26.2.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 56/75


Dinsdag 27 september 2011
Steun aan ontwikkelingslanden bij de aanpak van voedselzekerheidsproblemen

P7_TA(2011)0410

Resolutie van het Europees Parlement van 27 september 2011 over een EU-beleidskader voor steun aan ontwikkelingslanden bij de aanpak van voedselzekerheidsproblemen (2010/2100(INI))

2013/C 56 E/08

Het Europees Parlement,

gezien de verplichtingen die voortvloeien uit het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten van de VN en in het bijzonder artikel 11 van dit verdrag inzake het recht op voedsel, waarbij alle EU-lidstaten verdragsluitende partijen zijn,

gezien de doelstelling van de Wereldvoedseltop van 1996 (Verklaring van Rome) om het aantal mensen dat honger lijdt tegen 2015 met de helft te verminderen,

gezien de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling, die zijn aangenomen tijdens de Millenniumtop van de Verenigde Naties in september 2000, en in het bijzonder millenniumdoelstelling 1 over het beginsel van uitbanning van extreme armoede en honger,

gezien de bijzondere zitting op 22 mei 2008 in Genève van de Mensenrechtenraad van de VN over de negatieve invloed van de verslechtering van de wereldvoedselcrisis, die onder meer wordt veroorzaakt door de sterke stijging van de voedselprijzen, op de verwezenlijking van het recht op voedsel,

gezien de gemeenschappelijke verklaring van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, het Europees Parlement en de Commissie over de humanitaire hulp van de Europese Unie met als titel "De Europese consensus betreffende humanitaire hulp",

gezien het Voedselhulpverdrag dat op 13 april 1999 in Londen is ondertekend en dat tot doel heeft een bijdrage te leveren aan de voedselzekerheid in de wereld en de internationale gemeenschap beter in staat stelt te reageren op nijpende voedselsituaties en andere voedselbehoeften van ontwikkelingslanden,

gezien de verklaring van de Wereldtop over voedselzekerheid van 2009 en de voorbereiding door de FAO van de vrijwillige richtsnoeren voor verantwoordelijk beheer van grondbezit en andere natuurlijke hulpbronnen,

gezien de vrijwillige richtsnoeren van de FAO voor de geleidelijke toepassing van het recht op voldoende voedsel in de context van de nationale voedselzekerheid,

gezien het interinstitutioneel verslag voor de G20 betreffende de schommelingen van voedselprijzen getiteld "Price Volatility in Food and Agricultural Markets: Policy Responses", dat op 2 juni 2011 is overhandigd aan het Franse voorzitterschap van de G20,

gezien de richtsnoeren voor grondbeleid van de EU van november 2004,

gezien de gezamenlijke publicatie van de OESO en de FAO "Landbouwperspectieven van de OESO en de FAO 2011 - 2020" van 17 juni 2011,

gezien de Verklaring van Maputo over landbouw en voedselzekerheid van 2003, waarin Afrikaanse regeringen hebben toegezegd minstens 10 % van hun nationale jaarlijkse begroting aan landbouw te besteden,

gezien het verslag wereldontwikkeling 2008 van de Wereldbank: "Agriculture for Development",

gezien de mededeling van de Commissie "Het GLB tot 2020",

gezien het meest recente tweejaarlijks rapport van de Wereldvoedselorganisatie ‧Food Outlook‧ (juni 2011),

gezien het verslag over de internationale beoordeling van landbouwkennis, wetenschap en technologie voor ontwikkeling (IAASTD), dat op 15 april 2008 is gepubliceerd,

gezien de gemeenschappelijke verklaring over voedselzekerheid, aangenomen op 10 juli 2009 in L'Aquila,

gezien het initiatief van de VN inzake de sociale beschermingsbodem,

gezien het Verdrag inzake het zeerecht van de Verenigde Naties van 1982,

gezien de FAO-gedragscode voor verantwoorde visserij van 1995,

gezien het jaarlijkse FAO-onderzoek "The State of the World Fisheries and Aquaculture" 2010,

gezien Verordening (EG) nr. 1337/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 tot vaststelling van een snelleresponsfaciliteit voor maatregelen tegen de scherpe stijging van de voedselprijzen in de ontwikkelingslanden (1),

gezien de op 31 maart 2010 aangenomen mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement over een EU-beleidskader voor steun aan ontwikkelingslanden bij de aanpak van voedselzekerheidsproblemen (COM(2010)0127) en de op 10 mei 2010 aangenomen conclusies van de Raad,

gezien de op 31 maart 2010 aangenomen mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement over humanitaire voedselhulp (COM(2010)0126) en de op 10 mei 2010 aangenomen conclusies van de Raad,

gezien zijn resolutie van 25 oktober 2007 over de stijging van de prijzen van levensmiddelen (2), zijn resolutie van 22 mei 2008 over de stijgende voedselprijzen in de Europese Unie en de ontwikkelingslanden (3) en zijn resolutie van 17 februari 2011 over de stijgende voedselprijzen (4),

gezien zijn resolutie van 29 november 2007 over nieuwe impulsen voor de Afrikaanse landbouw – Voorstel voor landbouwontwikkeling en voedselzekerheid in Afrika (5),

gezien zijn resolutie van 13 januari 2009 over het gemeenschappelijk landbouwbeleid en mondiale voedselzekerheid (6),

gezien zijn resolutie van 26 november 2009 over de FAO-top en voedselzekerheid (7),

gezien zijn resolutie van 18 mei 2010 over de samenhang van het EU-ontwikkelingsbeleid en het concept "officiële ontwikkelingshulp plus" (8),

gezien de resolutie van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU over voedselzekerheid, aangenomen te Kinshasa op 4 december 2010 (9),

gezien de acht aanbevelingen aan de G20 die op 29 januari 2011 door de speciale VN-rapporteur voor het recht op voedsel zijn gepubliceerd,

gezien het rapport "Agro-ecologie en het recht op voedsel" van de speciale rapporteur van de VN voor het recht op voedsel, dat op 8 maart 2011 in de Mensenrechtenraad van de VN werd gepresenteerd,

gezien artikel 208 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien artikel 48 van zijn Reglement,

gezien het verslag van Commissie ontwikkelingssamenwerking en het advies van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A7-0284/2011),

