3.5.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 132/63


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's „Het GLB tot 2020: inspelen op de uitdagingen van de toekomst inzake voedsel, natuurlijke hulpbronnen en territoriale evenwichten”

(COM(2010) 672 definitief)

2011/C 132/11

Rapporteur: de heer CHIRIACO

De Commissie heeft op 18 november 2010 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te raadplegen over de

Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's - Het GLB tot 2020: inspelen op de uitdagingen van de toekomst inzake voedsel, natuurlijke hulpbronnen en territoriale evenwichten

COM(2010) 672 definitief.

De afdeling Landbouw, plattelandsontwikkeling, milieu, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 28 februari 2011 goedgekeurd.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 15. en 16 maart 2011 gehouden 470e zitting (vergadering van 16 maart) onderstaand advies uitgebracht, dat met 197 stemmen vóór en 26 tegen, bij 17 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1   Het EESC is ingenomen met de inhoud en formulering van de Commissievoorstellen en benadrukt dat veel van de opmerkingen die het in eerdere adviezen heeft gemaakt in de Mededeling zijn overgenomen. Het dringt er wel op aan dat de Commissie het verband tussen de doelstellingen, instrumenten en financiële middelen van het GLB na 2013 verduidelijkt. Het GLB dient zodanig hervormd te worden dat landbouw rendabel blijft en dat landbouwers in de hele EU een redelijk inkomen wordt verzekerd.

1.2   Het GLB moet als voornaamste functie hebben om meer waardering te tonen voor de rol van landbouwers als producenten van levensmiddelen voor dagelijks gebruik en, in toenemende mate, van groene en duurzame energie. Met land- en bosbouw moet bovendien de belangrijke bijdrage aan een duurzaam beheer van de natuurlijke hulpbronnen worden versterkt, door concrete antwoorden te geven op de grote problemen op het gebied van klimaatverandering, waterschaarste, milieubescherming, biodiversiteit (1) en territoriale ontwikkeling.

1.3   Het EESC stemt in met het voorstel om de historische referentie los te laten voor het vaststellen van de omvang van de steun, en benadrukt het belang van rechtstreekse betalingen in het kader van het GLB voor de instandhouding van het Europese landbouwmodel. Zij zijn van wezenlijk belang als compensatie voor de in maatschappelijk opzicht wenselijke hoge normen in de EU en als beloning voor de levering van collectieve basisgoederen waarvoor de markt geen compensatie biedt. Ook hebben zij een functie als risico- en inkomensbescherming voor landbouwers tegen de steeds grotere prijsvolatiliteit op de markten. De goederen en diensten die de landbouwer levert aan de gemeenschap houden volgens het EESC verband met duurzame ontwikkeling, milieubescherming, levensvatbaarheid van plattelandsgebieden, terugdringing van armoede, voedselveiligheid, en de bescherming van werknemers en consumenten.

1.4   Volgens het EESC is het bovendien van essentieel belang dat dit herzieningsproces de doelstellingen en mechanismen van het GLB ter ondersteuning van actoren in de landbouw-, levensmiddelen- en milieusector in de programmering voor de lange en middellange termijn, niet overhoop gooit. Er zou dan ook een voldoende lange overgangsperiode moeten komen die samenvalt met de duur van de nieuwe financieringsperiode die in 2020 ten einde loopt, om landbouwers – vooral zij die hebben geïnvesteerd in de gegeven omstandigheden – in staat te stellen zich aan te passen aan het feit dat de historische referentie wordt losgelaten bij de berekening van de bedrijfstoeslag. Wat de nieuwe lidstaten betreft wijst het EESC erop dat de periode waarin gebruik kan worden gemaakt van de vereenvoudigde regeling inzake een enkele areaalbetaling, in 2013 afloopt. Verder dringt het EESC erop aan dat er een met art. 68 (2) vergelijkbaar instrument in het leven wordt geroepen om meer nationale en regionale flexibiliteit mogelijk te maken bij de verlening van specifieke steun en voor een integrale afstemming te zorgen met de maatregelen in de tweede pijler, de marktordening groenten en fruit en de promotiefondsen.

1.5   Het EESC stemt in met de doelstelling om de GLB-steun alleen toe te kennen aan actieve landbouwers en het Europese landbouwmodel te bevorderen door gebruik te maken van maatregelen uit zowel de eerste als tweede pijler. Alle betalingen in het kader van de eerste en tweede pijler moeten zijn gericht op de oplossing van sociale, economische en milieuproblemen. Wat dat betreft verzoekt het de Commissie een definitie van „actieve landbouwer” te geven die op het hele EU-grondgebied van toepassing is. Het EESC stelt voor deze definitie te baseren op criteria als de productie en afzet van landbouwproducten, inclusief de rechtstreekse verkoop op lokale markten, en het scheppen van openbare goederen en diensten van maatschappelijk nut.

