Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale-beschermingsstatus (Herschikking) /* COM/2011/0319 def. */
TOELICHTING
1.
Achtergrond van het voorstel
1.1.
Motivering en doel van het voorstel
Zoals aangekondigd in het Asielbeleidsplan[1] heeft de
Commissie op 21 oktober 2009 een voorstel ingediend tot wijziging van
Richtlijn 2005/85/EG van de Raad van 1 december 2005 betreffende
minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of
intrekking van de vluchtelingenstatus[2]
(hierna "de richtlijn asielprocedures" genoemd). Het voorstel werd opgesteld op basis van de
evaluatie van de toepassing van de huidige richtlijn in de lidstaten. In het
voorstel waren ook de resultaten verwerkt van een grootschalige
raadplegingsprocedure met lidstaten, de Hoge Commissaris voor de vluchtelingen
van de Verenigde Naties (UNHCR), niet-gouvernementele organisaties en andere
belanghebbenden. De gegevens over de uitvoering van de huidige richtlijn werden
vervolgens samengebracht in een evaluatieverslag[3], dat in september 2009 werd gepubliceerd en
waarvan de conclusies de argumenten voor het voorstel verder ondersteunden. Op 6 april 2011 heeft het Europees Parlement zijn
standpunt in eerste lezing over het voorstel van de Commissie aangenomen,
waarin de voorgestelde wijzigingen in het algemeen werden gesteund. Het voorstel werd ook door de Raad besproken,
hoofdzakelijk onder het Spaanse voorzitterschap van 2010. De besprekingen waren
echter moeilijk en de Raad kon geen standpunt bereiken. Door het gewijzigde voorstel in te dienen wil de
Commissie haar initiatiefrecht gebruiken ter bevordering van de werkzaamheden
om een echt gemeenschappelijk Europees asielstelsel tot stand te brengen dat
zowel de lidstaten als de vluchtelingen ten goede komt. De Commissie heeft een
politieke verantwoordelijkheid om echte mogelijkheden te scheppen zodat de Unie
haar engagement uit het programma van Stockholm nakomt om het gemeenschappelijk
Europees asielstelsel tegen 2012 tot stand te brengen. De aanneming van de
gewijzigde richtlijn inzake langdurig ingezetenen, die nu ook betrekking heeft
op personen die internationale bescherming genieten, heeft een sterke impuls in
die richting gegeven. Een gemeenschappelijke asielprocedure moet snel en
eerlijk zijn. Om deze doelstellingen te bereiken is de Commissie kennis blijven
vergaren over de manier waarop de beste nationale praktijken kunnen worden samengebracht
en in een systeem samengevoegd dat coherent is en gemakkelijk uitvoerbaar in de
hele Unie. In het gewijzigde voorstel worden de aanvullende kennis en ervaring
die tijdens de bespreking van het vorige voorstel zijn opgedaan, samengebracht.
Het in het gewijzigde voorstel voorgestelde
systeem is zowel doeltreffend als beschermend. Het is kosteneffectief
en helpt eventuele tot misbruik leidende verzoeken aan te pakken. Het
garandeert dat verzoeken in alle lidstaten op gelijke wijze worden behandeld.
Het is volledig in overeenstemming met de grondrechten en de ontwikkeling
van de rechtspraak daarover waardoor het niet gemakkelijk voor de rechter kan worden
aangevochten. Tegelijk is het flexibel genoeg om ruimte te bieden voor de
bijzonderheden van de nationale rechtssystemen. De regels van het voorstel zijn
verduidelijkt en vereenvoudigd om een doeltreffende uitvoering te
garanderen. Het gewijzigde voorstel moet worden beschouwd in
samenhang met het gewijzigde voorstel voor de richtlijn opvangvoorzieningen.
Dat voorstel heeft onder meer als doel te zorgen voor betere en meer
geharmoniseerde normen voor de opvang van asielzoekers in de hele EU. Het gewijzigde voorstel heeft ook betrekking op de
verordening tot oprichting van een Europees ondersteuningsbureau voor
asielzaken (EASO) die op 19 mei 2010 werd aangenomen. Nu het EASO zijn
activiteiten heeft opgestart, kan het een specifiekere rol krijgen om lidstaten
te ondersteunen in de doeltreffender uitvoering van gemeenschappelijke regels.
1.2.
Algemene context
Het voorstel van 2009 en het onderhavige
gewijzigde voorstel maken deel uit van een wetgevingspakket om een
gemeenschappelijk Europees asielstelsel tot stand te brengen. In 2008 heeft de Commissie naast het voorstel tot
wijziging van de richtlijn opvangvoorzieningen met name ook voorstellen
ingediend tot wijziging van de Dubinverordening en van de eurodac-verordening.
In 2009 heeft de Commissie voorstellen ingediend tot wijziging van de richtlijn
asielprocedures en van de erkenningsrichtlijn. Ten slotte werd bij verordening
van 19 mei 2010 het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken opgericht om
te zorgen voor meer coördinatie van de operationele samenwerking tussen de lidstaten
zodat gemeenschappelijke regels op het gebied van asiel doeltreffend worden
uitgevoerd. Dit wetgevingspakket is in overeenstemming met het
Europees pact over immigratie en asiel[4]
waarin de doelstellingen van het Haags programma opnieuw werden bevestigd en de
Commissie werd verzocht voorstellen in te dienen om uiterlijk in 2012 een
enkele asielprocedure met gemeenschappelijke waarborgen vast te stellen. In
dezelfde context onderstreepte het op de Europese Raad van 10 en 11 december
2009 goedgekeurde programma van Stockholm de noodzaak om tegen 2012 "een
gemeenschappelijke en solidaire ruimte tot stand te brengen waarin bescherming
wordt geboden, op basis van een gemeenschappelijke asielprocedure en een
uniforme status voor personen aan wie internationale bescherming wordt
verleend" die stoelt op "hoge beschermingsnormen" en "eerlijke
en effectieve procedures". In het programma van Stockholm werd met name
bevestigd dat mensen die bescherming behoeven, toegang moeten hebben tot
juridisch sluitende en efficiënte asielprocedures. Overeenkomstig het programma
van Stockholm moeten verzoekers op hetzelfde niveau worden behandeld qua
procedurele regelingen en statusbepaling, ongeacht de lidstaat waar zij hun
verzoek indienen. De vuistregel moet zijn dat gelijke gevallen gelijk worden behandeld
met een gelijk resultaat tot gevolg. Als onderdeel van de voorbereiding van het vorige
voorstel werd een effectbeoordeling uitgevoerd. Het gewijzigde voorstel is
gebaseerd op dezelfde beginselen als het vorige voorstel. Bovendien heeft het
als doel kosten en administratieve lasten te verminderen en tegelijk sommige
bepalingen te vereenvoudigen en te verduidelijken om de uitvoering ervan
gemakkelijker te maken. Daarom geldt de voor het vorige voorstel uitgevoerde
effectbeoordeling ook nog voor het gewijzigde voorstel.
1.3.
Samenhang met andere beleidsgebieden en
doelstellingen van de EU
Dit voorstel is volledig in overeenstemming met de
conclusies van de Europese Raad van Tampere van 1999, met het Haags programma
van 2004, met het op de Europese Raad van 17 oktober 2008 goedgekeurde Europees
pact over immigratie en asiel en met het programma van Stockholm van 2009 dat
de totstandbrenging van een gemeenschappelijk Europees asielstelsel tegen 2012
voorschrijft. Het voorstel is ook in overeenstemming met de
doelstellingen van de Europa 2020-strategie, met name wat de betere integratie
van legale migranten betreft. Door snellere en krachtigere asielprocedures te
bevorderen stimuleert het voorstel ook de inzetbaarheid van vluchtelingen en
personen die subsidiaire bescherming behoeven, aangezien hun vaardigheden
minder zouden lijden onder een lange periode zonder volledige toegang tot de
arbeidsmarkt. Het voorstel heeft ook als doel de kosten van opvang voor de
lidstaten te verlagen en bevordert op die manier de duurzaamheid van de
overheidsfinanciën.
2.
Raadpleging van belanghebbende partijen
Als onderdeel van de voorbereidende werkzaamheden
voor het vorige voorstel heeft de Commissie een groenboek gepresenteerd,
verschillende bijeenkomsten van deskundigen gehouden, onder meer met de UNHCR
en maatschappelijke organisaties, een externe studie laten uitvoeren en
gegevens verzameld uit de reacties op verschillende gedetailleerde
vragenlijsten. Op 8 september 2010 heeft de Commissie het evaluatieverslag over
de uitvoering van de huidige richtlijn goedgekeurd. De conclusies van dat
verslag hebben de bevindingen van de voorbereidende werkzaamheden verder
versterkt. Na de indiening van het vorige voorstel in oktober
2009 vonden in de Raad besprekingen op technisch niveau plaats, hoofdzakelijk
onder het Spaanse voorzitterschap. Tijdens de besprekingen waren verscheidene
lidstaten gekant tegen specifieke bepalingen van het voorstel wegens de
bijzonderheden van hun asiel- en/of rechtsstelsel. De Raad is echter niet tot
bevredigende oplossingen kunnen komen. Het werd duidelijk dat, om te vermijden dat
veelvuldige uitzonderingen moesten worden opgenomen voor specifieke lidstaten
en dus ook dat de algemene samenhang van het voorgestelde systeem zou worden
aangetast, het beter zou zijn dat de Commissie het voorstel zou herzien om een
meer algemene oplossing voor de verwoorde problemen voor te stellen en tegelijk
de toegevoegde waarde van de tekst te bewaren. De voorgestelde bepalingen
verduidelijken en vereenvoudigen om de uitvoering ervan door de lidstaten te
vergemakkelijken, moet de besprekingen een nieuwe stimulans geven. Derhalve
heeft de Commissie in de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken aangekondigd dat
zij voor deze richtlijn een gewijzigd voorstel zou indienen vóór het begin van
het Poolse voorzitterschap van de Raad in 2011. Als onderdeel van de voorbereidende werkzaamheden
voor dit gewijzigde voorstel heeft de Commissie een aantal vergaderingen voor
technische raadpleging gehouden tussen januari en april 2010. Het gewijzigde
voorstel houdt ook rekening met de besprekingen in het kader van de
ministeriële conferentie "Kwaliteit en efficiëntie in het
asielproces", die door het Belgische voorzitterschap werd georganiseerd op
13 en 14 september 2010. Op de conferentie is onder meer ingegaan op kwesties
als het persoonlijke onderhoud, opleiding, informatie over het land van
herkomst, prioritaire procedures en volgende verzoeken. Op 6 april 2011 heeft het Europees Parlement zijn
standpunt in eerste lezing aangenomen. De resolutie ondersteunt in grote lijnen
het voorstel van de Commissie. De meeste voorgestelde amendementen hadden tot
doel de waarborgen voor de verzoekers te versterken. Sommige hadden tot doel de
lidstaten meer flexibiliteit te bieden of de algemene samenhang van de tekst te
verbeteren. Bij de voorbereiding van het gewijzigde voorstel werd rekening
ghouden met de inhoud van de resolutie en dus zijn veel van de amendementen in
het voorstel overgenomen, hetzij letterlijk, hetzij naar de inhoud. Het standpunt van het Parlement bevat ook een
aantal belangrijke amendementen die zouden leiden tot aanzienlijke
veranderingen wat de verschillende opvattingen over het begrip veilig derde
land betreft. De Commissie heeft dit amendement nauwkeurig onderzocht en is tot
de conclusie gekomen dat de idee om nationale lijsten van veilige landen te
schrappen en gemeenschappelijke EU-lijsten op te stellen, in de toekomst kan
worden overwogen. Dat zal echter pas realistisch zijn wanneer het EASO over de
capaciteit beschikt om op een duurzame manier de vervanging van nationale
lijsten te ondersteunen door verslagen over landen van herkomst op te stellen
op basis van ter zake doende, betrouwbare, nauwkeurige en recente informatie
over het land van herkomst die op een transparante en onpartijdige manier wordt
verzameld, met behulp van een gemeenschappelijk formaat en een
gemeenschappelijke aanpak voor de presentatie, de controle en het gebruik van
gegevens over landen van herkomst en de analyse van informatie over landen van
herkomst. Hoewel de amendementen van het Parlement over de
uiteenlopende opvattingen over het begrip veilig derde land niet in het
gewijzigde voorstel zijn opgenomen, erkent de Commissie de noodzaak om deze
regels verder te harmoniseren. Daartoe verbindt de Commissie zich ertoe om op
een passende manier het gebruik van deze begrippen regelmatig samen met de
lidstaten te onderzoeken en het Parlement daarbij te betrekken. Dit proces van
regelmatig onderzoek moet verdere harmonisatie in de toekomst helpen
voorbereiden. Het gewijzigde voorstel wil een evenwichtige
oplossing bieden om de onderhandelingen tussen de twee medewetgevers te
vergemakkelijken.
3.
Juridische elementen van het voorstel
3.1.
Samenvatting van de voorgestelde maatregel
Dit gewijzigde voorstel heeft voornamelijk als
doel regels te vereenvoudigen en te verduidelijken om deze beter verenigbaar te
maken met de uiteenlopende nationale rechtsstelsels en de lidstaten te helpen
deze toe te passen op een manier die kosteneffectief is in hun specifieke
situaties. Zoals bij het vorige voorstel blijft de algemene
doelstelling doeltreffende en eerlijke procedures tot stand te brengen. Het
voorstel blijft in volledige overeenstemming met de grondrechten aangezien het
is gebaseerd op de ontwikkelingen in de rechtspraak van het Hof van Justitie
van de Europese Unie en het Europees Hof voor de rechten van de mens, vooral
wat het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel betreft. In vergelijking met de
huidige richtlijn werden procedurele waarborgen voor eerlijke en doeltreffende
procedures herzien om te komen tot een meer samenhangende toepassing van
procedurele beginselen. Het voorstel voorziet ook in coherentere en
eenvoudigere procedurele begrippen en instrumenten waardoor de
asielautoriteiten over de nodige procedurele instrumenten beschikken om
misbruik te voorkomen en om kennelijk ongegronde verzoeken snel af te handelen.
Om een eenvormige toepassing van het acquis inzake
asiel te vergemakkelijken en de geldende voorschriften te vereenvoudigen, wordt
in het voorstel een enkele procedure vastgesteld. Op deze wijze wordt duidelijk
gemaakt dat verzoeken moeten worden behandeld in het licht van beide vormen van
internationale bescherming die in de erkenningsrichtlijn zijn vastgesteld. Het
voorstel verbetert de samenhang met het gewijzigde voorstel voor de richtlijn opvangvoorzieningen
en de EASO-verordening.
3.1.1.
De uitvoering door de lidstaten vergemakkelijken
Een aantal wijzigingen werd voorgesteld om ervoor
te zorgen dat het voorstel beter verenigbaar is met de uiteenlopende
rechtsstelsels en andere regelingen in de verschillende lidstaten. Het gaat
bijvoorbeeld om regels inzake beslissingen over het recht van toegang tot het
grondgebied, de mogelijkheid om het nemen van een beslissing uit te stellen
wanneer de situatie in het land van herkomst tijdelijk onzeker is en gronden
voor het onderzoeken van verzoeken aan de grens. Verscheidene bepalingen zijn
ook flexibeler gemaakt om ze gemakkelijker te kunnen uitvoeren. Om het de lidstaten mogelijk te maken een groot
aantal verzoeken tegelijk correct te behandelen, werden regels herzien op het
gebied van toegang tot de procedure, het persoonlijk horen van de betrokkene en
een standaard-maximumduur voor asielprocedures. Ten slotte werden alle bepalingen in de hele tekst
grondig herzien om de regels te verduidelijken en te vereenvoudigen teneinde de
besprekingen te vergemakkelijken en een doeltreffende uitvoering te garanderen.
3.1.2.
Eventueel misbruik beter aanpakken
Het gewijzigde voorstel stelt de lidstaten beter
in staat om eventueel misbruik van het asielstelsel aan te pakken. Nieuwe
regels bepalen dat de lidstaten procedures mogen versnellen en aan de grens
verzoeken mogen behandelen wanneer de verzoeker kennelijk valse of duidelijk
onwaarschijnlijke verklaringen heeft afgelegd die tegenstrijdig zijn met
voldoende geverifieerde informatie over het land van herkomst en het verzoek
derhalve duidelijk alle overtuigingskracht ontnemen. Hetzelfde geldt voor
verzoekers die een gevaar vormen voor de nationale veiligheid of de openbare
orde. Om verzoekers die onderduiken of hun
verplichtingen niet nakomen, beter te kunnen aanpakken, werden de regels over
impliciete intrekking van een verzoek ook gewijzigd. Volgens deze regels kunnen
de lidstaten een verzoek afwijzen op basis van een impliciete intrekking
wanneer de autoriteiten al over voldoende elementen beschikken om het verzoek
nauwkeurig te behandelen. Om verzoekers meer bewust te maken van de gevolgen
van een intrekking moeten de lidstaten hen bij het begin van de procedure
informeren over deze regels.
3.1.3.
'Frontloading': snelle, eerlijke en doeltreffende procedures
"Frontloading" betekent dat er voldoende
middelen ter beschikking worden gesteld voor de kwaliteit van de besluitvorming
in eerste aanleg teneinde de procedures eerlijker en doeltreffender te maken.
Een standaard-asielprocedure van maximaal zes maanden blijft een belangrijke
doelstelling van het voorstel. Tegelijk brengt het gewijzigde voorstel een
aantal verduidelijkingen aan om dit begrip gemakkelijker uit te voeren,
rekening houdend met de bijzonderheden van de verschillende lidstaten. Een belangrijk aspect van frontloading is vroege
toegang tot steun om de verzoeker te helpen de procedure te begrijpen. Het
gewijzigde voorstel verduidelijkt de inhoud van de basissteun om deze te
onderscheiden van de kosteloze rechtsbijstand die in beroepsprocedures
beschikbaar is. De lidstaten bepalen zelf de manier waarop deze steun wordt
verleend. Dat kan onder meer via niet-gouvernementele organisaties,
overheidsfunctionarissen of gespecialiseerde overheidsdiensten. De wijzigingen
moeten de uitvoering van deze belangrijke bepaling kosteneffectiever maken en
misverstanden uit de weg ruimen die zouden kunnen leiden tot tegenstrijdigheden
tussen deze regels en het algemeen administratief recht van verscheidene
lidstaten. Het voorstel vereenvoudigt ook de regels inzake de
opleiding die de lidstaten moeten geven aan het personeel dat verzoeken behandelt
en daarover beslissingen neemt. Een hoog bekwaamheidsniveau van dit personeel
blijft weliswaar het doel, aangezien dat de enige manier is om te zorgen voor degelijke
en verdedigbare beslissingen van de asielinstanties, maar de invulling wordt
vereenvoudigd en meer in samenhang gebracht met andere delen van het
asielacquis. Ten slotte worden de bepalingen over verzoekers
die bijzondere procedurele waarborgen behoeven, vereenvoudigd. De nieuwe regels
zijn minder prescriptief om de lidstaten meer speelruimte en flexibiliteit te
bieden om op de juiste manier rekening te houden met alle mogelijke specifieke
situaties van verzoekers. Tegelijk blijven de regels deze personen waarborgen
van hoog niveau bieden.
3.1.4.
Toegang tot bescherming waarborgen
Om ervoor te zorgen dat een persoon die de wens
uitdrukt om om internationale bescherming te verzoeken, inderdaad de kans
krijgt om dat te doen, verbetert het gewijzigde voorstel de regels over de
eerste stappen in de asielprocedure. Het neemt met name de mogelijke verwarring weg
tussen de ontvangst van een volledig verzoek en de basishandeling die erin
bestaat te registreren dat een persoon een verzoeker is. Dat maakt het voor de
lidstaten gemakkelijker om de voorgestelde termijn van 72 uur na te leven om
een verzoeker als zodanig te registreren nadat hij de wil te kennen heeft gegeven
om een verzoek in te dienen; deze termijn kan worden verlengd als het naleven
ervan praktisch onmogelijk is. Het voorstel voorziet bovendien in eenvoudige
regels over de opleiding en instructies die moeten worden gegeven aan
grenswachters en andere instanties die met mogelijke verzoekers in contact
kunnen komen. De nieuwe regels moeten de lidstaten helpen om deze uit te
voeren, rekening houdend met de diversiteit van hun nationale situaties.
3.1.5.
Duidelijke regels over volgende verzoeken
Zelfs nadat een verzoek om internationale
bescherming werd afgewezen, moet een persoon opnieuw een verzoek kunnen
indienen wanneer de omstandigheden waarin hij zich bevindt zijn gewijzigd,
zodat rekening wordt gehouden met de mogelijkheid om ter plaatse ("sur
place") verzoeken in te dienen overeenkomstig de erkenningsrichtlijn.
Het gewijzigde voorstel verduidelijkt de regels over dergelijke verzoeken
teneinde het eventuele misbruik ervan te voorkomen. Volgens deze regels wordt een volgend verzoek
onderworpen aan een snel en doeltreffend voorafgaand onderzoek om na te gaan of
er nieuwe elementen zijn die verdere behandeling rechtvaardigen. Als er sprake
is van nieuwe elementen, moet het volgende verzoek worden behandeld overeenkomstig
de algemene regels. Zo niet, wordt het verzoek
niet-ontvankelijk verklaard. Om misbruik te voorkomen mogen lidstaten in dat
geval een uitzondering maken op het recht om op het grondgebied te blijven,
zelfs als de betrokkene nog meer verzoeken om internationale bescherming
indient.
3.1.6.
Meer samenhang met andere instrumenten van het
EU-asielacquis
Het gewijzigde voorstel herziet een aantal
instrumenten om deze beter te laten samenhangen met andere
EU-asielinstrumenten, in het bijzonder met het gewijzigde voorstel voor de
richtlijn opvangvoorzieningen. Het gaat meer bepaald om bepalingen over
bijzondere behoeften en kwetsbare personen en over grensprocedures. Het gewijzigde voorstel past ook bepalingen over
opleiding aan aan de overeenkomstige bepalingen uit de EASO-verordening. Het
voorziet ook in een concretere rol voor het EASO in de bepalingen over
opleiding en toegang tot de procedure. Doel is de lidstaten flexibiliteit maar
ook ondersteuning te bieden. De betrokkenheid van het EASO moet ook de
samenhang in de uitvoering in de hele EU versterken. Om een eenvormige toepassing van het acquis te
vergemakkelijken en de geldende voorschriften te vereenvoudigen, wordt in het
voorstel een enkele procedure vastgesteld. Op deze wijze wordt duidelijk
gemaakt dat verzoeken moeten worden behandeld in het licht van beide vormen van
internationale bescherming die in de erkenningsrichtlijn zijn vastgesteld.
3.2.
Rechtsgrondslag
Het gewijzigde voorstel wijzigt Richtlijn
2005/85/EG en gebruikt artikel 78, lid 2, onder d), van het Verdrag betreffende
de werking van de Europese Unie (VWEU) als rechtsgrondslag; dat artikel
voorziet in het vaststellen van maatregelen voor gemeenschappelijke procedures
voor toekenning of intrekking van de uniforme status van asiel of van
subsidiaire bescherming.
3.3.
Territoriale toepassing
De voorgestelde richtlijn is gericht tot de
lidstaten. De toepassing van de richtlijn op het Verenigd Koninkrijk en Ierland
zal worden geregeld overeenkomstig de bepalingen van het aan het VWEU gehechte
Protocol nr. 21. Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van het aan het
VWEU gehechte Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken is de
richtlijn niet bindend voor noch van toepassing in Denemarken.
3.4.
Subsidiariteitsbeginsel
Titel V van het VWEU over de ruimte van vrijheid,
veiligheid en recht verleent de Europese Unie bepaalde bevoegdheden op dit
gebied. Deze bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met
artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, te weten indien en
voor zover de doelstellingen van het overwogen optreden niet voldoende door de
lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, en derhalve vanwege de omvang of de
gevolgen van het overwogen optreden beter door de Unie kunnen worden
verwezenlijkt. De rechtsgrondslag voor het optreden van de Unie
is artikel 78 VWEU. Dat artikel bepaalt: "De Unie ontwikkelt een
gemeenschappelijk beleid inzake asiel, subsidiaire bescherming en tijdelijke bescherming,
teneinde iedere onderdaan van een derde land die internationale bescherming
behoeft, een passende status te verlenen en de naleving van het beginsel van
non-refoulement te garanderen. Dit beleid moet in overeenstemming zijn met het
Verdrag van Genève van 28 juli 1951en het protocol van 31 januari 1967
betreffende de status van vluchtelingen alsmede met de andere toepasselijke
verdragen". Door de grensoverschrijdende aard van de problemen
in verband met asiel en bescherming van vluchtelingen, is de EU goed geplaatst
om oplossingen voor te stellen in het kader van het gemeenschappelijk Europees
asielstelsel, met name inzake kwesties betreffende procedures voor de verlening
en intrekking van internationale bescherming, in het bijzonder om secundaire
stromen te vermijden. Hoewel door de vaststelling van de richtlijn in 2005
reeds een belangrijke harmonisatie plaatsvond, is er nog ruimte voor
EU-optreden om te komen tot betere en meer geharmoniseerde normen inzake
asielprocedures en om verder te werken aan gemeenschappelijke asielprocedures.
Deze normen worden ook onmisbaar geacht om ervoor te zorgen dat de verzoeken
van de aan de Dublinprocedures onderworpen personen die om internationale
bescherming verzoeken, in de verschillende lidstaten onder vergelijkbare
voorwaarden worden behandeld.
3.5.
Evenredigheidsbeginsel
In de naar aanleiding van het vorige voorstel
uitgevoerde effectbeoordeling over de wijziging van de richtlijn
asielprocedures[5]
werd elke optie voor de aanpak van de vastgestelde problemen onderzocht
teneinde een goede verhouding te vinden tussen praktische haalbaarheid en
vereiste inspanningen, en werd tot de conclusie gekomen dat de keuze voor
EU-optreden niet verder gaat dan nodig is om die problemen op te lossen. In dit
gewijzigde voorstel zijn de leidende beginselen van het vorige voorstel
behouden, maar wordt de lidstaten ook extra flexibiliteit geboden, waardoor het
evenredigheidsbeginsel nog beter wordt nageleefd.
3.6.
Effect op de grondrechten
Dit voorstel is uitvoerig onderzocht om ervoor te
zorgen dat de bepalingen ervan volledig in overeenstemming zijn met: –
de grondrechten die zijn neergelegd in het Handvest
van de grondrechten van de Europese Unie en –
de verplichtingen van internationaal recht, met
name het Verdrag van Genève, het Europees Verdrag tot bescherming van de
rechten van de mens en het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind. Betere normen voor asielprocedures en een
eenvormige toepassing ervan in de gehele Unie zullen een algemeen positief
effect hebben voor verzoekers en zullen het grondrecht op asiel van artikel 18
van het Handvest doeltreffender maken. Met het voorstel wordt met name het
risico op administratieve fouten in asielprocedures verkleind, zodat het in
artikel 19 van het Handvest vastgestelde beginsel van non-refoulement beter in
acht kan worden genomen en de toegang tot bescherming en tot de rechter wordt
verbeterd met de waarborg dat elke verzoeker, bij een negatieve beslissing, het
recht op een doeltreffende voorziening in rechte overeenkomstig artikel 47 van het
Handvest moet hebben. Het voorstel zal ook bijdragen tot de gelijkheid van
vrouwen en mannen die door artikel 23 van het Handvest is voorgeschreven, in de
asielprocedures de belangen van het kind bevorderen overeenkomstig
artikel 24 van het Handvest en het non-discriminatiebeginsel versterken,
zoals artikel 21 van het Handvest bepaalt. 2009/0165 (COD) Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN
DE RAAD betreffende gemeenschappelijke procedures
voor de toekenning en intrekking van de internationale-beschermingsstatus
(Herschikking) HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN
DE EUROPESE UNIE, Gezien het Verdrag betreffende de werking van
de Europese Unie, en met name artikel 78, lid 2, onder d), Gezien het voorstel van de Europese Commissie, Na toezending van het ontwerp van
wetgevingshandeling aan de nationale parlementen, Gezien het advies van het Europees Economisch
en Sociaal Comité[6], Gezien het advies van het Comité van de
Regio's[7], Handelend volgens de gewone
wetgevingsprocedure, Overwegende hetgeen volgt: ò nieuw (1)
Richtlijn 2005/85/EG van
de Raad van 1 december 2005 betreffende minimumnormen voor de procedures voor
de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus moet op verscheidene
punten ingrijpend worden gewijzigd[8].
Ter wille van de duidelijkheid dient tot herschikking van deze richtlijn te
worden overgegaan. ê 2005/85/EG
overweging 1 (aangepast) ð nieuw (2)
Een gemeenschappelijk asielbeleid, dat een
gemeenschappelijk Europees asielstelsel omvat, is een wezenlijk aspect van de
doelstelling van de Europese Unie om geleidelijk een ruimte van vrijheid,
veiligheid en rechtvaardigheid tot stand te brengen, die openstaat voor
diegenen die onder druk van de omstandigheden op wettige wijze in de Europese Ö Unie Õ Gemeenschap
bescherming zoeken. ð Het moet worden beheerst door het
beginsel van solidariteit en billijke verdeling van verantwoordelijkheid tussen
de lidstaten, ook wat betreft de financiële gevolgen. ï ê 2005/85/EG
overweging 2 (3)
De Europese Raad is bij zijn bijzondere bijeenkomst
van 15 en 16 oktober 1999 in Tampere overeengekomen te werken aan de instelling
van een gemeenschappelijk Europees asielstelsel dat stoelt op de volledige en
niet-restrictieve toepassing van het Verdrag van Genève betreffende de status
van vluchtelingen van 28 juli 1951, zoals aangevuld bij het Protocol van New
York van 31 januari 1967 (hierna "het Verdrag van Genève" genoemd),
en aldus het beginsel van non-refoulement te bekrachtigen en ervoor te zorgen
dat niemand wordt teruggestuurd naar het land van vervolging. ê 2005/85/EG
overweging 3 (aangepast) (4)
Volgens de Conclusies van Tampere moesten in het
kader van dit stelsel op korte termijn gemeenschappelijke normen voor een
eerlijke en doeltreffende asielprocedure worden opgesteld en op de langere
termijn communautaire
Ö EU- Õ regels worden
geformuleerd die leiden tot een gemeenschappelijke asielprocedure in de
Europese Ö Unie Õ Gemeenschap. ê 2005/85/EG
overweging 4 ð nieuw (5)
ð De eerste fase van een
gemeenschappelijk Europees asielstelsel werd voltooid door relevante
rechtsinstrumenten vast te stellen waarin de Verdragen voorzien, waaronder
Richtlijn 2005/85/EG, ï De huidige minimumnormen voor de procedures in
de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus vormen
derhalve een eerste maatregel op het gebied van
asielprocedures. ò nieuw (6)
De Europese Raad van
4 november 2004 heeft het Haags programma aangenomen, waarin de doelstellingen
zijn opgenomen die in de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid
moeten worden uitgevoerd in de periode 2005-2010. In het Haags programma werd
de Europese Commissie verzocht om de evaluatie van de rechtsinstrumenten van de
eerste fase af te sluiten en om voorstellen voor instrumenten en maatregelen
van de tweede fase aan de Raad en het Europees Parlement voor te leggen.
