/* COM/2010/0697 def. - NLE 2010/0339 */ Voorstel voor een VERORDENING VAN DE RAAD tot wijziging van Verordening (EG) nr. 452/2007 van de Raad tot instelling van een definitief antidumpingrecht op strijkplanken van oorsprong uit, onder meer, de Volksrepubliek China, en tot instelling van een definitief antidumpingrecht op strijkplanken van oorsprong uit de Volksrepubliek China en vervaardigd door Since Hardware (Guangzhou) Co., Ltd.
[pic] | EUROPESE COMMISSIE | Brussel, 29.11.2010 COM(2010) 697 definitief 2010/0339 (NLE) Voorstel voor een VERORDENING VAN DE RAAD tot wijziging van Verordening (EG) nr. 452/2007 van de Raad tot instelling van een definitief antidumpingrecht op strijkplanken van oorsprong uit, onder meer, de Volksrepubliek China, en tot instelling van een definitief antidumpingrecht op strijkplanken van oorsprong uit de Volksrepubliek China en vervaardigd door Since Hardware (Guangzhou) Co., Ltd. TOELICHTING 1) ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL | Motivering en doel van het voorstel Dit voorstel betreft de toepassing van Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap ("de basisverordening") in het kader van de antidumpingprocedure betreffende de invoer van strijkplanken van oorsprong uit de Volksrepubliek China en vervaardigd door Since Hardware (Guangzhou) Co., Ltd | Algemene context Dit voorstel past in het kader van de tenuitvoerlegging van de basisverordening en is het resultaat van een onderzoek dat is uitgevoerd overeenkomstig de materiële en formele eisen van de basisverordening. | Bestaande bepalingen op het door het voorstel bestreken gebied Bij Verordening (EG) nr. 452/2007 van de Raad (PB L 109 van 26.4.2007, blz. 12) zijn definitieve antidumpingrechten ingesteld tegen strijkplanken van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Oekraïne. | Samenhang met andere beleidsgebieden en doelstellingen van de Unie Niet van toepassing. | 2) RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDE PARTIJEN EN EFFECTBEOORDELING | Raadpleging van belanghebbende partijen | Partijen die belang hebben bij de procedure werden overeenkomstig de bepalingen van de basisverordening in de loop van het onderzoek in de gelegenheid gesteld hun belangen te verdedigen. | Bijeenbrengen en benutten van deskundigheid | Er hoefde geen beroep te worden gedaan op externe deskundigheid. | Effectbeoordeling Dit voorstel vloeit voort uit de tenuitvoerlegging van de basisverordening. De basisverordening voorziet niet in een algemene effectbeoordeling, maar bevat wel een volledige lijst van factoren die moeten worden beoordeeld. | 3) JURIDISCHE ELEMENTEN VAN HET VOORSTEL | Samenvatting van de voorgestelde maatregel Op 2 oktober 2009 heeft de Commissie op grond van een met redenen omklede klacht van drie producenten in de Unie een antidumpingprocedure ingeleid in verband met de invoer van strijkplanken van oorsprong uit de Volksrepubliek China en vervaardigd door Since Hardware (Guangzhou) Co., Ltd. Uit het onderzoek bleek dat er sprake was van dumping van het betrokken product, waardoor de bedrijfstak van de Unie schade werd berokkend. Verder werd vastgesteld dat de instelling van de maatregel niet in strijd was met het belang van de Unie. Daarom wordt voorgesteld dat de Raad bijgevoegd voorstel voor een verordening inzake de instelling van een antidumpingmaatregel goedkeurt, waarna de verordening uiterlijk 31 december 2010 in het Publicatieblad van de Europese Unie moet worden bekendgemaakt. | Rechtsgrondslag Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap. | Subsidiariteitsbeginsel Het voorstel betreft een gebied dat onder de exclusieve bevoegdheid van de Europese Unie valt. Het subsidiariteitsbeginsel is derhalve niet van toepassing. | Evenredigheidsbeginsel Het voorstel is om de volgende reden in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel: | de vorm van de maatregel wordt voorgeschreven in de basisverordening en laat geen ruimte voor nationale besluitvorming. | Beschrijving van de wijze waarop de financiële en administratieve lasten voor de Unie, de nationale, regionale en plaatselijke overheden, de bedrijven en de burgers zo veel mogelijk worden beperkt en hoe zij in verhouding staan tot het doel van het voorstel: niet van toepassing. | Keuze van instrumenten | Voorgesteld instrument: verordening. | Andere instrumenten zouden om de volgende reden ongeschikt zijn: de basisverordening voorziet niet in andere mogelijkheden. | 4) GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING | Het voorstel heeft geen gevolgen voor de begroting van de Unie. | 2010/0339 (NLE) Voorstel voor een VERORDENING VAN DE RAAD tot wijziging van Verordening (EG) nr. 452/2007 van de Raad tot instelling van een definitief antidumpingrecht op strijkplanken van oorsprong uit, onder meer, de Volksrepubliek China, en tot instelling van een definitief antidumpingrecht op strijkplanken van oorsprong uit de Volksrepubliek China en vervaardigd door Since Hardware (Guangzhou) Co., Ltd. DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, Gezien Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap[1] ('de basisverordening'), en met name artikel 9, lid 4, Gezien Verordening (EG) nr. 1515/2001 van de Raad van 23 juli 2001 inzake de maatregelen die de Gemeenschap kan nemen naar aanleiding van een rapport van het orgaan voor geschillenbeslechting van de WTO betreffende antidumping- en antisubsidiemaatregelen[2], en met name artikel 2, lid 1, Gezien het voorstel van de Europese Commissie, ingediend na raadpleging van het Raadgevend Comité, Overwegende hetgeen volgt: A. PROCEDURE 1. Geldende maatregelen 1. In aansluiting op een antidumpingonderzoek naar de invoer van strijkplanken van oorsprong uit de Volksrepubliek China ("de VRC") en Oekraïne ("het eerste onderzoek") werden bij Verordening (EG) nr. 452/2007 van de Raad[3] antidumpingmaatregelen ingesteld. Die verordening is op 27 april 2007 in werking getreden. 2. Er wordt aan herinnerd dat het definitieve antidumpingrecht voor strijkplanken van de Chinese producent-exporteur Since Hardware (Guangzhou) Co., Ltd. ("Since Hardware") 0% bedroeg, terwijl dit recht voor andere producenten-exporteurs tussen 18,1% en 38,1% lag. Na een tussentijds nieuw onderzoek werden deze rechten verhoogd tot 42,3%[4]. 2. Inleiding van de huidige procedure 3. Op 2 oktober 2009 heeft de Commissie met een bericht ("het bericht van inleiding") in het Publicatieblad van de Europese Unie[5] de inleiding van een antidumpingprocedure uit hoofde van artikel 5 van de basisverordening betreffende de invoer in de Unie van strijkplanken van oorsprong uit China ("het betrokken land"), voor zover vervaardigd door Since Hardware, aangekondigd. In het bericht van inleiding kondigde de Commissie ook de opening van een nieuw onderzoek uit hoofde van artikel 2, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1515/2001 ("het nieuwe onderzoek uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1515/2001") aan, ten einde een wijziging van Verordening (EG) nr. 452/2007 mogelijk te maken, mocht dat nodig zijn op grond van het rapport Mexico - Beef and Rice van de WTO-Beroepsinstantie (AB-2005-6)[6]. 4. Het antidumpingonderzoek werd geopend naar aanleiding van een klacht die op 20 augustus 2009 werd ingediend door drie producenten in de Unie, Colombo New Scal S.p.A., Pirola S.p.A. and Vale Mill (Rochdale) Ltd. ("de klagers"), die een groot deel van de totale productie van strijkplanken in de Unie vertegenwoordigen. 5. Er wordt aan herinnerd dat in het licht van het rapport Mexico - Beef and Rice van de WTO-Beroepsinstantie (AB-2005-6) een nieuw antidumpingonderzoek op grond van artikel 5 van de basisverordening tegen Since Hardware werd geopend, en niet een tussentijds nieuw onderzoek op grond van artikel 11, lid 3, van de basisverordening. In het rapport wordt bepaald dat een producent-exporteur waarvoor in het oorspronkelijke onderzoek geen dumping werd vastgesteld, moet worden uitgesloten van de werkingssfeer van de naar aanleiding van een dergelijk onderzoek ingestelde definitieve maatregelen en ook niet betrokken kan worden bij een nieuw onderzoek om administratieve redenen dan wel in verband met gewijzigde omstandigheden[7]. 6. Volgens Since Hardware kon de Commissie geen nieuw antidumpingonderzoek op grond van artikel 5 van de basisverordening tegen één onderneming openen, omdat dat in strijd zou zijn met het algemene beginsel dat is neergelegd in artikel VI van de GATT, in de Antidumpingovereenkomst van de WTO ("de WTO ADO") en in de basisverordening, dat namelijk antidumpingprocedures gericht zijn tegen de invoer uit landen en niet tegen de invoer van producten van een individuele onderneming. Since Hardware voerde met name aan dat de Commissie in strijd handelde met artikel 9, lid 3, en artikel 11, lid 6, van de basisverordening door een antidumpingonderzoek te openen op grond van artikel 5 in plaats van op artikel 11, lid 3, van de basisverordening. Verder zou de Commissie volgens Since Hardware, omdat er geen sprake is van een rechtstreekse werking van de WTO-voorschriften in de rechtsorde van de EU, niet kunnen besluiten bovengenoemde bepalingen van de basisverordening te negeren teneinde een WTO-uitspraak automatisch, zonder voorafgaande wijziging van de basisverordening door de Raad toe te passen. 