1.6   Voor het EESC spreekt het vanzelf dat de politieke beslissing van de Europese Raad om in de hele EU de voorwaarden waarin landbouwactiviteit wordt uitgeoefend veilig te stellen, een expliciete doelstelling van de hervorming moet blijven. Het EESC is van mening dat de in het kader van de tweede pijler verstrekte steun aan landbouwers die actief zijn in gebieden met natuurlijke en klimatologische handicaps, niet mag worden afgeschaft. De bijkomende oppervlaktegebonden steun voor landbouwers in probleemgebieden kan voorkomen dat landbouwproductie in de EU verloren gaat en draagt bij tot de doelstelling van voedselzekerheid. Het EESC verzoekt de Commissie om zo snel mogelijk een nieuwe definitie van „andere probleemgebieden (tussengebieden)” voor te stellen, zodat alle betrokken partijen hierover kunnen worden geraadpleegd.

1.7   Het EESC stemt in met de plafonnering van de betalingen, waarbij wel rekening moet worden gehouden met de agrarische structuur van het land of de regio in kwestie. Het stelt voor om bij de toepassing van plafonnering uit te gaan van de arbeidsintensiteit van de bedrijven (zowel betaalde als onbetaalde arbeid) en tevens rekening te houden met het werk van de landbouwer, zodat er ook een sociale rechtvaardiging is voor de economische middelen die worden geïnvesteerd in de werking van het GLB. Ook moet volgens het EESC rekening worden gehouden met het specifieke karakter van bedrijven in de vorm van coöperaties en verenigingen van landbouwproducenten, waarbij de betaling aan alle partners ten goede moet komen.

1.8   Het nieuwe GLB zal prioritair gericht moeten worden op de totstandbrenging van een concurrerende en innovatieve landbouw- en voedingsmiddelensector in de EU, die kan bijdragen tot verbetering van de sociaaleconomische omstandigheden, de werkgelegenheid en de veiligheid van werknemers in de landbouwsector, terwijl de steun alleen mag worden uitgekeerd als de sociale bepalingen – met name die uit wetgeving en arbeidsovereenkomsten – volledig worden nageleefd.

1.9   De Commissie zou duidelijkheid moeten brengen in de „vergroening” van de rechtstreekse betalingen en een definitieve evaluatie moeten maken van de gevolgen van het voorstel voor de bestaande milieuprogramma's van de tweede pijler. Het EESC dringt er bij de Commissie op aan om eventuele alternatieve oplossingen in overweging te nemen. Een voorstel zou kunnen zijn om de overmaking van de milieucomponent van de rechtstreekse betaling afhankelijk te maken van de verplichte deelname aan bepaalde agromilieumaatregelen met een echte impact op het grondgebied in kwestie, op voorwaarde dat de financiële tegemoetkomingen de meerkosten volledig dekken en dat de rompslomp tot een minimum beperkt blijft. Voor dat doel zou de Commissie een lijst met maatregelen moeten vaststellen, waaruit de landbouwers dan de maatregelen kunnen kiezen die het best aansluiten op hun specifieke situatie. De uitvoering van die maatregelen zou op regionaal niveau moeten worden gecoördineerd om een positieve invloed op de inkomens te hebben.

1.10   Volgens het EESC is het onmogelijk om het GLB voor de periode na 2013 doeltreffend te hervormen zolang er geen duidelijkheid is over de omvang en samenstelling van de EU-begroting. Het is hoe dan ook van mening dat het aandeel van het GLB in de EU-begroting ten minste gelijk moet blijven.

1.11   Het EESC wijst erop dat de verdere openstelling van de EU-landbouwmarkten tot een nog grotere concurrentiedruk zal leiden en de producentenprijzen steeds meer invloed zal doen ondervinden van de volatiliteit op de internationale markten. Het vreest dat de markt met de huidige instrumenten niet voldoende kan worden gestabiliseerd. Hiermee moet rekening worden gehouden in de hervorming van het GLB, niet alleen bij de herziening van de rechtstreekse steun, maar ook bij de wijziging van de instrumenten voor marktstabilisering

2.   Samenvatting van de Mededeling

2.1   Doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB)

2.1.1   Volgens de Europese Commissie moet het GLB voor de periode na 2013 de volgende doelstellingen (3) helpen verwezenlijken:

rendabele voedselproductie;

duurzaam beheer van de natuurbronnen en klimaataanpak;

instandhouding van de territoriale evenwichten en de diversiteit van de plattelandsgebieden.

