen en onder toezicht staat, en evenmin een moederonderneming is, als een instelling die ingevolge artikel 17 van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] niet in de consolidatie wordt opgenomen, op individuele basis voldoet aan het bepaalde in artikel 72.

De bevoegde autoriteiten kunnen een instelling die aan de in artikel 9 van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] gestelde voorwaarden voldoet, van artikel 72 van deze richtlijn vrijstellen.

Ingeval de bevoegde autoriteiten vrijstelling verlenen van de toepassing van de in artikel 14 van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] vastgelegde eigenvermogensvereisten op geconsolideerde basis, zijn de vereisten van artikel 72 op individuele basis van toepassing.

2. De bevoegde autoriteiten eisen dat moederinstellingen in een lidstaat in de mate en op de wijze als bepaald in artikel 16 van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] voldoen aan de in artikel 72 neergelegde verplichtingen op basis van hun geconsolideerde financiële positie.

3. De bevoegde autoriteiten eisen dat instellingen die onder de zeggenschap staan van een financiële moederholding of een gemengde financiële moederholding in een lidstaat, in de mate en op de wijze als bepaald in artikel 16 van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] voldoen aan de in artikel 72 neergelegde verplichtingen op basis van de geconsolideerde financiële positie van de betrokken financiële moederholding of gemengde financiële moederholding.

Als meerdere instellingen onder de zeggenschap staan van een financiële moederholding of een gemengde financiële moederholding in een lidstaat, is de eerste alinea alleen van toepassing op de instelling die ingevolge artikel 106 onderworpen is aan toezicht op geconsolideerde basis.

4. De bevoegde autoriteiten eisen dat instellingen die een dochteronderneming zijn, de vereisten van artikel 72 op gesubconsolideerde basis toepassen als deze instellingen, of de moederonderneming als deze een financiële holding of een gemengde financiële moederholding is, een instelling, een financiële instelling of een vermogensbeheerder in de zin van artikel 2, punt 5, van Richtlijn 2002/87/EG als dochteronderneming in een derde land hebben of een deelneming in een dergelijke onderneming hebben.

5. De geconsolideerde financiële positie wordt bepaald overeenkomstig deel een, titel II, hoofdstuk 2, afdelingen 2 en 3, van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau].

Artikel 104

Regelingen, procedures en mechanismen van instellingen

1. De bevoegde autoriteiten eisen dat instellingen op individuele basis aan het bepaalde in afdeling II voldoen, tenzij de lidstaten van de in artikel 6 van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] vervatte afwijking gebruikmaken.

2. De bevoegde autoriteiten eisen dat de moeder- en dochterondernemingen die onder deze richtlijn vallen, op geconsolideerde of gesubconsolideerde basis aan het bepaalde in afdeling II van dit hoofdstuk voldoen, zodat hun bij deze bepalingen vereiste regelingen, procedures en mechanismen samenhang vertonen en goed geïntegreerd zijn, en alle gegevens en informatie die voor het toezicht van belang zijn, kunnen worden verkregen. Zij dragen er meer in het bijzonder zorg voor dat niet onder deze richtlijn vallende dochterondernemingen regelingen, procedures en mechanismen hanteren die de inachtneming van deze bepalingen garanderen.

3. De uit afdeling II van dit hoofdstuk voortvloeiende verplichtingen voor dochterondernemingen die zelf niet onder deze richtlijn vallen, zijn niet van toepassing indien de EU-moederkredietinstelling of de kredietinstellingen die onder de zeggenschap staan van een financiële EU-moederholding of van een gemengde financiële EU-moederholding aan de bevoegde autoriteiten kunnen aantonen dat de toepassing van afdeling II niet is toegestaan volgens de wetten van het derde land waar de dochteronderneming is gevestigd.

Artikel 105

Toetsing en evaluatie en toezichtmaatregelen

1. De bevoegde autoriteiten passen het in afdeling III bedoelde toetsings- en evaluatieproces en de in afdeling IV bedoelde toezichtmaatregelen toe in overeenstemming met het in deel een, titel I, van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] vastgestelde toepassingsniveau van de vereisten van genoemde verordening.

2. Ingeval de bevoegde autoriteiten vrijstelling verlenen van de toepassing van de in artikel 14 van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] vastgelegde eigenvermogensvereisten op geconsolideerde basis, zijn de vereisten van artikel 92 van deze richtlijn op het toezicht op beleggingsondernemingen op individuele basis van toepassing.

Hoofdstuk 3

Toezicht op geconsolideerde basis

Afdeling I

Beginselen voor de uitoefening van

toezicht op geconsolideerde basis

Artikel 106

Bepaling van de consoliderende toezichthouder

1. Indien een moederonderneming een moederinstelling in een lidstaat of een EU-moederinstelling is, wordt het toezicht op geconsolideerde basis uitgeoefend door de bevoegde autoriteiten die daaraan vergunning hebben verleend.

2. Indien de moederonderneming van een instelling een financiële moederholding of een gemengde financiële moederholding in een lidstaat, een financiële EU-moederholding of een gemengde financiële EU-moederholding is, wordt het toezicht op geconsolideerde basis uitgeoefend door de bevoegde autoriteiten die aan deze instelling vergunning hebben verleend.

3. Indien instellingen waaraan in meer dan één lidstaat vergunning is verleend, dezelfde financiële moederholding of gemengde financiële moederholding in een lidstaat, dezelfde financiële EU-moederholding of dezelfde gemengde financiële EU-holding als moederonderneming hebben, wordt het toezicht op geconsolideerde basis uitgeoefend door de autoriteiten die bevoegd zijn voor de instelling waaraan vergunning is verleend in de lidstaat waar de financiële holding of gemengde financiële holding is opgericht.

Indien moederondernemingen van instellingen waaraan in meer dan één lidstaat vergunning is verleend meer dan één financiële holding of gemengde financiële holding met hoofdkantoor in diverse lidstaten hebben en zich in elk van deze lidstaten een kredietinstelling bevindt, wordt het toezicht op geconsolideerde basis uitgeoefend door de voor de kredietinstelling met het hoogste balanstotaal bevoegde autoriteit.

4. Indien meer dan één instelling waaraan in de Unie vergunning is verleend, dezelfde financiële holding of dezelfde gemengde financiële holding als moederonderneming hebben en aan geen van deze instellingen vergunning is verleend in de lidstaat waar de financiële holding of gemengde financiële holding is opgericht, wordt het toezicht op geconsolideerde basis uitgeoefend door de bevoegde autoriteit die de kredietinstelling met het hoogste balanstotaal vergunning heeft verleend; voor de toepassing van deze richtlijn wordt deze instelling als de instelling beschouwd die onder de zeggenschap staat van een financiële EU-moederholding of van een gemengde financiële EU-moederholding.

5. In bijzondere gevallen mogen de bevoegde autoriteiten onderling overeenkomen af te wijken van de criteria in de leden 1 en 2, en wel als de toepassing ervan, gelet op de instellingen en op het relatieve belang van de werkzaamheden ervan in de verschillende lidstaten, ongepast zou zijn; ze mogen dan een andere bevoegde autoriteit aanwijzen die op geconsolideerde basis toezicht zal houden. In die gevallen bieden de bevoegde autoriteiten, alvorens een besluit te nemen, de EU-moederinstelling, de financiële EU-moederholding, de gemengde financiële EU-moederholding dan wel de instelling met het hoogste balanstotaal, al naargelang het geval, de gelegenheid haar mening ten aanzien van dit besluit kenbaar te maken.

6. Als de bevoegde autoriteiten in het kader van lid 5 onderling afspraken hebben gemaakt, brengen zij de Commissie en de EBA daarvan op de hoogte.

Artikel 107

Coördinatie van toezichtactiviteiten door de consoliderende toezichthouder

1. Naast de verplichtingen die krachtens de bepalingen van deze richtlijn en Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] op hem rusten, neemt de consoliderende toezichthouder de volgende taken op zich:

a) hij coördineert de vergaring en verspreiding van informatie die relevant of essentieel is in normale omstandigheden en in noodsituaties;

b) hij plant en coördineert toezichtactiviteiten in doorgaande bedrijfsvoering, waaronder de in titel VII, hoofdstuk 3, genoemde activiteiten, en werkt daarbij samen met de betrokken bevoegde autoriteiten;

c) hij plant en coördineert toezichtactiviteiten bij de voorbereiding op en in noodsituaties, met inbegrip van ongunstige ontwikkelingen in instellingen en op de financiële markten, indien mogelijk met gebruikmaking van bestaande welomschreven communicatiekanalen voor de facilitering van crisisbeheersing, en werkt daarbij samen met de andere bevoegde autoriteiten en zo nodig met centrale banken.

2. Indien de consoliderende toezichthouder nalaat de in lid 1 bedoelde taken uit te voeren, of indien de bevoegde autoriteiten onvoldoende samenwerken met de consoliderende toezichthouder om de in lid 1 bedoelde taken uit te voeren, mag iedere betrokken bevoegde autoriteit de zaak naar de EBA verwijzen, die kan optreden in overeenstemming met artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

3. De planning en coördinatie van de in lid 1, onder c), genoemde toezichtactiviteiten omvat ook buitengewone maatregelen als bedoeld in artikel 112, lid 1, onder d), en artikel 112, lid 4, onder b), gezamenlijke evaluaties, de uitvoering van calamiteitenplannen en de communicatie met het publiek.

Artikel 108

Gezamenlijke besluiten over instellingsspecifieke prudentiële vereisten

1. De consoliderende toezichthouder en de autoriteiten die bevoegd zijn voor het toezicht op dochterondernemingen van een EU-moederinstelling, een financiële EU-moederholding of een gemengde financiële EU-moederholding in een lidstaat stellen alles in het werk om tot een gezamenlijk besluit te komen over:

a) de toepassing van de artikelen 72 en 92 om uit te maken of het geconsolideerde eigen vermogen van de groep instellingen toereikend is voor haar financiële positie en risicoprofiel en hoeveel eigen vermogen voor de toepassing van artikel 98 voor elke entiteit binnen de groep instellingen en op geconsolideerde basis noodzakelijk is;

b) maatregelen voor het aanpakken van significante aangelegenheden en materiële bevindingen in verband met het liquiditeitstoezicht, met inbegrip van die welke verband houden met de adequaatheid van de organisatie en de behandeling van risico's als vereist overeenkomstig artikel 84, en met de behoefte aan andere instellingsspecifieke parameters dan die welke in deel zes van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] zijn vastgelegd overeenkomstig artikel 99 van deze richtlijn.

2. Het in lid 1 bedoelde gezamenlijk besluit wordt genomen:

a) voor de toepassing van lid 1, onder a), binnen vier maanden nadat de consoliderende toezichthouder een verslag met de risicobeoordeling van de groep overeenkomstig de artikelen 72 en 92 bij de andere relevante bevoegde autoriteiten heeft ingediend;

b) voor de toepassing van lid 1, onder b), binnen één maand nadat de consoliderende toezichthouder overeenkomstig artikel 84 een verslag met de beoordeling van het liquiditeitsrisicoprofiel van de groep heeft ingediend.

In het gezamenlijk besluit worden ook naar behoren de risicobeoordelingen in aanmerking genomen die de relevante bevoegde autoriteiten krachtens de artikelen 72 en 92 met betrekking tot dochterondernemingen hebben verricht.

Het gezamenlijk besluit wordt op schrift gesteld met volledige opgaaf van redenen en de consoliderende toezichthouder doet dit document aan de EU-moederinstelling toekomen. Bij een geschil raadpleegt de consoliderende toezichthouder op verzoek van een van de andere betrokken bevoegde autoriteiten de EBA. De consoliderende toezichthouder kan de EBA ook op eigen initiatief raadplegen.

3. Als de bevoegde autoriteiten niet binnen de in lid 2 genoemde termijn tot een gezamenlijk besluit komen, wordt het besluit over de toepassing van de artikelen 72, 84, 92, 98 en 99 op geconsolideerde basis genomen door de consoliderende toezichthouder nadat hij de door de relevante bevoegde autoriteiten verrichte risicobeoordeling van de dochterondernemingen naar behoren in overweging heeft genomen. Indien een van de betrokken bevoegde autoriteiten aan het einde van de in lid 2 bedoelde termijn de zaak overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 naar de EBA heeft verwezen, stelt de consoliderende toezichthouder zijn besluit uit in afwachting van een eventueel door de EBA overeenkomstig artikel 19, lid 3, van die verordening genomen besluit en neemt hij zijn besluit in overeenstemming met het besluit van de EBA. De in lid 2 bedoelde termijn wordt beschouwd als verzoeningsperiode in de zin van genoemde verordening. De EBA neemt haar besluit binnen één maand. De zaak wordt niet meer naar de EBA verwezen na het einde van de periode van vier maanden of nadat een gezamenlijk besluit is genomen.

Het besluit over de toepassing van de artikelen 72, 84, 92, 98 en 99, wordt op niet-geconsolideerde of gesubconsolideerde basis genomen door de desbetreffende, bevoegde autoriteiten die belast zijn met het toezicht op dochterondernemingen van een EU-moederkredietinstelling, een financiële EU-moederholding of een gemengde financiële EU-moederholding, nadat de door de consoliderende toezichthouder geuite standpunten en voorbehouden naar behoren in overweging zijn genomen. Indien een van de betrokken bevoegde autoriteiten aan het einde van de in lid 2 bedoelde termijn de zaak overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 naar de EBA heeft verwezen, stellen de bevoegde autoriteiten hun besluit uit in afwachting van een eventueel door de EBA overeenkomstig artikel 19, lid 3, van die verordening genomen besluit en nemen zij hun besluit in overeenstemming met het besluit van de EBA. De in lid 2 bedoelde termijn wordt beschouwd als verzoeningsperiode in de zin van genoemde verordening. De EBA neemt haar besluit binnen één maand. De zaak wordt niet meer naar de EBA verwezen na het einde van de periode van vier maanden of nadat een gezamenlijk besluit is genomen.

