/* COM/2010/0658 def. - NLE 2010/0324 */ Voorstel voor een VERORDENING VAN DE RAAD tot vaststelling, voor 2011, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de EU-wateren en, voor EU-vaartuigen, in bepaalde wateren buiten de EU, van toepassing zijn
Brussel, 10.11.2010 COM(2010) 658 definitief 2010/0324 (NLE) Voorstel voor een VERORDENING VAN DE RAAD tot vaststelling, voor 2011, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de EU-wateren en, voor EU-vaartuigen, in bepaalde wateren buiten de EU, van toepassing zijn TOELICHTING 1. Achtergrond van het voorstel | Motivering en doel van het voorstel Elk jaar neemt de Raad van Ministers een besluit over de vangstmogelijkheden voor de bestanden in de Atlantische Oceaan, de Noordzee en internationale wateren waarin EU-vaartuigen actief zijn. Qua aantal gereguleerde bestanden is dit de belangrijkste verordening tot vaststelling van de vangstmogelijkheden. Evenals de verordeningen tot vaststelling van de vangstmogelijkheden voor de Baltische Zee, de Zwarte Zee en de diepzeebestanden (deze laatste om de twee jaar) voorzien deze verordeningen in een beperking van de vangsten tot niveaus die in overeenstemming moeten zijn met de algemene doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid. Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid[1] voorziet in de doelstellingen voor de jaarlijkse voorstellen voor vangst- en inspanningsbeperkingen die ervoor moeten zorgen dat de visserij in de EU vanuit ecologisch, economisch en sociaal oogpunt duurzaam verloopt. De bij deze verordeningen vastgestelde vangstmogelijkheden zijn een afspiegeling van het succes van het beleid in zijn geheel. De instrumenten van de Unie ter verwezenlijking van de doelstellingen van het beleid moeten er samen voor zorgen dat de hulpbronnen van de Europese visserijen op een passend niveau worden geëxploiteerd en niet worden overbevist. Dit beheer is niet alleen het resultaat van de beperking van de vangstmogelijkheden. Ook het vlootbeleid en de controle van visserijactiviteiten, om maar twee gebieden te noemen waarop het gemeenschappelijk visserijbeleid actief regelgevende maatregelen ontwikkelt, kunnen in dit verband een beslissende rol spelen. Het belangrijkste kenmerk van de jaarlijkse vaststelling van de vangstmogelijkheden is het kortetermijnkarakter ervan. Dit heeft voornamelijk te maken met historische redenen, en met name met de manier waarop het GVB de verdeling van de maritieme ruimte en de hulpbronnen over de nationale vloten van de EU regelt. Het is van groot belang dit jaarlijks proces ten behoeve van een overeenkomst op EU-niveau te handhaven als basis van het beleid. Dit staat de invoering van een langetermijnbeheer evenwel niet in de weg. De Europese Unie heeft in dit verband aanzienlijke vooruitgang geboekt: de uit commercieel oogpunt belangrijkste bestanden vallen nu onder meerjarige beheersplannen waarmee de jaarlijkse TAC's en maximale inspanningsniveaus in overeenstemming moeten zijn. Algemeen wordt aangenomen dat meerjarenplannen resultaat opleveren, aangezien de meeste aldus gereglementeerde bestanden het beter doen dan de andere. Met name in tijden van schaarste is een langetermijnperspectief noodzakelijk om een zinvol beleid ten uitvoer te kunnen leggen en een reële kans te hebben om de gestelde doelstellingen te verwezenlijken. Sinds vijf jaar publiceert de Commissie in dit verband een jaarlijkse mededeling met een evaluatie van de stand van zaken met betrekking tot de situatie waarop de voorstellen voor vangstmogelijkheden moeten inspelen. Dit jaar bevat de mededeling van de Commissie "Raadpleging over de vangstmogelijkheden voor 2011" (COM(2010)241 definitief) ook goed nieuws: de toestand van een aantal bestanden is verbeterd. Voor veel visbestanden wordt evenwel opnieuw aanbevolen de vangst stil te leggen of tot het laagst mogelijke niveau te beperken. Veel bestanden bevinden zich buiten biologisch veilige grenzen. Ondanks de instandhoudingsmaatregelen in het kader van het GVB behoren te veel bestanden tot deze kwetsbare categorieën en hebben te weinig bestanden zich hersteld. De analyse bevestigt dat de instandhoudingsmaatregelen voor overbeviste visbestanden moeten worden aangescherpt. Uit het advies van de Internationale Raad voor het Onderzoek van de Zee (ICES) en het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) voor 2011 komt eens te meer naar voren dat de toestand van een groot aantal visbestanden in de EU-wateren deplorabel is. Voor bepaalde bestanden zoals heek, tong en zeeduivel wordt evenwel melding gemaakt van verbeteringen. Op verzoek van de Commissie brengt de ICES advies uit over een beheersstrategie om tegen 2015 de maximale duurzame opbrengst (MSY) te bereiken. De Unie heeft zich hiertoe verbonden met de onderschrijving van de conclusies van de wereldtop over duurzame ontwikkeling (Johannesburg 2002) en het bijbehorende uitvoeringsplan. | Algemene context De vaststelling en verdeling van vangstmogelijkheden is een exclusieve bevoegdheid van de Unie. De plicht van de EU om de levende aquatische rijkdommen op duurzame wijze te exploiteren, vloeit voort uit de verplichtingen die zijn vastgelegd in artikel 2 van Verordening (EG) nr. 2371/2002. Door de Unie vastgestelde vangstmogelijkheden voor grensoverschrijdende en over grote afstanden trekkende soorten moeten in overeenstemming zijn met internationale overeenkomsten, onder andere de overeenkomst van de Verenigde Naties betreffende de instandhouding en het beheer van grensoverschrijdende bestanden en bestanden van over grote afstanden trekkende soorten. Met dit voorstel worden de instandhoudingsmaatregelen (zowel vangst- als inspanningsbeperkingen) die de Unie met haar internationale tegenhangers voor dergelijke bestanden is overeengekomen, omgezet in EU-recht voor zover zij kunnen worden vertaald in vangstmogelijkheden. Voor bestanden waarvan het beheer uitsluitend onder de bevoegdheid van de Unie valt, beantwoorden de voorgestelde vangstmogelijkheden aan het de Commissie verstrekte wetenschappelijk advies inzake de visstand op basis waarvan vangstbeperkingen in overeenstemming met meerjarige beheersplannen worden vastgesteld. Voor bestanden die niet onder dergelijke plannen vallen, beantwoorden de voorgestelde TAC's aan het wetenschappelijk advies zoals uiteengezet in mededeling COM(2010)241 definitief. In de mededeling wordt een reeks beheersopties uiteengezet die passend worden geacht voor de verschillende scenario's die uit het wetenschappelijk advies kunnen voortvloeien naargelang van de toestand van het bestand (van "duurzaam geëxploiteerd" tot "leeggevist") of van de vastgestelde trends (wanneer een precieze evaluatie op basis van de beschikbare gegevens niet mogelijk is). De bestanden zijn ingedeeld in categorieën. Vervolgens zijn aan elk van deze categorieën regels voor de vaststelling van vangst- en inspanningsbeperkingen toegewezen. Wetenschappelijk advies berust hoofdzakelijk op gegevens. Alleen bestanden waarvoor voldoende en betrouwbare gegevens beschikbaar zijn, kunnen worden geëvalueerd met het oog op schattingen van de omvang en prognoses over hoe zij zullen reageren op de diverse exploitatiescenario's ("vangstopties"). Dit is slechts het geval voor een aantal gereglementeerde bestanden. Voor de overige bestanden moet het beheer gebaseerd zijn op min of meer betrouwbare trends die worden afgeleid uit indicatoren zoals aangegeven vangsten. In sommige gevallen kunnen wetenschappers door het gebrek aan betrouwbare gegevens zelfs geen advies op basis van trends uitbrengen. In al deze gevallen moet de Raad vangstmogelijkheden op basis van de voorzorgsaanpak vaststellen en zodoende instandhoudingsmaatregelen ten uitvoer leggen. Gezien de diverse belangen die op het spel staan, is deze aanpak soms moeilijk te realiseren. De Commissie is evenwel verplicht haar voorstellen op dit beginsel te baseren. Het is met name van essentieel belang om strak de hand te houden aan de regel dat de visserijdruk niet mag worden verhoogd, tenzij uit wetenschappelijk advies blijkt dat dit mogelijk is zonder schadelijke gevolgen voor het betrokken bestand. | Bestaande bepalingen op het door het voorstel bestreken gebied De bestaande bepalingen op het door het voorstel bestreken gebied verlopen op 31 december 2010, met uitzondering van een aantal inspanningsbeperkingen die van toepassing zijn tot en met 31 januari 2011. | Samenhang met andere beleidsgebieden en doelstellingen van de Unie De voorgestelde maatregelen zijn opgesteld overeenkomstig de doelstellingen en de voorschriften van het gemeenschappelijk visserijbeleid en zijn in overeenstemming met het beleid van de Unie inzake duurzame ontwikkeling. | 2. Raadpleging van belanghebbende partijen en effectbeoordeling | Raadpleging van belanghebbende partijen | Wijze van raadpleging, belangrijkste geraadpleegde sectoren en algemeen profiel van de respondenten Bij het opstellen