GROENBOEK over de haalbaarheid van de invoering van stabiliteitsobligaties /* COM/2011/0818 definitief */
GROENBOEK over de haalbaarheid van de invoering van
stabiliteitsobligaties
1.
stabiliteitsobligaties: Waarom en onder welke voorwaarden[1]
1.1.
Achtergrond
Met het voorliggende groenboek wordt een
brede openbare raadpleging gelanceerd over het concept van stabiliteitsobligaties. Op basis van de reacties van alle belanghebbenden en betrokken
partijen, zoals de lidstaten, de actoren op de financiële markt, de
brancheorganisaties voor de financiële markt, en de academici in de EU en
daarbuiten zal de Commissie bepalen welke vervolgstappen in dit verband
wenselijk zijn. In het stuk worden de haalbaarheid van de
gemeenschappelijke emissie van staatsobligaties (hierna
"gemeenschappelijke emissie" genoemd) door de lidstaten van het
eurogebied, alsmede de voorwaarden waaraan zou moeten worden voldaan, in kaart
gebracht[2]. De lidstaten geven in het eurogebied thans op gedecentraliseerde basis
staatsobligaties uit. Daarvoor worden uiteenlopende procedures gehanteerd. De
invoering van gemeenschappelijk uitgegeven stabiliteitsobligaties zou leiden
tot een pooling van overheidsemissies van de lidstaten en tot het delen van de
daarbij behorende ontvangstenstromen en kosten van de schuldendienst. Daardoor
zou de structuur van de markt voor staatsobligaties in het eurogebied, die het
grootste segment in de financiële markt van het eurogebied als geheel vormt
(zie bijlage 1 voor nadere informatie over de markten voor staatsobligaties in
het eurogebied), een ingrijpende wijziging ondergaan. De lidstaten hebben zich eind jaren negentig
voor het eerst gebogen over het concept van een gemeenschappelijke emissie,
naar aanleiding van de publicatie van de Giovannini-Groep (die de Commissie van advies diende over kapitaalmarktontwikkelingen
welke verband hielden met de euro) over een aantal opties voor de coördinatie
van de emissie van staatsleningen in het eurogebied[3]. In september 2008 leefde de
belangstelling van de marktdeelnemers voor een gemeenschappelijke emissie weer
op. Aanleiding was ditmaal de publicatie door de European Primary Dealers
Association (EPDA) van een discussiestuk met de titel "A Common European
Government Bond"[4].
In dit stuk wordt opnieuw gewezen op het sterk versnipperde karakter van de
markt voor staatsobligaties in het eurogebied bijna 10 jaar na de
invoering van de euro en wordt ingegaan op de voor- en nadelen
van een gemeenschappelijke emissie. In 2009 zijn de diensten van de Commissie
in het EMU@10-verslag wederom ingegaan op de deze kwestie. Door de verheviging van de
staatsschuldcrisis in het eurogebied is een breder debat over de haalbaarheid
van een gemeenschappelijke emissie op gang gekomen[5]. Een groot aantal politici, marktanalisten en academici hebben gepleit
voor een gemeenschappelijke emissie die gezien wordt als een potentieel
krachtig instrument om de liquiditeitskrapte in diverse eurolanden het hoofd te
bieden. Vervolgens heeft het Europees Parlement de Commissie in het
kader van de vaststelling van het wetgevingspakket voor de economische
governance in het eurogebied verzocht te kijken naar de haalbaarheid van een
gemeenschappelijke emissie, waarbij werd onderstreept dat een
gemeenschappelijke emissie van stabiliteitsobligaties ook verdere stappen in de
richting van een gemeenschappelijk economisch en begrotingsbeleid noodzakelijk
zou maken[6]. Terwijl de gemeenschappelijke emissie in
het verleden doorgaans als een langeretermijnmogelijkheid werd gezien, is in de
recentere discussie de nadruk komen te liggen op de mogelijke
kortetermijnvoordelen ervan in de vorm van een verlichting van de spanning op
de markt voor staatsschulden. In dit verband zouden
stabiliteitsobligaties niet aan het einde van een proces van economische en
budgettaire convergentie, maar parallel aan een verdere convergentie worden
ingevoerd en zou de invoering ervan de opzet en implementatie van het nodige
kader voor een dergelijke convergentie bevorderen. Zo'n parallelle aanpak zou
dus een onmiddellijke en vastberaden stap voorwaarts in het proces van
economische, financiële en politieke integratie in het eurogebied vereisen. De stabiliteitsobligatie zou afwijken van
de bestaande gezamenlijk uitgegeven instrumenten. Stabiliteitsobligaties
zouden als instrument bedoeld zijn voor de dagelijkse financiering van de
overheden in het eurogebied door middel van een gemeenschappelijke emissie. In dit
opzicht moeten ze worden onderscheiden van andere gezamenlijk uitgegeven
obligaties in de Europese Unie en het eurogebied, zoals een emissie voor de
financiering van externe bijstand aan lidstaten en derde landen[7]. Bijgevolg zou de omvang van de
emissie van stabiliteitsobligaties veel groter zijn en meer continuïteit
vertonen dan die van de bestaande vormen van nationale of gezamenlijke
emissies. De emissie van stabiliteitsobligaties kan
worden gecentraliseerd in één agentschap of gedecentraliseerd blijven op
nationaal niveau, met een strakke coördinatie tussen de lidstaten. In de aan stabiliteitsobligaties gekoppelde verdeling van de
ontvangstenstromen en schuldendienstkosten, zouden de emissieaandelen van de
lidstaten tot uiting komen. Afhankelijk van de gekozen aanpak voor de emissie
van stabiliteitsobligaties kunnen de lidstaten hoofdelijke aansprakelijkheid
voor een deel of het geheel van de eraan verbonden schuldendienstkosten
accepteren, hetgeen een overeenkomstige pooling van het kredietrisico impliceert.
Talrijke implicaties van
stabiliteitsobligaties overstijgen het technische domein ruimschoots en hangen
samen met vraagstukken inzake de nationale soevereiniteit en het proces van
economische en politieke integratie. Deze behelzen ook
een versterking van de economische beleidscoördinatie en governance en van de
economische convergentie, en in een paar opties de noodzaak tot wijziging van
het Verdrag. Hoe meer het kredietrisico van de overheden wordt gepoold, des te
geringer is de marktvolatiliteit, maar ook de tucht die de markt kan uitoefenen
op individuele overheden. Daarom moet budgettaire stabiliteit sterker gaan
berusten op discipline die door politieke processen tot stand komt. Evenzo gaat
een aantal voorwaarden voor het welslagen van stabiliteitsobligaties, zoals een
hoge mate van politieke stabiliteit en voorspelbaarheid of de omvang van de
door de monetaire autoriteiten te verlenen steun, veel verder dan het meer
technische domein. Stabiliteitsobligaties, in welke vorm dan
ook, moeten vergezeld gaan van een substantieel versterkt toezicht en een
substantieel versterkte beleidscoördinatie als essentiële tegenhanger, teneinde
moral hazard te voorkomen en houdbare overheidsfinanciën te waarborgen en
teneinde het concurrentievermogen te ondersteunen en schadelijke
macro-economische onevenwichtigheden terug te dringen. Dit zou noodzakelijkerwijs gevolgen hebben
voor de budgettaire soevereiniteit, hetgeen vraagt om een diepgaande discussie
in de eurolidstaten. Aangezien over dergelijke vraagstukken goed
moet worden nagedacht, is de Commissie gekomen met dit document, dat een
noodzakelijk proces van politieke discussie en openbare raadpleging over de
haalbaarheid van en de voorwaarden voor de invoering van stabiliteitsobligaties
op gang moet brengen.
1.2.
Stabiliteitsobligaties: motivering
De discussie over gemeenschappelijke
emissies heeft sinds de lancering van de euro een aanzienlijke ontwikkeling
doorgemaakt. Oorspronkelijk werden de voordelen in de
vorm van een versterkte marktefficiëntie dankzij de vergrote liquiditeit op de
markt voor staatsobligaties in het eurogebied als voornaamste argument voor een
gemeenschappelijke emissie aangevoerd. Meer recentelijk is het accent in de
discussie vanwege de huidige staatsschuldcrisis verschoven naar stabiliteitsaspecten.
Als voornaamste voordelen van een gemeenschappelijke emissie kunnen worden
aangemerkt:
1.2.1.
Aanpak van de huidige crisis en voorkoming van
toekomstige staatsschuldcrises
Het vooruitzicht op stabiliteitsobligaties
kan mogelijk leiden tot een verlichting van de huidige staatsschuldcrisis,
aangezien de lidstaten die een hoog rendement moeten bieden, kunnen profiteren
van de grotere kredietwaardigheid van de lidstaten die een laag rendement
bieden. Hoewel de invoering van stabiliteitsobligaties
enige tijd in beslag kan nemen (zie hoofdstuk 2), kan voorafgaande
overeenstemming over een gemeenschappelijke emissie op zich al effect sorteren
op de marktverwachtingen en daarmee leiden tot lagere gemiddelde en marginale
financieringskosten voor de lidstaten die hun financiering momenteel moeilijk
rond krijgen. Er kan echter alleen sprake zijn van een duurzaam effect als een
routekaart naar gemeenschappelijke obligaties vergezeld gaat van parallelle
afspraken om te komen tot een krachtigere economische governance die zou
waarborgen dat de noodzakelijke budgettaire en structurele aanpassingen worden
doorgevoerd die de houdbaarheid van de overheidsfinanciën waarborgen.
1.2.2.
Vergroting van de financiële stabiliteit in het
eurogebied
Stabiliteitsobligaties zouden het
financiële stelsel van het eurogebied veerkrachtiger maken in die zin dat
schokken voortaan gemakkelijker kunnen worden opgevangen, en zouden de
financiële stabiliteit aldus vergroten. Door
stabiliteitsobligaties zouden alle deelnemende lidstaten er zeker zijn van dat
zij hun schulden op de markt kunnen herfinancieren, en kan worden voorkomen dat
ze vanwege een ongerechtvaardigde risicoaversie en/of vanwege kuddegedrag van
beleggers plotseling geen toegang meer hebben tot deze markt. Daarmee zouden
stabiliteitsobligaties leiden tot een geringere marktvolatiliteit en tot een
beperking of zelfs eliminatie van de noodzaak om kostbare steun te verlenen en
kostbare reddingsmaatregelen te treffen ten behoeve van de lidstaten waarvoor
de marktfinanciering tijdelijk is weggevallen. Wel hangen de positieve effecten
van dergelijke obligaties af van de aanpak van een eventuele verslapping van de
begrotingsdiscipline. Op dit aspect wordt nader ingegaan in hoofdstuk 1.3 en in
hoofdstuk 3. Het bankwezen in het eurogebied zou
profiteren van de beschikbaarheid van stabiliteitsobligaties. Banken houden doorgaans grote bedragen aan staatsobligaties aan omdat
het om een liquide belegging met een laag risico en een geringe liquiditeit
gaat. Staatsobligaties dienen ook als een liquiditeitsbuffer omdat ze tegen
betrekkelijk stabiele prijzen kunnen worden verkocht en bij
herfinancieringsoperaties als zekerheid kunnen worden gebruikt. Banken houden
echter met name staatsobligaties van de thuismarkt aan. Daardoor ontstaat er
een belangrijke koppeling tussen hun balans en de balans van de binnenlandse
overheid. Als de begrotingssituatie van de binnenlandse overheid vervolgens
sterk verslechtert, dan is het onvermijdelijk dat ook de kwaliteit van de voor
het bankwezen beschikbare zekerheid wordt aangetast en de banken daardoor zowel
op de interbancaire markt als bij de toegang tot de faciliteiten van het
Eurosysteem bloot komen te staan aan een herfinancieringsrisico.
Stabiliteitsobligaties zouden dan voor alle banken in het eurogebied een bron
van solidere zekerheden vormen. Daardoor zouden ze minder kwetsbaar worden voor
een verslechtering van de kredietrating van individuele lidstaten. Ook andere
institutionele beleggers (zoals levensverzekeringsondernemingen en
pensioenfondsen), die naar verhouding veel binnenlandse stabiliteitsobligaties
aanhouden, zouden profiteren van het solidere en homogenere karakter van de
stabiliteitsobligatie als vermogensbestanddeel in hun portefeuille.
1.2.3.
Betere transmissie van monetair beleid
Staatsobligaties zouden de transmissie van
monetair beleid bevorderen. De staatsschuldcrisis
heeft het transmissiekanaal van monetair beleid verzwakt omdat het rendement op
staatsobligaties op de zeer volatiele markten inmiddels sterk uiteenloopt. In
een aantal extreme gevallen is de werking van de markten als zodanig
verslechterd en heeft de ECB ingegrepen via het Programma voor de
effectenmarkt. Stabiliteitsobligaties zouden een grotere pool van veilige en
liquide activa vormen. Daardoor zouden de door de ECB vastgestelde monetaire
voorwaarden via de markt voor staatsobligaties soepeler en consistenter kunnen
doorwerken naar de financieringskosten van het bedrijfsleven en huishoudens en
uiteindelijk naar de algehele vraag.
1.2.4.
Verhoging van de marktefficiëntie
Staatsobligaties
zouden de efficiëntie van de markt voor staatsobligaties in het eurogebied en
van het bredere financiële stelsel in het eurogebied bevorderen. De emissie van stabiliteitsobligaties zou de mogelijkheid tot de
vorming van een grote, zeer liquide markt met één benchmarktrendement bieden,
terwijl er nu nog tal van landenspecifieke benchmarks bestaan. De liquiditeit
en hoge kredietkwaliteit van de staatsobligatiemarkt zouden leiden tot lage
benchmarkrendementen, omdat het kredietrisico en de liquiditeitspremies
navenant laag uitvallen (zie kader 1). Een enkele reeks "risicovrije"
benchmarkrendementen voor stabiliteitsobligaties over het gehele
looptijdsspectrum zou leiden tot een verbreding van de obligatiemarkt en zou
emissies van andere emittenten dan de centrale overheid, zoals corporaties,
gemeenten en financiële ondernemingen, bevorderen. De beschikbaarheid van een
liquide benchmark voor het eurogebied zou ook de werking van tal van markten
voor derivaten die in euro luiden, verbeteren. De invoering van stabiliteitsobligaties
kan een verdere katalysator in de integratie van de afwikkeling van Europese
effecten zijn, parallel aan de geplande invoering van het pan-Europese
gemeenschappelijke afwikkelingsplatform van de ECB Target2 Securities (T2S).
Langs deze verschillende wegen kan de invoering van stabiliteitsobligaties
leiden tot lagere financieringskosten voor zowel de publieke als de
particuliere sector in het eurogebied en het groeipotentieel van de economie op
langere termijn versterken. Kader 1: Verwacht rendement van stabiliteitsobligaties – empirische
gegevens De invoering van
stabiliteitsobligaties zou de liquiditeit op de staatsobligatiemarkten in het
eurogebied moeten verhogen en daarmee de liquiditeitspremies die beleggers
impliciet in rekening brengen voor het aanhouden van staatsobligaties,
verlagen. Dit kader bevat een kwantificatie van de mogelijke kostenbesparingen
die voortvloeien uit een lagere liquiditeitspremie. Een tweede component van
het verwachte rendement op stabiliteitsobligaties, namelijk de te verwachten
kredietrisicopremie, is controversiëler gebleken. Zowel de liquiditeits- als de
kredietpremie voor een stabiliteitsobligatie hangen in doorslaggevende mate af
van de opties die gekozen worden voor de opzet en de garantiestructuur van
dergelijke obligaties. In diverse empirische analyses is het rendement van hypothetische
gemeenschappelijk uitgegeven obligaties vergeleken met het gemiddelde rendement
van bestaande obligaties. Daarin is uitgegaan van het gemiddelde van de ratings
van de lidstaten, zonder dat rekening is gehouden met een daling van de
liquiditeitspremie en met een verbetering van het kredietrisico dankzij de
gemeenschappelijke emissie. Volgens de ramingen van Carstensen (2011) zou het
rendement op gemeenschappelijke obligaties volgens een eenvoudige berekening op
basis van het gewogen gemiddelde van de rentetarieven van de lidstaten twee
procentpunten boven de Duitse tienjarige Bund liggen. In een andere raming
(Assman, Boysen-Hogrefe (2011)) kan het rendementsverschil met de Duitse Bunds
uitkomen op 0,5 à 0,6 procentpunt. De onderliggende argumentatie is dat
budgettaire variabelen de belangrijkste determinanten zijn van spreads tussen
staatsobligaties. Budgettair gezien zou het eurogebiedaggregaat vergelijkbaar
zijn met Frankrijk. Daarom zou het rendement op gemeenschappelijke obligaties
min of meer gelijk zijn aan dat van Franse obligaties. Een analyse van J.P.