De besluiten worden op schrift gesteld met volledige opgaaf van redenen en met inachtneming van de gedurende de in lid 2 bedoelde termijn door de andere bevoegde autoriteiten geuite risicobeoordelingen, standpunten en voorbehouden. De consoliderende toezichthouder doet het document toekomen aan alle betrokken bevoegde autoriteiten en aan de EU-moederinstelling.

Indien de EBA werd geraadpleegd, houden alle bevoegde autoriteiten rekening met haar advies en geven zij de redenen voor elke significante afwijking daarvan.

4. Het in lid 1 bedoelde gezamenlijk besluit en de in lid 3 bedoelde besluiten die zijn genomen als de autoriteiten niet tot een gezamenlijk besluit konden komen, zijn bindend voor de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat.

Het in lid 2 bedoelde gezamenlijk besluit en de overeenkomstig lid 3 bedoelde besluiten die zijn genomen als de autoriteiten niet tot een gezamenlijk besluit konden komen, worden jaarlijks geactualiseerd; zij worden in uitzonderlijke gevallen geactualiseerd indien een bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op dochterondernemingen van een EU-moederinstelling, een financiële EU-moederholding of een gemengde financiële EU-moederholding, de consoliderende toezichthouder schriftelijk en met volledige opgaaf van redenen verzoekt het besluit betreffende de toepassing van de artikelen 98 en 99 te actualiseren. In dit laatste geval kan de actualisering op bilaterale grondslag worden verricht door de consoliderende toezichthouder en de verzoekende bevoegde autoriteit.

5. De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische uitvoeringsnormen om te zorgen voor eenvormige toepassingsvoorwaarden voor het in dit artikel bedoelde gezamenlijke besluitvormingsproces, met betrekking tot de toepassing van de artikelen 72, 84, 92, 98 en 99 met het oog op het faciliteren van gezamenlijke besluiten.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen volgens de procedure van artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

De EBA ontwikkelt ontwerpen voor technische uitvoeringsnormen die uiterlijk op 31 december 2013 aan de Commissie worden voorgelegd.

Artikel 109

Informatievereisten in noodsituaties

1. Als zich in een bankgroep een noodsituatie voordoet, met inbegrip van een situatie als bedoeld in artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1093/2010, of een situatie van ongunstige ontwikkelingen op de markten, die de liquiditeit van de markt en de stabiliteit van het financiële stelsel kan ondermijnen in een van de lidstaten waar aan entiteiten van de groep vergunning is verleend of significante bijkantoren als bedoeld in artikel 52 zijn gevestigd, waarschuwt de consoliderende toezichthouder, behoudens hoofdstuk 1, afdeling 2, en, in voorkomend geval, de artikelen 54 en 58 van Richtlijn 2004/39/EG, zo spoedig mogelijk de EBA, het ESRB en de in artikel 59, lid 4, en artikel 60 bedoelde autoriteiten en deelt hij alle informatie mee die voor de uitoefening van hun taken van essentieel belang is. Deze verplichtingen gelden voor alle bevoegde autoriteiten. Als de in artikel 59, lid 4, bedoelde autoriteit kennis krijgt van een situatie als beschreven in de eerste alinea, waarschuwt zij zo spoedig mogelijk de in artikel 107 bedoelde bevoegde autoriteiten en de EBA.

Indien mogelijk gebruiken de bevoegde autoriteit en de in artikel 59, lid 4, bedoelde autoriteit de bestaande gedefinieerde communicatiekanalen.

2. Als de consoliderende toezichthouder die belast is met het toezicht op geconsolideerde basis, informatie nodig heeft die al aan een andere bevoegde autoriteit is verstrekt, treedt hij zo mogelijk met deze autoriteit in contact zodat de andere bij het toezicht betrokken autoriteiten niet tweemaal worden geïnformeerd.

Artikel 110

Coördinatie- en samenwerkingsafspraken

1. Om het toezicht doeltreffend en gemakkelijker uit te kunnen oefenen, beschikken de consoliderende toezichthouder en de andere bevoegde autoriteiten over documenten waarin de coördinatie- en samenwerkingsafspraken schriftelijk zijn vastgelegd.

Daarin kan zijn geregeld dat de consoliderende toezichthouder extra taken krijgt, en kunnen de procedures voor de besluitvorming en voor de samenwerking met andere bevoegde autoriteiten zijn vastgelegd.

2. De bevoegde autoriteiten die vergunning hebben verleend aan de dochteronderneming van een moederonderneming die een instelling is, mogen bij bilaterale overeenkomst en in overeenstemming met artikel 28 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 hun toezichtsverantwoordelijkheden overdragen aan de bevoegde autoriteiten die vergunning hebben verleend aan en toezicht uitoefenen op de moederonderneming, opdat deze autoriteiten het toezicht op de dochteronderneming overeenkomstig deze richtlijn op zich nemen. De EBA wordt op de hoogte gebracht van het bestaan en de inhoud van dergelijke overeenkomsten. Zij licht de bevoegde autoriteiten van de overige lidstaten en het Europees Comité voor het bankwezen hierover in.

Artikel 111

Colleges van toezichthouders

1. De consoliderende toezichthouder stelt colleges van toezichthouders in om de uitoefening van de in de artikelen 107 en 108 en artikel 109, lid 1, genoemde taken te vergemakkelijken, onverminderd de geheimhoudingsvereisten van lid 2 van dit artikel en in overeenstemming met de Uniewetgeving, om, waar dat nodig is, te zorgen voor passende coördinatie en samenwerking met relevante bevoegde autoriteiten van derde landen.

De EBA draagt bij tot de bevordering en monitoring van de efficiënte, effectieve en consistente werking van de in dit artikel bedoelde colleges van toezichthouders, in overeenstemming met artikel 21 van Verordening (EU) nr. 1093/2010. Daartoe neemt de EBA naar eigen goeddunken daaraan deel en wordt zij in het kader daarvan beschouwd als "bevoegde autoriteit".

Colleges van toezichthouders bieden een kader waarbinnen de consoliderende toezichthouder, de EBA en de andere betrokken bevoegde autoriteiten de volgende taken verrichten:

a) onderling en overeenkomstig artikel 21 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 met de EBA uitwisselen van informatie;

b) in voorkomend geval tot overeenstemming komen over een toewijzing van taken en overdracht van verantwoordelijkheden op basis van vrijwilligheid;

c) op basis van een overeenkomstig artikel 92 verrichte risicobeoordeling van de groep programma’s voor toezichtonderzoek vaststellen als bedoeld in artikel 94;

d) de efficiëntie van het toezicht vergroten door te voorkomen dat tweemaal aan hetzelfde toezichtvereiste moet worden voldaan, hetgeen zich onder meer kan voordoen bij de informatieverzoeken als bedoeld in artikel 109 en in artikel 112, lid 2;

e) de prudentiële voorschriften in het kader van deze richtlijn en van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] consequent toepassen op alle entiteiten in een groep instellingen, onverminderd de keuzemogelijkheden en de manoeuvreerruimte die de Uniewetgeving biedt;

f) bij de toepassing van artikel 107, lid 1, onder c), rekening houden met de werkzaamheden van andere fora die eventueel op dit gebied zijn opgericht.

2. De bevoegde autoriteiten die deelnemen aan de colleges van toezichthouders en de EBA werken nauw samen. De geheimhoudingsvereisten uit hoofde van hoofdstuk 1, afdeling II, van deze richtlijn en de artikelen 54 en 58 van Richtlijn 2004/39/EG beletten de bevoegde autoriteiten niet binnen colleges van toezichthouders vertrouwelijke informatie uit te wisselen. De oprichting en werking van colleges van toezichthouders doen geen afbreuk aan de rechten en plichten van de bevoegde autoriteiten uit hoofde van deze richtlijn en van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau].

3. Na raadpleging van de betrokken bevoegde autoriteiten stelt de consoliderende toezichthouder de in artikel 110 bedoelde regeling voor de oprichting en werking van de colleges schriftelijk vast.

4. De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen om algemene voorwaarden voor het functioneren van de colleges van toezichthouders te specificeren.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 31 december 2013 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen volgens de procedure van de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

5. De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische uitvoeringsnormen om de operationele werking van de colleges van toezichthouders nader te bepalen.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen volgens de procedure van artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

De EBA legt die ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uiterlijk op 31 december 2013 voor aan de Commissie.

6. De autoriteiten die bevoegd zijn voor het toezicht op dochterondernemingen van een EU-moederkredietinstelling, een financiële EU-moederholding of een gemengde financiële EU-moederholding, en de bevoegde autoriteiten van een lidstaat van ontvangst waar significante bijkantoren in de zin van artikel 52 zijn gevestigd, eventueel centrale banken, alsook, in voorkomend geval en onder voorbehoud van geheimhoudingsvereisten die naar het oordeel van alle bevoegde autoriteiten gelijkwaardig zijn met de vereisten in het kader van hoofdstuk 1, afdeling II, en, in voorkomend geval, de artikelen 54 en 58 van Richtlijn 2004/39/EG, en de bevoegde autoriteiten van derde landen kunnen aan colleges van toezichthouders deelnemen.

7. De consoliderende toezichthouder zit de bijeenkomsten van het college voor en beslist welke bevoegde autoriteiten deelnemen aan een bijeenkomst of activiteit van het college. De consoliderende toezichthouder informeert alle leden van het college vooraf volledig over het beleggen van bijeenkomsten, de voornaamste agendapunten en de in overweging te nemen activiteiten. De consoliderende toezichthouder informeert alle leden van het college tevens tijdig over de acties of maatregelen die in die bijeenkomsten ondernomen of uitgevoerd worden.

8. Bij zijn beslissing houdt de consoliderende toezichthouder rekening met de relevantie van de te plannen of te coördineren toezichtactiviteit voor die autoriteiten, en in het bijzonder met de gevolgen die deze beslissing kan hebben voor de stabiliteit van het financiële stelsel in de betrokken lidstaten, als bedoeld in artikel 8, en met de in artikel 52, lid 2, bedoelde verplichtingen.

9. De consoliderende toezichthouder stelt, onverminderd de geheimhoudingsvereisten in het kader van hoofdstuk 1, afdeling II, en, in voorkomend geval, de artikelen 54 en 58 van Richtlijn 2004/39/EG, de EBA in kennis van de activiteiten van het college van toezichthouders, met inbegrip van de activiteiten in noodsituaties, en deelt de EBA alle informatie mee die voor de convergentie van het toezicht van bijzonder belang is.

Artikel 112

Samenwerkingsplicht

1. De bevoegde autoriteiten werken nauw samen. Zij verstrekken elkaar informatie die van essentieel belang of relevant is voor de uitoefening van de toezichtstaken waarmee zij in het kader van deze richtlijn en van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] zijn belast. Daartoe geven zij op verzoek alle relevante informatie en komen ze zelf met alle essentiële informatie.

Overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1093/2010 werken de bevoegde autoriteiten voor de toepassing van deze richtlijn en van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] samen met de EBA, .

Overeenkomstig artikel 35 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 verstrekken de bevoegde autoriteiten verstrekken de EBA alle informatie die zij nodig heeft voor de uitoefening van haar taken uit hoofde van deze richtlijn, van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] en van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

De in de eerste alinea bedoelde informatie wordt als essentieel beschouwd als die de beoordeling van de financiële soliditeit van een instelling of een financiële instelling in een andere lidstaat in wezenlijke mate zou kunnen beïnvloeden.

Met name verstrekken de consoliderende toezichthouders van EU-moederkredietinstellingen en instellingen die onder de zeggenschap staan van financiële EU-moederholdings of gemengde financiële EU-moederholdings, aan de bevoegde autoriteiten in andere lidstaten die toezicht houden op dochterondernemingen van deze moederondernemingen alle toepasselijke informatie. Wel wordt als het gaat om de hoeveelheid toe te zenden informatie rekening gehouden met het belang van deze dochterondernemingen in het financiële stelsel in die lidstaten.

De in de eerste alinea bedoelde essentiële informatie omvat met name gegevens over:

a) de juridische structuur en de governance- en organisatiestructuur van de groep, met inbegrip van alle onder toezicht staande entiteiten, niet onder toezicht staande entiteiten, niet onder toezicht staande dochterondernemingen en significante bijkantoren die tot de groep behoren, moederondernemingen in overeenstemming met artikel 14, lid 3, artikel 73, lid 1, en artikel 104, lid 2, alsmede de autoriteiten die bevoegd zijn voor de uitoefening van het toezicht op entiteiten in de groep.

b) procedures voor de verzameling van informatie bij de instellingen van een groep, alsmede de verificatie van deze informatie;

c) ongunstige ontwikkelingen bij instellingen of andere entiteiten van een groep die ernstige nadelige gevolgen voor de instellingen zouden kunnen hebben;

d) belangrijke sancties en buitengewone maatregelen die de bevoegde autoriteiten in overeenstemming met deze richtlijn hebben getroffen; zo kan in het kader van artikel 100 een specifiek eigenvermogensvereiste zijn opgelegd of kunnen restricties zijn opgelegd aan de toepassing van de geavanceerde meetbenadering voor de berekening van de eigenvermogensvereisten op basis van artikel 301, lid 2, van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau].