2.2   De instrumenten van het toekomstige GLB

2.2.1   Ontkoppelde rechtstreekse betalingen blijven volgens de Commissie de voornaamste bron van steun voor de Europese landbouw (een ontkoppelde rechtstreekse basisbetaling die alle landbouwers in een bepaalde regio of lidstaat dezelfde mate van steun biedt). Om de steun doeltreffender en billijker te maken zal van de historische betalingen worden overgestapt op een vaste en uniforme oppervlaktegebonden betaling (basisbetaling). De verschillende economische en natuurlijke omstandigheden waarmee landbouwers in de hele EU te maken hebben vragen echter om een billijke verdeling van de rechtstreekse steun. Bij deze betaling wordt uitgegaan van overdraagbare rechten die moeten worden geactiveerd door ze aan landbouwareaal te koppelen en door te voldoen aan de randvoorwaarden, die moeten worden vereenvoudigd en aangevuld met de doelstellingen van de kaderrichtlijn water. Voorgesteld wordt te overwegen een bovengrens in te stellen voor rechtstreekse betalingen aan individuele landbouwbedrijven („plafonnering”), rekening houdend met de bijdrage van die bedrijven aan de werkgelegenheid.

2.2.2   Volgens de Commissie moeten er in het GLB voor de periode na 2013 nog twee andere soorten rechtstreekse betalingen worden ingevoerd om een groenere landbouw te stimuleren („vergroening” van de rechtstreekse steun): 1) een betaling per hectare, van toepassing in de hele EU, in ruil voor toezeggingen door de landbouwers op het gebied van milieumaatregelen in de landbouw, die verder gaan dan de randvoorwaarden (blijvend grasland, wisselbouw, ecologische braaklegging, enz.); 2) een bijkomende oppervlaktegebonden betaling voor landbouwers in probleemgebieden en/of gebieden met specifieke natuurlijke handicaps, ter aanvulling van de steun in het kader van de tweede pijler van het GLB.

2.2.3   Er zijn enkele uitzonderingen op de ontkoppeling. Voor sommige regio's en specifieke producten bestaat de mogelijkheid om – binnen bepaalde financiële grenzen – gekoppelde steun te verlenen. Voor kleine landbouwers wordt een eenvoudige en bijzondere steunregeling in het leven geroepen om te voorkomen dat arbeidsplaatsen in plattelandsgebieden verloren gaan. Als antwoord op de kritiek van de Rekenkamer over de uitvoering van de rechtstreekse betalingen wordt voorgesteld de steunverlening te richten op uitsluitend actieve landbouwers.

2.2.4   Sommige marktmaatregelen blijven volgens de Commissie noodzakelijk. Instrumenten voor marktbeheer moeten kunnen worden ingezet in tijden van crisis, om noodsituaties op te vangen. Voorstellen die worden gedaan zijn de verlenging van de interventieperiode, de toepassing van marktverstoringsclausules en particuliere opslag voor andere producten, en verbetering van de controles. In dat verband kondigt de Commissie aan dat zij voorstellen zal indienen voor stabilisering van de zuivelsector, en onderstreept zij dat moet worden nagedacht over de toekomst van de suikersector. Het GLB voor de periode na 2013 zal bovendien specifieke maatregelen bevatten voor de werking van de voedselvoorzieningsketen en de verbetering van de onderhandelingspositie van landbouwers.

2.2.5   Volgens de Commissie zal het GLB gestructureerd blijven rond twee pijlers. De steun voor plattelandsontwikkeling zal overeenkomstig de Europa 2020-strategie nog meer moeten worden gericht op concurrentievermogen, innovatie, bestrijding van klimaatverandering en het milieu. In dit verband wordt voorgesteld om in het kader van de tweede pijler een toolkit voor risicobeheer in te voeren die de lidstaten kunnen gebruiken om de stabilisering van productie en inkomens te waarborgen.

3.   Algemene opmerkingen

3.1   Het EESC stelt vast dat de Commissie in haar Mededeling de volgende opmerkingen uit eerdere EESC-adviezen heeft overgenomen (4):

de noodzaak van een eerlijke verdeling van de middelen tussen de lidstaten;

de noodzaak om af te stappen van historische referentieperiodes voor het vaststellen van de hoogte van de bedrijfstoeslag;

het „vergroenen” van de bedrijfstoeslag om de nieuwe uitdagingen – vooral op het gebied van klimaatverandering, hernieuwbare energie, watermanagement en biodiversiteit (5) – het hoofd te bieden, de omvang van de steun sterker te verbinden aan de goederen en diensten die de landbouwer levert aan de gemeenschap en die normaal gesproken niet door de markt worden beloond, en om landbouwers te compenseren in gebieden die worden gekenmerkt door ongunstige klimatologische en natuurlijke omstandigheden, waardoor ze op hogere kosten worden gejaagd;

de noodzaak om de rechtstreekse betalingen exclusief voor te behouden aan actieve landbouwers, door bepalingen in te voeren waarmee rekening wordt gehouden met de bestaande en gecreëerde arbeidsplaatsen in ieder bedrijf, en met name met de intensiteit van de betaalde en onbetaalde arbeid, met inbegrip van land- en bosbouwwerkzaamheden die door loonwerkers worden verricht.