Morgan (2011) op basis van een soortgelijke aanpak komt uit op een
vergelijkbaar resultaat van 0,5 à 0,6 procentpunt. Volgens een op dezelfde
uitgangspunten gebaseerde verdere analyse van de Franse bank Natixis (2011)
kunnen gemeenschappelijke obligaties zo'n twintig basispunten boven de
obligaties die thans een AAA-rating hebben, worden geprijsd. Favero en Missale
(2010) stellen dat de VS-rendementen, gecorrigeerd voor de wisselkoerspremie,
een goede graadmeter vormen voor de rendementen op gemeenschappelijke
obligaties, omdat de obligatiemarkten van het eurogebied met dergelijke
obligaties vergelijkbaar zouden worden met de VS-markt wat betreft het
kredietrisico en de liquiditeit. Volgens hen bedroeg het rendementsnadeel van
Duitse staatsobligaties ten opzichte van Amerikaanse in de jaren vóór de
financiële crisis circa 40 basispunten, hetgeen dus de liquiditeitswinst zou
zijn bij een emissie van gemeenschappelijke obligaties onder dezelfde
voorwaarden als VS-obligaties. Om een beeld te krijgen van de winst die
haalbaar is met de liquiditeitspremie, heeft de Commissie een statistische
analyse verricht van elke emissie van staatsobligaties in het eurogebied na
1999. De omvang van de emissie wordt gebruikt als vervangende waarde (aangezien
deze de breedst beschikbare indicator is, ook al kan de potentiële
premieliquiditeitswinst daarmee worden onderschat) voor de liquiditeit van een
obligatie-emissie, en de coëfficiënt in een regressie bepaalt de winst die met
de emissie van obligaties in hogere volumes haalbaar is[8]. Voor de raming van een eerste
model zijn gegevens over eurolidstaten met een AAA-rating ("AAA" in
de tabel) gebruikt en voor die van een tweede model zijn gegevens over alle
beschikbare eurolidstaten ("AA") gebruikt. Het tweede model bevat ook
controlevariabelen voor de rating van elke emissie. Het blijkt dat alle
coëfficiënten significant zijn op conventionele niveaus en dat 70 à 80 % van de
variatie te verklaren is uit de raming. Om het
liquiditeitspremievoordeel te berekenen, zijn de coëfficiënten uit de
modelraming gebruikt voor de simulatie van de mogelijke daling van de
rendementen van obligaties die in de gemiddelde VS-emissieomvang en dus niet in
het gemiddelde emissievolume van het eurogebied zijn uitgegeven. De
VS-emissieomvang dient dus als vervangende waarde voor de mogelijke liquiditeit
van een stabiliteitsobligatiemarkt. In een eerste serie berekeningen is het
liquiditeitsvoordeel afgeleid van het gemiddelde historische portfoliorendement
sinds 1999. Ter vergelijking zijn dezelfde berekeningen gemaakt op basis van de
marktomstandigheden in de zomer van 2011. Uit de tweede regel van de tabel blijkt dat
het uit een hoger emissievolume voortvloeiende rendementsvoordeel voor het
eurogebied zo'n 10 à 20 basispunten bedraagt, afhankelijk van de verkregen
kredietrating, maar ongeacht of wordt uitgegaan van historische dan wel recente
marktomstandigheden. Het overeenkomstige rendementsvoordeel komt voor Duitsland
uit op zo'n 7 basispunten. De simulaties tonen aan dat het verwachte
liquiditeitspremievoordeel vrij gering is en afneemt voor de lidstaten die al
de hoogste rating hebben. De lidstaten met hoogrenderende
obligaties zouden zeker profiteren van zowel de pooling van het kredietrisico
als de grotere liquiditeit van de gemeenschappelijke obligaties. Daar staat
tegenover dat de lidstaten met laagrenderende obligaties mogelijk meer
rendement moeten gaan bieden op hun obligaties als een verbetering van het
kredietrisico van de huidige emittenten van hoogrenderende obligaties
uitblijft. In principe zouden de liquiditeitspremievoordelen via secundaire
compensatiebetalingen herverdeeld kunnen worden, maar als de governance niet
verbetert, kan de algehele kredietkwaliteit van de schuld van het eurogebied
zelfs verslechteren vanwege een zwakkere marktdiscipline, voor zover de huidige
lidstaten met laagrenderende obligaties te maken zouden krijgen met hogere financieringskosten.
1.2.5.
Versterking van de rol van de euro in het mondiale
financiële stelsel
Stabiliteitsobligaties zouden
portfoliobeleggingen in de euro bevorderen en zorgen voor een evenwichtiger
mondiaal financieel stelsel. De markt voor
VS-schatkistpapier en de totale staatsobligatiemarkt van het eurogebied zijn
qua omvang vergelijkbaar, maar de versnippering van emissies in euro heeft tot
gevolg dat veel grotere volumes schatkistobligaties beschikbaar zijn dan bij
welke individuele nationale emittent dan ook in het eurogebied. Gemiddeld is de
emissieomvang van tienjarige VS-staatsobligaties sinds 1999 bijna tweemaal zo
groot geweest als de emissieomvang van de Duitse Bund en zelfs nog groter als
deze wordt vergeleken met die van enige andere EU-lidstaat. Afgaande op de
beschikbare gegevens zijn de handelsvolumes op de markt voor kortlopend
VS-schatkistpapier ook een veelvoud van die van overeenkomstige markt in het
eurogebied, waar de liquiditeit is verschoven naar het derivatensegment. Een
grote liquiditeit is een van de factoren die bijdraagt aan de prominente en
bevoorrechte rol van VS-schatkistpapier in het mondiale financiële stelsel
(gesteund door de VS-dollar als de enige internationale reservemunt), waardoor
institutionele beleggers worden aangetrokken. De grotere emissievolumes en
liquidere secundaire markten die door de emissie van stabiliteitsobligaties
zouden ontstaan, zouden dus de positie van de euro als internationale
reservemunt versterken.
1.3.
Stabiliteitsobligaties: de voorwaarden
Hoewel stabiliteitsobligaties substantiële
voordelen zouden opleveren op het gebied van financiële stabiliteit en
economische efficiëntie, blijft het wel van essentieel belang dat mogelijke
nadelen worden aangepakt. Daartoe moet worden voldaan
aan een aantal belangrijke economische, juridische en technische voorwaarden.
Deze voorwaarden, waaronder mogelijk wijzigingen van het Verdrag en ingrijpende
aanpassingen van de institutionele opzet van de EMU en de Europese Unie, worden
hieronder nader besproken.
1.3.1.
Beperking van de moral hazard
Stabiliteitsobligaties mogen niet leiden
tot een verslapping van de begrotingsdiscipline in de eurolidstaten. Een opvallend kenmerk van de periode vanaf de lancering van de euro is
de inconsistente marktdiscipline in de deelnemende lidstaten. De sterke
convergentie van de rendementen van eurogebiedobligaties in het eerste
decennium van de euro is achteraf gezien niet terecht geweest gezien de
uiteenlopende prestaties van de lidstaten op begrotingsgebied. Vanaf 2009 heeft
er een abrupte correctie plaatsgevonden, die mogelijk iets te ver is
doorgeschoten. Ondanks deze inconsistentie bevestigt de recentere ervaring dat
de markten een disciplinerend effect kunnen sorteren op het begrotingsbeleid
van de verschillende eurolidstaten. Met bepaalde vormen van
stabiliteitsobligaties zou een dergelijke discipline verminderen of zelfs
geheel verloren gaan wanneer eurolidstaten het kredietrisico voor een deel van
hun staatsschuld of hun gehele staatsschuld zouden poolen. Er bestaat dus kans
op een moral hazard. Dat aan een gemeenschappelijke emissie een moral hard is
verbonden komt doordat een individueel gebrek aan begrotingsdiscipline ten
laste komt van alle deelnemers. Aangezien de uitgifte van
stabiliteitsobligaties de marktdiscipline kan verzwakken, is een ingrijpende
wijziging van het kader voor economische governance in het eurogebied vereist. Aanvullende waarborgen voor de houdbaarheid van de overheidsfinanciën
zijn dus noodzakelijk. Deze waarborgen moeten niet alleen gericht zijn op de
begrotingsdiscipline, maar ook op het economisch concurrentievermogen (zie
hoofdstuk 3). Hoewel het nieuwe maatregelenpakket voor de economische
governance al een duidelijke waarborg bevat die nog verder moet worden
versterkt met nieuwe verordeningen op basis van artikel 136[9], moeten in het kader van de
stabiliteitsobligaties mogelijk nog verdere stappen worden gezet, met name als
een pooling van het kredietrisico daar deel van gaat uitmaken. Als
stabiliteitsobligaties zouden worden gezien als een middel om zich aan de
marktdiscipline te onttrekken, zouden de lidstaten en de beleggers er
vraagtekens bij plaatsen en deze mogelijk niet accepteren. Hoewel een prudent begrotingsbeleid in goede
tijden en een snelle correctie wanneer van dat traject wordt afgeweken, de kern
vormen van een verantwoorde, op stabiliteit gerichte beleidsvorming, is uit de
ervaring gebleken dat bredere macro-economische onevenwichtigheden, waaronder
een verlies aan concurrentievermogen, zeer negatief kunnen uitwerken op de
overheidsfinanciën. Daarom moet de nauwere beleidscoördinatie die met de
invoering van de stabiliteitsobligaties noodzakelijk wordt, ook betrekking
hebben op de voorkoming en correctie van schadelijke macro-economische
onevenwichtigheden. Ervoor zorgen dat de kredietkwaliteit hoog
is en dat alle lidstaten profijt hebben van stabiliteitsobligaties Stabiliteitsobligaties moeten een hoge
kredietkwaliteit hebben. Alleen dan zullen ze door beleggers worden
geaccepteerd. Stabiliteitsobligaties moeten zo worden
ontworpen en uitgegeven dat beleggers deze als een zeer veilige belegging zien.
Derhalve is het voor de acceptatie en het welslagen van stabiliteitsobligaties
van groot belang dat deze een zo hoog mogelijke rating krijgen. Een lage rating
kan ongunstige gevolgen hebben voor de prijsstelling ervan (hoger rendement dan
anders) en voor de bereidheid van beleggers om emissies in voldoende grote
hoeveelheden af te nemen. Dit zou met name het geval zijn als nationale
AAA-emissies blijven bestaan en dus naast stabiliteitsobligaties komen te staan
en daarmee concurreren. Een hoge kredietkwaliteit is ook nodig voor de
vestiging van stabiliteitsobligaties als een internationale benchmark en voor
de ontwikkeling en efficiënte werking van de daaraan gerelateerde markten voor
futures en opties[10].
In dit verband moet de constructie van stabiliteitsobligaties transparant
genoeg zijn om beleggers in staat te stellen de prijs van de onderliggende
garanties in te schatten. Anders bestaat er gevaar dat beleggers sceptisch
worden over het nieuwe instrument en dat de rendementen aanzienlijk hoger
uitvallen dan de huidige rendementen voor de meer kredietwaardige lidstaten. Voor de acceptatie van
stabiliteitsobligaties door alle eurolidstaten is het ook van belang dat een
hoge kredietkwaliteit gewaarborgd is. Een belangrijk
probleem in dit verband is de vraag hoe de risico's en de winsten over de
lidstaten worden verdeeld. In bepaalde vormen kunnen stabiliteitsobligaties
ertoe leiden dat de financieringskosten voor lidstaten met een
kredietwaardigheid die op dit moment lager dan gemiddeld is, lager gaan
uitvallen, terwijl lidstaten met een hoge kredietrating er zelfs netto op
achteruit gaan indien het effect van de samenvoeging van het risico sterker is
dan de positieve liquiditeitseffecten. Daarom zullen stabiliteitsobligaties in
de lidstaten die al een AAA-rating hebben, alleen op steun kunnen rekenen,
indien het nieuwe instrument een even hoge kredietkwaliteit krijgt zodat de
financieringskosten voor hun schuld niet zullen oplopen. Zoals al eerder aangegeven,
hangt dit opnieuw af van de vraag of de moral hazard met succes wordt
teruggedrongen. De acceptatie van stabiliteitsobligaties kan verder worden
gewaarborgd door een mechanisme waarmee de financieringsvoordelen worden
herverdeeld over de lidstaten met een hogere rating en die met een lagere
rating (zie kader 2). De kredietrating van stabiliteitsobligaties
hangt in de eerste plaats af van de kredietkwaliteit van de deelnemende
lidstaten en de onderliggende garantiestructuur[11]. – Met individuele (niet gezamenlijke) garanties wordt elke
lidstaat op basis van een bepaalde verdeelsleutel[12] aansprakelijk voor zijn deel
van de verplichtingen in het kader van de stabiliteitsobligatie. Als de
lidstaten gewoon een specifieke rating blijven krijgen, zal een downgrade van
een grote lidstaat hoogstwaarschijnlijk resulteren in een overeenkomstige
downgrade van de stabiliteitsobligatie, hoewel dit niet noodzakelijkerwijs een
weerslag zal hebben op de rating van de andere lidstaten. Onder de huidige
omstandigheden met slechts zes AAA-eurolidstaten zal een stabiliteitsobligatie
met deze garantiestructuur hoogstwaarschijnlijk geen AAA-kredietrating krijgen
en kan deze zelfs gewaardeerd worden met een rating die overeenkomt met die van
de laagst gewaardeerde lidstaat, tenzij deze met een kredietversterking wordt
gesteund. – Met individuele (niet gezamenlijke) garanties versterkt met een
hogere rangorde en met zekerheden blijft elke garanderende lidstaat ook
aansprakelijk voor zijn deel van de stabiliteitsobligatie-emissie. Om ervoor te
zorgen dat stabiliteitsobligaties altijd worden afgelost, zelfs bij
wanbetaling, kunnen de lidstaten een aantal vormen van kredietversterking in
overweging nemen. Ten eerste kan een hogere rangorde worden toegekend aan een
stabiliteitsobligatie-emissie. Ten tweede kunnen stabiliteitsobligaties deels
van een onderpand worden voorzien (bijv. contanten, goud of aandelen van
overheidsbedrijven). Ten derde kunnen bepaalde inkomstenstromen worden
geoormerkt voor de financiering van de schuldendienstkosten van de
stabiliteitsobligaties. Daardoor zouden de stabiliteitsobligaties een
AAA-rating kunnen krijgen. Wel zullen de ratings voor de nationale obligaties
van minder kredietwaardige lidstaten dan waarschijnlijk verhoudingsgewijs
verslechteren. – Met hoofdelijke (d.w.z. individuele én gezamenlijke) garanties
is elke garanderende lidstaat niet alleen aansprakelijk voor zijn deel van de
stabiliteitsobligatie-emissie, maar ook voor het deel van een andere lidstaat
die zijn verplichtingen niet nakomt[13].
Zelfs met deze garantiestructuur kan niet volledig worden uitgesloten dat de
rating van de stabiliteitsobligaties onder druk komt te staan, indien een
beperkt aantal AAA-lidstaten omvangrijke verplichtingen van andere lidstaten
met een lagere rating zouden moeten garanderen. Ook bestaat de kans dat er in
een extreme situatie een cascade van ratingverlagingen op gang komt, wanneer
bijvoorbeeld een downgrading van een grotere AAA-lidstaat resulteert in een
downgrading van de stabiliteitsobligatie, hetgeen weer een weerslag kan hebben
op de ratings van de andere deelnemende lidstaten. Daarom is het van essentieel
belang dat de begrotingsdiscipline in de deelnemende lidstaten via een kader
voor een krachtige economische governance (en mogelijkerwijs een hogere
rangorde van stabiliteitsobligaties ten opzichte van nationale obligaties
wanneer nationale obligaties zouden blijven bestaan) op passende wijze wordt
gewaarborgd. Kader 2: Mogelijke herverdeling van de financieringsvoordelen over de
lidstaten Het gevaar van moral hazard dat verbonden is aan een
stabiliteitsobligatie-emissie met gezamenlijke garanties kan worden ondervangen
met een mechanisme waarbij een aantal financieringsvoordelen van een
stabiliteitsobligatie-emissie worden herverdeeld over de lidstaten met een hogere
rating en die met een lagere rating. Zo'n mechanisme kan de emissie van
stabiliteitsobligaties tot een win-win-voorstel maken voor alle eurolidstaten.
Dit kan worden aangetoond aan de hand van een eenvoudig voorbeeld met twee
lidstaten: De staatsschuld van beide landen bedraagt 2 miljard euro, maar lidstaat
A biedt een rendement van 2% en lidstaat B een rendement van 5% op een
nationale emissie met een looptijd van vijf jaar. Met een
stabiliteitsobligatie-emissie worden beide lidstaten volledig gefinancierd. De
obligaties hebben een looptijd van vijf jaar en een rente van 2%. Van deze
emissie krijgen beide lidstaten 50%. Een deel van het financieringsvoordeel dat lidstaat B dankzij de
stabiliteitsobligatie-emissie zou genieten, kan naar lidstaat A gaan.
Bijvoorbeeld lidstaat A krijgt een korting van 100 basispunten, die kan worden
gefinancierd uit de premie van 300 basispunten voor lidstaat B. Met de
stabiliteitsobligatie kan lidstaat A dus tegen een rendement van 1% en lidstaat
B tegen een rendement van 3% worden gefinancierd. Beide lidstaten hebben nu in
vergelijking met een nationale emissie lagere financieringskosten. Het spreekt vanzelf dat het mechanisme voor een interne verdeling van
de baten van een stabiliteitsemissie geformuleerd moet worden, maar gekoppeld
moet worden aan de relatieve budgettaire resultaten in het kader van het kader
voor economische governance in het eurogebied.
1.3.2.
Waarborging van de consistentie met het EU-Verdrag
Voor een geslaagde invoering van de
stabiliteitsobligatie is het van essentieel belang dat er sprake is van
consistentie met het EU-Verdrag. Ten eerste mogen
stabiliteitsobligaties niet in strijd zijn met het in het Verdrag vastgelegde
verbod op de "redding" van lidstaten. De verenigbaarheid van
stabiliteitsobligaties met het huidige Verdragskader hangt af van de specifieke
gekozen vorm. In enkele opties kan het nodig zijn om de desbetreffende
Verdragsbepalingen te wijzigen. Krachtens artikel 125 van het Verdrag
betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) mag een lidstaat geen
verplichtingen van een andere lidstaat overnemen. De emissie van stabiliteitsobligaties met
hoofdelijke garanties zou a priori leiden tot een situatie waarin het verbod op
de redding van een lidstaat wordt overtreden. In een
dergelijke situatie zou een lidstaat namelijk, ongeacht zijn "gewone"
verdeelsleutel, aansprakelijk worden gesteld, mocht een andere lidstaat niet
meer in staat zijn om zijn financiële verbintenissen na te komen. In dat geval
is dus een wijziging van het Verdrag nodig. Daarvoor kan de vereenvoudigde
procedure worden gevolgd, indien een agentschap voor het beheer van de
gemeenschappelijke schuld van het eurogebied binnen een intergouvernementeel
kader zou worden opgezet, maar zou hoogstwaarschijnlijk de gewone procedure
moeten worden gevolgd, indien zo'n agentschap rechtstreeks onder EU-recht zou
worden gebracht, aangezien in dat geval de EU-bevoegdheden zouden worden
uitgebreid. Tenzij een specifieke grondslag wordt vastgesteld in het Verdrag,
zou voor een op het EU-recht gebaseerde aanpak waarschijnlijk artikel 352 VWEU
moeten worden toegepast, hetgeen unanieme goedkeuring van de Raad en instemming
van het Europees Parlement impliceert. Voor de emissie van
stabiliteitsobligaties en de nauwere economische en budgettaire coördinatie die
nodig is voor het welslagen ervan, zullen hoogstwaarschijnlijk ook ingrijpende
wijzigingen in het nationaal recht van een aantal lidstaten nodig zijn[14]. Binnen de bestaande Verdragsbepalingen is
een emissie van stabiliteitsobligaties met individuele maar zonder gezamenlijke
garanties mogelijk. Zo kunnen een substantiële
verhoging van het goedgekeurde leningvolume van het ESM (Europees
Stabiliteitsmechanisme), alsmede een wijziging van de leenvoorwaarden zodat het
de op de markten geleende bedragen weer kan uitlenen aan alle eurolidstaten,
zodanig worden opgezet dat dit verenigbaar blijft met artikel 125 VWEU, mits de
ESM-verdeelsleutel als zodanig ongewijzigd blijft. Hetzelfde geldt voor
emissies van een eventueel agentschap voor het beheer van de gemeenschappelijke
schuld, waarvan de verplichtingen strikt beperkt blijven tot het principe van
evenredigheid. Het Verdrag moet ook gewijzigd worden
indien het de bedoeling is om het kader voor economische governance te
verdiepen. Afhankelijk van de specifieke kenmerken van
stabiliteitsobligaties moeten de governance en het toezicht op budgettair en
economisch gebied worden versterkt om moral hazard te voorkomen. Voor meer
kwalitatieve wijzigingen in de governance die verder gaan dan het pakket voorstellen
van 23 november, zal het waarschijnlijk nodig zijn om het Verdrag te wijzigen.