7. In dit verband wordt erkend dat een antidumpingprocedure normaliter wordt ingeleid tegen de invoer uit een land en niet tegen de invoer van producten van een individuele onderneming. In dit geval is er om onderstaande speciale omstandigheden evenwel sprake van een uitzondering op bovengenoemde regel. De WTO-Beroepsinstantie maakte in zijn hierboven genoemde rapport duidelijk dat ingevolge artikel 5.8 van de WTO ADO een onderzoekende instantie het onderzoek ten aanzien van een exporteur waarvan in een oorspronkelijk onderzoek werd vastgesteld dat zijn marge niet meer dan de minimis is, moet beëindigen en dat deze exporteur bijgevolg van de definitieve antidumpingmaatregelen moet worden uitgesloten[8] en ook niet betrokken kan worden bij een nieuw onderzoek om administratieve redenen dan wel in verband met gewijzigde omstandigheden[9]. Het is juist dat de rechtsgeldigheid van door de instellingen van de Unie ("de instellingen") genomen maatregelen normaliter niet opnieuw kan worden onderzocht op grond van de WTO-overeenkomsten omdat de WTO-voorschriften geen rechtstreekse werking hebben. Dit betekent in het onderhavige geval evenwel niet dat de instellingen de WTO-voorschriften, en in het bijzonder bovengenoemd rapport van de Beroepsinstantie, moeten negeren. Verordening (EG) nr. 1515/2001 werd juist vastgesteld om het de instellingen mogelijk te maken een in het kader van de basisverordening genomen maatregel zonder voorafgaande wijziging van de basisverordening in overeenstemming te brengen met de voorschriften in een rapport van het orgaan voor geschillenbeslechting[10]. Dankzij Verordening (EG) nr. 1515/2001 kunnen de instellingen in het bijzonder exporteurs waarvoor tijdens een eerder oorspronkelijk onderzoek geen dumping werd vastgesteld, formeel uitsluiten van de werkingssfeer van de verordening van de Raad die aan het eind van dat onderzoek werd vastgesteld. Te dien einde werd het in de tweede zin van overweging 3 van deze verordening genoemde nieuwe onderzoek geopend. 8. Bovendien sluit geen enkele bepaling van de basisverordening de opening van een nieuw antidumpingonderzoek op basis van artikel 5 van de basisverordening tegen een enkele onderneming uit. Ook moet de EU-wetgeving voor zover mogelijk worden geïnterpreteerd op een wijze die in overeenstemming is met het internationale recht, in het bijzonder wanneer de bepalingen in kwestie bedoeld zijn om uitvoering te geven aan een door de EU gesloten internationale overeenkomst. Omdat de WTO ADO enerzijds leden van de WTO toestaat rechten in te stellen om schadelijke dumping te neutraliseren, maar anderzijds door de Beroepsinstantie in bovengenoemd rapport zodanig is geïnterpreteerd dat nieuwe onderzoeken van ondernemingen waarvoor bij het oorspronkelijke onderzoek geen dumping werd vastgesteld, niet zijn toegestaan, moet de basisverordening zo worden uitgelegd dat de EU de mogelijkheid heeft in een zaak als de onderhavige een onderzoek uit hoofde van artikel 5 te openen. 9. Gezien de speciale omstandigheden van de zaak is de opening van een antidumpingonderzoek tegen Since Hardware op grond van artikel 5 van de basisverordening derhalve rechtmatig. 3. Betrokken partijen 10. De Commissie heeft Since Hardware, de haar bekende betrokken importeurs en producenten in de Unie, de vertegenwoordigers van het betrokken land en de producenten in potentiële referentielanden van de inleiding van de procedure in kennis gesteld. De belanghebbenden werden in de gelegenheid gesteld om binnen de in het bericht van inleiding vermelde termijn hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken en te verzoeken te worden gehoord. 11. Om Since Hardware in staat te stellen desgewenst een verzoek om behandeling als marktgerichte onderneming ("BMO") of individuele behandeling ("IB") in te dienen, heeft de Commissie deze producent-exporteur de desbetreffende formulieren toegezonden. De Commissie heeft Since Hardware ook een vragenlijst gestuurd. De producent-exporteur heeft een ingevulde aanvraag voor een BMO/IB ingestuurd en de vragenlijst beantwoord. 12. Gezien het grote aantal producenten in de Unie werd in het bericht van inleiding overwogen om overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening voor de vaststelling van het aandeel aan de schade gebruik te maken van een steekproef. Vijf producenten in de Unie hebben zich binnen de in het bericht van inleiding genoemde termijn gemeld en de vereiste informatie verstrekt. 13. Van die vijf producenten in de Unie behoorden alleen de drie klagers in het eerste onderzoek tot de bedrijfstak van de Unie. Wegens het specifieke karakter van deze zaak[11] werd besloten alleen deze drie klagers een vragenlijst te sturen, terwijl de andere twee producenten in de Unie werd gevraagd aanvullende informatie te verstrekken die voor de Commissie van nut zouden kunnen zijn om na te gaan of de invoer van door Since Hardware vervaardigde producten de bedrijfstak van de Unie schade hadden berokkend. Alle drie klagende producenten in de Unie beantwoordden de vragenlijst. De andere twee producenten in de Unie verstrekten geen nadere informatie. 14. De Commissie verstuurde ook vragenlijsten naar alle haar bekende producenten in mogelijke referentielanden en naar alle haar bekende betrokken importeurs die niet met Since Hardware zijn verbonden. Van de niet-verbonden importeurs in de Unie waren er aanvankelijk twee die medewerking aan het onderzoek verleenden. Een ervan was evenwel niet in staat de medewerking voort te zetten. De andere importeur was tevens een van de niet-klagende producenten in de Unie. Deze onderneming beantwoordde de vragenlijst voor importeurs. Verder was er ook een brancheorganisatie die aan het onderzoek meewerkte en opmerkingen maakte. 15. De Commissie heeft alle gegevens die zij voor de beoordeling van de BMO, de vaststelling van dumping, het aandeel in de schade en het belang van de Unie noodzakelijk achtte, ingewonnen en gecontroleerd. Er werd een controle ter plaatse verricht bij Since Hardware in Guangzhou in the VRC en bij Vale Mill (Rochdale) Ltd. in het VK. 16. De Commissie stelde de betrokken partijen ervan in kennis dat zij het gezien de complexe juridische achtergrond van dit onderzoek (zie overweging 3 e.v.) beter achtte in deze zaak geen voorlopige maatregelen in te stellen, maar het onderzoek wel voort te zetten. Geen van de partijen diende hiertegen bezwaar in. 17. De Commissie heeft alle partijen voorts in kennis gesteld van de belangrijkste feiten en overwegingen op basis waarvan zij voornemens was de instelling van een definitief antidumpingrecht aan te bevelen en hen de gelegenheid gegeven hierover opmerkingen te maken. De opmerkingen van de partijen werden onderzocht en waar nodig werden de bevindingen dienovereenkomstig gewijzigd. 4. Onderzoektijdvak 18. Het onderzoek naar de dumping en de prijsonderbieding had betrekking op de periode van 1 juli 2008 tot en met 30 juni 2009 ("het onderzoektijdvak" of "OT"). Het onderzoek naar de omvang van de invoer van producten van Since Hardware in verband met de beoordeling van het (aandeel in) schade had betrekking op de periode van 1 januari 2006 tot het eind van het OT ("de beoordelingsperiode"). Wegens het specifieke karakter van deze zaak - namelijk dat er een aantal jaren geleden een ander oorspronkelijk onderzoek plaatsvond voor hetzelfde product en hetzelfde derde land en omdat de rechten die het gevolg waren van dat onderzoek nog steeds van kracht zijn -, zal er bij de analyse van de schade ook worden verwezen naar het onderzoektijdvak van dat eerdere onderzoek ("OT van het eerste onderzoek"). B. BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT 1. Betrokken product 19. Bij het betrokken product gaat het om strijkplanken, al dan niet op poten, al dan niet met een stoomafzuigend, verwarmd en/of blazend werkblad, met inbegrip van mouwplanken, en belangrijke onderdelen daarvan, zoals de poten, het werkblad en de strijkijzersteun (het treeftje), momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 3924 90 90, ex 4421 90 98, ex 7323 93 90, ex 7323 99 91, ex 7323 99 99, ex 8516 79 70 en ex 8516 90 00, van oorsprong uit de Volksrepubliek China en vervaardigd door Since Hardware (Guangzhou) Co., Ltd. 20. Bij het onderzoek werd vastgesteld dat er verschillende soorten strijkplanken zijn en dat de belangrijke onderdelen ervan hoofdzakelijk afhangen van hun constructie, omvang en toebehoren en het materiaal waarvan zij vervaardigd zijn. Alle typen hebben evenwel dezelfde fysieke basiskenmerken hebben en worden voor dezelfde doeleinden gebruikt. 21. De producent-exporteur voerde aan dat het onderzoek zich niet zou mogen uitstrekken tot de belangrijke onderdelen van strijkplanken omdat die onderdelen (bv. poten, werkplank en strijkijzersteun) niet een enkel product vormen en daarom niet in één onderzoek deel kunnen uitmaken van hetzelfde betrokken product. Dit argument werd in het onderzoek niet bevestigd. Vastgesteld werd dat de belangrijke onderdelen van strijkplanken moeten worden opgenomen omdat de poten, het werkblad en de strijkijzersteun de kenmerken van het eindproduct bepalen en geen ander eindgebruik kunnen hebben dan te worden opgenomen in het eindproduct (d.w.z. de strijkplank) en als zodanig geen afzonderlijk product zijn. Dit is in overeenstemming met een aantal andere onderzoeken waarin afgewerkte producten en de belangrijkste onderdelen ervan als een enkel product worden beschouwd. Derhalve worden, evenals bij het eerste onderzoek, alle bestaande typen strijkplanken en hun belangrijke onderdelen voor dit onderzoek als een enkel product beschouwd. 