Volgens het Haags programma moet de totstandbrenging van een gemeenschappelijk
Europees asielstelsel leiden tot de invoering van een gemeenschappelijke
asielprocedure en een in de gehele Unie geldige uniforme status. (7)
In het op 16 oktober
2008 aangenomen Europees migratie- en asielpact constateerde de Europese Raad
dat er tussen de lidstaten nog altijd grote verschillen bestaan wat het
verlenen van bescherming betreft en drong hij aan op nieuwe initiatieven,
waaronder een voorstel voor de vaststelling van een enkele asielprocedure met
gemeenschappelijke waarborgen, om de in het Haags programma gevraagde
totstandbrenging van een gemeenschappelijk Europees asielstelsel te voltooien. (8)
De Europese Raad van 10
en 11 december 2009 heeft het programma van Stockholm goedgekeurd waarin hij
zijn voornemen heeft bevestigd om tegen 2012 een gemeenschappelijke en
solidaire ruimte tot stand te brengen waarin bescherming wordt geboden, op
basis van een gemeenschappelijke asielprocedure en een uniforme status voor
personen aan wie internationale bescherming wordt verleend, die stoelt op hoge
beschermingsnormen en eerlijke, effectieve procedures. In het programma van
Stockholm werd bevestigd dat mensen die bescherming behoeven, toegang moeten
hebben tot juridisch sluitende en efficiënte asielprocedures. Overeenkomstig
het programma van Stockholm moeten verzoekers op hetzelfde niveau worden
behandeld qua procedurele regelingen en statusbepaling, ongeacht de lidstaat
waar zij hun verzoek indienen. De vuistregel moet zijn dat gelijke gevallen
gelijk worden behandeld met een gelijk resultaat tot gevolg. (9)
De middelen van het
Europees Vluchtelingenfonds en van het Europees Ondersteuningsbureau voor
asielzaken, opgericht bij Verordening (EU) nr. 439/2010 van het Europees
Parlement en de Raad[9],
moeten worden ingezet om de inspanningen van de lidstaten betreffende de
tenuitvoerlegging van de normen van de tweede fase van het gemeenschappelijk
Europees asielstelsel adequaat te ondersteunen, met name de lidstaten waarvan
de asielstelsels in het bijzonder door geografische of demografische
omstandigheden specifiek en onevenredig onder druk staan. (10)
Met het oog op een
grondige en doeltreffende evaluatie van de behoefte aan internationale
bescherming van verzoekers in de zin van Richtlijn [.../.../EU] [inzake
minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen
als personen die internationale bescherming genieten, en de inhoud van de
verleende bescherming (erkenningsrichtlijn)] moet het rechtskader van de Unie
betreffende procedures voor het verlenen van internationale bescherming
gebaseerd zijn op het begrip 'een enkele asielprocedure'. ê 2005/85/EG
overweging 5 ð nieuw (11)
Deze richtlijn is in de eerste plaats bedoeld om ð verdere normen voor de procedures in de
lidstaten voor de verlening of intrekking van internationale bescherming te
ontwikkelen met het oog op de vaststelling van een gemeenschappelijke
asielprocedure in de Unie ï een minimumkader voor procedures voor de
toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus in te voeren. ê 2005/85/EG
overweging 6 ð nieuw (12)
Onderlinge afstemming van de regels betreffende de
procedures voor de verlening of intrekking van ð internationale bescherming ï de vluchtelingenstatus
zou moeten helpen om de secundaire stromen van ð personen die om internationale
bescherming verzoeken ï asielzoekers tussen de
lidstaten te beperken, indien deze stromen worden veroorzaakt door verschillen
in de wetgeving ð , en zou gelijkwaardige voorwaarden tot
stand moeten brengen voor de toepassing van Richtlijn […./../EU] [erkenningsrichtlijn]
in de lidstaten ï . ê 2005/85/EG
overweging 7 ð nieuw (13)
Het is eigen aan minimumnormen dat het de lidstaten vrij moet staan Het moet de lidstaten vrijstaan
gunstigere regelingen in te voeren of te handhaven voor onderdanen van derde
landen en staatlozen die om internationale bescherming verzoeken, indien wordt
verondersteld dat de betrokkene het verzoek indient omdat hij ð internationale bescherming
behoeft ï vluchteling is in de zin
van ð Richtlijn […/.../EU] [erkenningsrichtlijn] ï artikel 1, letter A, van het Verdrag van Genève. ê 2005/85/EG
overweging 9 ð nieuw (14)
Met betrekking tot de behandeling van personen die
onder de werkingssfeer van deze richtlijn vallen, zijn de lidstaten gebonden
aan de verplichtingen uit hoofde van de instrumenten van internationaal recht
waarbij zij partij zijn en die discriminatie verbieden.
ê 2005/85/EG
overweging 10 ð nieuw (15)
Het is essentieel dat de beslissingen betreffende ð verzoeken om internationale
bescherming ï asielverzoeken worden
genomen op basis van feiten en in eerste instantie door autoriteiten waarvan
het personeel op het gebied van asiel- en
vluchtelingenzaken ð en internationale bescherming ï een adequate kennis heeft of de nodige opleiding heeft ontvangen ontvangt. ê 2005/85/EG
overweging 11 ð nieuw (16)
Het is in het belang van zowel de
lidstaten als de ð personen die om internationale
bescherming verzoeken ï asielzoekers dat zo
spoedig mogelijk een beslissing wordt genomen inzake ð verzoeken om internationale bescherming ï asielverzoeken ð , onverminderd een behoorlijke en
volledige behandeling ï. De organisatie van de behandeling van
asielverzoeken dient te worden overgelaten aan het oordeel van de lidstaten
opdat deze in overeenstemming met hun nationale behoeften een bepaald geval bij
voorrang of sneller kunnen behandelen, met inachtneming van de normen in deze
richtlijn. (17)
Het is ook in het belang
van zowel lidstaten als verzoekers dat ervoor wordt gezorgd dat de behoefte aan
internationale bescherming reeds in eerste aanleg correct erkend wordt. Daartoe
moeten verzoekers in eerste aanleg kosteloos juridische en procedurele
informatie krijgen, rekening houdend met hun bijzondere omstandigheden.
Dergelijke informatie moet de verzoekers onder andere in staat stellen om de
procedure beter te begrijpen en hen op die manier helpen de betrokken
verplichtingen na te komen. Het zou onevenredig zijn om van de lidstaten te
eisen dat zij deze informatie uitsluitend via de diensten van gekwalificeerde
juristen moeten verstrekken. Daarom moeten de lidstaten de mogelijkheid hebben
om de meest geschikte manier te kiezen om die informatie te verstrekken, zoals
via niet-gouvernementele organisaties, overheidsfunctionarissen of
gespecialiseerde overheidsdiensten. (18)
In beroepsprocedures moet
onder bepaalde voorwaarden aan verzoekers kosteloze rechtsbijstand en
vertegenwoordiging worden aangeboden door personen die daartoe krachtens het
nationale bevoegd zijn. Bovendien moeten verzoekers in alle fases van de
procedure het recht hebben om op eigen kosten juridisch adviseurs of
raadsmannen te raadplegen die in het nationale recht als zodanig zijn erkend. ê 2005/85/EG
overweging 12 ð nieuw (19)
Het begrip "openbare orde" kan ð onder meer ï een veroordeling wegens een ernstig misdrijf bestrijken. ê 2005/85/EG
overweging 13 (aangepast) ð nieuw (20)
Teneinde ervoor te zorgen dat personen die
bescherming behoeven als vluchteling in de zin van artikel 1 van het Verdrag
van Genève ð of als persoon die voor subsidiaire
bescherming in aanmerking komt ï , correct als zodanig worden erkend, moet elke ð verzoeker ï asielzoeker, behoudens bepaalde uitzonderingen,
daadwerkelijk toegang hebben tot de procedures, in de gelegenheid worden
gesteld met de bevoegde autoriteiten samen te werken en te communiceren om de
voor zijn zaak relevante feiten uiteen te zetten, en over voldoende procedurele
waarborgen beschikken om zijn rechten in alle fasen van de procedure te doen
gelden. Voorts moet de procedure voor het onderzoeken van een ð verzoek om internationale
bescherming ï asielaanvraag de ð verzoeker ï asielzoeker normaliter
ten minste het recht geven om te blijven in afwachting van een beslissing van
de beslissingsautoriteit, alsmede toegang tot de diensten van een tolk om de
eigen zaak uiteen te zetten in geval van een onderhoud met de autoriteiten, de
mogelijkheid om contact op te nemen met de Hoge Commissaris voor de
vluchtelingen van de Verenigde Naties (UNHCR) ð en met organisaties die advies geven
aan personen die om internationale bescherming verzoeken ï of met andere organisaties die namens de UNHCR
optreden, het recht op passende kennisgeving van een
beslissing, motivering van die beslissing in feite en in rechte, de
mogelijkheid om een rechtshulpverlener of andere raadsman te raadplegen, en het
recht om op beslissende momenten in de procedure te worden ingelicht over zijn
rechtspositie, in een taal die hij ð begrijpt of ï Ö waarvan Õ redelijkerwijs geacht kan worden te
begrijpen Ö kan worden
aangenomen dat hij deze begrijpt Õ ð en, bij een negatieve beslissing, het recht
op een daadwerkelijk rechtsmiddel bij een rechterlijke instantie ï . ê 2005/85/EG
overweging 14 Voorts moeten voor alleenstaande
minderjarigen vanwege hun kwetsbaarheid specifieke procedurele waarborgen
worden vastgelegd. In dit verband moeten de lidstaten in eerste instantie de
belangen van het kind in overweging nemen. ò nieuw (21)
Met het oog op een
daadwerkelijke toegang tot de behandelingsprocedures moeten ambtenaren die het
eerst in contact komen met personen die internationale bescherming zoeken, meer
bepaald ambtenaren die land- of zeegrenzen bewaken of grenscontroles uitvoeren,
instructies krijgen en de nodige opleiding over de wijze waarop verzoeken om
internationale bescherming kunnen worden herkend en behandeld. Zij moeten
onderdanen van derde landen of staatlozen die zich op het grondgebied bevinden,
daaronder begrepen aan de grens, in de territoriale wateren of in een
transitzone van de lidstaten, en die om internationale bescherming willen
verzoeken, alle relevante inlichtingen kunnen verstrekken over waar en hoe
verzoeken om internationale bescherming kunnen worden ingediend. Wanneer
dergelijke personen zich in de territoriale wateren van een lidstaat bevinden,
moeten zij aan land worden gebracht en moeten hun verzoeken worden onderzocht
overeenkomstig deze richtlijn. (22)
Om de toegang tot de
behandelingsprocedure aan grensdoorlaatposten en in accomodaties voor bewaring
te vergemakkelijken moet informatie ter beschikking worden gesteld over de
mogelijkheid om om internationale bescherming te verzoeken. Via tolkdiensten
moet worden gezorgd voor de elementaire communicatie waarmee de bevoegde
instanties kunnen begrijpen of personen om internationale bescherming willen
verzoeken. (23)
Voor verzoekers die
bijzondere procedurele waarborgen behoeven, zoals minderjarigen, niet-begeleide
minderjarigen, personen die foltering, verkrachting of andere ernstige vormen
van geweld hebben ondergaan of personen met een handicap, moet bovendien in
passende steun worden voorzien om de nodige voorwaarden tot stand te brengen
voor hun daadwerkelijke toegang tot procedures en voor het aanvoeren van de
elementen ter staving van hun verzoek om internationale bescherming. (24)
Nationale maatregelen
betreffende de herkenning en documentatie van symptomen en tekenen van foltering
of andere ernstige vormen van fysiek of psychisch geweld, inclusief seksueel
geweld, in onder deze richtlijn vallende procedures moeten onder meer gebaseerd
zijn op het Handboek betreffende het effectief onderzoeken en documenteren
van foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of
bestraffing (Protocol van Istanboel). (25)
Met het oog op een
werkelijke gelijkheid tussen vrouwelijke en mannelijke verzoekers, moet bij
behandelingsprocedures rekening worden gehouden met genderkwesties. Met name
het persoonlijke onderhoud moet zodanig worden georganiseerd dat zowel
vrouwelijke als mannelijke verzoekers die op basis van gender zijn vervolgd,
kunnen spreken over hun ervaringen. Er moet terdege rekening worden gehouden
met de complexiteit van gendergerelateerde verzoeken in procedures op basis van
het begrip veilig derde land, het begrip veilig land van herkomst of het begrip
volgende verzoeken. (26)
Het belang van het kind
dient bij de uitvoering van deze richtlijn een van de hoofdoverwegingen van de
lidstaten te zijn, overeenkomstig het Handvest van de grondrechten van de
Europese Unie en het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het
kind van 1989. (27)
Procedures betreffende
het onderzoeken van de behoefte aan internationale bescherming moeten worden
georganiseerd op een wijze die het voor de bevoegde autoriteiten mogelijk maakt
verzoeken om internationale bescherming degelijk te behandelen. ê 2005/85/EG
overweging 15 ð nieuw (28)
Indien een ð verzoeker ï asielzoeker een volgend
verzoek indient zonder nieuwe bewijzen of argumenten voor te leggen, zou het
onevenredig zijn de lidstaten te verplichten een volledige nieuwe
onderzoeksprocedure te volgen. In dat geval moeten de lidstaten ð een verzoek als niet-ontvankelijk
kunnen afwijzen op grond van het beginsel van het gezag van gewijsde ï kunnen kiezen uit procedures die uitzonderingen
bevatten op de waarborgen waarop de asielzoeker gewoonlijk recht heeft. ê 2005/85/EG
overweging 16 ð nieuw (29)
Veel ð verzoeken om internationale
bescherming ï asielverzoeken worden
gedaan aan de grens of in een transitzone van een lidstaat voordat een
beslissing over de toegang van de ð verzoeker ï asielzoeker is genomen.
De lidstaten moeten ð procedures betreffende het onderzoek
van de ontvankelijkheid en/of van de grond van de zaak kunnen invoeren om aan
de grens of in transitzones een beslissing te kunnen nemen over verzoeken die
aldaar worden gedaan ï bestaande procedures kunnen behouden die zijn
aangepast aan de specifieke situatie van deze asielzoekers aan de grens. Er moeten gemeenschappelijke regels worden vastgesteld
inzake de mogelijke uitzonderingen die in deze omstandigheden worden gemaakt
ten aanzien van de waarborgen die asielzoekers normaliter genieten.
Grensprocedures zijn voornamelijk van toepassing op asielzoekers die niet
voldoen aan de voorwaarden voor toegang tot
het grondgebied van de lidstaten. ê 2005/85/EG
overweging 17 ð nieuw (30)
Fundamenteel voor de gegrondheid van een asielverzoek ð verzoek om internationale
bescherming ï is de veiligheid van de verzoeker in zijn land van herkomst.
Indien een derde land als een veilig land van herkomst kan worden beschouwd,
moeten de lidstaten het als veilig kunnen aanmerken en aannemen dat het voor
een bepaalde ð verzoeker ï asielzoeker veilig is,
tenzij hij ernstige aanwijzingen van
het tegendeel kan voorleggen. ê 2005/85/EG
overweging 18 (31)
Gezien het bereikte niveau van harmonisatie
betreffende de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als
vluchteling, moeten gemeenschappelijke criteria voor het aanmerken van derde
landen als veilige landen van herkomst worden vastgesteld. ê 2005/85/EG
overweging 19 Indien de Raad zich ervan heeft
vergewist dat aan deze criteria met betrekking tot een bepaald land van
herkomst is voldaan, en bijgevolg dat land heeft opgenomen op de minimale
gemeenschappelijke lijst van veilige landen van herkomst die op grond van deze
richtlijn zal worden aangenomen, moeten de lidstaten worden verplicht,
verzoeken van personen met de nationaliteit van dat land of van staatlozen die vroeger gewoonlijk in dat land verbleven, te
onderzoeken op basis van de weerlegbare veronderstelling dat dat land veilig
is. Gezien het politieke belang van de aanmerking van veilige landen van
herkomst, met name in het licht van de gevolgen van een beoordeling van de
mensenrechtensituatie in een land van herkomst en de gevolgen daarvan voor het
beleid van de Europese Unie op het gebied van de externe betrekkingen, moet de
Raad alle beslissingen tot vaststelling en wijziging van de lijst nemen na
raadpleging van het Europees Parlement. ê 2005/85/EG
overweging 20 (aangepast) (32)
Uit de status van Bulgarije en Roemenië als kandidaat-lidstaten van de
Europese Unie en uit de vorderingen van deze landen op weg naar het
lidmaatschap vloeit voort dat zij voor de toepassing van deze richtlijn tot de
datum van hun toetreding tot de Europese Unie als veilige landen van herkomst
moeten worden beschouwd. ê 2005/85/EG
overweging 21 ð nieuw (33)
De aanmerking van een derde land als veilig land
van herkomst in de zin van deze richtlijn kan geen absolute waarborg vormen
voor de veiligheid van de onderdanen van dat land. De aard van de aan de
aanmerking ten grondslag liggende beoordeling impliceert dat er enkel rekening
kan worden gehouden met de algemene civiele, juridische en politieke
omstandigheden in dat land en met het feit dat actoren van vervolging,
foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de
praktijk worden gestraft wanneer zij in het betrokken land schuldig worden
bevonden. Om deze reden is het van belang dat, wanneer een ð verzoeker ï asielzoeker ð geldige ï ernstige redenen aanvoert
om het land als niet-veilig in zijn bijzondere omstandigheden te beschouwen, de
aanmerking van het land als veilig land niet langer als voor hem ter zake
doende kan worden beschouwd. ê 2005/85/EG
overweging 22 (aangepast) ð nieuw (34)
De lidstaten moeten alle verzoeken onderzoeken op
de inhoud, met andere woorden beoordelen of de betrokken ð verzoeker ï asielzoeker al dan niet
in aanmerking komt voor internationale
bescherming als vluchteling overeenkomstig
overeenkomstig Richtlijn […/.../EU] [erkenningsrichtlijn]
Richtlijn
2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende minimumnormen voor de
erkenning en de status van onderdanen van derde landen en staatlozen als
vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft,
en de inhoud van de verleende bescherming, behoudens andere
bepalingen in onderhavige richtlijn, met name indien redelijkerwijs kan worden
aangenomen dat een ander land het onderzoek zal doen of voldoende bescherming
zal verlenen. De lidstaten dienen met name niet te worden verplicht de inhoud
van een asielverzoek ð verzoek om internationale
bescherming ï te beoordelen indien een eerste land van asiel de asielzoeker ð verzoeker ï de vluchtelingenstatus of anderszins voldoende
bescherming heeft verleend en indien de asielzoeker
ð verzoeker ï opnieuw in dat land zal worden toegelaten. ê 2005/85/EG
overweging 23 ð nieuw (35)
De lidstaten dienen evenmin te worden verplicht de
inhoud van ð een verzoek om internationale
bescherming ï asielverzoek te
beoordelen indien op grond van een ð voldoende ï band met een derde land, zoals omschreven in de nationale wetgeving,
redelijkerwijs kan worden verwacht dat de ð verzoeker ï asielzoeker in dat derde
land bescherming zoekt ð , en er redenen zijn om aan te nemen dat de
verzoeker tot het grondgebied van die lidstaat zal worden toegelaten of opnieuw
zal worden toegelaten ï. De lidstaten mogen slechts op die basis handelen indien de ð verzoeker ï asielzoeker
in het betrokken derde land veilig is. Teneinde secundaire stromen ð verzoekers ï asielzoekers
te vermijden, moeten gemeenschappelijke principes worden vastgesteld voor het
als veilig beschouwen of aanmerken van derde landen door de lidstaten. ê 2005/85/EG
overweging 24 ð nieuw (36)
Voorts zouden de lidstaten met betrekking tot
bepaalde Europese derde landen, die bijzonder hoge normen inzake mensenrechten
en de bescherming van vluchtelingen in acht nemen, het recht moeten hebben om ð verzoeken om internationale
bescherming ï asielverzoeken
betreffende ð verzoekers ï asielzoekers
die vanuit deze Europese derde landen hun grondgebied binnenkomen, niet of niet
volledig te onderzoeken. Gezien de
mogelijke gevolgen voor de asielzoeker van een beperkt of niet uitgevoerd
onderzoek moet deze toepassing van het begrip "veilig derde land"
worden beperkt tot zaken in verband met derde landen waarvoor de Raad zich
ervan heeft vergewist dat aan de in onderhavige richtlijn vastgestelde hoge
normen voor de veiligheid van het betrokken derde land is voldaan. De Raad moet
de beslissingen ter zake nemen na raadpleging van het Europees Parlement. ê 2005/85/EG
overweging 25 De aard van de in onderhavige
richtlijn bepaalde gemeenschappelijke normen betreffende de twee begrippen
"veilig derde land" impliceert dat de praktische gevolgen van deze
begrippen afhangen van de vraag of het betrokken derde land de betrokken
asielzoeker op zijn grondgebied toelaat. ò nieuw (37)
Om de regelmatige
uitwisseling van informatie over de nationale toepassing van de begrippen
veilig land van herkomst, veilig derde land en Europees veilig derde land te
vergemakkelijken en om eventuele verdere harmonisatie in de toekomst voor te
bereiden, moeten de lidstaten de Commissie kennisgeven van of op gezette tijden
informeren over de derde landen waarop deze begrippen worden toegepast. ê 2005/85/EG
overweging 26 ð nieuw (38)
Met betrekking tot het intrekken van de
vluchtelingenstatus ð of de
internationale-beschermingsstatus ï zien de lidstaten erop toe dat de personen die ð internationale bescherming genieten ï de vluchtelingenstatus bezitten,
naar behoren worden ingelicht over een eventuele heroverweging van hun status
en de gelegenheid hebben hun standpunt naar voren te brengen voordat de
autoriteiten een gemotiveerde beslissing tot intrekking van hun status kunnen
nemen. Van deze waarborgen kan evenwel worden afgezien
indien de redenen voor de beëindiging van de vluchtelingenstatus geen verband
houden met een wijziging van de voorwaarden waarop de erkenning was gebaseerd. ê 2005/85/EG
overweging 27 (aangepast) ð nieuw (39)
Krachtens een fundamenteel beginsel van het Ö recht van de
Unie Õ Gemeenschapsrecht
moet tegen beslissingen inzake een asielverzoek
ð verzoek om internationale bescherming,
beslissingen inzake een weigering om de behandeling van een verzoek na de
onderbreking ervan te hervatten, ï en Ö beslissingen Õ inzake de intrekking
van de vluchtelingenstatus ð of de
subsidiaire-beschermingsstatus ï een daadwerkelijk rechtsmiddel openstaan voor een rechterlijke
instantie in de zin van artikel 234 van het Verdrag tot
oprichting van de Europese Gemeenschap. Of het om een daadwerkelijk rechtsmiddel gaat, hangt,
ook wat het onderzoek van de relevante feiten betreft, af van het - als één
geheel beschouwde - bestuurlijke en justitiële systeem van elke lidstaat.
ê 2005/85/EG
overweging 28 (40)
Overeenkomstig artikel 72 64 van het Verdrag
tot
oprichting van de Europese Gemeenschap betreffende de werking van de Europese Unie
laat deze richtlijn de uitoefening van de verantwoordelijkheden van de
lidstaten ten aanzien van de handhaving van de openbare orde en de bescherming
van de binnenlandse veiligheid onverlet. ê 2005/85/EG
overweging 29 ð nieuw (41)
Deze richtlijn heeft geen betrekking op procedures ð tussen de lidstaten ï die vallen onder Verordening (EG) nr. 343/2003 van de
Raad van 18 februari 2003 Verordening (EU)
nr. […/…] [tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te
bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek ð verzoek om internationale
bescherming ï dat door een onderdaan van een derde land ð of een staatloze ï bij een van de lidstaten wordt ingediend] (de Dublinverordening). ò nieuw (42)
De verzoekers op wie
Verordening (EU) nr. […/…] [de Dublinverordening] van toepassing is,
moeten zich kunnen beroepen op de fundamentele beginselen en waarborgen die
zijn vastgesteld in de onderhavige richtlijn en op de bijzondere waarborgen
overeenkomstig Verordening (EU) nr. […/…] [de Dublinverordening]. ê 2005/85/EG
overweging 30 (43)
De toepassing van deze richtlijn dient regelmatig en ten minste om de twee jaar
te worden beoordeeld. ê 2005/85/EG
overweging 31 (aangepast) (44)
Daar de doelstellingen van deze richtlijn, namelijk het vaststellen van minimumnormen voor
de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de
vluchtelingenstatus, niet voldoende door de
lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve wegens de omvang en de
gevolgen van het optreden beter door de Ö Unie Õ Gemeenschap
worden verwezenlijkt, kan de Ö Unie Õ Gemeenschap,
overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende
de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen
nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel
gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te
verwezenlijken. ê 2005/85/EG
overweging 32 Overeenkomstig artikel 3 van het
Protocol betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, gehecht
aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van
de Europese Gemeenschap, heeft het Verenigd Koninkrijk bij brief van 24 januari
2001 kennis gegeven van zijn wens deel te nemen aan de aanneming en toepassing
van deze richtlijn. ê 2005/85/EG
overweging 33 Overeenkomstig artikel 3 van het
Protocol betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, gehecht
aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van
de Europese Gemeenschap, heeft Ierland bij brief van 14 februari 2001 kennis
gegeven van zijn wens deel te nemen aan de aanneming en toepassing van deze
richtlijn. ò nieuw (45)
Overeenkomstig
artikel 4bis, lid 1, van het aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en
het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie gehechte Protocol nr.
21 betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien
van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, en onverminderd lid 2 van dat
artikel, zijn het Verenigd Koninkrijk en Ierland, zo lang zij de Commissie er
niet van in kennis hebben gesteld dat zij deze maatregel wensen te aanvaarden,
overeenkomstig artikel 4 van dat Protocol, er niet door gebonden en blijven zij
gebonden door Richtlijn 2005/85/EG. ê 2005/85/EG
overweging 34 (46)
Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van het Protocol
betreffende de positie van Denemarken, gehecht aan het Verdrag betreffende de
Europese Unie en het Verdrag betreffende de
werking van de Europese Unie tot oprichting van de Europese
Gemeenschap, neemt Denemarken niet deel aan de
aanneming van deze richtlijn en is deze richtlijn niet bindend voor, noch van
toepassing in Denemarken. ê 2005/85/EG
overweging 8 ð nieuw (47)
Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt
de beginselen in acht die met name
zijn neergelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. ðDeze richtlijn beoogt meer bepaald te
waarborgen dat de menselijke waardigheid ten volle wordt geëerbiedigd en te bevorderen
dat de artikelen 1, 18, 19, 21, 23, 24 en 47 van het Handvest worden toegepast
en moet dienovereenkomstig worden uitgevoerd. ï ò nieuw (48)
De verplichting om deze
richtlijn in nationaal recht om te zetten, dient beperkt te blijven tot de
bepalingen die een materiële wijziging ten opzichte van de eerdere richtlijnen
inhouden. De verplichting tot omzetting van de ongewijzigde bepalingen
vloeit voort uit de vorige richtlijn. (49)
Deze richtlijn dient de
verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage II,
deel B, genoemde termijn voor omzetting in nationaal recht van de aldaar
genoemde richtlijn onverlet te laten, ê 2005/85/EG ð nieuw HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN
VASTGESTELD: HOOFDSTUK I Algemene bepalingen Artikel 1 Doel Deze richtlijn beoogt de vaststelling van ð gemeenschappelijke ï minimumnormen voor de
procedures in de lidstaten
voor de toekenning of intrekking van de ð internationale-beschermingsstatus in de
zin van Richtlijn […/.../EU] [erkenningsrichtlijn] ï vluchtelingenstatus. Artikel 2 Definities In deze richtlijn wordt verstaan onder: a) "Verdrag van Genève": het
Verdrag van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen, gewijzigd bij
het Protocol van New York van 31 januari 1967; b) "asielverzoek": een door een onderdaan
van een derde land of een staatloze ingediend verzoek dat kan worden opgevat
als een verzoek om verlening van internationale bescherming door een lidstaat
op grond van het Verdrag van Genève. Elk verzoek om internationale bescherming wordt
als een asielverzoek beschouwd, tenzij de betrokkene uitdrukkelijk vraagt om
een andere vorm van bescherming waarvoor een afzonderlijk verzoek kan worden
ingediend; ò nieuw b) "verzoek"
of "verzoek om internationale bescherming": een verzoek van een
onderdaan van een derde land of een staatloze om bescherming van een lidstaat,
waarbij ervan kan worden uitgegaan dat de betrokkene de vluchtelingenstatus of
de subsidiaire-beschermingsstatus wenst en waarbij de betrokkene niet
uitdrukkelijk verzoekt om een andere, niet onder Richtlijn […/.../EU] [erkenningsrichtlijn]
vallende vorm van bescherming waarom afzonderlijk kan worden gevraagd; ê 2005/85/EG ð nieuw c) "asielzoeker" ð "verzoeker" of "persoon
die om internationale bescherming verzoekt" ï : een onderdaan van een derde land of een staatloze die een ð verzoek om internationale bescherming ï asielverzoek heeft
ingediend waarover nog geen definitieve beslissing is genomen; ò nieuw d) "verzoeker
die bijzondere procedurele waarborgen behoeft": een verzoeker die ten
gevolge van leeftijd, gender, seksuele gerichtheid, genderidentiteit, handicap,
ernstige lichamelijke aandoeningen, psychische aandoeningen, posttraumatische
stoornissen of de gevolgen van foltering, verkrachting of andere ernstige
vormen van psychisch, fysiek of seksueel geweld, bijzondere waarborgen behoeft
om aanspraak te kunnen maken op de rechten en te kunnen voldoen aan de
verplichtingen waarin deze richtlijn voorziet; ê 2005/85/EG ð nieuw e d) "definitieve beslissing": een
beslissing of de onderdaan van een derde land of de staatloze de
vluchtelingenstatus ð of de
subsidiaire-beschermingsstatus ï wordt verleend overeenkomstig Richtlijn
[…/…/EU] [erkenningsrichtlijn] Richtlijn 2004/83/EG,
waartegen geen rechtsmiddel meer openstaat in het kader van hoofdstuk V,
ongeacht of dit rechtsmiddel tot gevolg heeft dat de ð verzoekers ï asielzoekers
in de lidstaten mogen blijven in afwachting van het resultaat, behoudens bijlage III; f e) "beslissingsautoriteit": elk
semi-rechterlijk of administratief orgaan in een lidstaat dat met de
behandeling van ð verzoeken om internationale bescherming ï asielverzoeken is belast
en bevoegd is daarover in eerste aanleg een beslissing te nemen, behoudens bijlage I; g f) "vluchteling": de onderdaan van
een derde land of de staatloze die voldoet aan de voorwaarden van artikel 2, onder d, van Richtlijn […/…/EU] [erkenningsrichtlijn]
1
van het Verdrag van Genève, zoals die zijn opgenomen in Richtlijn 2004/83/EG; ò nieuw h) "persoon
die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komt": een onderdaan van
een derde land of een staatloze die voldoet aan de voorwaarden van
artikel 2, onder f), van Richtlijn […/.../EU] [erkenningsrichtlijn]; i) "internationale-beschermingsstatus":
de erkenning, door een lidstaat, van een onderdaan van een derde land of een
staatloze als vluchteling of als persoon die voor subsidiaire bescherming in
aanmerking komt; ê 2005/85/EG j g) "vluchtelingenstatus": de
erkenning door een lidstaat van een onderdaan van een derde land of een
staatloze als vluchteling; ò nieuw k) "subsidiaire-beschermingsstatus":
de erkenning, door een lidstaat, van een onderdaan van een derde land of een
staatloze als persoon die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komt; l) "minderjarige":
een onderdaan van een derde land of een staatloze die jonger is dan 18 jaar; ê 2005/85/EG ð nieuw m h) "niet-begeleide minderjarige": ð een minderjarige in de zin van artikel
2, onder l), van Richtlijn […/.../EU] [erkenningsrichtlijn] ï een persoon jonger dan 18 jaar die zonder
begeleiding van een krachtens de wet of het gewoonterecht voor hem
verantwoordelijke volwassene op het grondgebied van een lidstaat aankomt,
zolang hij niet daadwerkelijk onder de hoede van een dergelijke volwassene
staat; hieronder vallen minderjarigen die zonder begeleiding worden
achtergelaten nadat zij op het grondgebied
van een lidstaat zijn aangekomen; n i) "vertegenwoordiger": ð een persoon of een organisatie die door
de bevoegde instanties is aangewezen om als wettelijke voogd op te treden
teneinde een niet-begeleide minderjarige bij te staan en te vertegenwoordigen
met het oog op de behartiging van de belangen van het kind en, indien nodig, de
verrichting van rechtshandelingen voor de minderjarige. Wanneer een organisatie
als vertegenwoordiger optreedt, duidt zij een persoon aan die bevoegd is om ten
aanzien van de minderjarige de taken van de wettelijke voogd uit te voeren, overeenkomstig
deze richtlijn. ï een persoon die optreedt namens een organisatie
die een niet-begeleide minderjarige als wettelijke voogd vertegenwoordigt, een
persoon die optreedt namens een nationale organisatie die belast is met de zorg
voor en het welzijn van niet-begeleide minderjarigen, of elke andere
passende vertegenwoordiging die is aangewezen om de belangen van de
minderjarige te behartigen; o j) "intrekking van de ð internationale-beschermingsstatus ï vluchtelingenstatus":
de beslissing van een bevoegde autoriteit om iemands vluchtelingenstatus ð of subsidiaire-beschermingsstatus ï overeenkomstig Richtlijn […/…/EU] [erkenningsrichtlijn]
2004/83/EG
in te trekken, te beëindigen dan wel de verlenging ervan te weigeren; p k) "in de lidstaat blijven": op het
grondgebied blijven van de lidstaat waar het ð verzoek om internationale
bescherming ï asielverzoek is ingediend
of wordt behandeld, daaronder begrepen aan de grens of in een transitzone van
die lidstaat;. ò nieuw q) "volgend
verzoek": een verzoek dat wordt ingediend nadat een definitieve beslissing
over een vorig verzoek is genomen, met inbegrip van de gevallen waarin de
verzoeker zijn verzoek expliciet heeft ingetrokken en de gevallen waarin de
beslissingsautoriteit een verzoek heeft afgewezen na de impliciete intrekking
ervan overeenkomstig artikel 28, lid 1. ê 2005/85/EG
(aangepast) ð nieuw Artikel 3 Toepassingsgebied 1. Deze richtlijn is van toepassing
op alle ð verzoeken om internationale
bescherming ï asielverzoeken die op het
grondgebied, daaronder begrepen aan de grens ð , in de territoriale wateren ï of in de transitzones van de lidstaten, worden ingediend en op de
intrekking van de ð internationale-beschermingsstatus ï vluchtelingenstatus. 2. De richtlijn is niet van toepassing op verzoeken om diplomatiek of
territoriaal asiel die bij vertegenwoordigingen van de lidstaten worden
ingediend. 3. Wanneer
de lidstaten een procedure volgen of invoeren waarbij asielverzoeken
tegelijkertijd worden behandeld als verzoeken op basis van het Verdrag van
Genève en als verzoeken om andere vormen van internationale bescherming verleend overeenkomstig de in artikel 15 van
Richtlijn 2004/83/EG bepaalde omstandigheden, passen zij de richtlijn gedurende
de gehele procedure toe. 3. 4. Bovendien De lidstaten kunnen de
lidstaten besluiten deze richtlijn toe te passen bij
procedures waarin wordt beslist over verzoeken om ongeacht welke vorm van
internationale bescherming ð die niet onder het toepassingsgebied
van Richtlijn […/.../EU] [erkenningsrichtlijn] vallen ï . Artikel 4 Bevoegde
instanties 1. De lidstaten wijzen voor alle
procedures een beslissingsautoriteit aan die de verzoeken naar
behoren dient te behandelen overeenkomstig de bepalingen van deze richtlijn, met name artikel 8, lid 2, en artikel 9.