In hoofdstuk 3 worden de opties voor een dergelijke versterking van de
budgettaire governance nader besproken.
2.
Opties voor de emissie van stabiliteitsobligaties
Er zijn tal van opties voor de emissie van
stabiliteitsobligaties voorgesteld, met name sinds het uitbreken van de
schuldencrisis in het eurogebied. Deze opties kunnen
echter doorgaans in drie brede benaderingen worden ingedeeld, die berusten op
de mate van vervanging van nationale emissies (geheel of gedeeltelijk) en op de
aard van de onderliggende garantie (hoofdelijk of individueel). Deze drie brede
benaderingen zijn[15]:
(1)
de volledige vervanging van nationale emissies door
stabiliteitsobligatie-emissies, met hoofdelijke (d.w.z. gezamenlijke en
individuele) garanties; (2)
de gedeeltelijke vervanging van nationale emissies
door stabiliteitsobligatie-emissies, met hoofdelijke garanties; (3)
de gedeeltelijke vervanging van nationale emissies
door stabiliteitsobligatie-emissies, met individuele, maar zonder gezamenlijke
garanties. In dit hoofdstuk worden de drie benaderingen
getoetst aan de in hoofdstuk 1 genoemde voordelen en voorwaarden.
2.1.
Benadering nr. 1: een volledige vervanging van
nationale emissies door stabiliteitsobligatie-emissies, met hoofdelijke
garanties
In deze benadering vindt de
overheidsfinanciering in het eurogebied volledig plaats door emissies van
stabiliteitsobligaties en worden nationale emissies stopgezet. De lidstaten kunnen stabiliteitsobligaties op gedecentraliseerde basis
via een gecoördineerde procedure uitgeven, maar het zou efficiënter zijn om één
agentschap voor de schuld van het eurogebied op te zetten[16]. Dit gecentraliseerde
agentschap geeft dan op de markt stabiliteitsobligaties uit en verdeelt de
opbrengsten onder de lidstaten op basis van hun financieringsbehoeften. Op
dezelfde basis zorgt het agentschap voor de schuldendienst van de
stabiliteitsobligaties door rente en aflossing bij de lidstaten te innen. De
stabiliteitsobligaties worden uitgegeven met hoofdelijke garanties van alle
lidstaten van het eurogebied, hetgeen neerkomt op een pooling van hun
kredietrisico. Gezien de hoofdelijke aard van de garanties zal de kredietrating
van de grotere eurolidstaten een overheersende invloed hebben bij de
vaststelling van de rating van de stabiliteitsobligatie, hetgeen zou betekenen
dat van een vandaag uitgegeven stabiliteitsobligatie mag worden aangenomen dat
deze een hoge kredietrating zal hebben. Niettemin moeten de opzet van de
tegengaranties in stabiliteitsobligaties en de implicaties voor de
kredietrating en de rendementen aan een nadere analyse worden onderworpen. In deze benadering worden de voordelen van
emissies van stabiliteitsobligaties op de meest effectieve wijze gerealiseerd. Een volledige vervanging van nationale emissies door
stabiliteitsobligatie-emissies zou een volledige herfinanciering voor alle
lidstaten waarborgen ongeacht de staat waarin hun nationale overheidsfinanciën
verkeren. Aldus kan een einde komen aan de ernstige liquiditeitskrapte waarmee
een aantal lidstaten thans worstelen, en zal deze voortaan niet meer voorkomen.
In deze benadering ontstaat ook een omvangrijke, homogene markt voor
stabiliteitsobligaties, die belangrijke voordelen oplevert op het gebied van
liquiditeit en de liquiditeitsrisicopremie, welke lager zal uitvallen. De
nieuwe stabiliteitsobligaties zouden ook een gemeenschappelijke
benchmarkobligatie voor het eurogebied en daarmee een efficiënter
referentiekader voor de inschatting van risico's in het gehele financiële
stelsel van het eurogebied bieden. Doordat de financiële instellingen in alle
lidstaten verzekerd zijn van hoogwaardige overheidsgerelateerde zekerheden, zal
een gemeenschappelijke emissie maximaal voordeel opleveren wat betreft de
verbetering van de veerkracht van het financiële stelsel in het eurogebied en
van de transmissie van het monetaire beleid. In deze benadering vormen
stabiliteitsobligaties voor het mondiale financiële stelsel een veilige haven
met een omvang en liquiditeit die vergelijkbaar zijn met die van de VS-markt
voor schatkistpapier, en versterken ze dus de internationale rol van de euro op
de meest effectieve wijze. Tegelijk is het gevaar van moral hazard in
deze benadering het grootst. Sommige lidstaten kunnen
dan meeliften op de discipline van andere lidstaten, zonder dat dit gevolgen
heeft voor hun eigen financieringskosten. Daarom moet deze benadering vergezeld
gaan van een uiterst robuust kader dat zorgt voor budgettaire discipline,
economisch concurrentievermogen en een terugdringing van macro-economische
onevenwichtigheden op nationaal niveau. Zo'n kader vereist een nieuwe grote
stap op weg naar economische, financiële en politieke integratie. Deze
ambitieuze benadering voor de emissie van stabiliteitsobligaties zal zonder dit
kader waarschijnlijk echter niet uitmonden in een resultaat dat acceptabel is
voor de lidstaten en beleggers. Gezien de hoofdelijke garanties voor de
stabiliteitsobligatie en gezien de vereiste soliditeit van het onderliggende
kader voor de begrotingsdiscipline en het economische concurrentievermogen zijn
Verdragswijzigingen in deze benadering vrijwel zeker noodzakelijk. Ook moet in deze benadering de perimeter
van het via stabiliteitsobligaties uit te geven schuldpapier worden bepaald. In diverse lidstaten geven niet alleen de centrale overheid, maar ook
regionale en gemeentelijke overheden obligaties uit[17]. In beginsel kan worden
gekozen voor subnationale emissies. Het duidelijke nut daarvan is dat de
potentiële voordelen op het gebied van marktstabiliteit, liquiditeit en
integratie toenemen. Ook is het verenigbaar met de EU-aanpak voor
begrotingstoezicht, die de schuld en tekorten van de gehele overheid omvat.
Daar staat tegenover dat de pooling van emissies van alleen de centrale
overheden mogelijk een transparantere en veiligere regeling oplevert. Gegevens
van centrale overheden zijn immers doorgaans gemakkelijker te verkrijgen dan
die van de lokale overheden. Voorts gelden emissies dan alleen voor tekorten
waarop centrale overheden volledig invloed kunnen uitoefenen. Zuiver en alleen
vanuit marktoogpunt gezien treden dergelijke stabiliteitsobligaties dan alleen
in de plaats van de algemeen bekende obligaties van centrale overheden, hetgeen
de beoordeling en waardering van de nieuwe stabiliteitsobligaties zou
vergemakkelijken[18].
Het faseringsproces in deze benadering kan
op verschillende wijzen worden georganiseerd, afhankelijk van het gewenste
invoeringstempo. Bij een versnelde invoering vinden
nieuwe emissies volledig plaats in de vorm van stabiliteitsobligaties en kunnen
uitstaande staatsobligaties worden geconverteerd in nieuwe
stabiliteitsobligaties, d.w.z. in de vorm van een omzetting van een bepaald
bedrag aan nationale staatsobligaties in ruil voor nieuwe
stabiliteitsobligaties. Het grootste voordeel van deze optie is dat vrijwel
onmiddellijk een liquide markt met een volledige benchmarkrendementscurve
ontstaat. De terugkoop van bestaande obligaties kan ook de huidige acute
financieringsproblemen van de lidstaten met een hoge schuld en een hoge rente
verlichten. Wel gaat het mogelijk om een gecompliceerde operatie en is een
zorgvuldige ijking van de conversiekoers noodzakelijk teneinde de markt zo min
mogelijk te verstoren. Het alternatief is een meer geleidelijke regeling,
waarbij nieuwe bruto-emissies voor elke lidstaat geheel of zelfs slechts
gedeeltelijk in stabiliteitsobligaties plaatsvinden, terwijl de nog uitstaande
staatsobligaties van het eurogebied in omloop blijven op de secundaire markt.
Daardoor kan de markt gewend raken aan het nieuwe instrument en
analytische/prijsstellingsinstrumenten ontwikkelen, waarmee de kans op
marktverstoringen afneemt. Wel duurt het in deze variant een aantal jaren
(afhankelijk van de looptijd van de nog uitstaande obligaties) om een volledige
stabiliteitsobligatiemarkt op te bouwen, en duurt het dus ook langer voordat
profijt kan worden getrokken. Het segment aan uitstaande obligaties wordt
geleidelijk kleiner, aangezien ze worden vervangen door stabiliteitsobligaties
en nieuw uitgegeven nationale obligaties. Omdat de algehele liquiditeit van dit
segment in de loop der tijd navenant zal teruglopen, kan de liquiditeitspremie
op bestaande obligaties geleidelijk gaan stijgen. Door de noodzaak om het Verdrag te wijzigen,
kan de implementatie van deze benadering veel tijd kosten.
2.2.
Benadering nr. 2: gedeeltelijke vervanging van
nationale emissies door stabiliteitsobligatie-emissies, met hoofdelijke
garanties
In deze benadering wordt de
stabiliteitsobligatie-emissie geschraagd door hoofdelijke garanties, maar
vervangen ze slechts een beperkt deel van de nationale emissies. Voor het deel van de emissie dat niet in stabiliteitsobligaties
plaatsvindt, blijven nationale garanties gelden. Deze benadering voor
gemeenschappelijke emissie staat bekend onder de naam "blauw-rode
benadering"[19].
De staatsobligatiemarkt in het eurogebied bestaat dan dus uit twee aparte
delen: – Stabiliteitsobligaties (ofwel "blauwe
obligaties"): de emissie van stabiliteitsobligaties vindt slechts plaats
tot een bepaalde, van tevoren bepaalde hoogte en omvat dus niet
noodzakelijkerwijs de volledige financieringsbehoeften van alle lidstaten. Deze
obligaties komen in aanmerking voor een hoofdelijke garantie en brengen dus een
uniform herfinancieringspercentage voor alle lidstaten mee[20]. – Nationale staatsobligaties ("rode
obligaties"). De overige emissies die nodig zijn voor de financiering van
de nationale begrotingen, vinden op nationaal niveau met nationale garanties
plaats. Daardoor krijgen nationale obligaties, in elk geval de facto, een
lagere rangorde dan stabiliteitsobligaties, omdat stabiliteitsobligaties worden
gedekt door hoofdelijke garanties[21].
De omvang van de nationale emissies van elke lidstaat hangt af van de
overeengekomen gemeenschappelijke uitgifte van stabiliteitsobligaties, en van
zijn algehele herfinancieringsbehoefte. Afhankelijk van de omvang van deze
resterende nationale obligatiemarkten en ‑emissies en van de
kredietkwaliteit van een land hebben deze nationale obligaties een
landenspecifieke liquiditeit en landenspecifieke kredietkenmerken en dus
uiteenlopende marktrendementen, ook omdat het kredietrisico van de overheid
voor het grootste deel geconcentreerd is in de nationale obligaties en het
kredietrisico dus toeneemt[22].
De versterkte marktdruk op nationale emissies zorgt voor marktdiscipline. Een belangrijk probleem is de vraag op basis
van welke criteria het emissieaandeel van stabiliteitsobligaties en dat van
nationale obligaties moeten worden vastgesteld. De
belangrijkste opties zijn: – Een systeem dat alleen op vaste regels berust: Elke lidstaat krijgt dan bijvoorbeeld recht op een bedrag aan
stabiliteitsobligaties dat gelijk is aan een bepaald percentage van zijn bbp.
Dit percentage kan het in het Verdrag vastgelegde criterium van 60% zijn. Een
belangrijke dimensie waarmee rekening moet worden gehouden, is de concentratie
van het risico in het nationale deel (met een lagere rangorde), dat afhangt van
de omvang van de gemeenschappelijke emissie (hoe hoger het aandeel van de
stabiliteitsobligatie-emissies, des te hoger het risico dat verbonden is aan de
resterende nationale emissies). Om een buitensporig kredietrisico van de
nationale emissies te vermijden zonder dat de liquiditeitsvoordelen van
gemeenschappelijke emissies tenietgaan, kan het passend zijn om de bovengrens
op een voorzichtiger niveau vast te stellen. – Een flexibeler systeem dat berust op de naleving van de beleidsregels: Het maximumbedrag aan stabiliteitsobligatie-emissies van een lidstaat
wordt dan vastgesteld zoals hierboven beschreven, maar de bovengrens kan te
eniger tijd worden gekoppeld aan de mate waarin een lidstaat de regels en
aanbevelingen op basis van het governancekader voor het eurogebied naleeft.
Niet-naleving kan dan worden gesanctioneerd door de bovengrens voor het aangaan
van schulden in stabiliteitsobligaties voor de lidstaat in kwestie (eventueel
automatisch) te verlagen (zie ook deel 3). Dit systeem dient dan ook als een
quasiautomatische stabilisator van de kredietkwaliteit van de
stabiliteitsobligaties, aangezien het desbetreffende aandeel van de lidstaten
die budgettair onder de maat presteren, wordt verlaagd. De geloofwaardigheid van de bovengrens voor
stabiliteitsobligatie-emissies is in dit verband een belangrijk aandachtspunt. Zodra de toewijzing aan blauwe obligaties is uitgeput, kunnen de financieringskosten
voor de lidstaat fors stijgen. Dit kan resulteren in politieke druk om de
bovengrens op te trekken. Tenzij er krachtige waarborgen bestaan om een
dergelijke druk te weerstaan, kunnen de disciplinerende effecten van de
blauw-rode benadering grotendeels tenietgaan omdat ingespeeld wordt op het feit
dat de bovengrens "zacht" is. Daarom is het, ongeacht de criteria aan
de hand waarvan de bovengrens voor de stabiliteitsobligatie-emissie zal worden
bepaald, van essentieel belang dat aan deze bovengrens wordt vastgehouden en
dat deze niet op arbitraire basis, dat wil zeggen na politieke druk, wordt
aangepast. Deze benadering voor
stabiliteitsobligatie-emissies is minder ambitieus dan de benadering op basis
van een volledige emissie, en levert dus minder economische en financiële
voordelen op. Aan stabiliteitsobligaties zal een zeer
laag kredietrisico verbonden zijn door de hogere rangorde ervan in vergelijking
met nationale obligaties en door de garantiestructuur. Dit zal tot uiting komen
in hoge kredietratings (bijv. AAA). Het rendement op de stabiliteitsobligaties
zal dus vergelijkbaar zijn met de rendementen op de bestaande
AAA-staatsobligaties in het eurogebied. Daardoor zullen ze navenante voordelen
opleveren voor de financiële stabiliteit, voor de transmissie van het monetaire
beleid en voor de internationale rol van de euro, zij het minder dan in de
ambitieuzere benadering waarbij nationale emissies volledig worden vervangen
door stabiliteitsobligatie-emissies. Aangezien het waarschijnlijk een aantal
jaren zal duren voordat de lidstaten hun overeengekomen bovengrens voor de
emissie van stabiliteitsobligaties in de opbouwfase bereiken, hebben alle
lidstaten in deze opstartperiode via de stabiliteitsobligaties een zeer brede
toegang tot de financiële markten. Daarmee zullen zij dus een tijd lang niet te
kampen krijgen met mogelijke liquiditeitskraptes, maar tegelijk ontstaat in
deze periode dan dezelfde moral hazard als die waarop is gewezen in hoofdstuk
2.1 in het kader van de volledige emissies. Aangezien deze lidstaten op een
gegeven moment weer moeten terugkeren naar nationale emissies, namelijk wanneer
de bovengrens voor de stabiliteitsobligaties is bereikt, moeten zij de
zekerheid bieden dat zij in deze tijd de nodige budgettaire aanpassingen en
structurele hervormingen doorvoeren om beleggers gerust te stellen en aldus ook
na de introductieperiode toegang tot de markten te blijven houden. De
rendementen op de nieuw uitgegeven nationale obligaties zullen echter stijgen
vanwege de lagere rangorde ervan. Naar verwachting zal er, ervan uitgaande dat
een redelijk hoog aandeel aan stabiliteitsobligatie-emissie is bereikt,
uiteindelijk een liquide markt ontstaan, zij het minder liquide dan wanneer
alle emissies in stabiliteitsobligaties zouden plaatsvinden, aangezien de
resterende nationale obligaties ook een bepaald marktaandeel zullen behouden. Daar staat tegenover dat de voorwaarden
voor stabiliteitsobligatie-emissies in deze benadering iets minder bindend
zullen zijn. Een bovengrens voor stabiliteitsobligatie-emissies
zal leiden tot een vermindering van de moral hazard omdat er een zekere
marktdiscipline blijft bestaan via de resterende nationale emissies. Er is
echter geen sprake van een eenduidige relatie tussen moral hazard,
marktdiscipline en besmettingsrisico's bij de bepaling van een passende
bovengrens voor stabiliteitsobligaties. Een betrekkelijk lage bovengrens voor
stabiliteitsobligaties (met dus een hoog bedrag aan resterende nationale
emissies) beperkt de moral hazard, maar de lidstaten met een hoge schuld kunnen
dan wel kwetsbaar blijven in die zin dat er wanbetaling op hun nationale
emissies kan ontstaan, met alle catastrofale gevolgen van dien. Zo'n
catastrofale wanbetaling zou besmettingsgevaren meebrengen voor het eurogebied
als geheel. Een betrekkelijk hoge bovengrens voor stabiliteitsobligaties (met
dus een gering bedrag aan resterende nationale emissies) brengt een grotere
kans op moral hazard mee, maar sluit een wanbetaling van een lidstaat niet uit,
zij het dat deze voor het eurogebied als geheel minder catastrofale gevolgen
heeft en tot minder besmettingsgevaar leidt. Een solide kader voor de
handhaving van de begrotingsdiscipline en het economisch concurrentievermogen
zal nodig blijven ter ondersteuning van stabiliteitsobligatie-emissies, hoewel
dankzij de marktdiscipline die voortvloeit uit het feit dat er nationale
emissie blijven bestaan, mogelijk een minder dramatische overdracht van
soevereiniteit nodig is dan in de benadering van een volledige emissie van
stabiliteitsobligaties. Daarnaast wordt de vermoedelijke kredietkwaliteit van
de stabiliteitsobligatie ook bepaald door de gekozen bovengrens. Een
betrekkelijk lage bovengrens is gunstig voor de kredietkwaliteit van
stabiliteitsobligaties omdat het bedrag aan schuld dat onder de krachtigere
hoofdelijke garanties valt, lager is[23].
