|
11.1.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 9/45 |
Herzien advies van het Comité van de Regio's — „Hervorming van de EU-staatssteunregels voor diensten van algemeen economisch belang”
2012/C 9/09
HET COMITE VAN DE REGIO'S
|
— |
constateert met tevredenheid dat de Commissie, evenals het Comité al eerder deed, het volgende onderscheid maakt: (1) de minimis-compensaties voor dienstverlening die het handelsverkeer tussen de lidstaten niet beïnvloeden, (2) compensaties voor lokale en sociale dienstverlening die zich boven de de minimis-drempel situeren, maar die op grond van hun specifieke organisatiekenmerken en de huidige ontwikkelingsfase van de interne markt het intracommunautaire handelsverkeer niet beïnvloeden, en (3) compensaties voor andere openbare diensten met een Europese of grensoverschrijdende dimensie die worden bestreken door sectorale richtlijnen of verordeningen; |
|
— |
dringt er nogmaals op aan dat die drempel wordt opgetrokken tot 800 000 euro per jaar; |
|
— |
verzoekt de Commissie om ervan af te zien, de omvang van de onder de locale autoriteit ressorterende bevolking op te nemen in de toepassingsvoorwaarden van de nieuwe De minimis-verordening; |
|
— |
wijst invoering van controle op de economische efficiëntie van compensaties voor DAEB van de hand. Voor wetgeving ter zake biedt noch artikel 106 VWEU, noch een besluit of een richtlijn van de Commissie op basis van artikel 106, lid 3, een toereikende rechtsgrondslag. Het mandaat van de Commissie als Europese mededingingsautoriteit heeft zonder meer niets te maken met de voorwaarden voor doelmatige toewijzing van middelen door de (sub)nationale autoriteiten. |
|
Algemeen rapporteur |
De heer Karl-Heinz LAMBERTZ (BE/PSE), Minister-president van de Duitstalige gemeenschap in België |
||||||||||
|
Referentieteksten |
Herzien advies van het Comité van de Regio's in verband met document CdR 150/2011 fin, (overeenkomstig artikel 52 rvo – ECOS-V-016) |
I. BELEIDSAANBEVELINGEN
HET COMITÉ VAN DE REGIO'S,
|
1. |
is ingenomen met het door de Commissie voorgestelde wetgevingspakket betreffende staatssteun in de vorm van compensatie voor het verlenen van openbare diensten. |
|
2. |
Deze hervorming vormt voor de territoriale lichamen een belangrijk politiek initiatief, want zij is gericht op nieuwe, duidelijke en evenredige regels voor de overeenstemming tussen de financieringsmodaliteiten betreffende de openbare diensten en de interne markt. Daarmee moet worden gezorgd voor de rechtszekerheid en de juridische voorspelbaarheid die nodig zijn voor de ontwikkeling van de openbare diensten in de Unie. Het Comité betreurt echter dat de Commissie het doel dat zij zichzelf heeft opgelegd, nl. meer duidelijkheid scheppen omtrent de toepasselijkheid, de toepassing en maximale vermindering van de bureaucratische rompslomp, met name voor de betrokkenen, niet haalt. |
|
3. |
Het Comité is van mening dat in de hoofdlijnen van de voorgestelde controleregelingen voor staatssteun meer rekening moet worden gehouden wordt gehouden met de lokale, grensoverschrijdende of Europese dimensie van de openbare diensten, de diversiteit van hun organisatiemodaliteiten en het risico dat de handel tussen de lidstaten nadelig wordt beïnvloed. Dit komt in het voorstel echter slechts gedeeltelijk tot uiting. |
|
4. |
Verder stemt het tot tevredenheid dat de Commissie, evenals het Comité deed (1), het volgende onderscheid maakt: (1) de minimis- compensaties voor dienstverlening die het handelsverkeer tussen de lidstaten niet beïnvloeden en bijgevolg buiten de reikwijdte van de EU-steunvoorschriften blijven, (2) compensaties voor lokale dienstverlening die zich boven de de minimis-drempel situeren maar die op grond van hun specifieke organisatiekenmerken en de huidige ontwikkelingsfase van de interne markt het intracommunautaire handelsverkeer niet beïnvloeden op een manier die afbreuk aan de belangen van de Unie zou doen, en (3) compensaties voor andere openbare diensten met een Europese of grensoverschrijdende dimensie die worden bestreken door sectorale richtlijnen of verordeningen of waarbij de betrokken bedrijven niet uitsluitend nationaal zijn gestructureerd. |
