|
7.7.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 199/37 |
Dinsdag 8 maart 2011
Samenwerking met ontwikkelingslanden met het oog op goed bestuur in belastingaangelegenheden
P7_TA(2011)0082
Resolutie van het Europees Parlement van 8 maart 2011 over belastingen en ontwikkeling – samenwerking met ontwikkelingslanden met het oog op goed bestuur in belastingaangelegenheden (2010/2102(INI))
2012/C 199 E/05
Het Europees Parlement,
|
— |
onder verwijzing naar zijn resolutie van 10 februari 2010 over de bevordering van goed bestuur in belastingzaken (1), |
|
— |
gezien de mededeling van de Commissie over belastingen en ontwikkeling – Samenwerking met ontwikkelingslanden met het oog op goed bestuur in belastingaangelegenheden (COM(2010)0163), |
|
— |
onder verwijzing naar zijn resolutie van 25 maart 2010 over de gevolgen van de mondiale financiële en economische crisis voor de ontwikkelingslanden en de ontwikkelingssamenwerking (2), gezien de verklaring van Monterrey (2002), de Conferentie van Doha over ontwikkelingsfinanciering (2008), de verklaring van Parijs (2005) en de Agenda voor actie van Accra (2008), waarbij kapitaalvlucht en illegale geldstromen expliciet werden aangewezen als belangrijk obstakel voor de inzet van binnenlandse ontvangsten voor ontwikkeling, |
|
— |
onder verwijzing naar zijn resolutie van 15 juni 2010 over de vorderingen bij de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling: tussentijdse herziening ter voorbereiding op de VN-bijeenkomst op hoog niveau in september 2010 (3), |
|
— |
gezien de topontmoeting van de G20 die op 11 en 12 november 2010 is gehouden in Seoul en gezien het initiatief voor het versterken van de internationale samenwerking met ontwikkelingslanden ter bestrijding van belastingontduiking, gelanceerd door het Duitse Ministerie van Economische Samenwerking en Ontwikkeling, bekend onder de naam „Internationaal Belastingverbond” (ITC), |
|
— |
gezien de conclusies van de Internationale Conferentie over belastingen te Pretoria op 29 augustus 2008, |
|
— |
gezien de conclusies van de G20-Top in Londen van 2 en 3 april 2009, |
|
— |
gezien de verklaring van regeringsleiders na de G20-Top in Pittsburg op 24 en 25 september 2009 en onder verwijzing naar zijn resolutie ter zake van 8 oktober 2009 (4), |
|
— |
onder verwijzing naar zijn resolutie van 24 april 2009 over de op 2 april 2009 in Londen gehouden G20-top (5), |
|
— |
onder verwijzing naar zijn resolutie van 14 november 2007 over de ontwerpverordening van de Commissie tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1725/2003 tot goedkeuring van bepaalde internationale standaarden voor jaarrekeningen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad inzake internationale norm voor jaarrekeningen (IFRS) nr. 8 betreffende informatieverschaffing over operationele segmenten (6), |
|
— |
gezien het verslag van een commissie van de Noorse regering over belastingparadijzen en ontwikkeling van juni 2009, |
|
— |
gelet op artikel 48 van zijn Reglement, |
|
— |
gezien het verslag van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de adviezen van de Commissie economische en monetaire zaken en de Commissie internationale handel (A7-0027/2011), |
|
A. |
overwegende dat de versterking van het belastingstelsel een van de belangrijkste uitdagingen is waar ontwikkelingslanden voor komen te staan bij het streven naar het bereiken van de MOD, |
|
B. |
overwegende dat belastingen een betrouwbare en duurzame bron van ontwikkelingsfinanciering kunnen zijn als er sprake is van een progressief belastingstelsel, een doeltreffende en efficiënte belastingadministratie ter bevordering van de belastingdiscipline en een transparant en verantwoord gebruik van overheidsinkomsten, |
|
C. |
overwegende dat ontwikkelingslanden te maken hebben met grote problemen op het gebied van het verhogen van de belastinginkomsten, vanwege onvoldoende personeel en financiën voor de inning van belastingen, een gebrekkige administratieve capaciteit, corruptie, het ontbreken van legitimiteit van het politieke stelsel, een ongelijke verdeling van inkomsten en een slecht belastingbeheer, |
|
D. |
overwegende dat de belangrijkste vormen van illegale kapitaalstromen met name omvatten: manipulatie van handelsprijzen tussen landen om DBI aan te trekken, round tripping (overstappen van de ene belegging in de andere, tot vergroting van de liquiditeit of het behalen van rentewinst), dubbele aftrek, verplaatsing van grote sommen aan contanten, ondoorzichtige en onvoordelige investeringsprotocollen en smokkel, |
|
E. |
overwegende dat de hoeveelheid kapitaal die jaarlijks illegaal via off-shore centra en belastingparadijzen kan worden weggesluisd wordt becijferd op 1 biljoen USD; overwegende dat deze illegale geldstromen ongeveer tien keer zo groot zijn als het bedrag dat naar ontwikkelingslanden gaat ten behoeve van armoedebestrijding en economische ontwikkeling, |
|
F. |
overwegende dat belastingparadijzen die geheimhoudingsregels en fictieve vestigingsplaatsen bieden in combinatie met belastingvrijdom, teneinde kapitaal en inkomsten aan te trekken waar in andere landen belasting op had moeten worden geheven, zorgen voor schadelijke fiscale concurrentie, |
|
G. |
overwegende dat fiscale concurrentie heeft geleid tot een verschuiving van de belastingdruk naar werknemers en huishoudens met een laag inkomen en tot schadelijke besparingen bij overheidsdiensten in arme landen, |
|
H. |
overwegende dat belastingfraude in ontwikkelingslanden tot een jaarlijks verlies aan belastinginkomsten leidt dat overeenkomt met tien maal het bedrag van de ontwikkelingshulp uit ontwikkelde landen, |