2. Soortgelijk product 22. Er werden geen verschillen vastgesteld tussen het betrokken product en de strijkplanken en belangrijke onderdelen ervan die werden vervaardigd door de klagers en de andere medewerkende producenten in de Unie en die werden verkocht op de markt van de Unie, die uiteindelijk ook als referentieland diende. Zij hebben dezelfde fysieke kenmerken en hetzelfde gebruik en zijn onderling verwisselbaar. 23. Bijgevolg worden strijkplanken en de belangrijke onderdelen ervan die in de Unie worden vervaardigd en verkocht als soortgelijk aan het betrokken product in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening beschouwd. C. DUMPING 1. Behandeling als marktgerichte onderneming (BMO) 24. Overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder b), van de basisverordening wordt de normale waarde bij antidumpingonderzoeken inzake invoer van oorsprong uit de VRC in overeenstemming met de leden 1 tot en met 6 van dat artikel bepaald voor producenten waarvan is vastgesteld dat zij voldoen aan de criteria van artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening, namelijk dat zij het soortgelijke product op marktvoorwaarden vervaardigen en verkopen. Voor de duidelijkheid zijn deze criteria hieronder nog eens kort samengevat: 25. besluiten van bedrijven zijn een reactie op marktsignalen, zonder staatsinmenging van betekenis; de kosten van de belangrijkste productiemiddelen geven hoofdzakelijk marktwaarden weer; 26. ondernemingen beschikken over een duidelijke basisboekhouding die onder controle staat van een onafhankelijke instantie in overeenstemming met de hiervoor internationaal geldende boekhoudnormen ("IAS") en die alle terreinen bestrijkt; 27. er zijn geen verstoringen van betekenis die nog voortvloeien uit het vroegere systeem zonder markteconomie; 28. de betrokken bedrijven zijn onderworpen aan faillissements- en eigendomswetten die stabiliteit en juridische zekerheid verschaffen; 29. munteenheden worden tegen de marktkoers omgerekend. 30. Since Hardware heeft overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder b), van de basisverordening om een BMO verzocht en werd gevraagd het desbetreffende aanvraagformulier in te vullen. 31. Bij het onderzoek werd vastgesteld dat Since Hardware ten aanzien van de kosten van de belangrijkste productiemiddelen niet aan het onder het eerste streepje van artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening genoemde criterium (criterium 1) voldeed. Bovendien werd vastgesteld dat Since Hardware niet aan het onder het tweede streepje van artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening genoemde BMO-criterium (criterium 2) voldeed. De belangrijke bevindingen ten aanzien van de BMO worden hieronder uiteengezet. 32. Wat het eerste criterium betreft - bedrijfsbesluiten worden genomen als reactie op marktsignalen, zonder staatsinmenging van betekenis, en kosten geven marktwaarden weer – voert Since Hardware aan dat het zijn belangrijkste grondstoffen (producten van staal) op de Chinese binnenlandse markt koopt, terwijl de onderneming die grondstoffen in het onderzoekstijdvak voor het eerste onderzoek nog invoerde. Daarom werd onderzocht of de Chinese binnenlandse markt voor de belangrijkste grondstoffen wel de marktwaarden weergeeft. 33. Vastgesteld werd dat de staat na het onderzoektijdvak voor het eerste onderzoek, d.w.z. na 2005, uitvoerbelemmeringen heeft ingevoerd voor diverse producten van staal, waaronder de belangrijke grondstoffen voor de productie van strijkplanken: plaatstaal, stalen buizen en pijpen en staaldraad. De kosten van deze grondstoffen maken een groot deel van de totale kosten van de grondstoffen voor het betrokken product uit. Door de invoering van uitvoerbelastingen nam de stimulans om uit te voeren af, waardoor de in het binnenland beschikbare hoeveelheid toenam, wat weer leidde tot lagere prijzen. In juni 2009 (het eind van het OT) lijkt het Chinese beleid ten aanzien van de staalsector evenwel weer te zijn gewijzigd: de uitvoerbelasting werd afgeschaft, terwijl er een nieuwe btw-aftrek voor producten van staal werd ingevoerd, waardoor een gunstiger klimaat voor uitvoer ontstond. Het nieuwe beleid, waarbij uitvoer niet langer wordt ontmoedigd, valt samen met de daling van de staalprijzen op de andere wereldmarkten en met de aanpassing van de Chinese binnenlandse prijzen aan de internationale staalprijzen, zodat er geen gevaar voor prijsverhogingen op de binnenlandse markt bestaat. Deze herhaalde wijzigingen van de uitvoerbelasting en het btw-stelsel voor staal vonden blijkbaar plaats om de Chinese binnenlandse staalmarkt en staalprijzen te reguleren. De staat bleef dus een belangrijke invloed op de binnenlandse staalmarkt uitoefenen, zodat de staalprijzen in de VRC voor deze specifieke grondstoffen de ontwikkelingen op de wereldmarkt niet vrij volgden. 34. Tal van studies en rapporten en ook openbaar beschikbare rekeningen van een aantal staalproducenten[12] bevestigen dat de Chinese staat actief steun verleent aan de ontwikkeling van de staalsector in de VRC. 35. Bijgevolg lagen de binnenlandse staalprijzen in de VRC gedurende de eerste helft van het onderzoektijdvak ver onder de prijzen op andere grote wereldmarkten, en met name onder de staalprijzen in Noord-Amerika en Noord-Europa[13], terwijl die prijsverschillen niet kunnen worden verklaard uit een concurrentievoordeel bij de staalproductie. In de tweede helft van het OT was er sprake van een aanzienlijke prijsdaling voor staal in Europa en Noord-Amerika, terwijl de binnenlandse prijzen in China in veel minder sterke mate terugliepen. Tegen het eind van het OT was er daarom bijna geen prijsverschil meer tussen de Chinese en de internationale staalprijzen. De door de Chinese overheid genomen maatregelen om de Chinese staalmarkt te reguleren hebben echter in wezen geleid tot een situatie waarin de grondstofprijzen nog steeds het resultaat zijn van staatsinmenging, die rechtstreeks van invloed is op de besluiten van de onderneming over de inkoop van grondstoffen. 36. Omdat Since Hardware zijn grondstoffen tijdens het OT op de Chinese binnenlandse markt kocht, profiteerde de onderneming toen van deze kunstmatig lage, verstoorde staalprijzen. 37. De conclusie luidde dat de kosten van de belangrijkste productiemiddelen van Since Hardware niet hoofdzakelijk marktwaarden weergeven. Bijgevolg werd geconcludeerd dat Since Hardware niet heeft aangetoond aan alle criteria van artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening te voldoen, en dat de onderneming daarom niet voor een BMO in aanmerking komt. 38. Bovendien kon de onderneming niet aantonen dat zij beschikt over een duidelijke basisboekhouding die onder controle staat van een onafhankelijke instantie in overeenstemming met de hiervoor internationaal geldende normen ("IAS") en alle terreinen bestrijkt; in de boekhouding, en met name in het kapitaalcontroleverslag, wordt namelijk niets gezegd over een belangrijke transactie die tijdens het OT heeft plaatsgevonden. Bovendien gaven de accountants geen commentaar op die belangrijke transactie. Verder werd een boeking van een aanzienlijk bedrag aangetroffen waarbij het in IAS 1 opgenomen beginsel dat de rekening een getrouwe weergave van de feiten moeten geven, niet in acht werd genomen. Ook hierop gaf de accountant geen commentaar. Bijgevolg werd geconcludeerd dat deze onderneming evenmin had aangetoond dat zij voldeed aan artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening. 39. Since Hardware, de autoriteiten van het betrokken land en de bedrijfstak van de Unie werden in de gelegenheid gesteld opmerkingen over de bovenstaande bevindingen te maken. Van Since Hardware en de bedrijfstak van de Unie werden opmerkingen ontvangen. 40. Since Hardware gaf drie hoofdargumenten ten aanzien van de bevindingen over de BMO. Ten eerste werd naar voren gebracht dat het BMO-besluit was genomen nadat de Commissie had gevraagd naar de cijfers van de onderneming over de binnenlandse verkopen en de kosten en deze ook had gekregen, wat in strijd zou zijn met de tweede alinea van artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening. Ten tweede voerde Since Hardware aan dat, hoewel de onderneming het niet oneens was met de geschetste ontwikkeling van de staalprijzen als zodanig, de Chinese grondstofprijzen toch in overeenstemming waren met de prijzen in andere landen en dat de door de onderneming op de Chinese markt betaalde prijs boven de prijzen op diverse staalmarkten in landen met een markteconomie lagen. In dit verband trok de onderneming ook in twijfel van de staalmarktprijzen in Noord-Europa en Noord-Amerika, waarmee een vergelijking werd gemaakt, wel relevant zijn. Volgens Since Hardware waren er ook prijzen van andere internationale markten, zoals de Turkse of Oekraïense uitvoerprijzen, beschikbaar, en lagen deze onder de binnenlandse prijzen in de VRC. Ten derde zou volgens Since Hardware een BMO niet kunnen worden ontzegd aan een onderneming die in een bepaalde industrie (strijkplanken) actief is op grond van factoren die uitsluitend betrekking hebben op een andere industrie (staal) en kan de Commissie subsidies in de toeleveringsmarkt niet compenseren door een verzoek om een BMO in een verbruikersmarkt af te wijzen. Bovendien voerde Since Hardware aan dat er sprake is van een onredelijke bewijslast wanneer een kleine fabrikant van strijkplanken moet bewijzen dat de Chinese staalindustrie niet worden gesubsidieerd. 