|
7.12.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 377/51 |
Woensdag 11 mei 2011
Ontwikkeling van een gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon
P7_TA(2011)0228
Resolutie van het Europees Parlement van 11 mei 2011 over de ontwikkeling van een gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon (2010/2299(INI))
2012/C 377 E/07
Het Europees Parlement,
|
— |
gelet op titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie en op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, |
|
— |
gezien het Handvest van de Verenigde Naties, |
|
— |
gezien de Europese veiligheidsstrategie (EVS) met als titel "Een veilig Europa in een betere wereld", die op 12 december 2003 door de Europese Raad is aangenomen, en gezien het verslag over de tenuitvoerlegging van de EVS met als titel "Veiligheid in een veranderende wereld", dat op 11-12 december 2008 is aangenomen door de Europese Raad, |
|
— |
gezien de op 9 december 2010 en op 31 januari 2011 aangenomen conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken (Raad Defensie) inzake het GVDB, |
|
— |
gezien de resultaten van de topbijeenkomst van Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk over samenwerking op het gebied van veiligheid en defensie van 2 november 2010, |
|
— |
gezien de interne veiligheidsstrategie voor de EU, die op 25-26 maart 2010 door de Europese Raad is bekrachtigd, |
|
— |
gezien het besluit van de Raad van 26 juli 2010 tot vaststelling van de organisatie en werking van de Europese dienst voor extern optreden (1), |
|
— |
onder verwijzing naar zijn resolutie van 23 november 2010 over civiel-militaire samenwerking en de ontwikkeling van civiel-militaire capaciteiten (2), |
|
— |
onder verwijzing naar zijn resolutie van 10 maart 2010 over de tenuitvoerlegging van de Europese veiligheidsstrategie en het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (3), |
|
— |
gelet op artikel 48 van zijn Reglement, |
|
— |
gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A7-0166/2011), |
Buitenlands en veiligheidsbeleid
|
1. |
herinnert eraan dat snelle en diepgaande veranderingen optreden in de internationale verhoudingen door de verschuiving van de macht naar opkomende internationale spelers en een sterkere onderlinge afhankelijkheid die zich uitstrekt van economische en financiële problemen tot aantasting van het milieu en klimaatverandering, energie- en hulpbronnenschaarste en onderling samenhangende veiligheidsuitdagingen; |
|
2. |
erkent dat in een turbulente wereld en in een tijd van economische en financiële crisis de Europese Unie haar strategische autonomie moet vergroten teneinde haar waarden hoog te houden, haar belangen te verzekeren en haar burgers te verdedigen door een gedeelde visie te ontwikkelen op de belangrijkste uitdagingen en bedreigingen en door haar capaciteiten en middelen aan te wenden voor een adequaat antwoord hierop, zodat een bijdrage wordt geleverd aan het bewaren van de internationale vrede en wereldwijde veiligheid, onder meer door het nastreven van een doelmatig multilateralisme; |
|
3. |
is van oordeel dat een grotere strategische autonomie in veiligheidsaangelegenheden voor de Europese Unie het vermogen veronderstelt om het eens te worden over gemeenschappelijke politieke doelstellingen en strategische richtlijnen, strategische partnerschappen te sluiten met een breed scala aan relevante internationale organisaties en staten, waaronder de NAVO, adequate informatie in te winnen en gezamenlijke analyses en evaluaties te genereren, financiële, civiele en militaire hulpbronnen aan te wenden en waar nodig te bundelen, effectieve crisisbeheersingsoperaties te plannen en uit te voeren binnen het uitgebreide bestek van de Petersberg-taken en een gemeenschappelijk defensiebeleid vast te stellen en uit te voeren door een concrete basis te leggen voor een gemeenschappelijke defensie; |
|
4. |
benadrukt dat de nieuwe bepalingen over het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) van het Verdrag van Lissabon voorzien in een krachtige politieke verklaring betreffende de intentie van de EU om op te treden als een voorvechter van stabiliteit in de wereld evenals in een duidelijk rechtskader voor de versterking van haar mogelijkheden om haar buitenlands en veiligheidsbeleid te voeren door middel van een alomvattende benadering waarbij alle instrumenten die de Unie en haar lidstaten ter beschikking staan kunnen worden ingezet om crises en conflicten te voorkomen of te beheersen en om een duurzame vrede tot stand te brengen; |
|
5. |
herinnert er in het bijzonder aan dat:
|
|
6. |
benadrukt dat de plicht tot consistentie als gedefinieerd in het Verdrag, de nieuwe formulering van artikel 40 VEU (volgens hetwelk de uitvoering van zowel het GBVB als de andere EU-beleidsonderdelen geen gevolgen heeft voor de toepassing van de respectieve procedures) en de recente jurisprudentie van het Hof van Justitie (zie de SALW-zaak) zowel het primaat van de communautaire methode bevestigen als de specifieke kenmerken en prerogatieven van het GBVB waarborgen en tegelijkertijd de convergentie van verschillende beleidsonderdelen, instrumenten, bronnen en rechtsgrondslagen bevorderen in een integrale en alomvattende benadering waarin het bijdragen tot vrede en veiligheid in de wereld een interdisciplinair doel wordt van intern en extern optreden van de EU en waarin het GVDB daarvan een instrument is; merkt op dat de militaire middelen ook in het geval van natuurrampen en door de mens veroorzaakte rampen kunnen worden gebruikt, zoals in de praktijk is gebleken bij de coördinatie van het militair potentieel door militair personeel van de EU ter ondersteuning van onder civiele leiding uitgevoerde humanitaire-hulpoperaties tijdens de overstromingen in Pakistan in 2010, overeenkomstig de toepasselijke VN-richtsnoeren over het gebruik van militaire en civiele defensiemiddelen bij internationale rampenbestrijding (Oslo-richtsnoeren) en naar aanleiding van een verzoek van de Commissie; |
|
7. |
spreekt dan ook zijn bezorgdheid uit over het feit dat er meer dan een jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon nog geen duidelijke tekenen zijn van een allesomvattende post-Lissabon benadering waarin traditionele procedurele en institutionele barrières kunnen worden overwonnen met behoud van de respectieve wettelijke prerogatieven als het gaat om de veiligheid van de Europese burger; |
|
8. |
is ervan overtuigd dat voor een geloofwaardig extern veiligheidsbeleid een sterkere onderlinge afhankelijkheid tussen de lidstaten vereist is en een verbetering van de interne samenhang, het wederzijds vertrouwen en de solidariteit, vergelijkbaar met de ontwikkelingen op het gebied van interne veiligheid door het samenwerkingsverband van Schengen (op basis waarvan de landen met het controleren van de eigen grenzen ook de grenzen van de andere lidstaten controleren, nationale normen een Europese draagkracht krijgen en de taken die zijn verbonden aan het beschermen van de nationale veiligheid ook kunnen leiden tot operaties op het grondgebied van een andere lidstaat of tot de vorming van gemeenschappelijke teams die opereren volgens de Europese normen); |
|
9. |