A.

overwegende dat volgens de FAO in 2010 925 miljoen mensen honger leden; overwegende dat wereldwijd 26 % van de kinderen onder de vijf jaar aan ondergewicht lijdt en meer dan een derde van de kindersterfte bij kinderen onder de vijf jaar te wijten is aan ondervoeding; overwegende dat slechts de helft van alle ontwikkelingslanden (62 van de 118) op schema ligt voor de millenniumdoelstellingen; overwegende dat de wereldwijde economische teruggang en de stijgende voedsel- en brandstofprijzen de voedselvoorziening in talrijke ontwikkelingslanden hebben verslechterd, met name in de minst ontwikkelde landen, en dat de vooruitgang van de laatste 10 jaar op het vlak van de armoedebestrijding daardoor voor een deel ongedaan is gemaakt,

B.

overwegende dat honger en ondervoeding de voornaamste oorzaken zijn van sterfte bij de mens en de grootste bedreiging vormen voor wereldwijde vrede en veiligheid,

C.

overwegende dat volgens de recente FAO-voedselprijsindex van januari 2011 de voedselprijzen sinds augustus 2010, in vergelijking met de tendens in de afgelopen 10 jaar, op maandbasis zijn gestegen tot niveaus die nog hoger liggen dan ten tijde van de voedselprijzenpiek van 2008; overwegende dat de schommelingen van de grondstoffenprijzen grote gevolgen hebben voor lage-inkomenslanden en de armste, meest kwetsbare en meest gemarginaliseerde delen van de bevolking in ontwikkelingslanden,

D.

overwegende dat de mondiale vraag naar landbouwproducten naar verwachting in 2050 met 70 % zal zijn gestegen hetgeen verwezenlijkt zal moeten worden met minder water en minder pesticiden op een kleiner areaal bebouwbaar land en middels de toepassing van duurzame agro-ecologische productiemethoden, terwijl de wereldbevolking dan naar verwachting tot negen miljard mensen zal zijn gestegen; overwegende dat de voedselonzekerheid nog wordt versterkt door de speculatie op de grondstoffenmarkten, bodemdegradatie, waterschaarste, klimaatverandering, mondiale grondaankoop, onzekerheid qua grondbezit, met name voor de armste en meest kwetsbare lagen van de bevolking, wereldwijde zaadmonopolies, de vraag naar agro-brandstoffen en energiegerelateerd beleid,

E.

overwegende dat 85 % van de bekende visstanden ofwel volledig geëxploiteerd, overgeëxploiteerd, of compleet weggevist worden en de arme landen met een voedseltekort volgens de ‧State of the World Fisheries and Aquaculture 2010‧ van de FAO voor 20 % van hun inname van dierlijke eiwitten afhankelijk zijn van vis,

F.

overwegende dat de landbouw banen en middelen van bestaan oplevert voor meer dan 70 % van de beroepsbevolking, voornamelijk vrouwen, in ontwikkelingslanden; overwegende dat de Wereldbank ervan uitgaat dat groei in de landbouwsector tweemaal zo doeltreffend is voor het terugdringen van armoede als groei in andere sectoren, maar tevens wijst op het belang van investeringen in economische sectoren en banengroei op het platteland in andere sectoren dan de landbouw,

G.

overwegende dat is aangetoond dat landbouw op kleine en middelgrote schaal de algehele voedselproductie kan doen toenemen; overwegende dat de uitsluitende nadruk op exportproductie in ontwikkelingslanden negatieve gevolgen kan hebben voor vrouwen als kleinschalige landbouwers,

H.

overwegende dat de bescherming van particulier bezit en de rechtsstaat cruciale randvoorwaarden zijn voor het aantrekken van private investeringen in de landbouw,

I.

overwegende dat kleinschalige boerenbedrijven in ontwikkelingslanden als gevolg van onvoldoende toegang tot leningen of microkredieten voor investeringen in veredelde zaden, meststoffen en irrigatiemechanismen, ernstige problemen ondervinden bij het verhogen van de opbrengsten; overwegende dat de overheid een cruciale rol speelt bij duurzame ontwikkeling en bij de opbouw van productie- en verwerkingscapaciteiten,

J.

overwegende dat het aandeel van de officiële ontwikkelingshulp (ODA) dat wereldwijd aan de landbouw wordt toegewezen tijdens de afgelopen dertig jaar zeer sterk is afgenomen,

K.

overwegende dat de EU snel op de voedselcrisis in 2008 heeft gereageerd door de oprichting van de voedselfaciliteit; overwegende dat de uitwerking van dergelijke maatregelen op de structurele oorzaken van honger en voedselonzekerheid en op kleine en middelgrote familielandbouwbedrijven, met name die welke door vrouwen worden geleid, moeilijk meetbaar is gebleken; is echter van mening dat een verdere uitbreiding van deze voedselfaciliteit of de toewijzing van extra middelen daarvoor niet automatisch mag zijn, maar moet worden beslist op basis van een onafhankelijke effectbeoordeling van de doeltreffendheid van de door het fonds betaalde steun voor de verbetering van de voedselzekerheid in alle begunstigde landen,