|
I. |
overwegende dat de mogelijkheid meer binnenlandse middelen vrij te maken verder wordt aangetast door het algemene klimaat van liberalisering van internationale markten, die tot gevolg hebben dat douane-inkomsten worden vervangen door andere binnenlandse inkomsten; overwegende dat uit onderzoek van het IMF blijkt dat rijke landen de vermindering van de handelsheffingen als belangrijke bron van ontvangsten hebben kunnen compenseren met andere bronnen, met name BTW, maar dat de armste landen maximaal 30 % van de verloren handelsheffingen hebben kunnen compenseren (7), |
|
J. |
overwegende dat de „Mapping Survey” van het ITC uitwijst dat verdere coördinatie tussen donoren op het gebied van belastingheffing en ontwikkeling noodzakelijk is, |
|
K. |
overwegende dat het bestaan van een grote informele sector in de economie een rem vormt op de inzet van binnenlandse financiële middelen, |
|
L. |
overwegende dat een groot aantal ontwikkelingslanden niet meeprofiteert van de sterke stijging van de grondstoffenprijzen, doordat zij het hen toekomende redelijke deel van de opbrengsten van mijnbouwproducten mislopen, |
|
M. |
overwegende dat veel ontwikkelingslanden niet eens het minimum belastingniveau bereiken dat nodig is om overheidsdiensten en internationale verplichtingen zoals armoedevermindering te financieren, |
|
N. |
overwegende dat belastingen een bron van ontvangsten vormen die stabieler en duurzamer kan zijn dan buitenlandse steun en de eigen verantwoordelijkheid van de betreffende landen beter kan stimuleren, |
|
O. |
overwegende dat verslaglegging op geconsolideerde grondslag het vaak moeilijk maakt te bepalen welke bedrijven belasting moeten betalen en wat het juiste niveau van de belasting moet zijn, vanwege hun complexe bedrijfsstructuur en de onderlinge verdeling van economische activiteiten, |
|
P. |
overwegende dat zogeheten „aasgierfondsen”, vaak gevestigd in belastingparadijzen, steeds vaker de schulden van ontwikkelingslanden opkopen tegen flinke kortingen, en vervolgens het originele bedrag aan schuld opeisen (vaak met rente en boetes), waardoor zij in hoge mate de ruimte beperken waarbinnen ontwikkelingslanden kunnen optreden dankzij hun aanvullende belastinginkomsten, |
|
Q. |
overwegende dat er geen wetten bestaan voor het opleggen van beperkingen aan de hoogte van de winsten die een aasgierfonds kan boeken door het aanklagen van ontwikkelingslanden met het oog op inning van onbetaalde schulden en overwegende dat er geen regelgevende structuren bestaan om duidelijk te maken wie de aasgierfondsen zijn en hoeveel ze hebben betaald voor een schuld die in een eerder stadium werd beschouwd als waardeloos, |
|
R. |
overwegende dat veel ontwikkelingslanden verschillende niveaus van vennootschapsbelasting hanteren, niet alleen op basis van inkomen en dividend, maar ook op basis van zakelijke sector, wat inhoudt dat de sectorale toewijzing van middelen wordt verstoord door de uiteenlopende belastingtarieven, |
|
S. |
overwegende dat belastingdiscipline moet worden omschreven als het streven naar belastingafdracht op juiste plek en op het juiste moment, waarbij „juist” betekent dat de economische inhoud van de verrichte transactie samenvalt met de plaats en vorm waarin deze wordt aangemeld voor belastingdoeleinden, |
Het belang van belastingheffing voor het bereiken van de MOD
|
1. |
is het met de Commissie eens dat doeltreffende en eerlijke belastingstelsels cruciaal zijn voor armoedebestrijding, goed bestuur en staatsvorming; |
|
2. |
spreekt zijn waardering uit voor het initiatief van de Commissie het vermogen tot goed bestuur op belastinggebied ten bate van de ontwikkeling op te voeren en beseft dat er een regelgevend kader nodig is ter ondersteuning van de internationale samenwerking op belastinggebied, transparantie, ontwikkeling van de publieke en de particuliere sector en economische groei; |
|
3. |
benadrukt dat de verhouding tussen belastingopbrengsten en BBP in ontwikkelingslanden tussen 10 en 20 % ligt, terwijl dat in de ontwikkelde landen tussen 25 en 40 % is; betreurt dat de donoren tot nu toe zeer weinig hebben gedaan op het gebied van steun op belastinggebied; verwelkomt in dit verband het voorstel van de Commissie om meer steun te bieden om ontwikkelingslanden te helpen bij belastinghervormingen en het versterken van de belastingautoriteiten door middel van het EOF voor ACS-landen, het Instrument voor ontwikkelingssamenwerking en het Europees Nabuurschaps- en partnerschapsinstrument, alsmede steun voor nationale toezichthoudende instanties, parlementen en niet-statelijke actoren; |
|
4. |
wijst erop dat meer nadruk gelegd moet worden op inspanningen op het gebied van capaciteitsopbouw in ontwikkelingslanden om hen te helpen effectiever gebruik te maken van de uitwisseling van informatie en op doeltreffende wijze belastingontduiking tegen te gaan met behulp van hun eigen binnenlandse wetgeving; |
Problemen van de ontwikkelingslanden met het verhogen van de belastinginkomsten
|
5. |
stelt met bezorgdheid vast dat de belastingstelsels in veel arme landen gekenmerkt worden door een zeer smalle belastingbasis, belastingvrijstelling voor de elite, vrijstellingen van vennootschapsbelasting, hetgeen een sterke stimulans vormt voor belastingontduiking, aangezien ondernemingen die belasting moeten afdragen economische verbintenissen kunnen aangaan met ondernemingen die een vrijstelling genieten en daar hun winsten naar kunnen overboeken, omvangrijke inkomsten van natuurlijke hulpbronnen die niet worden gemeld, en omvangrijke illegale geldstromen in verband met massale belastingontduiking; |