Ontwerpmededeling betreffende de toepassing van de EU-staatssteunregels op compensatie ten behoeve van het verrichten van diensten van algemeen economisch belang
|
5. |
In het ontwerp worden verschillende op de DAEB van toepassing zijnde begrippen en concepten van het Gemeenschapsrecht verduidelijkt en geactualiseerd, en wel met name in het licht van de ontwikkelingen in de rechtspraak van het HvJ. Dat is een goede zaak. Het Comité betreurt echter dat de Commissie verzuimd heeft om, naast de richtsnoeren van het Hof van Justitie, duidelijke criteria te formuleren voor het definiëren van een economische activiteit en het vaststellen van het lokale belang en de relevantie voor de interne markt. Dit laat haar in geval van controle veel ruimte voor interpretatie, waardoor de rechtsonzekerheid blijft voortbestaan. |
|
6. |
Het vestigt in dit verband de aandacht op artikel 14 VWEU, dat bij de algemeen toepasselijke bepalingen van het Verdrag hoort en een nieuwe rechtsgrondslag biedt aan EP en Raad om bij verordeningen de beginselen en voorwaarden vast te stellen die de DAEB in staat stellen om hun specifieke taak te vervullen. Het CvdR verzoekt de Commissie derhalve om de verduidelijking van sleutelbegrippen die niet in het Verdrag zijn gedefinieerd, officieel vast te leggen via een ontwerpverordening van de Raad en het Europees Parlement, en zulks op basis van artikel 14 VWEU. |
|
7. |
De ontwerpmededeling ontslaat de Commissie dus niet van haar verplichting om kwalitatief hoogwaardige regelingen voor de DAEB te presenteren. |
Voorstel voor een verordening betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun verleend aan ondernemingen die DAEB verrichten
|
8. |
De Commissie is terecht van plan om de bovendrempel van de De minimis-verordening (2), beneden dewelke een steunmaatregel niet aan staatssteuncontrole is onderworpen, op te trekken om alle nabijheidsdiensten aan de reikwijdte van de controle te onttrekken. Daarbij gaat het met name om plaatselijke sociale ontwikkeling, maatschappelijke integratie, bestrijding van uitsluiting, ouderenhulp, plaatselijke bedrijvigheid en bevordering van culturele, sportieve of sociaaleducatieve activiteiten, die vooral worden verleend door lokale verenigingen en plaatselijke micro-ondernemingen. Uitgangspunt daarbij is dat er geen risico bestaat dat de handel tussen de lidstaten negatief door dit soort diensten wordt beïnvloed. |
|
9. |
Helaas wil zij dit vrijstellingsplafond van 200 000 euro (voor drie jaar) slechts verhogen tot 150 000 euro (per jaar). Daarbij zijn slechts plaatselijke structuren met minder dan vier werknemers gebaat. Daarom dringt het Comité er nogmaals op aan dat die limiet wordt opgetrokken tot 800 000 euro per jaar. Dan zou het plafond gelden voor alle plaatselijke structuren met minder dan 20 werknemers en die voor hun inkomsten uitsluitend zijn aangewezen op door de overheid verleende compensaties voor nabijheidsdiensten die gratis binnen een beperkt gebied worden verricht. |
|
10. |
Verder wordt de Commissie verzocht om ervan af te zien, de omvang van de onder de locale autoriteit ressorterende bevolking op te nemen in de toepassingsvoorwaarden van de nieuwe De minimis-verordening. Die omvang is namelijk op geen enkele wijze relevant om de impact van de economische activiteiten van een gegeven entiteit op de handel tussen de lidstaten te meten. Overigens moet men zich sowieso niet baseren op een redenering die wel eens zou kunnen uitmonden in discriminatie van entiteiten (bijv. gemeenten, regio's, staten, enz.). Hanteert men de bevolking als enig criterium, dan wordt er namelijk evenmin rekening gehouden met het feit dat nabijheidsdiensten overeenkomstig de Verdragsbeginselen betreffende de vrijheid van organisatie en verrichting van openbare diensten gezamenlijk kunnen worden gefinancierd door meerdere overheden, die qua omvang verschillen. Ten slotte is het uit den boze dat gezamenlijke gemeentelijke dienstverlening wordt „bestraft”. Daarom moet het lokale, d.w.z. beperkte karakter worden bepaald aan de hand van een serie aanwijzingen zoals met name de geografische situatie van een gemeenschap en de potentiële gebruikers van een openbare dienst. Hierbij moet overeenkomstig artikel 174 VWEU rekening worden gehouden met regio's die kampen met ernstige en permanente natuurlijke of demografische belemmeringen. Op grond daarvan moet de steun worden gedifferentieerd. Ook moet het omzetplafond van 5 miljoen euro worden verhoogd. |