L.

overwegende dat de gevolgen van ondervoeding, zoals ondermaatse foetusgroei en dwerggroei tijdens de eerste twee levensjaren, tot onherstelbare schade lijden, zoals een kleinere gestalte op volwassen leeftijd, een lager opleidingsniveau, minder inkomen op volwassen leeftijd en een verlaagd geboortegewicht van het nageslacht, en ondervoeding aldus nog altijd beschouwd moet worden als een groot obstakel voor duurzame ontwikkeling in talloze landen in het zuiden,

M.

overwegende dat de politiek sinds 2008 opnieuw grote nadruk legt op de voedselzekerheid en er daardoor op internationaal niveau talloze initiatieven zijn ontplooid waarin wordt opgeroepen tot een allesomvattende wereldwijde strategie,

Een EU-beleidskader op het gebied van de voedselzekerheid: een op de mensenrechten gebaseerde benadering van duurzame landbouw

1.

benadrukt dat het aantal mensen dat honger lijdt onaanvaardbaar hoog is en betreurt dat de algehele internationale inspanningen tot dusverre niet hebben geleid tot de verwezenlijking van millenniumontwikkelingsdoelstelling 1; dringt erop aan dat dringend stappen worden ondernemen om de internationaal bindende verplichtingen na te komen en het recht op voldoende en voedzaam voedsel te verwezenlijken;

2.

benadrukt dat politieke stabiliteit een voorwaarde voor meer voedselzekerheid is en roept daarom alle betrokkenen op de nodige politieke wil te tonen om die stabiliteit te garanderen;

3.

is verheugd over de mededeling van de Commissie over een strategisch EU-kader voor steun aan ontwikkelingslanden bij de aanpak van voedselzekerheidsproblemen; is evenwel van oordeel dat de wereldwijde voedselcrisis behalve een toenemend humanitair probleem van ongekende omvang, ook een bedreiging voor de vrede en de veiligheid wereldwijd vormt, dat de Commissie weliswaar werkt aan mogelijke oplossingen om de extreme armoede van een miljard mensen te verhelpen, doch dat het dringend geboden is dat de EU en de lidstaten nieuwe investeringen in landbouw en plattelandsontwikkeling doen, vooral met het oog op de nieuwe GLB-tekst, ad hoc-instrumenten creëren om op wereldvlak voldoende voorraden van de meest noodzakelijke levensmiddelen aan te leggen, hun eigen handelsbelemmeringen opheffen en de schuldenlast van de meest getroffen landen verlichten; is van mening dat de Commissie bij de berekening van ontwikkelingshulp meer rekening moet houden met het voedselzekerheidsprobleem in sommige landen;

4.

is verheugd over de twee mededelingen van de Commissie over humanitaire voedselhulp en voedselveiligheid; dringt aan op een coherente en gecoördineerde tenuitvoerlegging van beide mededelingen ten einde de dieperliggende oorzaken van honger en voedselonzekerheid beter aan te pakken, een en ander in samenhang met het vraagstuk van de voedseldistributie tussen en binnen landen, met een speciaal accent op de armste en gemarginaliseerde lagen van de samenleving; verzoekt de lidstaten om het proces voor de uitwerking van het uitvoeringsplan inzake het beleidskader voor voedselzekerheid te steunen en hieraan hun goedkeuring te hechten, zodra het gereed is; is verheugd over het feit dat bijzondere aandacht wordt geschonken aan de mensen die het hardst door rampen worden getroffen, namelijk moeders en kinderen; is van mening dat het in geval van crisis belangrijk is dat de getroffen gemeenschap van voedsel wordt voorzien, zowel op de korte als op de lange termijn; herinnert eraan dat noodmaatregelen niet mogen worden ingezet als langetermijnoplossing; is uitermate bezorgd over de negatieve effecten van dergelijke maatregelen op met name lokale economieën; benadrukt dat een duurzaam ontwikkelingsbeleid alleen haalbaar is met behulp van strategieën voor de lange termijn en samenwerking;

5.

benadrukt het belang van een versterking van de relatie tussen noodhulp, rehabilitatie en ontwikkeling; verzoekt om meer middelen vrij te maken om de continuïteit te waarborgen en te focussen op flexibiliteit en complementariteit van de bestaande financiële instrumenten; pleit voor een betere dialoog en coördinatie tussen de humanitaire organisaties en ontwikkelingsagentschappen;

6.

verzoekt de EU het ontwikkelingseffect te beoordelen van de voorgestelde hervormingen van het GLB ten einde de samenhang tussen de doelstellingen van het GLB en de EU-doelstellingen op het vlak van de ontwikkelingssamenwerking te verbeteren;

7.

verzoekt de EU om de steun voor duurzame kleinschalige landbouwers, eenmans- en middelgrote landbouwbedrijven, die hoofdzakelijk voor de plaatselijke consumptie produceren, in haar ontwikkelingshulpprogramma's te verhogen en te investeren in participatieve, op nationaal niveau aangestuurde en op lokaal niveau in samenwerking met de boeren en hun vertegenwoordigers, lokale en regionale autoriteiten en middenveldorganisaties uitgevoerde plannen; onderstreept dat het noodzakelijk is de openbare investeringen in onderzoek naar duurzame agro-ecologische productiesystemen, die tevens bijdragen tot meer productiviteit en concurrentievermogen van de landbouw en het platteland, te verhogen;

8.