ð De lidstaten zorgen ervoor dat die
autoriteit over passende middelen beschikt, inclusief personeel dat bekwaam is
om de taken van de autoriteit overeenkomstig deze richtlijn uit te voeren ï . Overeenkomstig artikel 4, lid 4, van
Verordening (EG) nr. 343/2003 worden in een lidstaat ingediende
asielverzoeken die gericht zijn aan de autoriteiten van een andere lidstaat die
aldaar immigratiecontroles verricht, behandeld door de lidstaat op het
grondgebied waarvan het verzoek wordt ingediend. 2. De lidstaten kunnen evenwel
in de onderstaande gevallen bepalen dat een andere Ö dan de in lid 1
genoemde Õ autoriteit
verantwoordelijk is voor: a) ð de behandeling van gevallen overeenkomstig
Verordening (EU) nr. […/….] [de Dublinverordening], en ï de behandeling van gevallen waarbij overwogen
wordt de asielzoeker over te brengen naar een andere staat overeenkomstig de
voorschriften tot vaststelling van de criteria en mechanismen om te bepalen
welke staat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek, en
wel tot het moment waarop de overdracht
plaatsheeft of de aangezochte staat heeft geweigerd de asielzoeker ten laste te
nemen of terug te nemen; b) het nemen van een
beslissing over het verzoek in het licht van de bepalingen inzake nationale
veiligheid, op voorwaarde dat de beslissingsautoriteit
voorafgaand aan deze beslissing wordt geraadpleegd of de asielzoeker al dan
niet in aanmerking komt als vluchteling overeenkomstig Richtlijn 2004/83/EG; c) het verrichten van een
voorafgaand onderzoek uit hoofde van artikel 32, mits deze autoriteit toegang heeft tot het dossier van de
asielzoeker betreffende het vorige asielverzoek; d) de behandeling van
gevallen in het kader van de procedure van artikel 35, lid 1; b e) ð het verlenen of ï het weigeren van de toegang in het kader van de procedure van artikel ð 43 ï 35, leden 2 tot en
met 5, onder de in deze leden bepaalde
voorwaarden ð en op grond van het advies van de
beslissingsautoriteit. ï ; f) de vaststelling dat een
asielzoeker de lidstaat vanuit een veilig derde land is binnengekomen of tracht
binnen te komen vanuit een veilig derde land overeenkomstig artikel 36, onder
de in dit artikel bepaalde voorwaarden. ò nieuw 3. De
lidstaten zorgen ervoor dat het personeel van de beslissingsautoriteit goed
opgeleid is. Daartoe bieden de lidstaten basisopleiding en, indien nodig,
vervolgopleiding aan die de in artikel 6, lid 4, onder a) tot en met
e), van Verordening (EU) nr. 439/2010 opgesomde elementen bevatten. De
lidstaten houden ook rekening met de opleiding die het Europees
Ondersteuningsbureau voor asielzaken vaststelt en ontwikkelt. ê 2005/85/EG
(aangepast) 4. 3. Bij het aanwijzen van Ö een
autoriteit Õ autoriteiten
overeenkomstig het bepaalde in lid 2 dragen de lidstaten er zorg voor dat het
personeel van deze autoriteiten over de passende kennis beschikt of de nodige
opleiding krijgt om zijn verplichtingen in het kader van de toepassing van deze
richtlijn na te komen. ò nieuw 5. Verzoeken
om internationale bescherming die in een lidstaat worden ingediend bij de
autoriteiten van een andere lidstaat die daar grens- of immigratiecontroles
uitvoeren, worden behandeld door de lidstaat op het grondgebied waarvan het
verzoek wordt ingediend. ê 2005/85/EG ð nieuw Artikel 5 Gunstigere
bepalingen De lidstaten kunnen gunstigere normen voor de
procedures voor de toekenning of intrekking van ð internationale bescherming ï de vluchtelingenstatus
invoeren of handhaven, voor zover die verenigbaar zijn met deze richtlijn. HOOFDSTUK II Uitgangspunten en waarborgen Artikel 6 Toegang tot de
procedure 1. De lidstaten kunnen
voorschrijven dat ð verzoeken om internationale
bescherming ï asielverzoeken
persoonlijk en/of op een aangewezen plaats moeten worden ingediend ð , onverminderd de leden 2, 3 en 4 ï . ò nieuw 2. De
lidstaten zorgen ervoor dat een persoon die een verzoek om internationale
bescherming wil indienen, daadwerkelijk de mogelijkheid heeft om het verzoek zo
snel mogelijk in te dienen. 3. Wanneer
een persoon verklaart een verzoek om internationale bescherming te willen indienen,
zorgen de lidstaten ervoor dat het feit dat die persoon een verzoeker is, zo
spoedig mogelijk geregistreerd wordt en uiterlijk 72 uur na die verklaring. Daartoe zorgen de
lidstaten ervoor dat het personeel van de instanties die dergelijke
verklaringen kunnen ontvangen, passend wordt geïnstrueerd en de nodige
opleiding krijgt. Bij de toepassing van
dit lid houden de lidstaten rekening met de relevante richtsnoeren van het
Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken. 4. Wanneer
een groot aantal onderdanen van derde landen of staatlozen tegelijk om
internationale bescherming verzoekt, waardoor het in de praktijk onmogelijk is
om de in lid 3 vastgestelde termijn van 72 uur na te leven, kunnen de
lidstaten voorzien in een verlenging van die termijn tot 7 werkdagen. ê 2005/85/EG
(aangepast) 2. De
lidstaten zorgen ervoor dat elke handelingsbekwame meerderjarige het recht
heeft een eigen asielverzoek in te dienen. 3. De
lidstaten kunnen bepalen dat een verzoeker een verzoek kan indienen
namens de personen die te zijnen laste komen. De lidstaten zorgen er in deze gevallen voor dat
de meerderjarigen die ten laste van de asielzoeker komen, ermee instemmen dat
namens hen een asielverzoek wordt ingediend en dat zij, indien zij daar niet
mee instemmen, zelf een asielverzoek kunnen indienen. De instemming wordt gevraagd op het tijdstip waarop het asielverzoek
wordt ingediend of uiterlijk wanneer de meerderjarige die ten laste van de
asielzoeker komt, persoonlijk wordt gehoord. 4. De
lidstaten kunnen in hun nationale wetgeving bepalen: a) in welke gevallen een minderjarige zelf een asielverzoek kan
indienen; b) in welke gevallen het asielverzoek van een niet-begeleide
minderjarige moet worden ingediend door een vertegenwoordiger zoals bedoeld in
artikel 17, lid 1, onder a); c) in welke gevallen de indiening
van een asielverzoek ook wordt beschouwd als de indiening van een asielverzoek
voor ongehuwde minderjarigen. 5. De
lidstaten zorgen ervoor dat de autoriteiten waartoe iemand die een asielverzoek
wil indienen zich waarschijnlijk zal
richten, deze persoon advies kunnen verlenen over hoe en waar hij een
asielverzoek kan indienen, en/of kunnen deze autoriteiten verzoeken het
asielverzoek aan de bevoegde autoriteit door te geven. ê 2005/85/EG
artikel 6 ð nieuw Artikel 7 Verzoeken namens afhankelijke personen of minderjarigen 1. 2. De
lidstaten zorgen ervoor dat elke handelingsbekwame meerderjarige het recht
heeft een eigen ð verzoek om internationale
bescherming ï asielverzoek in te
dienen. 2. 3. De
lidstaten kunnen bepalen dat een ð verzoeker ï asielzoeker een ð verzoek ï asielverzoek kan indienen
namens de personen die te zijnen laste komen. De
lidstaten zorgen er in deze gevallen voor dat de meerderjarigen die ten laste
van de ð verzoeker ï asielzoeker komen, ermee
instemmen dat namens hen een asielverzoek
wordt ingediend en dat zij, indien zij daar niet mee instemmen, zelf een asielverzoek kunnen
indienen. De instemming wordt gevraagd op het tijdstip
waarop het asielverzoek wordt
ingediend of uiterlijk wanneer de meerderjarige die ten laste van de ð verzoeker ï asielzoeker komt,
persoonlijk wordt gehoord. ðVooraleer de instemming wordt gevraagd, wordt
elke volwassene onder hen persoonlijk en individueel medegedeeld wat daarvan de
procedurele gevolgen zijn en dat hij het recht heeft om een afzonderlijk
verzoek om internationale bescherming in te dienen. ï ò nieuw 3. De
lidstaten zorgen ervoor dat een minderjarige het recht heeft om een verzoek om
internationale bescherming in te dienen, ofwel zelf als hij daartoe volgens het
nationale recht van de betrokken lidstaat handelingsbekwaam is, ofwel via zijn
ouders of een ander volwassen familielid, ofwel via een volwassene die voor hem
verantwoordelijk is, hetzij krachtens de wet, hetzij volgens de gangbare
praktijk in de betrokken lidstaat, ofwel via een vertegenwoordiger. 4. De
lidstaten zorgen ervoor dat de in artikel 10 van
Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad[10] bedoelde
bevoegde instanties het recht hebben om namens een niet-begeleide minderjarige
een verzoek om internationale bescherming in te dienen, indien deze instanties
op grond van een individuele beoordeling van de persoonlijke situatie van de
minderjarige van mening zijn dat deze beschermingsbehoeften in de zin van
Richtlijn […/.../EU] [erkenningsrichtlijn] kan hebben. ê 2005/85/EG
artikel 6 ð nieuw 5. 4. De
lidstaten kunnen in hun nationale wetgeving bepalen: a) in welke gevallen een minderjarige zelf
een asielverzoek kan
indienen; b) in welke gevallen het asielverzoek van een
niet-begeleide minderjarige moet worden ingediend door een vertegenwoordiger
zoals bedoeld in artikel 25 17,
lid 1, onder a); c) in welke gevallen de indiening van een ð verzoek om internationale
bescherming ï asielverzoek ook wordt
beschouwd als de indiening van een ð verzoek om internationale bescherming ï asielverzoek voor
ongehuwde minderjarigen. ò nieuw Artikel 8 Informatie- en adviesverstrekking aan grensdoorlaatposten en in
accommodaties voor bewaring 1.
De lidstaten zorgen ervoor
dat in accommodaties voor bewaring en aan grensdoorlaatposten, met inbegrip van
transitzones, aan de buitengrenzen informatie beschikbaar is over de
mogelijkheid om internationale bescherming te vragen. De lidstaten bieden
tolkdiensten aan voor zover dat nodig is om de toegang tot de procedure op die
plaatsen te vergemakkelijken. 2. De
lidstaten zorgen ervoor dat organisaties die advies aanbieden aan personen die
om internationale bescherming verzoeken, toegang hebben tot de
grensdoorlaatposten, met inbegrip van transitzones, aan de buitengrenzen. De
lidstaten kunnen regels vaststellen voor de aanwezigheid van dergelijke
organisaties op die plaatsen en kunnen vaststellen dat dergelijke toegang het
voorwerp moet uitmaken van een overeenkomst met de bevoegde autoriteiten van de
lidstaat. ê 2005/85/EG ð nieuw Artikel 9
7
Het recht om
gedurende de behandeling van het
asielverzoek in de
lidstaat te blijven 1. ð Verzoekers ï Asielzoekers mogen in de
lidstaat blijven, louter ten behoeve van de procedure, totdat de
beslissingsautoriteit overeenkomstig de in hoofdstuk III uiteengezette
procedures in eerste aanleg een beslissing heeft genomen. Dit recht om te
blijven houdt niet in dat de betrokkene recht heeft op een verblijfsvergunning. 2. De lidstaten kunnen alleen een uitzondering maken voor de gevallen
waarin ð een persoon ï een volgend asielverzoek
ð indient, zoals bedoeld in artikel
41 ï overeenkomstig de artikelen 32 en 34
niet verder zal worden behandeld
of wanneer zij een persoon zullen overdragen of uitleveren, naar gelang van het
geval, aan hetzij een andere lidstaat uit hoofde van verplichtingen
overeenkomstig een Europees aanhoudingsbevel[11] of anderszins, hetzij een derde land ð , met uitzondering van het land van
herkomst van de betrokken verzoeker, ï of internationale strafhoven of tribunalen. ò nieuw 3. Een
lidstaat kan een verzoeker overeenkomstig lid 2 alleen uitleveren aan een derde
land wanneer de bevoegde autoriteiten zich ervan hebben vergewist dat een
uitleveringsbesluit niet zal leiden tot direct of indirect refoulement in
strijd met de internationale verplichtingen van de lidstaat. ê 2005/85/EG ð nieuw Artikel 10 8 Vereisten voor
de behandeling van asielverzoeken 1. Onverminderd artikel
23, lid 4, onder i), De lidstaten zorgen de
lidstaten ervoor ð dat verzoeken om internationale
bescherming ï asielverzoeken niet
worden afgewezen of van behandeling worden uitgesloten louter op grond van het
feit dat zij niet zo snel mogelijk zijn ingediend. ò nieuw 2. Bij
de behandeling van verzoeken om internationale bescherming gaat de
beslissingsautoriteit eerst na of de verzoekers als vluchteling kunnen worden
aangemerkt en zo niet, of zij voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen.
ê 2005/85/EG ð nieuw 3. 2. De
lidstaten zien erop toe dat de beslissingen van de beslissingsautoriteit ð over verzoeken om internationale
bescherming ï zijn gebaseerd op een deugdelijk onderzoek. Daartoe
zorgen de lidstaten ervoor dat: a) het onderzoek naar en de beslissing over asielverzoeken
individueel, objectief en onpartijdig wordt verricht, respectievelijk genomen; b) er nauwkeurige en actuele informatie wordt
verzameld uit verschillende bronnen, zoals informatie van ð het Europees Ondersteuningsbureau voor
asielzaken en ï de UNHCR, over de algemene situatie in de landen van oorsprong van ð verzoekers ï asielzoekers en, waar
nodig, in de landen van doorreis, en dat het personeel dat de asielverzoeken behandelt
en daarover beslist, over deze informatie kan beschikken; c) het
personeel dat de asielverzoeken behandelt
en daarover beslist, op de hoogte is van de normen die van toepassing zijn op
het gebied van het asiel- en vluchtelingenrecht;. ò nieuw d) het personeel dat verzoeken behandelt en
daarover beslist, de opdracht krijgt en tevens de mogelijkheid heeft om,
telkens wanneer dat nodig is, advies te vragen van deskundigen over specifieke
kwesties, zoals medische, culturele, religieuze, kind- of gendergerelateerde
kwesties. ê 2005/85/EG
(aangepast) ð nieuw 4. 3. De in hoofdstuk V bedoelde
instanties hebben via de beslissingsautoriteit of de ð verzoeker ï asielzoeker dan wel
anderszins toegang tot de in lid 3
2,
onder b), bedoelde algemene informatie die zij nodig hebben om hun taak uit te
oefenen. 5. 4. De lidstaten kunnen ð stellen ï voorschriften ð vast ï vaststellen voor de vertaling
van stukken die relevant zijn voor de behandeling van asielverzoeken. Artikel 11 9 Vereisten voor
een beslissing van de beslissingsautoriteit 1. De lidstaten zorgen ervoor
dat beslissingen over ð verzoeken om internationale bescherming ï asielverzoeken
schriftelijk worden bekendgemaakt. 2. De lidstaten zorgen er tevens
voor dat beslissingen waarbij asielverzoeken
worden afgewezen ð wat de vluchtelingenstatus en/of de
subsidiaire-beschermingsstatus betreft ï , in feite en in rechte worden gemotiveerd en dat schriftelijk
informatie wordt verstrekt over de wijze waarop een negatieve beslissing kan
worden aangevochten. De lidstaten hoeven het niet
toekennen van de vluchtelingenstatus niet te motiveren in de beslissing
waarbij aan de asielzoeker een status wordt toegekend die dezelfde rechten en
voordelen krachtens het nationale en het Gemeenschapsrecht biedt als de
vluchtelingenstatus overeenkomstig Richtlijn 2004/83/EG. In deze gevallen
zorgen de lidstaten ervoor dat het niet
toekennen van de vluchtelingenstatus in het dossier van de asielzoeker wordt
gemotiveerd en dat de asielzoeker op verzoek toegang krijgt tot zijn dossier. Voorts De lidstaten hoeven de
lidstaten geen schriftelijke informatie te verstrekken
over de wijze waarop tegen een negatieve beslissing schriftelijk beroep kan
worden aangetekend in samenhang met deze beslissing, indien de ð verzoeker ï asielzoeker in een
vroeger stadium, ofwel schriftelijk ofwel door voor hem toegankelijke
elektronische middelen, in kennis is gesteld van de wijze waarop een dergelijke
beslissing kan worden aangevochten. 3. Voor de toepassing van
artikel 7, lid 2, 6,
lid 3, en telkens wanneer het asielverzoek op dezelfde
gronden gebaseerd is, kunnen de lidstaten één beslissing nemen die geldt voor
alle personen die ten laste van de ð verzoeker ï asielzoeker komen ð , tenzij dit zou leiden tot de
bekendmaking van specifieke omstandigheden van een verzoeker die zijn belangen
kunnen schaden, met name in gevallen van vervolging op grond van gender,
seksuele geaardheid, genderidentiteit en/of leeftijd ï . Artikel 12 10 Waarborgen
voor ð personen die om
internationale bescherming verzoeken ï asielzoekers 1. De lidstaten zorgen ervoor
dat ten aanzien van de in hoofdstuk III vervatte procedures voor alle ð personen die om internationale
bescherming verzoeken ï asielzoekers de volgende
waarborgen gelden: a) zij moeten in een taal die zij ð begrijpen of ï Ö waarvan Õ redelijkerwijze geacht kunnen worden te
begrijpen Ö kan worden
aangenomen dat zij deze begrijpen Õ , worden ingelicht
over de te volgen procedure en over hun rechten en verplichtingen tijdens de
procedure, alsmede over de gevolgen die kunnen ontstaan indien zij hun
verplichtingen niet nakomen of niet met de autoriteiten samenwerken. Zij moeten
worden ingelicht over de termijnen, en over de middelen waarover zij
beschikken om te voldoen aan hun verplichting tot het indienen van de elementen
zoals bedoeld in artikel 4 van Richtlijn […/…/EU]
[erkenningsrichtlijn] 2004/83/EG ð en over de gevolgen van een expliciete
of impliciete intrekking van het verzoek ï . Deze informatie moet tijdig genoeg worden verstrekt om ð verzoekers ï asielzoekers in staat te
stellen de in deze richtlijn gewaarborgde rechten uit te oefenen en de in de
artikel 13 11
omschreven verplichtingen na te komen; b) zij moeten, telkens wanneer dat nodig is,
gebruik kunnen maken van de diensten van een tolk als zij hun zaak voorleggen
aan de bevoegde autoriteiten. De lidstaten beschouwen het verlenen van deze
diensten in elk geval als noodzakelijk wanneer de beslissingsautoriteit de ð verzoeker ï asielzoeker oproept voor een
onderhoud Ö wordt
gehoord Õ zoals bedoeld in de
artikelen 14, 15, 12
en 13, ð 16, 17 en 34 ï en een goede communicatie zonder die diensten niet kan worden
gewaarborgd. In dit geval, evenals in andere gevallen waarin de bevoegde
autoriteiten een beroep doen op de ð verzoeker ï asielzoeker, worden de
diensten van de tolk betaald uit openbare middelen; c) het wordt ð verzoekers ï asielzoekers niet
onmogelijk gemaakt contact op te nemen met de UNHCR of met een andere
organisatie ð die juridisch advies of raad geeft aan
personen die om internationale bescherming verzoeken overeenkomstig het
nationale recht van ï die krachtens een overeenkomst met de betrokken
lidstaat namens de UNHCR optreedt op het grondgebied van
die lidstaat; ò nieuw d) hun, en in
voorkomend geval, hun juridische adviseurs wordt de toegang tot de in artikel
10, lid 3, onder b), bedoelde informatie niet ontzegd, wanneer de
beslissingsautoriteit met die informatie rekening houdt om een beslissing te
nemen over hun verzoek; ê 2005/85/EG
(aangepast) ð nieuw e d) zij worden binnen een redelijke
termijn op de hoogte gesteld van de beslissing van de beslissingsautoriteit
over hun ð verzoek om internationale
bescherming ï asielverzoek. Indien een
juridische adviseur of een andere raadsman optreedt als wettelijke
vertegenwoordiger van de ð verzoeker ï asielzoeker, kunnen de
lidstaten besluiten in plaats van de ð persoon die om internationale
bescherming verzoekt ï asielzoeker deze vertegenwoordiger
op de hoogte te stellen van de beslissing; f e) zij worden in een taal die zij ð begrijpen of ï Ö waarvan Õ redelijkerwijze kunnen worden geacht te
begrijpen Ö kan worden aangenomen
dat zij deze begrijpen Õ , in kennis gesteld
van het resultaat van de beslissing van de beslissingsautoriteit indien zij
niet worden bijgestaan of vertegenwoordigd door een juridische adviseur of een
andere raadsman en indien kosteloze rechtsbijstand niet
beschikbaar is. Daarbij wordt ook informatie
verstrekt over de wijze waarop een negatieve beslissing kan worden aangevochten
overeenkomstig artikel 11 9,
lid 2. 2. De lidstaten zorgen ervoor
dat ten aanzien van de in hoofdstuk V vervatte procedures voor alle ð verzoekers ï asielzoekers waarborgen
gelden welke gelijkwaardig zijn aan de in lid 1, onder b), c), ð d) ï en e) d),
vermelde waarborgen. Artikel 13 11 Verplichtingen
van de ð personen die om
internationale bescherming verzoeken ï asielzoekers 1. ð De lidstaten leggen personen die om
internationale bescherming verzoeken de verplichting op om met de bevoegde
autoriteiten samen te werken om hun identiteit en andere in artikel 4, lid 2,
van Richtlijn […/…/EU] [erkenningsrichtlijn] bedoelde elementen vast te
stellen. ï De lidstaten kunnen ð verzoekers ï asielzoekers ð andere ï verplichtingen tot samenwerking met de bevoegde autoriteiten opleggen,
voorzover die verplichtingen nodig zijn voor de behandeling van het asielverzoek. 2. De lidstaten kunnen met name
bepalen dat: a) ð verzoekers ï asielzoekers zich
bij de bevoegde autoriteiten moeten melden of daar persoonlijk moeten
verschijnen, hetzij onverwijld, hetzij op een nader bepaald tijdstip; b) ð verzoekers ï asielzoekers documenten
die in hun bezit zijn en die relevant zijn voor de behandeling van hun asielverzoek, zoals hun
paspoort, moeten overhandigen, en c) ð verzoekers ï asielzoekers de bevoegde
autoriteiten moeten inlichten over hun huidige verblijfplaats of adres en hen
zo spoedig mogelijk moeten inlichten wanneer zij van verblijfplaats of adres
veranderen. De lidstaten kunnen bepalen dat de ð verzoeker ï asielzoeker iedere
kennisgeving op de recentste verblijfplaats die of het recentste adres dat hij
dienovereenkomstig heeft aangegeven, moet aanvaarden; d) de bevoegde autoriteiten de ð verzoeker ï asielzoeker en de
voorwerpen die hij bij zich draagt mogen fouilleren, respectievelijk
doorzoeken, ð op voorwaarde dat dat gebeurt door een
persoon van hetzelfde geslacht ï ; e) de bevoegde autoriteiten de ð verzoeker ï asielzoeker mogen
fotograferen, en f) de bevoegde autoriteiten de mondelinge
verklaringen van de ð verzoeker ï asielzoeker mogen
opnemen, mits hij daarover vooraf wordt ingelicht. Artikel 14 12 Persoonlijk
onderhoud 1. Alvorens de
beslissingsautoriteit een beslissing neemt, wordt de ð verzoeker ï asielzoeker in de
gelegenheid gesteld persoonlijk gehoord te worden over zijn ð verzoek om internationale
bescherming ï asielverzoek door een
daartoe naar nationaal recht bevoegde persoon. ðEen onderhoud over de inhoud van het verzoek
om internationale bescherming wordt afgenomen door het personeel van de
beslissingsautoriteit. ï De lidstaten kunnen ook elke
meerderjarige onder de in artikel 6, lid 3, bedoelde personen die ten laste van
de asielzoeker komt, de gelegenheid geven persoonlijk te worden gehoord. ò nieuw Wanneer een groot aantal
onderdanen van derde landen of staatlozen tegelijk om internationale
bescherming verzoekt, waardoor het voor de beslissingsautoriteit in de praktijk
onmogelijk is om tijdig het onderhoud over de inhoud van het verzoek af te
nemen, kunnen de lidstaten vaststellen dat het personeel van een andere
instantie tijdelijk kan worden ingeschakeld voor het afnemen van een dergelijk
onderhoud. In dergelijke gevallen krijgt het personeel van die instantie vooraf
de nodige opleiding die onder meer de in artikel 6, lid 4, onder a) tot en
met e), van Verordening (EU) nr. 439/2010 en in artikel 18, lid 5, van deze
richtlijn opgesomde elementen bevat. Wanneer
een persoon een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend namens de
personen die te zijnen laste komen, moet elke betrokken volwassene de
gelegenheid krijgen om persoonlijk te worden gehoord. ê 2005/85/EG
(aangepast) ð nieuw De lidstaten kunnen in hun nationale wetgeving
voorschrijven in welke gevallen een minderjarige de gelegenheid moet krijgen
persoonlijk te worden gehoord. 2. Er kan worden afgezien van
een persoonlijk onderhoud indien: a) de beslissingsautoriteit ð met betrekking tot de
vluchtelingenstatus ï een positieve beslissing kan nemen op basis van het beschikbare
bewijs, of b) de bevoegde autoriteit al
een ontmoeting met de asielzoeker heeft gehad om hem bij te staan bij de
indiening van zijn asielverzoek en de
overlegging van de essentiële informatie over het asielverzoek, zoals bedoeld
in artikel 4, lid 2, van Richtlijn 2004/83/EG, of c) de beslissingsautoriteit,
op basis van een volledige bestudering van de door de asielzoeker verstrekte
informatie, het verzoek als ongegrond
beschouwt in gevallen waarin de in artikel 23, lid 4, onder a), c), g), h) en
j), genoemde omstandigheden van toepassing zijn. 3. Er kan worden afgezien
van een persoonlijk onderhoud indien: b) het redelijkerwijs niet uitvoerbaar is, met
name indien de bevoegde
autoriteit ð beslissingsautoriteit ï van oordeel is dat de ð verzoeker ï asielzoeker niet
persoonlijk gehoord kan worden als gevolg van blijvende omstandigheden waarop
hij geen invloed heeft. Bij twijfel ð raadpleegt de beslissingsautoriteit een
medisch deskundige om na te gaan of deze toestand tijdelijk of permanent
is ï kunnen de lidstaten een medisch of psychologisch
attest verlangen. Indien de lidstaat aan de betrokkene of, indien van
toepassing, aan de persoon die ten laste van de asielzoeker komt, geen
gelegenheid biedt tot een Ö geen Õ persoonlijk
onderhoud Ö plaatsvindt Õ overeenkomstig Ö punt b) Õ dit lid
Ö of, indien van
toepassing, geen onderhoud met de ten laste komende persoon plaatsvond, Õ worden er redelijke
inspanningen gedaan om de ð verzoeker ï asielzoeker of de persoon
die te zijnen laste komt de kans te bieden nadere informatie te verstrekken. 3. 4. Het feit dat er geen persoonlijk
onderhoud heeft plaatsgevonden in overeenstemming met dit artikel belet de
beslissingsautoriteit niet een beslissing over een asielverzoek ð om internationale bescherming ï te nemen. 4. 5.. Het feit dat er geen persoonlijk
onderhoud heeft plaatsgevonden overeenkomstig lid 2, onder b), en c), of lid 3
heeft geen negatieve invloed op de beslissing van de beslissingsautoriteit. 5. 6. Onverminderd artikel 2820, lid 1, kunnen
de lidstaten bij hun beslissing inzake het asielverzoek
ð om internationale bescherming ï laten meewegen dat de ð verzoeker ï asielzoeker niet voor het
persoonlijke onderhoud is verschenen, tenzij hij daarvoor een geldige reden
had. Artikel 15 13 Vereisten voor
het persoonlijke onderhoud 1. Bij een persoonlijk onderhoud
zijn doorgaans geen familieleden aanwezig, tenzij de beslissingsautoriteit de
aanwezigheid van andere familieleden voor een behoorlijke behandeling
noodzakelijk acht. 2. Een persoonlijk onderhoud
vindt plaats in zodanige omstandigheden dat een passende geheimhouding wordt
gewaarborgd. 3. De lidstaten nemen de nodige
maatregelen om ervoor te zorgen dat een persoonlijk onderhoud plaatsvindt in
zodanige omstandigheden dat een ð verzoeker ï asielzoeker de gronden
voor zijn asielverzoek uitvoerig
uiteen kan zetten. Met het oog hierop dienen de lidstaten: a) erop toe te zien dat de persoon die het
persoonlijke onderhoud afneemt voldoende bekwaam is om rekening te houden met de
persoonlijke ð en ï of algemene
omstandigheden die een rol spelen bij het asielverzoek,
met inbegrip van de culturele achtergrond ð , gender, seksuele gerichtheid,
genderidentiteit of ï en kwetsbaarheid van de ð verzoeker ï asielzoeker ð in de zin van artikel 22 van Richtlijn
[…/…/EU] [richtlijn opvangvoorzieningen] ï , voorzover dat mogelijk is,
en ò nieuw b) voor zover
mogelijk, ervoor te zorgen dat het onderhoud met de verzoeker wordt afgenomen
door een persoon van hetzelfde geslacht indien de betrokken verzoeker daarom
verzoekt, ê 2005/85/EG
(aangepast) ð nieuw c b) een ð bekwame ï tolk te kiezen die in staat is de communicatie tussen de ð verzoeker ï asielzoeker en de persoon
die het persoonlijke onderhoud afneemt goed te doen verlopen. Daarbij Ö wordt Õ hoeft niet
noodzakelijkerwijs gebruik te worden gemaakt van de taal
waaraan de ð verzoeker ï asielzoeker de voorkeur
geeft Ö tenzij Õ indien
er een andere taal kan worden gebruikt die hij redelijkerwijs
kan worden geacht te begrijpen ð begrijpt ï en waarin hij ð helder ï kan communiceren. ð Voor zover mogelijk, zorgen de
lidstaten voor een tolk van hetzelfde geslacht indien de betrokken verzoeker
daarom verzoekt ï ; ò nieuw d) ervoor te
zorgen dat de persoon die een onderhoud over de inhoud van een verzoek om
internationale bescherming afneemt, geen militair of politie-uniform draagt; e) ervoor te
zorgen dat een onderhoud met een minderjarige wordt afgenomen op een
kindvriendelijke manier. ê 2005/85/EG 4. De lidstaten kunnen
voorschriften vaststellen inzake de aanwezigheid van derden bij het
persoonlijke onderhoud. 5. Dit artikel is tevens van toepassing op de in
artikel 12, lid 2, onder b), bedoelde ontmoeting. ò nieuw Artikel 16 Inhoud van een persoonlijk onderhoud Bij het afnemen van
een persoonlijk onderhoud over de inhoud van een verzoek om internationale
bescherming, zorgt de beslissingsautoriteit ervoor dat de verzoeker voldoende
in de gelegenheid wordt gesteld om zo volledig mogelijk de tot staving van het
verzoek noodzakelijke elementen aan te voeren, overeenkomstig artikel 4