|
11. |
Het Comité is ermee ingenomen dat de Commissie veel belang hecht aan transparantie en aangeeft dat de verordening geen betrekking heeft op alle niet-transparante steun die niet precies kan worden berekend. |
Voorstel voor een besluit betreffende de toepassing van artikel 106, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, toegekend aan bepaalde met het beheer van DAEB belaste ondernemingen
|
12. |
Gegeven het in het Verdrag verankerde evenredigheidsbeginsel steunt het Comité de opstelling van de Commissie om oog te hebben voor het uitsluitend lokale karakter van sommige diensten. Hetzelfde geldt voor het voorstel om het verenigbaarheidsbesluit a priori uit te breiden tot meer sociale diensten dan ziekenhuis- en socialehuisvestingdiensten alleen. |
|
13. |
De introductie van het nieuwe begrip „essentiële sociale behoeften” is volgens het CvdR een bron van veel verwarring voor de territoriale overheden en hun partners omdat het toegevoegd wordt aan de reeds bestaande begrippen „sociale diensten van algemeen belang” en de sociale diensten die uitgesloten zijn op grond van artikel 2, lid 2, sub j) van de Dienstenrichtlijn. De Commissie wordt dus verzocht de voorkeur te geven aan „sociale diensten” in de zin van artikel 2, lid 2, sub j) van de Dienstenrichtlijn, dat het, overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel aan de lidstaten en de territoriale overheden overlaat om de reikwijdte ervan te omschrijven en om te vermelden dat de lijst met voorbeelden van diensten die zij in het ontwerpbesluit noemt, betreffende de toepassing van artikel 106, lid 2, VWEU niet beperkend, noch volledig is. |
|
14. |
Wel wordt de Commissie verzocht om, de vrijstellingslimiet voor het jaarlijkse compensatiebedrag (voorwaarde voor toepassing van het besluit) niet te halveren maar deze op 30 miljoen euro te handhaven. |
|
15. |
Ook wordt zij verzocht om de vrijstelling van de aanmeldingsplicht niet aan een maximale duur van de dienstverleningsverplichting te binden; zulks in het licht van de beginselen betreffende vrij beheer en vrije organisatie van de openbare diensten door de autoriteiten van de lidstaten. |
|
16. |
Verder wordt zij verzocht om de vrijstelling voor sociale diensten niet te koppelen aan de exclusiviteit voor de verlener wanneer de richtlijn betreffende de transparantie van de betrekkingen tussen de bedrijven en de autoriteiten (referenties) wordt toegepast en de ondernemingen een analytische boekhouding voeren. |
|
17. |
Wanneer de territoriale lichamen een aanbesteding organiseren om met het oog op de kwalificatie als compensatie voor openbare dienstverlening aan het vierde criterium van het arrest Altmark te voldoen, dan moeten die lichamen kwaliteitscriteria kunnen opstellen om de economisch meest volledige offerte aan te kunnen wijzen in plaats van de laagste prijs als criterium te nemen. |
|
18. |
De voorgestelde nieuwe definitie voor „redelijke winst” op basis van het rendement op kapitaal en winstgevendheidsfactoren is zó ingewikkeld dat zij door tal van subnationale overheden niet toe te passen zal zijn. |
|
19. |
Gegeven de ruime discretionaire bevoegdheid waarover de territoriale lichamen beschikken ten aanzien van de financiering van de openbare diensten, wordt de Commissie verzocht om in haar eindvoorstellen voor de herziening alle mogelijke vormen van compensatie op te nemen. Daartoe behoren ook compensaties in de vorm van steun voor langetermijninvesteringen die nodig zijn om de lokale infrastructuur voor de openbare dienstverlening te financieren. Tevens wordt zij verzocht om haar verenigbaarheidstoets niet te beperken tot jaarlijkse exploitatiesubsidies, en ter zake van genoemde investeringen, met name in onroerende infrastructuur en grond, de specifieke criteria voor de overcompensatietoets nauwkeurig aan te geven. |