wijst op de noodzaak van een aanpak gebaseerd op partnerschappen met de diverse bij de ontwikkelingssamenwerking voor voedselzekerheid betrokken partijen, met name de lokale en regionale autoriteiten en de middenveldorganisaties; benadrukt dat de lokale en regionale autoriteiten gezien hun bekendheid met de regio en de lokale bevolking, alsook gezien hun vermogen om initiatieven van diverse betrokken partijen te coördineren, een essentiële rol als tussenschakel en ontwikkelingsplatform spelen; onderstreept dat de gestructureerde dialoog tussen de instellingen en de middenveldorganisaties moet worden uitgebreid tot de voedselzekerheidsproblematiek;

9.

verzoekt de Commissie, de lidstaten en andere ontwikkelingshulpdonoren, inclusief ngo's, gerichter in de ontwikkeling van de landbouwsector te investeren en de lokale bevolking aldus een reden te geven om ter plaatse te blijven;

10.

wijst er andermaal op hoe belangrijk het is de landbouw in de ontwikkelingslanden te bevorderen en een adequaat deel van de officiële ontwikkelingshulp (ODA) van de EU voor de landbouwsector uit te trekken; betreurt dat de voor de landbouw bestemde ontwikkelingshulp sinds de jaren tachtig ingrijpend is gedaald en is verheugd over het feit dat wordt erkend dat die tendens moet worden gekeerd; verzoekt de Commissie bij haar ontwikkelingshulp prioriteit te geven aan de landbouw en met name landbouwers te helpen toegang tot de markten te krijgen;

11.

herinnert eraan dat, aangezien de meeste arme bevolkingsgroepen met landbouw in hun levensonderhoud voorzien, de ontwikkeling van een duurzame landbouw en een ernstige overweging van de beoordelingen in de IAASTD een voorwaarde voor de verwezenlijking van millenniumdoelstelling nr. 1 vormt; denkt dat met name kleine landbouwbedrijven een antwoord op de uitdaging van de voedselzekerheid bieden, omdat zij enerzijds de nadruk leggen op de versterking van de fundamentele rol van de vrouw door de productie ter plaatse te verwerken en het gebruik van leningen en microkredieten te veralgemenen, en anderzijds op de cruciale rol van coöperaties van kleine boeren bij de uitstippeling van doeltreffend landbouw- en handelsbeleid;

12.

wijst erop dat de ontwikkeling van de landbouwsector investeringen op lange termijn in de gehele waardeketen van producent tot consument vereist, hetgeen betekent dat er moet worden voorzien in de nodige infrastructuur, zoals wegen, marktverbindingen en informatie over de markten zelf en over de mogelijkheden voor productdiversificatie;

13.

is van oordeel dat een strategie van steunverlening aan ontwikkelingslanden een plan moet omvatten voor onderwijs en opleiding en het scheppen van werkgelegenheid, dat jongeren in de gelegenheid stelt duurzame landbouwtechnieken aan te leren om kwalitatief beter en op gespecialiseerde en duurzame wijze te produceren en aldus de vlucht van het platteland te beperken en de armoede terug te dringen;

14.

benadrukt in dit verband hoe belangrijk het is dat landbouwers niet alleen in hun eigen voedselbehoeften voorzien, maar ook voldoende inkomsten hebben voor opleiding en investeringen;

15.

benadrukt dat het van essentieel belang is de lokale landbouworganisaties bij de verschillende fasen van de uitvoering van een landbouwbeleid in de ontwikkelingslanden te betrekken, en dat de EU ernaar moet streven de lokale verenigingen te versterken ten einde de belangen van de plaatselijke gemeenschappen te beschermen;

16.

erkent dat overeenkomstig de aanbevelingen in het IAASTD-verslag EU-steunprogramma's gericht moeten zijn op duurzame voedselproductie, voornamelijk op kleine en middelgrote schaal, en dat prioriteit moet worden gegeven aan benaderingen die de biodiversiteit versterken, de degradatie van vruchtbaar land voorkomen, agro-ecologische inputarme landbouwmethoden bevorderen en tegelijkertijd de landbouwproductie in de ontwikkelingslanden vergroten, hetgeen kan worden bereikt door een betere toegang van kleine en middelgrote boerenbedrijven tot leningen en microkredieten tegen redelijke rentetarieven en voorwaarden;

17.

is van oordeel dat de EU moet bijdragen aan de bevordering van het gebruik van zaden van lokale variëteiten die zijn afgestemd op de klimaatomstandigheden in de ontwikkelingslanden en die gemakkelijk opgeslagen, verhandeld en aan landbouwers geleverd kunnen worden, aangezien er geen intellectuele-eigendomsrechten op rusten;

18.

roept de EU en de ontwikkelingslanden op om gezamenlijke onderzoeks- en scholingscapaciteiten op het vlak van duurzame landbouwmethoden en nieuwe technologieën te ontwikkelen, met name middels publiek-private partnerschappen en joint ventures, alsook toegevoegde waarde te genereren op het moment van het inzamelen en bewaren van voedsel aan de hand van verpakkings- en verwerkingstechnieken;

19.

wijst op de noodzaak van meer onderzoek op basis van overheidsfinanciering, overdracht van knowhow op het gebied van duurzame landbouw en bevordering van activiteiten die de positie van kleine landbouwers versterken voor wat betreft het optimaliseren van de landbouwopbrengsten, de aanpassing aan de uitdagingen van de klimaatverandering en de toenemende vraag naar hulpbronnen;

20.

pleit voor de totstandbrenging van mechanismen ter bescherming van bossen, inheemse volkeren, waterrijke biotopen en traditionele landbouwmethodes in exporterende derde landen;

21.