|
6. |
onderstreept dat belastingontvangsten niet als alternatief voor buitenlandse hulp dienen te worden beschouwd, maar veeleer als integraal onderdeel van de overheidsinkomsten, die de ontwikkeling van die landen mogelijk maken; |
|
7. |
wijst erop dat doelmatige, progressieve en rechtvaardige belastingstelsels van essentiële betekenis zijn voor de ontwikkeling, aangezien zij bijdragen tot financiering van de beschikbaarstelling van collectieve voorzieningen, staatsvorming en behoorlijk bestuur, dat arme landen ernaar moeten streven hun afhankelijkheid van buitenlandse hulp om te zetten in onafhankelijkheid op basis van belastingheffing en dat belastingfraude en -ontduiking de verwezenlijking van deze ontwikkelingsdoelen echter belemmeren; |
|
8. |
betreurt dat belastingparadijzen het democratisch bestuur verzwakken, economische criminaliteit aantrekkelijker maken, speculatie aanmoedigen en de ongelijke verdeling van belastinginkomsten vergroten; dringt er bij de EU op aan de bestrijding van belastingparadijzen en corruptie als topprioriteit op de agenda te plaatsen van internationale financierings- en ontwikkelingsinstellingen; |
|
9. |
wijst erop dat belastingontduiking een aanzienlijk financieel verlies voor de ontwikkelingslanden inhoudt, en dat de bestrijding van belastingparadijzen en belastingontduiking een van de prioriteiten van de EU is om de ontwikkelingslanden effectief te helpen over hun belastingontvangsten te kunnen beschikken; herinnert eraan dat op Europees en internationaal niveau passende maatregelen moeten worden genomen, overeenkomstig de toezeggingen van met name de G20; |
|
10. |
herinnert eraan dat de positieve gevolgen van de EPO pas op middellange tot lange termijn merkbaar zullen zijn, maar dat de verlaging van de douanetarieven onmiddellijk inkomstenverlies tot gevolg zal hebben; |
|
11. |
wijst erop dat er nog meer aandacht moet worden besteed aan de problemen waarop ontwikkelingslanden stuiten bij het vergaren van binnenlandse inkomsten in een geglobaliseerde omgeving, daar er, om investeringen aan te trekken, veelvuldig vrijstellingen worden verleend aan grote binnen- en buitenlandse ondernemingen; verzoekt de EU ontwikkelingslanden te helpen bij het invoeren van belastingstelsels waarmee zij kunnen profiteren van het proces van globalisering; |
|
12. |
benadrukt dat de armste landen problemen hebben met het compenseren van het teruglopen van handelsheffingen tengevolge van de huidige wereldwijde context van liberalisering van de handel, en deze te vervangen door andere soorten binnenlandse ontvangsten, daar hoogstens rond 30 % van hun gederfde inkomsten uit handelsheffingen is gecompenseerd; |
|
13. |
benadrukt dat belastingparadijzen, door de concurrentie op het gebied van mobiel kapitaal te verergeren, inbreuk maken op de soevereiniteit van ontwikkelingslanden om belasting te heffen op inkomsten uit kapitaal als middel om de belastingbasis te verbreden, terwijl ze al een smallere belastingbasis hebben dan de rijke landen; |
|
14. |
herinnert eraan dat de asymmetrische informatievoorziening tengevolge van de geheimhoudingsregels van belastingparadijzen een negatieve invloed heeft op de doeltreffendheid van internationale financiële markten, aangezien zij heeft geleid tot hogere risicopremies en daarmee tot hogere leenkosten voor zowel rijke als arme landen; |
|
15. |
is zich ervan bewust dat de kwalitatieve en kwantitatieve verbetering van de mobilisering van de nationale financiële middelen van de ontwikkelingslanden op de lange termijn zal renderen; verzoekt de Europese Unie de aangeboden bijstand in al zijn vormen te handhaven zolang de ontwikkelingslanden het nodig achten voor de financiering van hun eigen ontwikkeling; |
Steun voor doeltreffende, goed werkende, eerlijke en duurzame belastingstelsels
|
16. |
wijst er nogmaals op dat goed bestuur en hoogwaardige instellingen de belangrijkste aanjagers zijn van economische voorspoed; dringt er bij de Commissie op aan de belastingautoriteiten, de gerechtelijke macht en de organen voor corruptiebestrijding in ontwikkelingslanden te steunen bij de opbouw van progressieve en duurzame belastingstelsels die uiteindelijk een „bestuursdividend” zullen opleveren via een vergroting van de legitimiteit en de verantwoordingsplicht, en de beginselen van goed bestuur op fiscaal gebied op doeltreffende wijze te integreren in de programmering, uitvoering en controle van strategiedocumenten voor landen en regio's; verzoekt de lidstaten met klem hun toezeggingen inzake hun steun aan belasting ten uitvoer te leggen en de strijd aan te gaan tegen omkoperij door binnen hun rechtsgebied gevestigde ondernemingen die in ontwikkelingslanden actief zijn; spreekt de aanbeveling uit dat de Commissie de nationale parlementen van de ontwikkelingslanden betrekt bij het begrotingsproces, en aldus de harmonieuze betrekkingen bevordert en de transparantie van dit proces vergroot; |
|
17. |
herinnert eraan dat goed bestuur op fiscaal gebied niet kan worden geëxporteerd of van buiten kan worden opgelegd, en dat het ieder land vrij staat zijn fiscale beleid vast te stellen; verzoekt de Commissie en de nationale regeringen in dit verband niet dwars te liggen en met alle landen samen te werken die besluiten tot consequente en billijke belastingverhogingen die gevolgen hebben voor de buitenlandse bedrijven op hun grondgebied, met name op het gebied van de ontginning van de grondstoffen, een belangrijke rijkdom van de ontwikkelinglanden; |