2. De bevoegde autoriteiten mogen de volgende situaties naar de EBA verwijzen:

a) wanneer een bevoegde autoriteit essentiële informatie niet heeft verstrekt;

b) wanneer een verzoek om samenwerking, en met name om uitwisseling van relevante informatie, is afgewezen of niet binnen een redelijke termijn is gehonoreerd.

Onverminderd artikel 258 VWEU kan de EBA handelen overeenkomstig de haar bij artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 toegekende bevoegdheden.

3. De bevoegde autoriteiten die belast zijn met het toezicht op kredietinstellingen die onder de zeggenschap staan van een EU-moederkredietinstelling, treden wanneer dit enigszins mogelijk is in contact met de consoliderende toezichthouder als zij informatie nodig hebben over de toepassing van benaderingen en methodieken zoals beschreven in de onderhavige richtlijn en in Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau], en deze informatie eventueel al beschikbaar is voor de betrokken bevoegde autoriteit.

4. Voordat ze een besluit nemen dat van belang is voor de toezichtstaken van andere bevoegde autoriteiten, raadplegen de desbetreffende bevoegde autoriteiten elkaar over:

a) veranderingen in het aandeelhouderschap, de organisatie of de bestuursstructuur van kredietinstellingen in een groep die goedkeuring of machtiging door de bevoegde autoriteiten vereisen; en

b) belangrijke sancties of buitengewone maatregelen die de bevoegde autoriteiten hebben getroffen; zo kan in het kader van artikel 99 een extra eigenvermogensvereiste zijn opgelegd of kunnen restricties zijn opgelegd aan de toepassing van de geavanceerde meetbenadering voor de berekening van de eigenvermogensvereisten op basis van artikel 301, lid 2, van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau].

De consoliderende toezichthouder wordt altijd geraadpleegd voor de toepassing van punt b).

Een bevoegde autoriteit mag evenwel besluiten om geen overleg te plegen, maar alleen als er sprake is van een noodsituatie of als de besluiten daardoor hun doel kunnen missen. In dat geval brengt de bevoegde autoriteit de andere bevoegde autoriteiten daarvan onverwijld op de hoogte.

Artikel 113

Verificatie van informatie betreffende entiteiten in andere lidstaten

Indien de bevoegde autoriteiten van een lidstaat bij de toepassing van deze richtlijn en Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] in welbepaalde gevallen inlichtingen betreffende een in een andere lidstaat gelegen instelling, financiële holding, gemengde financiële holding, financiële instelling, onderneming die nevendiensten verricht, gemengde holding, dochteronderneming als bedoeld in artikel 119, of dochteronderneming als bedoeld in artikel 114, lid 3, wensen te verifiëren, verzoeken zij de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaat om deze verificatie. De autoriteiten die een dergelijk verzoek hebben ontvangen, geven hieraan in het kader van hun bevoegdheden gevolg door de verificatie zelf te verrichten, door de verzoekende autoriteiten toestemming te verlenen om de verificatie te verrichten, dan wel door toe te staan dat de verificatie door een auditor of een deskundige wordt verricht. De verzoekende bevoegde autoriteit kan indien zij dat wenst aan de verificatie deelnemen indien zij deze niet zelf verricht.

Afdeling II

Financiële holdings en gemengde financiële holdings

Artikel 114

Betrekken van holdings in het toezicht op geconsolideerde basis

1. De lidstaten stellen in voorkomend geval de maatregelen vast die nodig zouden blijken om financiële holdings en gemengde financiële holdings in het geconsolideerde toezicht te kunnen betrekken. Onverminderd artikel 115 houdt de consolidatie van de financiële positie van een financiële holding of gemengde financiële holding geenszins in dat de bevoegde autoriteiten een toezichtrol moeten vervullen met de betrekking tot de financiële holding of gemengde financiële holding op individuele basis, behalve wanneer zulks vereist is voor de toepassing van hoofdstuk 3.

2. Indien de bevoegde autoriteiten van een lidstaat een dochterinstelling niet in het toezicht op geconsolideerde basis betrekken op grond van een van de in artikel 13, onder a) en b), van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] bedoelde gevallen, kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar deze dochterinstelling gelegen is, van de moederonderneming inlichtingen verlangen om de uitoefening van het toezicht op deze instelling te vergemakkelijken.

3. De lidstaten bepalen dat hun met het toezicht op geconsolideerde basis belaste bevoegde autoriteiten van de dochterondernemingen van een kredietinstelling, een financiële holding of een gemengde financiële holding die niet onder het toezicht op geconsolideerde basis vallen, de in artikel 116 bedoelde inlichtingen mogen verlangen. In dat geval zijn de in dat artikel bedoelde procedures voor toezending en verificatie van de inlichtingen van toepassing.

Artikel 115

Kwalificaties van bestuurders

De lidstaten eisen dat personen die het bedrijf van een financiële holding of een gemengde financiële holding feitelijk leiden, als voldoende betrouwbaar bekend staan en voldoende ervaring bezitten om deze functies uit te oefenen.

Artikel 116

Verzoeken om informatie en verificaties

1. Tot een latere coördinatie van de consolidatiemethoden bepalen de lidstaten dat, indien de moederonderneming van één of meer instellingen een gemengde holding is, de voor de vergunningverlening aan en het toezicht op deze instellingen verantwoordelijke bevoegde autoriteiten van de gemengde holding en de dochterondernemingen daarvan, hetzij rechtstreeks, hetzij door toedoen van de dochterinstellingen, de mededeling verlangen van alle dienstige inlichtingen en gegevens voor de uitoefening van het toezicht op de dochterinstellingen.

2. De lidstaten bepalen dat hun bevoegde autoriteiten de van de gemengde holdings en dochterondernemingen daarvan ontvangen inlichtingen ter plaatse kunnen verifiëren, of door externe controleurs kunnen doen verifiëren. Indien de gemengde holding of een van de dochterondernemingen daarvan een verzekeringsonderneming is, kan ook de procedure van artikel 119 worden gevolgd. Indien de gemengde holding of een van de dochterondernemingen daarvan in een andere lidstaat is gelegen dan die waar de dochterinstelling is gelegen, geschiedt de verificatie ter plaatse volgens de procedure van artikel 113.

Artikel 117

Toezicht

1. Onverminderd het bepaalde in deel vijf van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] bepalen de lidstaten dat, indien de moederonderneming van één of meer instellingen een gemengde holding is, de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het toezicht op deze instellingen algemeen toezicht uitoefenen op de transacties tussen de instellingen en de gemengde holding en haar dochterondernemingen.

2. De bevoegde autoriteiten eisen dat de instellingen beschikken over adequate risicomanagement- en internecontroleprocedures, met inbegrip van gedegen rapportage- en boekhoudsystemen, met het oog op een juiste herkenning, meting, bewaking en controle van de transacties met de gemengde moederholding en haar dochterondernemingen. De bevoegde autoriteiten verlangen tevens dat de instellingen alle andere significante transacties met deze entiteiten rapporteren, naast de transacties bedoeld in artikel 383 van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau]. Deze procedures en significante transacties worden gecontroleerd door de bevoegde autoriteiten.

Indien de bovenbedoelde intragroeptransacties een bedreiging voor de financiële positie van een instelling vormen, neemt de voor het toezicht op de instelling bevoegde autoriteit passende maatregelen.

Artikel 118

Uitwisseling van informatie

1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat geen juridische belemmeringen de onder het toezicht op geconsolideerde basis vallende ondernemingen, de gemengde holdings en dochterondernemingen daarvan of de in artikel 114 bedoelde dochterondernemingen verhinderen om onderling de inlichtingen uit te wisselen die voor de uitoefening van het toezicht overeenkomstig hoofdstuk 3 en de artikelen 105 tot en met 114 en het onderhavige artikel dienstig zijn.

2. Indien de moederonderneming en één of meer instellingen die dochterondernemingen daarvan zijn, in verschillende lidstaten zijn gelegen, verstrekken de bevoegde autoriteiten van iedere lidstaat elkaar alle dienstige inlichtingen die voor het toezicht op geconsolideerde basis nodig zijn of die dat toezicht kunnen vergemakkelijken.

Indien de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de moederonderneming is gelegen, niet zelf op grond van artikel 106 het toezicht op geconsolideerde basis uitoefenen, mag hun door de met dit toezicht belaste bevoegde autoriteiten worden gevraagd om van de moederonderneming de inlichtingen te verlangen die voor het toezicht op geconsolideerde basis dienstig zijn, en om die inlichtingen aan deze autoriteiten door te geven.

3. De lidstaten staan toe dat hun bevoegde autoriteiten de in lid 2 bedoelde inlichtingen uitwisselen, met dien verstande dat, met betrekking tot financiële holdings, gemengde financiële holdings, financiële instellingen of ondernemingen die nevendiensten verrichten, het inwinnen of bezitten van inlichtingen geenszins betekent dat de bevoegde autoriteiten op de instellingen of ondernemingen afzonderlijk toezicht moeten houden.

De lidstaten staan eveneens toe dat hun bevoegde autoriteiten de in artikel 116 bedoelde inlichtingen uitwisselen, met dien verstande dat het inwinnen of bezitten van inlichtingen geenszins betekent dat de bevoegde autoriteiten op de gemengde holding en dochterondernemingen daarvan die geen kredietinstelling zijn, of op de in artikel 114, lid 3, bedoelde dochterondernemingen toezicht houden.

Artikel 119

Samenwerking

1. Indien een instelling, een financiële holding, een gemengde financiële holding of een gemengde holding zeggenschap heeft over één of meer dochterondernemingen die verzekeringsondernemingen zijn of andere ondernemingen die beleggingsdiensten verrichten waarvoor een vergunningstelsel geldt, werken de bevoegde autoriteiten nauw samen met de autoriteiten die van overheidswege belast zijn met het toezicht op de verzekeringsondernemingen of andere ondernemingen die beleggingsdiensten verrichten. Onverminderd hun respectieve bevoegdheden delen deze autoriteiten elkaar alle inlichtingen mee waardoor de vervulling van hun taak kan worden vergemakkelijkt en toezicht op de activiteit en de financiële positie van alle aan hun toezicht onderworpen ondernemingen kan worden uitgeoefend.

2. De op grond van het toezicht op geconsolideerde basis ontvangen inlichtingen, en met name de in deze richtlijn bedoelde uitwisseling van inlichtingen tussen bevoegde autoriteiten, vallen onder het beroepsgeheim als bepaald in hoofdstuk 1, afdeling 2, voor kredietinstellingen of in Richtlijn 2004/39/EG voor beleggingsondernemingen.

3. De met het toezicht op geconsolideerde basis belaste bevoegde autoriteiten stellen een lijst op van de in artikel 10 van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] bedoelde financiële holdings of gemengde financiële holdings. Deze lijsten worden aan de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten, aan de EBA en aan de Commissie toegezonden.

Artikel 120

Sancties

Overeenkomstig titel VII, hoofdstuk 1, afdeling IV, dragen de lidstaten er zorg voor dat aan financiële holdings, gemengde financiële holdings en gemengde holdings, of feitelijke bestuurders daarvan, die wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen overtreden welke ter uitvoering van hoofdstuk 3 zijn vastgesteld, sancties of maatregelen kunnen worden opgelegd om aan de vastgestelde schendingen een einde te maken of de oorzaken daarvan weg te nemen.

Artikel 121

Beoordeling van de gelijkwaardigheid van het

toezicht op geconsolideerde basis van derde landen

1. Indien de moederonderneming van een instelling een instelling, een financiële holding of een gemengde financiële holding met hoofdkantoor in een derde land is en er op de instelling geen toezicht op geconsolideerde basis wordt uitgeoefend overeenkomstig het bepaalde in artikel 106, verifiëren de bevoegde autoriteiten of de instelling onderworpen is aan door de bevoegde autoriteit van een derde land uitgeoefend toezicht op geconsolideerde basis dat gelijkwaardig is met dat geregeld bij de in de onderhavige richtlijn neergelegde beginselen en de vereisten van deel een, titel II, hoofdstuk 2, van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau].

De verificatie geschiedt door de bevoegde autoriteit die verantwoordelijk zou zijn voor het toezicht op geconsolideerde basis indien lid 3 van toepassing was, op verzoek van de moederonderneming of van een van de onder toezicht staande entiteiten die in de Unie een vergunning hebben verkregen, dan wel op haar eigen initiatief. Die bevoegde autoriteit raadpleegt de andere betrokken bevoegde autoriteiten.

2. De Commissie kan het Europees Comité voor het bankwezen verzoeken algemene richtsnoeren te verstrekken over de vraag of de regelingen inzake geconsolideerd toezicht van de bevoegde autoriteiten in derde landen waarschijnlijk de doeleinden van het toezicht op geconsolideerde basis zullen verwezenlijken zoals die in dit hoofdstuk zijn bepaald, voor de instellingen waarvan de moederonderneming haar hoofdkantoor in een derde land heeft. Het Comité werkt die richtsnoeren bij en houdt rekening met alle wijzigingen in de regelingen inzake geconsolideerd toezicht die door die bevoegde autoriteiten worden toegepast. De EBA staat de Commissie en het Europees Comité voor het bankwezen bij het uitvoeren van die taken bij, ook wat betreft de vraag of die richtsnoeren dienen te worden bijgewerkt.