is van oordeel dat het, gezien de groeiende wereldbevolking en de toenemende druk op natuurlijke hulpbronnen, absoluut noodzakelijk is om wereldwijd voor duurzamere, energiezuinigere en efficiëntere productiewijzen te zorgen; wenst dat de toewijzing van steun door de EU en de lidstaten wordt gekoppeld aan de ontwikkeling van duurzame landbouwproductiesystemen die in hun eigen energie voorzien, en dat een deel van deze steun bijdraagt aan de bouw van faciliteiten voor de opwekking van hernieuwbare energie (bijv. wind- en zonne-energie) en goed waterbeheer;

22.

benadrukt dat de EU er in het kader van de onderhandelingen over het klimaatveranderingsfonds van de VN op moet aandringen dat een aanzienlijk deel van de financiële middelen die aan ontwikkelingslanden worden toegewezen, effectief wordt gebruikt om het lokale landbouwbeleid te versterken en dat naar behoren rekening wordt gehouden met duurzame ontwikkeling op sociaal en milieugebied;

23.

benadrukt dat, indien kleinschalige landbouwers, met name vrouwen, in ontwikkelingslanden niet alleen duurzaam moeten worden, maar ook volledig hun productiepotentieel moeten benutten, zij een betere toegang tot microkredieten moeten krijgen, inclusief non-profit microkredieten, voor investeringen in verbeterd zaadgoed, meststoffen en irrigatiemechanismen, alsook de noodzakelijke gewasbeschermingsinstrumenten om hun oogst te beschermen tegen plagen en ziekten;

24.

onderstreept het belang van de opvoering van zowel voedselspecifieke en voedselgerelateerde activiteiten als van het beleid op dit vlak alsook het belang van een betere afstemming van de donoractiviteiten in deze sector op nationaal, EU- en internationaal niveau;

25.

benadrukt dat kleine boeren in ontwikkelingslanden meer toegang tot eigendomsrechten moeten krijgen, zodat kleine landeigenaren kunnen aantonen dat zij eigenaar zijn van hun grond en deze aldus als onderpand kunnen inzetten voor de leningen die zij nodig hebben ter verhoging van hun productie;

26.

verzoekt de Commissie de ontwikkeling van de capaciteiten voor de verwerking van landbouwproducten in partnerlanden te ondersteunen om de verliezen na de oogst te beperken, ervoor te zorgen dat voedsel langer houdbaar is en er betere opslagfaciliteiten worden ontwikkeld ten einde de huidige grote verliezen wereldwijd als gevolg van bederf in ontwikkelingslanden tegen te gaan, de lokale markttoegang wordt verbeterd en volwaardige werk voor de plaatselijke bevolking wordt gecreëerd; verzoekt de EU en haar lidstaten alles in het werk te stellen om de overdracht van technologie en expertise aan ontwikkelingslanden alsook de ondersteuning bij de capaciteitsopbouw te bevorderen;

27.

roept de Commissie op rekening te houden met de rol van aride en semi-aride gebieden (ASAL) en daarbij speciale aandacht te schenken aan de veestapel, aangezien het leeuwendeel van het vlees voor de meer verstedelijkte gebieden door ASAL-regio's wordt geleverd;

28.

herinnert eraan dat toegang tot voldoende voedsel een universeel mensenrecht is; verzoekt partnerlanden met klem de vrijwillige richtsnoeren van de FAO betreffende het recht op voedsel toe te passen;

29.

herinnert eraan dat ontwikkeling van de landbouw gebaseerd moet zijn op het recht op voedsel en het recht om voedsel te produceren; benadrukt dat de EU de behoefte van de ontwikkelingslanden aan voedselzekerheid (zowel qua kwantiteit als kwaliteit), alsook hun recht om zo zelfvoorzienend mogelijk te zijn, moet erkennen en verdedigen; onderstreept in dit verband dat de EU zich ertoe heeft verbonden de uitvoersubsidies geleidelijk af te schaffen naarmate de WTO-partners soortgelijke maatregelen nemen; onderstreept tegelijkertijd dat de lokale bevolking in deze landen gelijke toegang tot voedsel moet krijgen;

30.

herinnert aan het belang van het concept van voedselzekerheid, gedefinieerd als het vermogen van een land of regio om op democratische wijze zijn eigen landbouw- en voedselbeleid, -prioriteiten en -strategieën aan de hand van een duurzaam landbouwmodel ten uitvoer te leggen; wijst erop dat de huidige productiecapaciteit in een aantal ontwikkelingslanden niet volstaat om aan de behoeften te voldoen en dat het voor voedselzekerheid op de lange termijn noodzakelijk is de afhankelijkheid van invoer te verminderen door de nationale capaciteit op te voeren;

31.

herinnert aan het belang van een beheersaanpak van voedselzekerheid die een algemeen kader inhoudt dat opnieuw focust op voedselbeleid dat verder gaat dan voedselhulp en op samenwerking tussen donoren en tussen donoren en begunstigden met sterkere lokale partnerschappen, alsook aan de essentiële rol van het beleid van de begunstigde landen in het streven om het openbaar belang te dienen, bijvoorbeeld door interne vrede en investeringen in plattelandsinfrastructuur;

32.

is verheugd over het besluit de voedseldimensie in de EU-programma's op te nemen; verzoekt de Commissie een specifieke mededeling over deze dimensie op te stellen; wenst dat bij het beleid op het gebied van voedselzekerheid en bij acties in de landbouwsector voortdurend rekening wordt gehouden met het voedingsaspect;

33.