Vanwege de hoofdelijke garantie voor de stabiliteitsobligatie is het vrijwel
zeker dat het Verdrag moet worden gewijzigd. Het faseringsproces kan ook in deze
benadering op verschillende wijzen worden georganiseerd, afhankelijk van het
gewenste invoeringstempo. Bij een versnelde invoering
wordt een bepaald percentage aan uitstaande staatsobligaties in het eurogebied
op een van te voren vastgestelde datum aan de hand van van tevoren vastgestelde
factoren vervangen door stabiliteitsobligaties. In dat geval zouden al
snel een kritische massa aan uitstaande stabiliteitsobligaties en een voldoende
liquide markt met een volledige benchmarkrendementscurve tot stand komen. Wel
kan een en ander betekenen dat de meeste lidstaten bij de omzetting meteen hun
bovengrens bereiken en dat zij zich dan toch met nationale obligaties op de
kapitaalmarkt moeten begeven. Onder de huidige marktomstandigheden kan dit voor
een aantal lidstaten bezwaarlijk zijn. Bij een geleidelijkere invoering zouden
alle (of vrijwel alle) nieuwe bruto-emissies voor de lidstaten in
stabiliteitsobligaties kunnen plaatsvinden tot de beoogde bovengrens voor de
emissie van stabiliteitsobligaties wordt bereikt. Aangezien in deze aanpak een
aantal jaren lang alleen (of vrijwel alleen) stabiliteitsobligaties worden
uitgegeven, zal de marktdruk afnemen en krijgen kwetsbare lidstaten tijd om
hervormingen door te voeren. Wel zullen zich in deze overgangsperiode
specifieke problemen voordoen, namelijk dat de schuld van landen met hoge
schulden doorgaans in een vrij omvangrijke en frequente mate doorrolt. Tenzij
andere afspraken worden gemaakt, zal bij de vervanging van hun schuld door
stabiliteitsobligaties de bovengrens sneller dan gemiddeld worden bereikt,
terwijl dit langer zal duren bij de landen met een schuld die onder de
bovengrens ligt. Derhalve zal het individuele risico dat gedekt wordt door een
mogelijke hoofdelijke garantie, in de overgangsfase aan de hoge kant zijn,
terwijl het liquiditeitseffect, dat de beloning zou moeten zijn voor de
AAA-landen, nog gering is. Daarmee moet dus rekening worden gehouden in de
governanceregelingen. Als alternatief kunnen van te voren jaarlijkse
bovengrenzen worden vastgesteld die langzaam oplopen van nul naar de gewenste
langetermijnwaarde. Vanwege de noodzaak om het Verdrag te
wijzigen, kan de implementatie van deze benadering eveneens heel wat tijd
vergen. Wel kan het implementatieproces minder ingewikkeld zijn en minder tijd
kosten dan in benadering nr. 1, omdat er minder ingrijpende wijzigingen in
het economische en budgettaire kader nodig zijn aangezien de markten in dit
concept nog gedeeltelijk een signalerende en disciplinerende rol blijven
spelen. Kader 3: Schuldaflossingspact en veilige obligaties Als concreet voorbeeld van de gedeeltelijke-emissiebenadering kan in
dit verband een voorstel van de Duitse Raad van economische wijzen worden
genoemd dat betrekking heeft op veilige obligaties. Het voorstel is gedaan in
het jaarverslag 2011/2012[24]
van deze raad en maakt deel uit van een schuldreductiestrategie voor het
eurogebied die erop gericht is de overheidschulden terug te dringen tot onder
de in het Verdrag van Maastricht vastgelegde bovengrens van 60%. Een van de pijlers van de strategie is een zogeheten
schuldaflossingsfonds. Dit fonds poolt de overheidsschulden welke uitstijgen
boven de 60% van het individuele nationale bbp van de eurolidstaten. Daarbij
wordt uitgegaan van gezamenlijke aansprakelijkheid. Elk deelnemend land wordt
verplicht om de overgedragen schuld over een periode van 20-25 jaar volgens een
bepaald consolidatietraject op eigen kracht af te lossen. Doordat er in de
aflossingsfase een gezamenlijke aansprakelijkheid geldt, zijn de gecreëerde
obligaties veilig. In de praktijk geeft het aflossingsfonds veilige obligaties
uit en worden de opbrengsten door de deelnemende landen gebruikt voor de
dekking van hun van tevoren overeengekomen financieringsbehoeften in verband
met de aflossing van uitstaande obligaties en met het aangaan van nieuwe leningen.
De schuldoverdracht verloopt derhalve geleidelijk, over een periode van zo'n
vijf jaar. De lidstaten met een schuld van meer dan 60% van het bbp hoeven in
de eerste fase dus niet op zoek naar marktfinanciering zolang ze zich houden
aan het van tevoren overeengekomen schuldreductietraject. Na de eerste fase
bestaat de uitstaande schuld in het eurogebied uit twee elementen: i) de
nationale schuld: de schuld tot aan 60% van het bbp en ii) de aan het fonds
overgedragen schuld: de restschuld na overdracht. In het midden blijft onder
meer welk risico het fonds loopt en wat de gevolgen zijn van de feitelijk
hogere rangorde die voortvloeit uit de zekerheidsstelling van de
fondsobligaties. Het door de raad ontwikkelde schuldaflossingspact combineert een (tijdelijke)
gemeenschappelijke emissie met strenge voorschriften voor de budgettaire
aanpassing. Het voorstel wijkt af van het voorstel voor stabiliteitsobligaties
van dit groenboek in die zin dat de gemeenschappelijke emissie van tijdelijke
aard is en alleen wordt gebruikt voor lidstaten met een overheidsschuld van
meer dan 60% van het bbp. De raad stelt met andere woorden een tijdelijk
financieringsinstrument voor dat alle eurolidstaten tijd en een financiële
adempauze geeft voor de terugdringing van hun schuld tot onder de 60% van het
bbp. Zodra dit doel wordt bereikt, worden het fonds en de veilige obligaties
automatisch geliquideerd. Veilige obligaties vormen dus een crisisinstrument en
geen instrument om te komen tot een permanente integratie van de markten voor
staatsobligaties in het eurogebied. Niettemin kan het schuldaflossingspact,
ondanks het tijdelijke karakter van dit instrument, bijdragen aan de aanpak van
het huidige schuldenprobleem.
2.3.
Benadering nr. 3: Gedeeltelijke vervanging van
nationale emissies door stabiliteitsobligatie-emissies, met individuele, maar
zonder gezamenlijke garanties
In deze benadering worden nationale
emissies eveneens vervangen door stabiliteitsobligaties die worden geschraagd
door proportionele garanties van de eurolidstaten[25].
Deze benadering wijkt af van benadering nr. 2 voor zover de lidstaten
aansprakelijk blijven voor hun aandeel in stabiliteitsobligatie-emissies en
voor hun nationale emissies. De problemen die verband houden met de opsplitsing
tussen stabiliteitsobligatie-emissies en nationale emissies, komen echter in
grote lijnen overeen. Deze benadering levert minder voordelen op
dan gemeenschappelijke emissies. Tegelijk hoeft echter aan minder voorwaarden
te worden voldaan. De moral hazard wordt afgezwakt
door de individuele, maar niet gezamenlijke garantie. De lidstaten kunnen bij
hun emissies niet profiteren van een mogelijk hogere kredietkwaliteit van
andere lidstaten. Voorts blijft een lidstaat, omdat hij nationale obligaties
blijft uitgeven, onderworpen aan een marktscreening en marktoordeel die een
extra en mogelijk soms krachtige aansporing zullen vormen om geen onverantwoord
begrotingsbeleid te voeren. Hoewel deze benadering de marktefficiëntie en
stabiliteit slechts in beperktere mate zal bevorderen, is deze wel
gemakkelijker en sneller inzetbaar. Vanwege de individuele, maar niet
gezamenlijke garanties zullen de lidstaten die aan een hoge marktrisicopremie
onderworpen zijn, aanzienlijk minder profiteren van de kredietwaardigheid van
de lidstaten die een laag rendement bieden, dan in benadering 2 en vooral in
benadering nr. 1. In dit opzicht zal de staatsschuldcrisis in het eurogebied
met benadering nr. 3 mogelijk minder sterk worden ingedamd en zullen de
mogelijke implicaties voor de financiële sector van een beperktere omvang zijn.
In tegenstelling tot de twee andere benaderingen kan deze benadering dankzij
het feit dat ze veel sneller kan worden geïmplementeerd, mogelijk echter van
nut zijn bij de aanpak van de huidige staatsschuldcrisis. Het voornaamste probleem bij deze
benadering is de aard van de garantie voor de stabiliteitsobligatie. Bij gebrek aan enige kredietversterking is de kredietkwaliteit van een
stabiliteitsobligatie met individuele, maar zonder gezamenlijke garanties
hooguit het (gewogen) gemiddelde van de kredietkwaliteit van de verschillende
eurolidstaten. Bepalend kan zelfs de kredietkwaliteit van de lidstaat met de
laagste rating zijn, tenzij de obligaties bij alle lidstaten een geloofwaardige
hogere rangorde hebben dan nationale emissies (zie hieronder). Daardoor kan de
acceptatie van het instrument door beleggers en door lidstaten met een hogere
rating onder druk komen te staan en kunnen de voordelen van
stabiliteitsobligaties worden ondermijnd, en met name de veerkracht ervan in
tijden van financiële spanningen. Om de acceptatie van de stabiliteitsobligatie
in deze benadering te vergroten, kan de kwaliteit van de onderliggende
garanties worden verhoogd. De lidstaten kunnen een
hogere rangorde toekennen aan de schuldendienst van stabiliteitsobligaties.
Voorts kunnen de lidstaten zekerheden bieden, zoals contant geld, goudreserves
(die in de meeste EU-lidstaten veel groter zijn dan nodig is) en de oormerking
van bepaalde belastingontvangsten voor de schuldendienst van
stabiliteitsobligaties. Meer dan in benadering nr. 2, waarin het
gemeenschappelijke deel wordt geschraagd door hoofdelijke garanties, hangt de
haalbaarheid van deze optie af van de hogere rangorde van de gemeenschappelijke
emittent en van een prudente limiet voor de gemeenschappelijke emissie.
Duidelijk is dat de implicaties van deze optie voor de huidige in omloop zijnde
obligaties, waarvoor mogelijk negatieve onderpandclausules gelden, zorgvuldig
moeten worden bestudeerd en passende oplossingen moeten worden gevonden. Terwijl de totale kosten van de schuld van
een land onder normale omstandigheden gelijk zouden moeten blijven of zouden
moeten teruglopen, zullen de marginale kosten stijgen.
Dit zou een stimulans moeten zijn om de moral hazard te bedwingen en
begrotingsdiscipline te betrachten, zelfs als de governance of het
begrotingstoezicht niet op een of andere wijze zouden worden versterkt. De
stabiliteitsobligatie zou, gekoppeld aan het onlangs vastgestelde
governancepakket, de effectiviteit ervan versterken indien de via gemeenschappelijke
emissies te financieren bedragen in nauwe samenhang met de in de
stabiliteitsprogramma's vastgelegde begrotingsdoelstellingen worden vastgesteld
en een krachtige stimulans vormen om de algehele schuld snel terug te dringen[26]. Ook hoeft het Verdrag op dit
punt niet te worden gewijzigd. Wel is voor een handhaving van de
kredietkwaliteit van de stabiliteitsobligatie hoogstwaarschijnlijk secundaire
wetgeving vereist waarbij de hogere rangorde van de stabiliteitsobligatie wordt
vastgesteld. De alternatieven voor de behandeling van de
bestaande obligaties, alsmede de voor- en nadelen ervan, komen overeen met die
welke onder benadering nr. 2 worden beschreven. Deze optie kan betrekkelijk snel worden
geïmplementeerd. Ook kan ze worden verwezenlijkt zonder
dat het Verdrag gewijzigd hoeft te worden. Via secundaire wetgeving kan het
beginsel van een hogere rangorde worden versterkt. Voorts worden nationale
obligaties slechts gedeeltelijk vervangen door stabiliteitsobligaties.
2.3.1.
Combinatie van de verschillende benaderingen
Aangezien de drie benaderingen onderling
qua reikwijdte, ambitie en vereiste implementatietijd uiteenlopen, zouden ze
eventueel ook kunnen worden gecombineerd. Benadering
nr. 1 kan als de meest ambitieuze worden beschouwd en het meeste resultaat
opleveren als het gaat om marktintegratie en een vergroting van de stabiliteit.
Wel zal de implementatie ervan veel tijd vergen. Daarentegen lijkt benadering
nr. 3 met zijn afwijkende reikwijdte en garantiestructuur gemakkelijker en
sneller inzetbaar. De ambitie van de kenmerken en reikwijdte van de
stabiliteitsobligatie en de mogelijke implementatiesnelheid bijten elkaar dus
in zekere zin. Om dit dilemma te doorbreken, kunnen de diverse opties worden
gecombineerd als opeenvolgende stappen in een proces van geleidelijke
implementatie: een betrekkelijk vroege invoering op basis van een gedeeltelijke
benadering en een individuele-garantiestructuur in combinatie met een
routekaart voor een verdere ontwikkeling van dit instrument en de daaraan
verbonden versterking van de governance. Zo'n vooraf opgestelde politieke
routekaart kan ertoe bijdragen dat stabiliteitsobligaties van meet af aan
worden geaccepteerd door de markt.
2.3.2.
Gevolgen voor de niet-eurolidstaten van de EU en
voor derde landen
Deelname aan het kader voor
stabiliteitsobligaties is in principe bedoeld voor de eurolidstaten[27]. Dit komt door de normale wens van de
lidstaten om in de eigen munteenheid schuldpapier uit te geven en de markten te
onderhouden, en door het feit dat e-obligaties deel kunnen uitmaken van een
sterkere economische en politieke integratie. Dit neemt niet weg dat de
invoering van stabiliteitsobligaties met daarbij een versterkt kader voor
economische governance, toch gevolgen heeft voor deze lidstaten. Doordat
stabiliteitsobligaties de financiële stabiliteit in het eurogebied bevorderen,
zullen de financiële markten en instellingen zich in die landen immers ook
sterk stabiliseren. Hetzelfde geldt voor derde landen, afhankelijk van de mate
waarin zij economisch en financieel verweven zijn met het eurogebied. Daar
staat tegenover dat de strijd tussen de financiële markten om de gunst van de
belegger kan verhevigen door de totstandkoming van een zeer grote en solide
markt voor veilige activa in de vorm van stabiliteitsobligaties. Tabel 1: Overzicht van de drie hoofdopties || (Optie 1) || (Optie 2) || (Optie 3) Voornaamste kenmerken || || || – Mate van vervanging van nationale emissies door stabiliteitsobligaties || Volledig || Gedeeltelijk || Gedeeltelijk – Garantiestructuur || Hoofdelijk (d.w.z. gezamenlijk én individueel) || Hoofdelijk (d.w.z. gezamenlijk én individueel) || Individueel (niet gezamenlijk) met kredietversterkingen Voornaamste effecten || || || – Op gemiddelde financieringskosten: 1) voor stabiliteitsobligatie als zodanig 2) van de verschillende landen || 1) Gematigd positief effect vanwege de zeer grote liquiditeit, maar wel moral hazard 2) Sterke verschuiving van de voordelen van de landen met een hogere rating naar die met een lagere rating || 1) Gematigd positief effect vanwege de vrij grote liquiditeit en de beperkte moral hazard 2) Minder sterke verschuiving van de voordelen van de landen met een hogere rating naar die met een lagere rating Enige marktdruk op de lidstaten met een hoge schuld en subprime kredietratings || 1) Gematigd positief effect, geringer liquiditeitseffect en solider beleid door de sterkere marktdiscipline 2) Geen gevolgen voor de verschillende landen. Sterkere marktdruk op de lidstaten met een hoge schuld en subprime kredietratings – Op de mogelijke moral hazard (zonder krachtigere governance) || Hoog || Gemiddeld, maar sterke marktstimulansen om budgettaire discipline te betrachten || Laag, sterke marktstimulansen om budgettaire discipline te betrachten – Op de financiële integratie in Europa || Hoog || Gemiddeld || Gemiddeld – Op de mondiale aantrekkingskracht van de financiële EU-markten || Hoog || Gemiddeld || Gemiddeld – Op de stabiliteit van de financiële markten || Hoog || Hoog, maar niet zonder gevaren in geval van een onhoudbare omvang van nationale emissies || Laag, maar mogelijk van nut bij de aanpak van de huidige crisis dankzij de snelle implementatie ervan Juridische overwegingen || Waarschijnlijk wijziging van het Verdrag || Waarschijnlijk wijziging van het Verdrag || Geen wijziging van het Verdrag. Secundaire wetgeving mogelijk nuttig. Implementatietijd die ten minste nodig is || Lang || Middellang tot lang || Kort
3.
Begrotingskader voor stabiliteitsobligaties
3.1.