De bevoegde autoriteit die de in lid 1, eerste alinea, bedoelde verificatie uitvoert, houdt rekening met die richtsnoeren. De bevoegde autoriteit raadpleegt daartoe de EBA voordat zij een besluit neemt.

3. Indien een dergelijk gelijkwaardig toezicht ontbreekt, passen de lidstaten naar analogie op de instelling het bepaalde in deze richtlijn en in Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] toe, of staan ze hun bevoegde autoriteiten toe andere passende toezichtmethoden toe te passen waarmee de doeleinden van het toezicht op geconsolideerde basis op instellingen worden gerealiseerd.

Met deze toezichtmethoden wordt ingestemd door de bevoegde autoriteit die verantwoordelijk zou zijn voor het geconsolideerde toezicht, zulks na overleg met de andere betrokken bevoegde autoriteiten.

De bevoegde autoriteiten kunnen meer bepaald verlangen dat een financiële holding of een gemengde financiële holding met hoofdkantoor in de Unie wordt opgericht, en op de geconsolideerde positie van deze financiële holding of van de instellingen van deze gemengde financiële holding de bepalingen inzake het toezicht op geconsolideerde basis toepassen.

De toezichtmethoden bieden de mogelijkheid de doeleinden van het toezicht op geconsolideerde basis als omschreven in dit hoofdstuk te verwezenlijken, en worden aan de overige betrokken bevoegde autoriteiten, de EBA en de Commissie medegedeeld.

Hoofdstuk 4

Kapitaalbuffers

Afdeling I

Kapitaalinstandhoudingsbuffers en anticyclische kapitaalbuffers

Artikel 122

Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

(1) "kapitaalinstandhoudingsbuffer": het eigen vermogen dat een instelling overeenkomstig artikel 123 moet aanhouden;

(2) "gecombineerd buffervereiste": het totale uit gewone aandelen bestaande tier 1-kapitaal dat nodig is om te voldoen aan de vereiste kapitaalinstandhoudingsbuffer, verhoogd met een instellingsspecifieke anticyclische kapitaalbuffer indien deze meer dan 0% van de risicogewogen activa bedraagt;

(3) "anticyclisch bufferpercentage": het percentage dat instellingen moeten toepassen om hun instellingsspecifieke anticyclische kapitaalbuffer te berekenen en dat naargelang van het geval overeenkomstig artikel 126, artikel 127 of door een desbetreffende autoriteit van een derde land wordt vastgesteld;

(4) "instelling waaraan in eigen land een vergunning is verleend": een instelling waaraan een vergunning is verleend in de lidstaat waarvoor een bepaalde aangewezen autoriteit verantwoordelijk is;

(5) "instellingsspecifieke anticyclische kapitaalbuffer": het eigen vermogen dat een instelling overeenkomstig artikel 124 moet aanhouden.

Artikel 123

Vereiste een kapitaalinstandhoudingsbuffer aan te houden

1. De lidstaten schrijven voor dat instellingen naast het uit gewone aandelen bestaande tier 1-kapitaal dat wordt aangehouden om te voldoen aan het door artikel 87 van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] bepaalde eigenvermogensvereiste, overeenkomstig deel een, titel II, van die verordening ook een kapitaalinstandhoudingsbuffer moeten aanhouden van uit gewone aandelen bestaand tier 1-kapitaal ten belope van 2,5% van het totaal van de risicoposten zoals op individuele en geconsolideerde basis berekend overeenkomstig artikel 87, lid 3, van die verordening.

2. Het uit gewone aandelen bestaand tier 1-kapitaal dat wordt aangehouden om te voldoen aan het vereiste van lid 1, mag door de instellingen niet worden gebruikt om te voldoen aan de in artikel 100 bepaalde vereisten.

3. Wanneer een instelling niet ten volle voldoet aan het vereiste van lid 1, is zij onderworpen aan de in artikel 131, leden 2 en 3, vastgestelde beperkingen op uitkeringen.

Artikel 124

Vereiste een instellingsspecifieke anticyclische kapitaalbuffer aan te houden

1. De lidstaten schrijven voor dat instellingen een overeenkomstig artikel 130 berekende instellingsspecifieke anticyclische kapitaalbuffer aanhouden.

2. Instellingen voldoen aan het in lid 1 bepaalde vereiste met uit gewone aandelen bestaand tier 1-kapitaal dat aanvullend is op uit gewone aandelen bestaand tier 1-kapitaal dat wordt aangehouden om te voldoen aan het door artikel 87 van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] bepaalde eigenvermogensvereiste, aan het vereiste van artikel 123 een kapitaalinstandhoudingsbuffer aan te houden en aan elk vereiste van artikel 100.

3. Wanneer een instelling niet ten volle voldoet aan het vereiste van lid 1, is zij onderworpen aan de in artikel 131, leden 2 en 3, bepaalde beperkingen op uitkeringen.

Afdeling II

Vaststellen en berekenen van anticyclische kapitaalbuffers

Artikel 125

Leidraden van het ESRB voor het vaststellen van anticyclische bufferpercentages

1. Overeenkomstig artikel 126, lid 1, kan het ESRB middels aanbevelingen overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1092/2010 aan door lidstaten aangewezen autoriteiten leidraden geven voor het vaststellen van anticyclische bufferpercentages, waaronder:

a) beginselen die aangewezen autoriteiten leidraden aanreiken voor het beoordelen van het passende anticyclische bufferpercentage, die ervoor zorgen dat autoriteiten op gedegen wijze inspelen op de desbetreffende macro-economische cycli en die een degelijke en consistente besluitvorming bevorderen;

b) leidraden inzake:

i) het meten en berekenen van afwijkingen ten opzichte van de langetermijntrends in de krediet/bbp-ratio;

ii) de door artikel 126, lid 2, voorgeschreven berekening van bufferrichtsnoeren;

c) leidraden inzake variabelen die erop wijzen of erop zouden kunnen wijzen dat zich in een financieel stelsel een systeemrisico ontwikkelt en inzake andere relevante factoren waarop aangewezen autoriteiten hun beslissingen inzake het passende anticyclische bufferpercentage moeten baseren, zoals geregeld door artikel 126;

d) leidraden inzake variabelen die aangeven dat de buffer moet worden verminderd of volledig moet worden aangesproken.

2. Wanneer het ESRB een aanbeveling overeenkomstig lid 1 heeft uitgebracht, blijft het deze evalueren en, indien nodig, bijwerken aan de hand van de opgedane ervaring met het overeenkomstig deze richtlijn vaststellen van buffers of van ontwikkelingen in internationaal overeengekomen praktijken.

Artikel 126

Het vaststellen van anticyclische bufferpercentages

1. Elke lidstaat wijst een autoriteit aan (hierna een "aangewezen autoriteit" genoemd) die verantwoordelijk is voor het vaststellen van het anticyclische bufferpercentage voor die lidstaat.

2. Elke aangewezen autoriteit berekent voor elk kwartaal een bufferrichtsnoer als ijkpunt voor haar oordeelsvorming bij het overeenkomstig lid 3 vaststellen van het anticyclische bufferpercentage. Het bufferrichtsnoer wordt gebaseerd op de afwijking van de krediet/bbp-ratio ten opzichte van de langetermijntrend, rekening houdende met:

a) de kredietgroei in dat rechtsgebied en, in het bijzonder, veranderingen in het verleende krediet als percentage van het bbp in die lidstaat;

b) leidraden die op dat ogenblik door het ESRB overeenkomstig artikel 125, lid 1, onder b), zijn gegeven.

3. Elk kwartaal wordt door elke aangewezen autoriteit het passende anticyclische bufferpercentage voor haar lidstaat beoordeeld en vastgesteld, waarbij rekening wordt gehouden met:

a) het bufferrichtsnoer dat overeenkomstig lid 2 is berekend;

b) leidraden die op dat ogenblik door het ESRB overeenkomstig artikel 125, lid 1, onder a), c) en d) zijn gegeven en aanbevelingen die door het ESRB overeenkomstig lid 9 zijn uitgebracht; en van

c) andere variabelen die de aangewezen autoriteit relevant acht.

4. De in lid 3, onder c), bedoelde variabelen zijn onder meer structurele variabelen en de blootstelling van de banksector aan bepaalde risicofactoren of aan andere factoren die verband houden met risico's voor de financiële stabiliteit.

Wanneer een aangewezen autoriteit bij het vaststellen van het anticyclische bufferpercentage onder c) vermelde variabelen betrekt en het vaststellen van dit bufferpercentage lager was geweest als de onder c) vermelde variabelen daar niet bij waren betrokken, stelt de aangewezen autoriteit de EBA en het ESRB daarvan in kennis. De EBA en het ESRB beoordelen of de variabelen waarop het bufferpercentage is gebaseerd, verband houden met risico's voor de financiële stabiliteit en of het vaststellen van een bufferpercentage waarbij die variabelen zijn betrokken, spoort met de basisbeginselen van de interne markt voor financiële diensten die voortvloeien uit de Uniewetgeving op het gebied van financiële diensten.

In afwijking van lid 3 wordt het gedeelte van het anticyclische bufferpercentage dat op de andere in lid 3, onder c), bedoelde variabelen is gebaseerd, slechts jaarlijks door de aangewezen autoriteit herzien. Dit gedeelte mag door in een andere lidstaat gevestigde instellingen niet worden betrokken bij de berekening van hun instellingsspecifieke anticyclische kapitaalbuffer.

5. Het anticyclische bufferpercentage, uitgedrukt ten opzichte van het totaal van de risicoposten zoals bedoeld in artikel 87, lid 3, van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau], van instellingen die kredietrisico's in die lidstaat hebben, moet tussen 0% en 2,5% liggen, gekalibreerd in stappen van 0,25 procentpunt of veelvouden van 0,25 procentpunt. Wanneer dit in het licht van de in lid 3 uiteengezette overwegingen gerechtvaardigd is, kan een aangewezen autoriteit voor het in artikel 130, lid 3, genoemde doeleinde een anticyclisch bufferpercentage vaststellen van meer dan 2,5% van het totaal van de risicoposten zoals bedoeld in artikel 87, lid 3, van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau].

6. Wanneer een aangewezen autoriteit voor het eerst een anticyclisch bufferpercentage van meer dan nul vaststelt of wanneer een aangewezen autoriteit daarna het geldende anticyclische bufferpercentage verhoogt, bepaalt deze ook vanaf welke datum de instellingen bij de berekening van hun instellingsspecifieke anticyclische kapitaalbuffer die verhoogde buffer moeten toepassen. Die datum mag niet later vallen dan 12 maanden na de datum waarop de vaststelling van de verhoogde buffer overeenkomstig lid 8 is bekendgemaakt. Als de datum eerder valt dan 12 maanden nadat de vaststelling van de verhoogde buffer is bekendgemaakt, wordt deze kortere uiterste termijn voor de toepassing gerechtvaardigd door uitzonderlijke omstandigheden.

7. Als een aangewezen autoriteit het bestaande anticyclische bufferpercentage verlaagt, al dan niet naar nul, bepaalt deze ook een richtperiode gedurende dewelke geen verhoging van de buffer wordt verwacht. Deze richtperiode mag echter niet bindend zijn voor de aangewezen autoriteit.

8. Elke aangewezen autoriteit maakt de driemaandelijkse vaststelling van het anticyclische bufferpercentage bekend door deze op haar website te publiceren. De bekendmaking bevat ten minste de volgende gegevens:

a) het toepasselijke anticyclische bufferpercentage;

b) de desbetreffende krediet/bbp-ratio en de afwijking ervan ten opzichte van de langetermijntrend;

c) het bufferrichtsnoer dat overeenkomstig lid 2 is berekend;

d) een rechtvaardiging voor dit bufferpercentage, onder meer door vermelding van eventuele andere variabelen dan die waarop het bufferrichtsnoer is gebaseerd, die de aangewezen autoriteit overeenkomstig lid 3, onder c), bij het vaststellen van het anticyclische bufferpercentage heeft betrokken;

e) als het bufferpercentage verhoogd wordt, de datum vanaf wanneer de instellingen dit verhoogde bufferpercentage bij de berekening van hun instellingsspecifieke anticyclische kapitaalbuffer moeten toepassen;

f) als de onder e) vermelde datum eerder valt dan 12 maanden na de datum van de overeenkomstig dit lid gedane bekendmaking, een vermelding van de uitzonderlijke omstandigheden die die kortere uiterste termijn voor de toepassing rechtvaardigen;

g) als het bufferpercentage verhoogd wordt, de richtperiode gedurende dewelke geen verhoging van het bufferpercentage wordt verwacht, samen met een rechtvaardiging voor die periode;

h) als de aangewezen autoriteit rekening heeft gehouden met in lid 3, onder c), vermelde variabelen, een vermelding van het gedeelte van het bufferpercentage dat op die variabelen betrekking heeft.

Aangewezen autoriteiten nemen alle redelijke stappen om de timing van die bekendmaking te coördineren.

Aangewezen autoriteiten stellen het ESRB in kennis van elke driemaandelijkse vaststelling van het anticyclische bufferpercentage en van de onder a) tot en met g) genoemde gegevens. Al deze bufferpercentages waarvan kennis is gegeven, en de daarmee verband houdende gegevens worden door het ESRB op haar website gepubliceerd.

9. Het ESRB mag overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1092/2010 aanbevelingen doen betreffende de driemaandelijkse vaststelling van het anticyclische bufferpercentage in een bepaalde lidstaat of, in voorkomend geval, in meer dan een lidstaat.

