52011DC0286

/* COM/2011/0286 def. - */ VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende de tenuitvoerlegging van Verordening 2038/2006 over meerjarenfinanciering voor de acties van het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid op het gebied van de bestrijding van door schepen veroorzaakte verontreiniging voor de periode 2007-2009 VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende de tenuitvoerlegging van Verordening 2038/2006 over meerjarenfinanciering voor de acties van het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid op het gebied van de bestrijding van door schepen veroorzaakte verontreiniging voor de periode 2007-2009


VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de tenuitvoerlegging van Verordening 2038/2006 over meerjarenfinanciering voor de acties van het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid op het gebied van de bestrijding van door schepen veroorzaakte verontreiniging voor de periode 2007-2009

INLEIDING

Verordening 2038/2006[1] voorziet in financiële middelen voor het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (hierna 'het Agentschap') om acties ter bestrijding van door schepen veroorzaakte verontreiniging te financieren.

Overeenkomstig artikel 8 van bovengenoemde verordening brengt de Commissie verslag uit over de resultaten die zijn bereikt dankzij de besteding van de financiële middelen in de periode van 1 januari 2007 en met 31 december 2009.

Dit verslag wordt voorbereid in nauwe samenwerking met het Agentschap, dat een aanzienlijke bijdrage levert[2]. Het verslag is gebaseerd op de externe evaluatie van het Agentschap van 2008, een audit van de dienst Interne Audit van de Commissie van 2009 en een raadpleging van de belanghebbenden van maart 2010. Het dossier werd ook meermaals besproken tijdens vergaderingen van de raad van bestuur van het Agentschap.

Overeenkomstig artikel 15, lid 2, onder g), van Verordening 1406/2002[3] heeft het Agentschap tussen 2007 en 2010 elk jaar een verslag ingediend over de financiële uitvoering van het gedetailleerde plan van de activiteiten van het Agentschap op het gebied van de paraatheid voor en bestrijding van verontreiniging. Deze verslagen zijn beschikbaar op de website van het Agentschap.

De Commissie onderschrijft de door het Agentschap in zijn bijdrage geformuleerd analyse. Voor de periode 2007-2009 kunnen hoofdzakelijk de volgende conclusies worden getrokken.

TAKEN VAN HET AGENTSCHAP OP HET GEBIED VAN DE BESTRIJDING VAN VERONTREINIGING

De taken van het Agentschap hebben betrekking op zowel onbedoelde als illegale lozingen. Aanvankelijk waren ze vooral op olieverontreiniging gericht. Sinds 2007 is het Agentschap echter ook actief op het gebied van verontreiniging van de zee door gevaarlijke en schadelijke stoffen (bv. chemicaliën).

Overeenkomstig Verordening 2038/2006 en Richtlijn 2005/35/EG inzake verontreiniging vanaf schepen[4] zijn dit de drie belangrijkste taken van het Agentschap op het gebied van de bestrijding van door schepen veroorzaakte verontreiniging:

a) Operationele bijstand aan de lidstaten

Het Agentschap beschikt over een netwerk van oproepbare schepen voor de bestrijding van olielekkages om de bestrijdingscapaciteit van de lidstaten aan te vullen wanneer ze met een lekkage te maken krijgen. Het stelt ook een dienst voor satelliettoezicht op olielekkages, het zogenaamde CleanSeaNet, ter beschikking, alsmede informatie over chemische lekkages via het "MAR-ICE"-netwerk.

b) Samenwerking en coördinatie

Het Agentschap werkt nauw samen met nationale deskundigen op het gebied van bestrijding van verontreiniging en met de Internationale Maritieme Organisatie (IMO). Het leeft ook bestaande regionale overeenkomsten na.

c) Informatie

Het Agentschap verzamelt, analyseert en verspreidt informatie over beste praktijken, technieken en innovaties op het gebied van de paraatheid voor en bestrijding van verontreiniging van de zee.

BEGROTING

Tussen 1 januari 2007 en 31 december 2013 krijgt het Agentschap voor de financiering van bovengenoemde acties in totaal een referentiebedrag van 154 miljoen euro (zie artikel 4 van Verordening 2038/2006). Daarvan werd tijdens de eerste drie jaar ongeveer 60 miljoen euro of bijna 40 % vastgelegd. Dat komt overeen met een proportioneel gebruik van de beschikbare middelen.

Tussen 1 januari 2007 en 31 december 2009 werd ongeveer 98 % van de middelen ingezet om de operationele bijstand en in het bijzonder het netwerk van oproepbare schepen voor de bestrijding van olielekkages te financieren. De overige 2 % werd besteed aan samenwerking en informatie (zie tabel in bijlage).

De betalingen vertegenwoordigen een bedrag van ongeveer 48 miljoen euro. Het bedrag van de betalingen ligt lager dan dat van de vastleggingen door een aantal factoren. Betalingen onder meerjarencontracten kunnen over een aantal jaren worden gespreid en soms zelfs na de referentieperiode worden uitgevoerd. Bovendien ligt de totale som van de betalingen lager door vertragingen bij nieuwe contracten voor oproepbare schepen of de ontoereikende dienstverlening van aanbieders van satellietbeelden.