|
20. |
Het Comité herinnert de Commissie eraan dat ook gekeken moet worden naar andere objectieve criteria aan de hand waarvan op voorhand kan worden vermeden dat de handel tussen de lidstaten wordt aangetast, de mededinging wordt scheefgetrokken of kruissubsidies worden verstrekt. Daarbij valt te denken aan de beperkte territoriale actiemogelijkheden van een vergunninghouder of de beperkte doelstelling van sommige (publieke of particuliere) exploitanten (beperkingen die specifiek voortvloeien uit het feit dat het gaat om een dienst die slechts binnen een bepaald gebied wordt verleend en die op generlei wijze commercieel wordt geëxploiteerd), het ontbreken van winstoogmerk in sociale ondernemingen die hun eventuele winsten herinvesteren in de openbare dienstverlening waarmee zij zijn belast en dat geld ten last van latere compensaties brengen. |
|
21. |
Het Comité stelt voor dat het in het definitieve besluit van de Commissie, overeenkomstig de Verdragsrechtelijke beginselen subsidiariteit en evenredigheid, aan de compensatieverlener wordt overgelaten om alle nodige maatregelen te nemen om iedere vorm van overcompensatie te voorkomen, op te sporen en te corrigeren. Alle lagere overheden hebben namelijk direct baat bij preventie van overcompensatie. Daar staat tegenover dat de beroepsprocedures voor overcompensatie vereenvoudigd moeten worden voor bedrijven die daadwerkelijk en direct worden bestraft. |
|
22. |
Het Comité stelt de Commissie voor om bij deze bepalingen rekening te houden met hetgeen volgt.
|
Ontwerpmededeling voor een EU-kader voor staatssteun als compensatie voor openbare diensten (2011)
|
23. |
Het Comité wijst invoering van controle op de economische efficiëntie van compensaties voor DAEB andermaal van de hand. Voor wetgeving ter zake biedt noch artikel 106 VWEU, noch een besluit of een richtlijn van de Commissie op basis van artikel 106, lid 3, een toereikende rechtsgrondslag. Het mandaat van de Commissie als Europese mededingingsautoriteit heeft zonder meer niets te maken met de voorwaarden voor doelmatige toewijzing van middelen door de (sub)nationale autoriteiten. Krachtens dat exclusieve mandaat, uitgeoefend onder controle van het Hof van Justitie, ziet de Commissie uitsluitend toe op de rechtmatigheid van compensaties voor openbare diensten die niet aan de door het Hof in het arrest Altmarkt geformuleerde eisen voldoen en daarom onder de verbods- en controleregels voor staatssteun vallen. |
|
24. |
Het Comité is er geen voorstander van dat de lidstaten aan de hand van marktonderzoek moeten aantonen dat er behoefte is aan openbare dienstverlening en ziet dit als een inbreuk op het alleenrecht van de lidstaten om zelf te bepalen hoe en wanneer zij diensten van algemeen belang aanbieden. |
II. WIJZIGINGSVOORSTELLEN
Voorstel voor een verordening betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun verleend aan ondernemingen die DAEB verrichten
Wijzigingsvoorstel 1
Inleidende overweging 4
|
Voorstel van de Commissie |
Wijzigingsvoorstel van het CvdR |
||||
|
|
Motivering
Zie de punten 9 en 10 van het advies.
Wijzigingsvoorstel 2
Inleidende overweging 16
|
Voorstel van de Commissie |
Wijzigingsvoorstel van het CvdR |
||||
|
|
Motivering
Zie punt 9 van het advies.
Wijzigingsvoorstel 3
Artikel 1, lid 2 – Toepassingsgebied
|
Voorstel van de Commissie |
Wijzigingsvoorstel van het CvdR |
|
2. Deze verordening is uitsluitend van toepassing op steun die wordt verleend door lokale overheden die een bevolking van minder dan 10 000 inwoners vertegenwoordigen. |
2. Deze verordening is uitsluitend van toepassing op steun van uitsluitend lokaal belang die wordt verleend door overheden in een geografisch beperkt gebied. |
Motivering
Zie punt 10 van het advies.