|
18. |
verzoekt de Commissie in desbetreffende overeenkomsten van de EU met derde landen een clausule inzake fiscaal beleid op te nemen, met inbegrip van controle op de tenuitvoerlegging daarvan; |
|
19. |
herinnert eraan dat de verlaging van de douane-inkomsten tengevolge van met name de economische partnerschapsovereenkomsten met de Europese Unie negatieve gevolgen heeft voor de onmiddellijk beschikbare financiële middelen in de ontwikkelingslanden; dringt er in dit verband, en om deze verliezen te compenseren, bij de Commissie op aan de ontwikkelingslanden aan te moedigen, in het kader van een eventuele bijstand ter verbetering van de nationale belastingstelsels, voorrang te geven aan directe progressieve belastingen boven indirecte belastingheffingen op met name de consumptie, die de bevolkingsgroepen met lage inkomens uiteraard harder raken; |
|
20. |
dringt erop aan, in het kader van de economische partnerschapsovereenkomsten (EPO), stelselmatig maatregelen ter ondersteuning van belastinghervormingen uit te voeren, in de vorm van hulp op het gebied van materieel (computersystemen) en organisatie (juridische en belastingtechnische opleiding van het personeel van de belastingdiensten), indien hierom door een ontwikkelingsland wordt gevraagd; wijst erop dat er bijzondere maatregelen moeten worden genomen ten aanzien van Afrikaanse landen, die op belastinggebied nog steeds geen hulp op lange termijn ontvangen; |
|
21. |
bevestigt nogmaals dat er moet worden gezorgd voor meer samenhang tussen het ontwikkelings- en het handelsbeleid van de Europese Unie; wijst er nogmaals op dat de Europese Unie geheel, met inbegrip van de lidstaten, hoewel de crisis de instabiliteit van de grondstoffenprijzen wellicht scherper heeft doen uitkomen en de kapitaalstromen naar de ontwikkelingslanden wellicht heeft doen dalen, de grootste donor van ontwikkelingshulp blijft met 56 % van het wereldwijde totaal, namelijk 49 miljard EUR in 2009; wijst erin dit verband op dat ontwikkelingslanden voorrang zouden moeten geven aan de instelling van een doelmatig belastingstelsel om ervoor te zorgen dat zij minder afhankelijk worden van hulp van buiten en van de andere, onvoorspelbare externe geldstromen; |
|
22. |
dringt aan op samenhang tussen financiële steun van de EU en openstelling van de EU-markten voor bepaalde landen en op afdwinging van hun niveau van samenwerking met betrekking tot de beginselen van behoorlijk bestuur op belastinggebied; |
|
23. |
is verheugd over regionale initiatieven inzake belastingsamenwerking om ontwikkelingslanden in staat te stellen te beraadslagen over de rol van belastingheffing bij staatsvorming en capaciteitsontwikkeling en om optimale werkmethoden uit te wisselen op het gebied van belastingadministratie; |
|
24. |
herinnert eraan dat het verbreden van de belastingbasis het belangrijkste probleem vormt voor de ontwikkelingslanden; wijst erop dat o.m. het teruglopen van handelsheffingen heeft geleid tot de invoering van heffingen op consumptie (BTW of energieheffingen); is van mening dat BTW weliswaar kan bijdragen tot het verbreden van de belastingbasis in economieën met grote informele sectoren, maar dat het feit dat BTW voor iedereen even hoog is de arme bevolking het hardst treft; is van mening dat de ontwikkelingshulp van de EU vooral gericht moet zijn op initiatieven ter verbetering van de doeltreffendheid en transparantie van belastingstelsels, bv. door na te gaan hoe ontwikkelingslanden hun belastinggrondslag/inkomsten uit belastingen kunnen verbreding door middel van al dan niet rechtstreekse belastingen; |
|
25. |
wijst er andermaal op dat de uitbreiding van de handelsbetrekkingen met ontwikkelingslanden tot doel moet hebben de duurzame economische groei en de ontwikkeling in deze landen te bevorderen; stelt vast dat afschaffing van douanerechten onvermijdelijk derving van douane-inkomsten met zich meebrengt en dat deze dus aan beter toezicht moet worden onderworpen, progressiever moet zijn en gekoppeld moet worden aan tenuitvoerlegging van belastinghervormingen die het mogelijk maken compenserende inkomsten te genereren (BTW, onroerende-zaakbelasting, inkomstenbelasting); |
|
26. |
is bezorgd over het feit dat tussen 1991 en 2004 miljarden dollars per jaar het Afrikaanse continent hebben verlaten; benadrukt met name dat deze uitstroom wordt geschat op 7,6 % van het jaarlijks BBP van de regio, waardoor Afrikaanse landen nettokrediteuren zijn van de donorlanden; is van mening dat door de ontwikkelde landen verstrekte OOH en schuldenverlichting alleen doeltreffend kunnen zijn indien concrete maatregelen worden genomen door de G20, de OESO en de EU, om te waarborgen dat de potentiële belastingbasis van de ontwikkelingslanden niet wordt ondermijnd door belastingontduiking; moedigt in dit verband de VN en de OESO aan om, in nauwe samenwerking met het Afrikaanse forum voor belastingbeheer, hun werkzaamheden op dit gebied voort te zetten; |
|
27. |
benadrukt dat passende middelen voor het vinden van alternatieve bronnen van ontvangsten steun moeten bieden aan en geen belemmering mogen vormen voor innovatie, ondernemerschap en de oprichting van MKB, en eigen verantwoordelijkheid en lokale ontwikkeling moeten stimuleren; |
|
28. |