van Richtlijn […/.../EU] [erkenningsrichtlijn]. De verzoeker moet onder meer in
de gelegenheid worden gesteld om uitleg te geven over eventueel ontbrekende
elementen en/of over inconsistenties of tegenstrijdigheden in zijn
verklaringen. ê 2005/85/EG Artikel 14 Status
van het verslag van een persoonlijk onderhoud in de procedure 1. De
lidstaten zorgen ervoor dat van elk persoonlijk onderhoud een schriftelijk
verslag wordt opgesteld dat ten minste de voornaamste informatie betreffende
het verzoek bevat zoals die is verstrekt
door de asielzoeker, overeenkomstig artikel 4, lid 2 van Richtlijn 2004/83/EG. 2. De
lidstaten zorgen ervoor dat asielzoekers tijdig toegang hebben tot het verslag
van het persoonlijk onderhoud. Wanneer de toegang pas na de beslissing van de beslissingsautoriteit wordt verleend, zorgen de
lidstaten ervoor dat toegang mogelijk is zodra dit nodig is voor het tijdig
voorbereiden en indienen vaneen beroep. 3. De
lidstaten kunnen bepalen dat de asielzoeker de inhoud van het verslag van het persoonlijk onderhoud moet
goedkeuren. Indien een asielzoeker weigert de
inhoud van het verslag goed te keuren, worden de redenen voor deze weigering in
het dossier van de asielzoeker opgenomen. De weigering van een asielzoeker om
de inhoud van het verslag goed te keuren, belet de beslissingsautoriteit
niet een beslissing over het asielverzoek te nemen. 4. Dit
artikel is tevens van toepassing op de in artikel 12, lid 2, onder b), bedoelde
ontmoeting. ò nieuw Artikel 17 Verslag over en opname van het persoonlijke onderhoud 1. De
lidstaten zorgen ervoor dat over elk persoonlijk onderhoud een uitvoerig
verslag wordt opgesteld dat alle essentiële elementen bevat. 2. De
lidstaten kunnen voorzien in de geluidsopname of audio-visuele opname van het
persoonlijke onderhoud. In dat geval zorgen de lidstaten ervoor dat de opname
van het persoonlijke onderhoud bij het verslag wordt gevoegd. 3. De
lidstaten zorgen ervoor dat de verzoeker, na afsluiting van het persoonlijke
onderhoud of binnen een bepaalde termijn voordat de beslissingsautoriteit een
beslissing neemt, in de gelegenheid wordt gesteld om opmerkingen te maken en/of
opheldering te verschaffen over verkeerd vertaalde of verkeerd begrepen
passages in het verslag. Daartoe zorgen de lidstaten ervoor dat de verzoeker
volledig wordt geïnformeerd over de inhoud van het verslag, zo nodig met
bijstand van een tolk. Daarna vragen de lidstaten de verzoeker om de inhoud van
het verslag goed te keuren. De lidstaten hoeven de
verzoeker niet te vragen de inhoud van het verslag goed te keuren wanneer het
onderhoud overeenkomstig lid 2 is opgenomen en de opname als bewijs wordt
toegelaten in procedures als bedoeld in hoofdstuk V. 4. Indien
een verzoeker weigert de inhoud van het verslag goed te keuren, worden de
redenen voor deze weigering in het dossier van de verzoeker opgenomen. De weigering van een
verzoeker om de inhoud van het verslag goed te keuren, belet de
beslissingsautoriteit niet om een beslissing over het verzoek te nemen. 5. Verzoekers
kan de toegang tot het verslag, en in voorkomend geval, tot de opname niet
worden ontzegd voordat de beslissingsautoriteit een beslissing neemt. Artikel 18 Medische verslagen 1. De
lidstaten staan een verzoeker toe zich medisch te laten onderzoeken om bij de
beslissingsautoriteit een medisch attest te kunnen indienen ter staving van
zijn verklaringen over vroegere vervolgingen of ernstige schade. De lidstaten
mogen verlangen dat de verzoeker de resultaten van het medisch onderzoek aan de
beslissingsautoriteit meedeelt binnen een redelijke termijn nadat hij over zijn
rechten overeenkomstig dit artikel werd ingelicht. Het feit dat de verzoeker de
resultaten van het medisch onderzoek niet binnen die termijn aan de
beslissingsautoriteit meedeelt zonder goede redenen, belet de
beslissingsautoriteit niet een beslissing over het verzoek om internationale
bescherming te nemen. 2. Onverminderd
lid 1 zorgt de beslissingsautoriteit ervoor dat, in gevallen waarin zij van
oordeel is dat er redenen zijn om aan te nemen dat de verzoeker niet in staat
is om een onderhoud te hebben en/of om accurate en samenhangende verklaringen
af te leggen of zijn mogelijkheden daartoe beperkt zijn als gevolg van
posttraumatische stressstoornis, vroegere vervolgingen of ernstige schade, een
medisch onderzoek wordt uitgevoerd met de toestemming van de verzoeker. Het
feit dat de verzoeker weigert een dergelijk medisch onderzoek te ondergaan,
belet de beslissingsautoriteit niet een beslissing over het verzoek om internationale
bescherming te nemen. 3. De
lidstaten stellen regelingen vast om onpartijdige en gekwalificeerde medische
expertise ter beschikking te stellen met het oog op de in lid 2 bedoelde
medische onderzoeken. 4. De
lidstaten stellen met het oog op de toepassing van dit artikel nadere
bepalingen en regelingen vast voor de herkenning en documentatie van symptomen
van foltering en andere ernstige vormen van fysiek, seksueel of psychisch
geweld. 5. De
lidstaten zorgen ervoor dat de personen die overeenkomstig deze richtlijn een
onderhoud hebben met de verzoekers, een opleiding krijgen betreffende de
herkenning van symptomen van foltering en van medische problemen die de
bekwaamheid van de verzoeker om een onderhoud te hebben, negatief kunnen
beïnvloeden. 6. De
resultaten van de in de leden 1 en 2 bedoelde medische onderzoeken worden
door de beslissingsautoriteit beoordeeld samen met de andere elementen van het
verzoek. Artikel 19 Kosteloze juridische en procedurele informatie in procedures in eerste
aanleg 1. De
lidstaten zorgen ervoor dat verzoekers op verzoek kosteloos juridische en
procedurele informatie krijgen in procedures in eerste aanleg, zoals bedoeld in
hoofdstuk III. Dit omvat ten minste inlichtingen over de procedure die zijn
toegesneden op de bijzondere omstandigheden van de verzoeker en, bij een
negatieve beslissing, uitleg over de desbetreffende redenen in feite en in
rechte. 2. Het
verstrekken van kosteloze juridische en procedurele informatie is onderworpen
aan de in artikel 21 vastgestelde voorwaarden. Artikel 20 Kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging in beroepsprocedures ê 2005/85/EG
artikel 15, lid 2 ð nieuw 1. In geval van een negatieve
beslissing van een beslissingsautoriteit, De lidstaten zorgen zorgen
de lidstaten ervoor dat, onverminderd het
bepaalde in lid 3, op verzoek kosteloze rechtsbijstand
en/of vertegenwoordiging
wordt geboden ð in beroepsprocedures overeenkomstig
hoofdstuk V. Deze rechtsbijstand omvat ten minste het opstellen van de vereiste
procedurestukken alsook de deelname, namens de verzoeker, aan een zitting van
een rechterlijke instantie van eerste aanleg. ï ò nieuw 2. De
lidstaten kunnen ook voorzien in kosteloze rechtsbijstand en/of
vertegenwoordiging in procedures in eerste aanleg overeenkomstig hoofdstuk III.
In dergelijke gevallen is artikel 19 niet van toepassing. 3. De
lidstaten mogen ervoor kiezen om kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging
niet aan te bieden indien het hoger beroep van de verzoeker volgens de
rechterlijke instantie geen reële kans van slagen heeft. In dat geval zorgen de
lidstaten ervoor dat de rechtsbijstand en vertegenwoordiging niet willekeurig
worden beperkt en dat de daadwerkelijke toegang tot de rechter voor de
verzoeker niet wordt belemmerd. 4. Kosteloze
rechtsbijstand en vertegenwoordiging zijn onderworpen aan de in artikel 21
vastgestelde voorwaarden. Artikel 21 Voorwaarden voor het aanbieden van kosteloze juridische en procedurele
informatie
en van kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging 1. De
lidstaten kunnen bepalen dat de in artikel 19 bedoelde juridische en
procedurele informatie en de in artikel 20 bedoelde rechtsbijstand en
vertegenwoordiging worden aangeboden door niet-gouvernementele organisaties,
overheidsfunctionarissen of gespecialiseerde overheidsdiensten. ê 2005/85/EG
artikel 15 (aangepast) ð nieuw 1. De lidstaten stellen asielzoekers
in de gelegenheid om op eigen kosten daadwerkelijk een juridische adviseur of
andere raadsman die door het nationale recht als zodanig is erkend of
toegelaten, te raadplegen over met hun
asielverzoek samenhangende aangelegenheden. 2. 3. De lidstaten kunnen er in hun nationale
wetgeving in voorzien Ö bepalen Õ dat ð de in artikel 19 bedoelde kosteloze
juridische en procedurele informatie en de in artikel 20 bedoelde ï Ö kosteloze Õ gratis
rechtsbijstand en/of vertegenwoordiging Ö worden aangeboden Õ wordt geboden,
zulks: a) uitsluitend voor
procedures voor een rechterlijke instantie
overeenkomstig hoofdstuk V en niet voor een verder beroep of bezwaar waarin het
nationale recht voorziet, waaronder een nieuwe behandeling van een beroep naar
aanleiding van een verder beroep of bezwaar, en/of a b) uitsluitend aan diegenen die niet
over voldoende middelen beschikken, en/of b c) uitsluitend Ö door de
diensten van Õ ten aanzien van
juridische adviseurs of andere raadslieden die door het nationale recht
uitdrukkelijk zijn aangewezen om ð personen die om internationale
bescherming verzoeken ï asielzoekers bij
te staan en/of te vertegenwoordigen., en/of d) uitsluitend indien het
beroep of het bezwaar een kans van slagen heeft. De lidstaten zorgen ervoor dat de op
grond van punt d) geboden rechtsbijstand en/of vertegenwoordiging niet
willekeurig wordt beperkt. 3. 4. De lidstaten kunnen
voorschriften vaststellen betreffende de nadere regels voor het indienen en
behandelen van dergelijke
verzoeken ð om de in artikel 19 bedoelde juridische
en procedurele informatie en ï Ö de in artikel
20 bedoelde rechtsbijstand en vertegenwoordiging Õ . 4. 5. De lidstaten kunnen voorts: a) financiële en/of tijdslimieten instellen
ten aanzien van de ð in artikel 19 bedoelde kosteloze
juridische en procedurele informatie en van ï Ö de in artikel
20 bedoelde kosteloze Õ bepaling inzake gratis
rechtsbijstand en/of vertegenwoordiging,
mits die limieten de beschikbaarheid ð van juridische en procedurele
informatie en ï van de rechtsbijstand en/of
vertegenwoordiging niet willekeurig beperken; b) bepalen dat de behandeling, wat de
honoraria en andere kosten betreft, niet gunstiger mag zijn dan de in het
algemeen aan hun burgers verleende behandeling in aangelegenheden die verband
houden met rechtsbijstand. 5. 6. De lidstaten kunnen om gehele of
gedeeltelijke terugbetaling van de betaalde bedragen verzoeken wanneer de
financiële situatie van de ð verzoeker ï asielzoeker aanzienlijk
is verbeterd of indien de beslissing om de kosten te betalen is genomen op
basis van door de ð verzoeker ï asielzoeker verstrekte
onjuiste informatie. ê 2005/85/EG
artikel 15, lid 1 (aangepast) ð nieuw Artikel 22 Recht op rechtsbijstand en vertegenwoordiging in alle fasen van de
procedure 1. De lidstaten stellen asielzoekers ð Verzoekers ï Ö worden Õ in de gelegenheid Ö gesteld Õ om op eigen kosten
daadwerkelijk een juridische adviseur of andere raadsman die door het nationale
recht als zodanig is erkend of toegelaten, ð in alle fasen van de procedure, ook na
een negatieve beslissing, ï te raadplegen over met hun ð verzoek om internationale
bescherming ï asielverzoek
samenhangende aangelegenheden. ò nieuw 2. De
lidstaten kunnen toestaan dat niet-gouvernementele organisaties in de in
hoofdstuk III en hoofdstuk V bedoelde procedures kosteloze rechtsbijstand
en/of vertegenwoordiging aanbieden aan personen die om internationale
bescherming verzoeken. ê 2005/85/EG
(aangepast) ð nieuw Artikel 23 16 Reikwijdte van
rechtsbijstand en vertegenwoordiging 1. De lidstaten zorgen ervoor
dat een juridische adviseur of andere raadsman die door het nationale recht als
zodanig is erkend of toegelaten en die de ð persoon die om internationale
bescherming verzoekt ï asielzoeker
overeenkomstig de bepalingen van het nationale recht bijstaat of
vertegenwoordigt, toegang heeft tot de informatie in het dossier van de ð verzoeker ï asielzoeker ð op grond waarvan een beslissing is of
zal worden genomen ï die door de in hoofdstuk V bedoelde autoriteiten
kan worden onderzocht, voorzover die informatie relevant is voor de behandeling
van het asielverzoek. De lidstaten kunnen een uitzondering maken wanneer
de openbaarmaking van informatie of bronnen de nationale veiligheid, de
veiligheid van de organisaties of personen die de informatie hebben verstrekt
dan wel de veiligheid van de perso(o)n(en) op wie de informatie betrekking
heeft, in gevaar zou brengen, of wanneer het belang van het onderzoek in
verband met de behandeling van ð verzoeken om internationale
bescherming ï asielverzoeken door de
bevoegde autoriteiten van de lidstaten of de internationale betrekkingen van de
lidstaten zouden worden geschaad. In die gevallen Ö moeten de
lidstaten: Õ ò nieuw a) toegang
verlenen tot de betrokken informatie of bronnen aan juridische adviseurs of
raadslieden die aan een veiligheidscontrole werden onderworpen, of ten minste
aan gespecialiseerde overheidsdiensten die de verzoeker krachtens het nationale
recht met dit specifieke doel mogen vertegenwoordigen, voor zover de informatie
relevant is voor de behandeling van het verzoek of voor het nemen van de
beslissing tot intrekking van internationale bescherming; ê 2005/85/EG
(aangepast) ð nieuw b) moet
de toegang tot de betrokken informatie of bronnen openstaan voor
Ö verlenen
aan Õ de in hoofdstuk V
bedoelde autoriteiten, behalve indien die toegang is
uitgesloten in zaken welke verband houden met de nationale veiligheid. 2. De lidstaten zorgen ervoor
dat de juridische adviseur of andere raadsman die de ð verzoeker ï asielzoeker bijstaat of
vertegenwoordigt, toegang heeft tot gesloten ruimten, zoals accommodaties voor
bewaring en transitzones, om met de ð verzoeker ï asielbezoeker te kunnen
overleggen ð , overeenkomstig artikel 10, lid 4, en
artikel 18, lid 2, onder b) en c), van Richtlijn […/…/EU] [richtlijn opvangvoorzieningen] ï. De lidstaten kunnen de mogelijkheid om
asielzoekers in gesloten ruimten te bezoeken alleen beperken wanneer deze
beperking krachtens de nationale wetgeving objectief nodig is met het oog op de
veiligheid, de openbare orde of het administratieve beheer van de ruimte, of
om een doeltreffende behandeling van het asielverzoek te garanderen, mits de
toegang van de juridische adviseur of andere raadsman daardoor niet ernstig
wordt belemmerd of onmogelijk wordt gemaakt. ò nieuw 3. De
lidstaten zorgen ervoor dat de verzoeker zich bij het persoonlijke onderhoud
kan doen vergezellen van een juridische adviseur of raadsman die door het
nationale recht als zodanig is erkend. ê 2005/85/EG ð nieuw 4. 3. Onverminderd dit artikel en
artikel 2517,
lid 1, onder b), kunnen de lidstaten regels vaststellen betreffende de
aanwezigheid van een juridische adviseur of andere raadsman bij elk onderhoud
in de procedure. 4. De
lidstaten kunnen bepalen dat het de asielzoeker
is toegestaan zich bij het persoonlijke onderhoud te doen vergezellen van een
juridische adviseur of raadsman die door het nationale recht als zodanig is
erkend. De lidstaten kunnen verlangen dat de ð verzoeker ï asielzoeker aanwezig is
bij het persoonlijke onderhoud, zelfs als hij naar nationaal recht door een
dergelijke juridische adviseur of raadsman wordt vertegenwoordigd, en kunnen
verlangen dat de ð verzoeker ï asielzoeker de vragen
zelf beantwoordt. De afwezigheid van de juridische adviseur of
andere raadsman belet de bevoegde autoriteit niet de ð verzoeker ï asielzoeker persoonlijk
te horen ð , onverminderd artikel 25, lid 1, onder
b) ï . ò nieuw Artikel 24 Verzoekers die bijzondere procedurele waarborgen behoeven 1.
De lidstaten zorgen
ervoor dat verzoekers die bijzondere procedurele waarborgen behoeven, tijdig
worden herkend. Daartoe kunnen de lidstaten het in artikel 22 van Richtlijn
[…/…/EU] [richtlijn opvangvoorzieningen] bedoelde mechanisme gebruiken. De lidstaten zorgen
ervoor dat dit artikel ook van toepassing is wanneer in een later stadium van
de procedure duidelijk wordt dat een verzoeker bijzondere procedurele
waarborgen behoeft. 2.
De lidstaten nemen
passende maatregelen om ervoor te zorgen dat verzoekers die bijzondere
procedurele waarborgen behoeven, voldoende tijd en relevante ondersteuning
krijgen om de elementen van een verzoek zo volledig mogelijk en met alle
beschikbare bewijzen voor te leggen. In gevallen waarin de
beslissingsautoriteit van mening is dat een verzoeker gefolterd of verkracht
werd of andere ernstige vormen van psychisch, fysiek of seksueel geweld heeft
ondergaan, zijn artikel 31, lid 6, en artikel 32, lid 2, niet van toepassing. ê 2005/85/EG
(aangepast) ð nieuw Artikel 25 17 Waarborgen
voor niet-begeleide minderjarigen 1. De lidstaten dienen ten
aanzien van alle in deze richtlijn vervatte procedures en onverminderd de
artikelen 14 ð , 15, 16 ï en 17 12
en 14: a) zo snel mogelijk maatregelen te treffen
om ervoor te zorgen dat de niet-begeleide minderjarige bij de behandeling van het asielverzoek
wordt vertegenwoordigd en/of
bijgestaan door een vertegenwoordiger ð zodat hij aanspraak kan maken op de
rechten en kan voldoen aan de verplichtingen die in deze richtlijn zijn
vastgesteld. De vertegenwoordiger beschikt over de nodige deskundigheid op het
gebied van de zorg voor kinderen en gaat bij de vervulling van zijn taak uit
van het belang van het kind ï . Ö De Õ Deze
vertegenwoordiger kan de vertegenwoordiger zijn zoals bedoeld in Richtlijn […/…/EU] [richtlijn
opvangvoorzieningen] artikel 19 van Richtlijn 2003/9/EG van de Raad van 27 januari
2003 tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de
lidstaten[12]; b) erop toe
te zien dat de vertegenwoordiger in de gelegenheid wordt gesteld de
niet-begeleide minderjarige te informeren over de betekenis en de mogelijke
gevolgen van het persoonlijke onderhoud en, indien nodig, over de wijze waarop
hij zich op het persoonlijke onderhoud dient voor te bereiden. De lidstaten ð zorgen ervoor dat ï staan de Ö een Õ vertegenwoordiger ð en/of een juridische adviseur of andere
raadsman die door het nationale recht als zodanig is erkend, ï toe bij dat onderhoud aanwezig
Ö is Õ te zijn,
ð en de gelegenheid heeft ï vragen te stellen en opmerkingen te maken, binnen het kader dat wordt
bepaald door de persoon die het onderhoud afneemt. De lidstaten kunnen verlangen dat de
niet-begeleide minderjarige bij het persoonlijke onderhoud aanwezig is, zelfs
als hij vergezeld wordt door de vertegenwoordiger. 2. De lidstaten kunnen afzien
van de aanwijzing van een vertegenwoordiger indien de niet-begeleide
minderjarige: a) naar alle waarschijnlijkheid ð 18 jaar zal worden ï meerderjarig zal zijn
voordat in eerste aanleg een beslissing wordt gegeven,
of b) kosteloos een beroep kan
doen op een juridische adviseur of raadsman die door het nationale recht als
zodanig is erkend om de hoger bedoelde taken
van de vertegenwoordiger te vervullen, of c) gehuwd is of gehuwd geweest is. 3. De
lidstaten kunnen, overeenkomstig de wet- en regelgeving die op 1 december 2005
van kracht is, ook van de aanwijzing van een vertegenwoordiger afzien indien de
niet-begeleide minderjarige 16 jaar of ouder
is, tenzij hij niet zonder vertegenwoordiger de verzoekprocedure kan volgen. 3. 4. De lidstaten zorgen ervoor dat: a) als een niet-begeleide minderjarige
persoonlijk wordt gehoord over zijn ð verzoek om internationale
bescherming ï asielverzoek zoals
bedoeld in de artikelen 14, 15, ð 16, ï 17 en ð 34 ï 12, 13 en 14, dat onderhoud afgenomen
wordt door een persoon die de nodige kennis heeft van de bijzondere behoeften
van minderjarigen; b) een ambtenaar die beschikt over de nodige
kennis van de bijzondere behoeften van minderjarigen de beslissing van de
beslissingsautoriteit met betrekking tot het ð verzoek ï asielverzoek van een
niet-begeleide minderjarige voorbereidt. ò nieuw 4. Aan
niet-begeleide minderjarigen en hun vertegenwoordiger wordt ook voor de
procedures voor de intrekking van de internationale-beschermingsstatus
overeenkomstig hoofdstuk IV, kosteloos de in artikel 19 bedoelde juridische en
procedurele informatie aangeboden. ê 2005/85/EG ð nieuw 5. De lidstaten kunnen in het
kader van de behandeling van een ð verzoek om internationale
bescherming ï asielverzoek besluiten om
door middel van een medisch onderzoek de leeftijd van een niet-begeleide
minderjarige vast te stellen ð , wanneer zij, nadat de minderjarige
een algemene verklaring heeft afgelegd of ander relevante bewijselementen heeft
overgelegd, nog steeds twijfels hebben over diens leeftijd. Als deze twijfels
na het medische onderzoek nog steeds bestaan, gaan de lidstaten ervan uit dat
de verzoeker minderjarig is ï . ò nieuw Bij elk medisch
onderzoek wordt de waardigheid van de persoon ten volle gerespecteerd; er wordt
gekozen voor het minst ingrijpende onderzoek. ê 2005/85/EG ð nieuw In gevallen waarin een dergelijk medisch onderzoek
wordt verricht, zorgen de lidstaten ervoor dat: a) de niet-begeleide minderjarige, voordat
het ð verzoek om internationale
bescherming ï asielverzoek wordt
behandeld, in een taal die hij redelijkerwijs
geacht kan worden te begrijpen ð begrijpt ï , in kennis wordt gesteld van het feit dat mogelijk een medisch
onderzoek zal worden verricht om zijn leeftijd vast te stellen. Daarbij wordt
onder meer informatie verstrekt over de onderzoeksmethode en over de mogelijke
gevolgen van het medische onderzoek voor de behandeling van het ð verzoek om internationale
bescherming ï asielverzoek, alsook over
de gevolgen indien de niet-begeleide minderjarige weigert het medische
onderzoek te ondergaan; b) de niet-begeleide minderjarige en/of zijn
vertegenwoordiger ermee instemt dat een onderzoek wordt verricht om de leeftijd
van de betrokken minderjarige vast te stellen, en dat c) de beslissing tot afwijzing van een ð verzoek om internationale
bescherming ï asielverzoek van een
niet-begeleide minderjarige die heeft geweigerd dit medische onderzoek te
ondergaan, niet enkel op die weigering wordt gebaseerd. Het feit dat een niet-begeleide minderjarige heeft
geweigerd een dergelijk medisch onderzoek te ondergaan, belet de
beslissingsautoriteit niet een beslissing over het ð verzoek om internationale
bescherming ï asielverzoek te nemen. ò nieuw 6. Artikel 20,
lid 3, artikel 31, lid 6, artikel 32 lid 2, artikel 33, lid 2,
onder c), artikel 38 en artikel 43 zijn niet van toepassing op niet-begeleide
minderjarigen. ê 2005/85/EG 7. 6. Bij de uitvoering van de
bepalingen van dit artikel laten de lidstaten zich in eerste instantie leiden
door het belang van het kind. ê 2005/85/EG
(aangepast) ð nieuw Artikel 26 18 Bewaring 1. De lidstaten mogen een persoon niet in bewaring houden uitsluitend
omdat hij ð om internationale bescherming
verzoekt ï een asielzoeker is. ð De gronden voor en de voorwaarden met
betrekking tot bewaring en de waarborgen voor in bewaring gehouden personen die
om internationale bescherming verzoeken, zijn in overeenstemming met Richtlijn
[…/.../EU] [richtlijn opvangvoorzieningen]. ï 2. Indien een ð persoon die om internationale
bescherming verzoekt ï asielzoeker in bewaring
wordt gehouden, zorgen de lidstaten ervoor dat snelle toetsing door een
rechterlijke instantie mogelijk is ð overeenkomstig Richtlijn […/…/EU] [richtlijn
opvangvoorzieningen] ï . Artikel 27 19 Procedure in Ö het Õ geval van intrekking van het asielverzoek 1. Lidstaten die in hun nationale recht in de mogelijkheid van
uitdrukkelijke intrekking van een asielverzoek
voorzien, zorgen ervoor dat, wanneer een ð verzoeker ï asielzoeker zijn ð verzoek om internationale
bescherming ï asielverzoek
uitdrukkelijk intrekt, de beslissingsautoriteit een beslissing neemt om de
behandeling van het asielverzoek
te beëindigen of het verzoek af te wijzen. 2. De lidstaten kunnen ook
bepalen dat de beslissingsautoriteit kan beslissen de behandeling te beëindigen
zonder een beslissing te nemen. In dat geval zorgen de lidstaten ervoor dat de
beslissingsautoriteit een aantekening maakt in het dossier van de ð verzoeker ï asielzoeker. Artikel 28 20 Procedure
ingeval het asielverzoek impliciet
wordt ingetrokken of ingeval impliciet van het asielverzoek
wordt afgezien 1. Wanneer er een gegronde reden is om aan te nemen dat ð een persoon die om internationale
bescherming verzoekt ï asielzoeker zijn asielverzoek impliciet
heeft ingetrokken of dat hij impliciet van dit verzoek heeft afgezien, zorgen
de lidstaten ervoor dat de beslissingsautoriteit beslist om de behandeling van
het verzoek te beëindigen of ð , mits zij het verzoek op basis van een
afdoend onderzoek ten gronde overeenkomstig artikel 4 van Richtlijn
[…/…/EU] [erkenningsrichtlijn] en na een persoonlijk onderhoud als ongegrond
beschouwt, ï het verzoek af te wijzen op basis van het
feit dat de asielzoeker geen recht op de status van vluchteling heeft doen
gelden in overeenstemming met Richtlijn 2004/83/EG. De lidstaten kunnen met name aannemen dat de ð persoon die om internationale
bescherming verzoekt ï asielzoeker zijn asielverzoek impliciet
heeft ingetrokken of dat hij er impliciet van heeft afgezien wanneer is
vastgesteld dat: a) hij heeft nagelaten te antwoorden op
verzoeken informatie te verstrekken die van wezenlijk belang is voor zijn asielverzoek zoals
bedoeld in artikel 4 van Richtlijn […/…/EU] [erkenningsrichtlijn]
2004/83/EG,
dan wel dat hij niet is verschenen voor een persoonlijk onderhoud zoals bedoeld
in de artikelen 14, 15, ð 16 ï en 17 12,
13 en 14 Ö van deze
richtlijn Õ , tenzij hij binnen
een redelijke tijd aantoont dat zulks te wijten was aan omstandigheden waarop
hij geen invloed heeft; b) hij is
verdwenen, of wanneer is vastgesteld dat hij de plaats waar hij verbleef of
werd vastgehouden, zonder toestemming heeft verlaten zonder binnen een
redelijke termijn contact met de bevoegde autoriteit op te nemen, dan wel
wanneer hij niet binnen een redelijke termijn heeft voldaan aan zijn meldingsplicht
of aan andere verplichtingen tot kennisgeving. De lidstaten kunnen met het oog op de uitvoering
van deze bepalingen termijnen vaststellen of richtsnoeren uitvaardigen. 2. De lidstaten zorgen ervoor
dat de ð verzoeker ï asielzoeker die zich
opnieuw bij de bevoegde autoriteit meldt nadat een beslissing om de behandeling
van zijn asielverzoek te
beëindigen is genomen zoals bedoeld in lid 1, het recht heeft te verzoeken dat
zijn asielverzoek opnieuw in
behandeling wordt genomen ð of het recht heeft om een nieuw verzoek
in te dienen dat niet onderworpen is aan de in de artikelen 40 en 41 bedoelde
procedure ï , tenzij het verzoek overeenkomstig de artikelen
32 en 34 wordt behandeld. De lidstaten kunnen een tijdslimiet ð van ten minste een jaar ï vaststellen waarna een asielverzoek
niet langer opnieuw in behandeling kan worden genomen ð of waarna het nieuwe verzoek mag worden
behandeld als een volgend verzoek en aan de in de artikelen 40 en 41 bedoelde
procedure mag worden onderworpen ï . De lidstaten zorgen ervoor dat een dergelijke
persoon niet wordt verwijderd in strijd met het beginsel van non-refoulement. De lidstaten kunnen de beslissingsautoriteit
toestaan de behandeling van het asielverzoek
te hervatten in de fase waarin deze werd beëindigd. ò nieuw 3. Dit
artikel doet geen afbreuk aan Verordening (EU) nr. […/….] [de
Dublinverordening]. ê 2005/85/EG
(aangepast) ð nieuw Artikel 29 21 De rol van de
UNHCR 1. De lidstaten zorgen ervoor dat de UNHCR: a) toegang heeft tot de ð personen die om internationale
bescherming verzoeken ï asielzoekers, met
inbegrip van ð verzoekers ï asielzoekers in bewaring ð , aan de grens ï en in Ö de Õ transitzones van luchthavens of havens; b) toegang heeft tot gegevens betreffende
individuele ð verzoeken om internationale
bescherming ï asielverzoeken, het
verloop van de procedure en de genomen beslissingen, mits de ð verzoeker ï asielzoeker
daarmee instemt; c) bij de uitoefening van zijn
toezichthoudende taak in het kader van artikel 35 van het Verdrag van Genève,
in elke fase van de procedure aan de bevoegde autoriteiten zijn zienswijze kan
geven in verband met individuele ð verzoeken om internationale bescherming ï asielverzoeken. 2. Lid 1 geldt ook voor
organisaties die ingevolge een overeenkomst met de betrokken lidstaat namens de
UNHCR op het grondgebied van die lidstaat optreden. Artikel 30
22 Vergaring van
informatie over individuele gevallen In het kader van de behandeling van
individuele gevallen: a) delen de lidstaten de informatie
betreffende individuele asielverzoeken
ð verzoeken om internationale