3.2   In advies NAT/449 „De hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid in 2013” roept het EESC „Commissie, Raad en Parlement op allereerst het doel van het GLB ondubbelzinnig te formuleren, vervolgens het daartoe noodzakelijke instrumentarium te creëren en dan te bepalen hoeveel geld er nodig is.” Het EESC wijst erop dat de Commissie zich in haar Mededeling niet aan deze logische volgorde houdt. Het dringt er dan ook op aan dat de Commissie het verband tussen de doelstellingen, instrumenten en financiële middelen van het GLB na 2013 verduidelijkt.

3.3   Doelstellingen

3.3.1   In zijn advies NAT/449 wijst het EESC erop dat de „rode draad in het GLB na 2013 […] het Europees landbouwmodel [moet zijn], dat moet stoelen op de beginselen van voedselzelfvoorziening en duurzaamheid en moet uitgaan van de reële behoeften van landbouwers en consumenten”. Het EESC wenst de belangrijkste doelstellingen waarop het GLB moet zijn gericht nog eens te benadrukken:

bijdragen tot de kwantitatieve en kwalitatieve voedselzekerheid, zowel in de EU als wereldwijd; (6)

bijdragen tot de stabilisering van de landbouwmarkten (7), met name door prijsschommelingen van landbouwproducten te beperken;

ondersteunen van de inkomens van de Europese landbouwers, die lager zijn dan de inkomens in andere sectoren van de Europese economie (8);

bijdragen tot de totstandkoming van een systeem van handelsvoorschriften waarmee het Europese levensmiddelenproductiemodel behouden kan blijven en concurrentiedistorsies worden voorkomen;

landbouwers in staat stellen marktmacht terug te winnen op commerciële marktdeelnemers, met name de grote distributieketens (9);

bevorderen van een duurzaam gebruik van hulpbronnen, instandhouding van natuurlijke habitats en biodiversiteit, en een steeds grotere rol voor land- en bosbouw in de strijd tegen de klimaatverandering (10);

ondersteunen van de productie van en handel in streekproducten van hoge kwaliteit in landelijke gebieden, door alternatieve distributiekanalen te promoten (11);

de wettelijke randvoorwaarden scheppen die landbouwers in staat stellen korte en transparante toeleveringsketens te beheren;

in het kader van de Europa 2020-strategie: bevorderen van opleiding en innovatie (slimme groei), toenemend gebruik van hernieuwbare energie (duurzame groei) en vergroting van het werkgelegenheidspotentieel van plattelandsontwikkeling (inclusieve groei), erop toeziend dat de goede praktijken op het gebied van werkgelegenheid, arbeidscontracten en seizoenarbeid (binnen en buiten Europa) in de landbouwsector worden nageleefd.

3.3.2   Het veiligstellen van de voedselvoorziening, tegen redelijke prijzen, blijft een prioritaire doelstelling voor de landbouw van de EU, in een wereld die wordt gekenmerkt door demografische druk en toenemende consumptie. Hierop moet een politiek en strategisch antwoord worden gegeven, gefocust op ontwikkeling en wereldwijde voedselzekerheid.

3.3.3   Volgens het EESC verwachten de Europese landbouwers „dat de verkoop van hun producten op de markt en de waardering voor de maatschappelijke taken die zij in het kader van het Europees landbouwmodel verrichten, hen een redelijk inkomen opleveren” (12). Het GLB mag zich dan ook niet beperken tot het verdelen van geld. Het EESC verzoekt de Commissie daarom aan te geven hoe zij met het nieuwe GLB de stabilisering van de markten denkt aan te pakken, door met name oplossingen voor het probleem van de landbouwprijzen en -inkomens te bieden.

3.3.4   Het Europees landbouwbeleid en het plattelandsontwikkelingsbeleid moeten zijn gericht op innovatie en concurrentievermogen. Het EESC is van mening dat het plattelandsontwikkelings- en bosbeleid van de EU een grotere bijdrage moeten leveren aan de instandhouding van de biodiversiteit, de koolstofvastlegging, de energieproductie en -besparing, de ontwikkeling en promotie van levensmiddelen en een evenwichtige territoriale ontwikkeling. Plattelandsontwikkeling kan nieuwe ondernemingskansen en meer werkgelegenheid in plattelandsgebieden creëren en aldus bijdragen aan de diversifiëring van inkomensmogelijkheden in de landbouwsector. Ten slotte dient eraan te worden herinnerd dat de voedselverwerking tot de belangrijkste economische activiteiten in plattelandsgebieden behoort. Daarom zou er in het plattelandsontwikkelingsbeleid ook steun moeten worden verleend aan levensmiddelenbedrijven die samen met landbouwers actief zijn op het gebied van onderzoek en ontwikkeling, opleiding, innovatie en exportbevordering of die deelnemen aan samenwerkingsinitiatieven tussen bedrijven (zoals joint ventures) om hun concurrentiepositie te verbeteren.