betreurt dat de EU-lidstaten niet bereid zijn een gemeenschappelijk standpunt in te nemen met betrekking tot de crisis in Libië, resolutie 1973 van de VN-Veiligheidsraad en de uitvoeringsbepalingen daarvan; is zeer verontrust over het gevaar dat ad hoc-coalities van bereidwilligen of bilaterale samenwerkingsverbanden als haalbare substituten voor het GVDB in overweging worden genomen, aangezien geen enkele lidstaat in de gelegenheid is ter zake van defensie- en veiligheid een significante rol op het wereldtoneel van de 21ste eeuw te spelen; wijst erop dat het Verdrag van Lissabon in de mogelijkheid voorziet om de uitvoering van een crisisbeheersingsoperatie toe te vertrouwen aan een groep lidstaten, een en ander evenwel uitsluitend in het kader van een besluit van de Raad waarbij het doel, de reikwijdte en de voorschriften voor de uitvoering ervan worden vastgesteld, en in samenspraak met de HV/VV; onderstreept dat een gemeenschappelijke reactie op de ontwikkelingen in Libië essentieel is bij het formuleren van een geloofwaardige nieuwe benadering in het beleid van de EU ten opzichte van de zuidelijke buurlanden; onderstreept opnieuw dat het bij resolutie 1973 (2011) van de VN-Veiligheidsraad verleende mandaat om de Libische burgerbevolking te beschermen niet te buiten mag worden gegaan door buitensporig gebruik van geweld; roept de VV/HV op concrete maatregelen te nemen om tot een spoedig staakt-het-vuren te komen, zodat er een einde komt aan het bloedvergieten en het lijden onder de Libische bevolking; dringt er bij de VV/HV op aan een krachtige en directe rol te spelen bij het bevorderen van politieke initiatieven in deze richting; acht het van essentieel belang nauw met de Tijdelijke Nationale Overgangsraad, de Afrikaanse Unie en de Arabische Liga samen te werken om in het huidige militaire conflict de weg te effenen voor politieke en diplomatieke oplossingen, waaronder de doelstelling het aftreden van het Kadhafi-regime te verzekeren; wijst erop dat het uitstippelen van een strategie voor de Sahel-regio en de Hoorn van Afrika een andere concrete mogelijkheid biedt om aan te tonen dat de EU in staat is zowel op veiligheids- als op ontwikkelingsgebied problemen aan te pakken; |
|
10. |
roept de Europese Raad op tot verwezenlijking van zijn taak strategische belangen en politieke doelstellingen van de EU vast te stellen door een Europees buitenlands beleid ui te werken dat is afgestemd op de internationale ontwikkelingen, gebaseerd is op een daadwerkelijke convergentie van de verschillende dimensies van het extern optreden van de EU en regelmatig wordt herzien; roept de hoge vertegenwoordiger/vicevoorzitter en de Raad op om het concept van menselijke veiligheid verder uit te werken, het centraal te stellen in de Europese strategie voor het buitenlands beleid en het om te zetten in concrete beleidsrichtsnoeren; |
|
11. |
verzoekt de Europese Raad en zijn voorzitter deze taak uit te voeren door een politieke dialoog met het Europees Parlement aan te gaan en de aanbevelingen van het Parlement te bespreken; onderstreept dat deze dialoog noodzakelijk is in het licht van de nieuwe bepalingen van de Verdragen en de eis om de strategie voor het buitenlands beleid te bepalen en ten uitvoer te leggen op basis van een daadwerkelijk alomvattende aanpak; dringt erop aan dat deze dialoog regelmatig plaatsvindt en zowel de geboekte vooruitgang als de vooruitzichten hierin centraal staan; |
|
12. |
wijst erop dat de rol van het Europees Parlement als het orgaan dat de EU-burgers rechtstreeks vertegenwoordigt van het Parlement een essentiële bron van democratische legitimering van het GBVB en het GVDB maakt en dat het hieraan het recht ontleent dat naar behoren met zijn standpunten en aanbevelingen rekening wordt gehouden; |
|
13. |
herinnert er bovendien aan dat de VV/HV op grond van het Verdrag is onderworpen aan een vertrouwensstemming van het Europees Parlement en dat het Europees Parlement medebeslissingsbevoegdheid heeft voor de begroting van het extern optreden van de EU, met inbegrip van civiele missies in het kader van het GBVB en het GVDB en de administratieve kosten die voortvloeien uit de coördinatie van militaire operaties door de EU, en dat zijn instemming onontbeerlijk is om de EU-strategieën te vertalen naar wettelijke voorschriften en om internationale overeenkomsten te sluiten, met inbegrip van internationale overeenkomsten die voornamelijk betrekking hebben op het GBVB en met als enige uitzondering internationale overeenkomsten die uitsluitend betrekking hebben op het GBVB; |
|
14. |
wenst nauwer samen te werken met de nationale parlementen in de EU bij de democratische controle van het GBVB en het GVDB, met het doel om hun invloed op de politieke keuzen van de andere Europese instellingen en de lidstaten onderling te versterken, met volledige eerbiediging van de bestaande prerogatieven op het gebied van defensiebeleid van de nationale parlementen; betreurt het feit dat tijdens de vergadering van de Conferentie van EU-parlementsvoorzitters op 4-5 april 2011 geen overeenstemming is bereikt over de thema's van een interparlementaire conferentie over het GBVB/GVDB, en hoopt op een overeenkomst met de parlementen van de lidstaten over nieuwe vormen van interparlementaire samenwerking op dit vlak; herinnert eraan dat in artikel 9 van protocol 1 bij het Verdrag van Lissabon betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie duidelijk staat dat het Europees Parlement en de nationale parlementen samen bepalen hoe binnen de Unie een efficiënte en regelmatige samenwerking tussen de verschillende parlementen kan worden georganiseerd en gestimuleerd; |
|
15. |
onderstreept de rol die de Commissie op grond van de Verdragen heeft bij de uitvoering van beleid en acties met betrekking tot andere terreinen van het externe optreden van de EU, bij het indienen van wetgevingsvoorstellen, bij de uitvoering van de begroting en het beheer van communautaire programma's en bij het verzorgen van de externe vertegenwoordiging van de EU, met uitzondering van het GBVB; verzoekt de Raad, de Commissie en het Parlement nauwer samen te werken om, met inachtneming van hun prerogatieven, te zorgen voor samenhang tussen de verschillende gebieden van het externe optreden van de EU zodat de instrumenten van het GVDB doeltreffender worden gebruikt; |
|
16. |
benadrukt dat de bevoegdheden van de VV/HV niet enkel neerkomen op een "dubbele pet", maar een samensmelting vormen van functies en van bronnen van legitimiteit, waardoor deze functie in het middelpunt komt te staan van het proces voor de totstandbrenging van samenhang tussen de verschillende instrumenten, spelers en procedures van het externe optreden van de EU; verzoekt de VV/HV haar rol op dynamische wijze te interpreteren en een opbouwende dialoog met het Parlement aan te gaan met als doel om enerzijds een politieke consensus tussen de lidstaten actief te bevorderen over de strategische lijnen en de politieke keuzen binnen het GBVB en het GVDB, en anderzijds te zorgen voor samenhang, daadwerkelijke coördinatie en benutting van alle potentiële synergieën tussen het GBVB en het GVDB en de andere gebieden van het externe optreden van de EU, alsook de interne beleidsgebieden van de EU die van invloed zijn op of gevolgen hebben voor het externe optreden; |
|
17. |
acht de rol van de EDEO van fundamenteel belang om een daadwerkelijk alomvattende aanpak te ontwikkelen, gebaseerd op volledige integratie tussen het GVDB, het GBVB en de andere terreinen van het extern optreden van de EU, met name het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid, het handels- en het energiezekerheidsbeleid; is verheugd over de uitkomst van de onderhandelingen, die hebben geleid tot de oprichting van de EDEO als structuur die in dienst staat van de instellingen van de Unie en van de verschillende terreinen van het extern optreden van de Unie en waarbij de dienst een breed takenpakket is toegewezen en tegelijkertijd voor een sterke binding met de Commissie is gezorgd, zonder de prerogatieven van de Commissie op welke manier ook aan te tasten, en wenst dat het belasten van de EDEO met de strategische planning van de belangrijkste financiële instrumenten die samenhangen met het extern optreden van de EU ertoe leidt dat deze daadwerkelijk coherent worden ingezet in het kader van de beginselen en doelstellingen van de Unie; |
|
18. |
spreekt opnieuw zijn steun uit voor een betere coördinatie en een sterkere synergie tussen de civiele en militaire structuren en capaciteiten op het gebied van crisisbeheersing binnen de alomvattende aanpak, waarbij tegelijkertijd de verschillen tussen de civiele en militaire rollen en de diverse besluitvormingsprocedures en commandostructuren in stand moeten worden gehouden; |
|
19. |