beklemtoont dat de administratieve kosten, met name van BTW-stelsels met verschillende tarieven, te hoog kunnen zijn voor ontwikkelingslanden waarvan de belastingautoriteiten niet beschikken over de nodige financiële middelen en personeel, en daarom nauwkeurig moeten worden bestudeerd; is van mening dat in zulke gevallen accijnzen zeer selectief moeten zijn en nauwkeurig gericht moeten zijn op een klein aantal goederen, voornamelijk op basis van de negatieve effecten van die goederen op de maatschappij en op de vraag naar die goederen (tabak, alcohol, enz.) waar als regel weinig rek in zet; dringt er in het geval van beperkte heffingen ook op aan dat de bedrijven worden vastgesteld en aangeslagen die verhoogde belastingontvangsten voor hun rekening kunnen nemen (zoals bedrijven die zich bezighouden met het winnen van ruwe grondstoffen); |
|
29. |
benadrukt dat het voor de verhoging van de directe belastingen een belangrijke eis is de informele sector te integreren in de formele economie en het ondernemersklimaat te verbeteren; |
|
30. |
benadrukt dat de ontwikkelingslanden in de algemene context van belastingmededinging een groter deel van hun belastinginkomsten ontlenen aan kapitaal en dat zij weinig mogelijkheden hebben om andere vormen van belasting te heffen; wijst erop dat de vermindering van de ontvangsten tengevolge van die concurrentie moet worden opgevangen door de belastingbasis te verbreden of door die concurrentie zo mogelijk te vermijden, en indien andere factoren als goed bestuur, rechtszekerheid en het voorkomen van nationalisatie in gevaar komen bij de concurrentie voor het verkrijgen van DBI; wijst erop dat landen met een laag inkomen over de capaciteit moeten beschikken om doeltreffend te onderhandelen met multinationale ondernemingen teneinde een gelijkwaardig aandeel van de winst van de onderneming te waarborgen, en herinnert eraan dat zij voldoende beleidsruimte moeten hebben om controle op het kapitaalverkeer uit te kunnen oefenen, aangezien het recht om belastingontvangsten te innen en te herverdelen een belangrijk criterium is voor de soevereiniteit en legitimiteit van landen, en daarmee een voorwaarde voor goed bestuur; |
|
31. |
wijst erop dat de Franse regering onderzoek heeft laten verrichten op het gebied van politieke stimulansen voor belastingheffing, maar dat meer onderzoek nodig is; verzoekt de Commissie derhalve te onderzoeken in hoeverre verschillende benaderingen van de verlening van hulp, zoals giften tegenover leningen, kunnen bijdragen tot het beperken of compenseren van eventuele negatieve effecten van hulp op het creëren van ontvangsten en in hoeverre begrotingssteun en daaraan gekoppelde verbeteringen van de transparantie en de effectiviteit van het beheer van overheidsuitgaven op de langere termijn bijdragen tot grotere bereidheid van de burgers om belasting te betalen; |
|
32. |
wijst erop dat te weinig aandacht is besteed aan de wijze waarop regeringen belastingbeleid kunnen gebruiken om ongelijkheden wat betreft inkomen en welzijn te verkleinen door de bestaande verschillen tussen mannen en vrouwen met betrekking tot belastingverplichtingen te minimaliseren; |
|
33. |
dringt erop aan met betrekking tot de belastingstelsels in ontwikkelingslanden de naruk te leggen op de beginselen van neutraliteit, gelijkheid en eenvoud, die moeten worden verwezenlijkt door:
|
|
34. |
meent dat de OESO nieuwe richtsnoeren voor verrekenprijzen moet opstellen, een wezenlijke methode om te beletten dat bepaalde multinationals hun winsten overdragen naar landen met de gunstigste belastingregelingen en om ervoor te zorgen dat zij belastingen betalen in de landen waar zij hun winst daadwerkelijk hebben gemaakt, met inbegrip van de ontwikkelingslanden; |
|
35. |
acht een stelsel van lage belastingtarieven voor lage en middeninkomens, op basis van een bredere heffingsgrondslag, en waarin o.m. voor de winningsindustrieën, geen discretionaire belastingvrijstellingen en -voorkeuren bestaan, onontbeerlijk; benadrukt het belang van overheidsinvesteringen in projecten met positieve gevolgen op lokaal niveau voor de economie, het maatschappelijk klimaat en het milieu, waarbij echter geen enkele vorm van fiscale dumping mogelijk mag worden gemaakt; |
Naar een transparant, coöperatief en eerlijk internationaal belastingmilieu
Manipulatie van handelsprijzen
|
36. |
benadrukt dat manipulatie van de handelsprijzen een van de voornaamste aanjagers is van illegale kapitaaluitstroom; roept de Commissie op bij te dragen aan het uitbreiden van de publieke expertise inzake dit soort kwesties in ontwikkelingslanden, en concrete voorstellen uit te werken om ervoor te zorgen dat de G20, de OESO, de VN en de WTO overwegen een bredere set indicatoren en methoden te gaan hanteren voor de aanpak van de manipulatie van handelsprijzen, zoals de „comparable profit methods” (methoden van vergelijkbare winsten) van de VS, een veelbelovende methode voor het opsporen van onjuiste prijzen van transacties; |
|
37. |
roept op tot het bestrijden van illegale manipulatie van verrekenprijzen (TPM) en tot een evaluatie van wereldwijde belastingregels die verder gaan dan de methode van vergelijkbare winsten, voor het geval er andere en veelbelovender alternatieven zijn om het probleem van onjuiste prijzen doelmatiger aan te pakken; benadrukt dat de EU, de G20 en de WTO in het algemeen hun inspanningen moeten richten op benaderingen die gestoeld zijn op het zogeheten zakelijkheidsbeginsel dat inhoudt dat voor transacties die voor de belasting van belang zijn dezelfde voorwaarden moeten gelden als voor transacties tussen onafhankelijke ondernemingen; |
|
38. |