41. Ten aanzien van het eerste argument van Since Hardware moet worden opgemerkt dat ingevolge artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening moet worden vastgesteld of Since Hardware aan de vijf relevante criteria voldoet en dat die vaststelling gedurende het gehele onderzoek van kracht blijft. Omdat het onderhavige onderzoek tot één producent-exporteur beperkt is, heeft de Commissie de BMO-aanvraag en het antwoord op de antidumpingvragenlijst tijdens een enkele controle ter plaatse in een keer gecontroleerd. De BMO-aanvraag werd op haar eigen merites beoordeeld, ongeacht de gevolgen die zij voor de berekening van de dumpingmarge zou hebben. In feite was het onmogelijk om al voor de beslissing over toekenning van een BMO gedetailleerde dumpingberekeningen voor Since Hardware te maken omdat gegevens uit een passend land met een markteconomie ontbraken. Er was derhalve geen sprake van een inbreuk op artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening. 42. Wat het tweede argument van Since Hardware betreft, bleek bij het onderzoek weliswaar dat het prijsverschil in de tweede helft van het OT was teruggelopen en tegen het eind van het OT praktisch was verdwenen, maar toch wordt volgehouden dat deze aanpassing van de Chinese prijzen aan de prijzen op de internationale markt het gevolg was van staatsinmenging. Toen de prijzen op de internationale staalmarkten in 2009 als gevolg van de financiële en economische crisis instortten, schafte de staat immers de voordien geheven uitvoerbelastingen af en maakte hij zo de aanpassing van de binnenlandse prijzen aan de internationale prijzen mogelijk zonder het gevaar te lopen dat de prijzen voor deze belangrijke grondstoffen op de binnenlandse markt aanzienlijk zouden stijgen. Dit toont aan dat er op de markt voor de grondstoffen die voor de vervaardiging van het betrokken product nodig zijn, ook in de tweede helft van het OT nog sprake was van staatsinmenging. 43. Opgemerkt zij dat de door Since Hardware verstrekte aanvullende prijsinformatie steun gaf aan de bevinding dat de belangrijkste grondstoffen voor de productie van strijkplanken in de eerste helft van het OT op de Chinese binnenlandse markt gemiddeld aanzienlijk goedkoper waren dan op andere grote wereldmarkten. Er werd een vergelijking gemaakt tussen de binnenlandse staalprijzen in China en op andere qua volume met de Chinese markt vergelijkbare markten (EU, VS en Canada), aangezien die een hoog staalverbruik hebben en er verscheidene actieve producenten zijn. Van andere, door Since Hardware voorgestelde markten zoals Turkije en Oekraïne (binnenlandse en exportmarkt) werd vastgesteld dat deze qua omvang en aantal producenten van deze specifieke grondstoffen niet representatief zijn en derhalve niet vergelijkbaar met de Chinese binnenlandse markt. 44. Verder wordt eraan herinnerd dat ingevolge de basisverordening de onderneming die een BMO aanvraagt, moet aantonen dat zij aan de relevante criteria voldoet. Omdat de Commissie gewezen heeft op een aantal elementen die erop duidden dat de kosten van de belangrijkste productiemiddelen niet de marktwaarde weergaven, moet de onderneming uiteraard komen met elementen die dit weerleggen. 45. Verder voorziet artikel 2, lid 7, onder c), uitdrukkelijk in de mogelijkheid te onderzoeken of besluiten van bedrijven inzake, onder meer, productiemiddelen worden genomen als reactie op marktsignalen van vraag en aanbod, en zonder staatsinmenging van betekenis en of de kosten van de belangrijkste productiemiddelen hoofdzakelijk marktwaarden weergeven. Bijgevolg kan een BMO voor een onderneming worden geweigerd wanneer niet aan de eerder genoemde voorwaarden wordt voldaan. Voorts kan nog worden opgemerkt dat Since Hardware ten tijde van het eerste onderzoek zijn grondstoffen pleegde in te voeren, maar als gevolg van de lagere prijzen op de Chinese markt op Chinese leveranciers overschakelde. 46. Wat de vastgestelde boekhoudproblemen betreft, voerde Since Hardware aan dat deze niet betrekking hadden op zijn boekhouding en in elk geval niet betekenden dat de onderneming de internationale boekhoudnormen niet volledig naleefde. Verder betoogde Since Hardware dat de vastgestelde fout in de boekhouding onbetekenend was. 47. Het feit dat Chinese ondernemingen onder hun binnenlandse recht bepaalde boekhoudnormen niet in acht behoeven te nemen, is niet van invloed op de vraag of hun boekhouding met het oog op de BMO-beslissing in het licht van die normen mag worden beoordeeld. De getrouwe weergave van financiële verklaringen is een basis-IAS-norm en de onderneming moet aantonen dat een overtreding van die norm geen inbreuk op het tweede criterium van artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening betekent. Dit is noch voor de transactie in kwestie noch voor de onjuiste boeking gebeurd. In elk geval kan die boeking niet als onbetekenend worden beschouwd aangezien het een groot deel van de totale uitvoer naar de EU in het OT betreft. 48. Geen van de argumenten van Since Hardware leidde derhalve tot een andere beoordeling van de bevindingen. Op grond van bovenstaande overwegingen worden de bevindingen en de conclusie dat aan Since Hardware geen BMO moet worden toegekend, bevestigd. De conclusie luidt derhalve dat geen BMO aan Since Hardware moet worden toegekend. 2. Individuele behandeling (IB) 49. Ingevolge artikel 2, lid 7, van de basisverordening moet voor landen waarop die bepaling van toepassing is, een voor het gehele land geldend recht worden vastgesteld, maar kunnen ondernemingen die kunnen aantonen dat ze aan de in artikel 9, lid 5, van de basisverordening opgenomen criteria voor een individuele behandeling voldoen, daarvan worden uitgezonderd. Gemakshalve worden deze criteria hieronder nog eens kort samengevat: 50. in het geval van ondernemingen of joint ventures die geheel of gedeeltelijk in buitenlandse handen zijn, zijn exporteurs vrij om kapitaal en winsten te repatriëren; 51. de uitvoerprijzen en -hoeveelheden en de verkoopvoorwaarden worden vrij vastgesteld; 52. de meerderheid van de aandeelhouders zijn particulieren; staatsambtenaren die deel uitmaken van de raad van bestuur of die leidinggevende functies vervullen, moeten in de minderheid zijn of er moet worden aangetoond dat de onderneming niettemin voldoende vrij is van staatsinmenging; 53. bij de omrekening van valuta's worden marktkoersen gebruikt; en 54. de staatsinmenging is niet dusdanig dat maatregelen ontweken kunnen worden indien voor individuele exporteurs een ander recht wordt vastgesteld. 55. Since Hardware heeft niet alleen een BMO aangevraagd, maar voor het geval geen BMO zou worden toegekend, ook een IB. 56. Uit het onderzoek is gebleken dat Since Hardware aan alle hierboven genoemde criteria voldoet, zodat de onderneming een IB moet worden toegekend. 3. Normale waarde 57. Bij invoer uit landen zonder markteconomie of uit de in artikel 2, lid 7, onder b), van de basisverordening genoemde landen wanneer geen BMO kan worden toegekend, moet de normale waarde volgens artikel 2, lid 7, van de basisverordening worden vastgesteld aan de hand van de prijs of de berekende waarde in een derde land met een markteconomie (referentieland). 58. In het bericht van inleiding heeft de Commissie haar voornemen bekendgemaakt om de Verenigde Staten van Amerika als referentieland te kiezen voor het vaststellen van de normale waarde voor de VRC, maar geen van de producenten in de VS heeft zijn medewerking aan het onderzoek verleend. De Turkse en Oekraïense ondernemingen die vervolgens werden benaderd, werkten evenmin mee. 59. Omdat er geen producenten uit derde landen waren die wilden meewerken, werden op grond van artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening producenten in de Unie benaderd en een van hen verleende zijn medewerking. 60. Er werden geen opmerkingen van Since Hardware ontvangen over het gebruik van informatie van een producent in de Unie voor het vaststellen van de normale waarde. Overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening werd de normale waarde bepaald aan de hand van de gecontroleerde gegevens van de medewerkende producent in de Unie. 61. De omvang van de binnenlandse verkoop van deze producent van het soortgelijke product werd vergelijkbaar geacht met de uitvoer van het betrokken product door Since Hardware naar de Unie. 62. Overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening werd de normale waarde voor Since Hardware vastgesteld op basis van de gecontroleerde informatie van de enige meewerkende producent in de Unie, d.w.z. op basis van de in het kader van normale handelstransacties op de markt van de Unie betaalde of te betalen prijzen voor vergelijkbare productsoorten, of – wanneer geen verkoop van vergelijkbare productsoorten op de binnenlandse markt in het kader van normale handelstransacties werden vastgesteld – op basis van berekende waarden, d.w.z. op basis van de productiekosten van de door de producent in de Unie geproduceerde strijkplanken, vermeerderd met een redelijk bedrag voor verkoopkosten, algemene kosten, administratiekosten (VAA-kosten) en winst. De gebruikte winstmarge is in overeenstemming met de in het eerste onderzoek gebruikte winstmarge. 