GESCHIKTHEID VAN HET FINANCIËLE KADER

Uit de verzamelde informatie blijkt dat het Agentschap over voldoende middelen beschikt. Dankzij deze middelen beschikte het Agentschap in 2009 over een netwerk van 13 volledig uitgeruste oproepbare schepen die gelijktijdig en langs vrijwel de hele Europese kustlijn[5] kunnen worden ingezet om olielekkages te bestrijden. Daarnaast kon het Agentschap er het CleanSeaNet-systeem mee ontwikkelen dat 24 Europese kuststaten (met inbegrip van Kroatië en Noorwegen) een dienst voor satelliettoezicht op olielekkages aanbiedt. Slechts 12 van deze kuststaten hadden reeds ervaring op dit gebied. Belanghebbenden zijn ook erg positief over de samenwerking met en informatie van het Agentschap in dit kader.

Het is van essentieel belang dat het om een meerjarenfinanciering gaat zodat met bedrijven meerjarencontracten kunnen worden gesloten. Dergelijke contracten zijn nodig voor zowel het netwerk van oproepbare schepen voor de bestrijding van olielekkages als de organisatie van CleanSeaNet.

Tot slot blijken de financiële middelen ook op lange termijn te volstaan, aangezien het Agentschap verwacht dat 97 % van de totale middelen tegen eind 2013 zal zijn ingezet.

EFFICIËNTIE EN MEERWAARDE VAN HET HUIDIGE SYSTEEM

De tot dusver in dit kader gefinancierde maatregelen zijn kostenefficiënt en bieden een meerwaarde. Bovendien wordt de beste prijs-kwaliteitverhouding gegarandeerd door te werken met openbare aanbestedingen.

Overeenkomstig het door de raad van bestuur van het Agentschap goedgekeurde gedetailleerde plan van de activiteiten van het Agentschap op het gebied van de paraatheid voor en bestrijding van verontreiniging, heeft het Agentschap geen schepen voor de bestrijding van olielekkages gebouwd of gekocht. Dat zou gezien de gebruiksfrequentie ervan niet kostenefficiënt zijn. In de plaats daarvan worden schepen van commerciële ondernemingen gehuurd via een systeem waarbij de schepen correct zijn uitgerust en oproepbaar zijn. Uit cijfers blijkt dat de kosten met ongeveer 60 % per jaar dalen door te kiezen voor dit systeem in plaats van voor de aankoop van schepen. De opslagmogelijkheden nemen echter wel met 60 % toe. Het is van wezenlijk belang dat de uitrusting van het ene op het andere schip kan worden overgebracht ('transferable call option') omdat dit het investeringsverlies tot een minimum beperkt wanneer er van contractant wordt veranderd.

De hoofdverantwoordelijkheid om op een ongeval te reageren, ligt uiteraard nog altijd bij de nationale overheden. Hun investeringen variëren echter aanzienlijk. Uit lekkagescenario's die het Agentschap in het bijzonder op basis van grote ongevallen uit het verleden (bv. met de Erika en de Prestige) opstelde, blijkt echter duidelijk dat de getroffen lidstaten aanzienlijk hadden kunnen besparen indien er destijds een netwerk van schepen beschikbaar was geweest.

Daarnaast kost het ook minder (ongeveer 20 %) en is het efficiënter om de dienst voor satelliettoezicht op olielekkages op Europees in plaats van nationaal niveau te organiseren. Gemiddeld dekt een verworven beeld immers de behoeften van nagenoeg twee kuststaten (het Agentschap reageerde op 11 886 nationale verzoeken door in totaal 6 391 beelden op te vragen). Dankzij het stringente kwaliteitscontrolesysteem van het Agentschap worden betalingen bovendien alleen uitgevoerd wanneer de contractuele bepalingen volledig zijn nageleefd.

RUIMTE VOOR VERBETERING BUITEN HET FINANCIËLE KADER

De Commissie merkt op dat er buiten het financiële kader enkele verbeteringen mogelijk blijven.

Ten eerste moeten alle lidstaten de relevante internationale overeenkomsten ratificeren om een gemeenschappelijk minimumniveau van paraatheid en bestrijding te creëren. Daarom valt het te betreuren dat het Internationaal Verdrag van 1990 inzake de voorbereiding op, de bestrijding van en de samenwerking bij olieverontreiniging (OPRC 1990) en het Protocol van 2000 inzake de voorvallen van verontreiniging door schadelijke en potentieel gevaarlijke stoffen (OPRC-HNS-Protocol 2000) nog niet door alle lidstaten zijn geratificeerd. Ook de verdragen tot oprichting van een internationaal vergoedingssysteem voor slachtoffers van olielekkages veroorzaakt door ongevallen met olietankers (het Aansprakelijkheidsverdrag van 1992[6], het Fondsverdrag van 1992[7] en het Protocol inzake het aanvullend fonds van 2003[8]) zijn nog niet door alle lidstaten geratificeerd.