betreurt dat het voorlopige organigram van de EDEO niet alle eenheden omvat die zich bezighouden met de planning en programmering van crisisrespons, conflictpreventie en vredesopbouw met de structuren van het GVDB, overeenkomstig het akkoord van Madrid; vraagt in verband hiermee ten eerste dat geregeld vergaderingen worden gehouden van een crisisbeheersingsraad, bestaande uit het directoraat Crisisbeheer en Planning (CMPD), het civiele plannings- en uitvoeringsvermogen (CPCC), de Militaire Staf van de Europese Unie (EUMS), het Gemeenschappelijke Situatiecentrum (SITCEN) van de EU, de eenheden voor vredesopbouw, conflictpreventie, bemiddeling en veiligheidsbeleid, het voorzitterschap van het PVC, de landendesks en de andere betrokken beleidsafdelingen, onder het gezag van de VV/HV en de uitvoerend secretaris-generaal, met deelname van de structuren van de Commissie voor humanitaire hulp, burgerbescherming en interne veiligheid, al naar gelang de omstandigheden; is van mening dat deze vergaderingen moeten worden gecoördineerd door de uitvoerend directeur voor crisisrespons; verzoekt de VV/HV en de Commissie deze structuur te voorzien van een efficiënt waarschuwings- en alarmsysteem en van een grote, gemeenschappelijke werkruimte die gevestigd is binnen de EDEO en waarmee het toezicht vierentwintig uur per dag en zeven dagen per week kan worden verzekerd, zodat de huidige dubbele werkvoorzieningen, die nauwelijks zijn te rijmen met de noodzaak om over een adequaat systeem voor toezicht en snelle crisisrespons te beschikken, kunnen worden vermeden; is van mening dat er dient te worden voorzien in regelmatige coördinatie en uitwisseling tussen dit systeem en het Europees Centrum voor respons in noodsituaties dat momenteel door de Commissie wordt ontwikkeld, teneinde voor adequate synergie te zorgen met inachtneming van elkaars specifieke taken; vraagt ten tweede om totstandbrenging van een permanente werkstructuur tussen voornoemde actoren ook buiten acute crisisbeheersing om, ten einde gemeenschappelijke benaderingen te ontwikkelen, bijvoorbeeld op het gebied van de rechtsstaat of hervorming van de veiligheidssector; vraagt ten derde om een tussentijdse beoordeling van de huidige afspraken, ten einde te komen tot werkelijk geïntegreerde strategische planning en conceptuele ontwikkeling op het gebied van crisisbeheersing en vredesopbouw voor de EDEO; |
|
20. |
is van mening dat de crisisbeheersingsraad de EDEO één noodplanning moet verstrekken ten aanzien van de potentiële crisishaarden en crisisscenario's en in de tweede plaats, ook via een crisisplatform, als taak moet hebben om concreet de crisisrespons te beheren door de coördinatie te voeren over de inzet van diverse financiële instrumenten en van de capaciteiten die de EU ter beschikking staan, zowel in Brussel als ter plaatse, zonder afbreuk te doen aan de specifieke besluitvormingsprocedures en rechtsgronden met betrekking tot de inzet van civiele en militaire capaciteiten op grond van het GBVB en het GVDB en het gebruik van de communautaire instrumenten; |
|
21. |
onderstreept de noodzaak om de civiele en militaire structuren, diensten en eenheden voor crisisrespons die zijn ondergebracht in de EDEO en met name in de Commissie, op een beter doordachte wijze te versterken, in te delen en te organiseren:
|
|
22. |
betreurt de magere resultaten die zijn behaald in het kader van het civiele hoofddoel 2010 op het gebied van civiele capaciteiten, en in het bijzonder het verschil tussen de personeelseenheden die op papier door de lidstaten ter beschikking zijn gesteld en degenen die daadwerkelijk beschikbaar waren voor de missies en de beperkte vorderingen ten aanzien van de opleiding van het personeelsbestand (ontbreken van gemeenschappelijke regels, beperkt aantal opleidingsprogramma's dat is geüpload naar het programma voor opleidingsmogelijkheden "Schoolmaster" in de Goalkeeper software-omgeving); verzoekt de VV/HV, de Raad en de lidstaten op gecoördineerde wijze het proces voor de ontwikkeling van civiele capaciteiten te herstarten, in het bijzonder op het gebied van werving, genderevenwicht, opleiding en uitzending; onderstreept met name het belang van een voortdurend voortbouwen op de erfenis van de twee civiele hoofddoelen die de EU tot dusverre heeft nagestreefd om aan deze buitengewone uitdagingen het hoofd te bieden; dringt aan op het instellen van een communautair mechanisme ter versterking van de civiele capaciteiten, met name de opleiding en de versterking van het civiele gedeelte van de Europese veiligheids- en defensieacademie; |
Veiligheid en defensie
|
23. |
constateert andermaal dat geloofwaardige, betrouwbare en beschikbare militaire capaciteiten een onontbeerlijke voorwaarde zijn voor een autonoom GVDB en een alomvattende aanpak, en dat de lidstaten hierin moeten voorzien; onderstreept voorts dat deze militaire capaciteiten voor diverse toepassingen kunnen worden gebruikt, waaronder ook civiele toepassingen, in het kader van de beginselen waarop het optreden van de Unie op het internationaal toneel is gegrondvest en de autonomie van de rechtsorde van de EU; |
|
24. |
betreurt het grote contrast tussen de 200 miljard euro die jaarlijks voor defensie wordt uitgegeven door de lidstaten, het gebrek aan beschikbare middelen voor de EU en de zich pijnlijk voortslepende conferenties over de opbouw van een strijdmacht voor militaire operaties van de EU, dit alles in het licht van een overtal aan personeel en meer dan voldoende capaciteit; betreurt het feit dat de methode voor de vorming van de strijdkrachten in meer dan twaalf jaar geen feitelijke verbeteringen heeft opgeleverd ten aanzien van de kwantiteit en kwaliteit van de militaire capaciteiten die voor de GVDB-taken beschikbaar zijn; onderstreept de noodzaak om de verbeteringen van de militaire capaciteiten regelmatig te evalueren; wijst erop dat er een steeds grotere wanverhouding bestaat tussen de toenemende vraag van buiten en de middelen die de lidstaten aan de Unie ter beschikking stellen; |
|
25. |
uit zijn bezorgdheid over het feit dat de huidige economische terughoudendheid dreigt te leiden tot bezuinigingen die niet op Europees niveau worden afgestemd en tot voortdurende overlappingen die vragen opwerpen over het bestaan van het GVDB, en dat deze situatie de lidstaten er juist toe zou moeten aanzetten slimmer te investeren in defensie door een groter aandeel van hun defensiecapaciteiten, -begrotingen en -behoeften te bundelen en met elkaar te delen, waarmee ze tegelijkertijd de veiligheid voor hun burgers verhogen; doet een beroep op de lidstaten om meer transparantie te ontwikkelen ten aanzien van hun respectieve defensiebegrotingen; |
|
26. |
herinnert eraan dat het GBVB en het GVDB ook moeten leiden tot ontwapening en non-proliferatie van wapens, van handvuurwapens en lichte wapens tot kernkoppen en ballistische raketten; dringt er bij de VV/HV op aan om aan dit beleid voorrang te verlenen door een nieuwe reeks proactieve maatregelen te bevorderen waarmee de kwesties van landmijnen, clustermunitie en munitie met verarmd uranium, handvuurwapens en lichte wapens, biologische, chemische en nucleaire massavernietigingswapens en hun overbrengingsmiddelen worden aangepakt; verzoekt de VV/HV om aan het Europees Parlement verslag uit te brengen over de NPV-toetsingsconferentie van 2010 en op jaarlijkse basis over het actieplan inzake ontwapening en non-proliferatie; |
|
27. |
betreurt de wijdverspreide duplicatie van defensieprogramma's in de EU, zoals meer dan twintig programma's voor gepantserde militaire voertuigen, zes verschillende programma's voor gevechtsonderzeeërs, vijf programma's voor grond-luchtraketten en drie programma's voor gevechtsvliegtuigen, en de gevolgen hiervan, namelijk dat geen schaalvoordeel wordt bereikt, de beperkte financiële middelen worden verspild en de prijzen voor Europees defensiemateriaal kunstmatig hoog zijn, hetgeen bovendien leidt tot een niet-aflatende versnippering van de Europese industriële en technologische defensiebasis (EDITB), het concurrentievermogen van de gehele met veiligheid verband houdende industrietak in Europa belemmert en in dit verband een rechtstreeks gevaar vormt voor de technologische leiderspositie en de werkgelegenheid; |
|
28. |