4. Uitvoerprijs 63. Omdat het betrokken product in alle gevallen direct naar onafhankelijke afnemers in de Unie werd uitgevoerd, werd de uitvoerprijs vastgesteld overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening, namelijk op basis van de werkelijk betaalde of te betalen prijzen van het product wanneer het naar de Unie wordt uitgevoerd. 5. Vergelijking 64. De normale waarde en de uitvoerprijs werden vergeleken af fabriek. Om te zorgen voor een billijke vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs werd overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening rekening gehouden met verschillen in factoren waarvan werd aangevoerd en aangetoond dat zij van invloed waren op de prijzen en de vergelijkbaarheid daarvan. Op grond hiervan werden waar nodig correcties toegepast voor de kosten van vervoer, verzekering, verlading, krediet en indirecte belastingen. 6. Dumpingmarge 65. Overeenkomstig artikel 2, lid 11, van de basisverordening werd de gewogen gemiddelde normale waarde per soort vergeleken met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs van de overeenkomstige soort van het betrokken product. Uit de vergelijking bleek dat er sprake was van dumping. 66. De dumpingmarge voor Since Hardware bedroeg 51,7 % van de nettoprijs, franco grens Unie. D. SCHADE 1. Algemeen 1.1. Bijzondere kenmerken van dit onderzoek 67. Het onderzoek van de door de bedrijfstak van de Unie geleden aanmerkelijke schade wordt overeenkomstig artikel 3, lid 2, van de basisverordening gewoonlijk gebaseerd op alle invoer met dumping die van oorsprong is uit een of meer landen van uitvoer. 68. In dit geval is in het kader van het eerste onderzoek evenwel al een volledige analyse van de schade met betrekking tot alle invoer van strijkplanken van oorsprong uit onder meer de VRC uitgevoerd. Bij dat onderzoek stelde de Commissie vast dat de invoer met dumping van strijkplanken van oorsprong uit onder meer de VRC de bedrijfstak van de Unie aanmerkelijke schade had toegebracht. Deze bevindingen, gemaakt in overeenstemming met artikel 3 van de basisverordening, waren gebaseerd op een beoordeling van de gevolgen van alle invoer van oorsprong uit de VRC en Oekraïne, met als enige uitzondering de invoer van door Since Hardware vervaardigde strijkplanken, aangezien was vastgesteld dat die niet tegen dumpingprijzen waren verkocht. 69. Op grond daarvan werden in het OT op alle ingevoerde strijkplanken uit die landen antidumpingrechten toegepast (alleen voor Since Hardware gold een nulrecht). Omdat de bedrijfstak van de Unie tijdens het OT al tegen de schadelijke gevolgen van deze invoer beschermd was, kon onmogelijk een normale volledige schadeanalyse worden uitgevoerd. Daarom werd een speciale aanpak ontwikkeld, die aan de bijzondere kenmerken van dit onderzoek was aangepast en waarbij de instellingen hun aandacht richtten op specifieke schade-indicatoren. De van de bedrijfstak van de Unie verlangde informatie was gericht op de vraag of er sprake was van prijsonderbieding door Since Hardware en in hoeverre de prijzen van de bedrijfstak van de Unie winstgevend waren. Ook werd aan de bedrijfstak van de Unie gevraagd of deze nog andere informatie had die erop zou duiden dat de uitvoer van Since Hardware naar de EU schade had veroorzaakt. 70. De Commissie heeft in dit verband de volgende elementen onderzocht: i) de ontwikkeling van de invoer met dumping van door Since Hardware vervaardigde strijkplanken; íi) de vraag of die invoer had plaatsgevonden tegen prijzen die de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Unie onderboden en de mate waarin de prijzen van de bedrijfstak van de Unie winst opleverden; iii) door de bedrijfstak van de Unie verstrekte informatie die erop duidt dat de uitvoer door Since Hardware naar de EU schade had veroorzaakt, d.w.z. informatie over het verlies van afnemers door de bedrijfstak van de Unie, over bestellingen bij Since Hardware en over de winstgevendheid van de verkopen door Since Hardware in de EU tijdens het OT. 1.2. Definitie van de bedrijfstak van de Unie 71. De klacht was ingediend door drie producenten in de Unie die een groot deel van de totale bekende productie van strijkplanken in de Unie vertegenwoordigen, in dit geval ongeveer 40% van de geschatte productie in de Unie. Geen van de andere producenten in de Unie maakte bezwaar tegen de inleiding van deze procedure. 72. Zoals in overweging 13 al is vermeld, maakten van de vijf producenten die de steekproefvragen beantwoordden alleen de drie klagers in het eerste onderzoek al deel uit van de bedrijfstak van de Unie. Zoals hierboven is vermeld, werden wegens de bijzondere kenmerken van deze zaak alleen vragenlijsten gezonden naar de drie geselecteerde producenten in de Unie die in het eerste onderzoek al deel uitmaakten van de bedrijfstak van de Unie. 1.3. Verbruik in de Unie 73. Op grond van door de bedrijfstak van de Unie verstrekte informatie lijkt het verbruik van strijkplanken in de EU sinds de bekendmaking van Verordening (EG) nr. 452/2007 van de Raad vrij stabiel te zijn gebleven; er was slechts een geringe toename die in overeenstemming was met de bevolkingsgroei van de EU als gevolg van de laatste uitbreiding van de EU (de toetreding van Roemenië en Bulgarije in 2007). Het geschatte verbruik in de Unie bedroeg in de beoordelingsperiode ongeveer 8,5 tot 9 miljoen stuks. 1.4. Productie in de Unie 74. In verscheidene lidstaten bevinden zich strijkplankproducenten: België, Tsjechië, Frankrijk, Duitsland, Italië, Polen, Portugal, Nederland, Spanje en het Verenigd Koninkrijk. De totale jaarlijkse productie van strijkplanken in de Unie kan worden geschat op meer dan 5 miljoen stuks. 2. Invoer afkomstig van Since Hardware 2.1. Status van de invoer 75. Zoals in de overwegingen 24 tot en 56 is beschreven, is uit het onderzoek gebleken dat de producten van Since Hardware met dumping in de Unie zijn ingevoerd. 2.2. Omvang van de invoer met dumping 76. In de beoordelingsperiode nam de uitvoer van Since Hardware naar de EU krachtig toe: tot het eind van het OT voor dit onderzoek met 64%[14]. Anderzijds is de invoer van andere Chinese en Oekraïense producenten na de instelling van de voorlopige rechten in 2006 aanzienlijk gedaald (vertrouwelijke gegevens die zijn gebaseerd op verslagen die de lidstaten in overeenstemming met 14, lid 6, van de basisverordening hebben opgesteld. Omvang van de invoer van door Since Hardware vervaardigde strijkplanken | Indexcijfers in verband met de geheimhouding | 2006 | 2007 | 2008 | OT | Since Hardware | 100 | 119 | 176 | 164 | VRC (zonder Since Hardware) en Oekraïne | 100 | 94 | 87 | 83 | 2.3. Marktaandeel van de invoer met dumping 77. Omdat het verbruik in de EU in de beoordelingsperiode afgezien van de geringe stijging tussen 2006 en 2007 (zie overweging 63) vrij stabiel is gebleven, is het marktaandeel van Since Hardware toegenomen naargelang zijn invoer in volume toenam. Terwijl het marktaandeel van Since Hardware in de EU in 2006 ongeveer een vijfde van het totale marktaandeel van de andere Chinese en Oekraïense producenten uitmaakte, was het aan het eind van het OT gestegen tot bijna de helft. De aanzienlijke stijging van de invoer en het marktaandeel door Since Hardware kan worden verklaard uit het feit dat Since Hardware de enige Chinese producent met een antidumpingrecht van 0% was, zodat zijn marktkansen sinds de instelling van de voorlopige rechten in 2006 zijn toegenomen. Dit wordt ook bevestigd door de uitgesproken positieve ontwikkeling van zijn invoervolume, die inging tegen algemene dalende trend voor de andere Chinese en Oekraïense producenten. De beoordelingsperiode geeft dan ook de volgende tegengestelde ontwikkeling van marktaandelen te zien: Marktaandeel van de invoer van door Since Hardware vervaardigde strijkplanken | Indexcijfers in verband met de geheimhouding | 2006 | 2007 | 2008 | OT | Since Hardware | 100 | 113 | 166 | 155 | VRC (zonder Since Hardware) en Oekraïne | 100 | 89 | 82 | 79 | 78. Uit bovenstaande tabellen blijkt duidelijk dat het Since Hardware gelukt is zijn invoer en marktaandeel aanzienlijk te vergroten[15]. 79. Bovendien heeft de bedrijfstak van de Unie aangevoerd dat hij de afgelopen jaren veel orders van afnemers aan Since Hardware heeft verloren. Er zijn inderdaad duidelijke aanwijzingen vastgesteld dat sommige belangrijke afnemers van de bedrijfstak van de Unie van leverancier zijn veranderd en nu meer dan voorheen producten van Since Hardware betrekken en minder van de bedrijfstak van de Unie. 80. Zo laten de door de Commissie tijdens het eerste onderzoek verzamelde gegevens zien dat een producent in de Unie in het OT van dat onderzoek (2005) nog veel strijkplanken aan een afnemer in de Unie verkocht, terwijl in het onderhavige onderzoek werd vastgesteld dat hij in het huidige OT aanzienlijk minder (tussen 10% en 30%) aan dezelfde afnemer verkocht. Daarentegen had Since Hardware in het OT van het eerste onderzoek maar een klein aantal strijkplanken aan die afnemer in de EU verkocht, maar in het OT van het huidige onderzoek veel meer (tussen 300% en 500%). 