bescherming ï of het feit dat een asielverzoek
is ingediend, niet rechtstreeks
mee aan de vermeende actor(en) van de vervolging of ð ernstige schade ï van de
asielzoeker; b) winnen de lidstaten bij de vermeende
actor(en) van de vervolging of ð ernstige schade ï geen informatie in op een wijze die ertoe leidt dat deze actor(en)
rechtstreeks te weten komt (komen) dat de ð betrokkene ï betrokken asielzoeker ð een verzoek heeft ingediend ï om asiel heeft verzocht,
en er gevaar zou ontstaan voor de fysieke integriteit van de ð verzoeker ï asielzoeker en voor de te
zijnen laste komende personen, dan wel voor de vrijheid en veiligheid van zijn
nog in het land van herkomst wonende familieleden. HOOFDSTUK III Procedures in eerste aanleg Afdeling I Artikel 31 23 Behandelingsprocedure 1. De lidstaten behandelen ð verzoeken om internationale
bescherming ï asielverzoeken in een
behandelingsprocedure overeenkomstig de fundamentele beginselen en waarborgen
in hoofdstuk II. 2. De lidstaten zorgen ervoor dat een dergelijke procedure zo spoedig
mogelijk wordt afgerond, onverminderd een behoorlijke en volledige behandeling. ò nieuw 3. De
lidstaten zorgen ervoor dat de procedure wordt afgerond binnen zes maanden na
de indiening van het verzoek. De lidstaten kunnen deze
termijn met ten hoogste nog eens zes maanden verlengen wanneer: a) complexe
feitelijke en juridische kwesties aan de orde zijn; b) een groot
aantal onderdanen van derde landen of staatlozen tegelijk om internationale
bescherming verzoekt, waardoor het in de praktijk onmogelijk is de procedure
binnen de termijn van zes maanden af te ronden; c) wanneer de
vertraging duidelijk toe te schrijven is aan het feit dat de verzoeker de
krachtens artikel 13 op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen. De lidstaten kunnen het
afronden van de procedure uitstellen wanneer redelijkerwijs niet kan worden
verwacht dat de beslissingsautoriteit een beslissing neemt binnen de in dit lid
vastgestelde termijnen door een onzekere situatie in het land van herkomst die
naar verwachting tijdelijk is. ê 2005/85/EG ð nieuw 4. De lidstaten zorgen ervoor dat, indien er binnen zes maanden
geen besluit kan worden genomen, de ð verzoeker ï asielzoeker: a) in
kennis wordt gesteld van het uitstel, ð en ï of b) op zijn
verzoek informatie ontvangt over ð de redenen voor het uitstel en
over ï het tijdsbestek waarbinnen het besluit over zijn verzoek te verwachten
valt. Die informatie
vormt voor de lidstaat geen verplichting ten aanzien van de betrokken
asielzoeker om binnen dat tijdsbestek een besluit te nemen. ò nieuw Wat de gevolgen zijn van
het niet-nemen van een besluit binnen de in lid 3 vastgestelde termijnen,
wordt bepaald volgens het nationale recht. ê 2005/85/EG ð nieuw 5. 3. De lidstaten kunnen voorrang
verlenen aan de behandeling van ð een verzoek om internationale
bescherming ï ieder geval, dan wel deze behandeling versnellen
overeenkomstig de fundamentele beginselen en waarborgen in hoofdstuk II, ook in gevallen waarin het asielverzoek
waarschijnlijk gegrond is of de asielzoeker bijzondere behoeften heeft.: ò nieuw a) wanneer het
verzoek waarschijnlijk gegrond is; b) wanneer de
verzoeker kwetsbaar is in de zin van artikel 22 van Richtlijn […/…/EU] [de
richtlijn opvangvoorzieningen], of bijzondere procedurele waarborgen behoeft,
in het bijzonder niet-begeleide minderjarigen; c) in andere
gevallen, met uitzondering van de in lid 6 bedoelde verzoeken. ê 2005/85/EG
(aangepast) ð nieuw 6. 4. De
lidstaten kunnen voorts
bepalen dat een behandelingsprocedure overeenkomstig de fundamentele beginselen
en waarborgen in hoofdstuk II voorrang krijgt of
wordt versneld ð en/of aan de grens wordt gevoerd
overeenkomstig artikel 43 ï indien: a) de ð verzoeker ï asielzoeker bij de
indiening van zijn asielverzoek
en de toelichting van de feiten alleen aangelegenheden aan de orde heeft
gesteld die niet ter zake doen of slechts
minimaal ter zake doen om uit te maken of hij in
aanmerking komt voor erkenning als vluchteling ð of voor subsidiaire bescherming ï overeenkomstig Richtlijn […./../EU]
[erkenningsrichtlijn] 2004/83/EG, of b) de asielzoeker duidelijk
niet in aanmerking komt als vluchteling noch voor de vluchtelingenstatus in een
lidstaat overeenkomstig Richtlijn 2004/83/EG, of c) het asielverzoek als
ongegrond wordt beschouwd: b i) omdat de ð verzoeker ï asielzoeker afkomstig is
uit een veilig land van herkomst in de zin van de
artikelen 29, 30 en 31 deze richtlijn, of ii) omdat een land dat geen
lidstaat is als veilig derde land voor de asielzoeker wordt beschouwd,
onverminderd artikel 28, lid 1, of c d) de ð verzoeker ï asielzoeker de
autoriteiten heeft misleid door omtrent zijn identiteit en/of nationaliteit
valse informatie of documenten te verstrekken of door relevante informatie of
documenten die een negatieve invloed op de beslissing hadden kunnen hebben,
achter te houden, of e) de asielzoeker een ander
asielverzoek met vermelding van andere persoonsgegevens heeft ingediend, of d f) de asielzoeker
geen informatie heeft verstrekt aan de hand waarvan met een redelijke mate
van zekerheid zijn identiteit of nationaliteit kan worden vastgesteld, of
indien hij Ö de
verzoeker Õ waarschijnlijk, te
kwader trouw, een identiteits- of reisdocument dat ertoe kon bijdragen dat zijn
identiteit of nationaliteit werd vastgesteld, heeft vernietigd of zich daarvan
heeft ontdaan, of e g) de ð verzoeker ï asielzoeker inconsistente, contradictoire,
ð kennelijk valse of duidelijk ï onwaarschijnlijke of ontoereikende
verklaringen heeft afgelegd ð die tegenstrijdig zijn met voldoende
geverifieerde informatie over het land van herkomst, ï Ö waardoor zijn
bewering alle overtuigingskracht wordt ontnomen Õ ð met betrekking tot de vraag of hij voor
erkenning als vluchteling of voor subsidiaire bescherming in aanmerking komt op
grond van ï die alle
overtuigingskracht ontnemen aan zijn bewering dat hij het slachtoffer zou zijn van vervolging
overeenkomstig Richtlijn
[…/…/EU] [erkenningsrichtlijn] Richtlijn 2004/83/EG,
of h) de asielzoeker een
hernieuwd asielverzoek heeft ingediend zonder ter zake doende nieuwe elementen
met betrekking tot zijn bijzondere omstandigheden of de situatie in zijn land van herkomst, of i) de asielzoeker zonder
redelijke grond heeft nagelaten zijn asielverzoek eerder in te dienen hoewel
hij de gelegenheid had dat te doen, of f j) de ð verzoeker ï asielzoeker enkel een
verzoek indient teneinde de uitvoering van een eerdere of van een op handen
zijnde beslissing die tot zijn verwijdering zou leiden, uit te stellen of te
verijdelen, of k) de asielzoeker zonder gegronde reden
niet heeft voldaan aan de verplichtingen van artikel 4, leden 1 en 2, van Richtlijn 2004/83/EG, dan wel de
verplichtingen van artikel 11, lid 2, onder a) en b), en artikel 20, lid 1, van
deze richtlijn niet is nagekomen, of l) de asielzoeker het
grondgebied van de lidstaat onrechtmatig is binnengekomen of zijn verblijf op onrechtmatige wijze heeft verlengd en
zich, gezien de omstandigheden van zijn binnenkomst, zonder gegronde reden niet
zo snel mogelijk bij de autoriteiten heeft aangemeld en/of een asielverzoek
heeft ingediend, of g m) de ð verzoeker ï asielzoeker ð op ernstige gronden als gevaar te
beschouwen is ï een gevaar vormt voor de
nationale veiligheid of de openbare orde van de lidstaat; of de ð verzoeker ï asielzoeker onder dwang
is uitgezet om ernstige redenen van openbare veiligheid Ö of Õ en
openbare orde krachtens de nationale wetgeving.,
of n) de asielzoeker weigert te
voldoen aan de verplichting zijn vingerafdrukken te laten nemen overeenkomstig de desbetreffende communautaire en/of
nationale wetgeving, of o) het asielverzoek werd
ingediend door een ongehuwde minderjarige op wie artikel 6, lid 4, onder c),
van toepassing is nadat het verzoek van de ouder(s) die voor het kind
verantwoordelijk is (zijn), is verworpen en
er geen nieuwe elementen zijn met betrekking tot zijn bijzondere omstandigheden
of de situatie in zijn land van herkomst. ò nieuw 7. De
lidstaten stellen redelijke termijnen vast voor het nemen van een beslissing in
de procedure in eerste aanleg overeenkomstig lid 6, die een behoorlijke en
volledige behandeling ervan garanderen. 8. Het
feit dat een verzoek om internationale bescherming is ingediend na een
onregelmatige binnenkomst op het grondgebied of aan de grens, met inbegrip van
de transitzones, of dat documenten ontbreken of vervalste documenten zijn
gebruikt, leidt op zich niet tot de automatische toepassing van de in lid 6
bedoelde procedure in eerste aanleg. ê 2005/85/EG Artikel 24 Specifieke
maatregelen 1. De lidstaten kunnen voorzien in de volgende
specifieke procedures waarbij wordt afgeweken van de fundamentele beginselen en
waarborgen in hoofdstuk II: a) een voorafgaand onderzoek ten behoeve van de
behandeling van gevallen die worden beoordeeld in het kader van afdeling IV; b) procedures ten behoeve van de behandeling van
gevallen die worden beoordeeld in het kader van afdeling V. 2. De lidstaten kunnen ook voorzien in een afwijking
met betrekking tot afdeling VI. ê 2005/85/EG
artikel 28 ð nieuw Artikel 32 Ongegronde asielverzoeken 1. Onverminderd artikel 27 de
artikelen 19 en 20
kunnen de lidstaten een asielverzoek
enkel als ongegrond afwijzen wanneer de beslissingsautoriteit heeft vastgesteld
dat de ð verzoeker ï asielzoeker niet in
aanmerking komt voor de ð internationale-beschermingsstatus ï vluchtelingenstatus
overeenkomstig Richtlijn […/…/EU] [erkenningsrichtlijn]
2004/83/EG. 2. In de in artikel 23, lid 4, onder b), bedoelde
gevallen en gevallen van ongegronde asielverzoeken waarop een
van de in artikel 31, lid 6, ð onder a) tot en met f), ï 23, lid 4, onder a) en onder
c) tot en met o), vermelde omstandigheden van
toepassing is, kunnen de lidstaten tevens een asielverzoek
als kennelijk ongegrond beschouwen indien dit zo in de nationale wetgeving is
omschreven. ê 2005/85/EG ð nieuw Afdeling II Artikel 33 25 Niet-ontvankelijke
asielverzoeken 1. Naast de gevallen waarin een asielverzoek niet in
behandeling wordt genomen overeenkomstig Verordening (EU) nr. […/…] [de Dublinverordening] (EG)
nr. 343/2003, zijn de lidstaten niet verplicht te
onderzoeken of de ð verzoeker ï asielzoeker in
aanmerking komt voor ð internationale bescherming ï de vluchtelingenstatus
overeenkomstig Richtlijn […/…/EU] [erkenningsrichtlijn]
2004/83/EG,
indien een verzoek krachtens dit artikel niet-ontvankelijk wordt geacht. 2. De lidstaten kunnen een ð verzoek om internationale
bescherming ï asielverzoek uit hoofde van dit artikel
ð alleen ï als niet-ontvankelijk beschouwen wanneer: a) een andere lidstaat de vluchtelingenstatus
heeft toegekend; b) een land dat geen lidstaat is, ingevolge
artikel 35 26
voor de ð verzoeker ï asielzoeker als eerste
land van asiel wordt beschouwd; c) een land dat geen lidstaat is, uit hoofde
van artikel 38 27
voor de ð verzoeker ï asielzoeker als veilig
derde land wordt beschouwd; d) het de asielzoeker om een
andere reden is toegestaan in de betrokken lidstaat te verblijven en hem als
gevolg hiervan een status is verleend die gelijkwaardig is aan de rechten en voordelen van de vluchtelingenstatus uit hoofde
van Richtlijn 2004/83/EG; e) het de asielzoeker is
toegestaan in de betrokken lidstaat te verblijven om andere redenen die hem
beschermen tegen refoulement en in afwachting van de uitkomst van een procedure waarbij een status wordt
verleend overeenkomstig het bepaalde onder d); d f) ð het verzoek
een volgend verzoek is en er geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde
zijn gekomen of door de verzoeker werden voorgelegd in verband met de
behandeling van de vraag of hij voor erkenning als vluchteling dan wel voor
subsidiaire bescherming in aanmerking komt overeenkomstig Richtlijn […/…/EU] [erkenningsrichtlijn] ï de asielzoeker na een definitieve beslissing een
identiek verzoek heeft ingediend; e g) een persoon die ten laste van de ð verzoeker ï asielzoeker komt, een
verzoek indient nadat hij er overeenkomstig artikel 7, lid 2, 6,
lid 3, mee heeft ingestemd dat zijn geval deel uitmaakt
van een namens hem ingediend verzoek en geen met de situatie van de ten laste
komende persoon verband houdende feiten een apart verzoek rechtvaardigen. ò nieuw Artikel 34 Bijzondere voorschriften betreffende het onderhoud over de ontvankelijkheid
1. Vooraleer
een verzoek niet-ontvankelijk wordt verklaard, stellen de lidstaten verzoekers
in de gelegenheid hun standpunt uiteen te zetten over de toepassing van de in
artikel 33 bedoelde gronden op hun specifieke omstandigheden. Daartoe
houden de lidstaten een persoonlijk onderhoud over de ontvankelijkheid van het
verzoek. De lidstaten kunnen daarvan alleen afwijken in het geval van een
volgend verzoek, overeenkomstig artikel 42. 2. Lid 1
doet geen afbreuk aan artikel 5 van Verordening (EU) nr. […/…]. [de
Dublinverordening]. 3. De
lidstaten zorgen ervoor dat de persoon die het onderhoud over de
ontvankelijkheid van het verzoek afneemt, geen militair of politie-uniform
draagt. ê 2005/85/EG ð nieuw Afdeling III Artikel 35 26 Het begrip
"eerste land van asiel" Een land kan worden beschouwd als eerste land
van asiel voor een bepaalde ð persoon die om internationale
bescherming verzoekt ï asielzoeker wanneer: a) de ð verzoeker ï asielzoeker in dat land
is erkend als vluchteling en hij die bescherming nog kan genieten, of b) hij anderszins voldoende bescherming
geniet in dat land, met inbegrip van het genot van het beginsel van
non-refoulement, mits hij opnieuw tot het grondgebied van dat
land wordt toegelaten. Bij de toepassing van het begrip "eerste
land van asiel" op de bijzondere omstandigheden van een ð persoon die om internationale
bescherming verzoekt ï asielzoeker kunnen de
lidstaten rekening houden met artikel 38
27,
lid 1. ð De verzoeker mag de toepassing van het
begrip "eerste land van asiel" aanvechten in zijn bijzondere
omstandigheden. ï ê 2005/85/EG
(aangepast) Artikel 27 Het begrip
"veilig derde land" 1. De lidstaten mogen het
begrip "veilig derde land" alleen toepassen indien de bevoegde
autoriteiten zich ervan hebben vergewist dat een asielzoeker in het betrokken
derde land overeenkomstig de volgende beginselen zal worden behandeld: a) het leven en de vrijheid worden niet
bedreigd om redenen van ras, religie, nationaliteit, lidmaatschap van een
bepaalde sociale groep of politieke overtuiging, en b) het beginsel van non-refoulement
overeenkomstig het Verdrag van Genève wordt nageleefd, en c) het verbod op verwijdering in strijd
met het recht op vrijwaring tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of
vernederende behandeling, zoals neergelegd in het internationaal recht, wordt
nageleefd, en d) de mogelijkheid bestaat om om de vluchtelingenstatus
te verzoeken en, indien hij als vluchteling wordt erkend, bescherming te
ontvangen overeenkomstig het Verdrag van Genève. 2. De toepassing van het
begrip "veilig derde land" is onderworpen aan nationale wettelijke
voorschriften, waaronder: a) voorschriften waarbij een band tussen
de asielzoeker en het betrokken derde land wordt vereist op grond waarvan het
voor de betrokkene redelijk zou zijn naar dat land te gaan; b) voorschriften betreffende de methode
met behulp waarvan de bevoegde autoriteiten zich ervan vergewissen dat het
begrip "veilig derde land" op een bepaald land of een bepaalde
asielzoeker kan worden toegepast. Een dergelijke methode dient onder meer te
bestaan uit een veiligheidsstudie per land voor een bepaalde asielzoeker en/of een
nationale vaststelling van de landen die worden beschouwd als zijnde over het
algemeen veilig; c) voorschriften overeenkomstig de
internationale wetgeving die voorzien in een afzonderlijke studie om na te gaan
of het betrokken derde land voor een bepaalde asielzoeker veilig is; deze
voorschriften moeten ten minste de asielzoeker in staat stellen de toepassing
van het begrip "veilig derde land" aan te vechten op grond van het
feit dat hij zou worden blootgesteld aan foltering, wrede, onmenselijke of vernederende
behandeling of bestraffing. 3. Bij de uitvoering van een
uitsluitend op dit artikel gebaseerde beslissing dienen de lidstaten: a) de asielzoeker hiervan op de hoogte te
brengen, en b) hem een document te verschaffen waarin
de autoriteiten van het derde land in de taal van dat land ervan in kennis
worden gesteld dat het verzoek niet inhoudelijk is onderzocht. 4. Wanneer het derde land de
asielzoeker niet tot zijn grondgebied toelaat, zorgen de lidstaten ervoor dat
toegang wordt verstrekt tot een procedure overeenkomstig de fundamentele
beginselen en waarborgen die zijn beschreven in hoofdstuk II. 5. De lidstaten stellen de
Commissie op gezette tijden in kennis van de landen waarop dit begrip wordt
toegepast overeenkomstig het bepaalde in dit artikel. Artikel 28 Ongegronde
asielverzoeken 1. Onverminderd
de artikelen 19 en 20 kunnen de lidstaten een asielverzoek enkel als ongegrond
afwijzen wanneer de beslissingsautoriteit heeft vastgesteld dat de asielzoeker
niet in aanmerking komt voor de vluchtelingenstatus overeenkomstig Richtlijn
2004/83/EG. 2. In de in
artikel 23, lid 4, onder b), bedoelde gevallen en gevallen van ongegronde
asielverzoeken waarop een van de in artikel 23, lid 4, onder a) en onder c) tot
en met o), vermelde omstandigheden van toepassing is, kunnen de lidstaten
tevens een asielverzoek als kennelijk ongegrond beschouwen indien dit zo in de
nationale wetgeving is omschreven. ê 2005/85/EG Artikel 29 Gemeenschappelijke
minimumlijst van derde landen die als veilig land van herkomst worden
beschouwd 1. De
Raad stelt, bij gekwalificeerde meerderheid op voorstel van de Commissie en na
raadpleging van het Europees Parlement, een gemeenschappelijke minimumlijst van
derde landen op die door de lidstaten als veilig land van herkomst worden beschouwd, overeenkomstig bijlage II. 2. De
Raad kan, bij gekwalificeerde meerderheid op voorstel van de Commissie en na
raadpleging van het Europees Parlement, de minimale gemeenschappelijke lijst
wijzigen door derde landen toe te voegen of te schrappen, overeenkomstig bijlage II. De Commissie beraadt zich over de aan
haar gerichte verzoeken van de Raad of van een lidstaat om een voorstel tot
wijziging van de gemeenschappelijke minimumlijst in te dienen. 3. Wanneer
zij haar voorstel op grond van de leden 1 en
2 uitwerkt, maakt de Commissie gebruik van informatie van de lidstaten, van
haar eigen informatie en, voor zover nodig, van informatie van de UNHCR, de
Raad van Europa en andere relevante internationale organisaties. 4. Wanneer
de Raad de Commissie verzoekt een voorstel
in te dienen om een derde land van de gemeenschappelijke minimumlijst te
schrappen, vervalt de verplichting voor de lidstaten overeenkomstig artikel 31,
lid 2, ten aanzien van dit derde land op de dag die volgt op het besluit waarbij
de Raad om indiening verzoekt. 5. Wanneer
een lidstaat de Commissie verzoekt een voorstel in te dienen om een derde land
van de gemeenschappelijke minimumlijst te schrappen, stelt die lidstaat de Raad
schriftelijk in kennis van het verzoek aan de Commissie. De verplichting voor die lidstaat overeenkomstig artikel 31, lid
2, vervalt ten aanzien van het derde land op de dag die volgt op de
kennisgeving van het verzoek aan de Raad. 6. Het
Europees Parlement wordt op de hoogte gebracht van het vervallen van de verplichtingen krachtens de leden 4 en 5. 7. Het
vervallen van de verplichtingen krachtens de leden 4 en 5 neemt na drie maanden
een einde, tenzij de Commissie, vóór het einde van deze periode, voorstelt om
het derde land van de gemeenschappelijke minimumlijst
te schrappen. De schorsing neemt in ieder geval een einde wanneer de Raad een
voorstel van de Commissie om het derde land van de lijst te schrappen, afwijst. 8. Op
verzoek van de Raad deelt de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad
mee of de situatie van een land op de
gemeenschappelijke minimumlijst nog steeds overeenstemt met bijlage II. Wanneer
de Commissie haar verslag voorlegt, kan zij alle door haar wenselijk geachte
aanbevelingen of voorstellen doen. ê 2005/85/EG (aangepast) Artikel 30 Nationale
aanmerking van derde landen als veilig land van herkomst 1. Onverminderd
artikel 29 kunnen de lidstaten voor de behandeling van asielverzoeken wetgeving
handhaven of invoeren met het oog op de nationale aanmerking, overeenkomstig
bijlage II, van andere derde landen dan de landen die op de gemeenschappelijke
minimumlijst zijn opgenomen als veilige landen van herkomst. Dat kan inhouden dat een deel van een land als
veilig wordt aangemerkt indien de voorwaarden van bijlage II voor dat deel
zijn vervuld. 2. In afwijking van lid 1 kunnen de
lidstaten voor de behandeling van asielverzoeken wetgeving die op 1 december
2005 van kracht is, handhaven met het oog op de nationale aanmerking van andere
derde landen dan de landen die op de gemeenschappelijke
minimumlijst zijn opgenomen als veilige landen van herkomst, indien zij zich
ervan vergewist hebben dat personen in de betrokken derde landen over het
algemeen noch zijn blootgesteld aan: a) vervolging in de zin van artikel 9 van Richtlijn 2004/83/EG, noch aan b) foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of
bestraffing. 3. De lidstaten kunnen tevens
wetgeving die op 1 december 2005 van kracht is, handhaven voor de nationale
aanmerking van een deel van een land als veilig of een land of een deel van een land als veilig voor een specifieke groep van
personen in dat land, indien de in lid 2 genoemde voorwaarden voor dat deel of
die groep zijn vervuld. 4. Bij de beoordeling of een land een
veilig land van herkomst is overeenkomstig de
leden 2 en 3 houden de lidstaten rekening met de juridische situatie, met de
toepassing van de rechtsvoorschriften en met de algemene politieke
omstandigheden in het betrokken derde land. 5. De beoordeling of een land een
veilig land van herkomst is overeenkomstig
dit artikel dient te stoelen op een reeks informatiebronnen, waaronder in het
bijzonder informatie uit andere lidstaten, de UNHCR, de Raad van Europa en
andere relevante internationale organisaties. 6. De lidstaten stellen de Commissie
in kennis van de landen die overeenkomstig
dit artikel als veilige landen van herkomst worden aangemerkt. ê 2005/85/EG
(aangepast) ð nieuw Artikel 36 31 Het begrip
"veilig land van herkomst" 1. Een derde land dat op grond
van Ö deze
richtlijn Õ artikel 29 of artikel 30
als veilig land van herkomst is aangemerkt, kan voor een bepaalde ð verzoeker ï asielzoeker, nadat zijn
verzoek afzonderlijk is behandeld, alleen als veilig land van herkomst worden
beschouwd wanneer: a) hij de nationaliteit van dat land heeft,
of b) hij staatloos is en voorheen in dat land
zijn gewone verblijfplaats had, en wanneer hij geen substantiële redenen heeft
opgegeven om het land in zijn specifieke omstandigheden niet als een veilig
land van herkomst te beschouwen ten aanzien van de vraag of hij voor erkenning
als vluchteling of ð als persoon die voor de subsidiaire
bescherming ï in aanmerking komt overeenkomstig Richtlijn […/…/EU] [erkenningsrichtlijn]
2004/83/EG. 2. De
lidstaten beschouwen overeenkomstig lid 1 het asielverzoek als ongegrond
wanneer het derde land door de Raad als veilig is aangemerkt uit hoofde van
artikel 29. 2. 3. De lidstaten stellen verdere
nationale wetsvoorschriften en -bepalingen vast voor de toepassing van het
begrip "veilig land van herkomst". ê 2005/85/EG
artikel 30 ð nieuw Artikel 37 Nationale
aanmerking van derde landen als veilig land van herkomst 1. Onverminderd artikel 29 De lidstaten kunnen de
lidstaten voor de behandeling van ð verzoeken om internationale
bescherming ï asielverzoeken wetgeving
handhaven of invoeren met het oog op de nationale aanmerking, overeenkomstig
bijlage I II,
van andere derde landen dan de landen die op de
gemeenschappelijke minimumlijst zijn opgenomen als
veilige landen van herkomst. Dat kan inhouden dat een deel van een land als
veilig wordt aangemerkt indien de voorwaarden van bijlage II voor dat deel zijn
vervuld. 2. In afwijking van lid 1 kunnen de lidstaten voor de
behandeling van asielverzoeken wetgeving die op 1 december 2005 van kracht is,
handhaven met het oog op de nationale aanmerking van andere derde landen dan de
landen die op de gemeenschappelijke minimumlijst zijn opgenomen als veilige
landen van herkomst, indien zij zich ervan vergewist hebben dat personen in de
betrokken derde landen over het algemeen noch zijn blootgesteld aan: a) vervolging in de zin van
artikel 9 van Richtlijn 2004/83/EG, noch aan b) foltering of onmenselijke
of vernederende behandeling of bestraffing. 3. De
lidstaten kunnen tevens wetgeving die op 1 december 2005 van kracht is,
handhaven voor de nationale aanmerking van een deel van een land als veilig of
een land of een deel van een land als veilig
voor een specifieke groep van personen in dat land, indien de in lid 2 genoemde
voorwaarden voor dat deel of die groep zijn vervuld. 4. Bij
de beoordeling of een land een veilig land van herkomst is overeenkomstig de
leden 2 en 3 houden de lidstaten rekening
met de juridische situatie, met de toepassing van de rechtsvoorschriften en met
de algemene politieke omstandigheden in het betrokken derde land. ò nieuw 2. De
lidstaten zorgen ervoor dat de situatie in derde landen die overeenkomstig dit
artikel als veilig zijn aangemerkt, regelmatig opnieuw wordt onderzocht. ê 2005/85/EG
artikel 30 ð nieuw 3. 5. De beoordeling of een land een
veilig land van herkomst is overeenkomstig dit artikel dient te stoelen op een
reeks informatiebronnen, waaronder in het bijzonder informatie uit andere
lidstaten, ð het Europees Ondersteuningsbureau voor
asielzaken, ï de UNHCR, de Raad van Europa en andere relevante internationale
organisaties. 4. 6. De lidstaten stellen de
Commissie in kennis van de landen die overeenkomstig dit artikel als veilige
landen van herkomst worden aangemerkt. ê 2005/85/EG
artikel 27 ð nieuw Artikel 38 Het begrip
"veilig derde land" 1. De lidstaten mogen het begrip
"veilig derde land" alleen toepassen indien de bevoegde autoriteiten
zich ervan hebben vergewist dat een ð persoon die om internationale
bescherming verzoekt ï asielzoeker in het
betrokken derde land overeenkomstig de volgende beginselen zal worden
behandeld: a) het leven en de vrijheid worden niet
bedreigd om redenen van ras, religie, nationaliteit, lidmaatschap van een
bepaalde sociale groep of politieke overtuiging, en ò nieuw b) er bestaat geen
risico op ernstige schade in de zin van [Richtlijn …./../EU] [erkenningsrichtlijn]; ê 2005/85/EG
artikel 27 ð nieuw c b) het beginsel van non-refoulement
overeenkomstig het Verdrag van Genève wordt nageleefd, en d c) het verbod op verwijdering in strijd
met het recht op vrijwaring tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of
vernederende behandeling, zoals neergelegd in het internationaal recht, wordt
nageleefd, en e d) de mogelijkheid bestaat om om de
vluchtelingenstatus te verzoeken en, indien hij als vluchteling wordt erkend,
bescherming te ontvangen overeenkomstig het Verdrag van Genève. 2. De toepassing van het begrip
"veilig derde land" is onderworpen aan nationale wettelijke
voorschriften, waaronder: a) voorschriften waarbij een band tussen de ð persoon die om internationale
bescherming verzoekt ï asielzoeker en het
betrokken derde land wordt vereist op grond waarvan het voor de betrokkene
redelijk zou zijn naar dat land te gaan; b) voorschriften betreffende de methode met
behulp waarvan de bevoegde autoriteiten zich ervan vergewissen dat het begrip
"veilig derde land" op een bepaald land of een bepaalde ð verzoeker ï asielzoeker kan worden
toegepast. Een dergelijke methode dient onder meer te bestaan uit een
veiligheidsstudie per land voor een bepaalde ð verzoeker ï asielzoeker en/of een
nationale vaststelling van de landen die worden beschouwd als zijnde over het
algemeen veilig; c) voorschriften overeenkomstig de
internationale wetgeving die voorzien in een afzonderlijke studie om na te gaan
of het betrokken derde land voor een bepaalde ð verzoeker ï asielzoeker veilig is;
deze voorschriften moeten ten minste de ð verzoeker ï asielzoeker in staat
stellen de toepassing van het begrip "veilig derde land" aan te
vechten op grond van het feit dat ð het derde land, gelet op zijn
specifieke omstandigheden, niet veilig is ï hij zou worden blootgesteld aan foltering, wrede,
onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing.