van het voorstel is rekening gehouden met het overleg dat heeft plaatsgevonden met het Raadgevend Comité voor de visserij en de aquacultuur (het "RCVA", dat is samengesteld uit vertegenwoordigers van de beroepsorganisaties in de productiesector, de verwerkende industrie en de visserij- en aquacultuurbedrijven, en van niet-beroepsorganisaties die consumenten-, milieu- en ontwikkelingsbelangen behartigen) en met de regionale adviesraden (RAR's) met een belang in de visserijtakken waarop het voorstel betrekking heeft. Basis voor het overleg was de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement "Verbetering van de raadpleging inzake het communautaire visserijbeheer" (COM(2006) 246 definitief), waarin de beginselen van het zogenoemde "front-loadingproces" (vroegtijdige consultatie) zijn uiteengezet. In het kader hiervan heeft de Commissie vier raadplegingsdocumenten over specifieke voor dit voorstel relevante onderwerpen ontwikkeld: ruimtelijk gestructureerd beheer van langoustine in zone VII; gescheiden TAC-gebieden voor schol in VIId en VIIe; beheer van de visserijinspanning in zone VIIfg: een op het ecosysteem gebaseerde aanpak; beheersbeslissingen in verband met onzekerheden in bestanden van categorie 11. De eerste twee documenten betreffen technische aanpassingen aan de ruimtelijke uitvoering van vangstbeperkingen en de berekeningen die nodig zijn om de quota van de lidstaten hierop af te stemmen. Het derde document heeft betrekking op de invoering van een maximum voor de inspanning naar aanleiding van het algemene advies om de visserijinspanning voor bestanden in de Keltische Zee te bevriezen of te verminderen. In het laatste document wordt ingegaan op een mogelijke aanpak voor beheersbeslissingen ten behoeve van bestanden waarover wetenschappers bij gebrek aan passende gegevens geen advies kunnen uitbrengen. Deze aanpak wordt besproken met het oog op het voorstel voor 2012. De tenuitvoerlegging ervan moet namelijk eerst worden bekeken in het kader van het wetenschappelijk advies in de eerste helft van 2011. Deze "frontloading"-documenten zijn voorgelegd aan de lidstaten en als feedback toegezonden aan de ROVB's. Op 14 oktober heeft de Commissie een gezamenlijke vergadering met de RCVA en de RAR's georganiseerd, voorafgegaan door een open seminar (met medewerking van de lidstaten, leden van het Parlement, visserijdeskundigen, belanghebbenden, de pers en het publiek) op 14 september, voor een presentatie en bespreking van de resultaten van het wetenschappelijk advies en de belangrijkste implicaties daarvan. Het raadplegingsproces was eveneens gebaseerd op de mededeling van de Commissie "Raadpleging over de vangstmogelijkheden voor 2011" (COM(2010)241 definitief.), waarin de Commissie in afwachting van het wetenschappelijk advies over de visstand voor 2011 haar visie en voornemens met betrekking tot haar voorstellen voor de vangstmogelijkheden toelicht. | Samenvatting van de reacties en de manier waarop daarmee rekening is gehouden Terwijl het frontloadingsproces gericht is op technische aspecten, weerspiegelen de antwoorden op de raadpleging van de Commissie inzake de vangstmogelijkheden de standpunten van de lidstaten en de belanghebbenden over de evaluatie van de Commissie betreffende de visstand en de manier waarop adequaat kan worden opgetreden. In dit verband hebben vier lidstaten en 4 regionale adviesorganen hun standpunten over de mededeling van de Commissie kenbaar gemaakt. De door elk van de RAR's naar voren gebrachte standpunten kunnen als volgt worden samengevat: RAR Zuidwestelijke wateren: Steunt het MSY-streefdoel en betreurt dat de Commissie niet reeds eerder stappen in die richting heeft ondernomen. De tenuitvoerlegging zou in een gemengde visserij in een op het ecosysteem gebaseerde context moeten plaatsvinden. De RAR betreurt evenwel dat deze aanpak zal resulteren in aanzienlijker TAC-verlagingen voor bestanden in de categorieën 2 en 3 dan voorheen. Met betrekking tot het delegeren van individuele TAC-besluiten aan de lidstaten vindt de RAR dat een mechanisme voor sectorale raadpleging moet worden ingesteld, en dat delegatie alleen niet toereikend is. Steunt meerjarenplannen, voor zover deze technische maatregelen, capaciteits- en inspanningsbeperkingen, enz… omvatten en in een regionaal kader worden ontwikkeld. Wijst op het probleem van ontbrekende wetenschappelijke informatie. Trekt de inspanningsgegevens voor het zuidelijk heekbestand in twijfel. Is het er niet mee eens dat voor de categorieën 6 en 9 op gemiddelde vangstniveaus wordt overgestapt. RAR Noordwestelijke wateren: Neemt nota van de wettelijke verplichting van de EU om het MSY-streefdoel te halen. In het licht van de wetenschappelijke onzekerheden en het gebrek aan gegevens zal de Commissie keuzes moeten maken in de richting van de voorzorgsaanpak. Net zoals de RAR voor de zuidwestelijke wateren vreest de RAR voor de noordwestelijke wateren dat dit voor bestanden van de categorieën 2 en 3 zal resulteren in aanzienlijker TAC-verlagingen dan in de afgelopen jaren. De brancheleden van de RAR zien in dat het onmogelijk is de sociaaleconomische gevolgen van de voorstellen die voor 2011 op basis van het nieuwe beginsel voor elk bestand zijn opgesteld, voor alle vissers te evalueren. Zij wijzen er niettemin op dat een dergelijke evaluatie wel noodzakelijk is wanneer een ingrijpende verandering in de koers van het beleid wordt opgelegd. Met betrekking tot het beheer van de Keltische Zee verkiest de RAR voor de Noordwestelijke wateren een capaciteitsbeperking boven een inspanningsbeperking. Met betrekking tot het beheer van schol in de deelsectoren VIId en VIIe is de RAR het niet eens met de voorgestelde opdeling van de TAC's vanwege de vermenging van beide bestanden, en is hij van oordeel dat de bij deze visserijen betrokken lidstaten het best geplaatst zijn om de TAC's zo te beheren dat de duurzaamheidsdoelstellingen worden bereikt. De RAR stelt voor dat een geïntegreerd visserijbeheersplan voor de visserij op langoustine in VIIa wordt ontwikkeld dat ook betrekking moet hebben op de instandhouding van wijting en tong, aangezien dit bijvangsten in deze visserijen zijn. Pelagische RAR Had het op prijs gesteld als de Commissie een positiever beeld van de pelagische bestanden had geschetst. Steunt het MSY-kader van de ICES. Had graag de bevestiging gekregen dat de TAC's voor pelagische soorten in overeenstemming met wetenschappelijke adviezen worden vastgesteld. Zet zich verder in voor een verbetering van de gegevens. Is voorstander van een langetermijnplan voor haring in de westelijke Oostzee. Betreurt de vertraging bij de goedkeuring van het meerjarenplan voor westelijke horsmakreel. Neemt nota van de noodzaak om de schattingen van de visserijsterfte in overeenstemming met MSY (Fsmy) te herzien. Betreurt dat geen sociaaleconomische analyses zijn verricht. RAR voor de Noordzee Geeft de voorkeur aan een meersoorten- en ecosysteemaanpak. Is gekant tegen de verlaging met 25% voor bestanden in de categorieën 2 en 10, die slechts 15% zou mogen bedragen. In plaats van te streven naar de Fmsy-waarde in 4 gelijke stappen tegen 2015, verdient het de voorkeur enige flexibilteit te bewaren. Drukt zijn bezorgdheid uit over het grote aantal bestanden waarvoor onvoldoende gegevens beschikbaar zijn, en pleit voor het gebruik van de gegevens van vissers. Stelt dat aanhoudende inspanningsverminderingen teruggooi veroorzaken. Betreurt dat geen sociaaleconomische analyses voor tussentijdse besluiten zijn verricht. Wenst dat belanghebbenden worden betrokken bij initiatieven voor de overdracht van verantwoordelijkheden. Preciseert met betrekking tot de maximale inspanningsniveaus voor diepzeesoorten dat de maxima worden vastgesteld op basis van de vangstcijfers van elke afzonderlijke lidstaat. Is gekant tegen verlagingen voor de bestanden van "categorie 11". * * * De belanghebbenden houden vast aan het beginsel dat eventuele wijzigingen in de jaarlijkse TAC’s en quota geleidelijk worden ingevoerd, zodat de verstoring van de economische activiteit die dergelijke maatregelen op korte termijn met zich meebrengen, tot een minimum wordt beperkt. Zoals blijkt uit de onderstaande gedetailleerde toelichting, is het voorstel in overeenstemming met het beginsel van een geleidelijke aanpassing en van een beperking van de jaarlijkse wijzigingen van de vangstmogelijkheden, voor zover dit mogelijk was zonder de toestand van kwetsbare bestanden te verslechteren. De belanghebbenden maken ook hun standpunt kenbaar met betrekking tot de doelstelling om de bestanden te herstellen tot niveaus die de maximale duurzame opbrengst kunnen produceren overeenkomstig de verbintenis die de Unie tijdens de wereldtop over duurzame ontwikkeling van Johannesburg in 2002 is aangegaan. Zij zijn het in grote lijnen eens met die doelstelling, maar betreuren dat de ontwikkeling van een geleidelijke aanpak om deze in 2015 