81. Verder laten de door de Commissie tijdens het eerste onderzoek verzamelde gegevens zien dat de verkopen van een producent in de Unie aan een andere afnemer in de Unie tussen het OT van het eerste onderzoek en dat van het huidige onderzoek aanzienlijk zijn verminderd (tussen 30% en 50%). Since Hardware had daarentegen tijdens het OT van het eerste onderzoek niets aan die afnemer verkocht, maar in het huidige OT een aanzienlijke hoeveelheid. Die hoeveelheid ligt tussen 60% en 80% van de hoeveelheid waarmee de verkopen van de producent in de Unie aan die afnemer tussen beide OT's zijn gedaald. 2.4. Prijsonderbieding 82. Voor een analyse van de prijsonderbieding werden de invoerprijzen van Since Hardware met de prijzen van de bedrijfstak van de Unie vergeleken op basis van gewogen gemiddelden voor vergelijkbare productsoorten tijdens het OT. De prijzen van de bedrijfstak van de Unie werden gecorrigeerd tot het niveau van de prijzen af fabriek en vergeleken met de cif-invoerprijzen, grens Unie, plus de toepasselijke invoerrechten. Deze prijsvergelijking werd uitgevoerd voor transacties in hetzelfde handelsstadium, waar nodig gecorrigeerd, en na aftrek van rabatten en kortingen. 83. Voor Since Hardware werd een gemiddelde prijsonderbiedingsmarge, uitgedrukt als percentage van de prijs van de bedrijfstak van de Unie, vastgesteld van 16,1%. 84. Opgemerkt zij dat werd vastgesteld dat de prijzen van de bedrijfstak van de Unie in het OT over de gehele linie verliesgevend waren. 3. Conclusie inzake schade 85. Bovenstaande feiten laten zien dat de bedrijfstak van de Unie schade lijdt doordat Since Hardware strijkplanken met dumping op de markt van de Unie verkoopt die anders wellicht door de bedrijfstak van de Unie zouden zijn geleverd. E. OORZAKELIJK VERBAND 86. Zoals hierboven werd aangetoond, heeft Since Hardware zijn producten tijdens het OT tegen grove dumpingprijzen aangeboden, waardoor de prijzen van de bedrijfstak van de Unie sterk werden onderboden. Op die manier slaagde Since Hardware erin tijdens het OT veel grotere hoeveelheden te verkopen dan in bijvoorbeeld 2005 of 2006. Since Hardware heeft aldus de schade veroorzaakt die hierboven werd vastgesteld. 87. Volgens één importeur was de EUR/USD-wisselkoers de oorzaak voor de sterke aanwezigheid van de strijkplanken van Since Hardware op de markt van de Unie, en niet de dumpingpraktijken. Als dit waar zou zijn, had alle invoer die in Amerikaanse dollars moest worden betaald concurrentievoordelen gehad ten opzichte van goederen die in euro's werden gefactureerd. Zoals in de overwegingen 66 en 67 al werd gezegd, is de invoer van andere Chinese en Oekraïense producenten, die ook tegen dollars verkopen, tussen 2006 en het eind van het OT, de periode waarin de EUR/USD-wisselkoers vaak gewijzigd is, evenwel voortdurend gedaald, terwijl de invoer van Since Hardware in dezelfde periode sterk is toegenomen. Dit argument werd dan ook afgewezen. 88. Er werden verder geen opmerkingen ontvangen. De conclusie luidt derhalve dat er geen factor blijkt te zijn die het oorzakelijke verband tussen invoer met dumping door Since Hardware en het aandeel daarvan in de hierboven vastgestelde schade kan verbreken. F. BELANG VAN DE UNIE 89. Zoals in overweging 14 is vermeld, werkte één brancheorganisatie aan het onderzoek mee. Daarnaast werd aan de medewerkende producenten en importeurs in de Unie gevraagd om hun visie ten aanzien van de vraag of de instelling van een antidumpingrecht voor Since Hardware van invloed is op de conclusie over het belang van de Unie in de overwegingen 51 tot en met 62 van Verordening (EG) nr. 452/2007 van de Raad. 90. Volgens de producenten in de Unie is de instelling van een antidumpingrecht voor Since Hardware niet van invloed op de conclusies over het belang van de Unie in bovengenoemde verordening. 91. Volgens de medewerkende brancheorganisatie gaat de instelling van een antidumpingrecht voor Since Hardware normaliter ten koste van de winstgevendheid van de importeurs en de groot- en detailhandel. Zij laat evenwel weten dat haar leden, waartoe ook grote detailhandelaren behoren, bevestigen dat prijsverhogingen van het onderzochte product, zoals die in verband met antidumpingmaatregelen, kunnen worden doorberekend zonder dat dit de perceptie van de consumenten sterk beïnvloedt. Er werd dus geen concreet element naar voren gebracht dat de conclusies over het belang van de Unie in bovengenoemde twee verordeningen verandert. 92. Gezien bovenstaande overwegingen luidt de conclusie dat de instelling van een antidumpingrecht voor Since Hardware de conclusies over het belang van Unie in de overwegingen 51 tot en met 62 van Verordening (EG) nr. 452/2007 van de Raad niet wezenlijk beïnvloedt. Er werden geen redenen aangevoerd waarom die analyse niet mutatis mutandis van toepassing zou zijn op de instelling van een antidumpingrecht voor Since Hardware. G. OPMERKINGEN VAN BELANGHEBBENDEN NA DE MEDEDELING VAN FEITEN EN OVERWEGINGEN 93. Na de mededeling van de definitieve bevindingen werden mondelinge en schriftelijke opmerkingen ontvangen van de bedrijfstak van de Unie en van Since Hardware. De bedrijfstak van de Unie stemt in met de bevindingen. De opmerkingen van Since Hardware werden onderzocht, maar geen ervan leidde tot een wijziging van bovenstaande conclusies. De voornaamste argumenten van Since Hardware worden hieronder samengevat. 94. Since Hardware herhaalde zijn eerdere argumenten dat het in strijd met de wet zou zijn een oorspronkelijk onderzoek tegen één onderneming in te stellen en dat de bevindingen ten aanzien van de BMO onjuist zouden zijn. Deze argumenten zijn al in de overwegingen 6 tot en met 9 en 35 tot en met 43 besproken en weerlegd. Ten aanzien van enkele specifieke opmerkingen van Since Hardware over het eerste punt (waarvan er een aantal tijdens de hoorzitting naar voren werden gebracht) kan het volgende worden opgemerkt. 95. i) Since Hardware voerde aan dat de laatste zin van artikel 9, lid 3, van de basisverordening geen bepaling is waarbij een bepaling van de WTO ADO ten uitvoer wordt gelegd, zodat bevindingen van een WTO-panel er niet op van toepassing kunnen zijn. Artikel 9, lid 3, verplicht de instellingen echter niet om dumpingklachten tegen ondernemingen waarvoor bij een oorspronkelijk onderzoek geen of een minimale dumping was vastgesteld, door middel van een nieuw onderzoek te onderzoeken. Er wordt alleen gezegd dat dergelijke klachten "kunnen" worden onderzocht in een aansluitend nieuw onderzoek uit hoofde van artikel 11. Duidelijk is evenwel dat de Beroepsinstantie na de vaststelling van die bepaling in haar uitspraak in de Mexico-Beef and Rice -zaak heeft vastgesteld dat er in dat geval sprake zou zijn van een schending van de WTO ADO. Derhalve mogen en moeten[16] de instellingen gebruik maken van de flexibiliteit die inherent is aan het woord "kunnen", door dergelijke klachten niet in een nieuw onderzoek te onderzoeken. Dezelfde conclusie is al in minstens een eerder onderzoek getrokken[17]. 96. ii) Since Hardware herhaalde zijn standpunt dat de basisverordening geen oorspronkelijk onderzoek tegen één onderneming toestaat. In aanvulling op de overwegingen 7 en 8 kan nog het volgende worden opgemerkt. Veel van de door Since Hardware aangehaalde bepalingen zijn geformuleerd op een wijze die gebaseerd is op de normale situatie, namelijk een oorspronkelijk onderzoek tegen een land als geheel. Since Hardware heeft evenwel geen enkele bepaling kunnen aanwijzen die in de specifieke omstandigheden van deze zaak een oorspronkelijk onderzoek tegen slechts een onderneming verbiedt. 97. iii) Since Hardware voerde aan dat Verordening (EG) nr. 1515/2001 uitsluitend toestaat bestaande antidumpingmaatregelen met de uitspraken van de WTO in het kader van geschillenbeslechting in overeenstemming te brengen, en verder niets. Dit betekent in de eerste plaats dat Since Hardware geen bezwaar heeft tegen artikel 1 van deze verordening, waarbij Since Hardware formeel van het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 452/2007 wordt uitgesloten op een wijze die duidelijk maakt dat op basis van die verordening geen rechten op zijn invoer worden geheven. Wat de bewering van Since Hardware betreft dat Verordening (EG) nr. 1515/2001 niets anders toestaat, moet evenwel worden benadrukt dat deze verordening ook op de basisverordening is gebaseerd. In het bijzonder is zij gebaseerd op het feit, zoals hierboven is uitgelegd, dat niets in die verordening eraan in de weg staat dat gezien de specifieke omstandigheden van deze zaak een oorspronkelijk onderzoek tegen slechts een onderneming wordt uitgevoerd. Zoals Since Hardware voorstelde, zijn bepaalde formuleringen in de mededeling van feiten en overwegingen die wellicht verwarring hebben veroorzaakt, verwijderd. 98. iv) Volgens Since Hardware werd tegen het bedrijf gediscrimineerd, want zijns inziens zijn de bevindingen in de Mexico-Beef and Rice -zaak evenzeer van toepassing op ondernemingen die in een nieuw onderzoek een nulrecht krijgen. Het belangrijkste punt in dit verband is dat de uitspraak van de eerder genoemde Beroepsinstantie gewoonweg niet van toepassing is op die situatie. Die ondernemingen bevinden zich daarom niet in dezelfde situatie. 