dringt er bij de EU op aan binnen de G20 en de OESO het beginsel van automatische uitwisseling van informatie op belastinggebied te verdedigen, overeenkomstig de EU-belastingrichtlijn voor spaartegoeden, als manier om de illegale geldstromen in rechtsgebieden met een geheimhoudingsregeling in te dammen; |
|
39. |
verzoekt om de invoering van een belasting op financiële transacties, die het functioneren van de markt zou verbeteren doordat speculatie wordt beperkt en een bijdrage geleverd wordt aan de financiering van mondiale collectieve belangen, zoals ontwikkeling en de bestrijding van de klimaatverandering, en het terugdringen van overheidstekorten; verzoekt de Commissie spoedig een haalbaarheidsonderzoek te laten uitvoeren waarbij rekening wordt gehouden met de mondiale gelijke concurrentieverhoudingen en vervolgens zo nodig met concrete wetgevingsvoorstellen te komen; |
|
40. |
stelt voor een specifieke bepaling in verband met behoorlijk bestuur op belastinggebied op te nemen in de nieuwe versie van de Overeenkomst van Cotonou; |
|
41. |
verzoekt de lidstaten van de EU in het kader van hun bilaterale hulpprogramma's soortgelijke maatregelen te nemen; |
Grondstofwinningsindustrieën
|
42. |
dringt aan op het ontplooien van initiatieven ter bevordering van een grotere transparantie met betrekking tot inkomsten uit grondstoffen, onder meer door middel van het Verdrag inzake bestrijding van omkoping van de OESO en het initiatief inzake transparantie van winningsindustrieën; is verheugd over de nieuwe wijzigingen die in de wet inzake herziening van de financiële regelgeving zijn aangebracht met betrekking tot delfstoffen die in Congo aanleiding geven tot geschillen en met betrekking tot doorzichtigheid, en verzoekt de Commissie een wetgevingsinitiatief in deze zin voor te stellen zonder afbreuk te doen aan de verantwoordelijkheid van de regeringen van de ontwikkelingslanden, en zonder een buitenproportionele bureaucratische last te leggen op ondernemingen, aangezien hier reeds kritiek op is geuit door belanghebbenden in de ontwikkelingslanden, en aangezien dit contraproductief zou kunnen blijken; |
|
43. |
wijst erop dat de uitbating van grondstoffen moeten worden geëxploiteerd om een land te helpen bij de verwezenlijking van zijn sociale en economische doelen in bredere zin, hetgeen voor regeringen in ontwikkelingslanden betekent dat er een visie moet worden ontwikkeld, desgewenst samen met internationale belanghebbenden en deskundigen, van de wijze waarop de sector grondstoffen in de economische toekomst van een land past; is van mening dat optimaal gebruik van grondstoffenreserves voor sommige landen kan betekenen dat deze voor toekomstig gebruik in de grond worden gelaten, terwijl het voor andere landen een snelle winning kan inhouden, als tijdelijke bron van binnenlandse ontvangsten, teneinde ontvangsten te genereren voor het doen van de nodige investeringen met het oog op groei en dringende menselijke behoeften; |
|
44. |
wijst erop dat ontwikkelingslanden gelijkwaardige partners moeten zijn bij het bespreken en goedkeuren van nieuwe initiatieven in de sector winning van natuurlijke hulpbronnen; benadrukt dat nieuwe regelingen op dit gebied de vorm moeten krijgen van algemene internationale normen, om te voorkomen dat er opnieuw een lappendeken van regelgeving ontstaat die contraproductief zou zijn vanuit het standpunt van regeringen, belastingautoriteiten en internationale ondernemingen; |
|
45. |
benadrukt dat de voorstellen van de Commissie en non-gouvernementele initiatieven op het gebied van transparantie voor de mijnbouwsector, zoals het Natural Resource Charter, de Equator Principles en de Guidelines for Investors and Companies van „Critical Resource” in feite gunstig zijn voor ondernemingen; ze zorgen voor rechtszekerheid, duurzame en langdurige partnerschappen en bieden bescherming tegen renationalisering, heropening van onderhandelingen of uitzetting; wijst erop dat er tevens problemen moeten worden aangepakt, zoals het feit dat ondernemingen verplicht kunnen worden commercieel gevoelige informatie af te staan waardoor zij een concurrentienadeel ondervinden, of dat bepaalde overeenkomsten met regeringen zijn gebaseerd op het geheim houden van informatie; |
|
46. |
wijst erop dat opbrengsten van grondstoffen altijd beschouwd moeten worden als tijdelijk middel om de binnenlandse ontvangsten te doen stijgen; wijst erop dat een succesvolle belastingheffing op grondstoffen vaak een verbetering van de directe belastingen met zich meebrengt, zoals vennootschapsbelasting en niet-fiscale ontvangsten, zoals royalty's; |
|
47. |
wijst erop dat een groot aantal „rentenierende” landen met omvangrijke opbrengsten uit grondstoffen, met name olie en mineralen, weinig aanleiding heeft om verantwoording af te leggen of op flexibele of efficiënte wijze te handelen; wijst er nogmaals op dat krachtige mechanismen voor controle van democratische en overheidsinstellingen van wezenlijk belang zijn voor de bestrijding van economische criminaliteit; roept de Commissie er met name toe op haar ontwikkelingshulp te verhogen met betrekking tot het opstellen van contracten tussen multinationals en ontwikkelingslanden over kwesties in verband met de winning van grondstoffen; |
|
48. |
verzoekt de Commissie en de Raad meer aandacht te besteden aan het Initiatief inzake transparantie van winningsindustrieën, door financiële middelen te verstrekken en deel te nemen aan het bestuursorgaan van dit initiatief; |
|
49. |