te bereiken, pijnlijk kan zijn voor de sector omdat er nog maar nog maar 5 jaar tijd is om te handelen. Zij verwachten dat hun vangstverwachtingen voor bestanden in een vrij gunstige staat van instandhouding door de nodige aanpassingen lager zullen liggen. Voor dergelijke bestanden kan de MSY-doelstelling, in tegenstelling tot vangstniveaus die er louter op gericht zijn het bestand binnen veilige biologische grenzen te houden, namelijk een beperking van de vangsten vereisen om de voordelen van de betere toestand ervan te maximaliseren. Voor bestanden waarvoor een toereikende technische basis voor een dergelijke strategie aanwezig is, is de door de ICES voorgestelde aanpak gevolgd, die voorziet in een stapsgewijze overgang naar MSY, doch met extra waarborgen voor bestanden die zich op een laag niveau bevinden. Uitvoering geven aan de standpunten van de RAR's met betrekking tot bestanden in relatief goede toestand, zou betekenen dat moet worden afgezien van de doelstelling van Johannesburg, en dit juist voor de bestanden waarvoor deze het meest haalbaar lijkt. De belanghebbenden zijn het eens over de noodzaak om verantwoordelijkheid over te dragen naar de sector. In alle antwoorden wordt gewezen op de behoefte aan betere gegevens, en wordt voorgesteld dat de visserijsector een actievere rol gaat spelen bij het doorspelen van dergelijke gegevens aan wetenschappers. Overdracht van verantwoordelijkheid impliceert evenwel dat de gevolgen van niet-optreden door de sector moeten worden gedragen. Deze gevolgen zijn af te lezen uit de ontwikkeling van de visstand. Wanneer deze niet verbetert, moeten de vangstmogelijkheden op een laag niveau worden gehandhaafd of zelfs verder worden verlaagd. | Bijeenbrengen en benutten van deskundigheid | Betrokken wetenschaps- en kennisgebieden Biologie en economie in de visserijsector. | Gebruikte instrumenten De Commissie heeft de ICES, een onafhankelijke, internationale wetenschappelijke instantie, geraadpleegd en heeft de plenaire vergadering van het WTECV georganiseerd. Het advies van de ICES is gebaseerd op een advieskader dat binnen de ICES is ontwikkeld en dat wordt gebruikt overeenkomstig de verzoeken van hun cliënten, waartoe ook de Commissie behoort. Het WTECV brengt zijn advies uit op basis van de door de Commissie verstrekte taakomschrijving. | Belangrijkste geraadpleegde organisaties en deskundigen - Internationale Raad voor het Onderzoek van de Zee (ICES). -Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV). | Samenvatting van de ingewonnen en benutte adviezen De ICES heeft in 2010 voor het eerst drie opties in haar advies voorgesteld: tenuitvoerlegging van het kader voor de voorzorgsaanpak en historische continuïteit; onmiddellijke toepassing van het MSY-kader van de ICES; geleidelijke tenuitvoerlegging van het MSY-kader van de ICES die tot een volledige tenuitvoerlegging vanaf 2015 moet leiden (zoals overeengekomen op de wereldtop in Johannesburg). Naast deze opties wordt ook de informatie verstrekt die nodig is om de in mededeling COM(2010)241 definitief vastgestelde regels toe te passen, inclusief de geleidelijke overgang van de huidige visserijsterftecoëfficiënten naar coëfficiënten die in overeenstemming zijn met MSY (Fmsy) tegen 2015. Per gebied kunnen de belangrijkste punten van het advies als volgt worden samengevat: Noordzee, Skagerrak en Kattegat (ICES-gebieden IIa (EU-wateren), III en IV) Voor schol zijn geringe verhogingen mogelijk. Voor tong, haring, langoustine, schelvis, wijting en koolvis zijn geringe verlagingen noodzakelijk. De visserijsterfte voor kabeljauw neemt toe sinds 2007 en het bestand bevindt zich nog steeds onder de grenswaarde voor de biomassa, ondanks maatregelen om de teruggooi te beperken. De geschatte vangsten liggen ongeveer driemaal hoger dan de quota. Haring en schelvis worden nog steeds in overeenstemming met MSY gevangen. Wateren ten westen van Schotland en ten noorden van Ierland (ICES-gebied VI) Door de demersale visserij in dit gebied is het morenebestand bijna opgevist, zodat vrijwel alleen langoustine, zeeduivel en scharretong overblijven. Zeeduivel: uit nieuwe onderzoeken blijkt een vermindering van de dichtheid sinds 2007 en van de biomassa sinds 2009. Dit wijst op de noodzaak om categorie 7 en een TAC-verlaging met 15% toe te passen. De toestand van de morenebestanden is nog steeds problematisch. Ondanks de (zeer betwiste) nieuwe technische maatregelen voor het westen van Schotland bedroeg de teruggooi voor schelvis in 2009 nog steeds 66%. Schelvis ligt nog steeds beduidend onder Blim. Het wijtingbestand is ingestort; de kabeljauwbestanden zijn licht toegenomen maar liggen ook nog steeds beduidend onder Blim. Het advies voor langoustine is opnieuw restrictief en impliceert een verlaging met 15%. De kennisbasis is ontoereikend door onbetrouwbare vangstmeldingen. Het kabeljauwplan voorziet in verdere TAC- en inspanningsverlagingen met 25%. Ierse Zee (ICES-gebied VIIa) De situatie is ongewijzigd ten opzichte van vorig jaar: aanhoudende problemen met vangstaangiften; voor de uitputting van de wijting- of tongbestanden is nog geen oplossing in zicht. Het kabeljauwplan voorziet in verdere TAC- en inspanningsverlagingen met ten minste 25%. Alle visbestanden, met uitzondering van schol en haring, zijn uitgeput. De visserij in dit gebied is aan een grondige herziening toe. Keltische Zee (ICES-gebied VIIb tot en met k) De slechte toestand van het langoustinebestand op de Porcupine Bank wordt bevestigd, maar de seizoensgebonden sluiting in 2010 lijkt bemoedigende effecten te hebben. De teruggooi van langoustine wordt op 20 tot 25% geschat. De evaluatie en het advies voor tong in VIIe zijn opnieuw relevant: het meerjarenplan is opnieuw operationeel. Een verhoging van de TAC voor zeeduivel is mogelijk, hoewel in dit advies geen rekening wordt gehouden met de verhoging die vorig jaar reeds door de Raad is vastgesteld. Golf van Biskaje en Iberisch-Atlantisch gebied Het ansjovisbestand in de westelijke Iberische wateren vertoont tekenen van achteruitgang. Voor zeeduivel is een verhoging van de TAC mogelijk. De tenuitvoerlegging van het plan voor zuidelijke heek is niet doeltreffend gebleken: de visserijsterfte is niet verminderd en de TAC's zijn overschreden. Geringe TAC-vermindering voor scharretong. Langoustine: verlagingen met 10% in VIIIc en IXa; ongewijzigd in VIIIab. Voor tong in de Golf van Biskaje moet de TAC worden verlaagd. Diepzeebestanden (alle gebieden) Uit een aantal dichtheidsindices kunnen stijgende trends voor leng, torsk en blauwe leng worden afgeleid, maar uit de beschikbare informatie kunnen geen conclusies worden getrokken over trends in de omvang van het bestand. Wetenschappers bevelen nog steeds inspanningsbeperkingen aan als belangrijkste beheersinstrument en raden aan maatregelen ter voorkoming van uitputting van plaatselijke paaibestanden van bepaalde soorten (Atlantische slijmkop, blauwe leng) voort te zetten of uit te breiden. | Het ICES-advies wordt door het WTECV bevestigd en in een aantal gevallen nader uitgewerkt. | Wijze waarop het deskundigenadvies beschikbaar is gemaakt voor het publiek Alle rapporten van het WTECV worden, na de officiële vaststelling ervan door de Commissie, ter beschikking gesteld op de website van DG MARE. Alle verslagen van de ICES zijn beschikbaar op de website. | Effectbeoordeling De verordening tot vaststelling van de vangstmogelijkheden is niet langer een instrument waarmee de Raad zelfstandig complexe maatregelenpakketten kan vaststellen, en moet zich beperken tot het in artikel 43, lid 3, VWEU vastgestelde toepassingsgebied. Zij is derhalve toegesneden op een resultaatgeoriënteerd beheer. Wanneer het beleid in zijn geheel beter functioneert, zullen ook de jaarlijkse vangstmogelijkheden verbeteren. Dit beleid omvat met name vlootbeheer, structurele steun, controle en handhaving, marktregulering en opneming van beheersinstrumenten in een allesomvattend maritiem beleid. De verordening is echter nog steeds een noodzakelijk instrument om aanpassingen aan te brengen die nodig zijn om de essentiële hulpbronnen voor de Europese visserij- en verwerkingssector in stand te houden en negatieve gevolgen van een te hoge visserijsterfte voor het mariene milieu te voorkomen of te corrigeren. De Unie heeft een aantal meerjarige beheersplannen vastgesteld voor bestanden van essentieel economisch belang, zoals onder andere heek, kabeljauw en platvis. Aan de goedkeuring van dergelijke plannen moet een effectbeoordeling voorafgaan. Zodra zij van kracht zijn, voorzien zij in de TAC-niveaus die voor het gegeven jaar moeten worden vastgesteld om de langetermijndoelstellingen te verwezenlijken. De Commissie moet haar voorstel tot vaststelling van de TAC's baseren op deze plannen. Bijgevolg zijn meerdere essentiële TAC's in het voorstel het resultaat van de specifieke effectbeoordeling die is uitgevoerd voor het plan waarop zij zijn