herhaalt dat voor alle bovengenoemde aspecten een optreden vanuit een sterke gemeenschappelijke politieke wil voor een langere periode nodig is waarmee het potentieel van het Verdrag van Lissabon volledig wordt benut, en dat de progressieve vaststelling van een gemeenschappelijk defensiebeleid dat kan leiden tot een gemeenschappelijke defensie gericht moet zijn op de versteviging van het vermogen van de EU om op crises te reageren en vredesopbouw op de lange termijn te waarborgen, maar vooral op het vergroten van Europa's strategische autonomie en het uitbreiden van haar mogelijkheden om op te treden; verlangt dat er een buitengewone bijeenkomst van de Europese Raad over de Europese veiligheid en defensie wordt gehouden; herhaalt zijn verzoek om de opstelling van een witboek over Europese veiligheid en defensie, dat tot stand moet worden gebracht via een proces waarbij alle relevante belanghebbenden in de EU worden betrokken en dat gebaseerd moet worden op evaluaties van de nationale defensie en veiligheid in alle lidstaten die beantwoorden aan een gemeenschappelijk sjabloon en een directe vergelijking van de sterkten en zwakten van de huidige capaciteiten en planningsuitgangspunten mogelijk maken; |
|
29. |
doet met klem een beroep op de lidstaten om het Europees Defensieagentschap te ondersteunen als het deskundige agentschap van de EU dat tot taak heeft de defensiecapaciteiten op het gebied van crisisbeheer en het bevorderen van de Europese samenwerking inzake bewapening af te bakenen en te ontwikkelen; |
|
30. |
constateert dat de Frans-Britse overeenkomst over samenwerking inzake veiligheid en defensie van 2 november 2010 daadwerkelijk is gelanceerd buiten het kader van het Verdrag betreffende de Europese Unie; wenst niettemin dat deze meest recente poging tot Frans-Britse samenwerking als katalysator kan fungeren voor toekomstige vorderingen op Europees niveau in lijn met het institutioneel kader van de Unie en de logische eisen van rationalisering, interoperabiliteit en kostenefficiëntie; onderstreept dat het EDA in dit verband een ondersteunende rol moet vervullen; is van oordeel dat de Frans-Britse defensiesamenwerking een routekaart moet leveren voor een doelmatigere Europese samenwerking op defensiegebied op basis van capaciteitsplanning en wederzijdse afhankelijkheid; dringt er bij de regeringen van Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk op aan zich te verplichten tot toekomstige Europese regelingen voor multilateraal bundelen en delen; |
|
31. |
onderstreept dat de permanente gestructureerde samenwerking die in het verdrag is opgenomen, voorziet in wettelijke waarborgen en verplichtingen en tevens een instrument is om in tijden van economische schaarste een beter gebruik van de GVDB-middelen te bevorderen en een gebrek aan consensus tussen de lidstaten te overwinnen; verzoekt de Raad en de lidstaten om onverwijld de inhoud en de doelstellingen van deze samenwerking te bepalen, met de participatie van alle lidstaten die hiertoe zowel politiek bereid als militair in staat blijken te zijn; |
|
32. |
acht het noodzakelijk de rol van de ministers voor Defensie binnen de Raad Buitenlandse Zaken te versterken; |
|
33. |
herinnert eraan dat de clausule inzake wederzijdse bijstand een wettelijke verplichting tot effectieve solidariteit is in geval van een externe aanval tegen een van de lidstaten, hetgeen niet in tegenspraak is met de rol van de NAVO binnen de Europese veiligheidsarchitectuur, terwijl tegelijkertijd de neutraliteit van sommige lidstaten wordt geëerbiedigd; beveelt bijgevolg aan serieus na te denken over de reële impact van de clausule inzake wederzijdse bijstand, door het aanpakken van de onopgeloste knelpunten van de uitvoeringsbepalingen die uit het ontwerp van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie werden verwijderd; roept op tot het formuleren van politieke richtlijnen die met name ook noodzakelijk zijn met het oog op de recente beëindiging van het gewijzigde Verdrag van Brussel (WEU); |
|
34. |
erkent dat in het ontwikkelingproces van het GVDB, na de resultaten die zijn geboekt op politiek en institutioneel niveau, nu het moment is aangebroken om concrete resultaten te boeken op het gebied van militaire capaciteiten; wijst op het grote potentieel dat wordt geboden door de bepalingen van het Verdrag van Lissabon en die zijn gericht op het bevorderen van de ontwikkeling van deze capaciteiten en op het afbakenen van het progressieve kader van het defensiebeleid van de EU, en onderstreept dat het dringend noodzakelijk is op doeltreffende wijze van deze bepalingen gebruik te maken; |
|
35. |
beveelt de lidstaten aan zich ten volle in te zetten voor het ter beschikking stellen en de duurzaamheid van militaire capaciteiten en zo de tendens te volgen om steeds meer aandacht te besteden aan de kwaliteitsaspecten; sluit zich aan bij de verzoeken die zijn geformuleerd tijdens de informele bijeenkomst van de ministers van Defensie in Gent en in de Duits-Zweedse paper en in het kader van het initiatief van Weimar, en verzoekt onverwijld over te gaan op de operationele fase, in overeenstemming met de conclusies van de Raad van december 2010 waarin de ministers van Defensie overeen zijn gekomen dat het EDA zijn werk voor het helpen identificeren van gebieden voor het bundelen en delen van militaire capaciteiten moet intensiveren, mede via de ondersteuning door een team van wijze mannen; onderstreept de noodzaak om van deze nieuwe aanpak van de ontwikkeling van capaciteiten een succes te maken; doet een beroep op de lidstaten om de door de Raad van december 2010 vastgestelde termijn te respecteren; herinnert eraan dat de stafchefs van de EU-strijdkrachten de opdracht hebben gekregen hun capaciteiten tegen mei 2011 door te lichten, dat het militaire personeel van de EU is opgedragen deze gegevens te gebruiken om tegen medio -2011 een overzicht te maken en dat de ministers van Defensie van de EU tegen het einde van dit jaar tot definitieve conclusies zullen komen; verzoekt het agentschap van dit nieuwe initiatief een van haar prioriteiten te maken en een lijst op te stellen van mogelijke nieuwe projecten voor samenwerking (bijvoorbeeld op gebieden als satellietcommunicatie, medische ondersteuning, zeevervoer en cyberveiligheid) om dubbele kosten te vermijden en de interoperabiliteit te verhogen; |
|
36. |
sluit zich aan bij de aanbevelingen van de Raad Buitenlandse Zaken van januari 2011 waarin de VV/HV wordt aangespoord de vraagstukken te verdiepen die het onderwerp vormen van het initiatief van Weimar, voor het ondernemen van concrete acties op grond van een verslag dat door haar zal worden gepresenteerd tijdens een bijeenkomst van de Raad Buitenlandse Zaken medio 2011, met als doel om tegen het einde van het jaar zo veel mogelijk concrete resultaten te behalen, waarbij tevens het potentieel bestaat om deze initiatieven uit te breiden naar andere belanghebbende lidstaten; |
|
37. |
bekrachtigt de noodzaak om een einde te maken aan de huidige asymmetrie op het gebied van de plannings- en coördinatiecapaciteiten van civiele en militaire operaties door een permanent civiel-militair plannings- en uitvoeringsvermogen of operationeel hoofdkwartier op te richten dat een snellere en kostenefficiëntere reactie van de EU mogelijk maakt; onderstreept het beperkte gebruik van de Berlijn Plus-regeling die tot dusver alleen betrekking heeft gehad op de overname van reeds bestaande NAVO-missies, en de problemen in verband met de "framework nation track" die gebaseerd is op het gebruik van vijf nationale operationele hoofdkwartieren, waardoor aan het gebrek aan voorafgaande planning nog eens de problemen worden toegevoegd bij de vorming van de strijdkrachten en de toegenomen complexiteit van de coördinatie van de civiele en militaire capaciteiten; |
|
38. |