3.3.5   Het EESC wijst erop dat de prijsschommelingen op de landbouwmarkten weliswaar een chronisch probleem van de sector zijn, maar dat dit probleem de laatste jaren aanzienlijk is verergerd als gevolg van factoren als extreme weersomstandigheden, energieprijzen, speculatie en een stijging van de wereldwijde vraag die samenhangt met de bevolkingsgroei. In dat verband merkt het EESC op dat de prijzen van landbouwproducten, die zij in de periode 2006-2008 aanzienlijk waren gestegen en vervolgens flink daalden, de laatste maanden weer de hoogte in zijn gegaan. Deze extreme schommelingen van landbouwprijzen hebben negatieve gevolgen voor zowel de producent als de consument. Het EESC is bovendien bezorgd dat ook in de EU niet-agrarische investeerders zullen proberen steeds meer land op te kopen voor beleggings- en speculatiedoeleinden, wat zeker niet overeenstemt met het Europese landbouwmodel.

3.3.6   In het kader van het nieuwe GLB zou steun moeten worden gegeven aan nieuwe bedrijfsvestigingen, door met name jongeren warm te maken voor de landbouwsector, mede om de toekomst van de Europese landbouw veilig te stellen. Generatieopvolging in de landbouw is noodzakelijk omdat gemiddeld slechts 7 % van de Europese landbouwers jonger dan 35 is, en de situatie in sommige lidstaten zelfs nog kritieker is. Eén op de drie landbouwers in de EU-27 is momenteel ouder dan 65 en veel van hen zullen de komende jaren met pensioen gaan. Daarom is het zaak dat het GLB bijdraagt tot de totstandkoming van een Europabreed vestigingsbeleid voor de landbouwsector, tegelijk met een ambitieus en synergetisch werkgelegenheidsbeleid.

3.4   Instrumenten

3.4.1   Het EESC onderstreept het belang van rechtstreekse GLB-steun voor de instandhouding van het Europees landbouwmodel. De toekenning van rechtstreekse betalingen dient ter ondersteuning van Europese landbouwers die openbare goederen en diensten leveren met een grote waarde voor de gemeenschap maar die onvoldoende worden vergoed via de prijzen op de landbouw- en levensmiddelenmarkten.

3.4.2   De werking van de instrumenten van het nieuwe GLB – met name de bedrijfstoeslag – moet worden vereenvoudigd. Het EESC is het ermee eens dat de randvoorwaarden op het gebied van milieu moeten worden vereenvoudigd, wat vraagt om rationalisering van het controlesysteem en de procedures voor verlaging van de steun. Het EESC benadrukt dat de vergroening van de rechtstreekse betalingen de toegang van bedrijven tot GLB-steun zou moeten vergemakkelijken en bevorderen. In verband daarmee dringt het EESC er – ook met het oog op een mogelijke uitbreiding van het aantal verplichtingen (bv. de kaderrichtlijn water) – op aan dat de Commissie de impact van deze maatregel aandachtig evalueert, en aanvraagprocedures vaststelt die geen extra rompslomp voor de landbouwers met zich meebrengen.

3.4.3   Het EESC stemt in met het beginsel dat de regionaal te differentiëren basisbetalingen verplicht moeten worden gekoppeld aan bepaalde milieuprestaties. De discussie die daarover reeds aan de gang is laat zien dat het wellicht moeilijk zal zijn de milieumaatregelen van de eerste pijler (de vergroening van de rechtstreekse steun) te onderscheiden van de agromilieumaatregelen van de tweede pijler.

3.4.4   Het EESC stemt in met de invoering van een nieuw criterium voor het vaststellen van de hoogte van de rechtstreekse betalingen. In dat verband stelt het voor een discussie te voeren over de aanwijzing van het referentiegebied voor de vaststelling van de basiscomponent van de rechtstreekse betaling (Europees, nationaal of regionaal). Verder stelt het voor om na te gaan of een deel van de rechtstreekse betaling afhankelijk kan worden gemaakt van het aantal arbeidsplaatsen en de naleving van goede praktijken op het gebied van concurrentievermogen, werkgelegenheid en innovatie.

3.4.5   Het EESC staat achter de keuze om een eenvoudige en bijzondere steunregeling in te voeren voor kleine landbouwers. In dit verband vraagt het de Commissie toe te lichten aan welke criteria kleine landbouwers moeten voldoen om als zodanig te worden beschouwd. Het EESC dringt er met name op aan dat rekening wordt gehouden met de bijzondere structurele verschillen die de landbouwstelsels in de lidstaten kenmerken.