Achtergrond
Met de recente hervorming van het SGP,
waarin ook nieuwe handhavingsmechanismen zijn opgenomen, is het budgettair
toezichtskader al versterkt. Voorts is het de
bedoeling om dit kader, met name voor de eurolidstaten die zich in de
buitensporigtekortprocedure bevinden en/of om financiële bijstand vragen of
deze bijstand ontvangen, nog verder te versterken, zulks overeenkomstig de
recente conclusies van de staatshoofden en regeringsleiders van het eurogebied
en overeenkomstig het voorstel van de Commissie voor twee nieuwe verordeningen
op basis van artikel 136, namelijk – het voorstel voor een verordening betreffende gemeenschappelijke
voorschriften voor het monitoren en beoordelen van ontwerp-begrotingsplannen en
voor het garanderen van de correctie van buitensporige tekorten van de
lidstaten van het eurogebied: dit heeft drie doelstellingen: a) aanvulling van
het Europees semester met een gemeenschappelijk budgettair tijdpad dat gericht
is op een betere synchronisatie van de voornaamste stappen bij de opstelling
van de nationale begrotingen, b) aanvulling van het systeem voor het
multilaterale toezicht op het begrotingsbeleid (het preventieve deel van het
SGP) met additionele monitoringeisen om ervoor te zorgen dat
EU-beleidsaanbevelingen op begrotingsgebied op passende wijze in de nationale
budgettaire voorbereidingen worden meegenomen, en c) aanvulling van de
procedure voor de correctie van een buitensporig tekort van een lidstaat (het
corrigerende deel van het SGP) met een nauwlettender bewaking van het
begrotingsbeleid van lidstaten waartegen een buitensporigtekortprocedure loopt,
teneinde een tijdige en duurzame correctie van buitensporige tekorten te
waarborgen; – het voorstel voor een verordening betreffende de versterking van het
toezicht: dit schrijft voor dat een eurolidstaat die een ernstige financiële
verstoring ondervindt of dreigt te ondervinden, onder verscherpt toezicht moet
worden geplaatst opdat de toestand in de betrokken lidstaat snel wederom wordt
genormaliseerd en de overige lidstaten van het eurogebied tegen mogelijke
negatieve overloopeffecten worden beschermd. Deze twee nieuwe verordeningen bieden in
combinatie met de ingrijpende wijzigingen die voortvloeien uit de hervorming
van het SGP, een solide grondslag voor een nauwere coördinatie van het
begrotingsbeleid van de diverse eurolidstaten. Niettemin ontstaan door
stabiliteitsobligaties moral-hazardgevaren en moet het kader dus verder worden
versterkt, waarbij de gekozen optie bepaalt hoever daarin moet worden gegaan. Er kunnen drie dimensies voor een dergelijke versterking van het kader
worden vastgesteld: – er zijn goede redenen om het toezicht op en de bemoeienis met de
opstelling en implementatie van nationaal begrotingsbeleid meer te verscherpen
dan in de recente voorstellen het geval is. Voorts moet de schuldendienst van
stabiliteitsobligaties volledig gewaarborgd zijn; – tegelijk kan alleen al het bestaan van stabiliteitsobligaties leiden
tot fundamentele verandering van begrotingsprocessen, met name via de
toewijzingsmechanismen, en een instrument zijn voor een effectieve handhaving
van een op vaste regels gebaseerd kader voor het begrotingsbeleid; – het kan noodzakelijk zijn om budgettaire voorwaarden te verbinden aan
de toetreding tot het systeem van stabiliteitsobligaties zodat niet alleen de
huidige aanpassingsplannen aan geloofwaardigheid winnen, maar ook latere
plannen die ten uitvoer worden gelegd wanneer het systeem van stabiliteitsobligaties
al op kruissnelheid is gekomen.
3.2.
Verscherping van het toezicht op en de bemoeienis
met het nationaal begrotingsbeleid
Met de recente en komende hervormingen van
het toezicht ontstaat een solide grondslag om deze gevaren te beperken, maar er
is meer nodig. Zo'n versterking van het kader kan van
toepassing zijn op het EU-toezicht en op de nationale begrotingskaders. Overeenkomstig de thans besproken
wijzigingen brengt dit een grondigere bestudering van de nationale begrotingen
mee, niet alleen voor de landen die budgettaire problemen hebben, maar voor
alle deelnemende lidstaten. Onder bepaalde
omstandigheden, zoals een hoge schuld of een hoog tekort, kan EU-goedkeuring
van de begroting nodig zijn voor een deelnemende lidstaat. Voorts is een veel
krachtiger monitoringkader voor de uitvoering van de begroting vereist. Daarbij
kan worden gedacht aan regelmatige rapportages op gemeenschappelijke
begrotingsbijeenkomsten, aan de ontwikkeling van waarschuwingsmechanismen op
basis van budgettaire scoreborden en aan de feitelijke mogelijkheid om
ontsporingen al tijdens de uitvoering te corrigeren, bijvoorbeeld door van
tevoren begrotingsreserves in de planning op te nemen en door aan de invoering
van dure nieuwe maatregelen de voorwaarde te verbinden dat de uitvoering van de
begroting volgens plan verloopt. De nationale begrotingskaders zullen al op
betrekkelijk korte termijn worden versterkt met de implementatie van de
begrotingskaderrichtlijn (die overigens kan worden versneld). Voorts wordt thans gesproken over mogelijkheden om nog verder te gaan,
door onder meer voorschriften in te voeren waarbij het SGP-kader wordt vertaald
naar nationale wetgeving, bij voorkeur op constitutioneel niveau, zulks met
adequate handhavingsmechanismen. Andere mogelijke essentiële versterkingen van
de nationale kaders bestaan in de vaststelling van bindende
middellangetermijnkaders, in beoordelingen door onafhankelijke organisaties van
de aannames die aan nationale begrotingen ten grondslag liggen, en in de
invoering van effectieve coördinatiemechanismen tussen de diverse
overheidsniveaus. Wat het laatste betreft, kan de pooling van schuld op
Europees niveau een extra reden zijn voor een nauwere afstemming van het
schuldbeheer van de diverse subsectoren van de overheid. Nationale kaders moeten ook een belangrijke
rol spelen bij de ondersteuning van het toezicht op EU-niveau. Zo zouden gemeenschappelijke tijdpaden voor de opstelling van de
begrotingen het EU-toezicht vergemakkelijken (en kunnen deze in de praktijk
zelfs noodzakelijk zijn in het kader van de toewijzing van
stabiliteitsobligaties). Evenzo hangt een deugdelijke monitoring op EU-niveau
van de uitvoering van de begroting af van solide nationale regelingen op dat
gebied, zodat het noodzakelijk kan zijn om gemeenschappelijke normen voor de
controle en openbaarmaking vast te stellen. Er moet een systeem worden opgezet dat de
volledige schuldendienst van elke lidstaat die van de emissie van
stabiliteitsobligaties profiteert, op geloofwaardige wijze waarborgt. Dit houdt in dat de schuldendienst voor stabiliteitsobligaties, of meer
specifiek de betaling van rente op gemeenschappelijke emissies, in geen geval
twijfelachtig mag worden. Een optie in dit verband is de toekenning van een
uitgebreide EU-bevoegdheid om bij ernstige financiële problemen in te grijpen,
waaronder de mogelijkheid om de in gebreke blijvende lidstaat onder een
bepaalde vorm van "bestuur" te plaatsen. Een andere, al in het vorige
hoofdstuk genoemde optie die wellicht minder inbreuk pleegt op de nationale
soevereiniteit, is de invoering van een clausule voor deelnemende landen die
bepaalt dat de schuldendienst in het stabiliteitsobligatiesysteem een hogere
rangorde heeft dan andere uitgaven in de nationale begrotingen. Dergelijke
voorschriften moeten een stevige wettelijke, en vermoedelijk zelfs
grondwettelijke basis krijgen. Bovendien moeten de verplichtingen jegens het
stabiliteitsobligatiesysteem dienovereenkomstig een hogere rangorde krijgen dan
nieuwe nationale emissies die eventueel nog nodig zijn.
3.3.
Stabiliteitsobligaties als onderdeel van een
verbeterd begrotingskader
Door stabiliteitsobligaties ontstaat het
gevaar van moral hazard, maar daarnaast leiden ze waarschijnlijk ook tot
diepgaande veranderingen in de omstandigheden waaronder begrotingsbeleid wordt
opgesteld en uitgevoerd. Dit komt met name omdat
Europese richtsnoeren voor nationaal begrotingsbeleid zullen worden vertaald in
concrete cijfers, zulks alleen al in verband met de toewijzing van leningen aan
de deelnemende lidstaten. In alle besproken opties moeten namelijk in het kader
van de stabiliteitsobligaties van te voren plafonds voor nationale leningen
worden vastgesteld, welke vervolgens als kader dienen voor of in elk geval van
invloed zijn op de nationale begrotingen. Dit geldt met name voor de vergaande
opties (zoals benadering nr. 1) waarin van stabiliteitsobligaties wordt
verwacht dat ze voorzien in alle of in elk geval het grootste deel van de
nieuwe financieringsbehoeften van de deelnemende lidstaten. In dit opzicht
kunnen stabiliteitsobligaties niet alleen worden gezien als een potentiële bron
van moral hazard, maar ook als een stuwende factor voor een betere coördinatie
van het begrotingskader middels een effectieve handhaving van een op vaste
regels gebaseerd kader. Indien stabiliteitsobligaties gaan zorgen
voor de gehele overheidsfinanciering of in elk geval het grootste deel ervan
(d.w.z. benadering nr. 1), moet het toewijzingskader in de
stabiliteitsobligatieregeling duidelijke uitgangspunten bevatten, namelijk: (1)
de maximale toewijzing moet berusten op
begrotingsregelgeving die voldoende solide is, met het
SGP-kader als natuurlijke grondslag. Van de regels gaat dan dus een krachtige
stimulans uit om een verantwoord begrotingsbeleid te voeren; (2)
deze richtsnoeren moeten ook aangeven hoe
flexibel mag worden omgegaan met onverwachte
economische ontwikkelingen, en moeten het gevaar van procyclisch beleid tot een
minimum beperken. Een belangrijk probleem in dit verband is de vraag of
budgettaire flexibiliteit om schokken op te vangen die zich hetzij in een
bepaald land hetzij in het eurogebied voordoen, wordt geboden met extra
emissies van stabiliteitsobligaties of gekoppeld moet worden aan nationale
emissies (als deze tenminste mogelijk blijven). Hoe meer flexibiliteit in het
systeem wordt toegestaan, des te groter de noodzaak om beheersingsmechanismen
(zoals controlerekeningen) in te bouwen om ervoor te zorgen dat de
flexibiliteit binnen overeengekomen grenzen wordt gehouden en om te voorkomen
dat de schuld "omhoogsluipt"; (3)
de regels moeten waarschijnlijk ook een vorm van
"graduele reactie" op ongezonde budgettaire ontwikkelingen omvatten. Deze graduering kan de vorm aannemen van een verscherpt toezicht op of
bemoeienis met het nationale begrotingsbeleid, zoals hierboven bedoeld. Daarnaast moeten financiële prikkels
waarbij een gezond financieel beleid wordt beloond, in het systeem worden
ingebouwd. Hoewel de rendementen van
stabiliteitsobligaties marktgebaseerd zijn, kunnen de financieringskosten over
de lidstaten worden verdeeld naargelang van hun begrotingssituatie of
begrotingsbeleid of naar gelang van hun marktkredietwaardigheid zoals die tot
uiting komt in het verschil tussen de risicopremie van nationale emissies en
die voor gemeenschappelijke emissies. Daardoor ontstaat een prikkel in het
systeem om een gezond begrotingsbeleid te voeren en wordt de disciplinering
door de markt als het ware nagebootst, zij het op een soepelere en
consistentere wijze dan de markten zelf zouden doen. Zo'n prikkel, waarvan
overigens al automatisch sprake is in de optie met alleen individuele
garanties, kan nog verder worden versterkt met "strafpercentages",
die worden opgelegd wanneer de zaken niet volgens plan verlopen.
3.4.
Budgettaire voorwaarden voor de toetreding tot het
systeem
Om uiteindelijk gedaan te krijgen dat
stabiliteitsobligaties hun naam eer aandoen, kunnen ook macro-economische en
budgettaire voorwaarden aan de lidstaten worden gesteld waaraan zij moeten
voldoen om tot het systeem toe te treden en daarin te mogen blijven. De lidstaten zou bijvoorbeeld de toegang tot stabiliteitsobligaties
kunnen worden geweigerd indien zij zich niet hebben gehouden aan hun
verbintenissen in het kader van het SGP of binnen een versterkt
begrotingskader. Als alternatief zouden lidstaten die hun begrotingsdoelen niet
gehaald hebben, ertoe kunnen worden verplicht om (extra) zekerheden te stellen
bij nieuwe stabiliteitsobligatie-emissies, of onderworpen kunnen worden aan een
extra renteheffing. Ook zou de toegang kunnen
worden beperkt naargelang van de mate waarin zij zich niet aan de regels
houden. Bijvoorbeeld, voor elk procentpunt van het bbp dat de
overheidsbegroting in negatieve zin afwijkt van de streefcijfers, kan het recht
op de emissie van stabiliteitsobligaties met een bepaald aantal procentpunten van
het bbp worden verlaagd. Van deze aanpak mag een aantal voordelen
worden verwacht: – ten eerste worden de lidstaten, voor zover zij deel willen uitmaken van
het systeem van stabiliteitsobligaties, extra geprikkeld om de consolidatie en
hervormingen waarop zij zich al hebben vastgelegd, onverkort ten uitvoer te
leggen, dit naar analogie van de convergentie-inspanningen in de aanloop naar
de euro; – ten tweede zullen de financiële markten en de maatschappij in brede zin
de consolidatieplannen geloofwaardiger achten gezien het vooruitzicht op
stabiliteitsobligaties. Daardoor kan het vertrouwen al op betrekkelijk korte
termijn toenemen dankzij het vooruitzicht op aansluiting bij de
stabiliteitsobligaties. Door zo'n hernieuwd vertrouwen kunnen budgettaire aanpassingen
in een aantal landen gemakkelijker gerealiseerd worden; – ten derde zullen door het stellen van strikte budgettaire voorwaarden
aan de toetreding tot en blijvende deelname aan het systeem de schuldquotes en
financieringsbehoeften verminderen voordat de desbetreffende landen
participeren in de stabiliteitsobligaties. Aldus kunnen de risicopremies en
rendementen van stabiliteitsobligaties worden verlaagd. Zo'n aanpak zou betekenen dat de lidstaten de
mogelijkheden tot restfinanciering in stand moeten houden ingeval zij niet aan
deze voorwaarden voldoen. Derhalve zullen de obligatie-emissies van de
eurolidstaten niet volledig worden vervangen door stabiliteitsobligaties. Ook
moet een instelling of organisatie worden aangewezen die toezicht houdt op de naleving
van deze toetredingscriteria (eventueel het agentschap voor het beheer van de
schuld).
4.
Uitvoering
4.1.1.
Organisatorische opzet
Wat de organisatie van
stabiliteitsobligatie-emissies betreft, moet een aantal technische knopen
worden doorgehakt. Met name de institutionele
structuur van de financieringsoperaties moet worden vastgesteld, met andere
woorden, er moet worden bepaald of er een gecentraliseerd agentschap voor het
schuldbeheer (ASB) wordt opgezet dan wel of de essentiële taken op
gedecentraliseerde wijze door de nationale schatkisten en ASB's worden
verricht. Bij een gedecentraliseerde aanpak moeten er ten aanzien van de
emissies uniforme voorwaarden en procedures gelden en moeten deze nauw worden
gecoördineerd. Terwijl obligatie-emissies in de gecentraliseerde aanpak niet
gecoördineerd hoeven te worden, moet wel gedetailleerde en betrouwbare
informatie over de financieringsbehoeften van de lidstaten worden ontvangen,
zodat de emissies kunnen worden gepland. Wat de opzet van een agentschap voor
centrale emissies betreft, zijn er diverse opties denkbaar, waaronder: a) de
Europese Commissie kan als ASB dienen. De stabiliteitsobligatie kan dan snel
worden ingevoerd en als instrument worden gebruikt om de huidige crisis het
hoofd te bieden; b) de EFSF/het ESM kan worden omgevormd tot een volwaardig
ASB; c) er kan een nieuw ASB op EU-niveau worden opgericht[28]. Het zal dan wel enige tijd
duren voordat dit operationeel is. De administratieve kosten van de invoering
van stabiliteitsobligaties kunnen niet exact worden berekend, zonder dat alle
overige bijzonderheden van tevoren worden bepaald. De omvang ervan heeft ook
gevolgen voor de begrotingen van de lidstaten. Een belangrijke technische kwestie in dit
verband is de vraag hoe een gecentraliseerd ASB de aangetrokken middelen
uitleent aan de lidstaten. In principe zijn er twee
opties, die ook gecombineerd kunnen worden: a) de middelen worden rechtstreeks,
via een leningovereenkomst, aan de lidstaat uitgeleend; b) het ASB koopt op de
primaire markt alle staatsobligaties of het overeengekomen deel ervan
rechtstreeks bij de lidstaten op. In de tweede optie kan het ASB eventueel ook
uitstaande staatsobligaties op de secundaire markt opkopen. De aflossing van de obligaties moet ook
worden geregeld. Dit kan op de eenvoudigste manier
geschieden via overdrachten van de nationale instanties aan de uitgevende
agent, die er vervolgens voor zorgt dat de obligaties worden afgelost. Om
ervoor te zorgen dat marktdeelnemers erop kunnen rekenen dat de schuldendienst
te allen tijde gewaarborgd is, en om te voorkomen dat er te laat wordt betaald,
moet het ASB beschikken over een stabiele en voorspelbare stroom van inkomsten.
Hoewel de lidstaten garant moeten staan voor de verplichtingen van dit orgaan,
moet worden nagegaan of dit voldoende is of extra zekerheden, kasbuffers nodig
kunnen zijn. De huidige nationale agentschappen voor het schuldbeheer maken
deel uit van de nationale begrotingsinstellingen, die kunnen leunen op de
overheidsbevoegdheid om belastingen te heffen. Bij een supranationaal
agentschap voor het schuldbeheer is zo'n rechtstreekse koppeling aan de
belastingontvangsten afwezig. Dit kan ten koste gaan van de marktacceptatie van
de uit te geven schuldinstrumenten. Ook met stabiliteitsobligaties blijft
nationaal liquiditeitenbeheer noodzakelijk. In de
praktijk is het namelijk vrijwel onmogelijk om obligatie-emissies zo op te
zetten dat er een perfecte match bestaat met de betalingsstromen van de
lidstaten. Daarom moeten stabiliteitsobligatie-emissies worden aangevuld met dagelijks
liquiditeitenbeheer, dat aan de nationale instanties kan worden overgelaten.
Een mogelijkheid in dit verband is dat stabiliteitsobligatie-emissies gericht
zijn op de financieringsbehoeften op middellange termijn en dat de nationale
instanties hun betalingsprofielen beheren met kortetermijndeposito's en ‑leningen
of -schatkistpapier. Ongeacht de organisatorische opzet moeten
coördinatieprocedures voor de financieringsplannen van de individuele lidstaten
worden uitgewerkt, met het oog op de ontwikkeling van benchmarkemissies en een
volledige benchmarkrendementscurve.
4.1.2.