is van mening dat het huidige operationele centrum, hoewel het een welkome eerste stap is, niet aan de eisen en het ambitieniveau van een permanent operationeel hoofdkwartier voldoet en dat het permanent moet worden gemaakt en in staat moet worden gesteld grotere missies te beheren, dat er adequate personele middelen en operationele infrastructuur aan moeten worden toegewezen en dat de onbetrouwbaarheid van de infrastructuur van de communicatie- en informatiesystemen van de EU moeten worden aangepakt, die vooral te wijten is aan het ontbreken van een permanente commando- en controle-(C2)-structuur (en van het bijbehorende juridische kader), wat bovendien een negatief effect kan hebben op het situatiebewustzijn; pleit ervoor om het militaire operationele hoofdkwartier bij het civiele hoofdkwartier te plaatsen, zodat het in staat is de hele reeks militaire en civiele operaties uit te voeren en zodoende de mogelijke synergieën optimaal te benutten en tegelijkertijd de afzonderlijke civiele en militaire commandostructuren en de verschillende besluitvormingsprocedures en financieringsmechanismen in acht te nemen; |
|
39. |
is verheugd over het feit dat de VV/HV in haar antwoord op het initiatief van Weimar de noodzaak van een militaire uitvoeringscapaciteit van de EU erkent; is van mening dat in de kosten-efficiëntie-analyse waar de VV/HV om heeft gevraagd ook de kosten moeten worden opgenomen die voortvloeien uit het ontbreken van een operationeel hoofdkwartier van de EU; verklaart zelf van plan te zijn een onderzoek hiernaar en naar de mogelijke kosten en financieringsmechanismen van de nieuwe structuur, te organiseren; |
|
40. |
erkent de waarde van de gevechtsgroepen, maar spoort ertoe aan het concept en de structuren van de gevechtsgroepen, die tot dusver niet zijn gebruikt, serieus te heroverwegen met het oog op meer flexibiliteit en doeltreffendheid; is van mening dat het passend zou zijn:
|
|
41. |
onderstreept het feit dat in het verdrag wordt verwezen naar een Europees beleid inzake vermogens en bewapening dat moet worden bepaald met deelname van het Europees Defensieagentschap en vraagt dat de EU-instellingen, -organen en -lidstaten met het oog hierop meewerken aan de vaststelling van een kader voor en de uitvoering van dit beleid; |
|
42. |
moedigt nauwe samenwerking tussen het agentschap en de Commissie om de capaciteiten voor tweeërlei gebruik te versterken teneinde de uitgebreidste benadering van met de veiligheid verband houdend onderzoek te vinden en de synergievoordelen te benutten van civiel-militaire middelen, in het bijzonder middels het veiligheidsthema uit het kaderprogramma voor onderzoek en technische ontwikkeling; is in dit verband ook verheugd over de doelstelling van het achtste kaderprogramma, dat ondermeer gericht zal zijn op de externe veiligheid; vraagt de Commissie om de realiteit van de civiel-militaire aard van crisisbeheer te onderkennen en de financiering met communautaire middelen te overwegen van veiligheids- en defensieonderzoek dat civiele toepassingen heeft; merkt evenwel op dat deze samenwerking niet verder dient te gaan dan hetgeen nodig is in het kader van civiel-militaire samenwerking op gebied van vredeshandhaving, conflictpreventie en versterking van de internationale veiligheid, alsmede crisisbeheersingsactiviteiten; |
|
43. |
dringt er bij het hoofd van het EDA (HV/VV), alsmede de Raad op aan tijdig te komen met een nieuw besluit van de Raad tot oprichting van het EDA op basis van de nieuwe taak van het EDA, zoals vastgelegd in het Verdrag van Lissabon; betwist de uit 2004 daterende rechtsgrondslag van het EDA in het licht van het Verdrag van Lissabon en de implicaties ervan voor het EDA; verzoekt de Raad om het Europees Parlement in kennis te stellen van de nodige wijzigingen van het gemeenschappelijk optreden van de Raad tot oprichting van het EDA die voortvloeien uit de opneming van het EDA in het Verdrag van Lissabon; |
|
44. |
roept op tot de oprichting van een sterk partnerschap tussen de Commissie, het Parlement, het EDA en de deelnemende lidstaten over de voorbereiding van het achtste kaderprogramma met het oog op investeringen op Europees niveau in technologiegebieden van gemeenschappelijk belang, mede in de overweging dat de Europese investeringen in onderzoek en ontwikkeling op defensiegebied momenteel ongeveer 10 % bedragen van die in de Verenigde Staten; |
|
45. |
dringt aan op nauwe samenwerking tussen het EDA en de Gezamenlijke Organisatie voor samenwerking op defensiematerieelgebied (OCCAR); verzoekt om informatie van het hoofd van het EDA (HV/VV) over de resultaten van de onderhandelingen over een administratieve regeling voor hun samenwerking die in april 2009 van start is gegaan; |
|
46. |
wijst er nogmaals op dat een van de kernvoorwaarden voor een autonoom en geloofwaardig GVDB de oprichting is van een concurrerender en efficiënter Europese defensie- en veiligheidsmarkt die openstaat voor overheidsopdrachten, met een versterkte Europese industriële en technologische defensiebasis (EDITB) waarbij rekening wordt gehouden met belangrijke industriële capaciteiten, zekerheid van levering tussen landen, verdieping en diversificatie in het leveranciersbestand en sterkere samenwerking op het gebied van bewapening; |
|
47. |
onderstreept het belang voor de Europese defensiemarkt van de omzetting door alle lidstaten van de volgende richtlijnen in de nationale rechtsstelsels:
adviseert de lidstaten zich strikt aan de termijnen te houden, waarvan de naleving door de Commissie wordt gecontroleerd, en de vereiste uitvoeringsverordeningen op te stellen en het personeel voor de toepassing van de nieuwe regeling voor te bereiden; doet een beroep op de lidstaten om rekening te houden met de respectieve richtsnoeren die de Commissie heeft uitgevaardigd; |
|
48. |
beveelt aan dat de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk standpunt van 8 december 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie snel wordt herzien, om te zorgen voor een strikte en consistente naleving door alle nationale autoriteiten die hierbij in elke lidstaat zijn betrokken; |
|
49. |
dringt er bij de lidstaten op aan de gedragscode inzake overheidsopdrachten op het gebied van defensie en de gedragscode inzake compensaties van de EDA na te leven, om schendingen van de internemarktvoorschriften te voorkomen en de mogelijkheden voor corruptie te beperken; |
|
50. |
onderstreept dat het voor de opkomende Europese veiligheids- en defensiemarkt noodzakelijk is een oplossing te vinden voor het gebrek aan regelingen en normen, waardoor de kansen op de markt voor grote spelers en kleine en middelgrote ondernemingen beperkt blijven en de interoperabiliteit tussen veiligheidssystemen wordt belemmerd; geeft zijn volledige steun aan de werkzaamheden van het EDA in het kader van de nieuwe rechtsgrond van het Verdrag van Lissabon; beveelt aan dat de EDA en de Commissie nauw samenwerken om een Europese defensiemarkt tot stand te brengen; verzoekt de Commissie in samenwerking met de EDA een eerste reflectie over een Europees industriebeleid op het gebied van veiligheid en defensie te starten; |
|
51. |
spoort de deelnemende lidstaten ertoe aan hun deelname aan het EDA te beschouwen als een permanente inzet en het agentschap de nodige economische en personeelsmiddelen ter beschikking te stellen; verzoekt de uitgaven voor operationele projecten en studies te verhogen (tot dusver gemiddeld 25 % van de begroting) in het ongunstige geval dat er gedurende en lange periode nieuwe veto's worden uitgesproken over de verhoging van de begroting; |
|
52. |
roept landen op die meedoen aan EDA om een bijdrage aan het werk en de initiatieven die door de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger in haar hoedanigheid van hoofd van het Agentschap worden voorgesteld, te leveren en moedigt de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger aan om procedures te waarborgen om de capaciteit van de deelnemende lidstaten om verantwoordelijkheid als besluitvormers op te nemen, te verbeteren die in overeenstemming zijn met het intergouvernementele karakter van het agentschap en de bepalingen van het Verdrag, met als bedoeling een politieke consensus tot stand te brengen; |
|
53. |