ð De verzoeker moet ook in de gelegenheid
worden gesteld om het bestaan van de onder a) bedoelde band tussen hem en
het derde land aan te vechten. ï 3. Bij de uitvoering van een
uitsluitend op dit artikel gebaseerde beslissing dienen de lidstaten: a) de ð verzoeker ï asielzoeker hiervan op de
hoogte te brengen, en b) hem een document te verschaffen waarin de
autoriteiten van het derde land in de taal van dat land ervan in kennis worden
gesteld dat het verzoek niet inhoudelijk is onderzocht. 4. Wanneer het derde land de ð persoon die om internationale bescherming
verzoekt ï asielzoeker niet tot zijn
grondgebied toelaat, zorgen de lidstaten ervoor dat toegang wordt verstrekt tot
een procedure overeenkomstig de fundamentele beginselen en waarborgen die zijn
beschreven in hoofdstuk II. 5. De lidstaten stellen de
Commissie op gezette tijden in kennis van de landen waarop dit begrip wordt
toegepast overeenkomstig het bepaalde in dit artikel. ê 2005/85/EG
artikel 36 ð nieuw Artikel 39 Begrip
"Europees veilig derde land" 1. De lidstaten kunnen bepalen
dat een behandeling van het ð verzoek om internationale
bescherming ï asielverzoek of de
beoordeling van de veiligheid van de ð verzoeker ï asielzoeker in zijn
bijzondere omstandigheden zoals omschreven in hoofdstuk II, niet dan wel niet
volledig plaatsvindt in gevallen waarin de bevoegde autoriteit aan de hand van
feitenmateriaal heeft vastgesteld dat de ð persoon die om internationale
bescherming verzoekt ï asielzoeker hun
grondgebied illegaal tracht binnen te komen of net illegaal is binnengekomen
vanuit een veilig derde land overeenkomstig lid 2. 2. Een derde land kan voor de
toepassing van lid 1 alleen als veilig derde land worden beschouwd indien het: a) het Verdrag van Genève zonder
geografische beperkingen heeft geratificeerd en naleeft, en b) over een bij wet voorgeschreven
asielprocedure beschikt, en c) het Europees Verdrag tot bescherming van
de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden heeft geratificeerd en de
daarin vervatte bepalingen naleeft, met inbegrip van de normen met betrekking
tot daadwerkelijke rechtsmiddelen, en d) door de Raad is
aangemerkt als veilig derde land overeenkomstig lid 3. 3. De
Raad stelt, bij gekwalificeerde meerderheid
op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement, een
gemeenschappelijke lijst op, of wijzigt deze, van derde landen die door de
lidstaten voor de toepassing van lid 1 als veilig derde land worden beschouwd. 43. De
betrokken lidstaten stellen nationale wetsbepalingen vast voor de uitvoering
van de bepalingen van lid 1 en van de gevolgen van beslissingen die uit hoofde
van die bepalingen worden gegeven, overeenkomstig het beginsel van
non-refoulement van het Verdrag van Genève,
inclusief bepalingen inzake uitzonderingen op de toepassing van dit artikel om
humanitaire of politieke redenen dan wel om redenen van internationaal
publiekrecht. 54. Bij
de uitvoering van een uitsluitend op dit artikel gebaseerde beslissing dienen
de betrokken lidstaten: a) de ð verzoeker ï asielzoeker
hiervan op de hoogte te brengen, en b) hem een document te verschaffen waarin de
autoriteiten van het derde land in de taal van dat land ervan in kennis worden
gesteld dat het verzoek niet inhoudelijk is onderzocht. 65. Wanneer
het veilige derde land de ð verzoeker ï asielzoeker niet
terugneemt, zorgen de lidstaten ervoor dat toegang wordt verstrekt tot een
procedure overeenkomstig de fundamentele beginselen en waarborgen die zijn
beschreven in hoofdstuk II. ò nieuw 6. De
lidstaten stellen de Commissie op gezette tijden in kennis van de landen waarop
dit begrip wordt toegepast overeenkomstig het bepaalde in dit artikel. ê 2005/85/EG
artikel 36 7. Lidstaten
die overeenkomstig nationale wetgeving die op 1 december 2005 van kracht was,
en op grond van de criteria van lid 2, onder a), b) en c), derde landen als
veilige landen hebben aangemerkt, kunnen lid 1
op die derde landen toepassen totdat de Raad de gemeenschappelijke lijst uit
hoofde van lid 3 heeft aangenomen. ê 2005/85/EG
(aangepast) ð nieuw Afdeling IV Artikel 40 32 Volgende
verzoeken 1. Indien een persoon die in een lidstaat ð internationale bescherming ï asiel heeft aangevraagd,
aldaar verdere verklaringen heeft afgelegd of een volgend verzoek heeft
ingediend, ð onderzoekt ï kan deze lidstaat deze
verdere verklaringen of de elementen van het volgende verzoek onderzoeken in het kader
van de behandeling van het vorige verzoek of in het kader van de toetsing van
de beslissing waartegen beroep of bezwaar is aangetekend, voor zover de
bevoegde autoriteiten rekening kunnen houden met alle elementen die aan de
nadere verklaringen of het volgende verzoek in dit kader ten grondslag liggen. 2. Voorts kunnen de lidstaten een specifieke
procedure zoals bedoeld in lid 3 toepassen wanneer een persoon een volgend
asielverzoek indient: a) nadat het vorige verzoek
werd ingetrokken of ervan is afgezien op grond van artikel 19 of 20, b) nadat een beslissing is
genomen over het vorige verzoek. De lidstaten kunnen tevens beslissen deze
procedure niet eerder toe te passen dan nadat een definitieve beslissing is genomen. 2. 3. ð Om overeenkomstig artikel 33, lid 2,
onder d, een beslissing over de ontvankelijkheid van een verzoek om
internationale bescherming te nemen, ï moet eEen volgend ð verzoek om internationale
bescherming ï asielverzoek moet
eerst aan een voorafgaand onderzoek worden onderworpen om uit te maken of er, sinds de intrekking van
het vorige verzoek of na de in lid 2, onder b), bedoelde beslissing inzake dit
verzoek, nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn of
door de ð verzoeker ï asielzoeker zijn
voorgelegd in verband met de behandeling van de vraag of hij voor erkenning als
vluchteling ð of voor subsidiaire bescherming ï in aanmerking komt overeenkomstig Richtlijn […/…/EU] [erkenningsrichtlijn] 2004/83/EG. 3. 4. Indien
na
Ö uit Õ het in lid 2 3 bedoelde
voorafgaande onderzoek Ö wordt
geconcludeerd dat er Õ nieuwe elementen of
bevindingen aan de orde zijn Ö gekomen Õ of door de ð verzoeker ï asielzoeker Ö werden Õ zijn
voorgelegd die de kans aanzienlijk groter maken dat de ð verzoeker ï asielzoeker voor
erkenning als vluchteling ð of voor subsidiaire bescherming ï in aanmerking komt krachtens Richtlijn Ö […/…/EU] [erkenningsrichtlijn] Õ 2004/83/EG,
wordt het verzoek verder behandeld overeenkomstig hoofdstuk II. Ö De lidstaten
kunnen ook in andere redenen voorzien om een volgende verzoek verder te
behandelen. Õ 5. De
lidstaten kunnen overeenkomstig hun nationale wetgeving een hernieuwd
verzoek verder behandelen wanneer er andere redenen zijn om een procedure te
heropenen. 4. 6. De
lidstaten kunnen besluiten het verzoek enkel verder te behandelen indien de
betrokken ð verzoeker ï asielzoeker
buiten zijn toedoen de in de leden 2 en 3
3,
4 en 5 beschreven situaties in het kader van de vorige
procedure niet kon doen gelden, in het bijzonder door zijn recht op een
daadwerkelijk rechtsmiddel krachtens artikel 46
39
uit te oefenen. ò nieuw 5. Wanneer
een volgend verzoek niet verder wordt behandeld overeenkomstig dit artikel,
wordt het overeenkomstig artikel 33, lid 2, onder d), niet-ontvankelijk geacht.
ê 2005/85/EG ð nieuw 6. 7. De
in dit artikel bedoelde procedure kan ook van toepassing zijn ingeval: a) een ten laste van een ð verzoeker ï asielzoeker komende
persoon een verzoek indient nadat hij er overeenkomstig artikel 7, lid 2, 6,
lid 3, mee heeft ingestemd dat zijn geval deel uitmaakt
van een namens hem ingediend verzoek ð , en /of ï b) ð een ongehuwde minderjarige een verzoek
indient nadat namens hem een verzoek werd ingediend overeenkomstig
artikel 7, lid 5, onder c) ï . In ð die gevallen ï dit geval zal het
voorafgaande onderzoek in lid 2 3
erin bestaan na te gaan of met de situatie van de afhankelijke persoon ð of de ongehuwde minderjarige ï verband houdende feiten een apart verzoek rechtvaardigen. ò nieuw 7. Wanneer
een persoon ten aanzien van wie een overdrachtsbesluit overeenkomstig
Verordening (EU) […/…] [de Dublinverordening] moet worden uitgevoerd, verdere
verklaringen aflegt of een volgend verzoek indient in de overdragende lidstaat,
worden deze verklaringen of volgende verzoeken overeenkomstig deze richtlijn
behandeld door de verantwoordelijke lidstaat in de zin van Verordening (EU)
[…/…] [de Dublinverordening]. Artikel 41 Bijzondere voorschriften na de afwijzing of niet-ontvankelijkheid van een
volgend verzoek Wanneer een persoon
in dezelfde lidstaat een nieuw verzoek om internationale bescherming indient na
een definitieve beslissing om een verzoek niet-ontvankelijk te beschouwen overeenkomstig
artikel 40, lid 5, of na een definitieve beslissing om een voorgaand volgend
verzoek als ongegrond af te wijzen, kunnen de lidstaten het volgende doen: a) een
uitzondering maken op het recht om op het grondgebied te blijven, mits de
beslissingsautoriteit zich ervan heeft vergewist dat een terugkeerbesluit niet
zal leiden tot direct of indirect refoulement in strijd met de internationale
en EU-verplichtingen van die lidstaat; b) bepalen
dat de behandelingsprocedure wordt versneld overeenkomstig artikel 31,
lid 6, onder f); in dat geval kunnen de lidstaten ook afwijken van de
termijnen die normaal gelden voor versnelde procedures overeenkomstig de
nationale wetgeving; c) afwijken
van de termijnen die normaal gelden voor de in de artikelen 33 en 34 bedoelde
ontvankelijkheidsprocedures overeenkomstig de nationale wetgeving. ê 2005/85/EG Artikel 33 Niet
verschijnen De lidstaten
kunnen de in artikel 32 opgenomen procedure handhaven dan wel aannemen ingeval
er op een latere datum een verzoek wordt ingediend door een asielzoeker die,
ofwel opzettelijk ofwel door grove nalatigheid, niet naar een aanmeldcentrum
gaat dan wel zich niet op een aangegeven tijdstip bij de bevoegde autoriteiten
meldt. ê 2005/85/EG
(aangepast) ð nieuw Artikel 42
34 Procedureregels 1. De lidstaten zorgen ervoor dat ð personen die om internationale
bescherming verzoeken ï asielzoekers wier verzoek
aan een voorafgaand onderzoek ingevolge artikel 40
32
wordt onderworpen, de in artikel 12
10,
lid 1, opgesomde waarborgen genieten. 2. De lidstaten kunnen in hun interne recht regels inzake het voorafgaande
onderzoek ingevolge artikel 40 32
neerleggen. Die regels kunnen onder meer: a) de
betrokken ð verzoeker ï asielzoeker ertoe
verplichten feiten te vermelden en bewijzen te leveren die een nieuwe procedure
rechtvaardigen; b) het overleggen van de nieuwe gegevens door de
betrokken asielzoeker vereisen binnen een bepaalde termijn nadat hij deze heeft
verkregen; b c) het
voorafgaande onderzoek toestaan op grond van uitsluitend schriftelijke
toelichtingen zonder persoonlijk gehoor ð , met
uitzondering van de in artikel 40, lid 6, bedoelde gevallen ï . De Ö Deze Õ regels mogen de toegang voor ð verzoekers ï asielzoekers tot een nieuwe procedure niet onmogelijk maken en evenmin leiden tot
daadwerkelijke ontzegging of vergaande inperking van een dergelijke toegang. 3. De lidstaten dragen er zorg
voor dat: a) de asielzoeker ð verzoeker ï op passende wijze op de hoogte wordt
gesteld omtrent de uitkomst van het voorafgaande onderzoek en, ingeval het
verzoek niet verder zal worden behandeld, van de desbetreffende redenen en de
mogelijkheden om een bezwaar of een beroep in te stellen.; b) indien een van de in artikel 32, lid 2, bedoelde
situaties zich voordoet, de beslissingsautoriteit het hernieuwde verzoek zo spoedig
mogelijk overeenkomstig hoofdstuk II verder behandelt. Section V Artikel 43
35 Grensprocedures 1. De lidstaten kunnen procedures invoeren om, overeenkomstig de
fundamentele beginselen en waarborgen van hoofdstuk II, aan de grens of in
transitzones van de lidstaten een beslissing te nemen over: a) ð de ontvankelijkheid van een
verzoek in de zin van artikel 33ï asielverzoeken die
aldaar worden ingediend dat
aldaar wordt ingediend, ð en/of ï ò nieuw b) de inhoud van
een verzoek in een procedure overeenkomstig artikel 31, lid 6. ê 2005/85/EG
(aangepast) ð nieuw 2. Bij
gebreke evenwel van procedures zoals bedoeld in lid 1 kunnen de lidstaten,
overeenkomstig het bepaalde in dit artikel
en in overeenstemming met de wet- of regelgeving die op 1 december 2005 van
kracht is, van de in hoofdstuk II omschreven fundamentele beginselen en
waarborgen afwijkende specifieke procedures handhaven om aan de grens of in transitzones
een beslissing te nemen over het verlenen van toegang tot hun grondgebied aan
asielzoekers die aldaar zijn aangekomen en een asielverzoek hebben ingediend. 3. De in lid 2 bedoelde procedures dienen er met name
voor te zorgen dat de betrokkenen: a) de toestemming krijgen aan de grens of in
transitzones van de lidstaat te blijven, onverminderd artikel 7, en b) onmiddellijk worden
ingelicht over hun rechten en plichten, zoals omschreven in artikel 10, lid 1,
onder a), en c) indien nodig de diensten van een tolk, zoals omschreven in artikel 10, lid
1, onder b), aangeboden krijgen, en d) worden gehoord vooraleer
de bevoegde autoriteit een beslissing in dergelijke procedures neemt, met
betrekking tot hun asielverzoek door personen die over voldoende kennis beschikken van normen die van toepassing zijn
op het gebied van het asiel- en vluchtelingenrecht, zoals omschreven in de
artikelen 12, 13 en 14, en e) een juridische adviseur
of andere raadsman die door het nationale recht als zodanig is erkend of toegelaten, zoals omschreven in artikel 15, lid 1,
kunnen raadplegen, en f) f) een vertegenwoordiger
krijgen ingeval het niet-begeleide minderjarigen betreft, zoals omschreven in
artikel 17, lid 1, tenzij artikel 17, lid 2 of 3, van toepassing is. Wanneer de toegang tot het
grondgebied door een bevoegde autoriteit wordt geweigerd, dient de bevoegde
autoriteit de feitelijke en de juridische gronden te vermelden waarom het
asielverzoek ongegrond of niet-ontvankelijk is. 2. 4. De
lidstaten zorgen ervoor dat een beslissing in het kader van de in lid 1 2 voorgeschreven
procedures binnen een redelijke termijn wordt genomen.
Wanneer niet binnen vier weken een beslissing is genomen, wordt aan de ð verzoeker ï asielzoeker
toegang tot het grondgebied van de lidstaat verleend zodat zijn verzoek kan
worden behandeld overeenkomstig de andere bepalingen van deze richtlijn. 3. 5. Wanneer het door specifieke vormen van aankomst of van
de aankomst van grote aantallen onderdanen van derde landen of staatlozen die
aan de grens of in een transitzone ð verzoeken om internationale
bescherming ï asielverzoeken indienen, Ö in de
praktijk Õ praktisch
onmogelijk is om aldaar de bepalingen van lid 1 of de specifieke
procedure van de leden 2 en 3 toe te passen, kan
deze procedure ook worden toegepast indien en zolang de onderdanen van derde
landen of staatlozen op normale wijze worden ondergebracht op plaatsen nabij de
grens of de transitzone. ê 2005/85/EG Artikel 36 Begrip
"Europees veilig derde land" 1. De lidstaten kunnen
bepalen dat een behandeling van het asielverzoek of de beoordeling van de
veiligheid van de asielzoeker in zijn bijzondere omstandigheden zoals
omschreven in hoofdstuk II, niet dan wel niet volledig plaatsvindt in gevallen
waarin de bevoegde autoriteit aan de hand van feitenmateriaal heeft vastgesteld
dat de asielzoeker hun grondgebied illegaal tracht binnen te komen of net
illegaal is binnengekomen vanuit een veilig derde land overeenkomstig lid 2. 2. Een derde land kan voor de
toepassing van lid 1 alleen als veilig derde land worden beschouwd indien het: a) het Verdrag van Genève zonder
geografische beperkingen heeft geratificeerd en naleeft, en b) over een bij wet voorgeschreven
asielprocedure beschikt, en c) het Europees Verdrag tot bescherming
van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden heeft geratificeerd en
de daarin vervatte bepalingen naleeft, met inbegrip van de normen met
betrekking tot daadwerkelijke rechtsmiddelen, en d) door de Raad is aangemerkt als veilig
derde land overeenkomstig lid 3. 3. De Raad stelt, bij
gekwalificeerde meerderheid op voorstel van de Commissie en na raadpleging van
het Europees Parlement, een gemeenschappelijke lijst op, of wijzigt deze, van
derde landen die door de lidstaten voor de toepassing van lid 1 als veilig
derde land worden beschouwd. 4. De betrokken lidstaten
stellen nationale wetsbepalingen vast voor de uitvoering van de bepalingen van
lid 1 en van de gevolgen van beslissingen die uit hoofde van die bepalingen
worden gegeven, overeenkomstig het beginsel van non-refoulement van het Verdrag
van Genève, inclusief bepalingen inzake uitzonderingen op de toepassing van dit
artikel om humanitaire of politieke redenen dan wel om redenen van
internationaal publiekrecht. 5. Bij de uitvoering van een
uitsluitend op dit artikel gebaseerde beslissing dienen de betrokken lidstaten: a) de asielzoeker hiervan op de hoogte te
brengen, en b) hem een document te verschaffen waarin
de autoriteiten van het derde land in de taal van dat land ervan in kennis
worden gesteld dat het verzoek niet inhoudelijk is onderzocht. 6. Wanneer het veilige derde
land de asielzoeker niet terugneemt, zorgen de lidstaten ervoor dat toegang
wordt verstrekt tot een procedure overeenkomstig de fundamentele beginselen en
waarborgen die zijn beschreven in hoofdstuk II. 7. Lidstaten die
overeenkomstig nationale wetgeving die op 1 december 2005 van kracht was, en op
grond van de criteria van lid 2, onder a), b) en c), derde landen als veilige
landen hebben aangemerkt, kunnen lid 1 op die derde landen toepassen totdat de
Raad de gemeenschappelijke lijst uit hoofde van lid 3 heeft aangenomen. ê 2005/85/EG ð nieuw HOOFDSTUK IV Procedures voor de intrekking van de vluchtelingenstatus ð internationale-beschermingsstatus ï Artikel 44 37 Intrekking van
de ð internationale-beschermingsstatus ï vluchtelingenstatus De lidstaten zorgen ervoor dat een onderzoek
om de ð internationale-beschermingsstatus ï vluchtelingenstatus van
een bepaalde persoon in te trekken, kan beginnen wanneer er nieuwe elementen of
bevindingen aan de orde zijn waaruit blijkt dat er redenen zijn om de
geldigheid van de ð internationale-beschermingsstatus ï vluchtelingenstatus
opnieuw te onderzoeken. Artikel 45 38 Procedureregels 1. De lidstaten zorgen ervoor
dat wanneer de bevoegde autoriteit overweegt de ð internationale-beschermingsstatus ï vluchtelingenstatus van
een onderdaan van een derde land of staatloze in te trekken overeenkomstig
artikel 14 ð of artikel 19 ï van Richtlijn […./../EU] [erkenningsrichtlijn]
2004/83/EG,
de betrokkene de volgende waarborgen geniet: a) hij wordt er schriftelijk van in kennis
gesteld dat de bevoegde autoriteit heroverweegt, of hij in aanmerking komt voor
de ð internationale-beschermingsstatus ï vluchtelingenstatus,
en van de redenen voor die heroverweging, en b) hem wordt de kans geboden om, tijdens een
persoonlijk gehoor overeenkomstig artikel 12
10,
lid 1, onder b), en de artikelen 14, 15,
ð 16 ï en 1712,
13 en 14, of in een schriftelijke verklaring, de redenen
voor te leggen waarom de ð internationale-beschermingsstatus ï vluchtelingenstatus niet
mag worden ingetrokken. Bovendien zorgen de lidstaten ervoor dat, in het
kader van die procedure: a) de bevoegde autoriteit precieze en
bijgewerkte informatie uit diverse bronnen kan inwinnen zoals, in voorkomend
geval, informatie van ð het Europees Ondersteuningsbureau voor
asielzaken en ï van het Bureau van de UNHCR, wat betreft de algemene situatie die in
de landen van herkomst van de betrokken personen heerst, en b) wanneer er over het individuele geval
informatie wordt ingewonnen met het oog op een heroverweging van de ð internationale-beschermingsstatus ï vluchtelingenstatus, deze
informatie niet wordt ingewonnen bij de actor(en) van de vervolging ð of van de ernstige schade ï op een wijze die ertoe leidt dat deze actor(en) rechtstreeks te
weten komt (komen) dat de betrokken persoon ð internationale bescherming geniet ï een vluchteling is wiens
status en dat zijn
status wordt heroverwogen, noch resulteert in gevaar voor de fysieke
integriteit van de betrokkene en van de te zijnen laste komende personen, dan
wel voor de vrijheid en veiligheid van zijn nog in het land van herkomst
levende familieleden. 2. De lidstaten zorgen ervoor
dat de beslissing van de bevoegde autoriteit om de ð internationale-beschermingsstatus ï vluchtelingenstatus in te
trekken, schriftelijk wordt meegedeeld. De redenen in feite en in rechte worden
in de beslissing genoemd en informatie over de manier waarop de beslissing kan
worden aangevochten wordt schriftelijk verstrekt. 3. Zodra de bevoegde autoriteit
de beslissing heeft genomen om de ð internationale-beschermingsstatus ï vluchtelingenstatus in te
trekken, zijn artikel 20 15,
lid 2, ð artikel 22, ï artikel 23 16,
lid 1, en artikel 29 21
eveneens van toepassing. 4. In afwijking van de leden 1,
2 en 3 kunnen de lidstaten beslissen dat de ð internationale-beschermingsstatus ï vluchtelingenstatus van
rechtswege vervalt bij beëindiging overeenkomstig
artikel 11, lid 1, onder a), b), c) en d), van Richtlijn 2004/83/EG, of
indien de ð persoon die internationale bescherming
geniet ï vluchteling
ondubbelzinnig afziet van zijn erkenning als ð persoon die internationale bescherming
geniet ï vluchteling. ð De lidstaten mogen ook beslissen dat de
internationale-beschermingsstatus van rechtswege vervalt indien de persoon
die internationale bescherming geniet, een onderdaan van die lidstaat is
geworden. ï HOOFDSTUK V Beroepsprocedures Artikel 46 39 Recht op een
daadwerkelijk rechtsmiddel 1. De lidstaten zorgen ervoor
dat voor ð personen die om internationale
bescherming verzoeken ï asielzoekers een
daadwerkelijk rechtsmiddel bij een rechterlijke instantie openstaat tegen: a) een beslissing die inzake hun asielverzoek ð verzoek om internationale
bescherming ï is gegeven, met inbegrip van een beslissing: ò nieuw i) om een verzoek
als ongegrond te beschouwen met betrekking tot de vluchtelingenstatus en/of de
subsidiaire-beschermingsstatus, ê 2005/85/EG ð nieuw ii i) om een asielverzoek als
niet-ontvankelijk te beschouwen overeenkomstig artikel 33 25, lid 2; iii ii) aan de grens of in de transitzones
van een lidstaat zoals omschreven in artikel 43
35,
lid 1; iii) om een behandeling niet uit te voeren
overeenkomstig artikel 36; b) een weigering om de behandeling van een
verzoek na de onderbreking ervan overeenkomstig de artikelen 27 en 28 19
en 20 te hervatten; c) een beslissing om het
hernieuwde verzoek niet opnieuw te behandelen overeenkomstig de artikelen 32 en
34; d) een beslissing waarbij de
binnenkomst wordt geweigerd in het kader van de procedures krachtens artikel 35, lid 2; c e) een beslissing tot intrekking van
de ð internationale-beschermingsstatus ï vluchtelingenstatus
krachtens artikel 45 38. ò nieuw 2. De
lidstaten zorgen ervoor dat personen van wie door de beslissingsautoriteit is
erkend dat zij voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen, toegang hebben
tot een daadwerkelijk rechtsmiddel in de zin van lid 1 tegen een
beslissing om een verzoek als ongegrond te beschouwen met betrekking tot de vluchtelingenstatus. De betrokken persoon
kan, in afwachting van de uitkomst van de beroepsprocedures, aanspraak maken op
de rechten en voordelen die door Richtlijn […/.../EU] [erkenningsrichtlijn]
worden verleend aan personen die subsidiaire bescherming genieten. 3. De
lidstaten zorgen ervoor dat een daadwerkelijk rechtsmiddel in de zin van
lid 1, een volledig onderzoek van zowel de feitelijke als juridische
gronden omvat, met inbegrip van een ex nunc onderzoek van de behoefte aan
internationale bescherming overeenkomstig Richtlijn […/.../EU] [erkenningsrichtlijn],
zulks ten minste in beroepsprocedures voor een rechterlijke instantie van
eerste aanleg. ê 2005/85/EG ð nieuw 4. 2. De lidstaten stellen ð redelijke ï termijnen en andere vereiste voorschriften vast opdat de
verzoeker zijn recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel krachtens lid 1 kan
uitoefenen. ò nieuw De termijnen maken de
toegang van verzoekers tot een daadwerkelijk rechtsmiddel in de zin van
lid 1 niet onmogelijk of uiterst moeilijk. De lidstaten kunnen ook
voorzien in een ambtshalve toetsing van overeenkomstig artikel 43 genomen
beslissingen. ê 2005/85/EG 3. De
lidstaten stellen in voorkomend geval voorschriften overeenkomstig hun internationale verplichtingen vast betreffende: a) de vraag, of het
rechtsmiddel overeenkomstig lid 1 tot gevolg moet hebben dat asielzoekers in
afwachting van de uitkomst in de betrokken lidstaat mogen blijven, en b) de mogelijkheid van een rechtsmiddel of beschermende maatregelen
wanneer het rechtsmiddel overeenkomstig lid 1 niet het gevolg heeft dat
asielzoekers in afwachting van de uitkomst in de betrokken lidstaat mogen
blijven. De lidstaten kunnen ook voorzien in een rechtsmiddel van
rechtswege, en c) de redenen om een
beslissing krachtens artikel 25, lid 2, onder c), te betwisten overeenkomstig
de in artikel 27, lid 2, onder b) en c), bepaalde methode. ò nieuw 5. Onverminderd
lid 6 staan de lidstaten de verzoekers toe om op het grondgebied te blijven tot
de termijn waarbinnen zij hun recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel moeten
uitoefenen, verstreken is of, wanneer dat recht binnen de termijn werd
uitgeoefend, in afwachting van de uitkomst van het rechtsmiddel. 6. In
het geval van een beslissing om een verzoek als ongegrond te beschouwen wanneer
een van de in artikel 31, lid 6, onder a) tot en met g) opgesomde voorwaarden zijn
vervuld of van een beslissing om een verzoek als niet-ontvankelijk te
beschouwen overeenkomstig artikel 33, lid 2, onder a) of d), en wanneer in
dergelijke gevallen de nationale wetgeving niet voorziet in het recht om in de
lidstaat te blijven in afwachting van het resultaat van het rechtsmiddel, is
een rechterlijke instantie bevoegd om, op verzoek van de betrokken verzoeker of
ambtshalve, uitspraak te doen over de vraag of de verzoeker op het grondgebied
van de lidstaat mag blijven. Dit lid is niet van
toepassing op de in artikel 43 bedoelde procedures. 7. De
lidstaten staan de verzoeker toe om op het grondgebied te blijven in afwachting
van de uitkomst van de in lid 6 bedoelde procedure om te bepalen of de
verzoeker al dan niet op het grondgebied mag blijven. 8. De
leden 5, 6 en 7 doen geen afbreuk aan artikel 26 van Verordening (EU)
nr. […/…] [de Dublinverordening]. ê 2005/85/EG 9. 4. De lidstaten kunnen termijnen
vastleggen voor het onderzoek door de in lid 1 bedoelde rechterlijke instantie
van beslissingen van de beslissingsautoriteit. 5. Indien
aan een asielzoeker een status is toegekend
die dezelfde rechten en voordelen krachtens het nationale en het
Gemeenschapsrecht biedt als de vluchtelingenstatus overeenkomstig Richtlijn
2004/83/EG, kan de asielzoeker worden geacht een daadwerkelijk rechtsmiddel te
hebben, wanneer een rechterlijke instantie beslist dat het in lid 1 bedoelde
rechtsmiddel niet ontvankelijk is of geen grote kans van slagen heeft vanwege
onvoldoende belangstelling bij de asielzoeker om de procedure voort te zetten. 10. 6. De lidstaten kunnen in hun nationale
wetgeving tevens de voorwaarden vastleggen waaronder ervan kan worden uitgegaan
dat een verzoeker zijn rechtsmiddel zoals bedoeld in lid 1, impliciet
heeft ingetrokken of daarvan heeft afgezien, en wel tezamen met de regels
inzake de procedure die moet worden gevolgd. HOOFDSTUK VI Algemene en slotbepalingen Artikel 47
40 Aanvechting
door overheidsinstanties Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de
mogelijkheid voor overheidsinstanties om bestuursrechtelijke en/of rechterlijke
beslissingen aan te vechten overeenkomstig de nationale wetgeving. Artikel 48
41 Vertrouwelijkheid De lidstaten zien erop toe dat de autoriteiten
die uitvoering geven aan deze richtlijn ten aanzien van alle informatie welke
zij tijdens hun werk verkrijgen, gebonden zijn door het vertrouwelijkheidsbeginsel
zoals omschreven in de nationale wetgeving. ò nieuw Artikel 49 Samenwerking Elke lidstaat wijst
een nationaal contactpunt aan en deelt het adres daarvan mee aan de Commissie.