Verhouding met het ESM
In verband met de opzet van een agentschap
voor de gemeenschappelijke emissie van stabiliteitsobligaties voor de
eurolidstaten zou duidelijkheid moeten worden geschapen over de taakverdeling
tussen dit agentschap en het ESM. In principe zijn er
twee gezichtspunten mogelijk: Het ESM kan feitelijk overbodig worden geacht
aangezien met gemeenschappelijke emissies in combinatie met aangescherpte
regelgeving voor het begrotingstoezicht de gewone financiering van lidstaten én
de buitengewone financiering die nodig is wanneer een lidstaat in ernstige
problemen geraakt, georganiseerd kunnen worden. Een vermenging van de taken van
schuldbeheer en noodfinanciering is mogelijk echter suboptimaal en kan leiden
tot verwarring wie wat moet doen. Dit doet mogelijk afbreuk aan de prikkels en
de governance en kan leiden tot een te complexe financiële instelling. Daarom
is het misschien beter dat het ESM een aparte emittent van schuldpapier blijft
die ervoor zorgt dat in de buitengewone financieringsbehoeften wordt voorzien. De gekozen vorm van interactie met het ESM
hangt ook af van de desbetreffende optie voor stabiliteitsobligaties. Het ESM kan redelijk overbodig worden geacht in benadering nr. 1
voor stabiliteitsobligaties. In deze benadering worden de
financieringsbehoeften van de lidstaten vrijwel volledig gedekt, maar kan ook
worden gezorgd voor de benodigde buitengewone aanvullende financiering. De
situatie is minder duidelijk in benadering nr. 2 en benadering nr. 3. Daarin
blijven de lidstaten immers parallel aan de gemeenschappelijke emissie van
stabiliteitsobligaties nationale obligaties uitgeven. Er kan zelfs worden
overwogen om het ESM-kader te gebruiken om de eerste stappen te zetten richting
stabiliteitsobligaties. Aangezien het ESM zal berusten op individuele garanties
van de lidstaten, kan de geleidelijke invoering van stabiliteitsobligaties op
basis van individuele (maar niet gezamenlijke) garanties, ofwel op basis van benadering
nr. 3, worden geïntegreerd in het ESM, dat dan de financiering en emissies
verzorgt en dus een rol gaat spelen die verder gaat dan de huidige rol waarin
alleen buitengewone financiële bijstand wordt verleend. In principe kunnen
hoofdelijke garanties in een latere fase op het ESM worden toegepast.
4.1.3.
Rechtskader voor emissies
Ook het rechtskader voor de emissie van
stabiliteitsobligaties vormt een punt van aandacht. Op
dit moment worden staatsobligaties uitgegeven op basis van het binnenlands
recht. Bij internationale obligatie-emissies wordt vaak het Engelse recht of,
voor de VS-markt, het Amerikaanse recht gebruikt. Er bestaat geen soortgelijk
EU-recht op basis waarvan stabiliteitsobligaties kunnen worden uitgegeven.
Hoewel het algemeen gebruikelijk is om bij internationale obligatie-emissies
uit te gaan van buitenlands recht, kan dit problemen opleveren als alle
staatsschuld onder het VK- of VS-recht zou gaan vallen, omdat de Angelsaksische
jurisprudentiële aanpak afwijkt van het rechtssysteem van tal van lidstaten. Ook
moet overeenstemming worden bereikt ook de bevoegde rechterlijke instantie.
4.1.4.
Documentatie en marktconventies
Er moet een besluit worden genomen over de
financieringsopties, de effectenkenmerken en de marktconventies. Voor een gevestigde emittent zijn veilingen de beste emissieoptie.
Plaatsing via syndicaten heeft als voordeel dat de financiële sector bij de
afzet van de instrumenten betrokken is en de prijsstelling voor effecten beter
voorspelbaar is. Voorts kunnen grotere bedragen doorgaans via syndicaten worden
geplaatst omdat langs dat kanaal ook kleine beleggers kunnen worden bereikt.
Daarnaast moeten diverse effectenkenmerken en marktconventies worden bepaald.
De voornaamste daarvan zijn beschreven in bijlage 4.
4.1.5.
Boekhouding
Een ander probleem waarover duidelijkheid
moet komen, is de behandeling van stabiliteitsobligaties volgens de nationale
boekhoudregels. Met name moet worden verkend welke
gevolgen stabiliteitsobligaties in de verschillende garantiestructuren zullen
hebben voor de nationale schuldquotes. Een belangrijk aandachtspunt zal de aard
van een nieuwe uitgevende entiteit zijn.
5.
Conclusies en hoe verder
Een gemeenschappelijke emissie van
stabiliteitsobligaties door de eurolidstaten heeft duidelijke voordelen. Onder meer zal daardoor een diepere interne markt ontstaan, zullen
kapitaalmarkten efficiënter worden, zal de stabiliteit en schokbestendigheid
van de financiële sector en de overheidsfinanciering toenemen, zullen de
financiële markten van het eurogebied, alsmede de euro zelf op mondiaal niveau
aantrekkelijker worden, en zal een buitensporig marktpessimisme minder ernstige
gevolgen hebben voor de leenkosten van de overheid. Wel zal de invoering van
stabiliteitsobligaties gepaard gaan met een aantal problemen. Om maximaal profijt ervan te hebben en om potentiële schadelijke
effecten te voorkomen, moet een overtuigende oplossing voor deze problemen
worden gevonden. Met name zullen, vooral voor de opties met hoofdelijke
garanties, een voldoende robuust kader voor de begrotingsdiscipline en het
economisch concurrentievermogen op nationaal niveau, alsmede een diepgaande
controle van het nationale begrotingsbeleid door de EU vereist zijn om de moral
hazard in de eurolidstaten te beperken, de kredietkwaliteit van de stabiliteitsobligatie
te ondersteunen en de rechtszekerheid te waarborgen. De vele opties voor een gemeenschappelijke
emissie van stabiliteitsobligaties kunnen worden onderverdeeld in drie brede
benaderingen. Deze benaderingen zijn ten eerste een
volledige vervanging van nationale emissies door stabiliteitsobligatie-emissies
met hoofdelijke garanties, ten tweede een gedeeltelijke vervanging van
nationale emissies door stabiliteitsobligaties met soortgelijke garanties en
ten derde een gedeeltelijke vervanging van nationale emissies door
stabiliteitsobligatie-emissies met alleen individuele garanties. De correlatie
tussen enerzijds de verwachte voordelen en anderzijds de voorwaarden waaraan
moet worden voldaan anderzijds, is in elke optie anders. Met name loopt de implementatietijd van
optie tot optie uiteen door de uiteenlopende mate waarin wijzigingen in het
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (het EU-Verdrag) nodig
zijn. De meest vergaande benadering nr. 1 vereist ook
de meest vergaande Verdragswijzigingen en administratieve voorbereidingen,
vanwege zowel de invoering van de gemeenschappelijke obligaties als zodanig als
de parallel daaraan verlopende versterking van de economische governance.
Benadering nr. 2 vereist ook een aanzienlijke aanlooptijd. Daarentegen lijkt
benadering nr. 3 haalbaar zonder ingrijpende Verdragswijzigingen en levert deze
dus minder vertraging op bij de implementatie. De suggesties en bevindingen in dit stuk
zijn nog van verkennende aard en het overzicht van de problemen waarmee
rekening moet worden gehouden, is niet noodzakelijkerwijs volledig. Voorts worden de vele potentiële voordelen en uitdagingen alleen
beschreven in kwalitatieve termen. Een uitvoerige kwantificatie van de diverse
aspecten is per definitie moeilijk en/of vereist meer onderzoek en input van
verschillende zijdes. Ook worden de op te lossen problemen en te nemen
beslissingen in veel gevallen wel in kaart gebracht, maar niet nader
geanalyseerd. Om verder te komen, zijn dus uitgebreidere
analyses en een raadpleging onmisbaar. Diverse
hoofdconcepten, mogelijke doelstellingen en voordelen, eisen en
implementatieproblemen verdienen dus nadere aandacht en een verdere analyse. In
dit verband is de mening van de voornaamste belanghebbenden van essentieel
belang. Met name de lidstaten, de actoren op de financiële markt, de
brancheverenigingen voor de financiële sector, academici, zowel in de EU en
daarbuiten, en het bredere publiek moeten worden gepolst. Met de resultaten van
deze raadpleging moet rekening worden gehouden bij de vervolgstappen op weg
naar een eventuele lancering van stabiliteitsobligaties. Al
met al heeft de Commissie besloten om een brede raadpleging[29] over dit groenboek te
starten. De raadpleging sluit op [8 januari 2012][30].
De Commissie zal niet alleen vragen naar de mening van de bovengenoemde
belanghebbenden, maar ook advies inwinnen bij de andere instellingen. Op basis
van deze feedback zal de Commissie uiterlijk [medio februari 2012] aangeven
welke verdere stappen zij denkt te zetten. Bijlage 1: Basisgegevens
over de markt van staatsobligaties Lidstaat || Staatsschuld || Schuld centrale overheid || Rendement staatsobligaties || CDS- spreads || Krediet-rating || miljard euro, eind 2010 || % van het bbp, eind 2010 || % van het eurogebied, eind 2010 || % van het bbp, eind 2010 || % per jaar, 10 jaar, 8.11.2011 || Basispunten per jaar, 5-jaarcontracten, 8.11.2011 || Standard & Poor's, 8.11.2011 België || 340,7 || 96,2 || 4,4 || 87,7 || 4,3 || 292,9 || AA+ Duitsland || 2061,8 || 83,2 || 26,4 || 53,2 || 1,8 || 89,3 || AAA Estland || 1,0 || 6,7 || 0,0 || 3,3 || n.b. || n.b. || AA- Griekenland || 329,4 || 144,9 || 4,2 || 155,6 || 27,8 || n.b. || CC Spanje || 641,8 || 61 || 8,2 || 52,3 || 5,6 || 400,1 || AA- Frankrijk || 1591,2 || 82,3 || 20,3 || 67,8 || 3,1 || 183,8 || AAA Ierland || 148,0 || 94,9 || 1,9 || 94,3 || 8,0 || 729,7 || BBB+ Italië || 1842,8 || 118,4 || 23,6 || 111,7 || 6,8 || 520,7 || A Cyprus || 10,7 || 61,5 || 0,1 || 102,6 || 10,1 || n.b. || BBB- Luxemburg || 7,7 || 19,1 || 0,1 || 17,4 || n.b. || n.b. || AAA Malta || 4,3 || 69 || 0,1 || 68,9 || n.b. || n.b. || A Nederland || 369,9 || 62,9 || 4,7 || 57,3 || 2,2 || 99,6 || AAA Oostenrijk || 205,6 || 71,8 || 2,6 || 66,2 || 3,0 || 159,9 || AAA Portugal || 161,3 || 93,3 || 2,1 || 91,2 || 11,6 || 1050,9 || BBB- Slovenië || 13,7 || 38,8 || 0,2 || 37,3 || 6,0 || 304,25 || AA- Slowakije || 27,0 || 41 || 0,3 || 40,1 || 4,0 || 221,2 || A+ Finland || 87,0 || 48,3 || 1,1 || 43,9 || 2,3 || 60,63 || AAA Eurogebied || 7822,4 || 85,4 || 100 || 71,6 || n.b. || n.b. || n.b. Ter verg.: VS || 10258 || 94,4 || || || 2,08 || 47,5 || AA+ Bron: Eurostat, IMF, S&P, Bloomberg Bijlage 2: Kort overzicht van de
literatuur inzake stabiliteitsobligaties Academici, financiële
analisten en beleidsmakers hebben talrijke papers over het idee van
euro-obligaties (stabiliteitsobligaties) gepubliceerd. In deze bijlage worden
de tot dusver gepubliceerde bijdragen samengevat, met groepering overeenkomstig
de basiskenmerken van de voorstellen. – Kredietkwaliteit en garantiestructuur: De
meeste auteurs beklemtonen het belang van de status van veilige haven die
euro-obligaties moeten hebben en die tot uiting zou komen in de kredietrating.
De hoogste kredietwaardigheid zou voornamelijk worden verzekerd door de
garantiestructuur en/of de rangorde. Uit de literatuur komen twee in de
euro-obligaties in te bedden basisgarantietypes naar voren: i) hoofdelijke
garanties (Jones, Delpla en von Weizsäcker, Barclays Capital, Favero en
Missale, J.P. Morgan) waarbij elk land jaarlijks de hele emissie van
euro-obligaties waarborgt, en ii) proportionele garanties (Juncker en Tremonti,
De Grauwe en Moesen, BBVA) waarin elk land uitsluitend een vast deel van de
emissie waarborgt. Favero en Missale beklemtonen dat een euro-obligatie,
ondersteund door hoofdelijke garanties, de blootstelling aan crisistransmissie
en ‑besmetting kan verminderen. Auteurs die de proportionele garantie
verdedigen stellen anderzijds dat door die laatste de 'moral hazard' wordt
verminderd. Capaldi combineert een proportionele garantie met
kredietversterkingen (kasreserves, overgaranties, kapitaal, enz.) teneinde de
hoogste kredietwaardigheid te verzekeren. Delpla en Weizsäcker, Barclays Capital,
Dübel stellen voor de kredietwaardigheid van euro-obligaties te garanderen door
ze superieur te maken aan nationale obligaties, met het argument dat zelfs in
het extreme geval van wanbetaling door een staat de inningswaarde hoog genoeg
zal blijven om de schuldendienst van obligaties met hogere rangorde volledig te
waarborgen. Dübel stelt een enigszins afwijkende aanpak voor, namelijk een
gedeeltelijke garantie van staatsobligaties (hogere rangorde) door het ESM. – Moral hazard: Het voornaamste argument tegen
stabiliteitsobligaties en het meest intensief besproken onderdeel van alle
voorstellen (voornamelijk bij Issing) is het probleem van 'moral hazard'
doordat dergelijke obligaties de begrotingsdiscipline kunnen verzwakken.
Bepaalde auteurs stellen beperkingen aan het emissievolume van namens de
lidstaten uitgegeven euro-obligaties voor, waarbij vaak een schuldplafond van
60%, zoals vastgelegd in het SGP, wordt gehanteerd. Extra leningsbehoeften
moeten worden gefinancierd via nationale obligaties. Dit idee wordt door Delpla
en von Weizsäcker verkend in hun concept van "blauwe" obligaties,
waarbij een opdeling van de emissies wordt voorgesteld in blauwe, d.w.z.
uiterst liquide en veilige obligaties (hoofdelijk gegarandeerd door de
deelnemende landen) die een hogere rangorde krijgen, en rode obligaties, d.w.z.
zuiver nationale obligaties met lagere rangorde. De prijsstelling voor rode
obligaties zou regeringen ertoe stimuleren hun begrotingen onder controle te
houden. Enigszins gelijklopend daarmee stellen Jones en Barclays Capital voor
beperkingen op te leggen aan zowel de schuld als de tekorten, wat een
geleidelijke daling van de schuldquoten mogelijk moet maken. Naast een
beperking van de emissie van euro-obligaties stellen Favero en Missale voor om
het moral-hazardprobleem aan te pakken via een compensatieregeling die
gebaseerd is op de indexering van de door elke lidstaat betaalde rente
(naargelang van de voor dat land geldende kredietrisicopremie of
begrotingsparameters). Boonstra, De Grauwe en Moesen, BBVA en Natixis stellen
verschillende types bonus/malus-systemen voor naargelang van bijvoorbeeld de
capaciteit van de verschillende lidstaten om hun overheidstekort en -schuld
terug te dringen. – Alle auteurs zijn het erover eens dat de versterking van de
begrotingsdiscipline de hoeksteen van elk euro-obligatieproject, ongeacht de
reikwijdte of de garantiestructuur daarvan, moet zijn. Afgezien van de
'rode'/nationale emissies stellen Favero en Missale voor om de deelname te
beperken tot de lidstaten met de hoogste kredietwaardigheid of om uitsluitend
instrumenten met een korte looptijd en laag risico uit te geven. Barclays,
BBVA, Delpla en von Weizsäcker, Eijffinger, Becker en Issing denken aan de
oprichting van onafhankelijke instanties voor de audit van de begroting en
speciale instanties voor het eurogebied die het budgettaire en economische
beleid coördineren. In het door Delpla en Weizsäcker verfijnde systeem stelt
een onafhankelijke stabiliteitsraad de jaarlijkse toewijzing voor. Die
toewijzing moet vervolgens worden goedgekeurd door de nationale parlementen van
de deelnemende lidstaten, die uiteindelijk over de begrotingsautoriteit
beschikken welke vereist is om de (blauwe) wederzijdse euro-obligatiegaranties
te verstrekken. Elk land dat tegen de voorgestelde toewijzing stemt, besluit
daarmee automatisch om in het komende jaar noch (blauwe) euro-obligaties uit te
geven, noch blauwe obligaties van die jaargang te garanderen. Boonstra stelt
voor dat landen die de regels overtreden onmiddellijk streng worden gestraft,
bv. door een verlies van middelen uit de EU-begroting en het verlies van
stemrecht, en dus politieke invloed, in de organen van de ECB. – Praktische aspecten van emissies: De meeste
auteurs stellen voor een gezamenlijk schuldagentschap op te richten dat de
emissies coördineert en de schuld beheert. In de voorstellen van het type
blauw-rode obligaties blijft de nationale schatkist de uitgever van het
nationale deel van de schuld. – Deelnemende landen: Becker geeft een overzicht
van de mogelijke opties voor deelname aan het euro-obligatiesysteem:
i) door landen met gelijke kredietrating uitgegeven gemeenschappelijke
obligaties; ii) op ad-hocbasis uitgegeven gezamenlijke obligaties,
vergelijkbaar met de door sommige Duitse deelstaten uitgegeven gezamenlijke
obligaties; iii) deelname aan een gemeenschappelijke staatsobligatie,
uitsluitend wanneer EMU-landen zich daarvoor kwalificeren middels een solide
consolidatie van de begroting in tijden van hoge economische groei, of
iv) bevordering door Duitsland en Frankrijk van één liquide
kortetermijninstrument of een gezamenlijke Europese markt voor uitsluitend
kortlopend schatkistpapier. Bijlage 3: Overzicht van soortgelijke
bestaande instrumenten 1. Europese Unie Namens de Europese Unie voert de Europese Commissie
momenteel drie programma's uit in het kader waarvan zij leningen kan garanderen
door uitgifte van schuldinstrumenten op de kapitaalmarkten, doorgaans op back-to-back-basis.