3.4.6   Het EESC vraagt zich af welke gevolgen de aanpassing van de bestaande marktinstrumenten (gegarandeerde prijzen, invoerrechten, exportsubsidies, openbare opslag, quota's, braaklegging, enz.) zal hebben. Het onderstreept in dit verband dat de vangnetten alléén niet volstaan om de markten voor landbouwproducten te stabiliseren en de problemen in met name de zuivelsector op te lossen (13). Om de positie van landbouwers in de waardeketen te versterken en om de prijsinstabiliteit en de excessieve marktmacht van de grote distributieketens tegen te gaan, acht het EESC het wenselijk dat er voor de periode na 2013 specifieke GLB-instrumenten in het leven worden geroepen die rechtstreeks door de landbouwers of hun vertegenwoordigers worden beheerd, om het aanbod te concentreren en de handelsbetrekkingen te verbeteren, gebruikmakend van de maatregelen en instrumenten die in sommige gemeenschappelijke marktordeningen reeds zijn getest.

3.4.7   Het EESC dringt aan op een versterking van de maatregelen van het GLB die zijn gericht op het verbeteren en bevorderen van kwaliteitsvolle streekproducten op de Europese en internationale markt, mede om de werking van de agrovoedselvoorzieningsketens te verbeteren, de kennis van het gevarieerde productaanbod in de EU te vergroten, tegemoet te komen aan de wensen van de consument en nieuwe buitenlandse markten aan te boren. Het is in dit verband voorstander van goede etiketteringspraktijken voor landbouwproducten, ook om in te spelen op de groeiende behoefte van de burgers aan informatie en transparantie.

3.4.8   Het EESC wijst erop dat de EU meer dan 40 miljoen behoeftigen telt die niet genoeg te eten hebben. Derhalve verzoekt het de Commissie om de distributie van levensmiddelen aan behoeftigen in het kader van het GLB uit te breiden.

3.4.9   Plattelandsontwikkeling kan een bijdrage leveren aan de behoeften van de sectoren en de landelijke gebieden. Het EESC is van mening dat de huidige tweepijlerstructuur van het GLB in stand moet worden gehouden, maar dat de maatregelen wel tussen de twee pijlers moeten worden herschikt en dat er voor een grotere complementariteit moet worden gezorgd (14).

3.4.10   In het licht van het Europese landbouwmodel is het een van de belangrijkste taken van het GLB om ervoor te zorgen dat de landbouwproductie overal in de EU blijft bestaan. Het EESC wijst in dit verband op het grote belang van maatregelen voor probleemgebieden in het kader van het plattelandsontwikkelingsbeleid. Beproefde maatregelen, zoals met name de compensatie voor natuurlijke en klimatologische handicaps, zouden moeten worden voortgezet omwille van een zo groot mogelijke continuïteit.

3.5   EU-begroting en financiële middelen voor het GLB

3.5.1   Het EESC is van mening dat de moderne samenleving de Europese landbouw voor zeer ambitieuze en moeilijke uitdagingen stelt. Om de doelstellingen te kunnen verwezenlijken zou het GLB ook in de toekomst over doeltreffende instrumenten, efficiënte toepassingssystemen en adequate financiële middelen moeten beschikken (15). Verder is het absoluut zaak dat het GLB in al het andere communautaire beleid (op het gebied van ondernemingen, klimaat, intersectoraal beleid, economie, financiën en belastingen, werkgelegenheid en sociale rechten, energie en natuurlijke hulpbronnen, milieu, consumenten en gezondheid, buitenlandse betrekkingen en buitenlandse zaken, regionale en lokale ontwikkeling, en wetenschap en technologie) wordt geïntegreerd.

3.5.2   Volgens het EESC moet in de discussie over het GLB tot 2020 rekening worden gehouden met het feit dat het met de huidige financiële vooruitzichten en zonder aanpassing van de begroting zeer moeilijk zal zijn om de in de Mededeling genoemde doelstellingen voor het toekomstige GLB te verwezenlijken en het Europese landbouwmodel overeind te houden.

3.5.3   Het EESC beschouwt de hervorming van het GLB na 2013 als een gelegenheid om de discussie over de herverdeling van de financiële middelen van zowel de eerste als de tweede pijler aan te gaan. Zo moet met name de onevenwichtige verdeling van de GLB-middelen op nationaal niveau, die vooral nadelig uitvalt voor de nieuwe lidstaten, worden aangepakt. Het loslaten van de historische referentie vergt de vaststelling van een nieuw criterium voor het bepalen van de hoogte van de nationale plafonds voor de rechtstreekse betalingen aan iedere lidstaat. In dit verband dringt het EESC er vanuit pragmatisch oogpunt en rekening houdend met de uiteenlopende situaties in de lidstaten op aan dat naast het nationale landbouwareaal nog andere criteria in aanmerking worden genomen. Met name door de invoering van criteria verband houdend met kosten van levensonderhoud, werkgelegenheid, toegevoegde waarde, verschillen in landbouwklimatologische omstandigheden en productiekosten zou de bijdrage die de landbouw aan de territoriale ontwikkeling levert meer gewaardeerd kunnen worden (16).