Wijzigingsvoorstel 4
Artikel 2, lid 2
|
Voorstel van de Commissie |
Wijzigingsvoorstel van het CvdR |
||||
|
|
Motivering
Zie punt 9 van het advies.
Voorstel voor een besluit van de Commissie betreffende de toepassing van artikel 106, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, toegekend aan bepaalde met het beheer van DAEB belaste ondernemingen
Wijzigingsvoorstel 5
Inleidende overweging 9
|
Voorstel van de Commissie |
Wijzigingsvoorstel van het CvdR |
|
Mits aan een aantal voorwaarden is voldaan, beïnvloeden geringe compensatiebedragen die worden toegekend aan met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen, de ontwikkeling van het handelsverkeer en de mededinging niet in een mate die strijdig is met het belang van de Unie. Steunmaatregelen dienen dus niet afzonderlijk te worden aangemeld indien het compensatiebedrag minder dan 15 miljoen EUR per jaar bedraagt, mits de voorwaarden van het onderhavige besluit in acht worden genomen. |
Mits aan een aantal voorwaarden is voldaan, beïnvloeden geringe compensatiebedragen die worden toegekend aan met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen, de ontwikkeling van het handelsverkeer en de mededinging niet in een mate die strijdig is met het belang van de Unie. Steunmaatregelen dienen dus niet afzonderlijk te worden aangemeld indien het compensatiebedrag minder dan 30 miljoen EUR per jaar bedraagt, mits de voorwaarden van het onderhavige besluit in acht worden genomen. |
Motivering
Zie punt 12 van het advies.
Wijzigingsvoorstel 6
Inleidende overweging 17
|
Voorstel van de Commissie |
Wijzigingsvoorstel van het Cvdr |
|
Onder „redelijke winst” wordt begrepen het rendement op kapitaal (ROC) 7, rekening houdende met de omvang van het risico of het ontbreken ervan. Winst die niet meer bedraagt dan de relevante swaprente8, met een opslag van 100 basispunten, dient niet als onredelijk te worden beschouwd. In dit verband wordt de relevante swaprente als een passend rendementspercentage voor een risicovrije investering beschouwd. De opslag van 100 basispunten dient onder meer om het liquiditeitsrisico te compenseren dat verband houdt met het feit dat een beheerder van een dienst van algemeen economisch belang die kapitaal investeert in een contract voor een dienst van algemeen economisch belang, dit kapitaal vastlegt voor de duur van het toewijzingsbesluit en niet in staat zal zijn om zijn belang zo snel en zo goedkoop van de hand te doen als het geval is bij wijdverbreide activa waaraan geen liquiditeitsrisico is verbonden. |
Motivering
Zie wijzigingsvoorstel voor de nieuwe paragraaf 15 - Referentie: punt 17 van het ontwerpbesluit van de Commissie.
Wijzigingsvoorstel 7
Artikel 1, lid 1, onder a)
|
Voorstel van de Commissie |
Wijzigingsvoorstel van het CvdR |
||||
|
|
Motivering
Zie punt 12 van het advies.
Wijzigingsvoorstel 8
Artikel 1, lid 1, onder c)
|
Voorstel van de Commissie |
Wijzigingsvoorstel van het CvdR |
|
compensatie voor het verrichten van diensten van algemeen economisch belang waarmee wordt voldaan aan essentiële sociale behoeften wat betreft zorg, kinderopvang, toegang tot de arbeidsmarkt, sociale huisvesting en de zorg voor en sociale inclusie van kwetsbare groepen. Dit punt is alleen van toepassing wanneer de compensatie wordt verleend aan ondernemingen waarvan de activiteiten beperkt zijn tot één of meer van de in dit punt of in punt b) bedoelde diensten. Het verrichten van rechtstreeks met de hoofdactiviteiten verband houdende ondersteunende diensten laat de toepassing van dit punt onverlet; |
compensatie voor het verrichten van sociale diensten in de zin van artikel 2, lid 2, sub j) van de dienstenrichtlijn, zoals met name gezondheidsdiensten, kinderopvang, ouderenhulp, toegang tot de arbeidsmarkt, sociale huisvesting en de zorg voor en sociale inclusie van kwetsbare groepen. Dit punt is uitsluitend van toepassing als de compensatie wordt toegekend aan ondernemingen waarvan de activiteiten zich beperken tot één of meer van de aldaar of in lid b) genoemde diensten. Het verrichten van activiteiten die rechtstreeks verband houden met de hoofdactiviteiten laat de toepassing van het onderhavige punt echter onverlet; |
Motivering
Zie wijzigingsvoorstel voor nieuwe paragraaf 11. Referentie: ontwerpbesluit van de Commissie.