Alle faciliteiten bestaan uit leningen aan overheden. Krachtens het Verdrag
betreffende de werking van de Europese Unie is de EU gemachtigd om lenings‑
en garantieprogramma's vast te stellen waarmee de financiële middelen kunnen
worden ingezet om haar mandaat uit te voeren. – In het kader van het betalingsbalansprogramma verstrekt de EU
financiële bijstand aan niet tot het eurogebied behorende lidstaten die ernstig
worden bedreigd door betalingsbalansproblemen (art. 143 VWEU). – In het kader van het EFSM-programma beschikt de Europese
Commissie over de bevoegdheid om namens de EU leningen af te sluiten met het
doel leningen te financieren in het kader van het Europees Financieel
Stabilisatiemechanisme (EFSM) (Verordening (EU) nr. 407/2010 van de
Raad van 11 mei 2010). Sinds december 2010 zijn er ondersteuningsprogramma's goedgekeurd
voor Ierland en Portugal ter waarde van respectievelijk 22,5 miljard en 26
miljard euro. – In het kader van het MFB-programma worden leningen verstrekt aan
niet tot de Europese Unie behorende landen. Macrofinanciële bijstand (MFB) is
een beleidsgebaseerd instrument voor niet-gebonden en niet-geoormerkte
betalingsbalanssteun aan derde partnerlanden (artikelen 212 en 213 VWEU). Deze bijstand wordt verleend in de vorm van
middellange‑ of langetermijnleningen of subsidies, of een combinatie van
beide, en vormt een aanvulling op financiering die wordt verleend in het kader
van een hervormingsprogramma van het Internationaal Monetair Fonds[31]. Kredietrating De AAA-rating van de EU berust op verschillende
factoren. Leningen zijn directe en onvoorwaardelijke verplichtingen van de EU
en worden gegarandeerd door alle EU-lidstaten. De budgettaire middelen zijn
bijna volledig afkomstig van inkomsten die door de lidstaten onafhankelijk van
hun nationale parlementen worden doorgestort, zoals tarieven en rechten bij
invoer in de EU en heffingen op de btw-ontvangsten en het BNI van elke
lidstaat. Op grond daarvan krijgen door de EU uitgegeven obligaties een
risicoweging van nul en kunnen zij als zekerheid worden gebruikt bij de ECB. Bij alle leningen zijn beleggers uiteindelijk
blootgesteld aan het kredietrisico van de EU, niet aan dat van de begunstigden
van de gefinancierde leningen. Wanneer een begunstigd land in gebreke blijft,
zal de betaling worden gedaan uit de EU-begroting (van 127 miljard euro in
2011). De lidstaten van de EU zijn er krachtens het EU-Verdrag juridisch toe
verplicht de nodige middelen te verstrekken om aan alle EU-verplichtingen te
voldoen. Belangrijkste kenmerken van EU-emissies Tot dusverre heeft de EU obligaties met een
benchmarkkarakter uitgegeven in het kader van haar 'Euro Medium Term
Note'-programma (EMTN), waarvan de middelen tot 80 miljard euro zijn
opgetrokken om rekening te houden met emissies in het raam van het
EFSM-programma. Ten gevolge van de crisis zijn de benchmarkemissies eind 2008 hervat. Met de activering van het EFSM voor Ierland en
Portugal is de EU een frequente benchmarkemittent geworden. Het totale
EFSM-leningsplan voor 2011 bedraagt ongeveer 28 miljard euro
(13,9 miljard euro voor Ierland, 14,1 miljard euro voor Portugal; in
het kader van de betalingsbalans- en MFB-programma's: ongeveer 2 miljard
euro). De financiering gebeurt uitsluitend in euro. Aangezien de EU-bijstand een
middellangetermijnkarakter heeft, is het looptijdsspectrum normaliter 5 à 10
jaar. Een breder spectrum van 3 à 15 of soms zelfs 30 jaar komt echter ook
voor. Met back-to-back-leningen loopt de EU-begroting
geen rente- of wisselkoersrisico's. Wel blijft de schuldendienst van de
obligatie een verplichting voor de Europese Unie, die ervoor moet zorgen dat
alle obligatiebetalingen op tijd geschieden. Als een frequente benchmarkkredietnemer is de EU
voornemens om binnen de hierboven beschreven parameters een liquide
rendementscurve op te bouwen. De EU legt topmanagers de verplichting op een
actieve secundaire markt te onderhouden, waarbij te allen tijde bied- en
laatkoersen worden afgegeven, en zij ziet erop toe dat die verplichtingen
worden nageleefd. Bepaling van de EU-financiering EU-leningen worden uitsluitend gefinancierd met
middelen die worden aangetrokken op de kapitaalmarkten, en worden dus niet door
andere lidstaten of uit de begroting gefinancierd. De aangetrokken middelen worden in beginsel
back-to-back, d.w.z. met dezelfde coupon en looptijd en voor hetzelfde bedrag,
uitgeleend aan het begunstigde land. Dit back-to-back-beginsel legt beperkingen
op aan EU-emissies, omdat de kenmerken van het uitgegeven financiële instrument
worden bepaald door de leningstransactie. Het is dus niet mogelijk een looptijd
of bedrag te financieren die/dat afwijkt van de lening. Bij besluit van de Raad wordt het totale bedrag
van het programma per land bepaald, alsmede de termijnen en de maximale
gemiddelde looptijd van het leningspakket. Vervolgens moeten de Commissie en de
begunstigde lidstaat overeenstemming bereiken over de lenings‑/financieringsparameters,
de termijnen en de tranches ervan. Bovendien zijn alle termijnen, afgezien van
de eerste, afhankelijk van de inachtneming van diverse beleidsvoorwaarden, op
soortgelijke wijze als bij IMF-pakketten, wat een ander element is dat de
timing van de financiering beïnvloedt. De timing en looptijden van emissies
hangen dus af van de desbetreffende EU-leningsactiviteit. Het EFSM-proces (1)
Een lidstaat die in ernstige economische of
financiële problemen verkeert die worden veroorzaakt door buitengewone
gebeurtenissen waarop deze lidstaat geen grip heeft, kan verzoeken om steun van
de EU in het kader van het EFSM. (2)
Op basis van een aanbeveling van de Europese
Commissie stelt de Raad van de EU met gekwalificeerde meerderheid van stemmen
een besluit vast. (3)
De lidstaat stelt met de Commissie en met nauwe
betrokkenheid van het IMF en de ECB een economisch aanpassingsprogramma op. (4)
De begunstigde lidstaat stelt met de Europese
Commissie een memorandum van overeenstemming (MoU) en een leningsovereenkomst
op en neemt een besluit over de tenuitvoerlegging daarvan. (5)
Na ondertekening van het MoU en de
leningsovereenkomst, en na een verzoek van de begunstigde lidstaat om
uitbetaling van de lening, worden middelen aangetrokken op de internationale
kapitaalmarkten en wordt de eerste tranche vrijgegeven. De volgende tranches
van de lening worden vrijgegeven zodra de Raad van de EU heeft geverifieerd dat
de lidstaat de voorwaarden van het programma in acht neemt. 2. Europese Faciliteit voor
financiële stabiliteit (EFSF) Naar aanleiding van het besluit van de Raad
(Ecofin) van 9 mei 2010 hebben de lidstaten van het eurogebied de Europese
Faciliteit voor financiële stabiliteit (EFSF 1.0) opgezet, die als onderneming
in Luxemburg is geregistreerd. De EFSF heeft als voornaamste doel financiële
bijstand te verlenen aan de lidstaten van het eurogebied. Als onderdeel van een
algemeen bijstandspakket van 750 miljard euro, heeft de EFSF garanties
ontvangen van de lidstaten uit het eurogebied voor een bedrag van in totaal 440 miljard
euro, dat kan worden uitgeleend aan in moeilijkheden verkerende lidstaten van
het eurogebied, mits voldaan wordt aan bepaalde voorwaarden die zijn opgesteld
in het kader van een economisch aanpassingsprogramma van EU en IMF. Uitleencapaciteit Om de AAA-rating van EFSF-obligaties (zie
hieronder) te behouden, is de effectieve uitleencapaciteit in het kader van
EFSF 1.0 beperkt tot 255 miljard euro. Kredietrating EFSF 1.0 heeft van de kredietbeoordelaars
een AAA-rating gekregen. Overeenkomstig de initiële overeenkomst (EFSF 1.0) is
dit echter ten koste gegaan van de uitleencapaciteit, die beperkt werd
aangezien elke EFSF-lening gedekt moet zijn door: i) garanties van landen
met AAA-rating; ii) een bedrag in contanten gelijk aan het desbetreffende
deel van de EFSF-kasreserve; iii) een leningsspecifieke kasbuffer. De
AAA-rating is in wezen gebaseerd op de volgende vier elementen: (1)
Garantiemechanisme:
Krachtens de garantieovereenkomst tussen de lidstaten van het eurogebied moeten
deze lidstaten een onherroepelijke en onvoorwaardelijke garantie verlenen voor
de te betalen rente en hoofdsom ten aanzien van instrumenten die zijn
uitgegeven door de EFSF. Voorts omvat deze garantie maximaal 120% van het
aandeel van elke lidstaat van het eurogebied in alle EFSF-verplichtingen
(hoofdsom en rente), met als bovengrens de garantieverbintenissen zoals
vastgelegd in bijlage 1 bij de EFSF-kaderovereenkomst. Als desondanks
tekorten ontstaan, worden deze gedekt uit kasreserves en kasbuffers. (2)
Kasreserve: De middelen
worden aan een kredietnemer uitgekeerd zonder dat een vooraf te betalen
dienstvergoeding in rekening wordt gebracht. Deze dienstvergoeding wordt
berekend als 50 basispunten op de geaggregeerde hoofdsom van elke lening en de
netto contante waarde van de rentemarge die tegen het contractuele tarief op
elke lening zou worden opgebouwd tot de geplande vervaldatum. (3)
Leningsspecifieke kasbuffer: Telkens wanneer een lening aan een lidstaat wordt verstrekt, moet de
EFSF een leningsspecifieke kasbuffer vaststellen met een zodanige omvang dat
elke EFSF-lening volledig wordt gedekt door AAA-garanties en een bedrag in
contanten gelijk aan het desbetreffende deel van de EFSF-kasreserve plus deze
leningsspecifieke kasbuffer. (4)
Eventuele aanvullende steun: Overeenkomstig de EFSF-kaderovereenkomst kan de omvang van het
EFSF-programma bij eenparigheid van de stemmen van de garanderende partijen
worden gewijzigd. De EFSF-capaciteit kan echter niet onbeperkt worden
uitgebreid aangezien de kredietpositie van de garanderende landen dan in gevaar
kan komen. Wanneer één garanderend land zijn AAA-rating verliest, loopt de
capaciteit van de EFSF terug met het door dit land gegarandeerde bedrag. Door de EFSF uitgegeven obligaties hebben een
risicoweging van nul en komen in aanmerking voor ECB-repo's. De kredietrating
van de EFSF kan in negatieve zin worden beïnvloed door een potentiële
verslechtering van de kredietwaardigheid van lidstaten van het eurogebied, met
name de garanderende landen met AAA-rating. Aangezien de EFSF individueel is gegarandeerd,
zou een verlaging van de rating van één garanderend AAA-land de gehele
AAA-rating van de EFSF omlaag halen indien er geen verdere kredietversterkingen
zouden volgen. Voorwaarden De met de EFSF verleende financiële bijstand is gekoppeld aan een programma
voor economische aanpassing, dat strenge beleidsvoorwaarden bevat die zijn
opgenomen in een memorandum van overeenstemming (MoU) dat de Commissie samen
met het begunstigde land en in samenspraak met de ECB en het IMF opstelt. Besluitvorming De besluiten om EFSF-middelen uit te keren,
worden met eenparigheid van stemmen genomen. 3. Europese Faciliteit voor
financiële stabiliteit (EFSF 2.0) De EFSF-kaderovereenkomst is gewijzigd om de
beschikking te krijgen over de volledige uitleencapaciteit van 440 miljard
euro. Uitleencapaciteit Om de AAA-rating van
EFSF-obligaties te behouden (zie hieronder), is de effectieve uitleencapaciteit
in het kader van EFSF 2.0 beperkt tot 440 miljard euro. Kredietrating EFSF 2.0 heeft van de kredietbeoordelaars een
AAA-rating gekregen. Om de effectieve EFSF-uitleencapaciteit op te trekken tot
maximaal 440 miljard euro is de EFSF-kaderovereenkomst herzien. Daarbij
zijn de garanties van de landen met een AAA-rating verhoogd tot
440 miljard euro. In wezen is de AAA-rating gebaseerd op slechts één
element, het garantiemechanisme. Krachtens deze garantieovereenkomst tussen de
lidstaten van het eurogebied moeten deze lidstaten een onherroepelijke en
onvoorwaardelijke garantie verlenen voor de te betalen rente en hoofdsom ten
aanzien van instrumenten die zijn uitgegeven door de EFSF. Voorts omvat deze
garantie maximaal 165% van het aandeel van elke lidstaat van het eurogebied in
alle EFSF-verplichtingen (hoofdsom en rente), met als bovengrens de
garantieverbintenissen zoals vastgelegd in bijlage 1 bij de
EFSF-kaderovereenkomst. De door de EFSF uitgegeven obligaties hebben een
risicoweging van nul en komen in aanmerking voor ECB-repo's. De kredietrating van de EFSF kan in negatieve
zin worden beïnvloed door een potentiële verslechtering van de
kredietwaardigheid van lidstaten van het eurogebied, met name de garanderende
landen met AAA-rating. Aangezien de EFSF individueel is gegarandeerd, zou een
verlaging van de rating van één garanderend AAA-land de gehele AAA-rating van
de EFSF omlaag halen indien er geen verdere kredietversterkingen zouden volgen. Voorwaarden De met de EFSF verleende financiële bijstand is
gekoppeld strenge beleidsvoorwaarden die zijn opgenomen in een memorandum van
overeenstemming (MoU) dat de Commissie samen met het begunstigde land en in
samenspraak met de ECB en het IMF opstelt. Naast de verstrekking van leningen
in het kader van een macro-economisch aanpassingsprogramma kan de EFSF ook
kredietlijnen toekennen, operaties uitvoeren op de primaire en secundaire obligatiemarkten
en buiten de programma's om leningen verstrekken ter herkapitalisering van
financiële instellingen. Besluitvorming De besluiten om
EFSF-middelen uit te keren, worden met eenparigheid van stemmen genomen. 4. Europees stabiliteitsmechanisme
(ESM) Op 24-25 maart 2011 hebben de EU-staatshoofden
en regeringsleiders ingestemd met de oprichting van het ESM, een permanent
crisisbestrijdingsmechanisme om de euro en de financiële stabiliteit in Europa
veilig te stellen. Het ESM wordt de grootste financiële instelling ter wereld
met een kapitaal van 700 miljard euro, waarvan 80 miljard zal worden
volgestort. Het was oorspronkelijk de bedoeling het ESM in juli 2013 in werking
te doen treden, maar naar verwachting zal de startdatum worden vervroegd tot
medio 2012. 5. Gezamenlijke obligaties van
Duitse deelstaten Een speciaal segment van de obligatiemarkt van
de Duitse deelstaten is dat van de zogenaamde Jumbo's. Dit zijn obligaties die
door een groep van Duitse deelstaten worden uitgegeven. Tot nog toe zijn er 38
Jumbo's uitgegeven door syndicaten van vijf tot zeven deelstaten. Een
uitzondering daarop is de grote Jumbo van 1997 die is uitgegeven door een
syndicaat van tien deelstaten. Tot dusver hebben alle Jumbo's de vorm van
klassieke obligaties gehad en lag de gemiddelde emissieomvang iets hoger dan
1 miljard euro, meer dan zeven keer de omvang van de gemiddelde emissie
van een afzonderlijke deelstaat. Aan het Jumbo-programma nemen doorgaans
deelstaten deel die vrij klein van omvang of bevolking zijn. Jumbo's zijn
liquider dan de typische obligaties van deelstaten, waardoor de schatkist van
de deelstaten een deel van de liquiditeitsrisicopremie kunnen besparen,
vergeleken bij de vrij kleine emissies van deelstaten afzonderlijk. Vanuit
beleggingsoogpunt is een Jumbo een gestructureerde obligatie die bestaat uit
afzonderlijke vorderingen op de deelnemende deelstaten, overeenkomstig hun
aandeel in de gezamenlijke uitgifte. Die deelstaten zijn dus individueel maar
niet gezamenlijk aansprakelijk voor de emissie. Kenmerken van de obligaties –
Uitgiftefrequentie: doorgaans 2-3 emissies per jaar –
Looptijden: 5-10 jaar –
Omvang: 1-1,5 miljard euro –
Eén deelstaat coördineert de emissie en treedt op
als betalingsagent. Kredietrating De emissies hebben van Fitch een AAA-rating
gekregen omdat Fitch tot voor kort aan alle Duitse deelstaten een AAA-rating
gaf vanwege de Länderfinanzausgleich (een compensatiemechanisme op basis van
solidariteit en impliciete garanties tussen de deelstaten en in laatste
instantie de centrale overheid). Dit verklaart ook waarom Fitch vaak andere
ratings toekende dan andere kredietbeoordelaars. Niet alle Duitse deelstaten
krijgen tegenwoordig nog een Fitch-rating. Volgens Fitch hangt de AAA-rating samen met de
individuele kredietwaardigheid van alle zeven Duitse deelstaten die betrokken
zijn bij de gezamenlijke emissies. Deze is gebaseerd op de krachtige
steunmechanismen die gelden voor alle leden van de Duitse federatie, en op de
uitgebreide liquiditeitsfaciliteiten waarover zij kunnen beschikken. Daardoor
zijn tijdige betalingen gewaarborgd en staat de kredietwaardigheid van de
deelstaten op gelijke hoogte met die van de Duitse centrale overheid. Fitch
merkt op dat de steunmechanismen op uniforme wijze gelden voor alle leden van
de Duitse federatie (de centrale overheid en de zestien deelstaten). De
verschillen qua economische en financiële prestaties van de deelstaten zijn
irrelevant aangezien alle deelstaten in het geval van financiële moeilijkheden
gelijkelijk recht hebben op financiële steun van de centrale overheid. De
gezamenlijke obligaties van de Duitse deelstaten hebben een risicoweging van
nul en komen in aanmerking voor ECB-repo's. Bijlage 4: Documentatie en marktconventies Zoals aangegeven in hoofdstuk 4, moeten met
het oog op een eventuele invoering van stabiliteitsobligaties bepaalde
effectenkenmerken en marktconventies worden vastgesteld. Daarbij valt te denken
aan de volgende elementen: – Jurisdictie voor de emissie van stabiliteitsobligaties: EFSF- en EU/EFSM-obligaties worden uitgegeven overeenkomstig het
Engelse recht, maar dat kan in dit geval op politieke weerstand stuiten. – Looptijdstructuur van effecten: de
financieringsstrategie van stabiliteitsobligaties moet worden bepaald met het
oog op: i) de ontwikkeling van een benchmarkemissie- en ‑rendementscurve,
en ii) de optimalisering van de financieringskosten, aangezien emissies in
sommige segmenten van de rendementscurve duurder zijn dan in andere segmenten.