3.5.4   Het EESC is het met de Commissie eens dat er voor maatregelen van de eerste pijler geen nieuwe vormen van nationale cofinanciering mogen worden ingevoerd. Wat de tweede pijler betreft acht het EESC het wenselijk dat de nationale cofinanciering voor de uitvoering van maatregelen voor plattelandsontwikkeling in stand blijft. Ook zou volgens het EESC een discussie moeten worden gevoerd over de tot nu toe genomen besluiten inzake de nationale cofinanciering van plattelandsontwikkeling, om rekening te houden met de begrotingsmoeilijkheden van veel lidstaten en te bevorderen dat nationale investeringsuitgaven betere resultaten opleveren (17).

4.   Bijzondere opmerkingen

4.1   Het EESC roept op om na te denken over een eventuele herziening van de communautaire mededingingswetgeving voor de agrovoedingssector, met het oog op een betere werking van de agrovoedselvoorzieningsketens en een evenwichtiger verdeling van de marktmacht tussen de verschillende actoren van de voedselketen, met name wat de onderhandelingspositie t.o.v. de distributiesector betreft.

4.2   Het EESC is het ermee eens dat de instrumenten voor risicobeheer in het kader van het GLB moeten worden versterkt. Deze instrumenten moeten helpen de inkomensschommelingen en de instabiliteit op de markten te verkleinen. De verhoogde steun voor verzekeringsinstrumenten en de oprichting van onderlinge fondsen moeten de landbouwers helpen de gezondheids- en klimaatrisico's aan te pakken die in de nabije toekomst alleen maar groter zullen worden. Het EESC, dat de ernstige wereldwijde financiële crisis nog vers in het geheugen heeft, verzoekt de Commissie om zo snel mogelijk helderheid te verschaffen over de manier waarop deze instrumenten zullen worden toegepast. Het betwijfelt of het wenselijk is om de risicobeheermaatregelen in de tweede pijler op te nemen, omdat de plicht tot nationale cofinanciering de lidstaten ervan kan weerhouden deze nieuwe instrumenten toe te passen.

4.3   Het EESC kijkt met belangstelling naar het voorstel van de Commissie voor het bevorderen van alternatieve distributiekanalen om plaatselijke hulpbronnen beter te kunnen benutten door in het kader van de tweede pijler te werken aan stimulering en versterking van rechtstreekse verkoop en lokale markten. Het EESC vindt dat deze alternatieve handelspraktijken moeten worden gesteund middels een communautair ad-hocwetgevingskader.

4.4   Het EESC hoopt dat de WTO-onderhandelingen nieuw leven wordt ingeblazen en dat zij tot een positief resultaat zullen leiden. Het wijst er in dit verband op dat de handelsovereenkomsten, vooral met de Mercosur-landen, gevolgen kunnen hebben voor de doeltreffende werking van het GLB, zoals een verdere openstelling van de landbouwmarkten (18). Het EESC benadrukt dat de mededinging en de prijsvolatiliteit op de internationale markten hierdoor een hoge vlucht zullen nemen, en dat hiermee rekening moet worden gehouden in de hervorming van het GLB, zowel bij de wijziging van de instrumenten voor marktstabilisering als bij de herziening van de rechtstreekse steun. Overigens kan de internationale handel een substantiële bijdrage leveren aan de beschikbaarheid van voedsel, door de kwantiteit en variëteit van levensmiddelen op de markt te vergroten (19). Het EESC wijst op de nadelige situatie waarin de Europese landbouwers zich bevinden ten opzichte van landbouwers in derde landen, vanwege de verplichte communautaire productienormen waaraan zij moeten voldoen. Het EESC dringt erop aan dat ingevoerde grondstoffen strenger worden gecontroleerd; zij moeten aan dezelfde vereisten voldoen als Europese producten. Gebeurt dit niet, dan zullen niet alleen vormen van oneerlijke concurrentie en sociale dumping de kop opsteken, maar zullen er ook ernstige gevolgen zijn voor de kwaliteit van de landbouwproductie en voedselverwerking.