acht de vaststelling van EU-regelgeving, inclusief een algemeen normatief systeem voor de oprichting van, de registratie van, de verlening van een vergunning aan en het toezicht op particuliere militaire en beveiligingsondernemingen en de rapportage over schendingen van de toepasselijke wetgeving door deze ondernemingen – zowel intern als extern – nodig; |
|
54. |
verzoekt de Commissie en de Raad daarom passende acties te initiëren:
|
Externe en interne veiligheid
|
55. |
is van opvatting dat de interne en externe aspecten van EU-veiligheid zouden moeten worden benaderd als elkaar aanvullende elementen van dezelfde strategie, zoals de Europese Raad heeft duidelijk gemaakt tijdens zijn bijeenkomst in Tampere (1999), in Feira (2000) en in Stockholm (2010), toen de doelstellingen werden aangenomen van de Europese ruimte voor vrijheid, veiligheid en recht voor de periode 2010-2014; benadrukt het feit dat kernwaarden en -normen als de mensenrechten, de fundamentele rechten en vrijheden en het humanitaire recht in geen geval in het kader van de strijd tegen het internationale terrorisme mogen worden opgeofferd en dat een van de conclusies van de Tijdelijke Commissie verondersteld gebruik door de CIA van Europese landen voor het vervoer en illegaal vasthouden van gevangenen van het Europees Parlement is dat meer parlementaire controle van het nationale en EU-beleid en de nationale en EU-maatregelen op het gebied van terrorismebestrijding nodig is; |
|
56. |
stelt vast dat het de afgelopen jaren, in het bijzonder na de aanslagen van 11 september, steeds duidelijker is geworden dat vele internationale bedreigingen zoals terrorisme, de verspreiding van massavernietigingswapens, georganiseerde misdaad, cybercriminaliteit, drugs en mensensmokkel niet kunnen worden bestreden zonder gecoördineerde actie in het kader van een "extern" veiligheidsbeleid en "interne" wettelijke maatregelen en beleidsmaatregelen en hulpmiddelen, zoals reeds in het eerste Actieplan van de Europese Unie ter bestrijding van het terrorisme (2001) en de Strategie van de Europese Unie voor terrorismebestrijding (2005) is aangegeven; herinnert eraan dat er in het verslag van de Raad van 2008 over de uitvoering van de Europese veiligheidsstrategie op wordt gewezen dat mislukte staten gevolgen hebben voor de Europese veiligheid, zoals geïllustreerd wordt door het geval-Somalië; |
|
57. |
erkent dat het verband tussen extern en intern veiligheidsbeleid steeds duidelijker is geworden in de lidstaten en ook, en het bijzonder, in derde landen zoals de VS, waar het ministerie van Binnenlandse Veiligheid, opgericht in 2003 door de samenvoeging van 22 federale agentschappen, nu meer dan 200 000 ambtenaren in dienst heeft en een budget heeft van meer dan 40 miljard dollar per jaar; is van mening dat het geen verbazing zal wekken dat de voornaamste taken van het ministerie van Binnenlandse Veiligheid voor een deel samenvallen met de taken die de EU heeft gekoppeld aan het scheppen van een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht (bescherming van buitengrenzen, migratie, terrorismebestrijding); |
|
58. |
is verheugd over het feit dat uit sleutelbepalingen in het Verdrag van Lissabon blijkt dat de EU zich aanpast aan deze context, en dat de synergieën tussen externe en interne veiligheid moeten worden benut, waaronder:
|
|
59. |
is van opvatting dat de Europese veiligheidsstrategie (2003) en de interne veiligheidsstrategie (2010) verschillende gemeenschappelijke aandachtsgebieden zoals terrorisme, georganiseerde misdaad en cyberveiligheid, die van invloed zijn op zowel de Europese als de binnenlandse veiligheid, op een coherente wijze benaderen; deelt daarmee de door de Commissie ontwikkelde en in haar Mededeling "De EU-interneveiligheidsstrategie in actie: vijf stappen voor een veiliger Europa" geformuleerde opvatting dat het noodzakelijk is om de manier waarop wij interne en externe aspecten samenbrengen te verbeteren (2010) (COM(2010)0673); |
|
60. |
is van opvatting dat externe en interne veiligheidsdoelstellingen elkaar aanvullen en dat dit wordt bekrachtigd door het feit dat:
|
|
61. |
is van mening dat alle initiatieven die hierboven zijn genoemd daarom alleen kunnen worden opgestart als er sprake is van een gedegen wettelijke basis en als ze vergezeld gaan van wetgevingsmaatregelen die kunnen worden aangenomen op grond van de gewone bevoegdheid van de EU waarbij beslist wordt met een gekwalificeerde meerderheid in de Raad, het Europees Parlement de functie heeft van medebeslisser en, ten slotte maar daarom niet minder belangrijk, het Hof van Justitie een rechterlijke controle uitvoert; |
|
62. |
is van mening dat het in de rede ligt dat, wanneer eenzelfde dreiging de inzet van zowel externe als interne veiligheidsmaatregelen eist, de EU prioriteit geeft aan de meest efficiënte, wettelijk onderbouwde, maatregelen die beschikbaar zijn en dat dat maatregelen zijn die voortkomen uit de bevoegdheid inzake interne aangelegenheden; is van mening dat de rol van het Parlement ook beslissend moet zijn voor de hieraan gekoppelde specifieke strategieën en maatregelen van het GBVB; |
|
63. |
herinnert de Raad en de VV/HV eraan dat zij verplicht zijn het Parlement op de hoogte te houden over de stand van zaken in de externe betrekkingen en in het bijzonder de betrekkingen met derde landen en internationale organisaties waarmee internationale overeenkomsten worden voorbereid en gesloten die in het belang zijn van de Europese Unie; herinnert de Raad eraan dat het Europees Parlement krachtens artikel 218, lid 6 VWEU moet worden geïnformeerd en betrokken bij het onderhandelen over en sluiten van overeenkomsten betreffende de uitwisseling van vertrouwelijke gegevens met derde landen en internationale organisaties, als deze niet uitsluitend onder het GBVB vallen; behoudt zich om dezelfde reden het recht voor te beoordelen of de overeenkomst tussen de lidstaten van de Europese Unie, die binnen de Raad bijeenkomen, inzake de bescherming van geclassificeerde informatie die in het belang van de EU wordt uitgewisseld geen afbreuk doet aan de prerogatieven die het Verdrag hem toekent; |
Veiligheid door middel van operaties
|
64. |
is tevreden met het feit dat de EU sinds 2003 talrijke operaties (24) heeft ondernomen op drie continenten en met diverse interventietypologieën, waarbij het overwegend ging om civiele missies die gespecialiseerd waren in politie, hervorming van de veiligheidssector (SSR) en versterking van de rechtstaat; merkt op dat van de 24 tot dusver uitgevoerde GVDB-missies er 16 een civiel karakter hadden; |
|
65. |
merkt op dat deze tendens bevestigd wordt door het profiel van de dertien missies die momenteel gaande zijn en dat deze missies, afgezien van deze classificatie, steeds vaker "multifunctioneel" moeten zijn, zoals het geval is met EULEX Kosovo die meerdere functies combineert (politie, douane, rechtsstelsels) en zich daarbij moet kwijten van taken als training, monitoring en bijstand maar ook van uitvoerende taken, of zoals het geval is met de meer recente missie EUTM Somalië, die in Oeganda is gesitueerd en zich toelegt op militaire training van de veiligheidskrachten van de federale overgangsregering en die een voorbeeld is van de versterkte beklemtoning van SSR-gerelateerde taken in militaire crisisbeheersing; |
|
66. |
is verheugd over de huidige herziening van de bestaande civiele GVDB-concepten: neemt in het bijzonder kennis van het feit dat de rechtsstaat zal worden gezien als een centraal concept voor civiele missies waaronder politie, justitie, civiele administratie, douane, grensbewaking en andere relevante sectoren vallen, waarvan de planners en deskundigen ter plekke kunnen profiteren bij de opzet en uitvoering van missies en de versterking en/of vervanging van (uitvoerende) taken; hecht zijn goedkeuring aan de lopende werkzaamheden voor de ontwikkeling van het concept van justitiële GVDB-missies en herinnert tegelijkertijd aan de noodzaak onnodige overlappingen met eventuele communautaire programma te vermijden; vraagt in verband hiermee dat de HV/VV het Europees Parlement snel gedetailleerde informatie verstrekt over het beroep dat in het kader van GVDB- en GBVB-missies wordt gedaan op particuliere militaire en beveiligingsondernemingen, met een specificering van de professionele vereisten en de bedrijfsnormen waaraan de contractanten moeten voldoen, de toepasselijke regelingen en wettelijke aansprakelijkheden en verplichtingen, de controlemechanismen, de beoordeling van de doeltreffendheid en de gemaakte kosten; |