verzoekt de Commissie de fundamentele bijdrage van vrouwen, als kleinschalige landbouwers, aan de voedsel- en voedingszekerheid te erkennen en te investeren in specifieke programma's ter ondersteuning van vrouwen; herinnert eraan dat de rol van vrouwen bij de bewerkstelliging van voedselzekerheid voor henzelf en hun kinderen nog altijd wordt onderschat en dat om die reden de middelen van bestaan van vrouwen veilig moeten worden gesteld en de kennis over juiste voeding dient te worden vergroot; wijst met klem op het feit dat de EU-strategie tevens gericht dient te zijn op de tenuitvoerlegging van maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de meest kwetsbare mensen - met name in plattelandsgebieden - landbouwscholing, onderricht in de voedingsleer en goede gezondheids- en arbeidsomstandigheden kunnen krijgen, en zo nodig kunnen terugvallen op een veiligheidsnet;

34.

verzoekt de Commissie en de internationale organisaties – zoals de FAO – het mondiale maatschappelijke middenveld en de ngo's voortdurend te blijven raadplegen, en dan met name de landbouw-, visserij- en veeteeltorganisaties, wier bijdrage essentieel is voor het nemen van concrete maatregelen ter verbetering van de voedselproductie;

35.

is van oordeel dat, in het licht van de bevolkingsprojecties van de FAO volgens welke in 2025 meer dan de helft van de bevolking van de ontwikkelingslanden (ongeveer 3,5 miljard mensen) in steden zal wonen, een beleid ter ondersteuning van stedelijke tuinbouw een uitweg uit de armoede kan bieden, gezien de lage aanloopkosten, de korte productiecycli en de hoge opbrengst per eenheid tijd, grond en water, en de nieuwe steden groener kan maken;

36.

dringt aan op steun van de EU voor het sociale beschermingsbodeminitiatief van de VN, dat kan bijdragen aan de vervulling van de basisvoedselbehoeften van arme bevolkingsgroepen;

37.

dringt er bij de Commissie op aan om zich met name te richten op ondervoeding, met name onder vrouwen en zuigelingen, alsook om in haar ontwikkelingsbeleid gedegen multisectorale voedingsstrategieën op te nemen;

38.

verwijst naar de verklaring van de speciale rapporteur van de VN over het recht op voedsel volgens welke de deelname van landbouwers essentieel is voor het welslagen van ecologische landbouwpraktijken en een stimulans voor landbouwers is om steeds bij te blijven leren; roept de voedselproducenten in de ontwikkelingslanden derhalve op deel te nemen aan mondiale en lokale ngo's en landbouwcoöperaties;

39.

verzoekt de Commissie en de Raad zich in te zetten voor en toe te werken naar de tenuitvoerlegging van innoverende financieringsinstrumenten, zoals een internationale belasting op financiële transacties; herinnert eraan dat deze instrumenten een aanvulling moeten vormen op de VN-doelstelling van 0,7 % van het bbp voor ontwikkelingssamenwerking; wijst er tegelijkertijd op dat ontwikkelingslanden hun inspanningen op belastinggebied moeten opvoeren, vooral wat de belastinginning en de bestrijding van belastingontduiking betreft;

Doeltreffende maatregelen tegen de schommelingen van de voedselprijzen en de ongecontroleerde grondaankoop: de beperking van de speculatie op de voedsel- en landbouwgrondstoffenmarkten

40.

spreekt zijn bezorgdheid uit over het feit dat 2008 zowel het jaar was van de wereldwijde voedselcrisis als het jaar waarin de grootste tarweoogst ooit werd binnengehaald, en onderstreept in dit verband de negatieve impact van speculatie op de grondstoffenprijsindexen;

41.

wijst op de structurele oorzaken van de prijsschommelingen en benadrukt met klem dat de speculatie in derivaten van essentiële levensmiddelen de prijsschommelingen aanzienlijk hebben verergerd; schaart zich achter de conclusies van de speciale VN-rapporteur voor het recht op voedsel voor wat betreft de invloed van grote investeerders op de grondstoffenprijsindexen;

42.

wijst erop dat onlangs ook een hele reeks andere onvoorspelbare factoren een negatieve impact heeft gehad op de stabiliteit op de voedselmarkten, zoals de ramp in Japan, de ongekende golf van politieke onrust in talloze landen in Noord-Afrika en het Nabije-Oosten, de zoveelste sterke stijging van de olieprijzen, de voortdurende onzekerheid op de financiële markten en in de wereldeconomie - een voor een elementen die hun sporen hebben nagelaten;

43.

is van oordeel dat financiële speculatie en toenemende liberalisering van de financiële markten en de handel in landbouwproducten sterk bijdragen aan de prijsvolatiliteit, en dat er regelgevende mechanismen nodig zijn om voor een zekere mate van marktstabiliteit te zorgen; is van oordeel dat de markttransparantie moet worden verbeterd met het oog op een billijke beloning van de landbouwers en een levensvatbare sector die voedselzekerheid biedt; dringt met name aan op een duidelijke identificatie van de actoren die bij de handel in voedingsmiddelen zijn betrokken en op een grondige analyse van de transmissiemechanismen van speculatie in voedingsmiddelen op lokale en wereldmarkten;

44.

dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan concrete en doeltreffende actie te ondernemen tegen financiële speculatie in granen en voedsel;

45.

is van mening dat grondstofderivaten verschillen van andere financiële derivaten en dat de toegang tot deze markt beter moet worden gereguleerd;

46.

is van mening dat de Europese Unie stappen moet ondernemen om de wereldwijde voedselvoorraden te herstellen, die in 2007 tot een dieptepunt zijn gedaald, hetgeen heeft bijgedragen tot de speculatie die de prijzen van de landbouwproducten op wereldschaal heeft beïnvloed, met de verontrustende gevolgen van dien voor de ontwikkelingslanden;