Wijzigingsvoorstel 9
Artikel 1, lid 2
|
Voorstel van de Commissie |
Wijzigingsvoorstel van het CvdR |
|
2. Dit besluit is alleen van toepassing indien de periode waarvoor de dienst van algemeen economisch belang is toegewezen, beperkt blijft tot maximaal 10 jaar. Toewijzingsbesluiten die over langere perioden lopen, vallen alleen onder de toepassing van dit besluit indien van de dienstverrichter een aanzienlijke investering wordt gevergd die moet worden afgeschreven over de volledige duur van de toewijzing, in overeenstemming met algemeen aanvaarde boekhoudkundige beginselen. Indien tijdens de duur van de toewijzing niet langer aan de voorwaarden voor de toepassing van dit besluit wordt voldaan, wordt de maatregel overeenkomstig artikel 108, lid 3, VWEU aangemeld. |
|
Motivering
Zie punt 13 van het advies.
Wijzigingsvoorstel 10
Artikel 4, lid 6
|
Voorstel van de Commissie |
Wijzigingsvoorstel van het CvdR |
|
Voor de toepassing van dit besluit wordt een rendement op kapitaal dat niet hoger ligt dan de relevante swaprente, met een opslag van 100 basispunten hoe dan ook als redelijk beschouwd. De relevante swaprente is de swaprente waarvan de looptijd en de valuta overeenstemmen met de looptijd en de valuta uit het toewijzingsbesluit. Wanneer aan het verrichten van de dienst van algemeen economisch belang geen substantieel zakelijk of contractueel risico is verbonden, bijvoorbeeld omdat de nettokosten achteraf in wezen volledig worden gecompenseerd, mag de redelijke winst niet meer bedragen dan het relevante swappercentage, met een opslag van 100 basispunten. |
Motivering
Zie wijzigingsvoorstel voor nieuwe paragraaf 15 - Referentie: ontwerpbesluit van de Commissie
Wijzigingsvoorstel 11
Artikel 4, lid 7
|
Voorstel van de Commissie |
Wijzigingsvoorstel van het CvdR |
|
Ingeval het gebruik van het rendement op kapitaal (ROC) niet doenbaar is, kunnen de lidstaten, voor het bepalen van wat als redelijke winst geldt, ook gebruikmaken van andere winstgevendheidsindicatoren, zoals boekhoudkundige winstmaatstaven (zoals het gemiddelde rendement op eigen vermogen (ROE), de Return on Capital Employed (ROCE), de Return on Assets (ROA) of de Return on Sales (ROS)). Ongeacht de gekozen indicator, legt de lidstaat de Commissie, op haar verzoek, het nodige bewijsmateriaal over dat de winst niet hoger ligt dan zou worden verlangd door een gemiddelde onderneming die onderzoekt of zij de dienst van algemeen economisch belang moet verrichten, door bijvoorbeeld ter vergelijking het rendement te geven dat wordt behaald met vergelijkbare soorten contracten die onder concurrerende voorwaarden zijn toegewezen. |
Ongeacht de gekozen indicator, legt de lidstaat de Commissie, op haar verzoek, het nodige bewijsmateriaal over dat de winst niet hoger ligt dan zou worden verlangd door een gemiddelde onderneming die onderzoekt of zij de dienst van algemeen economisch belang moet verrichten, door bijvoorbeeld ter vergelijking het rendement te geven dat wordt behaald met vergelijkbare soorten contracten die onder concurrerende voorwaarden zijn toegewezen. |
Motivering
Zie wijzigingsvoorstel voor nieuwe paragraaf 15 - Referentie: ontwerpbesluit van de Commissie
Brussel, 11 oktober 2011
De voorzitster van het Comité van de Regio's
Mercedes BRESSO
(1) Advies CdR 150/2011, punt 44
(2) Verordening van de Commissie (EG) Nr. 1998/2006 van 15 december 2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de De-Minimissteun
(3) In de zin van genoemde Verordening 1370/2007