99. v) Since Hardware beweerde dat de Commissie feitelijk een nieuw onderzoek naar zijn nulrecht uitvoerde. Dit standpunt kan niet worden aanvaard. Ten eerste beperkt de hierboven uitgevoerde schadeanalyse, anders dan Since Hardware beweert, zich er niet toe te bevestigen dat tijdens het eerste onderzoek schade werd vastgesteld. De aandacht is daarentegen gericht op de werkelijke schadelijke effecten van het gedrag van Since Hardware voor de bedrijfstak van de Unie na dat onderzoek, waarbij er rekening mee wordt gehouden dat een normale schadeanalyse in dit geval niet mogelijk is. Ten tweede betekent het feit dat het recht eerder afloopt dan na de gebruikelijke vijf jaar niet dat het hierbij feitelijk om een nieuw onderzoek gaat. Bij heel wat onderzoeken is om uiteenlopende redenen een duur van minder dan vijf jaar vastgesteld. In deze zaak zijn de instellingen van mening dat Since Hardware niet de vruchten mag plukken van de dumpingpraktijken waarmee de onderneming na het eerste onderzoek is begonnen, maar anderzijds ook niet te lijden mag hebben van ongerechtvaardigde negatieve effecten. Wanneer bijvoorbeeld voor Verordening (EG) nr. 452/2007 van de Raad niet wordt verzocht om een nieuw onderzoek bij het vervallen van de maatregel, dan zou het discriminerend zijn om het recht voor Since Hardware na het vervallen van die verordening toch te handhaven. 100. vi) Volgens Since Hardware waren door de keuze voor een oorspronkelijk onderzoek zijn rechten geschonden omdat bij een nieuw onderzoek artikel 11, lid 9, van de basisverordening van toepassing zou zijn geweest (de verplichting om bij een nieuw onderzoek op dezelfde wijze te werk te gaan als bij het oorspronkelijke onderzoek). Since Hardware heeft echter geen enkel punt aangegeven waarop de instellingen anders te werk zouden zijn gegaan dan bij het eerste onderzoek. Ten tweede zou, zelfs wanneer Since Hardware wel had kunnen aangeven dat er anders te werk werd gegaan, dit het resultaat zijn van het feit dat ingevolge de Mexico-Beef and Rice -zaak de instellingen de klachten tegen Since Hardware alleen in een oorspronkelijk onderzoek mogen onderzoeken. 101. vii) Ten slotte voerde Since Hardware aan dat de instellingen de klachten in een nieuw, en niet in een oorspronkelijk, onderzoek hadden moeten onderzoeken, waarna zij, wanneer er een recht was ingesteld en de VRC dit recht met succes in een geschillenbeslechtingsprocedure van de WTO had aangevochten, dat recht weer zouden moeten intrekken, maar dan niet met terugwerkende kracht. Het zou echter duidelijk ongepast zijn de WTO-regels bewust te schenden, terwijl er, zoals in dit geval, een methode voor het onderzoeken van de zaak is die in overeenstemming is met de basisverordening, geïnterpreteerd in het licht van de WTO-regels. Onverminderd de geldigheid van dergelijke klachten is bovendien duidelijk dat een dergelijk optreden kan leiden tot schadeclaims van de betrokken ondernemingen tegen de instellingen. 102. Ten aanzien van de BMO-bevindingen voerde Since Hardware aan dat het een buitensporige bewijslast had om aan te tonen dat het aan de BMO-criteria voldeed, in het bijzonder wat de inmenging van de staat bij de prijzen van de belangrijkste grondstoffen betreft. Een BMO is echter een uitzondering op de algemene regel en elke afwijking van of uitzondering op de algemene regel moet strikt worden geïnterpreteerd. Een BMO kan alleen worden toegestaan wanneer wordt aangetoond dat de producent-exporteur in kwestie op marktvoorwaarden opereert. Zoals in overweging 39 al is vermeld, ligt de bewijslast bij de producent-exporteur die als marktgerichte onderneming wil worden aangemerkt. De aanvraag moet met voldoende bewijsmateriaal worden onderbouwd. De Commissie is niet verplicht te bewijzen dat de producent-exporteur niet aan de BMO-criteria voldoet. Zij moet beoordelen of het door de producent-exporteur aangedragen bewijsmateriaal toereikend is om aan te tonen dat wel aan de BMO-criteria is voldaan. Omdat de Commissie een aantal punten heeft vastgesteld die wijzen op een aanzienlijke staatsinmenging ten aanzien van de kosten van belangrijke productiemiddelen, moet de onderneming aantonen dat er geen sprake is van staatsinmenging en/of dat deze geen invloed had op de besluitvorming door de onderneming (eerste criterium van artikel 2, lid 7, onder c) van de basisverordening). Zoals in de overwegingen 33 en 42 is uiteengezet, is Since Hardware er ook niet in geslaagd aan te tonen dat het voldoet aan het tweede criterium van artikel 2, lid 7, onder c) van de basisverordening betreffende de boekhouding, waarvoor het een buitensporige bewijslast zou hebben. 103. Since Hardware heeft in zijn opmerkingen over de mededeling van de definitieve bevindingen ook nog twee nieuwe argumenten naar voren gebracht. Ten eerste moest de normale waarde volgens Since Hardware in overeenstemming met artikel 2, lid 10, onder k), van de basisverordening worden gecorrigeerd omdat de grondstoffen (producten van staal) in de VRC goedkoper zijn dan in het referentieland. Dit argument moet worden afgewezen. Er wordt aan herinnerd dat Since Hardware een BMO is ontzegd. Daarom wordt de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening vastgesteld op basis van de prijs of de berekende waarde in een derde land met een markteconomie. Dit impliceert per definitie dat de prijzen en kosten in de VRC als onbetrouwbaar voor de vaststelling van de normale waarde worden beschouwd en niet mogen worden gebruikt om de normale waarde vast te stellen of te corrigeren. Verder wordt opgemerkt dat de door Since Hardware verlangde correctie overeenkomstig artikel 2, lid 10, onder k), van de basisverordening niet mogelijk is als niet is aangetoond dat de afnemers wegens een verschil in de prijzen van de grondstoffen systematisch verschillende prijzen voor het soortgelijke product op de binnenlandse markt, in dit geval van het referentieland, betalen. Since Hardware heeft een dergelijk prijsverschil niet aangetoond. 104. Ten tweede zou de Commissie volgens Since Hardware in het onderhavige onderzoek geen voldoende gedetailleerde schadeanalyse hebben uitgevoerd. Ook werd aangevoerd dat de Commissie ingevolge artikel 3, lid 3, van de basisverordening alle schade-indicatoren had moeten onderzoeken. Opgemerkt zij evenwel dat de Commissie heeft vastgesteld (zie met name deel D) dat de invoer met dumping door Since Hardware in de beoordelingsperiode aanzienlijk is toegenomen, terwijl hun verkoopprijzen die van de bedrijfstak van de Unie ruimschoots onderboden. Deze bevinding is gebaseerd op een objectief onderzoek van positief bewijsmateriaal. Zij is dus in overeenstemming met artikel 3 van de basisverordening. 105. Het is juist dat niet alle in artikel 3, lid 5, van de basisverordening genoemde factoren zijn onderzocht. Er moet evenwel op worden gewezen dat toen er nog geen sprake was van invoer met dumping door Since Hardware, tijdens het eerste onderzoek dus, door een onderzoek van die factoren wel werd vastgesteld dat de invoer met dumping uit de VRC schade veroorzaakte. Een herhaald onderzoek van die factoren zou zinloos zijn geweest, want zelfs als al deze factoren nu positief waren geweest, dan was dat (ten minste ten dele) te danken aan het feit dat de bedrijfstak van de Unie nu beschermd is tegen alle[18] uitvoer met dumping uit de VRC en Oekraïne (met uitzondering van die door Since Hardware). Bovendien is er geen enkel factor vastgesteld die het oorzakelijke verband tussen de invoer met dumping van strijkplanken van Since Hardware en de negatieven gevolgen ervan voor de bedrijfstak van de Unie verbreekt. Ten slotte zou het niet-instellen van maatregelen tegen Since Hardware discriminerend zijn jegens de producenten-exporteurs tegen wie na het eerste oorspronkelijke onderzoek een maatregel werd ingesteld. H. DEFINITIEVE ANTIDUMPINGMAATREGELEN 106. Gezien bovenstaande conclusies over de dumping, het hieruit voortvloeiende aandeel in de schade, het oorzakelijke verband en het belang van de Unie moeten definitieve maatregelen ten aanzien van het door Since Hardware vervaardigde betrokken product uit de VRC worden ingesteld. 1. Schademarge 107. De definitieve antidumpingrechten moeten hoog genoeg zijn om te voorkomen dat de invoer met dumping nog schade aan de bedrijfstak van de Unie toebrengt, maar mogen het niveau van de vastgestelde dumpingmarges niet overschrijden. Zoals in overweging 74 is vermeld, werd vastgesteld dat de prijzen van de bedrijfstak van de Unie in het OT over de gehele linie verlies opleverden. Daarom moet het recht niet tot de prijsonderbiedingsmarge worden beperkt. 