47.

dringt aan op een verhoging, beter beheer en opslag van de fysieke graan- en voedselreserves op nationaal en regionaal niveau alsook op een verbetering van de internationale coördinatie en controle, om aldus de schommelingen van de voedselprijzen tegen te gaan en beter en sneller te kunnen inspelen op voedselcrises;

48.

is ernstig bezorgd over de huidige grootschalige grondaankopen door buitenlandse investeerders in ontwikkelingslanden, die zowel ten koste gaan van plaatselijke kleinschalige en middelgrote landbouwers als van de plaatselijke, regionale en nationale voedselzekerheid; roept de EU om die reden op de regeringen van ontwikkelingslanden aan te sporen zich voor landhervormingen uit te spreken om de landaanspraken van inheemse boeren en kleine en middelgrote boeren, met name vrouwelijke boeren, te beschermen en het landjepik door grote ondernemingen tegen te gaan;

49.

onderstreept dat grond voor iedereen beschikbaar moet zijn, dat de eigendoms-, pacht- en gebruiksrechten van kleine boeren, alsook de toegang van lokale gemeenschappen tot natuurlijke hulpbronnen, bescherming verdienen ter voorkoming van verdere toe-eigening van landbouwgrond, die in sommige gebieden van de wereld nu reeds een verontrustende omvang heeft aangenomen, met name in Afrika;

50.

hoopt dat de kennis van de lokale voedselproducenten met betrekking tot de voedselproductie in aanmerking wordt genomen in de Europese steun- en actieprogramma's;

51.

moedigt de aanname en de waarborging van de participatieve tenuitvoerlegging van vrijwillige FAO-richtsnoeren voor grondaankopen aan, doch dringt eveneens aan op strikte bindende nationale en internationale regelgeving op dit gebied; benadrukt dat onderhandelingen over contracten transparant moeten verlopen en dat de parlementen en gekozen vertegenwoordigers van lokale en regionale autoriteiten, na raadpleging van het maatschappelijk middenveld, hieraan moeten kunnen deelnemen;

52.

acht het noodzakelijk ervoor te zorgen dat lokale gemeenschappen en instellingen de nodige bevoegdheden en onderhandelingscapaciteit hebben om de lokale landbouw te ontwikkelen; stelt voor een gedragsode op te stellen om investeerders aan te sporen hun activiteiten te richten op het verbeteren van de productiviteit van de landbouw en de bestaansmiddelen van de lokale bevolking;

53.

vestigt de aandacht op het feit dat buitenlandse investeerders niet alleen land, maar ook visserijvergunningen kopen; onderstreept dat transparantie noodzakelijk is en dat nationale parlementen en het maatschappelijk middenveld aan de contractonderhandelingen moeten kunnen deelnemen; onderstreept voorts dat een lijst van in het publieke domein gesloten overeenkomsten moet worden bijgehouden;

54.

verzoekt om de invoering van mechanismen om te voorkomen dat plaatselijke landbouwers worden weggeconcurreerd en niet langer in staat zijn voor de plaatselijke bevolking voedsel te produceren;

55.

herinnert de Commissie en de partnerlanden aan het positieve effect van agro-ecologische productiesystemen op de beperking van klimaatverandering alsook aan het feit dat de voedselzekerheid op de lange termijn afhankelijk is van de manier waarop wordt omgesprongen met de milieugevolgen van de landbouwproductie ten einde de natuurlijke hulpbronnen en de voedselvoorziening te beschermen; benadrukt evenwel dat landbouwhulp aan regio's waar sprake is van urgente voedselonzekerheid of honger, in eerste instantie gericht dient te zijn op verhoging van de voedselproductie en vergroting van de toegankelijkheid van voedsel;

56.

is verheugd over de inspanningen van de G20 om de prijsschommelingen tegen te gaan en de voedselzekerheid te bevorderen;

57.

maakt zich grote zorgen over de teruggang van de natuurlijke hulpbronnen en het behoud van doeltreffende landbouwproductievoorwaarden, zoals grondkwaliteit, toegang tot water en de preventie van milieuverontreiniging; wijst erop dat alle belanghebbenden en met name boeren, lokale en regionale autoriteiten en middenveldorganisaties een belangrijke rol dienen te spelen bij de ontwikkeling van een duurzame ontwikkelingsstrategie voor de landbouw;

Samenhang in het ontwikkelingsbeleid: de invloed van het EU-beleid op de voedselzekerheid in de wereld

58.

is van oordeel dat de voedselzekerheid niet in gevaar mag komen door de ontwikkeling van biobrandstoffen; dringt bijgevolg aan op een evenwichtige aanpak die prioriteit geeft aan de nieuwe generatie biobrandstoffen op basis van land- en bosbouwafval (stro en andere gewasresten, dierlijke mest, biogas, enz.) in plaats van voedingsgewassen ten einde concurrentie tussen voedselproductie en energieopwekking te voorkomen; is voorts van oordeel dat de EU zich ervan moet vergewissen dat uit ontwikkelingslanden ingevoerde biobrandstoffen aan duurzaamheidscriteria voldoen;

59.

verzoekt met klem om een meer mondiale benadering bij de ontwikkeling van het GLB na 2013 waarin het beginsel van "geen schade berokkenen" aan de voedselmarkten van ontwikkelingslanden moet worden opgenomen;

60.

verzoekt de Commissie om een effectbeoordeling van het GLB, waarin de externe gevolgen van het GLB voor de internationale voedselmarkten en de voedselzekerheid in de ontwikkelingslanden worden geanalyseerd;

61.