gebaseerd. Voor het overige, en ondanks het feit dat voor de betrokken bestanden geen meerjarenplannen gelden, worden kortetermijnbenaderingen in het voorstel vermeden ten gunste van duurzame beslissingen op langere termijn. In veel gevallen impliceert dit een meer geleidelijke verlaging van de vangstmogelijkheden. Bijgevolg zullen lagere TAC's op korte termijn, naarmate overbeviste bestanden zich herstellen, leiden tot meer vangstmogelijkheden. Verwacht wordt dat de aanpak op middellange en lange termijn minder gevolgen zal hebben voor het milieu dankzij de vermindering van de visserij-inspanning, een vermindering van het aantal vaartuigen en/of een vermindering van de visserij-inspanning per vaartuig, en een onveranderde of zelfs toegenomen aanvoer. | 3. Juridische elementen van het voorstel | Samenvatting van de voorgestelde maatregel Om de met het gemeenschappelijk visserijbeleid beoogde totstandbrenging van een biologisch, economisch en sociaal duurzame visserij te verwezenlijken, wordt in dit voorstel vastgesteld welke vangst- en inspanningsbeperkingen gelden voor de EU-visserij en voor internationale visserijactiviteiten waaraan EU-vaartuigen deelnemen. | Rechtsgrondslag Artikel 43, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. | Subsidiariteitsbeginsel Het voorstel valt onder de exclusieve bevoegdheid van de EU, zoals bedoeld in artikel 3, lid 1, onder d), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Het subsidiariteitsbeginsel is derhalve niet van toepassing. | Evenredigheidsbeginsel Het voorstel is om de onderstaande reden in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel. | Het GVB is een gemeenschappelijk beleid. Krachtens artikel 43, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie dient de Raad maatregelen vast te stellen tot vaststelling en verdeling van de vangstmogelijkheden. Krachtens de voorgestelde verordening van de Raad worden vangstmogelijkheden aan de lidstaten toegewezen. Met inachtneming van artikel 20, lid 3, van Verordening (EG) nr. 2371/2002 mogen de lidstaten deze mogelijkheden op hun beurt naar eigen goeddunken over de regio's en de marktdeelnemers verdelen. De lidstaten kunnen dus met een ruime mate aan vrijheid en conform het sociaaleconomische model van hun keuze beslissen hoe zij de aan hen toegewezen vangstmogelijkheden benutten. | Het voorstel heeft geen nieuwe financiële gevolgen voor de lidstaten. De Raad stelt elk jaar een verordening als de onderhavige vast, en de openbare en particuliere middelen voor de tenuitvoerlegging van de onderhavige verordening zijn dan ook reeds beschikbaar. | Keuze van instrumenten | Voorgesteld instrument: verordening. | Dit is een voorstel voor visserijbeheer op basis van artikel 43, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, overeenkomstig artikel 20 van Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad. | 4. Gevolgen voor de begroting | Het voorstel heeft geen gevolgen voor de EU-begroting. | 5. Aanvullende informatie | Vereenvoudiging | Het voorstel voorziet in vereenvoudiging van de administratieve procedures voor overheidsinstanties (EU of nationaal), met name wat betreft de voorschriften op het gebied van inspanningsbeheer. | Evaluatie-/herzienings-/uitdovingsclausule | Dit voorstel betreft een jaarlijkse verordening voor het jaar 2011 en bevat derhalve geen herzieningsclausule. | Het voorstel nader bekeken In het Verdrag van Lissabon wordt de medebeslissingsprocedure als de gewone besluitvormingsprocedure voor GVB-aangelegenheden aangemerkt. Een uitzondering hierop is vastgesteld in artikel 43, lid 3, van het Verdrag, met betrekking tot maatregelen “voor de vaststelling en verdeling van de vangstmogelijkheden”. Dergelijke maatregelen worden op voorstel van de Commissie door de Raad vastgesteld zonder dat het Parlement hierbij wordt betrokken. Het onderhavige voorstel beperkt zich derhalve tot de vaststelling en toewijzing van vangstmogelijkheden en tot de voorwaarden die functioneel verbonden zijn met het gebruik daarvan. Het voorstel is wat de vangstbeperkingen en het beheer van de visserijinspanning betreft, in overeenstemming met de beginselen van het zogenoemde "front-loadingproces" (vroegtijdige consultatie), zoals uiteengezet in de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement "Verbetering van de raadpleging inzake het communautaire visserijbeheer" (COM(2006) 246 definitief), en in de mededeling van de Commissie "Vangstmogelijkheden voor 2011" (COM(2011) 224 definitief), waarin de Commissie in afwachting van het wetenschappelijk advies over de visstand voor 2011 haar visie en voornemens met betrekking tot haar voorstellen voor de vangstmogelijkheden toelicht. In overeenstemming met die mededeling zijn de vangstmogelijkheden voor een toenemend aantal bestanden, zoals bijvoorbeeld heek, tong, schol en langoustine, vastgesteld op basis van de in de desbetreffende meerjarenplannen vervatte voorschriften. Voor de bestanden waarvoor nieuwe meerjarenplannen zijn voorgesteld (westelijk horsmakreelbestand) en de bestanden waarvoor de Raad en de Commissie een verbintenis zijn aangegaan in de vorm van een tijdens de Raad van december 2009 aangenomen verklaring (haring in de Keltische zee en schelvis in de zones Vb en VIa), volgt het voorstel de daarin vervatte voorschriften. De specifieke situatie van de kabeljauwbestanden verdient bijzondere aandacht. In de westelijke wateren (de Ierse Zee, ten westen van Schotland en het Kattegat) bevinden deze bestanden zich onder de grenswaarde van 5% van hun ongebruikte biomassa, waardoor zij zijn ingestort. Deze bestanden, samen met het bestand in de Noordzee, het Skagerrak en het oostelijk deel van het Kanaal, vallen onder een meerjarig beheersplan (Verordening (EG) nr. 1342/2008 van 18 december 2008) dat in het licht van het wetenschappelijk advies niet naar behoren ten uitvoer wordt gelegd. De visstand blijft achteruitgaan in plaats van te verbeteren. De vangsten worden veel hoger geschat dan de vastgestelde niveaus, wat wijst op een gebrek aan adequate controle van de visserij en het ontbreken van betrouwbare gegevens, met name betreffende teruggooi. Voor drie bestanden (de Ierse Zee, ten westen van Schotland en het Kattegat) is het resultaat eens te meer dat onvoldoende gegevens beschikbaar zijn, en er zijn geen tekenen van een ommekeer in de trends die tot de instorting van deze bestanden hebben geleid. Voor kabeljauw in de Noordzee moet de situatie worden besproken met Noorwegen, aangezien dit een gezamenlijk geëxploiteerd bestand is. Voor bestanden die onder de exclusieve verantwoordelijkheid van de Unie vallen, moet de Raad overeenkomstig artikel 10, lid 2, van het beheersplan strengere maatregelen toepassen dan normaal wanneer uit het advies van het WTCEV blijkt dat de bestanden zich niet naar behoren herstellen. Het advies bevat voldoende gegevens om te concluderen dat deze bepaling van toepassing is, en de ICES en het WTECV hebben hier zelf ook uitdrukkelijk op gewezen. Aangezien de bestanden zijn ingestort, lijkt het raadzaam deze visserijen geleidelijk te beëindigen. Het voorstel voorziet derhalve in een verlaging van de TAC met 50% in plaats van 25% zoals normaal het geval zou zijn geweest. Een vermindering van de visserijinspanning met 25% zou hoe dan ook van toepassing zijn. Vervolgens zou voor het visseizoen 2012 een nul-TAC worden voorgesteld. Parallel hiermee zal de Commissie de lidstaten verzoeken de nodige maatregelen te nemen om nauw toe te zien op de tenuitvoerlegging van deze maatregelen. Voorts is het voorstel in overeenstemming met de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement "Verduurzaming van de EU-visserij op basis van de maximale duurzame opbrengst" (COM(2006) 360 definitief), aangezien de voorgestelde vangstmogelijkheden geen toename van de visserijsterfte voor de betrokken bestanden met zich meebrengen. Een dergelijke toename zou in strijd zijn met de op de wereldtop over duurzame ontwikkeling van Johannesburg door de EU en de lidstaten aangegane verbintenis om de visbestanden te handhaven op of te herstellen tot niveaus die de maximale duurzame opbrengst kunnen produceren, waarbij het streven er in het geval van leeggeviste bestanden op moet zijn gericht deze doeleinden met spoed, en zo mogelijk niet later dan in 2015, te bereiken. De vorig jaar ingevoerde mogelijkheid om de kabeljauwvangsten met maximaal 5% van de quota voor volledig gedocumenteerde kabeljauwvisserijen te verhogen, wordt in het onderhavige voorstel gehandhaafd, maar tussen rechte haakjes, omdat hierover met Noorwegen nog een akkoord moet worden bereikt. Aan dergelijke initiatieven moet hoe dan ook een wetenschappelijke evaluatie door het WTECV voorafgaan. Op basis daarvan wordt in het voorstel voor de TAC voor tong in zone VIIe voorzien in een stimulans in de vorm van een extra vangstquotum. In het voorstel zijn vangstbeperkingen opgenomen die door bepaalde regionale