Artikel 127

Erkenning van anticyclische bufferpercentages van meer dan 2,5%

1. Wanneer een aangewezen autoriteit overeenkomstig artikel 126, lid 5, of een desbetreffende autoriteit van een derde land een anticyclisch bufferpercentage heeft vastgesteld van meer dan 2,5% van het totaal van de risicoposten zoals bedoeld in artikel 87, lid 3, van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau], kunnen de andere aangewezen autoriteiten dit bufferpercentage erkennen voor de berekening van instellingsspecifieke anticyclische kapitaalbuffers door instellingen waaraan in eigen land een vergunning is verleend.

2. Wanneer een aangewezen autoriteit overeenkomstig lid 1 een bufferpercentage erkent van meer dan 2,5% van het totaal van de risicoposten zoals bedoeld in artikel 87, lid 3, van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau], maakt zij deze erkenning bekend door deze op haar website te publiceren. De bekendmaking bevat ten minste de volgende gegevens:

a) het toepasselijke anticyclische bufferpercentage;

b) de lidstaat waarop dit van toepassing is;

c) wanneer het bufferpercentage verhoogd wordt, de datum vanaf wanneer de instellingen waaraan in de lidstaat van de aangewezen autoriteit vergunning is verleend, dat verhoogde bufferpercentage bij de berekening van hun instellingsspecifieke anticyclische kapitaalbuffer moeten toepassen;

d) als de onder c) vermelde datum eerder valt dan 12 maanden na de datum van de overeenkomstig dit lid gedane bekendmaking, een vermelding van de uitzonderlijke omstandigheden die die kortere uiterste termijn voor de toepassing rechtvaardigen.

Artikel 128

Aanbeveling van het ESRB betreffende anticyclische bufferpercentages voor derde landen

Het ESRB mag overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1092/2010 een aanbeveling tot aangewezen autoriteiten richten over het passende anticyclische bufferpercentage voor risico's ten aanzien van een derde land wanneer:

a) voor een derde land ten aanzien waarvan een of meer instellingen van de Unie kredietrisico's hebben, door de desbetreffende autoriteit van het derde land (hierna "desbetreffende autoriteit van een/het derde land" genoemd) geen anticyclisch bufferpercentage is vastgesteld en gepubliceerd;

b) het ESRB van oordeel is dat een anticyclisch bufferpercentage dat door de desbetreffende autoriteit van het derde land voor een derde land is vastgesteld en gepubliceerd, niet volstaat om de instellingen van de Unie naar behoren tegen de risico's van buitensporige kredietgroei in dat land te beschermen, of een aangewezen autoriteit het ESRB ervan in kennis stelt dat het van oordeel is dat het bufferpercentage daarvoor ontoereikend is.

Artikel 129

Besluit van aangewezen autoriteiten inzake anticyclische bufferpercentages voor derde landen

1. Dit artikel is van toepassing ongeacht of het ESRB zoals vermeld in artikel 128 een aanbeveling tot aangewezen autoriteiten heeft gericht.

2. In de in artikel 128, onder a), vermelde omstandigheden kunnen aangewezen autoriteiten het anticyclische bufferpercentage vaststellen dat instellingen waaraan in eigen land een vergunning is verleend, moeten toepassen bij de berekening van hun instellingsspecifieke anticyclische kapitaalbuffer.

3. Wanneer door de desbetreffende autoriteit van een derde land een anticyclisch bufferpercentage voor het derde land is vastgesteld en gepubliceerd, kan een aangewezen autoriteit een verschillend bufferpercentage voor dat derde land vaststellen voor de berekening van de instellingsspecifieke anticyclische kapitaalbuffer door instellingen waaraan in eigen land een vergunning is verleend, als deze redelijkerwijze van oordeel is dat het door de desbetreffende autoriteit van de derde lidstaat vastgestelde bufferpercentage niet volstaat om die instellingen naar behoren tegen de risico's van buitensporige kredietgroei in dat land te beschermen.

Wanneer een aangewezen autoriteit haar krachtens de eerste alinea verleende bevoegdheid uitoefent, mag zij geen lager anticyclisch bufferpercentage vaststellen dan door de desbetreffende autoriteit van het derde land is vastgesteld, tenzij dit bufferpercentage meer bedraagt dan 2,5%, uitgedrukt ten opzichte van het in artikel 87, lid 3, van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] bedoelde totaal van de risicoposten van instellingen die kredietrisico's in dat derde land hebben.

4. Wanneer een desbetreffende autoriteit van een derde land overeenkomstig lid 2 of lid 3 een hoger anticyclisch bufferpercentage voor dat derde land vaststelt dan het bestaande anticyclische bufferpercentage, bepaalt deze vanaf welke datum de instellingen waaraan in eigen land een vergunning is verleend, dit bufferpercentage bij de berekening van hun instellingsspecifieke anticyclische kapitaalbuffer moeten toepassen. Die datum valt niet later dan 12 maanden na de datum waarop de verhoogde buffer overeenkomstig lid 5 is bekendgemaakt. Als de datum eerder valt dan 12 maanden nadat de vaststelling van de buffer is bekendgemaakt, moet deze kortere uiterste termijn worden gerechtvaardigd door uitzonderlijke omstandigheden.

5. Aangewezen autoriteiten publiceren elk overeenkomstig lid 2 of lid 3 vastgesteld anticyclisch bufferpercentage voor een derde land op hun website en vermelden daarbij de volgende gegevens:

a) het anticyclische bufferpercentage en het derde land waarop dit van toepassing is;

b) een rechtvaardiging voor dit bufferpercentage;

c) wanneer voor het eerst een bufferpercentage van meer dan nul wordt vastgesteld of wanneer dit wordt verhoogd, de datum vanaf wanneer de instellingen dat verhoogde bufferpercentage bij de berekening van hun instellingsspecifieke anticyclische kapitaalbuffer moeten toepassen;

d) wanneer de onder c) vermelde datum eerder valt dan 12 maanden na de datum waarop de vaststelling van de buffer overeenkomstig dit lid is gepubliceerd, een vermelding van de uitzonderlijke omstandigheden die die kortere uiterste termijn voor de toepassing rechtvaardigen.

Artikel 130

Berekening van de instellingsspecifieke anticyclische kapitaalbuffer

1. De instellingsspecifieke anticyclische kapitaalbuffer bestaat in het gewogen gemiddelde van de anticyclische bufferpercentages die van toepassing zijn in de rechtsgebieden waar de desbetreffende kredietrisico's van de instelling gesitueerd zijn, of die krachtens artikel 129, lid 2 of lid 3, in het kader van dit artikel worden toegepast.

De lidstaten schrijven voor dat instellingen bij de berekening van het in de eerste alinea bedoelde gewogen gemiddelde, voor elk toepasselijk anticyclisch bufferpercentage hun totale eigenvermogensvereisten voor kredietrisico, bepaald overeenkomstig deel drie, titel II, van Verordening [in te voeren door het Publicatiebureau], in verband met hun desbetreffende posten op het betrokken grondgebied berekenen en dit delen door hun totale eigenvermogensvereisten voor kredietrisico in verband met al hun desbetreffende posten.

2. Wanneer een aangewezen autoriteit overeenkomstig artikel 126, lid 5, een anticyclisch bufferpercentage heeft vastgesteld van meer dan 2,5% van het in artikel 87, lid 3, van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] bedoelde totaal van de risicoposten, zorgen de lidstaten ervoor dat de volgende bufferpercentages van toepassing zijn op de desbetreffende kredietrisico's die gesitueerd zijn in de lidstaat van die aangewezen autoriteit (hierna '"lidstaat A" genoemd), voor de in lid 1 voorgeschreven berekening, waaronder ook, in voorkomend geval, voor de berekening van het gedeelte van het geconsolideerde kapitaal dat op de betrokken instelling betrekking heeft:

a) instellingen waaraan in eigen land een vergunning is verleend, passen dit bufferpercentage van meer dan 2,5% van het totaal van de risicoposten toe;

b) instellingen waaraan in een andere lidstaat een vergunning is verleend, passen een anticyclisch bufferpercentage van 2,5% van het totaal van de risicoposten toe als de aangewezen autoriteit in de lidstaat waar zij een vergunning hebben gekregen, niet is ingegaan op de door artikel 127, lid 1, geboden mogelijkheid om het bufferpercentage van meer dan 2,5% te erkennen.

c) instellingen waaraan in een andere lidstaat een vergunning is verleend, passen het door de aangewezen autoriteit van lidstaat A vastgestelde anticyclische bufferpercentage toe als de aangewezen autoriteit in de lidstaat waar zij een vergunning hebben gekregen, dat bufferpercentage overeenkomstig artikel 127 erkend heeft.

3. Indien het door de desbetreffende autoriteit van het derde land vastgestelde anticyclische bufferpercentage voor het derde land meer bedraagt dan 2,5% van het in artikel 87, lid 3, van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] bedoelde totaal van de risicoposten, zorgen de lidstaten ervoor dat de volgende bufferpercentages van toepassing zijn op de desbetreffende, in dat derde land gesitueerde kredietrisico's voor de in lid 1 voorgeschreven berekening, waaronder ook, in voorkomend geval, voor de berekening van het gedeelte van het geconsolideerde kapitaal dat op de betrokken instelling betrekking heeft:

a) instellingen passen een anticyclisch bufferpercentage van 2,5% van het totaal van de risicoposten toe als de aangewezen autoriteit in de lidstaat waar zij een vergunning hebben gekregen, niet is ingegaan op de door artikel 127, lid 1, geboden mogelijkheid om het bufferpercentage van meer dan 2,5% te erkennen;

b) instellingen passen het door de desbetreffende autoriteit van het derde land vastgestelde anticyclische bufferpercentage toe als de aangewezen autoriteit in de lidstaat waar zij een vergunning hebben gekregen, dat bufferpercentage overeenkomstig artikel 127 erkend heeft.

4. De desbetreffende kredietrisico's bestaan uit alle risicocategorieën behalve die welke vermeld zijn in artikel 107, onder a), b), d), e), en f), van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau], en onderworpen zijn aan:

a) de eigenvermogensvereisten voor kredietrisico krachtens deel drie, titel II, van die verordening,

b) indien het risico in de handelsportefeuille is opgenomen, eigenvermogensvereisten voor specifiek risico krachtens deel drie, titel IV, hoofdstuk 2, van die verordening of voor additioneel wanbetalings- en migratierisico krachtens deel drie, titel IV, hoofdstuk 5, van die verordening;

c) indien het risico in een effectisering bestaat, de eigenvermogensvereisten krachtens deel drie, titel II, hoofdstuk 5 ter, van die verordening;

5. Instellingen bepalen de geografische ligging van een desbetreffend kredietrisico overeenkomstig technische reguleringsnormen die overeenkomstig lid 6 zijn vastgesteld.

6. Voor de in lid 1 voorgeschreven berekening:

a) is een besluit inzake het anticyclische bufferpercentage voor een lidstaat van toepassing vanaf de datum die vermeld is in de overeenkomstig artikel 126, lid 8, onder e), of artikel 127, lid 2, onder c), gepubliceerde informatie als dat besluit resulteert in een verhoging van het bufferpercentage;

b) is, onder voorbehoud van c), een besluit inzake het anticyclische bufferpercentage voor een derde land van toepassing 12 maanden na de datum waarop een wijziging van het bufferpercentage is bekendgemaakt door de desbetreffende autoriteit van het derde land, ongeacht of deze autoriteit voorschrijft dat instellingen wier statutaire zetel in dat derde land gelegen is, de wijziging op kortere termijn moeten toepassen, als dat besluit resulteert in een verhoging van het bufferpercentage;

c) indien de aangewezen autoriteit van de lidstaat van herkomst van de instelling het anticyclische bufferpercentage voor een derde land vaststelt overeenkomstig artikel 129, lid 2 of lid 3, of het anticyclische bufferpercentage overeenkomstig artikel 127 erkent, is dat besluit inzake het bufferpercentage van toepassing vanaf de datum die vermeld is in de overeenkomstig artikel 129, lid 5, onder c), of artikel 127, lid 2, onder c), gepubliceerde informatie, als dat besluit resulteert in een verhoging van het bufferpercentage;

d) is een besluit inzake een anticyclisch bufferpercentage onmiddellijk van toepassing als dat besluit resulteert in een verhoging van het bufferpercentage.

Voor de toepassing van punt b) wordt een wijziging van het anticyclische bufferpercentage voor een derde land geacht te zijn gepubliceerd op de datum waarop deze door de desbetreffende autoriteit van het derde land overeenkomstig de toepasselijke nationale voorschriften is gepubliceerd.

7. De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen om de methode vast te leggen waarmee de geografische ligging van de in lid 5 bedoelde desbetreffende kredietrisico's wordt bepaald.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

De EBA dient de ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 31 december 2014 bij de Commissie in.

Afdeling III

Kapitaalinstandhoudingsmaatregelen

Artikel 131

Beperkingen op uitkeringen

1. De lidstaten verbieden instellingen die aan het gecombineerde buffervereiste voldoen, dusdanige uitkeringen in verband met uit gewone aandelen bestaand tier 1-kapitaal te verrichten dat hun uit gewone aandelen bestaande tier 1-kapitaal tot een peil zou worden teruggebracht dat niet langer aan het gecombineerde buffervereiste zou voldoen.

2. De lidstaten schrijven voor dat instellingen die niet aan het gecombineerde buffervereiste voldoen, het maximaal uitkeerbare bedrag ("MDA") overeenkomstig lid 4 berekenen.