108. Bij de berekening van de hoogte van het recht dat nodig is om de gevolgen van de schade veroorzakende dumping te neutraliseren, werd geoordeeld dat de maatregelen de bedrijfstak van de Unie in staat moeten stellen zijn kosten te dekken en een winst voor belastingen te maken die in normale concurrentieomstandigheden, d.w.z. zonder invoer met dumping, redelijkerwijze kan worden gemaakt. Voor deze berekening werd gebruikgemaakt van een winstmarge voor belastingen van 7% van de omzet. Zoals in overweging 63 van Verordening (EG) nr. 452/2007 van de Raad werd vermeld, werd in de loop van het eerste onderzoek aangetoond dat dit het winstpeil was dat zonder schade veroorzakende dumping mocht worden verwacht. Op basis hiervan werd voor het soortgelijke product van de bedrijfstak van de Unie een prijs berekend die geen schade veroorzaakt. Daartoe werd bij de bedrijfstak van de Unie informatie verzameld voor de berekening van het gewogen gemiddelde van hun werkelijke winst-/verliesmarge gedurende het OT. De prijs waarbij geen schade wordt geleden, werd berekend door de werkelijke winst-/verliesmarge van de bedrijfstak van de Unie af te trekken van hun verkoopprijzen en er bovenvermelde streefwinstmarge van 7% bij op te tellen. 109. De noodzakelijke prijsstijging werd vervolgens vastgesteld door de gewogen gemiddelde invoerprijs, zoals vastgesteld voor de berekening van de prijsonderbieding, te vergelijken met de gemiddelde geen schade veroorzakende prijs van de door de bedrijfstak van de Unie op de markt van de Unie verkochte producten. Het verschil dat uit deze vergelijking naar voren kwam, werd vervolgens uitgedrukt in een percentage van de gemiddelde cif-waarde van de invoer. Op die manier werd een schademarge van 35,8% vastgesteld, wat minder is dan de voor Since Hardware vastgestelde dumpingmarge. 2. Uitsluiting van Since Hardware van de definitieve antidumpingmaatregelen die werden ingesteld bij Verordening (EG) nr. 452/2007 van de Raad 110. In het kader van het nieuwe onderzoek uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1515/2001 en in het licht van het verslag Mexico - Beef and Rice van de WTO-Beroepsinstantie (AB-2005-6), in het bijzonder van de punten 305 en 306, moet Since Hardware worden uitgesloten van de bij Verordening (EG) nr. 452/2007 ingestelde definitieve antidumpingmaatregel. In het licht van de conclusies van dit onderzoek, dat namelijk een antidumpingrecht voor Since Hardware moet worden ingesteld (zie punt 7.3), is een nieuwe maatregel mede onontbeerlijk om ervoor te zorgen dat Since Hardware niet gelijktijdig onder twee antidumpingverordeningen valt. 111. Daarom kan voor Since Hardware een nieuwe maatregel worden ingesteld. 3. Vorm en niveau van de maatregel 112. Gezien het voorgaande wordt overeenkomstig artikel 9, lid 4, van de basisverordening geoordeeld dat op het betrokken product van oorsprong uit de VRC en vervaardigd door Since Hardware definitieve antidumpingrechten moeten worden ingesteld op het niveau van de dumpingmarge. 113. Op grond van bovenstaande overwegingen bedraagt het definitieve recht op de betrokken producten 35,8%. 114. In overeenstemming met artikel 11, lid 2, van de basisverordening gelden antidumpingmaatregelen normaliter voor vijf jaar, tenzij specifieke redenen of omstandigheden aanleiding geven tot een kortere periode. In de onderhavige zaak wordt het dienstig geacht de maatregel te laten aflopen op het moment waarop de bij Verordening (EG) nr. 452/2007 ingestelde antidumpingmaatregelen met betrekking tot invoer van het betrokken product van oorsprong uit onder meer de VRC vervallen. Daardoor is het mogelijk om verzoeken om een nieuw onderzoek bij het vervallen van de van kracht zijnde maatregelen met betrekking tot alle invoer van oorsprong uit onder meer de VRC gezamenlijk te behandelen. Uiteraard kunnen de betrokken marktdeelnemers, en in het bijzonder Since Hardware en/of de bedrijfstak van de Unie, ook al voor 27 april 2012 om een nieuw onderzoek van deze verordening vragen, en meer speciaal om een tussentijds nieuw onderzoek, mits aan alle eisen dienaangaande is voldaan. 115. Verzoeken in verband met de toepassing van dit individuele antidumpingrecht voor Since Hardware (bv. na een naamswijziging of na de oprichting van nieuwe productie- of verkoopmaatschappijen) dienen onverwijld aan de Commissie[19] te worden gericht, onder opgave van alle relevante gegevens, met name indien de naamswijziging of de wijziging met betrekking tot de productie- of verkoopmaatschappijen verband houdt met wijzigingen in de activiteiten van de onderneming op het gebied van de productie en de verkoop in binnen- en buitenland. Zo nodig wordt deze verordening dienovereenkomstig gewijzigd, HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD: Artikel 1 In de tabel in artikel 1, lid 2, van Verordening (EG) nr. 452/2007 wordt de regel betreffende Since Hardware (Guangzhou) Co., Ltd. geschrapt en wordt de regel "Alle andere ondernemingen" vervangen door "Alle andere ondernemingen (behalve Since Hardware (Guangzhou) Co., Ltd., Guangzhou – aanvullende TARIC-code A784)". Artikel 2 Er wordt een definitief antidumpingrecht ingesteld op strijkplanken, al dan niet op poten, al dan niet met een stoomafzuigend, verwarmd en/of blazend werkblad, met inbegrip van mouwplanken, en belangrijke onderdelen daarvan, zoals de poten, het werkblad en de strijkijzersteun (het treefje), die vallen onder de GN-codes ex 3924 90 00, ex 4421 90 98, ex 7323 93 90, ex 7323 99 91, ex 7323 99 99, ex 8516 79 70 en ex 8516 90 00 (TARIC-codes 3924 90 00 10, 4421 90 98 10, 7323 93 90 10, 7323 99 91 10, 7323 99 99 10, 8516 79 70 10 en 8516 90 00 51), van oorsprong uit de Volksrepubliek China en vervaardigd door Since Hardware (Guangzhou) Co., Ltd. Artikel 3 1. Het definitieve antidumpingrecht dat van toepassing is op de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring, van de door onderstaande onderneming vervaardigde producten bedraagt: Fabrikant | Recht | Aanvullende TARIC-code | Since Hardware (Guangzhou) Co., Ltd., Guangzhou | 35,8 % | A784 | 2. Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing. Artikel 4 Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie . Tenzij er een nieuw onderzoek uit hoofde van artikel 11 van Verordening (EG) nr. 1225/2009 plaatsvindt, is deze verordening van kracht tot 27 april 2012. Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat. Gedaan te Brussel, Voor de Raad De voorzitter [1] PB L 343 van 22.12.2009, blz. 51. [2] PB L 201 van 26.7.2001, blz. 10. [3] PB L 109 van 26.4.2007, blz. 12. [4] Uitvoeringsverordening (EU) nr. 270/2010 van de Raad van 29 maart 2010 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 452/2007 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op strijkplanken van oorsprong uit onder meer de Volksrepubliek China, PB L 84 van 31.3.2010, blz. 13. [5] PB C 237 van 2.10.2009, blz. 5. [6] Mexico – Definitive Anti-dumping Measures on Beef and Rice, Report of the Appellate Body, WT/DS295/AB/R, 29 November 2005. [7] Punten 305 en 306. [8] Punten 216, 217 en 218. [9] Punt 305. [10] Overweging 4 van Verordening (EG) nr. 1515/2001 van de Raad. [11] Zie overweging 57 tot en met 60. [12] Zie bijvoorbeeld "The State-Business Nexus in China’s Steel Industry — Chinese Market Distortions in Domestic and International Perspective", Prof. Dr. Markus Taube & Dr. Christian Schmidkonz van THINK!DESK China Research & Consulting, 25 februari 2009; de studie van de kamer van koophandel van de EU in China van november 2009, waarin Roland Berger de aandacht vestigt op de overcapaciteit als gevolg van onder meer staatsinmenging (http://www.euccc.com.cn/view/static/?sid=6388); "Money for Metal: A detailed Examination of Chinese Government Subsidies to its Steel Industry, Wiley Rein LLP, juli 2007; "China Government Subsidies Survey", Anne Stevenson-Yang, februari 2007; "Shedding Light on Energy Subsidies in China: An Analysis of China’s Steel Industry from 2000-2007", Usha C.V. Haley; "China's Specialty Steel Subsidies: Massive, Pervasive and Illegal", the Specialty Steel Industry of North America; "The China Syndrome: How Subsidies and Government Intervention Created the World’s Largest Steel Industry", Wiley Rein & Fielding LLP, juli 2006. [13] Bron: Steel Business Briefing. [14] Hoewel deze bevinding, tezamen met de andere bevindingen met betrekking tot de beoordelingsperiode, al volstaat om schade vast te stellen, wordt deze nog eens bevestigd door het feit dat in vergelijking met het OT voor het eerste onderzoek de omvang van de invoer van door Since Hardware vervaardigde strijkplanken, die ten tijde van het OT van het eerste onderzoek al groot was, in het huidige OT ongeveer is verdubbeld. [15] Hoewel ook deze bevinding, tezamen met de andere bevindingen met betrekking tot de beoordelingsperiode, al volstaat om schade vast te stellen, wordt deze nog eens bevestigd door het feit dat het marktaandeel van Since Hardware tussen het OT van het eerste onderzoek en het huidige OT met 89% toenam. [16] In het licht van de verplichting EU-recht zoveel mogelijk in overeenstemming met de internationale verplichtingen van de EU te interpreteren. [17] Gelaste stalen buizen uit onder meer Turkije, betreffende de onderneming Noksel, PB L 343 van 19.12.2008, overweging 143. [18] Gedurende een bepaalde periode werd als gevolg van de vernietiging door het Hof van Verordening (EG) nr. 452/2007 van de Raad, voor zover het Foshan Shunde betrof, feitelijk een nulrecht op die onderneming toegepast, maar dat maakt geen groot verschil, in het bijzonder omdat dit pas een aantal jaren na de inwerkingtreding van de verordening speelde. [19] Europese Commissie, directoraat-generaal Handel, directoraat H, kamer N-105 4/92, 1049 Brussel, België.