4.5   Het EESC verzoekt de Commissie maatregelen te nemen die het tekort aan eiwithoudende voedergewassen, dat zo kenmerkend is voor de Europese landbouw en dat de ontwikkeling van bepaalde productiesectoren in de EU in de weg staat, kunnen oplossen. In dit verband kijkt het EESC aandachtig naar de synergie tussen de energieprogramma's voor de landbouw en de maatregelen om de teelt van eiwithoudende gewassen te bevorderen.

Brussel, 16 maart 2011

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


(1)  COM(2010) 548 definitief - Evaluatie (2010) van de uitvoering van het biodiversiteitsactieplan van de EU.

(2)  Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1290/2005, (EG) nr. 247/2006, (EG) nr. 378/2007 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1782/2003 (PB L 30 van 31-1-2009, blz. 16).

(3)  Europese Commissie, perscommuniqué IP/10/1527 van 18 november 2010.

(4)  Advies van het EESC over „De hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid in 2013” (PB C 354 van 28-12-2010, blz. 35, par. 5.6.11).

(5)  Besluit van de Raad van 19 januari 2009 tot wijziging van Besluit 2006/144/EG inzake de communautaire strategische richtsnoeren voor plattelandsontwikkeling - programmeringsperiode 2007-2013 (PB L 30 van 31-1-2009, blz. 112).

(6)  Advies van het EESC „Toekomst van het gemeenschappelijk landbouwbeleid na 2013” (PB C 318 van 23-12-2009, blz. 66, par. 2.3).

(7)  Advies van het EESC over „De hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid in 2013” (PB C 354 van 28-12-2010, blz. 35, par. 5.2) en advies van het EESC „Toestand van het GLB en hoe het na 2013 verder moet” (PB C 44 van 16-2-2008, blz. 60, par. 7.4.2).

(8)  Advies van het EESC over „De hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid in 2013” (PB C 354 van 28-12-2010, blz. 35, par. 3.7).

(9)  Advies van het EESC over „Een beter werkende voedselvoorzieningsketen in Europa” (PB C 48 van 15-2-2011, blz. 145, par. 3.6).

(10)  Advies van het EESC over „De hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid in 2013” (PB C 354 van 28-12-2010, blz. 35, par. 4.7).

(11)  Advies van het EESC over „De hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid in 2013” (PB C 354 van 28-12-2010, blz. 35, par. 5.5.15).

(12)  Advies van het EESC over „De hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid in 2013” (PB C 354 van 28-12-2010, blz. 35, par. 5.3).

(13)  Advies van het EESC „Toestand van het GLB en hoe het na 2013 verder moet” (PB C 44 van 16-2-2008, blz. 60, par. 7.4.13 t/m 7.4.15) en advies van het EESC over „De hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid in 2013” (PB C 354 van 28-12-2010, blz. 35, par. 5.5.9).

(14)  Advies van het EESC „Toekomst van het gemeenschappelijk landbouwbeleid na 2013” (PB C 318 van 23-12-2009, blz. 66, par. 4.3).

(15)  Advies van het EESC „Toekomst van het gemeenschappelijk landbouwbeleid na 2013” (PB C 318 van 23-12-2009, blz. 66, par. 2.5).

(16)  Advies van het EESC over „De hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid in 2013” (PB C 354 van 28-12-2010, blz. 35, par. 5.7.4, 5.8.4 en 5.8.5).

(17)  Advies van het EESC „Toestand van het GLB en hoe het na 2013 verder moet” (PB C 44 van 16-2-2008, blz. 60, par. 7.6.11).

(18)  Advies van het EESC „Toestand van het GLB en hoe het na 2013 verder moet” (PB C 44 van 16-2-2008, blz. 60, par. 7.4.9).

(19)  COM(2010) 127 definitief - „Een EU-beleidskader voor steun aan ontwikkelingslanden bij de aanpak van voedselzekerheidsproblemen”.


BIJLAGE

bij het advies van het Comité

De volgende wijzigingsvoorstellen, die meer dan een kwart van de uitgebrachte stemmen kregen, werden tijdens de discussie verworpen:

Paragraaf 1.5   Laatste zin schrappen.

Het EESC stemt in met de doelstelling om de GLB-steun alleen toe te kennen aan actieve landbouwers en het Europese landbouwmodel te bevorderen door gebruik te maken van maatregelen uit zowel de eerste als tweede pijler. Alle betalingen in het kader van de eerste en tweede pijler moeten zijn gericht op de oplossing van sociale, economische en milieuproblemen. Wat dat betreft verzoekt het de Commissie een definitie van „actieve landbouwer” te geven die op het hele EU-grondgebied van toepassing is.

Stemuitslag

Stemmen vóór

:

74

Stemmen tegen

:

125

Onthoudingen

:

29

Paragraaf 1.7   Schrappen en door het volgende vervangen:

. .

Stemuitslag

Stemmen vóór

:

62

Stemmen tegen

:

155

Onthoudingen

:

20