Indien de eerste alinea van toepassing is, verbieden de lidstaten dergelijke instellingen de volgende handelingen te stellen voordat zij het MDA berekend hebben:

a) uitkeringen verrichten in verband met uit gewone aandelen bestaand tier 1-kapitaal;

b) een verplichting aangaan tot het betalen van variabele beloning of uitkeringen uit hoofde van discretionaire pensioenen of tot het betalen van variabele beloning als de verplichting tot betalen werd aangegaan op het ogenblik dat de instelling niet aan de gecombineerde buffervereisten voldeed;

c) betalingen te verrichten op instrumenten van het aanvullend tier 1-kapitaal.

3. Zolang een instelling niet ten minste aan het gecombineerde buffervereiste voldoet, verbieden de lidstaten deze meer uit te keren dan het overeenkomstig lid 4 berekende MDA door het stellen van een van de in lid 2, onder a) tot en met c), vermelde handelingen.

4. De lidstaten schrijven voor dat instellingen het MDA berekenen door de overeenkomstig a) berekende som te vermenigvuldigen met de overeenkomstig b) bepaalde factor. Het MDA wordt verminderd door elk van de in lid 2, onder a), b) of c), vermelde handelingen.

a) De te vermenigvuldigen som bestaat uit:

i) tussentijdse winst die overeenkomstig artikel 24, lid 2, van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] niet in het uit gewone aandelen bestaande tier 1-kapitaal is opgenomen en die gemaakt is sinds het meest recente besluit over de uitkering van winst of een van de in lid 2, onder a), b) of c), vermelde handelingen;

plus

ii) eindejaarswinst die overeenkomstig artikel 24, lid 4, van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] niet in het uit gewone aandelen bestaande tier 1-kapitaal is opgenomen en die gemaakt is sinds het meest recente besluit over de uitkering van winst of een van de in lid 2, onder a), b) of c), vermelde handelingen;

min

iii) de bedragen die als belasting verschuldigd zouden zijn als de in i) en ii) genoemde elementen werden aangehouden.

b) De factor wordt op de volgende wijze vastgesteld:

i) indien het door de instelling aangehouden, uit gewone aandelen bestaande tier 1-kapitaal dat niet wordt gebruikt om te voldoen aan het door artikel 87, lid 1, onder c), van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] bepaalde eigenvermogensvereiste, uitgedrukt als percentage van het totaal van de risicoposten in de zin van artikel 87, lid 3, van die verordening, binnen het eerste (dit wil zeggen het laagste) kwartiel van het gecombineerde buffervereiste ligt, is de factor 0;

ii) indien het door de instelling aangehouden, uit gewone aandelen bestaande tier 1-kapitaal dat niet wordt gebruikt om te voldoen aan het door artikel 87, lid 1, onder c), van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] bepaalde eigenvermogensvereiste, uitgedrukt als percentage van het totaal van de risicoposten in de zin van artikel 87, lid 3, van die verordening, binnen het tweede kwartiel van het gecombineerde buffervereiste ligt, is de factor 0,2;

iii) indien het door de instelling aangehouden, uit gewone aandelen bestaande tier 1-kapitaal dat niet wordt gebruikt om te voldoen aan het door artikel 87, lid 1, onder c), van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] bepaalde eigenvermogensvereiste, uitgedrukt als percentage van het totaal van de risicoposten in de zin van artikel 87, lid 3, van die verordening, binnen het derde kwartiel van het gecombineerde buffervereiste ligt, is de factor 0,4;

iv) indien het door de instelling aangehouden, uit gewone aandelen bestaande tier 1-kapitaal dat niet wordt gebruikt om te voldoen aan het door artikel 87, lid 1, onder c), van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] bepaalde eigenvermogensvereiste, uitgedrukt als percentage van het totaal van de risicoposten in de zin van artikel 87, lid 3, van die verordening, binnen het vierde (dit wil zeggen het hoogste) kwartiel van het gecombineerde buffervereiste ligt, is de factor 0,6;

De onder- en bovengrens van elk kwartiel van het gecombineerde buffervereiste wordt als volgt berekend:

(...PICT...)

Ondergrens van het kwartiel

(...PICT...)

Bovengrens van het kwartiel

"ISCBB" staat voor "instellingsspecifieke anticyclische kapitaalbuffer" en "Qn" is het volgnummer van het desbetreffende kwartiel.

5. De door dit artikel vastgestelde beperkingen zijn uitsluitend van toepassing op betalingen die resulteren in een vermindering van het uit gewone aandelen bestaande tier 1-kapitaal of in een vermindering van de winst en wanneer een opschorting van betaling of een niet-betaling geen wanbetaling vormt en evenmin een voorwaarde is voor het inleiden van een procedure overeenkomstig de op de instelling toepasselijke insolventieregeling.

6. Wanneer een instelling niet aan het gecombineerde buffervereiste voldoet en voornemens is een deel van haar uitkeerbare winst uit te keren of een in lid 2, onder a) tot en met c), vermelde handeling te stellen, stelt zij de bevoegde autoriteit daarvan in kennis en verstrekt zij de volgende informatie:

a) het door de instelling aangehouden kapitaal, als volgt uitgesplitst:

i) uit gewone aandelen bestaand tier 1-kapitaal,

ii) aanvullend tier 1-kapitaal,

iii) tier 2-kapitaal;

b) de tussentijdse en eindejaarswinst;

c) het overeenkomstig lid 4 berekende MDA;

d) de uitkeerbare winst die zij voornemens is als volgt te verdelen:

i) als uitkeringen van dividenden,

ii) als wederinkopen van aandelen,

iii) als betalingen op instrumenten van het aanvullend tier 1-kapitaal,

iv) als de betaling van variabele beloning of uitkeringen uit hoofde van discretionaire pensioenen, hetzij door het aangaan van een nieuwe verplichting tot betalen, hetzij vanwege een verplichting tot betalen die werd aangegaan op het ogenblik dat de instelling niet aan de gecombineerde buffervereisten voldeed.

7. Instellingen passen regelingen toe die ervoor zorgen dat het bedrag van de uitkeerbare winst en het MDA nauwkeurig worden berekend en zijn in staat op verzoek de nauwkeurigheid van deze berekening aan de bevoegde autoriteit aan te tonen.

8. Voor de toepassing van de leden 1 en 2 wordt onder een uitkering in verband met uit gewone aandelen bestaand tier 1-kapitaal onder meer het volgende verstaan:

a) een betaling van dividenden in contanten;

b) een uitkering van volgestorte en niet-volgestorte bonusaandelen of van andere kapitaalinstrumenten zoals vermeld in artikel 24, lid 1, onder a), van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau];

c) een aflossing of aankoop door een instelling van haar eigen aandelen of van andere kapitaalinstrumenten zoals vermeld in artikel 24, lid 1, onder a), van die verordening;

d) een terugbetaling van bedragen die zijn gestort in verband met kapitaalinstrumenten zoals vermeld in artikel 24, lid 1, onder a), van die verordening;

e) een uitkering van in artikel 24, lid 1, onder b) tot en met e), van die verordening vermelde elementen.

Artikel 132

Kapitaalinstandhoudingsplan

1. Wanneer een instelling niet aan het gecombineerde buffervereiste voldoet, stelt zij een kapitaalinstandhoudingsplan op en dient zij dit bij de bevoegde autoriteit in uiterlijk vijf werkdagen nadat zij heeft geconstateerd dat zij niet aan dat vereiste voldoet.

2. Het kapitaalinstandhoudingsplan bevat de volgende gegevens:

a) schattingen van inkomsten en uitgaven en een opgave van de te verwachten balanspositie;

b) maatregelen ter verhoging van de kapitaalratio's van de instelling;

c) een plan en tijdschema voor de verhoging van het eigen vermogen met het oog op de volledige naleving van het gecombineerde buffervereiste;

d) enige andere informatie die de bevoegde autoriteit noodzakelijk acht om de in lid 3 voorgeschreven beoordeling te maken.

3. De bevoegde autoriteit beoordeelt het kapitaalinstandhoudingsplan en keurt het plan uitsluitend goed indien zij de kans vrij groot acht dat de tenuitvoerlegging van het plan voor een voldoende instandhouding of verhoging van het kapitaal zou zorgen opdat de instelling binnen een termijn die de bevoegde autoriteit passend oordeelt, aan haar gecombineerde buffervereisten kan voldoen.

4. Als de bevoegde autoriteit het kapitaalinstandhoudingsplan niet overeenkomstig lid 3 goedkeurt, neemt zij een van of beide volgende maatregelen:

a) de instelling verplichten haar eigen vermogen binnen gestelde termijnen tot een bepaald niveau te verhogen;

b) gebruikmaken van haar bevoegdheden uit hoofde van artikel 99 om striktere beperkingen vast te stellen dan die van artikel 131.

Titel VIII

Openbaarmaking van informatie door de bevoegde autoriteiten

Artikel 133

Algemene vereisten

1. De bevoegde autoriteiten maken de volgende informatie openbaar:

a) de bewoordingen van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en algemene richtsnoeren die in hun lidstaat op prudentieel gebied zijn vastgesteld;

b) de wijze waarop gebruik wordt gemaakt van de keuzemogelijkheden en manoeuvreerruimte die de Uniewetgeving biedt;

c) de algemene criteria en methodieken die zij hanteren bij de toetsing en evaluatie als bedoeld in artikel 92;

d) onverminderd het bepaalde in titel VII, hoofdstuk 1, afdeling II, van deze richtlijn en de artikelen 54 en 58 van Richtlijn 2004/39/EG, geaggregeerde statistische gegevens over de voornaamste aspecten van de tenuitvoerlegging van het prudentiële kader in elke lidstaat, inclusief het aantal en de aard van de toezichtmaatregelen die overeenkomstig artikel 99 zijn genomen.

2. Er wordt genoeg informatie als bedoeld in lid 1 openbaar gemaakt om een zinvolle vergelijking te kunnen maken tussen de handelwijzen van de bevoegde autoriteiten in de verschillende lidstaten. De verstrekte informatie wordt volgens een gemeenschappelijk format openbaar gemaakt en regelmatig bijgewerkt. De openbaar gemaakte informatie wordt op één elektronische locatie toegankelijk gemaakt.

3. De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische uitvoeringsnormen om het format, de structuur, de inhoudsopgave en de jaarlijkse publicatiedatum van de in lid 1 bedoelde openbaarmaking te bepalen.

De EBA legt die ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uiterlijk op 1 januari 2014 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 134

Specifieke openbaarmakingsvereisten

1. Voor de toepassing van deel zes van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] maken de bevoegde autoriteiten de volgende informatie openbaar:

a) de algemene criteria en methodieken die zijn vastgesteld om na te gaan of aan artikel 394 van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] wordt voldaan;

b) onverminderd het bepaalde in titel VII, hoofdstuk 1, afdeling II, een korte beschrijving van het resultaat van de toetsing door de toezichthouder en een beschrijving van de maatregelen die zijn opgelegd ingeval niet aan artikel 394 van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] op jaarbasis is voldaan.

2. De bevoegde autoriteit van de lidstaten die de keuzemogelijkheid van artikel 6, lid 3, van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] uitoefent, maakt het volgende openbaar:

a) de gehanteerde criteria om vast te stellen of er geen materiële praktische of juridische belemmeringen aanwezig of te voorzien zijn die een onmiddellijke overdracht van eigen vermogen of terugbetaling van passiva kunnen verhinderen;

b) hoeveel moederinstellingen genieten van de uitoefening van de keuzemogelijkheid van artikel 6, lid 3, van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] en hoeveel daarvan dochterondernemingen in een derde land hebben;

c) op geaggregeerde basis voor de lidstaat:

i) het totale bedrag aan in dochterondernemingen in een derde land aangehouden eigen vermogen op geconsolideerde basis van de moederinstelling in een lidstaat dat geniet van de uitoefening van de keuzemogelijkheid van artikel 6, lid 3, van genoemde verordening;

ii) het percentage van het totale eigen vermogen op geconsolideerde basis van moederinstellingen in een lidstaat dat geniet van de uitoefening van de keuzemogelijkheid van artikel 6, lid 3, van genoemde verordening, vertegenwoordigd door eigen vermogen dat in dochterondernemingen in een derde land wordt aangehouden;

iii) het percentage van het totale eigen vermogen zoals vereist op grond van artikel 87 van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] op geconsolideerde basis van moederinstellingen in een lidstaat dat geniet van de uitoefening van de keuzemogelijkheid van artikel 6, lid 3, van genoemde verordening, vertegenwoordigd door eigen vermogen dat in dochterondernemingen in een derde land wordt aangehouden.

3. De bevoegde autoriteit van de lidstaten die de keuzemogelijkheid van artikel 8, lid 1, van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] uitoefent, maakt al hetgeen volgt openbaar:

a) de gehanteerde criteria om vast te stellen dat er geen materiële praktische of juridische belemmeringen aanwezig of te voorzien zijn die een onmiddellijke overdracht van eigen vermogen of terugbetaling van passiva kunnen verhinderen;

b) hoeveel moederinstellingen genieten van de uitoefening van de keuzemogelijkheid van artikel 8, lid 1, van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] en hoeveel daarvan dochterondernemingen in een derde land hebben;

c) op geaggregeerde basis voor de lidstaat:

i) het totale bedrag aan in dochterondernemingen in een derde land aangehouden eigen vermogen van moederinstellingen dat geniet van de uitoefening van de keuzemogelijkheid van artikel 8, lid 1, van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau];

ii) het percentage van het totale bedrag aan eigen vermogen van moederinstellingen dat geniet van de uitoefening van de keuzemogelijkheid van artikel 8, lid 1, van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau], vertegenwoordigd door eigen vermogen dat in dochterondernemingen in een derde land wordt aangehouden;

iii) het percentage van het totale minimale eigen vermogen zoals vereist op grond van artikel 87 van Verordening [in te voeren door het Publicatiebureau] van moederinstellingen dat geniet van de uitoefening van de keuzemogelijkheid van artikel 8, lid 1, van genoemde verordening, vertegenwoordigd door eigen vermogen dat in dochterondernemingen in een derde land wordt aangehouden.