De emissie van kortetermijnpapier (kortlopend schatkistpapier) ter aanvulling
van papier met langere looptijd zou de schatkist meer flexibiliteit bieden en
zou de toegang tot financiering aanzienlijk vergemakkelijken. – Coupontypes (vast,
variabel, nul, inflatiegelinkt): in eerste instantie en om de ontwikkeling van
een benchmarkstatus te vergemakkelijken, kan het de voorkeur verdienen zich te
concentreren op pure ('plain vanilla') effectenstructuren. Dit zou ook de
ontwikkeling van verwante derivaten, en met name opties en futures,
vergemakkelijken. – Beurzen waarop de effecten worden genoteerd:
EFSF- en EU/EFSM-obligaties staan momenteel genoteerd aan de beurs van
Luxemburg. Voor de stabiliteitsobligaties kan dit te beperkt blijken, hoewel
een notering op verschillende beurzen extra kosten mee zal brengen. – Afwikkelingsconventies: deze conventies moeten
worden vastgesteld om de instrumenten aantrekkelijker te maken,. Dit geldt voor
kortetermijnpapier met t+1 (om kortetermijndoelen van de schatkist te
vergemakkelijken) en voor langer lopende effecten met t+3 (om het risico dat de
afwikkeling mislukt, tot een minimum te beperken). – Strategie om een beleggingsbasis te creëren en te handhaven: er moeten relaties worden ontwikkeld met potentiële beleggers en dus
kan het nodig zijn om te bepalen of een groep primary dealers moet worden
opgezet, hoe de retailsector wordt geïntegreerd enzovoort. – Invoering van collectieveactieclausules om een georganiseerde
procedure mogelijk te maken voor de oplossing van eventuele toekomstige
solvabiliteitsproblemen. Referenties Assmann, Ch. en J. Boysen-Hogrefe (2011),
Determinants of government bond spreads in the euro area: in good times as in
bad, Institut für Weltwirtschaft Kiel, wordt weldra gepubliceerd in Empirica. Barclays Capital Economic Research (2011),
Euro Themes, A proposal to restore euro area stability, 18 augustus 2011 BBVA (2011), A unified sovereign debt issuance
procedure in the Euro area with a Basket Bond, Global Public Finance – Policy
report No. 1 Becker, W., The Creation of a Common European
Government Bond, Arguments Against and Alternatives, Cahier Comte Boël, No. 14,
ELEC, april 2010 Bini-Smaghi, L. (2011), European democracies
and decision-making in times of crisis. Toespraak op de Hellenic Foundation for
European and Foreign Policy, Poros, 8 juli 2011, http://www.ecb.int/press/key/date/2011/html/sp110708.en.html Boonstra, W.W. (2010), The Creation of a
Common European Bond Market, Cahier Comte Boël, No. 14, ELEC, april 2010 Carstensen, K.(2011), Eurobonds, Ausweg aus
der Schuldenkrise?, Ifo Institute, http://www.cesifo-group.de/portal/page/portal/ifoContent/N/pr/pr-PDFs/PK_20110817_Eurobonds_PPT.pdf De Grauwe, P. en W. Moesen (2009), Gains for
all: a proposal for a common euro bond, Intereconomics, mei/juni 2009,
blz. 132 – 135 Delpla, J. en von Weizsäcker, J. (2010), The
Blue Bond Proposal, Breugel Policy Briefs 420, Bruegel, Brussel 2010 Dübel, H-J. (2011), Partial sovereign bond
insurance by the eurozone: A more efficient alternative to blue (Euro-)bonds,
CEPS Policy Brief No. 252 EPDA/SIFMA (2009), Towards a Common European
T-bill Briefing Note, maart 2009 Eijffinger, S.C.W. (2011), Eurobonds –
Concepts and Implications, Briefing Note to the European Parliament,
maart 2011 Favero, C.A. en A. Missale (2010), EU Public
Debt Management and Eurobonds, Chapter 4 in Euro Area Governance - Ideas
for Crisis Management Reform, Europees Parlement, Brussel Frankfurter Allgemeine Zeitung (2011)
Gemeinschaftsanleihen: Eurobonds erhöhen Zinslast um Milliarden, by Philip
Plickert, 19 juli 2011, http://www.faz.net/aktuell/wirtschaft/europas-schuldenkrise/gemeinschaftsanleihen-eurobonds-erhoehen-zinslast-um-milliarden-11115183.html#Drucken Giovannini-groep (2000), Report on
co-ordinated issuance of public debt in the euro area, http://ec.europa.eu/economy_finance/publications/giovannini/giovannini081100en.pdf Issing, O. (2009), Why a Common Eurozone Bond
Isn't Such a Good Idea, White Paper No. 3, Centrum voor financiële
studies, Frankfurt 2009 Jones, E. (2010), A Eurobond Proposal to
Promote Stability and Liquidity while Preventing Moral Hazard, ISPI Policy
Brief, No 180, maart 2010 Jones, E. (2011), Framing the Eurobond, ISPI
Commentary, 1 september 2011 J.P. Morgan (2011), Designing and pricing the
gold-plated Stability Bond, Global Fixed Income Markets Weekly, 26 augustus
2011 Monti, M. (2010), A new strategy for the
Single Market, At the service of Europe's Economy and society, Rapport voor de
Voorzitter van de Europese Commissie, http://ec.europa.eu/bepa/pdf/monti_report_final_10_05_2010_en.pdf NATIXIS (2011), What bonus/penalty system for
the Stability Bond? Flash Economics No 613, 22 augustus 2011 Prodi, Romano en Alberto Quadrio Curzio
(2011), EuroUnionBond ecco ci che va fatto, Il Sole 24 hore, 23 augustus
2011 Sachverständigenrat zur Begutachtung der
gesamtwirtschaftlichen Entwicklung (2011), Jahresgutachten 2011/12 Schäuble, W. (2010), Schäuble on Eurobonds and
fiscal union, interview with Querentin Peel, Financial Times, 5 december 2010, http://video.ft.com/v/698922855001/Sch-uble-on-eurobonds-and-fiscal-union Juncker, J.C. and G. Tremonti (2010),
Stability Bonds would end the crisis, The Financial Times,
5 december 2010 [1] In de openbare discussie en literatuur wordt gewoonlijk gesproken over
"euro-obligaties". De Commissie is van mening dat zo'n instrument
vooral zou leiden tot meer financiële stabiliteit in het eurogebied. Daarom
wordt in dit groenboek, evenals in de State of the Union van 28 september 2011
van voorzitter Barroso, de term "stabiliteitsobligatie" gebruikt. [2] In
principe kan de gemeenschappelijke uitgifte worden uitgebreid naar
niet-eurolidstaten, maar dit brengt wel een wisselkoersrisico mee. Omdat de
verplichtingen van diverse niet-eurolidstaten al voor een groot deel in euro
luiden, zou dit geen belangrijke belemmering mogen vormen. Alle EU-lidstaten
zouden er belang bij kunnen hebben om zich aan te sluiten bij de
stabiliteitsobligatie, met name wanneer hun financieringskosten daardoor zouden
kunnen worden teruggedrongen en veiliggesteld en de economie daardoor gunstig
wordt beïnvloed via de interne markt. Vanuit het oogpunt van de
stabiliteitsobligatie geldt dat hoe hoger het aantal deelnemende landen is, des
te positiever de gevolgen waarschijnlijk zullen zijn, hetgeen met name komt
door de grotere liquiditeit. [3] Giovannini-Groep: Report on co-ordinated issuance of
public debt in the euro area (11/2000): http://ec.europa.eu/economy_finance/publications/giovannini/giovannini081100en.pdf [4] Zie daarvoor: http://www.sifma.org/news/news.aspx?id=7436
[5] Zie bijlage 2 voor een overzicht van de inbreng van de
diverse partijen in dit debat. [6] Resolutie van het Europees Parlement van 6 juli 2011
over de financiële, economische en sociale crisis: aanbevelingen voor te nemen
maatregelen en initiatieven (2010/2242(INI)):
" …13. [Het Europees Parlement] dringt bij de Commissie aan op
een onderzoek naar de eventuele instelling van een systeem van euro-obligaties,
zodat de voorwaarden kunnen worden bepaald waaronder een dergelijk stelsel alle
deelnemende lidstaten en de eurozone als geheel tot voordeel zou strekken; wijst
erop dat euro-obligaties als een werkbaar alternatief zouden kunnen fungeren
voor de US-dollarobligatiemarkt, en dat zij de integratie van de Europese
staatsobligatiemarkten ten goede zouden kunnen komen, zouden kunnen leiden tot
lagere financieringskosten, verbetering van de liquiditeit en de
begrotingsdiscipline en stiptere naleving van het stabiliteits- en groeipact
(SGP), bevordering van gecoördineerde structuurhervormingen en stabilisatie van
de kapitaalmarkten, hetgeen ook positief zou uitpakken voor het concept van de
euro als mondiale „veilige haven”; wijst er eens te meer op dat de
gemeenschappelijke uitgifte van euro-obligaties een verdere stap in de richting
van een gemeenschappelijk economisch en begrotingsbeleid vereist;
14. onderstreept daarom dat, indien besloten wordt tot uitgifte van
euro-obligaties, er een schuldquotelimiet van 60% van het bbp moet worden
gehanteerd voor bij wijze van bevoorrechte staatsschuld onder gezamenlijke en
individuele aansprakelijkheid uit te geven schuldpapier en dat daaraan
stimulansen moeten worden verbonden om de staatsschuld tot dat niveau terug te
brengen; stelt zich op het standpunt dat de overkoepelende doelstelling van
euro-obligaties erin moet bestaan de staatsschuld terug te dringen, perverse
prikkels tegen te gaan en speculatie tegen de euro te voorkomen; merkt op dat
de vaststelling en implementatie van meetbare schuldreductieprogramma's als
voorwaarde zouden moeten gelden om tot dergelijke euro-obligaties toegang te
kunnen krijgen;". [7] Zoals obligaties die de Commissie heeft uitgegeven in
het kader van de betalingsbalansfaciliteit/het EFSM, en obligaties die door de
EFSF zijn uitgegeven, of emissies voor de financiering van grootschalige
infrastructuurprojecten met een multinationale dimensie (bijv. projectobligaties
die de Commissie kan uitgeven). De diverse soorten gezamenlijke emissies en
andere instrumenten die gelijkenissen vertonen met stabiliteitsobligaties,
worden besproken in bijlage 3. [8] De omvang van de emissies zoals vastgelegd in Dealogic, is
gecorrigeerd voor de omvang van min of meer overeenkomstige emissies met een
soortgelijke looptijd en afwikkelingsdatum. Om te corrigeren voor verschillen
in tijdgebonden marktomstandigheden, zijn er controlevariabelen ingevoerd voor
het effect van het renteniveau (de tweejaars swaprente) en de termijnstructuur
(het verschil tussen de tienjaars en de tweejaars swaprente) ten tijde van elke
emissie. [9] Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement
en de Raad betreffende gemeenschappelijke bepalingen voor het monitoren en
beoordelen van ontwerpbegrotingsplannen en voor het garanderen van de correctie
van buitensporige tekorten van de lidstaten van het eurogebied, en: voorstel
voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de
versterking van het economische en budgettaire toezicht op lidstaten die
ernstige moeilijkheden ondervinden of dreigen te ondervinden ten aanzien van
hun financiële stabiliteit in het eurogebied. [10] Uit de
ervaring met ESFS-obligaties is gebleken dat een rating van de obligatie die
hoger is dan de gemiddelde garanties van de deelnemende lidstaten tot stand is
gebracht met uiteenlopende hulpmiddelen, zoals kasreserves, verliesabsorberend
kapitaal en overgaranties voor de emissieomvang. Hoewel deze elementen in het
geval van het EFSF moeilijk te beheren zijn geweest, kunnen ze nuttig blijken
voor een versterking van de kredietrating van de stabiliteitsobligatie. [11] In dit hoofdstuk worden de termen individuele
garantie en gezamenlijke en individuele garantie gebruikt in
economische zin zodat ze kunnen afwijken van de juridische definities ervan. [12] Zoals een verdeelsleutel voor de EU-begroting of voor het
ECB-kapitaal. [13] Wel krijgen de deelnemende lidstaten in een dergelijke
situatie een vordering op de lidstaat die in gebreke blijft. [14] Zo heeft het Duitse constitutionele hof in zijn arrest van
7 september 2011 het Duitse wetgevingsorgaan verboden om een permanent
mechanisme op te zetten waarbij de aansprakelijkheid voor de vrijwillige
besluiten van een andere lidstaat zou worden overgenomen, met name wanneer de
gevolgen ervan moeilijk zijn te overzien. Tevens is daarin bepaald dat het
parlement ook in een stelsel van intergouvernementele governance zeggenschap
moet behouden over fundamentele besluiten over het begrotingsbeleid. [15] Een vierde benadering met een volledige vervanging door
stabiliteitsobligaties en met individuele, maar zonder gezamenlijke garanties
is ook mogelijk, maar wordt niet onderzocht, omdat deze niet duidelijk afwijkt
van de bestaande emissieregelingen. Daarnaast zijn hybride gevallen denkbaar,
zoals individuele garanties op schuldverplichtingen in combinatie met een
beperkte gezamenlijke garantie ter dekking van tekorten aan kortlopend papier. [16] Zie hoofdstuk 4 voor een evaluatie van de voor- en nadelen
van een gecentraliseerde en van een gedecentraliseerde emissie. [17] Bijvoorbeeld in Duitsland en in mindere mate in Spanje en
Frankrijk. [18] Deze nauwe reikwijdte van stabiliteitsobligaties zou
inhouden dat de lidstaten zich ertoe moeten verplichten af te zien van de
emissie van eigen nationale of andere overheidsobligaties, met inbegrip van hun
subfederale entiteiten indien deze worden opgenomen in het systeem van
gemeenschappelijke emissies. [19] Zie J. Delpla en J. von Weizsäcker,
(2010). Zij stellen op grond van de
criteria van Maastricht een schuldplafond van 60% van het bbp voor. [20] Evenals in benadering nr. 1 kunnen
stabiliteitsobligatie-emissies worden uitgevoerd op gedecentraliseerde basis,
maar zou het efficiënter zijn om deze door een centraal agentschap voor het
beheer van de schuld te laten uitvoeren. [21] Zo'n achtergestelde status van nationale obligaties kan
alleen gelden voor nieuw uitgegeven nationale obligaties, d.w.z. nationale
obligaties die zijn uitgegeven na de invoering van stabiliteitsobligaties.
Daarentegen moeten de "oude" of "bestaande" nationale
obligaties dezelfde status genieten als stabiliteitsobligaties omdat een
wijziging van de status ervan in technische zin neerkomt op wanbetaling. [22] Delpla and von Weizsäcker stellen dat rode schuld door het
hoge wanbetalingsrisico grotendeels uit het bankwezen moet worden gehouden door
deze niet meer in aanmerking te laten komen voor ECB-herfinancieringsoperaties
en aan pijnlijke kapitaalvereisten in het bankwezen te onderwerpen. [23] In het voorstel van Bruegel wordt de bovengrens op 60% van
het bbp gesteld. Het criterium van Maastricht is daarbij als referentiepunt
gebruikt. Er zijn ook andere voorstellen met nog lagere bovengrenzen. Het
argument daarvoor is dat een wanbetalingsrisico op euro-obligaties van
praktisch nul gegarandeerd is, wanneer de bovengrens maar laag genoeg is. Een
standaardaanname in de taxatie van wanbetalingsrisico's is dat bij wanbetaling
40% van de schuld uiteindelijk toch wordt geïnd. Wordt dit uitgangspunt op de staatsschuld
toegepast, dan zou dat betekenen dat als de bovengrens onder deze
"inningswaarde" wordt gesteld, de schuldendienst in het kader van de
gemeenschappelijke regeling hoe dan ook gewaarborgd is. [24] Gepubliceerd op 9 november 2011, zie: http://www.sachverstaendigenrat-wirtschaft.de/aktuellesjahrsgutachten.html,
punten 9-13 en 184-197. [25] Een dergelijke benadering is, zij het op
gedecentraliseerde-emissiebasis, onderzocht in het verslag van de
Giovannini-Groep (2000) en is meer recent voorgesteld door De Grauwe en
Moesen (2009), door Monti (2010) en door Juncker en Tremonti (2010). [26] Bini-Smaghi hebben iets dergelijks voorgesteld: een
eurobond met proportionele garanties, maar waarbij het recht om schuldpapier
uit te geven wordt overgeheveld van de lidstaten naar een supranationaal
agentschap. Daarvoor is vermoedelijk wel een wijziging van het Verdrag
noodzakelijk. De schuld kan daarbij worden uitgegeven tot bepaalde niveaus
waarmee de Raad heeft ingestemd in het kader van de jaarlijkse goedkeuring van
de stabiliteitsprogramma's. Daarbij wordt het onmogelijk om bovenop de
jaarlijks vastgestelde schuldlimiet nog schuldpapier uit te geven voor de
financiering van de uitgaven. Aldus ontstaat een "schuldenrem" die
een land dwingt om vroegtijdig in te grijpen, wanneer zijn overheidsschuld te
dicht in de buurt van de overeengekomen limiet komt. [27] Een deelname van niet-eurolidstaten is echter, met name in
benadering nr. 3, ook denkbaar. [28] In de overgangsfase kan er een Commissie-agentschap komen
met personeel van de Commissie en tijdelijk personeel uit de nationale
agentschappen. Later kan dit agentschap dan eventueel worden omgevormd tot een
ASB. [29] Omwille van een tijdige follow-up wordt afgeweken van de
normale raadplegingsperiode van acht weken temeer daar over
stabiliteitsobligaties/euro-obligaties al lange tijd uitvoerig wordt gesproken.
[30] Feedback kan langs alle normale kanalen worden verstrekt.
Er is ook een speciale mailbox geopend:
ECFIN-Green-Paper-Stability-Bonds@ec.europa.eu;
(http://ec.europa.eu/economy_finance/consultation/index_en.htm) [31] Zie: http://ec.europa.eu/economy_finance/eu_borrower/macro-financial_assistance/index_en.htm