organisaties voor visserijbeheer zijn overeengekomen. De vangstbeperkingen en andere aanbevelingen van de Regionale Organisatie voor het visserijbeheer in het zuidelijke deel van de Stille Oceaan (SPRFMO), de Commissie voor de instandhouding van de zuidelijke blauwvintonijn (CCSBT), de Commissie voor de instandhouding van de levende rijkdommen in de Antarctische wateren (CCAMLR), de Visserijcommissie voor het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan (NEAFC), de Organisatie voor de visserij in het zuidoostelijk deel van de Atlantische Oceaan (SEAFO), de Commissie voor de visserij in de westelijke en centrale Stille Oceaan (WCPFC) en de Internationale Commissie voor de instandhouding van tonijn in de Atlantische Oceaan (ICCAT) gelden onder voorbehoud van de uitkomst van de jaarlijkse vergadering van deze organisaties in de periode van oktober tot en met december 2010. Voor bestanden in de wateren van Groenland en voor met Noorwegen en de Faeröer gedeelde bestanden zijn nog geen TAC’s beschikbaar, omdat zij afhangen van de resultaten van het overleg in november en december 2010. Deze TAC’s krijgen derhalve de vermelding pro memorie (pm). Wat het inspanningsbeheer betreft, wordt voor de kabeljauwvisserij sinds 2009 een op kilowattdagen gebaseerd systeem toegepast, dat in 2011 zal worden gehandhaafd. Wat betreft het inspanningsbeheer voor tong in het westelijk Kanaal en voor zuidelijke heek en langoustine wordt het op zeedagen gebaseerde systeem per type vaartuig dat in het verleden reeds visserijactiviteiten heeft bedreven, in 2011 gehandhaafd, maar zullen de lidstaten krachtens de voorgestelde verordening een op kilowattdagen gebaseerd systeem kunnen blijven toepassen met het oog op een efficiënter gebruik van de vangstmogelijkheden en het stimuleren van instandhoudingspraktijken in overleg met de visserijsector. Met betrekking tot de voorschriften voor de visserijinspanning voor zuidelijke heek en langoustine zal het systeem voor de vaststelling van maximale inspanningsniveaus per lidstaat door het voorstel worden gerationaliseerd. Vanaf 2011 zal het daadwerkelijke cijfer per lidstaat in de verordening worden vermeld. Dit zal zorgen voor meer transparantie wanneer zeedagen van gesloopte vaartuigen in deze visserij opnieuw worden toegewezen, wat resulteert in specifieke cijfers per lidstaat naargelang van zijn sloopactiviteiten. De maximaal toelaatbare visserijinspanning die voor de diverse bestanden in bijlage II is vastgesteld, ongeacht of deze wordt gemeten in zeedagen per vaartuig of in kilowattdagen per inspanningsgroep, is een voorlopige waarde die wellicht moet worden aangepast in het licht van het definitieve advies van het WTECV na zijn plenaire vergadering in november 2010. Ook de methode voor de vaststelling van de definitieve visserijinspanning voor de visserij op zandspiering in de EU-wateren van de zones IIa, IIIa en IV wordt momenteel nog geanalyseerd. Het voorstel voor 2011 omvat voor het eerst maatregelen ter beperking van de visserijinspanning in de Keltische Zee. Deze maatregelen voorzien in de vaststelling van een maximale visserijinspanning voor dit gebied die zonder onderscheid voor alle visserijtakken zou gelden. Voorgesteld wordt de inspanningsniveaus met 10% te verminderen ten opzichte van het referentiejaar 2007. Dit referentiejaar is gekozen om te vermijden dat lidstaten die de afgelopen jaren verlagingen hebben toegepast, worden benadeeld ten opzichte van die welke hun inspanningsniveaus in het betrokken gebied in diezelfde periode hebben verhoogd. De maatregel wordt gerechtvaardigd door het feit dat de visserijinspanning in het licht van het wetenschappelijk advies voor de meeste bestanden in dit gebied moet worden verminderd en in geen geval mag worden verhoogd. Aangezien het gemengde visserijen betreft, is een algemene beperkende maatregel een geschikt instrument om de tenuitvoerlegging en de controle te vergemakkelijken. Hij zou van toepassing zijn in de deelsectoren f en g van ICES-gebied VII, waar de grootste visserijinspanning plaatsvindt. Aangezien de maatregel de huidige situatie op de visgronden zou moeten stabiliseren, zijn de gevolgen voor de vloot wellicht te verwaarlozen. Voor de bestanden heeft de maatregel het voordeel dat geen inspanning uit aangrenzende gebieden, waar de bestanden zwaarder getroffen zijn, zoals de Ierse Zee (deelsector VIIa), naar dit gebied wordt verlegd. Met betrekking tot het inspanningsbeheer voor diepzeebestanden heeft de Visserijcommissie voor het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan (NEAFC) in 2002 aanbevolen de visserijinspanning twee jaar lang te bevriezen. Vervolgens is de maximaal toegestane visserijinspanning middels een jaarlijkse overeenkomst in het kader van het NEAFC-verdrag, en de omzetting daarvan door de Raad, voor 2008 en 2009 stapsgewijs verlaagd tot respectievelijk 75% en 65% van de inspanning in het referentiejaar 2003. Voor de jaren 2010 tot en met 2012 heeft de NEAFC aanbevolen de inspanningsbeperking te handhaven op maximaal 65%. Gezien de internationale verplichtingen van de EU en het herhaaldelijke advies van de ICES om bestanden te beschermen die vanwege hun extreem lage voortplantingspotentieel uitermate kwetsbaar zijn en dringend bescherming nodig hebben, is deze voortzetting van de inspanningsbeperking noodzakelijk. Voor kortlevende soorten, zoals zandspiering, kever en sprot in de Noordzee, worden de jaarbeheerssystemen gehandhaafd. In deze gevallen kunnen de voor begin 2011 voorgestelde vangstmogelijkheden in de loop van het jaar worden herzien overeenkomstig het bijgewerkte wetenschappelijke advies, door middel van verordeningen van de Commissie die een snelle invoering van de voorgestelde beheersmaatregelen mogelijk maken. De methode voor het beheer van het zandspieringbestand wordt momenteel herzien. Mogelijk resulteert dit in een systeem waarbij herzieningen in de loop van het jaar niet langer nodig zijn. Deze eventuele veranderingen moeten in het najaar met Noorwegen worden besproken en overeengekomen, waardoor bijlage IIID wellicht ingrijpend zal moeten worden gewijzigd of zelfs geschrapt, afhankelijk van het resultaat van deze besprekingen. Tot slot voorziet de onderhavige verordening voor het eerst sinds de jaarlijkse vaststelling van de vangstmogelijkheden in de vaststelling van bepaalde TAC's door de lidstaten zelf. Het betreft 7 TAC's die aan één enkele lidstaat zijn toegekend. In dit geval is er dus geen sprake van een echte verdeling, aangezien de TAC toebehoort aan en wordt beheerd door één enkele lidstaat. Gelet op het bovenstaande is het dienstig de verordening te vereenvoudigen en voor te stellen dat de verantwoordelijkheid in deze gevallen bij de belanghebbende lidstaat berust, op voorwaarde evenwel dat hij handelt in overeenstemming met de doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid. | 2010/0324 (NLE) Voorstel voor een VERORDENING VAN DE RAAD tot vaststelling, voor 2011, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de EU-wateren en, voor EU-vaartuigen, in bepaalde wateren buiten de EU, van toepassing zijn DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 3, Gezien het voorstel van de Commissie[2], Overwegende hetgeen volgt: (1) Conform artikel 43, lid 3, van het Verdrag, stelt de Raad op voorstel van de Commissie de maatregelen vast voor de vaststelling en verdeling van de vangstmogelijkheden. (2) Krachtens Verordening (EG) nr. 2371/2002 van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid[3] moeten, met inachtneming van de beschikbare wetenschappelijke, technische en economische adviezen en met name van verslagen van het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV), maatregelen inzake de toegang tot wateren en hulpbronnen en de duurzame uitoefening van visserijactiviteiten worden vastgesteld. (3) De Raad moet maatregelen voor de vaststelling en verdeling van de vangstmogelijkheden vaststellen per visserijtak of groep visserijtakken, inclusief bepaalde voorwaarden die er functioneel verband mee houden. De vangstmogelijkheden moeten zo over de lidstaten worden verdeeld dat elke lidstaat een relatieve stabiliteit van de visserijactiviteiten voor elk bestand of elke visserij geniet, mede met inachtneming van de in Verordening (EG) nr. 2371/2002 vastgestelde doelstellingen van het gemeenschappelijke visserijbeleid. (4) Wanneer een TAC aan één enkele lidstaat wordt toegewezen, is het dienstig de betrokken lidstaat overeenkomstig artikel 2, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te machtigen het niveau van deze TAC vast te stellen. Het is evenwel dienstig ervoor te zorgen dat de betrokken lidstaat bij de vaststelling van dit TAC-niveau volledig in overeenstemming met de beginselen en voorschriften van het gemeenschappelijk visserijbeleid handelt en ervoor zorgt dat het betrokken bestand wordt geëxploiteerd op niveaus die de maximale duurzame opbrengst kunnen