Titel IX

Gedelegeerde en uitvoeringshandelingen

Artikel 135

Gedelegeerde handelingen

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 138 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de volgende aspecten:

a) verduidelijking van de definities van artikel 4 en artikel 122 teneinde een eenvormige toepassing van deze richtlijn te waarborgen;

b) verduidelijking van de definities van artikel 4 en artikel 122 om bij de toepassing van deze richtlijn met de ontwikkelingen op de financiële markten rekening te houden;

c) aanpassing van de terminologie en van de verwoording van de in artikel 4 bedoelde definities aan latere handelingen inzake kredietinstellingen en aanverwante onderwerpen;

d) uitbreiding van de in de artikelen 33 en 34 bedoelde lijst in bijlage I bij deze richtlijn of aanpassing van de terminologie van de lijst om met de ontwikkelingen op de financiële markten rekening te houden;

e) de in artikel 51 genoemde gebieden waarop de bevoegde autoriteiten gegevens moeten uitwisselen;

f) aanpassing van het bepaalde in de artikelen 75 tot en met 86 en 94 om rekening te houden met de ontwikkelingen op de financiële markten (met name nieuwe financiële producten) en op het gebied van standaarden voor of eisen aan jaarrekeningen die rekening houden met de Uniewetgeving, of met het oog op de convergentie van toezichtpraktijken;

g) aanpassing van de criteria van artikel 23, lid 1, om met toekomstige aanpassingen rekening te houden en een eenvormige toepassing van deze richtlijn te waarborgen.

Artikel 136

Uitvoeringshandelingen

De volgende maatregelen worden volgens de in artikel 137, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld in de vorm van uitvoeringshandelingen:

a) technische aanpassingen aan de lijst van artikel 2;

b) wijziging van het bedrag van het in artikel 12 en titel IV voorgeschreven aanvangskapitaal om rekening te houden met de economische en monetaire ontwikkelingen.

Artikel 137

Europees comité voor het bankwezen

1. Bij de vaststelling van uitvoeringshandelingen wordt de Commissie bijgestaan door het bij Besluit 2004/10/EG van de Commissie ingestelde Europees Comité voor het bankwezen. Dat comité is een comité in de zin van artikel 3, lid 2, van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 138

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1. De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2. De in artikel 135 bedoelde bevoegdheidsdelegatie wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van de in artikel 153 genoemde datum.

3. Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 135 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4. Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

5. Een overeenkomstig artikel 135 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement of de Raad binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad daartegen geen bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van de termijn van twee maanden de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement en de Raad met twee maanden verlengd.

Titel X

Wijzigingen van Richtlijn 2002/87/EG

Artikel 139

Wijziging van Richtlijn 2002/87/EG

1. In artikel 21 bis, lid 2, wordt punt a) geschrapt.

2. Na artikel 21 bis, lid 2 bis, wordt het volgende lid toegevoegd:

"(3) Onverminderd artikel 6, lid 4, ontwikkelen de EBA, de EAVB en de EAEM via het gemengd comité ontwerpen van technische reguleringsnormen met betrekking tot artikel 6, lid 2, om een consistente harmonisatie van de in bijlage I, deel II, juncto artikel 45, lid 2, van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] en artikel 228, lid 1, van Richtlijn 2009/138/EG beschreven berekeningsmethoden te garanderen.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 1 januari 2013 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen de in de derde alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010."

Titel XI

Overgangs- en slotbepalingen

Hoofdstuk 1

Overgangsbepalingen met betrekking tot het toezicht op kredietinstellingen die de vrijheid van vestiging en het recht tot het vrij verrichten van diensten uitoefenen

Artikel 140

Toepassingsgebied

1. In plaats van de artikelen 40, 41, 43, 51 en 52 zijn de bepalingen van dit hoofdstuk van toepassing tot 1 januari 2015 en, ingeval de Commissie overeenkomstig lid 2 een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, gedurende een extra periode van maximaal 2 jaar.

2. Om te garanderen dat de geleidelijke invoering van regelingen voor liquiditeitstoezicht volledig samenvalt met de ontwikkeling van eenvormige liquiditeitsregels, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 135 gedelegeerde handelingen vast te stellen waarbij de in lid 1 vermelde datum met maximaal 2 jaar wordt uitgesteld ingeval in de Unie nog geen eenvormige liquiditeitsregels zijn ingevoerd omdat er op de in de eerste alinea vermelde datum nog geen overeenstemming over internationale normen voor liquiditeitstoezicht is bereikt.

Artikel 141

Rapportagevereisten

De lidstaat van ontvangst kan, voor statistische doeleinden, verlangen dat elke kredietinstelling die een bijkantoor op zijn grondgebied heeft, aan de bevoegde autoriteiten van deze lidstaat een periodiek verslag over de werkzaamheden op zijn grondgebied zendt.

Voor de uitoefening van de krachtens artikel 145 van deze richtlijn op hem rustende verantwoordelijkheden kan de lidstaat van ontvangst van bijkantoren van kredietinstellingen van andere lidstaten dezelfde gegevens verlangen als hij voor dat doel van de nationale kredietinstellingen verlangt.

Artikel 142

Door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst getroffen maatregelen ten aanzien van in de lidstaat van ontvangst uitgeoefende werkzaamheden

1. Indien de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst constateren dat een kredietinstelling die op hun grondgebied een bijkantoor heeft of werkzaam is in het kader van het verrichten van diensten, niet de wettelijke bepalingen naleeft welke deze lidstaat heeft vastgesteld ter uitvoering van de bepalingen van deze richtlijn die een bevoegdheid van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst inhouden, eisen zij dat de betrokken kredietinstelling een einde maakt aan deze onregelmatige situatie.

2. Indien de betrokken kredietinstelling niet het nodige doet, stellen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst die van de lidstaat van herkomst daarvan in kennis.

3. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst treffen zo spoedig mogelijk alle passende maatregelen om te bewerkstelligen dat de betrokken kredietinstelling een einde maakt aan deze onregelmatige situatie. De aard van deze maatregelen wordt medegedeeld aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst.

4. Indien de kredietinstelling, in weerwil van de aldus door de lidstaat van herkomst getroffen maatregelen, of omdat deze maatregelen ontoereikend zijn of die lidstaat geen maatregelen treft, de in lid 1 bedoelde, in de lidstaat van ontvangst geldende wettelijke bepalingen blijft schenden, kan de lidstaat van ontvangst, na de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst daarvan in kennis te hebben gesteld, passende maatregelen treffen om verdere onregelmatigheden te voorkomen of te bestraffen en, voor zover zulks noodzakelijk is, kan hij deze kredietinstelling beletten nieuwe transacties op zijn grondgebied aan te vangen. De lidstaten dragen er zorg voor dat de voor die maatregelen vereiste stukken op hun grondgebied aan de kredietinstellingen kunnen worden betekend.

Artikel 143

Conservatoire maatregelen

Alvorens de in artikel 142 bedoelde procedure toe te passen, kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst in spoedeisende gevallen alle conservatoire maatregelen treffen die onontbeerlijk zijn voor de bescherming van de belangen van deposanten, beleggers of andere personen voor wie diensten worden verricht. De Commissie en de bevoegde autoriteiten van de overige betrokken lidstaten worden zo spoedig mogelijk van die maatregelen op de hoogte gebracht.

De Commissie kan, na raadpleging van de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten, besluiten dat de betrokken lidstaat de conservatoire maatregelen moet wijzigen of intrekken.

Artikel 144

Verantwoordelijkheid

1. Het bedrijfseconomisch toezicht op een kredietinstelling, met inbegrip van het bedrijfseconomisch toezicht op de werkzaamheden die deze instelling overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 33 en 34 uitoefent, berust bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst, onverminderd de bepalingen van de onderhavige richtlijn welke een bevoegdheid van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst inhouden.

2. Lid 1 laat het toezicht op geconsolideerde basis op grond van de onderhavige richtlijn onverlet.

3. De bevoegde autoriteiten in de ene lidstaat nemen bij de uitoefening van hun algemene taken naar behoren de gevolgen in overweging die hun besluiten, met name in noodsituaties, kunnen hebben voor de stabiliteit van het financiële stelsel van alle andere betrokken lidstaten, uitgaande van de op het desbetreffende tijdstip beschikbare informatie.

Artikel 145

Liquiditeitstoezicht

Tot aan een latere coördinatie blijft de lidstaat van ontvangst, in samenwerking met de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst, belast met het toezicht op de liquiditeit van de bijkantoren van een kredietinstelling.

Onverminderd de maatregelen die noodzakelijk zijn ter versterking van het Europees Monetair Stelsel, blijft de lidstaat van ontvangst volledig verantwoordelijk voor de maatregelen die voortvloeien uit de tenuitvoerlegging van zijn monetair beleid.

Deze maatregelen mogen geen discriminerende of restrictieve behandeling inhouden uit hoofde van het feit dat aan een kredietinstelling in een andere lidstaat vergunning is verleend.

Artikel 146

Samenwerking inzake toezicht

Teneinde toezicht te houden op de werkzaamheden van de kredietinstellingen waarvan het werkterrein zich tot één of meer andere lidstaten uitstrekt dan de lidstaat van hun hoofdkantoor, met name door middel van een bijkantoor, werken de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten nauw samen. Zij verstrekken elkaar alle gegevens betreffende het bestuur en de eigendom van de betrokken kredietinstellingen, waardoor het toezicht op die instellingen en het onderzoek van de voorwaarden voor het verlenen van een vergunning aan die instellingen kan worden vergemakkelijkt, alsmede alle gegevens die het toezicht op deze instellingen, met name op het gebied van de liquiditeit, de solvabiliteit, de depositogarantie, de beperking van grote posities, de administratieve en boekhoudkundige procedures en de interne controle kunnen vergemakkelijken.

Artikel 147

Significante bijkantoren

1. De bevoegde autoriteiten van een lidstaat van ontvangst kunnen in gevallen waarin artikel 107, lid 1, van toepassing is, de consoliderende toezichthouder of anders de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst verzoeken een bijkantoor van een kredietinstelling als significant aan te merken.

2. Het verzoek vermeldt de redenen waarom het bijkantoor als significant moet worden aangemerkt, en met name:

a) of het marktaandeel in deposito’s van het bijkantoor van een kredietinstelling in de lidstaat van ontvangst meer dan 2% bedraagt;

b) wat de vermoedelijke gevolgen van een opschorting of beëindiging van de werkzaamheden van de kredietinstelling voor de liquiditeit van de markt en de betalings-, clearing- en afwikkelingssystemen in de lidstaat van ontvangst zullen zijn;

c) de omvang en het belang van het bijkantoor, wat het aantal cliënten betreft, binnen het bancaire of financiële stelsel in de lidstaat van ontvangst.

De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst en van de lidstaat van ontvangst, alsmede de consoliderende toezichthouder in gevallen waarin artikel 107, lid 1, van toepassing is, stellen alles in het werk om tot een gezamenlijk besluit te komen over de kwalificatie van een bijkantoor als significant.

Als binnen twee maanden na ontvangst van een verzoek ingevolge de eerste alinea geen gezamenlijk besluit wordt genomen, beslissen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst uiterlijk twee maanden daarna zelf of het bijkantoor significant is. Bij deze beslissing houden de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst rekening met de standpunten en voorbehouden van de consoliderende toezichthouder of van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst.

De in de derde en vierde alinea bedoelde besluiten worden op schrift gesteld met volledige opgaaf van redenen, worden aan de betrokken bevoegde autoriteiten toegezonden, worden als definitief erkend en worden door de bevoegde autoriteiten in de betrokken lidstaten toegepast.

De kwalificatie van een bijkantoor als significant doet geen afbreuk aan de rechten en plichten van de bevoegde autoriteiten in het kader van deze richtlijn.

3. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst zenden de bevoegde autoriteiten van een lidstaat van ontvangst waarin een significant bijkantoor is gevestigd, de in artikel 112, lid 1, onder c) en d), genoemde informatie toe en voeren de in artikel 107, lid 1, onder c), genoemde taken in samenwerking met de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst uit.

4. Als een bevoegde autoriteit van een lidstaat van herkomst kennis krijgt van een noodsituatie in een kredietinstelling in de zin van artikel 109, lid 1, waarschuwt zij zo spoedig mogelijk de in artikel 59, vierde alinea, en in artikel 60 genoemde autoriteiten.

5. Ingeval artikel 111 niet van toepassing is, richten de bevoegde autoriteiten die toezicht houden op een kredietinstelling met significante bijkantoren in andere lidstaten, een door hen voorgezeten college van toezichthouders op om de samenwerking ingevolge lid 2 van het onderhavige artikel en artikel 61 te vergemakkelijken. Na raadpleging van de betrokken bevoegde autoriteiten stelt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst de regeling voor de oprichting en werking van het college schriftelijk vast. De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst beslist welke bevoegde autoriteiten aan een vergadering of activiteit van het college deelnemen.