|
67. |
erkent eveneens dat het Verdrag van Lissabon voorziet in de uitbreiding van de Petersberg-achtige missies, die feitelijk reeds gaande was tijdens de aan de inwerkingtreding van het Verdrag voorafgaande jaren en die tot innovatie en een versterkt en met de werkelijkheid strokend politiek-juridisch kader heeft geleid; |
|
68. |
beveelt nu vastberaden aan munt te slaan uit de opgedane ervaringen en de missies nieuw elan te geven (de EUTM-missie in Somalië was de enige nieuwe missie van de afgelopen twee jaar), omdat missies de proefbank zijn voor het GVDB-mandaat en een belangrijke test vormen voor de geloofwaardigheid van de Unie als internationale speler; |
|
69. |
onderstreept de urgentie van concrete vorderingen bij diverse technische, juridische, operationele, maar vooral ook politiek-strategische aspecten; beveelt in het bijzonder aan om elke missie op te nemen in een duidelijke beleidsstrategie (op middellange en lange termijn) en onderstreept het feit dat geen missies mogen worden uitgevoerd als substituut voor beleid; is van mening dat die band essentieel is voor het operationeel welslagen van de interventie en meer in het algemeen voor het doorbreken van de vicieuze cirkel waarin het GVDB de plaats neigt in te nemen van het GBVB, in plaats van daarvan een instrument te zijn, met alle daaruit voortvloeiende incongruenties; |
|
70. |
wijst er met bezorgdheid op dat deze koppeling aan een duidelijke beleidsstrategie tot nu toe ontbrak en in de meeste gevallen nog steeds ontbreekt, waardoor de doeltreffendheid en de efficiëntie van de missies negatief worden beïnvloed, bijvoorbeeld:
|
|
71. |
is verheugd over het besluit van de Raad om operatie EUFOR Libië uit te voeren ter ondersteuning van humanitaire-hulpoperaties, als hierom door het VN-Bureau voor de Coördinatie van Humanitaire Aangelegenheden wordt verzocht; roept de Raad op onverwijld humanitaire hulp aan Misrata en andere dichtbevolkte gebieden te verlenen, met name via zee; is ernstig bezorgd over het toenemende aantal slachtoffers van het conflict in Libië en het gerapporteerde gebruik van clustermunitie en andere wapens door het regime van Kadhafi tegen de burgerbevolking; betreurt ten zeerste het feit dat het mandaat van EUFOR beperkt is gebleven tot humanitaire aspecten, hoewel er voldoende reden bestond om de EU het voortouw te laten nemen bij de maritieme controle (handhaving van het embargo en assistentie aan Frontex) en bij humanitaire hulp aan en bescherming van de burgers van Libië; herinnert in verband hiermee aan zijn resolutie van 10 maart 2011, waar het de HV/VV verzocht de mogelijkheid te onderzoeken het embargo te bekrachtigen door gebruik te maken van luchtmacht- en marinefaciliteiten van het GVDB; betreurt het besluit van sommige lidstaten om tegen een ruimer mandaat voor EUFOR Libië hun veto te stellen en tegelijk soortgelijke operaties uit te voeren in hun eentje; vraagt dat een begin wordt gemaakt met de planning van een eventuele GVDB-operatie in Libië op middellange tot lange termijn op het gebied van de hervorming van de veiligheidssector, institutionele opbouw en grensbeheer; |
|
72. |
dringt aan op een betere coördinatie ter plaatse, waarvoor de rol van delegatiehoofden (die nu ambtenaren zijn van de EDEO en niet meer van de Commissie) en de speciale vertegenwoordigers van de EU essentieel is; meent dat een dergelijke coördinatie op diverse niveaus moet worden verricht, en in het bijzonder:
|
|
73. |
beveelt een herziening van het Athenamechanisme aan, zodat het aandeel gemeenschappelijke kosten (die momenteel op ongeveer 10 procent worden geschat) wordt gerationaliseerd en verhoogd, met het oog op een billijkere verdeling van de lasten van militaire operaties, die de economische verantwoordelijkheid van de missiedeelnemers, die reeds een zware verantwoordelijkheid qua risico's en kosten dragen, in de huidige situatie nog verder vergroten; |
|
74. |
juicht het resultaat toe dat is bereikt in het kader van het akkoord van Madrid over de oprichting van de EDEO waarmee voor de belangrijkste GVDB-missies (EULEX Kosovo, EUPOL Afghanistan, EUMM Georgië) specifieke begrotingslijnen in het leven werden geroepen om meer transparantie en een sterkere parlementaire controle op de uitgaven te kunnen verzekeren; benadrukt het feit dat één begrotingslijn moet worden bestemd voor elke GVDB-missie; bevestigt zijn wil om met het nieuwe permanente voorzitterschap van het PVC samen te werken voor een beter en effectiever verloop van de gezamenlijke overlegvergaderingen over het GBVB overeenkomstig de verklaring van de hoge vertegenwoordiger over politieke rekenschap en verantwoording waarover in Madrid overeenstemming werd bereikt; is geïnteresseerd om te leren van het Amerikaanse Congres en andere nationale parlementen, wat procedures en methoden betreft om beleidsmaatregelen op het gebied van veiligheid en defensie te controleren; |
|
75. |
dringt aan op de in het Verdrag van Lissabon voorziene oprichting van een startfonds voor voorbereidende acties in de aanloop naar militaire operaties, teneinde de terbeschikkingstelling van financiële middelen te versnellen in het kader van de voorgestelde herziening van het Athenamechanisme; |
|
76. |
beveelt maatregelen aan om de moeilijkheden te overwinnen bij het vinden van professionals voor de civiele missies (zoals voor de EULEX-missie in Kosovo en de EUPOL-missie in Afghanistan), die de meest gebruikte vorm van interventie zijn gebleken, en met het oog op snelle inzetbaarheid en duurzaamheid; |
|
77. |
beveelt aan om in het kader van gendermainstreaming overeenkomstig UNSCR 1325 en met het oog op een grotere effectiviteit van de civiele en militaire missies het vrouwelijk personeel op adequate wijze en op elk niveau bij crisisbeheersing te betrekken; benadrukt het feit dat vrouwen moeten worden opgenomen op hoge posten waar beslissingen worden genomen, dat geregeld overleg moet worden gepleegd met de civiele maatschappij, inclusief vrouwenorganisaties, en dat de capaciteit om aan genderkwesties te werken binnen missies moet worden vergroot; verzoekt om de instelling van een passende openbare klachtenprocedure in de context van GVDB-missies, die vooral moet helpen bij het melden van seksueel en gendergerelateerd geweld; verzoekt de VV/HV een gedetailleerd verslag over vrouwen, vrede en veiligheid op te nemen in de halfjaarlijkse evaluatie van GVDB-missies; wijst erop dat het belangrijk is dat de EU meer vrouwelijke politieagenten en vrouwelijke soldaten inzet bij GVDB-missies, in welk verband het contingent vrouwelijke politieambtenaren in de VN-vredesmacht in Liberia als voorbeeld kan dienen; |
|
78. |
vraagt de VV/HV de nodige maatregelen te nemen voor een optimaal eventueel gebruik van de Europese hulpbronnen en capaciteiten voor civiele missies en wijst met bezorgdheid op de hoge kosten van de maatregelen voor de veiligheid van de EUJUST LEX-missie in Irak en de EUPOL-missie in Afghanistan die zijn toevertrouwd aan particuliere beveiligingsondernemingen; |
|
79. |
bevestigt de noodzaak om robuustere, formele, geïnstitutionaliseerde mechanismen tot stand te brengen die – op gezette tijden en aan de hand van gedeelde criteria – het verloop van de missies ter plaatse evalueren; meent dat het aldus mogelijk zal worden om de in politiek, strategisch, technisch, juridisch en operationeel opzicht opgedane ervaring te benutten en op langere termijn een basis te leggen voor het verbeteren van de lopende interventies en criteria op te stellen en toe te passen op opkomende crises, waarbij strategische belangen en beschikbare hulpbronnen op een zo goed mogelijk manier met elkaar in evenwicht worden gebracht; |
Veiligheid in partnerschap
|
80. |