herinnert eraan dat de kwaliteit van de financiële verslaglegging van wezenlijk belang is voor een doeltreffende bestrijding van belastingontduiking; is van mening dat verslaglegging per land voor de winningsindustrieën van het grootste belang is, maar herinnert eraan dat dit eveneens geldt voor investeerders in alle andere sectoren, en dat het zou bijdragen tot een goed bestuur wereldwijd verzoekt de Commissie te ijveren voor de opname van een vereiste in de internationale norm voor jaarrekeningen van de IASB dat alle multinationale ondernemingen hun opbrengsten en betaalde belastingen per land rapporteren; wijst er nogmaals op dat een dergelijk vereiste aansluit bij de noodzaak van een grotere sociale verantwoordelijkheid van multinationale ondernemingen; verzoekt de Commissie om verslaglegging per land deel te laten uitmaken van de herziening van boekhoudrichtlijnen; |
|
50. |
verzoekt om de invoering van financiële-rapportageverplichtingen per land voor grensoverschrijdende bedrijven, inclusief de winsten vóór en na belastingheffing, met het oog op meer doorzichtigheid en beschikbaarheid van desbetreffende gegevens voor belastingdiensten; is van mening dat de EU, om ervoor te zorgen dat alle sectoren en ondernemingen op dezelfde manier afgedekt zijn, het beginsel moet invoeren in het kader van de aanstaande herzieningen van de doorzichtigheidsrichtlijn en de EU-richtlijnen inzake boekhouding, terwijl de Commissie op internationaal niveau druk moet uitoefenen op de IASB om snel een ter zake dienende alomvattende norm te formuleren. verzoekt de Commissie nogmaals binnen een termijn van zes maanden aan het Parlement verslag uit te brengen over de resultaten van haar maatschappelijke raadpleging en haar overleg met de IASB; |
|
51. |
benadrukt het belang van verslaglegging per land en dringt erop aan de onderhandelingen op dit gebied op te voeren:
|
Betere donorcoördinatie
|
52. |
neemt kennis van de bevindingen die door het Internationaal Handelscentrum (ITC) in kaart zijn gebracht en die uitwijzen dat verdere coördinatie tussen donoren op het gebied van belastingheffing en ontwikkeling noodzakelijk is; moedigt de Commissie aan dienovereenkomstige initiatieven te ontplooien en meer steun te verlenen aan multilaterale en regionale initiatieven, zoals het Afrikaanse forum voor belastingbeheer (ATAF) en het inter-Amerikaanse centrum van belastinginstanties (CIAT); |
Verbetering van de internationale structuur ter bestrijding van belastingparadijzen
|
53. |
benadrukt dat conventionele ontwikkelingshulp geen bijdrage kan leveren aan het uitroeien van wereldwijde armoede, zolang er binnen de G20, de OESO en de EU geen vergaande maatregelen worden getroffen om belastingparadijzen en schadelijke belastingconstructies aan te pakken; |
|
54. |
stelt vast dat na de G20-Top van 2 april 2009 offshore financiële centra hebben toegezegd de OESO-normen op het gebied van transparantie en uitwisseling van informatie te zullen gaan hanteren; wijst er echter op dat de schadelijke structuren van belastingparadijzen nog altijd aanwezig zijn; roept nogmaals op tot actie buiten het OESO-kader ter bestrijding van belastingparadijzen, met het oog op de uiteenlopende tekortkomingen hiervan; spreekt in verband hiermee nogmaals zijn bezorgdheid uit over het feit dat op grond van de internationale normen van de OESO informatie-uitwisseling op verzoek verplicht is, maar dat er geen automatische informatie-uitwisseling is als in het kader van de belastingrichtlijn voor spaartegoeden; bekritiseert ook het feit dat de OESO toestaat dat regeringen aan plaatsing op haar zwarte lijst ontkomen louter door te beloven de principes op het gebied van informatie-uitwisseling na te leven, zonder ervoor te zorgen dat deze principes ook werkelijk in de praktijk worden gebracht; is ook van mening dat de vereiste om een akkoord te sluiten met 12 landen om van de zwarte lijst te worden geschrapt, willekeurig is, aangezien zij geen verband houdt met kwalitative indicatoren die een objectieve beoordeling mogelijk maken van de vraag of goede bestuurspraktijken zijn gevolgd; |
|
55. |
benadrukt dat tot 800 miljard EUR per jaar uit de ontwikkelingslanden verloren gaat naar belastingparadijzen en illegale geldstromen; wijst erop dat een grotere transparantie van het financiële proces een beslissende stap voorwaarts zou kunnen betekenen voor het verlichten van de armoede en het scheppen van welvaart van betekenis; |
|
56. |
is van mening dat automatische uitwisseling van informatie onder alle omstandigheden moet plaatsvinden; is in dit verband tevreden met het Commissievoorstel inzake administratieve samenwerking op belastinggebied met als doel om de samenwerking tussen de lidstaten uit te breiden tot alle soorten belastingen, het bankgeheim af te schaffen en automatische uitwisseling van informatie in te stellen als algemene regel; |
|
57. |
spreekt zijn waardering uit voor het feit dat sommige lidstaten het Verdrag inzake wederzijdse administratieve bijstand in belastingzaken van de Raad van Europa en de OESO hebben ondertekend, en dringt er bij de 17 lidstaten die dit nog niet hebben gedaan het verdrag eveneens te ondertekenen; |
|
58. |
verzoekt de EU actiever op te treden en concrete maatregelen, zoals sancties, te nemen tegen belastingontduiking en illegale kapitaalvlucht; verzoekt de Raad de mogelijke invoering te onderzoeken van een multilateraal mechanisme voor de automatische uitwisseling van fiscale informatie, in nauwe samenwerking met het deskundigencomité inzake internationale samenwerking in belastingaangelegenheden van de VN; |
|
59. |