produceren, onder meer door de nodige maatregelen te nemen om relevante gegevens te verzamelen, het betrokken bestand te evalueren en de maximale duurzame opbrengst ervan te bepalen. (5) De TAC's dienen te worden vastgesteld op basis van de beschikbare wetenschappelijke adviezen, met inachtneming van de biologische en sociaaleconomische aspecten waarbij een gelijke behandeling van de visserijsectoren moet worden gegarandeerd, en in het licht van de standpunten die naar voren zijn gekomen tijdens de raadpleging van de belanghebbenden, met name op de bijeenkomsten met het Raadgevend Comité voor de visserij en de aquacultuur en de betrokken regionale adviesraden. (6) Voor bestanden waarvoor specifieke meerjarenplannen gelden, dienen de TAC's overeenkomstig de in die plannen vervatte voorschriften te worden vastgesteld. Bijgevolg dienen de TAC's voor de bestanden van heek, langoustine en tong in de Golf van Biskaje, het westelijk Kanaal en de Noordzee, schol in de Noordzee, haring in het gebied ten westen van Schotland en kabeljauw in het Kattegat, de Noordzee en het Skagerrak, het oostelijk deel van het Kanaal, het gebied ten westen van Schotland en de Ierse Zee te worden vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in respectievelijk de Verordening (EG) nr. 811/2004 van de Raad van 21 april 2004 tot vaststelling van herstelmaatregelen voor het noordelijke heekbestand[4], Verordening (EG) nr. 2166/2005 van de Raad van 20 december 2005 tot vaststelling van maatregelen voor het herstel van de bestanden van zuidelijke heek en langoustines in de Cantabrische Zee en ten westen van het Iberisch Schiereiland[5], Verordening (EG) nr. 388/2006 van de Raad van 23 februari 2006 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de duurzame exploitatie van het tongbestand in de Golf van Biskaje[6], Verordening (EG) nr. 509/2007 van de Raad van 7 mei 2007 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de duurzame exploitatie van het tongbestand in het westelijk Kanaal[7], Verordening (EG) nr. 676/2007 van de Raad van 11 juni 2007 tot vaststelling van een beheersplan voor de bevissing van de schol- en tongbestanden in de Noordzee[8], Verordening (EG) nr. 1300/2008 van de Raad van 18 december 2008 tot vaststelling van een meerjarenplan voor het haringbestand in het gebied ten westen van Schotland en de visserijen die dat bestand exploiteren[9], Verordening (EG) nr. 1342/2008 en Verordening (EG) nr. 302/2009 van de Raad van 6 april 2009 betreffende een meerjarig herstelplan voor blauwvintonijn in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee[10]. (7) Op grond van artikel 2 van Verordening (EG) nr. 847/96 van de Raad van 6 mei 1996 tot invoering van aanvullende voorwaarden voor het meerjarenbeheer van de TAC's en quota[11] moet worden bepaald op welke bestanden de verschillende, in die verordening bedoelde maatregelen van toepassing zijn. (8) Voor sommige soorten, zoals bepaalde haaisoorten, kan zelfs een beperkte vorm van visserijactiviteit een ernstig risico inhouden voor de instandhouding van de soort. Voor dergelijke soorten moet derhalve een volledige beperking van de vangstmogelijkheden worden opgelegd middels een totaalverbod op de visserij op deze soorten. (9) Langoustine wordt in gemengde visserijen op demersale soorten samen met diverse andere soorten gevangen. In een gebied ten westen van Ierland, bekend als de Porcupine Bank, is er een dringende behoefte aan instandhoudingsmaatregelen om de vangsten van langoustine zo veel mogelijk te beperken. Het is derhalve dienstig de vangstmogelijkheden in dit gebied te beperken tot uitsluitend de vangst van pelagische soorten zonder bijvangst van langoustine. (10) De maxima voor de visserijinspanning voor 2011 dienen te worden vastgesteld overeenkomstig artikel 8 van Verordening (EG) nr. 2166/2005, artikel 5 van Verordening (EG) nr. 509/2007, artikel 9 van Verordening (EG) nr. 676/2007, de artikelen 11 en 12 van Verordening (EG) nr. 1342/2008 en de artikelen 5 en 9 van Verordening (EG) nr. 302/2009, en rekening houdend met Verordening (EG) nr. 754/2009 van de Raad van 27 juli 2009 tot uitsluiting van bepaalde groepen vaartuigen uit de visserijinspanningsregeling die is vastgesteld in hoofdstuk III van Verordening (EG) nr. 1342/2008[12]. [(11) Volgens het advies van de ICES is het noodzakelijk een systeem te handhaven, zij het met herziening, voor het beheer van de visserijinspanning op zandspiering in de EU-wateren van de ICES-zones IIa, IIIa en IV.] (12) In het licht van het wetenschappelijk advies over de visstand in de Keltische Zee en gelet op het gemengde karakter van de visserijen in dit gebied is het dienstig maatregelen vast te stellen om de visserijinspanning voor de visserijactiviteiten in de deelsectoren f en g van ICES-gebied VII te beperken. (13) In het licht van het meest recente wetenschappelijke advies van de ICES en overeenkomstig de internationale verbintenissen in het kader van het Verdrag inzake de visserij in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan (NEAFC) dient de visserijinspanning op bepaalde diepzeesoorten te worden beperkt. (14) De Unie heeft, volgens de procedure die is vastgesteld in de overeenkomsten of protocollen inzake de visserijrelaties, over de visserijrechten overleg gepleegd met Noorwegen[13], de Faeröer[14] en Groenland[15]. (15) De Unie is verdragsluitende partij bij verscheidene visserijorganisaties en neemt aan andere organisaties deel als samenwerkende niet-verdragsluitende partij. Voorts worden de visserijovereenkomsten die de Republiek Polen vóór de toetreding tot de Europese Unie heeft gesloten, zoals de Overeenkomst voor de instandhouding en het beheer van de alaskakoolvisbestanden in het centrale gedeelte van de Beringzee, krachtens de Toetredingsakte van 2003 vanaf de datum van toetreding beheerd door de Unie. De visserijorganisaties hebben aanbevolen om voor 2011 een aantal maatregelen in te voeren, onder meer vangstmogelijkheden voor EU-vaartuigen. Deze vangstmogelijkheden moeten door de Unie ten uitvoer worden gelegd. (16) De Inter-Amerikaanse Commissie voor tropische tonijn (IATTC) is er tijdens haar jaarlijkse vergadering in 2010 niet in geslaagd een consensus te bereiken over de vaststelling van instandhoudingsmaatregelen voor geelvintonijn, grootoogtonijn en gestreepte tonijn. Niettemin was de meerderheid van de verdragsluitende partijen, waaronder de Europese Unie, van oordeel dat de vangstmogelijkheden voor deze drie bestanden dienen te worden gereguleerd om het duurzame beheer ervan te kunnen garanderen. Het is derhalve dienstig dat de Unie maatregelen in die zin neemt. (17) De Commissie voor de tonijnvisserij in de Indische Oceaan (IOTC) heeft tijdens haar jaarlijkse vergadering in 2010 besloten tot een herziening van de totale capaciteit van de vloten die in de periode 2006-2008 op tropische tonijn en in de periode 2007-2008 op zwaardvis en witte tonijn hebben gevist. De IOTC heeft tevens de tenuitvoerlegging van vlootontwikkelingsplannen goedgekeurd. Voorts heeft de IOTC een resolutie over de instandhouding van voshaaien (familie Alopiidae ) goedgekeurd die worden bijgevangen in het kader van andere visserijen in haar bevoegdheidsgebied. (18) Tijdens de derde internationale vergadering over de oprichting van een Regionale Organisatie voor het visserijbeheer op volle zee in het zuidelijke deel van de Stille Oceaan (SPRFMO) in mei 2007, hebben de deelnemers tussentijdse maatregelen goedgekeurd, waaronder vangstmogelijkheden, om, in afwachting van de oprichting van deze regionale organisatie voor het visserijbeheer, de pelagische en de bodemvisserij in het zuidelijke deel van de Stille Oceaan te reguleren. Deze maatregelen zijn opnieuw bezien tijdens het 8ste internationaal overleg over de oprichting van de SPRFMO in november 2009 en zullen nogmaals worden herzien tijdens de aanstaande 2de voorbereidende conferentie voor de SPRFMO-Commissie in januari 2011. De huidige tussentijdse maatregelen blijven derhalve van kracht totdat de nieuwe maatregelen zijn goedgekeurd. Conform het door de deelnemers bereikte akkoord zijn deze tussentijdse maatregelen vrijwillig en niet juridisch bindend uit hoofde van het internationaal recht. In het licht van de desbetreffende bepalingen in de VN-visbestandenovereenkomst lijkt het niettemin raadzaam deze maatregelen op te nemen in de wetgeving van de Unie. (19) Tijdens haar jaarlijkse vergadering in 2010 heeft de Organisatie voor de visserij in het zuidoostelijke deel van de Atlantische Oceaan (SEAFO) vangstbeperkingen vastgesteld voor vier visbestanden in het SEAFO-verdragsgebied. Deze vangstbeperkingen moeten in EU-recht worden omgezet. (20) Overeenkomstig artikel 291 van het Verdrag moeten de maatregelen die nodig zijn voor het vaststellen van vangstbeperkingen voor bepaalde kortlevende bestanden worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden[16]; (21) Bepaalde