De Commissie stelt de andere lidstaten daarvan in kennis. De lidstaten nemen
in overleg met de Commissie alle passende maatregelen om een rechtstreekse
samenwerking en uitwisseling van gegevens tussen de bevoegde instanties tot
stand te brengen. ê 2005/85/EG
(aangepast) ð nieuw Artikel 50
42 Verslag Uiterlijk op 1 december 2009
ð .........[13] ï brengt de Commissie het Europees Parlement en de Raad verslag uit over
de toepassing van deze richtlijn in de lidstaten en stelt zij alle nodige
wijzigingen voor. De lidstaten doen de
Commissie alle informatie toekomen die deze nodig heeft voor het opstellen van
dit verslag. Na de indiening van het verslag
brengt de Commissie minstens om de ð vijf ï twee jaar aan het
Europees Parlement en de Raad verslag uit over de toepassing van deze richtlijn
in de lidstaten. Artikel 51
43 Omzetting 1. De lidstaten doen de wettelijke en bestuursrechtelijke
bepalingen in werking treden die nodig zijn om uiterlijk op 1 december 2007 aan deze richtlijn
Ö aan de
artikelen […] [artikelen die ten opzichte van de vorige richtlijn materieel
zijn gewijzigd] Õ te voldoen. Met
betrekking tot artikel 15 doen de lidstaten de wettelijke en
bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden die nodig zijn om uiterlijk
op 1 december 2008 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen
de Commissie daarvan onverwijld in kennis Ö delen de
Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede, alsmede een tabel ter weergave
van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn Õ . ò nieuw 2. De
lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in
werking treden om uiterlijk [drie jaar na de uiterste datum voor de omzetting]
aan artikel 31, lid 3, te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst
van die bepalingen onverwijld mede, alsmede een tabel ter weergave van het
verband tussen die bepalingen en deze richtlijn. ê 2005/85/EG
(aangepast) 3. Wanneer de lidstaten Ö de in de leden
1 en 2 bedoelde Õ deze
bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële
bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. Ö Hoe dit
gebeurt, wordt bepaald door de lidstaten. Õ De regels voor deze
verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten. ÖIn de bepalingen
wordt tevens vermeld dat verwijzingen in bestaande wettelijke en
bestuursrechtelijke bepalingen naar de bij deze richtlijn ingetrokken
richtlijn, gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn. De regels
voor die verwijzing en de formulering van die vermelding worden vastgesteld
door de lidstaten. Õ 4. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de Ö belangrijkste Õ bepalingen van
intern recht mee die betrekking hebben op deze richtlijn Ö alsmede een
tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze
richtlijn Õ . ê 2005/85/EG
(aangepast) ð nieuw Artikel 52
44 Overgangsregeling Overgangsbepalingen De lidstaten passen de wettelijke en
bestuursrechtelijke bepalingen Ö bedoeld
in Õ van
artikel 51, lid 1,43
toe op asielverzoeken ð verzoeken om internationale
bescherming ï die zijn ingediend na ð […] ï 1 december 2007 en op de
procedures tot intrekking van de ð internationale bescherming ï vluchtelingenstatus die
zijn ingeleid na ð […] ï 1 december 2007. ðVerzoeken die zijn ingediend vóór […] en
procedures tot intrekking van de vluchtelingenstatus die zijn ingeleid vóór […]
zijn onderworpen aan de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen
overeenkomstig Richtlijn 2005/85/EG. ï ò nieuw De lidstaten passen
de in artikel 51, lid 2, bedoelde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen
toe op verzoeken om internationale bescherming die zijn ingediend na […].
Verzoeken die zijn ingediend vóór […] zijn onderworpen aan de wettelijke en
bestuursrechtelijke bepalingen overeenkomstig Richtlijn 2005/85/EG. ê Artikel 53 Intrekking Richtlijn 2005/85/EG wordt met ingang van [de
dag na de in artikel 51, lid 1, van deze richtlijn genoemde datum]
ingetrokken voor de door deze richtlijn gebonden lidstaten, onverminderd de
verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage II,
deel B, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht. Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn
gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn en worden gelezen volgens
de concordantietabel in bijlage III. ê 2005/85/EG Artikel 54
45 Inwerkingtreding Deze richtlijn treedt in werking op de
twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad
van de Europese Unie. ê De artikelen [...] zijn van toepassing vanaf
[de dag na de in artikel 51, lid 1, genoemde datum]. ê 2005/85/EG
(aangepast) Artikel 55
46 Adressaten Deze richtlijn
is gericht tot de lidstaten, overeenkomstig het Verdrag tot oprichting van de Europese
Gemeenschap Ö de
Verdragen Õ . Gedaan te Brussel, Voor het Europees Parlement Voor
de Raad De voorzitter De
voorzitter ê 2005/85/EG BIJLAGE
I Definitie van
"beslissingsautoriteit" Bij de toepassing
van deze richtlijn kan Ierland, voor zover het bepaalde in artikel 17, lid 1,
van de Refugee Act (Wet op de Vluchtelingen) van 1996 (zoals gewijzigd) van
toepassing blijft, oordelen dat: - onder
"beslissingsautoriteit" zoals bedoeld in artikel 2, onder ef), van deze richtlijn, met betrekking tot de
vraag, of een verzoeker al dan niet als vluchteling moet worden
aangemerkt, moet worden verstaan het Office of the Refugee Applications
Commissioner (Bureau van de Commissaris voor de Erkenning van Vluchtelingen), - onder
"beslissingen in eerste aanleg" zoals bedoeld in artikel 2, onder ef), van deze richtlijn, ook moeten worden verstaan
de aanbevelingen van de Refugee Applications Commissioner (Commissaris voor
de Erkenning van Vluchtelingen) betreffende de vraag, of een verzoeker al
dan niet als vluchteling moet worden aangemerkt. Ierland zal de
Commissie in kennis stellen van alle wijzigingen van artikel 17, lid 1, van
de Refugee Act (Wet op de Vluchtelingen) van 1996 (zoals gewijzigd). BIJLAGE I
II Aanmerking van veilige landen van herkomst
voor de toepassing van artikel 29 en
artikel 370,
lid 1 Een land wordt als veilig land van herkomst
beschouwd wanneer op basis van de rechtstoestand, de toepassing van de
rechtsvoorschriften in een democratisch stelsel en de algemene politieke
omstandigheden kan worden aangetoond dat er algemeen gezien en op duurzame
wijze geen sprake is van vervolging in de zin van artikel 9 van Richtlijn […/…/EU] [erkenningsrichtlijn] 2004/83/EG,
noch van foltering of onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing,
noch van bedreiging door willekeurig geweld in het kader van een intern of
internationaal gewapend conflict. Bij deze beoordeling wordt onder meer rekening
gehouden met de mate waarin bescherming wordt geboden tegen vervolging of
mishandeling door middel van: a) de desbetreffende wetten en andere
voorschriften van het betrokken land en de wijze waarop die worden toegepast; b) de naleving van de rechten en vrijheden die
zijn neergelegd in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de
mens en de fundamentele vrijheden en/of het Internationaal Verdrag inzake
burgerrechten en politieke rechten en/of het Verdrag tegen foltering, in het
bijzonder de rechten waarop geen afwijkingen uit hoofde van artikel 15, lid 2,
van voornoemd Europees Verdrag zijn toegestaan; c) de naleving van het beginsel van
non-refoulement van het Verdrag van Genève; d) het beschikbaar zijn van een systeem van
daadwerkelijke rechtsmiddelen tegen schendingen van voornoemde rechten en
vrijheden. ê 2005/85/EG ð nieuw BIJLAGE
III Definitie van
"asielzoeker" Bij de toepassing
van deze richtlijn mag Spanje, voor zover de bepalingen van de "Ley
30/1992 de Régimen jurídico de las Administraciones Públicas y del
Procedimiento Administrativo Común" van 26 november 1992 en de "Ley
29/1998 reguladora de la Jurisdicción Contencioso-Administrativa" van 13
juli 1998 van toepassing blijven, oordelen
dat, in de zin van hoofdstuk V, de definitie van "asielzoeker" in
artikel 2, onder c), van de richtlijn ook een "recurrente" dient te
omvatten zoals is vastgesteld in bovengenoemde wetten. De
"recurrente" heeft recht op dezelfde waarborgen als de
"asielzoeker" zoals in de richtlijn vastgesteld wat betreft het
uitoefenen van zijn recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel in hoofdstuk V. Spanje zal de
Commissie in kennis stellen van alle ter zake doende wijzigingen in
bovengenoemde wetten. ê BIJLAGE
II IV
Deel A Ingetrokken richtlijn
(bedoeld in artikel 53) Richtlijn 2005/85/EG van de Raad || (PB L 326 van 13.12.2005, blz. 13) Deel B Termijn voor omzetting in nationaal
recht
(bedoeld in artikel 51) Richtlijn || Termijnen voor omzetting 2005/85/EG || Eerste termijn: 1 december 2007 Tweede termijn: 1 december 2008 BIJLAGE III Concordantietabel Richtlijn 2005/85/EG || Deze richtlijn Artikel 1 || Artikel 1 Artikel 2, onder a) tot en met c) || Artikel 2, onder a) tot en met c) - || Artikel 2, onder d) Artikel 2, onder d) tot en met f) || Artikel 2, onder e) tot en met g) - || Artikel 2, onder h) en i) Artikel 2, onder g) || Artikel 2, onder j) - || Artikel 2, onder k) en l) Artikel 2, onder h) tot en met k) || Artikel 2, onder m) tot en met p) - || Artikel 2, onder q) Artikel 3, leden 1 en 2 || Artikel 3, leden 1 en 2 Artikel 3, lid 3 || - Artikel 3, lid 4 || Artikel 3, lid 3 Artikel 4, lid 1, eerste alinea || Artikel 4, lid 1, eerste alinea Artikel 4, lid 1, tweede alinea || - Artikel 4, lid 2, onder a) || Artikel 4, lid 2, onder a) Artikel 4, lid 2, onder b) tot en met d) || - Artikel 4, lid 2, onder e) || Artikel 4, lid 2, onder b) Artikel 4, lid 2, onder f) || - - || Artikel 4, lid 3 Artikel 4, lid 3 || Artikel 4, lid 4 - || Artikel 4, lid 5 Artikel 5 || Artikel 5 Artikel 6, lid 1 || Artikel 6, lid 1 - || Artikel 6, leden 2 tot en met 4 Artikel 6, leden 2 en 3 || Artikel 7, leden 1 en 2 - || Artikel 7, lid 3 - || Artikel 7, lid 4 Artikel 6, lid 4 || Artikel 7, lid 5 Artikel 6, lid 5 || - - || Artikel 8 Artikel 7, leden 1 en 2 || Artikel 9, leden 1 en 2 - || Artikel 9, lid 3 Artikel 8, lid 1 || Artikel 10, lid 1 - || Artikel 10, lid 2 Artikel 8, lid 2, onder a) tot en met c) || Artikel 10, lid 3, onder a) tot en met c) - || Artikel 10, lid 3, onder d) Artikel 8, leden 3 en 4 || Artikel 10, leden 4 en 5 Artikel 9, lid 1 || Artikel 11, lid 1 Artikel 9, lid 2, eerste alinea || Artikel 11, lid 2, eerste alinea Artikel 9, lid 2, tweede alinea || - Artikel 9, lid 2, derde alinea || Artikel 11, lid 2, tweede alinea Artikel 9, lid 3 || Artikel 11, lid 3 Artikel 10, lid 1, onder a) tot en met c) || Artikel 12, lid 1, onder a) tot en met c) - || Artikel 12, lid 1, onder d) Artikel 10, lid 1, onder d) en e) || Artikel 12, lid 1, onder e) en f) Artikel 10, lid 2 || Artikel 12, lid 2 Artikel 11 || Artikel 13 Artikel 12, lid 1, eerste alinea || Artikel 14, lid 1, eerste alinea Artikel 12, lid 2, tweede alinea || - - || Artikel 14, lid 1, tweede en derde alinea Artikel 12, lid 2, derde alinea || Artikel 14, lid 1, vierde alinea Artikel 12, lid 2, onder a) || Artikel 14, lid 2, onder a) Artikel 12, lid 2, onder b) || - Artikel 12, lid 2, onder c) || - Artikel 12, lid 3, eerste alinea || Artikel 14, lid 2, onder b) Artikel 12, lid 3, tweede alinea || Artikel 14, lid 2, tweede alinea Artikel 12, leden 4 tot en met 6 || Artikel 14, leden 3 tot en met 5 Artikel 13, leden 1 en 2 || Artikel 15, leden 1 en 2 Artikel 13, lid 3, onder a) || Artikel 15, lid 3, onder a) - || Artikel 15, lid 3, onder b) Artikel 13, lid 3, onder b) || Artikel 15, lid 3, onder c) - || Artikel 15, lid 3, onder d) - || Artikel 15, lid 3, onder e) Artikel 13, lid 4 || Artikel 15, lid 4 Artikel 13, lid 5 || - - || Artikel 16 Artikel 14 || - - || Artikel 17 - || Artikel 18 - || Artikel 19 Artikel 15, lid 1 || Artikel 22, lid 1 Artikel 15, lid 2 || Artikel 20, lid 1 - || Artikel 20, leden 2 tot en met 4 - || Artikel 21, lid 1 Artikel 15, lid 3, onder a) || - Artikel 15, lid 3, onder b) en c) || Artikel 21, lid 2, onder a) en b) Artikel 15, lid 3, onder d) || - Artikel 15, lid 3, tweede alinea || - Artikel 15, leden 4 tot en met 6 || Artikel 21, leden 3 tot en met 5 - || Artikel 22, lid 2 Artikel 16, lid 1, eerste alinea || Artikel 23, lid 1, eerste alinea Artikel 16, lid 1, tweede alinea, eerste zin || Artikel 23, lid 1, tweede alinea, inleidende formulering - || Artikel 23, lid 1, onder a) Artikel 16, lid 1, tweede alinea, tweede zin || Artikel 23, lid 1, onder b) Artikel 16, lid 2, eerste zin || Artikel 23, lid 2 Artikel 16, lid 2, tweede zin || - - || Artikel 23, lid 3 Artikel 16, lid 3 || Artikel 23, lid 4, eerste alinea Artikel 16, lid 4, eerste alinea || - Artikel 16, lid 4, tweede en derde alinea || Artikel 23, lid 4, tweede en derde alinea - || Artikel 24 Artikel 17, lid 1 || Artikel 25, lid 1 Artikel 17, lid 2, onder a) || Artikel 25, lid 2 Artikel 17, lid 2, onder b) en c) || - Artikel 17, lid 3 || - Artikel 17, lid 4 || Artikel 25, lid 3 - || Artikel 25, lid 4 Artikel 17, lid 5 || Artikel 25, lid 5 - || Artikel 25, lid 6 Artikel 17, lid 6 || Artikel 25, lid 7 Artikel 18 || Artikel 26 Artikel 19 || Artikel 27 Artikel 20, leden 1 en 2 || Artikel 28, leden 1 en 2 - || Artikel 28, lid 3 Artikel 21 || Artikel 29 Artikel 22 || Artikel 30 Artikel 23, lid 1 || Artikel 31, lid 1 Artikel 23, lid 2, eerste alinea || Artikel 31, lid 2 - || Artikel 31, lid 3 Artikel 23, lid 2, tweede alinea || Artikel 31, lid 4, eerste alinea - || Artikel 31, lid 4, tweede alinea Artikel 23, lid 3 || Artikel 31, lid 5, inleidende formulering - || Artikel 31, lid 5, onder a) tot en met c) Artikel 23, lid 4, onder a) || Artikel 31, lid 6, onder a) Artikel 23, lid 4, onder b) || - Artikel 23, lid 4, onder c), i) || Artikel 31, lid 6, onder b) Artikel 23, lid 4, onder c), ii) || - Artikel 23, lid 4, onder d) || Artikel 31, lid 6, onder c) Artikel 23, lid 4, onder e) || - Artikel 23, lid 4, onder f) || Artikel 31, lid 6, onder d) Artikel 23, lid 4, onder g) || Artikel 31, lid 6, onder e) Artikel 23, lid 4, onder h) en i) || - Artikel 23, lid 4, onder j) || Artikel 31, lid 6, onder f) Artikel 23, lid 4, onder k) en l) || - Artikel 23, lid 4, onder m) || Artikel 31, lid 6, onder g) Artikel 23, lid 4, onder n) en o) || - - || Artikel 31, leden 7 en 8 Artikel 24 || - - || Artikel 32 (verplaatst artikel 28) Artikel 25 || Artikel 33 Artikel 25, lid 1 || Artikel 33, lid 1 Artikel 25, lid 2, onder a) tot en met c) || Artikel 33, lid 2, onder a) tot en met c) Artikel 25, lid 2, onder d) en e) || - Artikel 25, lid 2, onder f) en g) || Artikel 33, lid 2, onder d) en e) - || Artikel 34 Artikel 26 || Artikel 35 Artikel 27, lid 1, onder a) || Artikel 38, lid 1, onder a) - || Artikel 38, lid 1, onder b) Artikel 27, lid 1, onder b) tot en met d) || Artikel 38, lid 1, onder c) tot en met e) Artikel 27, leden 2 tot en met 5 || Artikel 38, leden 2 tot en met 5 Artikel 28 || Artikel 32 Artikel 29 || - Artikel 30, lid 1 || Artikel 37, lid 1 Artikel 30, leden 2 tot en met 4 || - - || Artikel 37, lid 2 Artikel 30, leden 5 en 6 || Artikel 37, leden 3 en 4 Artikel 31, lid 1 || Artikel 36, lid 1 Artikel 31, lid 2 || - Artikel 31, lid 3 || Artikel 36, lid 2 Artikel 32, lid 1 || Artikel 40, lid 1 Artikel 32, lid 2 || - Artikel 32, lid 3 || Artikel 40, lid 2 Artikel 32, lid 4 || Artikel 40, lid 3, eerste zin Artikel 32, lid 5 || Artikel 40, lid 3, tweede zin Artikel 32, lid 6 || Artikel 40, lid 4 - || Artikel 40, lid 5 Artikel 32, lid 7, eerste alinea || Artikel 40, lid 6, onder a) - || Artikel 40, lid 6, onder b) Artikel 32, lid 7, tweede alinea || Artikel 40, lid 6, tweede alinea - || Artikel 40, lid 7 - || Artikel 41 Artikel 33 || - Artikel 34, lid 1 en lid 2, onder a) || Artikel 42, lid 1 en lid 2, onder a) Artikel 34, lid 2, onder b) || - Artikel 34, lid 2, onder c) || Artikel 42, lid 2, onder b) Artikel 34, lid 3, onder a) || Artikel 42, lid 3 Artikel 34, lid 3, onder b) || - Artikel 35, lid 1 || Artikel 43, lid 1, onder a) - || Artikel 43, lid 1, onder b) Artikel 35, lid 2 en lid 3, onder a) tot en met f) || - Artikel 35, lid 4 || Artikel 43, lid 2 Artikel 35, lid 5 || Artikel 43, lid 3 Artikel 36, lid 1 en lid 2, onder a) tot en met c) || Artikel 39, lid 1 en lid 2, onder a) tot en met c) Artikel 36, lid 2, onder d) || - Artikel 36, lid 3 || - Artikel 36, leden 4 tot en met 6 || Artikel 39, leden 3 tot en met 5 - || Artikel 39, lid 6 Artikel 36, lid 7 || - Artikel 37 || Artikel 44 Artikel 38 || Artikel 45 - || Artikel 46, lid 1, onder a), i) Artikel 39, lid 1, onder a), i) en ii) || Artikel 46, lid 1, onder a), ii) en iii) Artikel 39, lid 1, onder a), iii) || - Artikel 39, lid 1, onder b) || Artikel 46, lid 1, onder b) artikel 39, lid 1, onder c) en d) || - Artikel 39, lid 1, onder e) || Artikel 46, lid 1, onder c) - || Artikel 46, leden 2 en 3 Artikel 39, lid 2 || Artikel 46, lid 4, eerste alinea - || Artikel 46, lid 4, tweede en derde alinea Artikel 39, lid 3 || - - || Artikel 46, leden 5 tot en met 8 Artikel 39, lid 4 || Artikel 46, lid 9 Artikel 39, lid 5 || - Artikel 39, lid 6 || Artikel 41, lid 10 Artikel 40 || Artikel 47 Artikel 41 || Artikel 48 - || Artikel 49 Artikel 42 || Artikel 50 Artikel 43, eerste alinea || Artikel 51, lid 1 - || Artikel 51, lid 2 Artikel 43, tweede en derde alinea || Artikel 51, leden 3 en 4 Artikel 44 || Artikel 52, eerste alinea - || Artikel 52, tweede alinea - || Artikel 53 Artikel 45 || Artikel 54 Artikel 46 || Artikel 55 Bijlage I || - Bijlage II || Bijlage I Bijlage III || - - || Bijlage II - || Bijlage III [1] Mededeling
van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch
en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's - Asielbeleidsplan - Een
geïntegreerde aanpak van bescherming in de hele EU, COM (2008)360, 17.6.2008. [2] PB L 326
van 13.12.2005, blz. 13. [3] Verslag
van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over de toepassing van
Richtlijn 2005/85/EG van 1 december 2005 betreffende minimumnormen voor de
procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de
vluchtelingenstatus, COM(2010) 465, 8.9.2010. [4] Europees
migratie- en asielpact, document 13440/08 van de Raad. [5] Werkdocument
van de diensten van de Commissie bij het voorstel voor een richtlijn van het
Europees Parlement en de Raad betreffende minimumnormen voor de procedures in
de lidstaten voor de verlening of intrekking van internationale bescherming –
Effectbeoordeling, SEC(2009) 1376, 21.10.2009. [6] PB C […]
van […], blz. […]. [7] PB C […]
van […], blz. […]. [8] PB L 326 van 13.12.2005, blz.
13. [9] PB L 132 van 29.5.2010, blz. 11. [10] PB L 348 van 24.12.2008, blz. 98. [11] Kaderbesluit
2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees
aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PB L
190 van 18.7.2002, blz. 1). [12] PB
L 31 van 6.2.2003, blz. 18. [13] Vier jaar na de datum van aanneming van deze
richtlijn. De toelichting per artikel bij het
gewijzigde voorstel is gebaseerd op een vergelijking met het voorstel van de
Commissie van 2009 tot wijziging van Richtlijn 2005/85/EG. Artikel 1 Er zijn geen
wijzigingen ten opzichte van het voorstel van 2009. Artikel 2 In vergelijking met het voorstel van 2009 is
dit artikel op de volgende punten gewijzigd: d) in de definitie van verzoekers die
bijzondere procedurele waarborgen behoeven: i) wordt een preciezere term ingevoerd,
namelijk "verzoeker die bijzondere procedurele waarborgen behoeft",
die beter weergeeft dat bij de toepassing van de richtlijn asielprocedures
rekening moet worden gehouden met bijzondere behoeften; ii) worden seksuele geaardheid en
genderidentiteit toegevoegd als gevallen waarin verzoekers bijzondere
procedurele waarborgen kunnen behoeven, aangezien onder meer in deze gevallen
moet zijn gewaarborgd dat de verzoeker zijn zaak kan bepleiten tijdens de
behandeling van het verzoek en in het bijzonder tijdens het persoonlijke
onderhoud; en (iii) wordt een aantal gronden verduidelijkt
door het begrip "geestelijke gezondheidsproblemen," te vervangen door
"ernstige lichamelijke aandoeningen, psychische aandoeningen,
posttraumatische stoornissen". (n) in het
gewijzigde voorstel wordt de draagwijdte van de term
"vertegenwoordiger" uitgebreid om duidelijk te maken dat, afhankelijk
van het gegeven nationale systeem, niet alleen een natuurlijke persoon maar ook
een organisatie de wettelijke vertegenwoordiger van een niet-begeleide
minderjarige kan zijn. (q) de nieuwe
definitie van volgende verzoeken is noodzakelijk om in de hele tekst de regels
over volgende verzoeken te helpen verduidelijken. Artikel 3 Er zijn geen wijzigingen ten opzichte van het
voorstel van 2009. Artikel 4 Het gewijzigde voorstel bevat belangrijke
wijzigingen om de bepalingen te vereenvoudigen en de uitvoering ervan te
vergemakkelijken. In dit artikel wordt verduidelijkt dat de
beslissingsautoriteit over passende middelen moet beschikken, inclusief
voldoende bekwaam personeel om de taken van de autoriteit uit te voeren en dat
het personeel van de beslissingsautoriteit goed opgeleid moet zijn. Om de
bepalingen over opleidingsactiviteiten voor het personeel te vereenvoudigen,
werd het gewijzigde voorstel aangepast aan de relevante regels van de
verordening tot oprichting van het Europees Ondersteuningsbureau voor
asielzaken (Verordening (EU) 439/2010) door te verwijzen naar artikel 6,
lid 4, onder a) tot en met e), van deze verordening. Deze verplichting in
verband met opleiding omvat thans derhalve de volgende aspecten: a) internationale mensenrechten en het
acquis inzake asiel van de Unie en met name specifieke juridische en
jurisprudentiële aangelegenheden; b) aangelegenheden in verband met de
behandeling van asielverzoeken van minderjarigen en kwetsbare personen met
bijzondere behoeften; c) gesprekstechnieken; d) het gebruik van medische en
juridische deskundigenverslagen in asielprocedures; e) aangelegenheden in verband met de
productie en het gebruik van gegevens over landen van herkomst; f) opvangvoorzieningen, met bijzondere
aandacht voor kwetsbare groepen en slachtoffers van foltering. Wat de uitzonderingen op het beginsel van één
enkele beslissingautoriteit betreft, werd een nieuw punt b) ingevoegd voor
gevallen waarin een andere autoriteit (bv. grenswachten) de toegang tot het
grondgebied verleent of weigert in het kader van een grensprocedure. Er is
verduidelijkt dat in deze gevallen de beslissing over de toelating moet zijn
gebaseerd op het advies van de beslissingsautoriteit. Deze wijziging heeft als
doel de bepalingen van de richtlijn af te stemmen op de uiteenlopende
regelingen inzake grenscontrole in de lidstaten. Artikel 5 Er zijn geen wijzigingen ten opzichte van het
voorstel van 2009. Artikel 6 Met het oog op een duidelijkere structuur werd
artikel 6 van het voorstel van 2009 in twee artikelen opgesplitst: artikel 6
van het gewijzigde voorstel bevat bepalingen over het algemene beginsel van
vlotte en tijdige toegang, terwijl het nieuwe artikel 7 gaat over verzoeken
namens afhankelijke personen of minderjarigen. De terminologie van het artikel werd
verduidelijkt ten opzichte van het voorstel van 2009 en van de huidige
richtlijn. Er werd een duidelijker onderscheid gemaakt tussen “het willen
indienen” en “het indienen” van een verzoek om internationale bescherming. Overeenkomstig
de definitie van een verzoek in artikel 2, onder b), is er van een verzoek
sprake zodra een persoon een lidstaat om bescherming verzoekt en ervan kan
worden uitgegaan dat die persoon de vluchtelingenstatus of de
subsidiaire-beschermingsstatus wenst. Deze handeling vereist geen
administratieve formaliteiten. De betrokken administratieve formaliteiten
moeten worden vervuld wanneer daadwerkelijk een verzoek wordt ingediend. Op
grond van lid 2 zorgen de lidstaten ervoor dat een persoon die een verzoek wil
indienen, daadwerkelijk de mogelijkheid heeft om dat zo snel mogelijk te doen,
met inachtneming van de praktische beperkingen die op grond van lid 1 kunnen
worden opgelegd. In lid 3 wordt duidelijk gemaakt dat alleen
het feit dat een persoon die een verzoek wil indienen, een verzoeker is, binnen
72 uur moet worden geregistreerd en dat niet de volledige registratie van het
verzoek binnen die termijn moet gebeuren. Deze bepaling is duidelijker en meer
in overeenstemming met de specifieke kenmerken van de nationale asielstelsels. De vereiste voor andere autoriteiten dan de
beslissingsautoriteit om de toegang tot asielprocedures te vergemakkelijken,
werd vereenvoudigd. Het algemene beginsel is thans dat het personeel van de
autoriteiten die verzoeken kunnen ontvangen, passend wordt geïnstrueerd en de
nodige opleiding krijgt om aan de verplichting te voldoen de toegang tot de
procedure te vergemakkelijken. Een verwijzing naar de door het Europees
Ondersteuningsbureau voor asielzaken ontwikkelde richtsnoeren moet zorgen voor
een verdere harmonisering via operationele middelen. Het voorstel voorziet in de mogelijkheid om de
termijn van 72 uur tot zeven werkdagen te verlengen, om de lidstaten de
mogelijkheid te bieden de verzoeken efficiënt af te handelen wanneer een groot
aantal onderdanen van derde landen of staatlozen tegelijk om bescherming
verzoekt. Artikel 7 Het gewijzigde voorstel verduidelijkt de
voorwaarden waaronder een minderjarige zelf een verzoek kan indienen. Een van
deze voorwaarden is dat de minderjarige volgens het nationale recht van de
betrokken lidstaat handelingsbekwaam is om procedures te voeren of dat via zijn
ouders of andere volwassen familieleden kan doen. Artikel 8 (komt overeen met artikel 7 van
het voorstel van 2009) Dit artikel vereenvoudigt de bepalingen van
het overeenkomstige artikel 7 van het voorstel van 2009. De vereenvoudiging
heeft als doel de lidstaten meer flexibiliteit te bieden bij de uitvoering van
deze bepalingen. Vooral wat tolkdiensten betreft werd duidelijk gemaakt dat
deze diensten alleen moeten worden verstrekt voor zover dat strikt noodzakelijk
is om de toegang tot de procedure te vergemakkelijken. In wezen heeft deze
bepaling als doel de personen die om internationale bescherming willen
verzoeken, de mogelijkheid te bieden om dat te doen. De term "dienst"
wijst erop dat de lidstaten een ruime discretionaire bevoegdheid hebben om de
geschikte regeling vast te stellen. Artikel 9 (komt overeen met artikel 8
van het voorstel van 2009) Er zijn geen wijzigingen ten opzichte van het
voorstel van 2009. Artikel 10 (komt overeen met artikel 9
van het voorstel van 2009) Om de oprichting van het Europees
Ondersteuningsbureau voor asielzaken te beklemtonen alsook zijn specifieke,
belangrijke rol in de EU bij de ondersteuning van lidstaten wat betrouwbare
informatie over het land van herkomst in asielprocedures betreft, werden de
verwijzingen naar het bureau en de UNCHR omgewisseld. In lid 3, onder b), van dit artikel werd de
verwijzing naar het recht van de verzoeker en de juridische adviseur op toegang
tot informatie over het land van herkomst geschrapt. Zij werd in artikel 12,
lid 1, onder een nieuw punt d), ondergebracht om de coherentie van de tekst te
verbeteren. Aan lid 3, onder d), werd een element
toegevoegd om ervoor te zorgen dat het personeel dat verzoeken behandelt en
beslissingen neemt, ook advies kan vragen over religieuze aangelegenheden die
van belang kunnen zijn in zaken waarin vluchtelingen worden vervolgd om redenen
die met religie verband houden. Artikel 11 (komt overeen met artikel 10
van het voorstel van 2009) Aan lid 3 zijn nog twee gronden toegevoegd,
waardoor rekening wordt gehouden met het feit dat de bekendmaking van
specifieke gegevens over seksuele gerichtheid en genderidentiteit ook de
belangen van een verzoeker kan schaden in het geval van een enkele beslissing
over alle afhankelijke personen. Artikel 12 (komt overeen met artikel 11
van het voorstel van 2009) Lid 1, onder a) en f), werd gewijzigd. Het
voorstel bepaalt dat de verzoeker over de procedure wordt ingelicht in een taal
die hij begrijpt of waarvan redelijkerwijze kan worden aangenomen dat hij deze
begrijpt. Voorts moeten de lidstaten op grond van lid 1, onder a), verzoekers
bij het begin van de procedure informeren over deze regels om hen meer bewust
te maken van de gevolgen van een intrekking. Deze waarborg is nodig doordat de
bepalingen over intrekking zijn gewijzigd. In lid 1, onder b), werd duidelijk gemaakt dat
niet alleen de beslissingsautoriteit de verzoeker kan horen, maar ook andere
bevoegde autoriteiten indien het om een onderhoud over de ontvankelijkheid
gaat. Het nieuwe lid 1, onder d), voorziet in het
recht van verzoekers en, in voorkomend geval, hun juridische raadgevers, op
toegang tot de in artikel 10, lid 3, onder b), bedoelde informatie. Deze
wijziging brengt geen nieuwe verplichtingen met zich; deze bepaling over de
toegang tot de in artikel 10, lid 1, onder b), bedoelde informatie werd van
artikel 10 naar artikel 12 verplaatst omdat dat voor een coherentere structuur
van de tekst zorgt. Artikel 13 (komt overeen met artikel 12
van het voorstel van 2009) In het gewijzigde voorstel zijn de
bewoordingen van lid 1 preciezer en coherenter gemaakt zonder dat de inhoud is
veranderd. Artikel 14 (komt overeen met artikel 13
van het voorstel van 2009) De bepalingen over het persoonlijke onderhoud
zijn flexibeler gemaakt. De algemene regel blijft dat het onderhoud over de
inhoud van het verzoek wordt afgenomen door het personeel van de beslissingsautoriteit,
maar wanneer een groot aantal onderdanen van derde landen of staatlozen
tegelijk om bescherming verzoekt, kunnen de lidstaten bepalen dat het personeel
van een andere autoriteit betrokken wordt bij het afnemen van dat onderhoud. Niettemin
moet het personeel in dat geval dezelfde opleiding krijgen als het personeel
van de beslissingsautoriteit. Deze praktijk mag slechts tijdelijk worden