6. Bij haar beslissing houdt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst rekening met de relevantie van de te plannen of te coördineren toezichtactiviteit voor die autoriteiten en in het bijzonder met de gevolgen die deze beslissing kan hebben voor de stabiliteit van het financiële stelsel in de betrokken lidstaten als bedoeld in artikel 144, lid 3, en met het bepaalde in lid 2 van dit artikel.

7. De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst informeert alle leden van het college vooraf volledig over het beleggen van vergaderingen, de voornaamste agendapunten en de in overweging te nemen activiteiten. De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst informeert alle leden van het college tevens tijdig over de acties of maatregelen die in die bijeenkomsten ondernomen of uitgevoerd worden.

Artikel 148

Verificaties ter plaatse

1. De lidstaten van ontvangst bepalen dat, wanneer een kredietinstelling waaraan in een andere lidstaat vergunning is verleend, haar werkzaamheden uitoefent door middel van een bijkantoor, de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst, na de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst daarvan vooraf in kennis te hebben gesteld, zelf of met inschakeling van door de eerstgenoemde autoriteiten daartoe gemachtigden ter plaatse de in artikel 52 bedoelde gegevens kunnen verifiëren.

2. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst kunnen voor de verificatie van de bijkantoren ook gebruikmaken van een van de andere in artikel 113 genoemde procedures.

3. De leden 1 en 2 laten het recht onverlet van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst om op hun grondgebied gevestigde bijkantoren ter plaatse te verifiëren teneinde de verantwoordelijkheden uit te oefenen die uit hoofde van deze richtlijn op hen rusten.

Hoofdstuk 2

Overgangsbepaling betreffende kapitaalbuffers

Artikel 149

Overgangsbepaling betreffende kapitaalbuffers

1. Dit artikel wijzigt de vereisten van de artikelen 122 en 123 gedurende een overgangsperiode die loopt van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2018.

2. Voor de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016:

a) is de kapitaalinstandhoudingsbuffer samengesteld uit uit gewone aandelen bestaand tier 1-kapitaal ter grootte van 0,625% van het totaal van de risicogewogen posten van de instelling berekend overeenkomstig artikel 87, lid 3, van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau];

b) bedraagt de instellingsspecifieke anticyclische kapitaalbuffer niet meer dan 0,625% van dat totaal, met als gevolg dat het gecombineerde buffervereiste ligt tussen 0,625% en 1,25% van het totaal van de risicogewogen posten van de instelling.

3. Voor de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017:

a) is de kapitaalinstandhoudingsbuffer samengesteld uit uit gewone aandelen bestaand tier 1-kapitaal ter grootte van 1,25% van het totaal van de risicogewogen posten van de instelling berekend overeenkomstig artikel 87, lid 3, van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau];

b) bedraagt de instellingsspecifieke anticyclische kapitaalbuffer niet meer dan 1,25% van dat totaal, met als gevolg dat het gecombineerde buffervereiste ligt tussen 1,25% en 2,50% van het totaal van de risicogewogen posten van de instelling.

4. Voor de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018:

a) is de kapitaalinstandhoudingsbuffer samengesteld uit uit gewone aandelen bestaand tier 1-kapitaal ter grootte van 1,875% van het totaal van de risicogewogen posten van de instelling berekend overeenkomstig artikel 87, lid 3, van Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau];

b) bedraagt de instellingsspecifieke anticyclische kapitaalbuffer niet meer dan 1,875% van dat totaal, met als gevolg dat het gecombineerde buffervereiste ligt tussen 1,875% en 3,750% van het totaal van de risicogewogen posten van de instelling.

5. Het vereiste dat een kapitaalinstandhoudingsplan moet worden opgesteld, en de in de artikelen 131 en 132 bedoelde beperkingen op uitkeringen zijn van toepassing tijdens de overgangsperiode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2018 ingeval instellingen niet voldoen aan de in de leden 2, 3 en 4 vastgestelde gewijzigde vereisten.

6. De lidstaten kunnen een kortere overgangsperiode vaststellen dan die welke in lid 1 is gespecificeerd, en dat op gelijk welk tijdstip tijdens die periode, indien zulks gerechtvaardigd wordt doordat er zich een buitensporige kredietgroei voordoet. Ingeval een lidstaat daartoe overgaat, geldt de kortere periode alleen voor de berekening van de instellingsspecifieke anticyclische kapitaalbuffer door instellingen waaraan in de betrokken lidstaat vergunning is verleend en waarvoor de aangewezen autoriteit verantwoordelijk is.

Hoofdstuk 3

Slotbepalingen

Artikel 150

Evaluatie

1. Uiterlijk op 1 april 2013 evalueert de Commissie de in deze richtlijn en Verordening [in te voegen door het Publicatiebureau] vervatte bepalingen inzake beloningsbeleid en brengt ze hierover verslag uit, waarbij bijzondere aandacht wordt besteed aan de efficiëntie, de toepassing en de handhaving ervan, rekening houdend met internationale ontwikkelingen. Bij deze evaluatie worden alle leemten opgespoord die voortvloeien uit de toepassing van het evenredigheidsbeginsel op deze bepalingen. De Commissie dient haar verslag, en, in voorkomend geval, een wetgevingsvoorstel, in bij het Europees Parlement en de Raad.

Met de periodieke evaluatie van de toepassing van deze richtlijn door de Commissie wordt gewaarborgd dat de wijze waarop zij wordt toegepast, niet leidt tot kennelijke discriminatie tussen kredietinstellingen op grond van hun rechtsstructuur of eigendomsmodel.

2. Vanaf 2014 publiceert de EBA in samenwerking met de EAVB en de EAEM om de twee jaar een verslag over de mate waarin in de wetgeving van de lidstaten naar externe ratings wordt verwezen en over de stappen die de lidstaten hebben ondernomen om dergelijke verwijzingen te verminderen. In het verslag wordt ook aangegeven hoe de bevoegde autoriteiten aan hun in artikel 76, leden 1 en 2, en in artikel 77, lid 1, onder b), neergelegde verplichtingen voldoen. In dit verslag wordt ook de mate van toezichtconvergentie in dit opzicht aangegeven.

3. Uiterlijk op 31 december 2013 onderzoekt de Commissie de toepassing van de artikelen 103 en 104, en brengt zij hierover een verslag uit, dat zij, in voorkomend geval, samen met een wetgevingsvoorstel, bij het Europees Parlement en de Raad indient.

4. Uiterlijk op 31 december 2016 onderzoekt de Commissie de resultaten van artikel 87, lid 4, met inbegrip van het benchmarken van de praktijken op het gebied van diversiteit, en brengt zij hierover een verslag uit, dat zij, in voorkomend geval, samen met een wetgevingsvoorstel, bij het Europees Parlement en de Raad indient.

Artikel 151

Omzetting

1. De lidstaten dienen uiterlijk op 31 december 2012 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede, alsmede een tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.

De lidstaten passen die bepalingen toe vanaf 1 januari 2013.

2. In afwijking van lid 1 is titel VII, hoofdstuk 4, van toepassing vanaf 1 januari 2016.

3. Wanneer de lidstaten de in de leden 1 en 2 bedoelde bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. In de bepalingen wordt tevens vermeld dat verwijzingen in bestaande wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen naar de bij deze richtlijn ingetrokken richtlijnen gelden als verwijzingen naar deze richtlijn. De regels voor die verwijzing en de formulering van die vermelding worden vastgesteld door de lidstaten.

4. De lidstaten delen de Commissie en de EBA de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 152

Intrekking

De Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG worden, samen met de achtereenvolgende wijzigingen ervan, ingetrokken met ingang van 1 januari 2013.

Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage II.

Artikel 153

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 154

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Bijlage I

Lijst van werkzaamheden die onder de wederzijdse erkenning vallen

1. Inontvangstneming van deposito's of andere terugbetaalbare gelden.

2. Verstrekken van leningen, waaronder consumentenkrediet, kredietovereenkomsten met betrekking tot onroerend goed, factoring (met of zonder regres), financiering van commerciële transacties (voorschotten hierbij inbegrepen).

3. Financiële leasing.

4. Betalingsdiensten als omschreven in artikel 4, punt 3, van Richtlijn 2007/64/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 betreffende betalingsdiensten in de interne markt [42].

5. Uitgifte en beheer van andere betaalmiddelen (bijvoorbeeld reischeques en kredietbrieven) voor zover deze werkzaamheid niet wordt bestreken door punt 4.

6. Verlenen van garanties en stellen van borgtochten.

7. Handelen voor eigen rekening van de instelling of voor rekening van cliënten in:

a) geldmarktinstrumenten (cheques, wissels, depositocertificaten enz.);

b) deviezen;

c) financiële futures en opties;

d) swaps en soortgelijke financieringsinstrumenten;

e) effecten.

8. Deelneming aan effectenemissies en dienstverrichting in verband daarmee.

9. Advisering aan ondernemingen inzake kapitaalstructuur, bedrijfsstrategie en daarmee samenhangende aangelegenheden, alsmede advisering en dienstverrichtingen op het gebied van fusie en overname van ondernemingen.

10. Bemiddeling op interbankenmarkten.

11. Vermogensbeheer en –advisering.

12. Bewaarneming en beheer van effecten.

13. Commerciële inlichtingen.

14. Verhuur van safes.

15. Uitgifte van elektronisch geld.

Wanneer wordt verwezen naar de financiële instrumenten genoemd in deel C van bijlage I bij Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten [43] vallen de diensten en activiteiten genoemd in de delen A en B van bijlage I bij die richtlijn onder de wederzijdse erkenning overeenkomstig die richtlijn.

BIJLAGE II

Concordantietabel

[1] COM(2010) 716 definitief.

[2] COM(2009) 114 definitief.

[3] COM(2010) 284 definitief.

[4] SEC(2010) 669 definitief.

[5] 2010/2009(INI).

[6] INT/527.

[7] http://www.financialstabilityboard.org/publications/r_101027.pdf.

[8] http://ec.europa.eu/internal_market/consultations/2010/sanctions_en.htm.

[9] CEBT: "Mapping of supervisory objectives, including early intervention measures and sanctioning powers", maart 2009/47, beschikbaar op: http://www.c-ebs.org/home.aspx. De in dit verslag voorkomende informatie is later geactualiseerd op basis van de bijdragen die van de lidstaten zijn ontvangen.

[10] http://ec.europa.eu/internal_market/company/modern/corporate_governance_in_financial_institutions_en.htm#consultation2010.

[11] http://circa.europa.eu/Public/irc/markt/markt_consultations/library?l=/financial_services/credit_agencies_2011&vm=detailed&sb=Title

[12] Zie verwijzing in voetnoot 9.

[13] COM(2009) 501, COM(2009) 502 en COM(2009) 503.

[14] PB C […] van [...], blz. […].

[15] PB C […] van [...], blz. […].

[16] PB L 177 van 30.6.2006, blz. 1.

[17] PB L 177 van 30.6.2006, blz. 201.

[18] Guidelines on Liquidity Cost Benefit Allocation van 27 oktober 2010, (http://www.eba.europa.eu/News--Communications/Year/2010.aspx)

[19] PB L 145 van 30.4.2004, blz. 1.

[20] PB L 331 van 15.12.2010, blz. 12.

[21] PB L 125 van 5.5.2001, blz. 15.

[22] PB L 331 van 15.12.2010, blz. 1.

[23] PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.

[24] PB L 335 van 17.12.2009, blz. 1.

[25] PB L 319 van 5.12.2007, blz. 1.

[26] PB L 302 van 17.11.2009, blz. 32.

[27] PB L 267 van 10.10.2009, blz. 7.

[28] PB L 35 van 11.2.2003, blz. 1.

[29] PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31.

[30] PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1.

[31] Richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2004 betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten (PB L 390 van 31.12.2004, blz. 38).

[32] Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme (PB L 309 van 25.11.2005, blz. 15).

[33] PB L 9 van 15.1.2003, blz. 3.

[34] Richtlijn 2002/92/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 december 2002 betreffende verzekeringsbemiddeling (PB L 9 van 15.1.2003, blz. 3).

[35] Verordening (EU) nr. 1092/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 betreffende macroprudentieel toezicht van de Europese Unie op het financiële stelsel en tot oprichting van een Europees Comité voor systeemrisico’s, PB L 331 van 15.12.2010, blz. 1.

[36] Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende de wettelijke controles van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen (PB L 157 van 9.6.2006, blz. 87).

[37] Vierde Richtlijn 78/660/EEG van de Raad van 25 juli 1978 op de grondslag van artikel 54, lid 3, onder g), van het Verdrag betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen (PB L 222 van 14.8.1978, blz. 11).

[38] Zevende Richtlijn 83/349/EEG van de Raad van 13 juni 1983 op de grondslag van artikel 54, lid 3, onder g), van het Verdrag betreffende de geconsolideerde jaarrekening (PB L 193 van 18.7.1983, blz. 1).

[39] C(2009) 3159.

[40] Verordening (EU) nr. 1094/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/79/EG van de Commissie, PB L 331 van 15.12.2010, blz. 48.

[41] Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/77/EG van de Commissie, PB L 331 van 15.12.2010, blz. 84.

[42] PB L 319 van 5.12.2007, blz. 1.

[43] PB L 145 van 30.4.2004, blz. 1.

--------------------------------------------------