verzoekt de Commissie om een onderzoek in te stellen naar de voedselverspilling in de EU, aangezien tot wel 40 % van het in de EU beschikbare voedsel - waaronder in de ontwikkelingslanden geproduceerd en naar de EU geëxporteerd voedsel – schijnt te worden weggegooid, alsook om doeltreffende maatregelen voor te stellen om dit probleem aan te pakken en de consumptiepatronen te verbeteren;

62.

verzoekt om de geleidelijke, doch volledige afschaffing van de exportsubsidies;

63.

dringt er bij de Commissie op aan erop toe te zien dat de externe dimensie van de huidige hervorming van het gemeenschappelijk visserijbeleid in overeenstemming wordt gebracht met het EU-ontwikkelingsbeleid;

64.

roept de Commissie op ervoor te zorgen dat in landen waarmee de EU een partnerschapsovereenkomst in de visserijsector heeft de gedragscode voor een verantwoorde visserij van de FAO wordt nageleefd, met name als het gaat om de aanbeveling om lokale ambachtelijke vissers bij voorrang toegang te geven tot de visstanden;

65.

benadrukt dat de visserijsector in talrijke landen van cruciaal belang is voor de werkgelegenheid en de voedselzekerheid en dat alle ontwikkelingslanden bijgevolg voor sectorale steun van de EU in aanmerking zouden moeten komen voor de ontwikkeling van hun eigen duurzame visserijindustrie, onderzoeks-, controle- en handhavingscapaciteit ter bestrijding van illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserijactiviteiten;

66.

verzoekt om hervormingen die de mogelijkheden van markttoegang voor ontwikkelingslanden vergroten en hen in staat stellen op hun eigen nationale en regionale markten te concurreren;

67.

herinnert eraan dat de Europese Unie moet zorgen voor een maximale samenhang tussen haar ontwikkelingssamenwerkingsbeleid en haar handelsbeleid, met inachtneming van de behoeften en zorgen van zowel de lidstaten als de ontwikkelingslanden;

68.

is van oordeel dat de EU steun moet geven aan regionale integratie en de duurzame ontwikkeling van de lokale voedingsmiddelenmarkten in de ontwikkelingslanden, en met name aan regionale handelsovereenkomsten die de ontwikkeling van een levensvatbare en duurzame productie- en verwerkingscapaciteit op lokaal vlak bevorderen, en een aanzienlijk deel van haar ontwikkelingshulp daarvoor moet uittrekken;

69.

geeft opnieuw uiting aan zijn bezorgdheid dat het in de EU-handelsstrategie soms aan een op ontwikkeling gerichte aanpak ontbreekt; dringt bijgevolg aan op eerlijke en ontwikkeling stimulerende handelsovereenkomsten, aangezien deze een essentieel onderdeel vormen van een op mondiale voedselzekerheid gerichte aanpak;

70.

herinnert eraan dat voor voedselzekerheid samenhang en coördinatie nodig is van de verschillende sectorale beleidslijnen op Europees niveau, met name het ontwikkelingsbeleid, het GLB, het gemeenschappelijk handelsbeleid, het energiebeleid en de onderzoeksprogramma's;

71.

is van mening dat de Commissie de teelt van eiwithoudende gewassen in de EU moet ondersteunen ten einde de EU meer autonomie te geven en aldus bij te dragen tot de diversificatie van de landbouw in de ontwikkelingslanden, die vaak een landbouwbeleid voeren dat louter op uitvoer en toegang tot externe markten is gericht, ten koste van het welzijn en de behoeften van de lokale gemeenschappen;

72.

verzoekt de Commissie zich bij de lopende EPO-onderhandelingen op de ontwikkelingsproblematiek te concentreren en voor een grotere speelruimte van de ontwikkelingslanden op het gebied van handelsregels te zorgen en met name beschermingsclausules toe te passen om te komen tot een endogene en duurzame ontwikkeling van het economisch potentieel in de ontwikkelingslanden; onderstreept dat de door ontwikkelingslanden toegepaste uitvoerbeperkingen en maatregelen ter bescherming van opkomende industrieën ontwikkelingsinstrumenten zijn die kunnen worden ingezet om de lokale productie en de voedselzekerheid te vergroten; wenst dat de Commissie tijdens de WTO-onderhandelingen een sterk op ontwikkeling gerichte houding aanneemt; verzoekt de Commissie om bij internationale handelsbesprekingen een op de mensenrechten gebaseerde aanpak te volgen en effectbeoordelingen betreffende de mensenrechten op overeenkomsten met derde landen toe te passen;

73.

verzoekt de Commissie en de lidstaten te streven naar een op behoeften gebaseerd verdrag waarin de hoeveelheid aan door donorlanden toegezegde voedselhulp wordt gekoppeld aan de behoeften van de bevolking alsook aan gegarandeerde lokale aankoopvolumes in de ontvangende landen;

74.

geeft uiting aan zijn grote bezorgdheid over het gebrek aan transparantie, verstrekte informatie en deelname van relevante belanghebbenden bij en aan de huidige onderhandelingen over het Voedselhulpverdrag;

*

* *

75.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


(1)  PB L 354 van 31.12.2008, blz. 62.

(2)  PB C 263 E van 16.10.2008, blz. 621.

(3)  PB C 279 E van 19.11.2009, blz. 71.

(4)  Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0071.

(5)  PB C 297 E van 20.11.2008, blz. 201.

(6)  PB C 46 E van 24.2.2010, blz. 10.

(7)  PB C 285 E van 21.10.2010, blz. 69.

(8)  PB C 161 E van 31.5.2011, blz. 47.

(9)  Aangenomen teksten, ACS-EU/100.879/10/def.