toegepast, zolang de voorwaarden vervuld blijven. De derde alinea van lid 1 werd vereenvoudigd
en verduidelijkt zonder wijziging van de verplichting dat ten laste komende
volwassenen de mogelijkheid moeten krijgen persoonlijk te worden gehoord. In lid 2, onder b), werd de term
"bevoegde autoriteit" vervangen door
"beslissingsautoriteit" om ervoor te zorgen dat steeds de
beslissingsautoriteit beslist of van het persoonlijk onderhoud kan worden
afgezien ingeval de verzoeker niet persoonlijk kan worden gehoord. Artikel 15 (komt overeen met artikel 14
van het voorstel van 2009) In lid 3, onder a), werd verduidelijkt dat de
persoon die het onderhoud afneemt, in staat moet zijn om rekening te houden met
de persoonlijke en (in plaats van "of") algemene
omstandigheden die een rol spelen bij de verzoeken, om een goede beslissing te
kunnen nemen. Deze elementen zijn conjunctief en niet disjunctief; er moet met
beide rekening worden gehouden. Seksuele gerichtheid en genderidentiteit werden
toegevoegd aan de lijst van voorbeelden van omstandigheden waarmee rekening
moet worden gehouden aangezien dat ook elementen zijn waarmee bij het onderhoud
eventueel rekening moet worden gehouden. De bewoordingen van lid 3, onder c), werden
vereenvoudigd zonder dat de inhoud van de bepalingen werd gewijzigd. In lid 3, onder d), werd de bepaling dat de
persoon die het onderhoud afneemt geen uniform mag dragen, preciezer
geformuleerd, in de zin dat alleen militaire of politie-uniformen worden
uitgesloten. Lid 3, onder e), werd beter geformuleerd. Artikel 16 (komt overeen met artikel 15
van het voorstel van 2009) Dit artikel werd vereenvoudigd om de
uitvoering ervan door de lidstaten te vergemakkelijken. Het vereiste dat de
vragen aan de verzoeker relevant moeten zijn voor de beoordeling, werd
geschrapt aangezien deze impliciet valt onder het vereiste om de verzoeker in
de gelegenheid te stellen de elementen van de zaak aan te voeren. Artikel 17 (komt overeen met artikel 16
van het voorstel van 2009) Dit artikel werd aanzienlijk gewijzigd ten
opzichte van het voorstel van 2009. De lidstaten zijn niet verplicht om van elk
persoonlijk onderhoud een schriftelijke weergave op te stellen. Volgens de
voorgestelde bepalingen moet een uitvoerig verslag worden opgesteld dat alle
essentiële elementen van het onderhoud bevat. De lidstaten kunnen voorzien in
de geluidsopname of audiovisuele opname van het persoonlijke onderhoud. Niettemin
moet ook in die gevallen een uitvoerig verslag worden opgesteld en moet de
opname bij het verslag worden gevoegd. De verzoeker moet in de gelegenheid worden
gesteld om opmerkingen te maken bij het verslag. Daartoe moet de verzoeker na
het onderhoud of binnen een specifieke termijn voordat de beslissingsautoriteit
een beslissing neemt, worden geïnformeerd over de inhoud van het verslag. De
term "volledig" wijst erop dat deze informatie op holistische wijze
alle elementen van de inhoud van het verslag moet bevatten en zo nodig met
bijstand van een tolk. Het voorstel bepaalt dat de lidstaten de
verzoeker vragen om de inhoud van het verslag goed te keuren. Op deze regel
bestaat een uitzondering, namelijk wanneer van het onderhoud een geluidsopname
of audiovisuele opname is gemaakt. In dat geval moet de verzoeker in de
gelegenheid worden gesteld om in beroepsprocedures als bewijsmiddel te
verwijzen naar de opname, die als bewijs aan het verslag wordt gehecht. Indien de verzoeker het verslag weigert goed
te keuren, wordt dat in het dossier vermeld. Een dergelijke weigering belet de
beslissingsautoriteit echter niet een beslissing te nemen. Artikel 18 (komt overeen met artikel 17
van het voorstel van 2009) Het voorstel heeft als doel de bepalingen over
medische verslagen grondig te herzien. Het opschrift van het artikel werd
gewijzigd door de term "juridisch" te schrappen om beter de huidige
inhoud van dit artikel weer te geven. De eerste zin van lid 1 bevat het algemeen
beginsel dat de verzoeker zich medisch moet kunnen laten onderzoeken om bij de
beslissingsautoriteit een medisch attest te kunnen indienen ter staving van
zijn verzoek. De draagwijdte van dat medisch attest is beperkt; het heeft als
doel het verzoek van de betrokkene te staven wat vroegere vervolgingen of
ernstige schade betreft. Op die manier moet duidelijk zijn dat het medisch
attest op zichzelf geen bewijs van vervolging is. De lidstaten kunnen een
redelijke termijn vaststellen waarbinnen het attest moet worden ingediend om de
beoordeling en de beslissing niet te vertragen. Om procedures doeltreffender te
maken en misbruik of nodeloze vertraging te vermijden, voorzien de bepalingen
in de mogelijkheid om een beslissing te nemen zonder dat met het attest
rekening wordt gehouden wanneer het zonder goede reden te laat werd ingediend. Een medisch onderzoek kan bijzonder relevant
zijn voor de beoordeling van het verzoek wanneer de verzoeker niet in staat is
om de elementen die nodig zijn om zijn verzoek te staven, volledig tot uidrukking
te brengen. Om die reden schrijft lid 2 voor dat de beslissingsautoriteit op
eigen initiatief, met de toestemming van de verzoeker, een medisch onderzoek
laat uitvoeren, wanneer zij van oordeel is dat er redenen zijn om aan te nemen
dat de verzoeker niet in staat is om een onderhoud te hebben als gevolg van
posttraumatische stresstoornis, vroegere vervolgingen of ernstige schade. De
weigering van de verzoeker om het medisch onderzoek te ondergaan, belet de
beslissingsautoriteit niet een beslissing te nemen. In het nieuwe lid 5 wordt verduidelijkt wat de
inhoud is van de opleiding die de lidstaten moeten geven aan personen die de
verzoekers horen. De term "herkenning" wijst erop dat de opleiding
als doel moet hebben dat de personen die het onderhoud afnemen, de symptomen
van mogelijke vroegere foltering of andere medische problemen die tot gevolg
kunnen hebben dat de verzoeker niet in staat is om een onderhoud te hebben,
leren kennen en herkennen. Artikelen 19 tot en met 22 (komen
overeen met artikel 18 van het voorstel van 2009) De nieuwe artikelen 19 tot en met 22 hebben
als doel de bepalingen over rechtsbijstand en vertegenwoordiging aan te passen
en te verduidelijken om deze flexibeler te maken en er tegelijk voor te zorgen
dat het juridische en procedurele informatie kosteloos kan worden verstrekt aan
de personen die daarom vragen en die niet over voldoende middelen beschikken. Dat
is een van de belangrijkste elementen van "frontloading". De keuze
voor deze aanpak werd volledig ondersteund door de bevindingen van een project
in het Verenigd Koninkrijk, de zogenaamde "Solihull pilot",
gepresenteerd op de ministeriële conferentie over asiel in september 2010. Dat
project bevestigde de hypothese dat "frontloading" in de
asielprocedure, met name door de verzoekers aan het begin van de procedure
toegang te geven tot deskundig juridisch advies, leidt tot aanzienlijke
verbeteringen in de kwaliteit van de beslissingen in eerste aanleg. Ten opzichte van het voorstel van 2009 werd de
terminologie gewijzigd om mogelijke verwarring tussen drie verschillende
begrippen te vermijden: 1. het minimumniveau van in eerste aanleg te
verstrekken juridische en procedurele informatie, 2. kosteloze rechtsbijstand
om in beroepsprocedures de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen,
en 3. het recht van verzoekers om op eigen kosten contact te hebben met een
juridisch adviseur of advocaat. Met het oog op een duidelijkere structuur en
duidelijkere bepalingen werd artikel 18 van het voorstel van 2009 in vier
artikelen opgesplitst. Deze opsplitsing maakt het onderscheid tussen die
verschillende begrippen in de verschillende stadia van de procedure
duidelijker. Artikel 19 Dit artikel bevat bepalingen over kosteloze
juridische en procedurele informatie in procedures in eerste aanleg. Het
opschrift van dit artikel heeft als doel te verduidelijken dat de lidstaten
verplicht zijn om de verzoekers in de procedures in eerste aanleg, op hun
verzoek, kosteloos juridische en procedurele informatie aan te bieden en dat
dit niet als "rechtsbijstand en vertegenwoordiging" mag worden
beschouwd. Overeenkomstig verscheidene nationale rechtssystemen van de
lidstaten is het derhalve niet nodig om voor elke verzoeker een advocaat aan te
stellen, om deze verplichting na te komen. In de bepaling wordt ook een minimumniveau
vastgesteld voor de verstrekte juridische en procedurele informatie. Ten eerste
bevat die informatie de uiteenzetting van de procedurele stappen, instrumenten,
rechten en verplichtingen die voor de zaak van de verzoeker relevant kunnen
zijn, onder meer de verplichting om samen te werken en de verplichting om de in
artikel 4 van de erkenningrichtlijn bedoelde elementen te verstrekken. Ten
tweede bevat zij, in geval van een negatieve beslissing, de uiteenzetting van
de feitelijke, materieelrechtelijke en procedurele gronden voor de verwerping,
om de verzoeker in staat te stellen een weloverwogen besluit te nemen over de
vraag of hij zijn recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel zal gebruiken. Deze
verduidelijking is noodzakelijk gebleken op grond van de ervaring die tijdens
de bespreking van het vorige voorstel is opgedaan. Opgemerkt zij dat artikel 20, lid 2,
verduidelijkt dat wanneer lidstaten in procedures in eerste aanleg kosteloos
rechtsbijstand en/of vertegenwoordiging aanbieden, daaronder ook de elementen
van het kosteloos verstrekken van juridische en procedurele informatie moeten
worden begrepen. Lid 2 verwijst naar de nadere toepasselijke
voorwaarden, die verder in artikel 21 zijn opgenomen. Artikel 20 Het opschrift van dit nieuwe artikel wijst
erop dat de lidstaten ervoor zorgen dat in beroepsprocedures kosteloos
rechtsbijstand en vertegenwoordiging worden aangeboden. In de terminologie van
het gewijzigde voorstel wordt met kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging
bedoeld dat de verzoeker door een bekwame persoon wordt bijgestaan en
vertegenwoordigd; in de nationale stelsels van verscheidene lidstaten wordt
daarmee een gekwalificeerde advocaat bedoeld. Ook hier werden minimumvereisten
vastgesteld: onder meer het opstellen van de vereiste procedurestukken alsook
de deelname aan een zitting voor een rechterlijke instantie. Laatstgenoemd
vereiste is beperkt tot beroepsprocedures op het eerste niveau. In hogere
aanleg zijn de lidstaten op grond van deze richtlijn niet verplicht om
kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging aan te bieden. Aangezien de
minimumvereisten van deze bepaling zowel bijstand (het opstellen van stukken)
als vertegenwoordiging (deelname aan de zitting) betreffen, werd verduidelijkt
dat deze bepaling betrekking heeft op rechtsbijstand "en" (in plaats
van "en/of") vertegenwoordiging. In lid 2 wordt verwezen naar de praktijk van
verscheidene lidstaten waar reeds in procedures in eerste aanleg (dat wil
zeggen de administratieve procedures voor de beslissingsautoriteit) kosteloze
rechtsbijstand en/of vertegenwoordiging (door advocaten) beschikbaar is. In dit
lid wordt rekening gehouden met hun systemen door te verduidelijken dat in dat
geval deze lidstaten de in artikel 19 bedoelde juridische en procedurele
informatie niet hoeven aan te bieden, aangezien dat onder de door een advocaat
verleende rechtsbijstand en vertegenwoordiging valt. Lid 3 voorziet in de mogelijkheid van de
zogenaamde "gegrondheidstoets". Dat betekent dat lidstaten mogen
vaststellen dat kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging niet beschikbaar
zijn voor verzoekers van wie het hoger beroep geen reële kans van slagen heeft.
Dit moet echter door de rechterlijke instantie worden onderzocht en niet door
de beslissingsautoriteit. De tweede alinea beperkt de toepassing van de
gegrondheidstoets door te verwijzen naar artikel 47 van het Handvest van de
grondrechten van de Europese Unie, dat bepaalt dat rechtsbijstand wordt
verleend aan degenen die niet over toereikende financiële middelen beschikken,
voor zover die bijstand noodzakelijk is om de daadwerkelijke toegang tot de
rechter te waarborgen. Deze alinea moet worden gelezen in samenhang met artikel
21, lid 2, onder c), van de richtlijn waarin de algemene regel is vervat dat
kosteloze juridische en procedurele informatie in eerste aanleg en kosteloze
rechtsbijstand en vertegenwoordiging in beroepsprocedures uitsluitend worden
aangeboden aan diegenen die niet over voldoende middelen beschikken. Artikel 21 Dit artikel bevat de algemene voorwaarden die
van toepassing zijn in gevallen waarin kosteloze juridische en procedurele
informatie en kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging worden aangeboden.
Het nieuwe lid 1 heeft als doel de lidstaten een ruime vrijheid te laten in de
wijze waarop deze verplichtingen worden nagekomen. De aanstelling van een
advocaat wordt als een standaardoplossing beschouwd, maar de lidstaten mogen de
verplichtingen krachtens de artikelen 19 en 20 ook via niet-gouvernementele
organisaties, overheidsfunctionarissen of gespecialiseerde overheidsdiensten
nakomen. Deze bepaling houdt rekening met de bestaande systemen van
verscheidene lidstaten. Artikel 22 Dit artikel bevat het recht van de verzoeker
om in alle fasen van de procedure een advocaat te raadplegen. Het belangrijkste
onderscheid tussen de bepalingen van dit artikel en die van de artikelen 19 tot
en met 21 is dat dit artikel alleen betrekking heeft op het recht van de
verzoeker om op eigen kosten een advocaat te raadplegen. Het artikel bepaalt
ook dat de lidstaten niet-gouvernementele organisaties dergelijke diensten
mogen laten aanbieden. Artikel 23 (komt overeen met artikel 19
van het voorstel van 2009) Het gewijzigde voorstel wijzigt deze bepaling
wat de toegang tot informatie betreft in procedures waar overwegingen van
nationale veiligheid meespelen. Om het beginsel van gelijkheid van wapens en de
vaste rechtspraak te eerbiedigen, voorziet het artikel in de mogelijkheid voor
de lidstaten om toegang tot de dossiers alleen aan gespecialiseerde overheidsdiensten
toe te staan (advocaten) wanneer er een gevaar is voor de nationale veiligheid.
Deze bepaling heeft als doel ervoor te zorgen dat de verzoeker naar behoren
wordt vertegenwoordigd zonder dat gevoelige of vertrouwelijke informatie wordt
vrijgegeven. Op grond van deze bepalingen hoeft de vertegenwoordiger
(ambtenaar, advocaat) geen contact te hebben met de verzoeker. Artikel 24 (komt overeen met artikel 20
van het voorstel van 2009) Het gewijzigde voorstel heeft als doel de
bepalingen over personen met bijzondere behoeften te vereenvoudigen. Het heeft
als doel de beginselen vast te stellen en biedt de lidstaten de mogelijkheid om
te kiezen op welke manier deze bepaling het best kan worden uitgevoerd. Ten eerste verduidelijkt de titel van het
artikel, overeenkomstig de definitie van artikel 2, onder d), dat voor de
toepassing van deze richtlijn in de procedures rekening moet worden gehouden
met de bijzondere situatie van verzoekers die bijzondere procedurele waarborgen
behoeven. Daarmee wordt met name verduidelijkt dat bijzondere procedurele
behoeften en bijzondere opvangbehoeften verschillend kunnen zijn. In het eerste lid wordt bepaald dat verzoekers
die bijzondere procedurele waarborgen behoeven, tijdig moeten worden herkend. Deze
bepaling is volledig in overeenstemming met de relevante bepalingen van het
gewijzigde voorstel voor de richtlijn opvangvoorzieningen. De lidstaten kunnen
het in artikel 22 van het gewijzigde voorstel voor die richtlijn beschreven
mechanisme gebruiken. Het voorstel biedt de lidstaten een ruime
vrijheid om de nadere regels vast te stellen om verzoekers die bijzondere
procedurele waarborgen behoeven, te herkennen, wanneer dat tijdens de procedure
duidelijk wordt. Dat kan met name het geval zijn voor bepaalde traumatische stoornissen
die pas na een zekere tijd tot uiting komen. In het tweede lid wordt in algemene termen het
beginsel beschreven dat verzoekers die bijzondere procedurele waarborgen
behoeven, voldoende tijd en relevante ondersteuning krijgen om de elementen van
het verzoek voor te leggen. Deze regel heeft als doel de lidstaten maximale
flexibiliteit te bieden om de nadere regels vast te stellen waarmee deze
bepaling in uiteenlopende gevallen wordt uitgevoerd. Artikel 25 (komt overeen met artikel 21
van het voorstel van 2009) In het gewijzigde voorstel wordt de
verplichting van de vertegenwoordiger om een niet-begeleide minderjarige bij te
staan, in wezen uitgebreid. De reikwijdte van de bijstand werd verduidelijkt en
verbreed in het kader van de bijzondere procedurele behoeften van
niet-begeleide minderjarigen. Nu bepaalt het artikel dat de vertegenwoordiger
de minderjarige moet bijstaan zodat hij aanspraak kan maken op de rechten en
kan voldoen aan de verplichtingen die in deze richtlijn zijn vastgesteld. Het
vereiste van onpartijdigheid werd weggelaten aangezien de vertegenwoordiger in
het belang van de niet-begeleide minderjarige moet optreden; er is echter
gespecificeerd dat de vertegenwoordiger bij zijn optreden moet uitgaan van het
belang van het kind. Lid 2, onder b), werd geschrapt gelet op het
feit dat een minderjarige die gehuwd is of was, niet noodzakelijk betekent dat
hij geen bijstand meer behoeft. Het gaat daarbij om mogelijke gevallen van
gedwongen huwelijken. In lid 3, onder a), werd het vereiste dat een
onderhoud moet worden afgenomen door een persoon die de nodige kennis heeft van
de bijzondere behoeften van minderjarigen, uitgebreid zodat daaronder nu ook
het onderhoud over de ontvankelijkheid valt. In lid 4 wordt verduidelijkt dat niet alleen
aan de niet-begeleide minderjarige, maar ook aan zijn vertegenwoordiger
kosteloos juridische en procedurele informatie wordt aangeboden en dat dit ook
van toepassing is op de intrekking van een status en dus op alle procedures in
het kader van de richtlijn. Lid 5 bevat een wijziging met betrekking tot
medische onderzoeken voor minderjarigen om de leeftijd vast te stellen en
bepaalt dat, wanneer daarover geen conclusie uit het onderzoek kan worden
afgeleid, de verzoeker als minderjarig wordt beschouwd. In lid 6 wordt de mogelijkheid uitgesloten om
de gegrondheid te toetsen van het kosteloos aanbieden van rechtsbijstand en
vertegenwoordiging in beroepsprocedures, teneinde de belangen van de
niet-begeleide minderjarige verzoekers te beschermen. Artikel 26 (komt overeen met artikel 22
van het voorstel van 2009) Er zijn geen wijzigingen ten opzichte van het
voorstel van 2009. Artikel 27 (komt overeen met artikel 23
van het voorstel van 2009) Er zijn geen wijzigingen ten opzichte van het
voorstel van 2009. Artikel 28 (komt overeen met artikel 24
van het voorstel van 2009) Dit artikel voorziet in de mogelijkheid om een
verzoek als ongegrond af te wijzen wanneer het als impliciet ingetrokken wordt
beschouwd op voorwaarde dat het afdoende werd onderzocht na een persoonlijk
onderhoud. Lid 2 voorziet in de mogelijkheid voor de
verzoeker die zich opnieuw meldt na een impliciete intrekking, om een nieuw
verzoek in te dienen nadat zijn zaak eerder was beëindigd. De algemene regel is
dat een dergelijk nieuw verzoek niet als een volgend verzoek kan worden
beschouwd. Bijgevolg kan het niet als onontvankelijk worden beschouwd op grond
van het feit dat het geen nieuwe elementen bevat. Niettemin zijn de lidstaten,
wanneer de verzoeker zich meer dan een jaar nadat het vorige verzoek werd
geacht te zijn ingetrokken, op grond van de richtlijn niet verplicht om de zaak
opnieuw in behandeling te nemen en mogen zij het nieuwe verzoek als een volgend
verzoek beschouwen. Deze bepalingen hebben als doel instrumenten aan te bieden
om misbruik van volgende verzoeken te bestrijden. Artikel 29 (komt overeen met artikel 25
van het voorstel van 2009) De bewoordingen van lid 1, onder a), zijn in
overeenstemming gebracht met andere artikelen van de richtlijn maar de inhoud
van de bepaling is niet gewijzigd. Artikel 30 (komt overeen met artikel 26
van het voorstel van 2009) Er zijn geen wijzigingen ten opzichte van het
voorstel van 2009. Artikel 31 (komt overeen met artikel 27
van het voorstel van 2009) Het gewijzigde voorstel bevat verscheidene
wijzigingen met betrekking tot de behandelingsprocedure in eerste aanleg en de
versnelde procedures. De wijzigingen hebben als doel rekening te houden met de
specifieke kenmerken van de nationale systemen van de lidstaten en te zorgen
voor meer flexibiliteit en doeltreffende middelen om misbruik aan te pakken. Lid 3 behoudt de algemene termijn van zes
maanden voor de afronding van de procedure in eerste aanleg. Niettemin werden
twee extra uitzonderingen ingevoerd, namelijk het geval waarin een groot aantal
verzoekers tegelijk een verzoek indient en het geval waarin de
beslissingsautoriteit de termijn niet kan naleven doordat de verzoeker zijn
verplichtingen niet nakomt. De lidstaten mogen de afronding van de
procedure ook uitstellen wanneer de beslissingsautoriteit geen beslissing kan
nemen door een onzekere situatie in het land van herkomst die naar verwachting
tijdelijk is. In dat geval mogen de lidstaten de termijn van zes+zes maanden
overschrijden. De verzoeker behoudt echter zijn status van verzoeker. De gronden voor prioritering zijn gewijzigd om
de richtlijn in overeenstemming te brengen met het gewijzigde voorstel voor de
richtlijn opvangvoorzieningen. De lidstaten kunnen voorrang verlenen aan de
behandeling van een verzoek wanneer de verzoeker kwetsbaar is. De terminologie
werd ook aangepast aan het nieuwe begrip "verzoekers die bijzondere
procedurele waarborgen behoeven". Niet-begeleide minderjarigen worden ook
uitdrukkelijk genoemd als groep waarbij prioritering in het bijzonder
gerechtvaardigd kan zijn. In lid 6 wordt verduidelijkt dat de gronden
uit dit lid kunnen worden gebruikt voor de versnelde procedure en de
afhandeling aan de grens. Deze wijziging houdt rekening met de nationale
systemen van de lidstaten waarin aan de grens de algemene procedure wordt toegepast.
Niettemin blijft de lijst van gevallen waarin de procedure aan de grens kan
worden versneld of afgehandeld exhaustief. Twee gronden voor een versnelde procedure (en
grensprocedure) werden opnieuw ingevoerd: Lid 6, onder e, voert punt g) van de richtlijn
van 2005 opnieuw in. Deze grond heeft als doel de mogelijkheid te bieden om
gevallen van misbruik doeltreffend aan te pakken. De bewoordingen werden
aangepast in de zin dat deze grond kan worden gebruikt wanneer de verzoeker
kennelijk valse of duidelijk onwaarschijnlijke verklaringen heeft afgelegd die
tegenstrijdig zijn met voldoende geverifieerde informatie over het land van
herkomst. Deze wijziging heeft als doel een objectief element aan deze grond
toe te voegen. Lid 6 , onder g), voert punt m) van de
richtlijn van 2005 opnieuw in en heeft betrekking op gevallen van gevaar voor
de nationale veiligheid of de openbare orde. Er werd verduidelijkt dat de
afhandeling van een verzoek kan worden versneld wanneer er ernstige gronden
zijn om de verzoeker als een gevaar voor de nationale veiligheid te beschouwen. Lid 7 van het voorstel van 2009 werd
geschrapt. Het vereiste om te zorgen voor een behoorlijke en volledige
behandeling werd in het nieuwe lid 7 ondergebracht. De bepalingen over de
kennelijk ongegronde verzoeken werden geschrapt aangezien artikel 28 van
de richtlijn van 2005 werd overgenomen en die bepalingen bevat. Artikel 32 (komt overeen met artikel 28
van de richtlijn van 2005) Dit artikel komt overeen met artikel 28 van de
richtlijn van 2005. De inhoudelijke wijziging heeft betrekking op zaken van
nationale veiligheid aangezien dat de enige grond is voor de versnelde
procedure die niet als kennelijk ongegrond kan worden beschouwd, gelet op het
feit dat in deze gevallen de reden voor het versnellen van de procedure niet
gebaseerd is op de overweging dat het verzoek niet gegrond is. Artikel 28 van
het voorstel van 2009 werd geschrapt omdat het dezelfde regels bevatte. Artikel 33 (komt overeen met artikel 29
van het voorstel van 2009) Lid 2, onder d), werd gewijzigd omdat de term
"identiek" zeer restrictief was en de toepassing van de gronden voor
niet-ontvankelijkheid in de praktijk onmogelijk maakte en onverenigbaar met de
bepalingen over volgende verzoeken die deze bepaling geacht werd te ondersteunen.
Het gewijzigde voorstel verduidelijkt dat de gronden voor niet-ontvankelijkheid
kunnen worden gebruikt wanneer er geen nieuwe elementen zijn in het geval van
een volgend verzoek. Het verband tussen volgende verzoeken (en hun definitie)
is duidelijker gemaakt. Artikel 34 (komt overeen met artikel 30
van het voorstel van 2009) De bepalingen van dit artikel zijn in
overeenstemming gebracht met de algemene bepalingen over het persoonlijke
onderhoud. Het gaat om het vereiste dat de persoon die het onderhoud afneemt,
geen militair of politie-uniform mag dragen. Artikel 35 (komt overeen met artikel 31
van het voorstel van 2009) Het gewijzigde voorstel voorziet expliciet in
de mogelijkheid voor de verzoeker om in zijn bijzondere omstandigheden de
toepassing van het begrip "eerste land van asiel" aan te vechten. Artikel 36 (komt overeen met artikel 34
van het voorstel van 2009) Er zijn geen wijzigingen ten opzichte van het
voorstel van 2009. Artikel 37 (komt overeen met artikel 33
van het voorstel van 2009) Er zijn geen wijzigingen ten opzichte van het
voorstel van 2009. Artikel 38 (komt overeen met artikel 32
van het voorstel van 2009) Er zijn geen wijzigingen ten opzichte van het
voorstel van 2009. Artikel 39 (komt overeen met artikel 38
van het voorstel van 2009) Met het oog op meer samenhang werd een nieuw
lid 6 toegevoegd op grond waarvan de lidstaten de Commissie op gezette tijden
in kennis moeten stellen van de landen waarop het begrip Europees veilig derde
land wordt toegepast. Dat komt overeen met een gelijkaardige verplichting over
veilige derde landen. Artikel 40 (komt overeen met artikel 35,
leden 1 tot en met 7, en lid 9, van het voorstel van 2009) De bepalingen over
herhaalde of volgende verzoeken werden aanzienlijk verduidelijkt om een
doeltreffendere afhandeling van dergelijke verzoeken te garanderen. De
definitie van het begrip "volgende verzoek" zorgt ervoor dat deze
bepalingen een duidelijke werkingssfeer hebben. Een volgend verzoek mag
niet-ontvankelijk worden geacht wanneer er geen nieuwe elementen zijn die de
kans aanzienlijk groter maken dat de verzoeker voor de internationale
beschermingsstatus in aanmerking komt. Of er
nieuwe elementen zijn, moet worden nagegaan in een voorafgaand onderzoek. Als er sprake is van nieuwe elementen, moet het
volgend verzoek worden onderzocht overeenkomstig de algemene regels. Er werd verduidelijkt dat, wanneer er geen sprake
is van nieuwe elementen, het verzoek niet-ontvankelijk moet worden geacht. De bepalingen over volgende verzoeken kunnen ook
worden toegepast ingeval een ongehuwde minderjarige een afzonderlijk verzoek
indient. Artikel 41 (komt overeen met artikel 35,
leden 8 en 9, van het voorstel van 2009) De inhoud van deze bepalingen werd niet
gewijzigd, maar de tekst werd anders gestructureerd om hem duidelijker te
maken. Artikel 42 (komt overeen met artikel 36
van het voorstel van 2009) Lid 3, onder b), werd geschrapt omdat het
overbodig was. Deze bepaling valt onder artikel 40, lid 3. Artikel 43 (komt overeen met artikel 37
van het voorstel van 2009) Dit artikel blijft ongewijzigd. Niettemin
wordt de werkingssfeer ervan uitgebreid via verwijzingen naar de gewijzigde
artikelen 31 en 33. Door de aanvullende gronden voor een versnelde procedure
kunnen de lidstaten deze gevallen ook in de grensprocedure beoordelen. De
wijziging van de bepalingen over niet-ontvankelijkheid van verzoeken die geen
nieuwe elementen bevatten, zal het gebruik van grensprocedures op grotere
schaal mogelijk maken. Artikel 44 (komt overeen met artikel 39
van het voorstel van 2009) Er zijn geen wijzigingen ten opzichte van het
voorstel van 2009. Artikel 45 (komt overeen met artikel 40
van het voorstel van 2009) Lid 4 werd gewijzigd. De lidstaten mogen
beslissen dat de internationale-beschermingsstatus van rechtswege vervalt
indien de persoon die internationale bescherming geniet, een onderdaan van
de betrokken lidstaat wordt. Artikel 46 (komt overeen met artikel 41
van het voorstel van 2009) De bepalingen over het recht op een
daadwerkelijk rechtsmiddel werden in wezen behouden om deze in overeenstemming
te houden met de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU en het
Europees Hof voor de rechten van de mens. De wijzigingen hebben betrekking op de
volgende elementen: In lid 5 is verduidelijkt dat de verzoeker het
recht heeft om op het grondgebied van de lidstaat te blijven tot de termijn
waarbinnen het rechtsmiddel moet worden uitgeoefend, is verstreken. Aan lid 6 werd een extra situatie toegevoegd
waarin de automatische schorsende werking niet geldt: dat is het geval waarin
het verzoek als niet-ontvankelijk wordt beschouwd omdat een andere lidstaat de
vluchtelingenstatus reeds heeft toegekend. Er is verduidelijkt dat
uitzonderingen op het beginsel van de automatische schorsende werking alleen
mogelijk zijn wanneer er gronden zijn voor een versnelde procedure of voor
niet-ontvankelijkheid. Als gevolg van de uitbreiding van de gronden voor de
versnelde procedure in artikel 31, lid 6, heeft dit lid een ruimere
werkingssfeer dan in het voorstel van 2009. In lid 9 werd de
verplichting om termijnen vast te stellen voor een beslissing over een
rechtsmiddel geschrapt om rekening te houden met de specifieke kenmerken van de
nationale rechtssystemen. Lid 5 van de richtlijn van 2005 werd geschrapt
om de samenhang met lid 2 en met de erkenningsrichtlijn te garanderen.