Ten tweede blijkt de beschikbaarheid van ontvangstinrichtingen voor op zee gelekte olie een gemeenschappelijk probleem in heel Europa. Door in de scheepscontracten te vermelden dat de contractanten kunnen worden verzocht een geschikt lichterschip te vinden (de 'lightering clause'), draagt het Agentschap bij tot een oplossing van dit probleem. Deze bepaling vormt echter geen vervanging voor aangepaste oplossingen op nationaal niveau.

Tot slot kunnen sommige lidstaten hun opvolging van de door de CleanSeaNet-dienst opgespoorde mogelijke olielekkages nog verbeteren. Het Agentschap stelt dan wel de dienst voor satelliettoezicht op olielekkages ter beschikking, toch moeten de nationale overheden een mogelijke lekkage bevestigen en passende maatregelen tegen de vervuiler nemen. Achter de globale bevestigingsgraad (27 %) gaan grote regionale onevenwichtigheden schuil op basis van nationale verificatiemogelijkheden, met name door bewaking vanuit de lucht. Hierin schuilt het risico dat immorele scheepsexploitanten illegale lozingen uitvoeren in gebieden met een minder strakke opvolging.

CONCLUSIES

De begroting van het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid volstaat ruimschoots om olieverontreiniging te bestrijden en de tot dusver in dit kader gefinancierde maatregelen zijn kostenefficiënt en bieden een meerwaarde.

In oktober 2010 diende de Commissie een voorstel in tot wijziging van de Verordening betreffende de oprichting van het EMSA[9] zodat getroffen lidstaten voortaan bijvoorbeeld ook bijstand van het EMSA kunnen vragen bij mariene verontreiniging door olie- en gasinstallaties. De Commissie acht het echter niet nodig om een wijziging in te dienen van het meerjarige financiële kader in Verordening 2038/2006.

De Commissie zal de bijdrage van het Agentschap aan dit verslag gebruiken bij de voorbereiding van de volgende financiële programmering.

BIJLAGE

Activiteiten van het EMSA op het gebied van de paraatheid voor en bestrijding van verontreiniging

Financiële samenvatting 2007-2009

Vastleggingen in EUR | Betalingen in EUR |

Netwerk van oproepbare schepen voor de bestrijding van olielekkages | 46 363 654,42 | 34 559 298,86 |

Oefeningen | 1 157 500,00 | 1 082 555,37 |

Verbeteringen | 5 324 730,86 | 4 547 630,50 |

Werking CleanSeaNet | 2 859 946,40 | 4 671 731,14 |

Bijstand aan gebruikers CleanSeaNet | 358 270,53 | 223 995,50 |

Dienstontwikkeling CleanSeaNet | 2 673 615,53 | 2 283 212,01 |

Samenwerking en coördinatie | 564 458,95 | 347 445,45 |

Werkzaamheden op het gebied van bestrijding van HNS | 79 100,00 | 37 564,23 |

Informatieverspreiding | 50 054,79 | 61 138,64 |

Verwante opdrachten | 475 052,70 | 379 498,10 |

Totaal | 59 906 384,18 | 48 194 069,80 |

Opmerking: In de twee gevallen waar de betalingen de vastleggingen overschrijden, gaat het om enkele betalingen voor vastleggingen van vóór 2007.

Overzicht van de besteding van de financiële middelen

[pic]

[1] Verordening (EG) nr. 2038/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 over meerjarenfinanciering voor de acties van het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid op het gebied van de bestrijding van door schepen veroorzaakte verontreiniging en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1406/2002 (PB L 394 van 30.12.2006, blz. 1. Zie ook rectificatie in PB L 30 van 3.2.2007, blz. 12).

[2] Beschikbaar op de website van het EMSA op:https://extranet.emsa.europa.eu/index.php?option=com_joomdoc&task=cat_view&gid=298&Itemid=100005

[3] Verordening (EG) nr. 1406/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2002 tot oprichting van een Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (PB L 245 van 29.3.2003, blz. 10).

[4] Richtlijn 2005/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 inzake verontreiniging vanaf schepen en invoering van sancties voor inbreuken (PB L 255 van 30.9.2005, blz. 11).

[5] Het netwerk werd sindsdien verder uitgebreid. Schepen staan ter beschikking van alle lidstaten ongeacht hun feitelijke werkgebied. Kaarten staan in het rapport van het Agentschap, zie voetnoot 2.

[6] Protocol van 1992 tot wijziging van het Internationaal Verdrag inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door olie, 1969.

[7] Protocol van 1992 tot wijziging van het Internationaal Verdrag tot oprichting van een internationaal fonds voor vergoeding van schade door verontreiniging door olie, 1971.

[8] Protocol van 2003 tot wijziging van het Internationaal Verdrag tot oprichting van een internationaal fonds voor vergoeding van schade door verontreiniging door olie, 1992.

[9] COM(2010) 611 van 28.10.2010.