stelt dat de multipolaire ontwikkeling van het internationaal bestel en de opstelling van strategische partnerschappen moeten plaatsvinden binnen een actief engagement voor de bevordering van het multilateralisme, dat de dimensie is die het beste strookt met de universele eerbiediging van de rechtsstaat, de bijzondere aard van de EU en met de toenemende onderlinge afhankelijkheid die het globaliseringsproces kenmerkt; |
|
81. |
herhaalt dat de EU de bepalingen en beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties volledig onderschrijft en erkent dat de primaire verantwoordelijkheid voor het bewaren van de vrede en veiligheid in de wereld bij de VN-Veiligheidsraad ligt; |
|
82. |
herinnert eraan dat het Verdrag van Lissabon de Unie verplicht om voor multilaterale oplossingen te ijveren, met name binnen de Verenigde Naties, en dat het internationaal optreden van de Unie in het teken moet staan van de beginselen van haar Handvest, het internationale recht en de beginselen en waarden van de EU; |
|
83. |
onderkent dat, uit juridisch oogpunt, het Verdrag van Lissabon de aanvankelijke splitsing van beleid tussen de Unie en de Gemeenschap heeft ondervangen door de introductie van een nieuwe rechtspersoon en het versterken van de autonomie van de EU-rechtsorde ten opzichte van internationaal recht, ook wanneer de internationale veiligheid in het geding is, zoals al is gebleken uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie in de Kadi-zaak (volgens welke jurisprudentie "internationaal recht slechts invloed heeft op de EU-rechtsorde als beantwoord is aan de voorwaarden die voortkomen uit de constitutionele beginselen van de Europese Gemeenschap"); |
|
84. |
verzoekt de lidstaten die lid zijn van de VN-Veiligheidsraad om de gemeenschappelijke standpunten en belangen van de EU te verdedigen en om toe te werken naar een hervorming van de VN waardoor de EU als zodanig haar eigen permanente zetel zou kunnen hebben; |
|
85. |
benadrukt de noodzaak van intensievere samenwerking tussen de EU en de VN op het gebied van crisisbeheersing, met name in de eerste fasen van een crisis en de wederopbouw na een conflict, in nauw verband met de gepaste structuren van de nieuw opgerichte Europese dienst voor extern optreden (EDEO); |
|
86. |
verzoekt de lidstaten de nodige stappen te ondernemen om de effectieve deelname van de EU aan de zittingen van de Algemene Vergadering van de VN te vereenvoudigen; |
|
87. |
erkent dat de NAVO het fundament is van de collectieve defensie van de lidstaten die er deel van uitmaken en de invloed ervan verder reikt dan deze lidstaten; herinnert aan het belang van een goede samenwerking tussen de Unie en de NAVO, in het bijzonder wanneer de twee organisaties op dezelfde strijdtonelen actief zijn; kijkt uit naar de voorstellen van de hoge vertegenwoordiger waarom deze is verzocht in de conclusies van de Europese Raad van september 2010 met betrekking tot de samenwerking tussen de EU en de NAVO op het gebied van crisisbeheer; |
|
88. |
s verheugd over de overeenkomst die is opgenomen in het nieuwe strategische concept van de NAVO over de verdere versterking van het strategische partnerschap tussen de EU en de NAVO; bevestigt nogmaals dat de meeste van de gevaren die in het nieuwe strategische concept worden geïdentificeerd, worden gedeeld door de EU en benadrukt het feit dat het belangrijk is de samenwerking tussen de EU en de NAVO op het gebied van crisisbeheersing te intensiveren, in een geest van wederzijdse versterking en met eerbiediging van de autonomie zowel van de NAVO als van de EU bij het nemen van besluiten; vestigt de aandacht op de noodzakelijkheid van het vermijden van nodeloze verdubbeling van inzet en middelen en nodigt de EU en de NAVO uit hun samenwerking te verdiepen, elk met de haar ter beschikking staande middelen, in de context van een alomvattende benadering van crises waar zowel de EU als de NAVO bij betrokken zijn; dringt er bij de NAVO op aan de ontwikkeling van een civiele capaciteit strikt te beperken, om overlapping te voorkomen; |
|
89. |
onderstreept het fundamentele belang van het Afrikaanse continent voor de veiligheid van de Unie, voor het handhaven van de vrede en het voorkomen van conflicten; steunt een nauwe samenwerking tussen de EU en de Afrikaanse Unie in het kader van het partnerschap voor vrede en veiligheid dat is verbonden met de gezamenlijke strategie EU-Afrika; moedigt een grotere betrokkenheid en verantwoordelijkheid van de Afrikaanse Unie aan, met name bij crisisbeheersing, en bevestigt de noodzaak dat de Commissie en de lidstaten zich met concrete maatregelen inzetten voor de bestrijding van de handel in en de verspreiding van lichte wapens en handvuurwapens; steunt de in de Verklaring van Tripoli gedane toezegging om de Afrikaanse vredes- en veiligheidsarchitectuur volledig operationeel te maken; |
|
90. |
beveelt in het bijzonder aan de Afrikaanse capaciteit op het gebied van vroegtijdige waarschuwing en conflictpreventie te ontwikkelen, het "panel van wijzen" in een positie te plaatsen waar het effectiever kan bemiddelen en manieren te onderzoeken om ervoor te zorgen dat gevolg aan de aanbevelingen uit het verslag-Prodi over de financiering van Afrikaanse vredeshandhavingsoperaties wordt gegeven; moedigt de ontwikkeling van samenwerkingsbetrekkingen en de versterking van de capaciteiten van de Afrikaanse subregionale organisaties aan; |
|
91. |
herinnert eraan dat, ter aanvulling op partnerschappen met andere internationale organisaties zoals de VN, NAVO en de AU, samenwerking met afzonderlijke derde landen moet worden verbeterd in de context van het GVDB; Ervaring leert dat derde landen een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan GVDB-missies in de vorm van middelen, mensen en deskundigheid, zoals het geval bij de EUFOR-missie in Tsjaad/Centraal Afrikaanse Republiek, waarbij Rusland voorzag in de dringend gewenste helikopters, en bij EUFOR Althea, waaraan landen als Turkije en Marokko een substantiële hoeveelheid manschappen hebben bijgedragen. is bovendien van mening dat de betrokkenheid van derde landen de legitimiteit van GVDB-operaties kan vergroten en van dienst kan zijn bij de opzet van een bredere veiligheidsdialoog met belangrijke partners, terwijl het engagement voor de bevordering van de eerbiediging van de mensenrechten en de rechtsstaat blijft; |
|
92. |
merkt op dat een dergelijke dialoog zou moeten gaan over de respectieve dreigingsbeoordeling en, waar relevant, over de deelname van derde landen aan EU-oefeningen en trainingsactiviteiten, en overal moet leiden tot een sterkere wederzijdse betrokkenheid; is van mening dat procedurele obstakels zouden moeten worden weggenomen teneinde de samenwerking met derde landen te faciliteren en tijdverlies als gevolg van onderhandelingen over elke specifieke bijdrage te voorkomen; is van oordeel dat kaderovereenkomsten en standaardprocedures met dit doel met bepaalde derde landen zouden kunnen worden opgezet om de bijdrage van die landen te faciliteren; |
|
93. |
onderstreept het feit dat het belangrijk is met betrekking tot het GVDB samen te werken met de buren van de EU en is van mening dat bij deze samenwerking een regionaal evenwicht in acht moet worden genomen, dat er een ruime waaier van mogelijkheden mee moet worden geboden die als katalysator voor hervormingen van de veiligheidssector in de partnerlanden kunnen fungeren en dat deze samenwerking niet alleen zal bijdragen tot het genereren van civiele en militaire capaciteit, zodat de oostelijke en zuidelijke partners van de EU aan GVDB-missies kunnen deelnemen, maar ook zal resulteren in meer hulp voor de EU bij het beheer van de regionale veiligheid; |
*
* *
|
94. |
verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Europese Raad, de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger, de Raad, de Commissie, de parlementen van de lidstaten, de Parlementaire Vergadering van de NAVO, de Secretaris-generaal van de VN en de Secretaris-generaal van de NAVO. |
(1) PB L 201 van 3.8.2010, blz. 30.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0419.
(3) PB C 349E van 22.12.2010, blz. 63.