verzoekt de Commissie striktere normen te bepalen voor wat belastingparadijzen zijn en te streven naar een internationaal bindend multilateraal akkoord inzake de automatische uitwisseling van belastinggegevens, o.m. voor trusts en stichtingen, waarin tegenmaatregelen zijn opgenomen voor het geval de voorschriften niet worden nageleefd; verzoekt de Commissie de ontwikkelingslanden te steunen in hun strijd tegen illegale uitstroom en kapitaalvlucht omdat die worden aangemerkt als groot obstakel voor de mobilisering van binnenlandse inkomsten voor ontwikkeling; wijst de Commissie met name op zijn standpunt van 24 april 2009 over het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 2003/48/EG betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling (8) en de aanbevolen maatregelen tegen belastingparadijzen; |
|
60. |
is bezorgd over de nadelige gevolgen van belastingakkoorden voor de verdeling van belastingopbrengsten; wijst erop dat het heffen van belasting op basis van plaats van vestiging, in plaats van het bronland, bijdraagt tot het aantrekkelijker maken van belastingparadijzen; is van mening dat belastingakkoorden moeten worden beoordeeld op rechtvaardigheid, wat inhoudt dat het primaire recht aanwezig moet zijn om belasting te heffen in het bronland waar feitelijke activiteiten worden ontplooid; |
|
61. |
betreurt dat de G20 nog geen duidelijk tijschema en een concrete sanctieregeling hebben voorgesteld voor een effectieve bestrijding van belastingparadijzen; roept op tot de aanneming van een internationaal verdrag om een einde te maken aan schadelijke belastingstructuren, met inbegrip van sancties voor zowel niet-coöperatieve jurisdicties als voor financiële instellingen die met belastingparadijzen werken; dringt er bij de EU op aan maatregelen te treffen naar het voorbeeld van de Stop Tax Havens Abuse Act van de VS en de mogelijkheid te overwegen om de bankvergunning van financiële instellingen die werken met belastingparadijzen in te trekken; |
|
62. |
is van oordeel dat de EU ook naar een consequente aanpak moet streven bij de uitvoering op EU- en internationaal niveau van normen op het gebied van bedrijfseconomisch toezicht, belastingheffing en het witwassen van geld; |
|
63. |
roept op tot een internationale bekendmaking van de structuur van aasgierfondsen om ze te kunnen identificeren en een eind te kunnen maken aan hun activiteiten; |
|
64. |
dringt erop aan in het kader van de EPO een onafhankelijk controlemechanisme op te zetten dat belast is met de beoordeling van de belastingtechnische nettogevolgen van de afschaffing van de douanerechten en van de vooruitgang die tegelijkertijd wordt geboekt bij de belastinghervormingen in ieder land; dringt erop aan een clausule op te nemen die voorziet in verplichte algemene evaluatie van alle EPO binnen drie tot vijf jaar, waardoor de bepalingen van de overeenkomsten kunnen worden aangepast in het belang van armoedebestrijding, duurzame ontwikkeling en regionale integratie; dringt daarnaast aan op een verplichte evaluatie van de voortgang die afzonderlijke landen hebben gemaakt met het doorvoeren van belastinghervormingen of doeltreffende belastinginning, overeenkomstig de meest recente versie van het OESO-modelverdrag inzake belasting op inkomen en vermogen; |
|
65. |
benadrukt dat belastingautoriteiten in ontwikkelingslanden moeten samenwerken als ze geen deel uitmaken van hun ministerie van Financiën, met name op het gebied van belastingen en begrotingsbeleid, op een wijze die niet leidt tot rivaliteit en jaloezie, maar die goede betrekkingen en een goed bestuur in fiscale aangelegenheden bevordert; |
|
66. |
roept op tot invoering of (indien deze reeds aanwezig zijn) institutionele verbetering van zogeheten (semi-) autonome belastingautoriteiten (ARA), door middel van passende stelsels van controlemechanismen, om te voorkomen dat belastingautoriteiten worden misbruikt; |
|
67. |
onderstreept in dit verband dat de hoge status en bestuurlijke autonomie van ARA's moet worden gecompenseerd door pluralistische bestuurlijke regelingen om ervoor te zorgen dat:
|
|
68. |
is van mening dat het opzetten van een doelmatig belastingstelsel in de ontwikkelingslanden de ruggengraat van hun overheidsfinanciën moet worden; meent dat het nieuwe investeringsbeleid van de EU in de ontwikkelingslanden moet bijdragen tot een klimaat dat gunstiger is voor particuliere investeringen uit binnen- en buitenland, en de voorwaarden moet helpen scheppen voor doelmatiger internationale hulp; wijst erop dat het investeringsbeleid van de EU gericht moet zijn op de ontwikkeling van het MKB, onder meer door de verstrekking van microkredieten, en innovatie, doelmatigheid van overheidsdiensten, privaatpublieke samenwerkingsverbanden en overdracht van kennis dient te bevorderen om de groei aan te wakkeren; |
*
* *
|
69. |
verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, en de regeringen en parlementen van de lidstaten. |
(1) PB C 341 E van 16.12.2010, blz. 29.
(2) PB C 4 E van 7.1.2011, blz. 34.
(3) Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0210.
(4) PB C 230 E van 26.8.2010, blz. 1.
(5) PB C 184 E van 8.7.2010, blz. 94.
(6) PB C 282 E van 6.11.2008, blz. 323.
(7) Zie bij voorbeeld het in het IMF-verslag van 15 februari 2005 geciteerde onderzoek van Baunsgaard & Keen (2005) met de titel „Dealing with the Revenue Consequences of Trade Reform”, waarin het IMF tot de slotsom komt dat tal van landen met lage inkomsten en een aantal landen met middeninkomsten problemen ondervinden bij de vervanging van de inkomsten uit handelsheffingen.
(8) PB C 184 E van 8.7.2010, blz. 488.