internationale maatregelen waarbij vangstmogelijkheden voor de EU worden ingesteld of beperkt, worden op het einde van het jaar door de betrokken regionale organisaties voor visserijbeheer vastgesteld en worden van kracht vóór de inwerkingtreding van deze verordening. Derhalve dienen de bepalingen ter uitvoering van deze maatregelen met terugwerkende kracht van toepassing te zijn. (22) De in de onderhavige verordening vastgestelde vangstmogelijkheden moeten worden gebruikt overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen[17], en met name de artikelen 33 en 34 over, respectievelijk, de registratie van de vangsten en de visserijinspanning en de melding van gegevens over de uitputting van de vangstmogelijkheden. Derhalve dient te worden gepreciseerd welke codes de lidstaten moeten gebruiken wanneer zij gegevens met betrekking tot de aanlandingen van onder de onderhavige verordening vallende bestanden aan de Commissie doen toekomen. (23) De vangstmogelijkheden dienen in volledige overeenstemming met de desbetreffende geldende wetgeving van de Unie te worden gebruikt, HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD: TITEL I TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES ARTIKEL 1 Onderwerp Bij deze verordening worden de volgende vangstmogelijkheden vastgesteld, alsmede de voorwaarden die functioneel verbonden zijn met het gebruik ervan: a) voor het jaar 2011, de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden en groepen visbestanden, en b) voor de periode van 1 februari 2011 tot en met 31 januari 2012, bepaalde beperkingen van de visserijinspanning, c) voor de in de artikelen 18, 19 en 20 en de bijlagen IE en V vastgestelde perioden, de vangstmogelijkheden voor bepaalde bestanden in het gebied van het Verdrag inzake de instandhouding van de levende rijkdommen in de Antarctische wateren (CCAMLR). [d) voor de in artikel 26 vastgestelde perioden, de vangstmogelijkheden voor bepaalde bestanden in het gebied van de Interamerikaanse Commissie voor tropische tonijn (IATTC).] Artikel 2 Toepassingsgebied Tenzij anders bepaald, is deze verordening van toepassing op: a) EU-vaartuigen, en b) vaartuigen van derde landen in EU-wateren. Artikel 3 Definities Voor de toepassing van deze verordening gelden de volgende definities: a) “EU-vaartuigen”: vissersvaartuigen die de vlag van een lidstaat voeren en in de Unie zijn geregistreerd; b) "vaartuigen van derde landen": vissersvaartuigen die de vlag voeren van en geregistreerd zijn in een derde land; c) "EU-wateren": wateren onder de soevereiniteit of jurisdictie van de lidstaten, met uitzondering van wateren die grenzen aan de in bijlage II bij het Verdrag genoemde gebieden; d) "totaal toegestane vangsten (TAC's)": de hoeveelheden die elk jaar van elk bestand mogen worden gevangen en aangeland; e) "quotum": een vast aandeel van de aan de EU, de lidstaten of derde landen toegewezen TAC's; f) "internationale wateren": wateren die niet onder de soevereiniteit of jurisdictie van enige staat vallen; g) "maaswijdte": de maaswijdte zoals vastgesteld overeenkomstig Verordening (EG) nr. 517/2008 van de Commissie van 10 juni 2008 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 850/98 wat betreft de bepaling van de maaswijdte en de meting van de twijndikte van visnetten[18]; (h) "EU-vissersvlootregister": het register dat door de Commissie is ingevoerd overeenkomstig artikel 15, lid 3, van Verordening (EG) nr. 2371/2002; i) "visserijlogboek": het logboek als bedoeld in artikel 14 van Verordening (EG) nr. 1224/2009; Artikel 4 Visserijzones Voor de toepassing van deze verordening geldt de volgende afbakening van visserijzones: a) voor de ICES-zones (International Council for the Exploration of the Sea - Internationale Raad voor het onderzoek van de zee): de afbakening van Verordening (EG) nr. 218/2009 van het Europees Parlement en de Raad[19]; b) voor het Skagerrak: het gebied dat in het westen wordt begrensd door een lijn van de vuurtoren van Hanstholm naar die van Lindesnes, en in het zuiden door een lijn van de vuurtoren van Skagen naar die van Tistlarna en vandaar naar het dichtstbij gelegen punt op de Zweedse kust; c) voor het Kattegat: het gebied dat in het noorden wordt begrensd door een lijn van de vuurtoren van Skagen naar die van Tistlarna en vandaar naar het dichtstbij gelegen punt op de Zweedse kust, en in het zuiden door een lijn van Kaap Hasenøre naar Kaap Gniben, van Korshage naar Spodsbjerg en van Kaap Gilbjerg naar Kullen; d) voor zone VII (Ierse Zee Oost – Eenheid 14): het gebied dat wordt begrensd door i ) een loxodroom die achtereenvolgens de volgende punten met elkaar verbindt: - het snijpunt van 5°WL met de kust van Groot-Brittannië nabij Portpatrick. - 54°30' NB 5°WL; - 54°30' NB 4°WL; - het snijpunt van 4°WL met de kust van Groot-Brittannië nabij Llanfairfechan; ii ) de kust van Groot-Brittannië e) voor zone VII (Ierse Zee West – Eenheid 15): het gebied dat wordt begrensd door: i ) een loxodroom die achtereenvolgens de volgende punten met elkaar verbindt: - het snijpunt van 55°NB met de kust van Ierland nabij Camlough; - het snijpunt van 55°NB met de kust van Groot-Brittannië nabij Stranraer; ii ) de kust van Groot-Brittannië tussen het snijpunt van 55°NB met de kust nabij Stranraer en het snijpunt van 5° WL met de kust nabij Portpatrick; iii ) een loxodroom die achtereenvolgens de volgende punten met elkaar verbindt: - het snijpunt van 5°WL met de kust van Groot-Brittannië nabij Portpatrick; - 54°30' NB 5°WL; - 54°30' NB 4°WL; - het snijpunt van 4°WL met de kust van Groot-Brittannië nabij Llanfairfechan; iv ) de kust van Groot-Brittannië tussen het snijpunt van 4°WL met de kust nabij Llanfairfechan en het snijpunt van 53° NB met de kust nabij het schiereiland Llyn; v ) een loxodroom die achtereenvolgens de volgende punten met elkaar verbindt: - het snijpunt van 53°NB met de kust van Groot-Brittannië nabij het schiereiland Llyn; - het snijpunt van 53°NB met de kust van Ierland nabij Wicklow; - de oostkust van Ierland tussen 53°00' NB en 55°00' NB. f) voor zone VII (Porcupine Bank – Eenheid 16): het gebied dat wordt begrensd door loxodromen die achtereenvolgens de punten met de volgende geografische coördinaten met elkaar verbinden: - 53°30' NB 15°00' WL; - 53° 30' NB 11°00' WL; - 51°30' NB 11°00' WL; - 51°30' NB 13°00' WL; - 51°00' NB 13°00' WL; - 51°00' NB 15°00' WL; - 53°30' NB 15°00' WL. g) voor zone VII (Aran Grounds – Eenheid 17): het gebied dat wordt begrensd door: i ) de westkust van Ierland; ii ) 53°30' NB; iii ) 11°00' WL; iv ) 52°30' NB. h) voor zone VII (Zuid- en Zuidwest-Ierland – Eenheid 19): het gebied dat wordt begrensd door i ) de loxodromen die achtereenvolgens de volgende punten met elkaar verbinden: - het snijpunt van 52°30' NB met de westkust van Ierland - 52°30'NB 11°00'WL; - 51°00'NB 11°00'WL; - 51°00' NB 8°00' WL; - 51°30'NB 8°00'WL; - 51°30'NB 7°00'WL; - 52°00'NB 7°00'WL; - 52°00'NB 6°00'WL; - 52°30'NB 6°00'WL; - het snijpunt met 52°30' NB en ii ) de oostkust van Ierland ten zuiden van 52°30'NB. i) voor zone VII (Keltische Zee – Eenheden 20-22): het gebied dat wordt begrensd door de loxodromen die achtereenvolgens de punten met de volgende geografische coördinaten met elkaar verbinden: - 51°00' NB 9°00' WL; - 51°00' NB 8°00' WL; - 51°30'NB 8°00'WL; - 51°30'NB 7°00'WL; - 52°00'NB 7°00'WL; - 52°00'NB 6°00'WL; - 51°30'NB 6°00'WL; - 51°30'NB 5°00'WL; - 51°00'NB 5°00'WL; - 51°00'NB 6°00'WL; - 50°30'NB 6°00'WL; - 50°30'NB 7°00'WL; - 49°30'NB 7°00'WL; - 49°30'NB 9°00'WL; - 51°00'NB, 9°00'WL. j) voor zone VII (Noord-West-Ierland en andere gebieden – eenheid 18): het deel van zone VII dat niet tot de in d) tot en met i) hierboven gedefinieerde gebieden behoort. k) voor de Golf van Cadiz: het gebied van ICES-zone IXa ten oosten van 7° 23′48″ WL; l) voor de CECAF-zones (Fishery Committee for the Eastern Central Atlantic - Visserijcomité voor de centraal-oostelijke Atlantische Oceaan, of FAO-gebied 34): de afbakening van Verordening (EG) nr. 216/2009 van het Europees Parlement en de Raad[20]; m) voor de NAFO-zones (Northwest Atlantic Fisheries Organisation - Visserijorganisatie voor het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan): de afbakening van Verordening (EG) nr. 217/2009 van het Europees Parlement en de Raad[21]; n) voor de SEAFO-zones (South East Atlantic Fisheries Organisation - Organisatie voor de visserij in het zuidoostelijk deel van de Atlantische Oceaan): de afbakening van het Verdrag inzake de instandhouding en het beheer van de visbestanden in het zuidoostelijke deel van de Atlantische Oceaan[22]; o) voor de ICCAT-zone (International Commission for the Conservation of Atlantic Tunas - Internationale Commissie voor de instandhouding van Atlantische tonijnen): de afbakening van het Internationaal Verdrag voor de instandhouding van Atlantische tonijnen[23]; p) voor de CCAMLR-zones (Convention on the Conservation of Antarctic Marine Living Resources — Verdrag inzake de instandhouding van de levende rijkdommen in de Antarctische wateren): de afbakening van Verordening (EG) nr. 601/2004 van de Raad van 22 maart 2004 tot vaststelling van bepaalde controlemaatregelen voor de visserij in het verdragsgebied van het Verdrag inzake de instandhouding van de levende rijkdommen in de Antarctische wateren[24]; q) voor de IATTC-zone (Inter American Tropical Tuna Convention - Interamerikaanse Commissie voor tropische tonijn): de afbakening van het Verdrag ter versterking van de Inter-Amerikaanse Commissie voor tropische tonijn opgericht bij het Verdrag van 1949 tussen de Verenigde Staten van Amerika en de Republiek Costa Rica[25]; r) voor de IOTC-zone (Indian Ocean Tuna Commission - Commissie voor de tonijnvisserij in de Indische Oceaan): de afbakening van de Overeenkomst tot oprichting van de Commissie voor de tonijnvisserij in de Indische Oceaan[26]; s) voor het SPRFMO-gebied (South Pacific Regional Fisheries Management Organisation - Regionale visserijorganisatie voor het zuidelijke deel van de Stille Oceaan): het gebied op open zee bezuiden 10° noorderbreedte, ten noorden van het CCAMLR-verdragsgebied, ten oosten van het SIOFA-verdragsgebied zoals vastgesteld in de Visserijovereenkomst voor de Zuid-Indische Oceaan[27], en ten westen van de gebieden die onder de visserijjurisdictie van de Zuid-Amerikaanse staten vallen; t) voor de WCPFC-zone (Western and Central Pacific Fisheries Convention - Commissie voor de visserij in de westelijke en centrale Stille Oceaan): de afbakening van het Verdrag inzake de instandhouding en het beheer van over grote afstanden trekkende visbestanden in het westelijke en centrale deel van de Stille Oceaan[28]; u) voor de diepzee van de Beringzee: het diepzeegebied van de Beringzee vanaf 200 zeemijlen van de basislijnen vanwaar de breedte van de territoriale zee van de aan de Beringzee gelegen kuststaten wordt gemeten. TITEL II VANGSTMOGELIJKHEDEN VOOR EU-VAARTUIGEN HOOFDSTUK I ALGEMENE BEPALINGEN ARTIKEL 5 TAC's en toewijzingen 1. De TAC's voor EU-vaartuigen in EU-wateren of bepaalde niet-EU-wateren en de toewijzing van deze TAC's aan de lidstaten, alsmede de voorwaarden die er functioneel verband mee houden, worden vastgesteld in bijlage I. 2. EU-vaartuigen mogen, met inachtneming van de in bijlage I vastgestelde TAC's en de voorschriften van artikel 13 en bijlage III van de onderhavige verordening en van Verordening (EG) nr. 1006/2008 van de Raad[29] en de uitvoeringsbepalingen daarvan, vissen in de wateren die onder de visserijjurisdictie van de Faeröer, Groenland, IJsland en Noorwegen vallen, en in de visserijzone rond Jan Mayen. 3. De Commissie stelt de TAC's voor lodde in de Groenlandse wateren van de ICES-zones V en XIV voor de Unie vast op basis van de TAC en de toewijzing voor de Unie, zoals die zijn vastgesteld door Groenland overeenkomstig de met dit land gesloten overeenkomst. 4. In het licht van de in het eerste halfjaar 2011 verzamelde wetenschappelijke gegevens kan de Commissie de in bijlage I vastgestelde TAC's voor de onderstaande bestanden herzien volgens de in artikel 30, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2371/2002 bedoelde procedure: [a) zandspiering in de EU-wateren van de ICES-zones IIa, IIIa en IV volgens de regels in punt 6 van bijlage IID;] b) kever in de EU-wateren van de ICES-zones IIa, IIIa en IV en sprot in de EU-wateren van de ICES-zones IIa en IV; c) wijting in de EU-wateren van de ICES-zones IIa, IIIa en IV en schelvis in de ICES-zones IIa, III en IV, om rekening te houden met de industriële bijvangsten in de kevervisserij. Artikel 6 Verboden soorten 1. Het is EU-vaartuigen verboden de onderstaande soorten te vangen, aan boord te houden, over te laden en aan te landen: a) reuzenhaai ( Cetorinhus maximus ) en witte haai ( Carcharodon carcharias ) in alle EU- en niet-EU-wateren; b) zee-engel ( Squatina squatina ) in alle EU-wateren; c) vleet ( Dipturus batis ) in de EU-wateren van de ICES-zones IIa, III, IV, VI, VII, VIII, IX en X; d) golfrog ( Raja undulata ) en witte rog ( Rostroraja alba ) in de EU-wateren van de ICES-zones VI, VII, VIII, IX en X; e) haringhaai ( Lamna nasus ) in internationale wateren en d) gitaarroggen ( Rhinobatidae ) in de EU-wateren van I, II, III, IV, V, VI, VII, VIII, IX, X en XII. 2. De in lid 1 bedoelde soorten worden voor zover mogelijk onverwijld en ongedeerd teruggezet. Artikel 7 Bijzondere bepalingen inzake toewijzingen 1. De vangstmogelijkheden worden overeenkomstig de onderhavige verordening aan de lidstaten toegewezen onverminderd: a) het ruilen van vangstmogelijkheden op grond van artikel 20, lid 5, van Verordening (EG) nr. 2371/2002; b) nieuwe toewijzingen op grond van artikel 37 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 of op grond van artikel 10, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1006/2008; c) het aanlanden van extra hoeveelheden op grond van artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96; d) het inhouden van hoeveelheden op grond van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96; e) verminderingen of kortingen op grond van de artikelen 37, 105, 106 en 107 van Verordening (EG) nr. 1224/2009. 2. Tenzij anders vermeld in bijlage I van deze verordening is artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 van toepassing op bestanden waarvoor TAC's bij wijze van voorzorgsmaatregel zijn vastgesteld, en zijn artikel 3, leden 2 en 3, en artikel 4 van die verordening van toepassing op bestanden waarvoor analytische TAC's zijn vastgesteld. Artikel 8 Beperkingen van de visserijinspanning Vanaf 1 februari 2011 tot en met 31 januari 2012 zijn de maatregelen tot vermindering van de visserijinspanning die zijn vastgesteld in: a) bijlage IIA, van toepassing op het beheer van sommige bestanden in het Kattegat, het Skagerrak, het deel van ICES-zone IIIa dat niet behoort tot het Skagerrak en het Kattegat, de ICES-zones IV, VIa, VIIa en VIId en de EU-wateren van de ICES-zones IIa en Vb; b) bijlage IIB, van toepassing op het herstel van heek en langoustine in de ICES-zones VIIIc en IXa, met uitzondering van de Golf van Cadiz; c) bijlage IIC, van toepassing op het beheer van de tongbestanden in ICES-zone VIIe; [d) bijlage IID, van toepassing op het beheer van de zandspieringbestanden in de EU-wateren van de ICES-zones IIa, IIIa en IV;] e) bijlage IIe, van toepassing op het beheer van bepaalde bestanden in de ICES-zones VIIf en g. Artikel 9 Vangst- en inspanningsbeperkingen voor de diepzeevisserij 1. Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 2347/2002 van de Raad[30] is van toepassing op zwarte heilbot. Voor het vangen, aan boord houden, overladen en aanlanden van zwarte heilbot gelden de voorwaarden van dat artikel. 2. De lidstaten zorgen ervoor dat de voor 2011 geldende visserijinspanningsniveaus, gemeten in kilowattdagen buitengaats, van vaartuigen met diepzeevisserijdocumenten als bedoeld in artikel 3 van Verordening (EG) nr. 2347/2002, niet meer bedragen dan 65% van de gemiddelde jaarlijkse visserijinspanning van de vaartuigen van de betrokken lidstaat in 2003 op reizen tijdens welke deze vaartuigen beschikten over visdocumenten voor diepzeevisserij en/of diepzeesoorten, als opgesomd in de bijlagen I en II bij die verordening, hebben gevangen. Dit lid is alleen van toepassing op visreizen tijdens welke meer dan 100 kg andere diepzeesoorten dan grote zilversmelt is gevangen. Artikel 10 Voorwaarden voor de aanlanding van vangsten en bijvangsten Vis van bestanden waarvoor TAC's zijn vastgesteld, mag slechts aan boord worden gehouden of aangeland mits: a) die vis is gevangen met vaartuigen van een lidstaat die een quotum heeft en dat quotum nog niet is opgebruikt; of b) die vis deel uitmaakt van een quotum van de EU dat niet in de vorm van quota over de lidstaten is verdeeld, en dat quotum nog niet is opgebruikt. Artikel 11 Beperkingen op het gebruik van bepaalde vangstmogelijkheden 1. De in bijlage I vastgestelde vangstmogelijkheden voor torsk, kabeljauw, scharretong, zeeduivel, schelvis, wijting, heek, blauwe leng, leng, langoustine, schol, pollak, koolvis, rog, tong [en doornhaai] in ICES-gebied VII of deelgebieden daarvan, worden beperkt door een verbod om deze soorten in de periode van 1 mei tot en met 31 juli 2011 op de Porcupine Bank te vangen of aan boord te houden. In de desbetreffende vermeldingen in bijlage I wordt naar dit artikel verwezen. 2. Voor de toepassing van dit artikel omvat de Porcupine Bank het gebied dat wordt begrensd door loxodromen die achtereenvolgens de punten met de volgende geografische coördinaten met elkaar verbinden: Punt | Breedtegraad | Lengtegraad | 1 | 52o 27' NB | 12o 19' WL | 2 | 52o 40' NB | 12o 30' WL | 3 | 52o 47' NB | 12o 39.600' WL | 4 | 52o 47' NB | 12o 56' WL | 5 | 52o 13,5' NB | 13° 53.830' WL | 6 | 51° 22' NB | 14° 24' WL | 7 | 51° 22' NB | 14° 03' WL | 8 | 52o 10' NB | 13° 25' WL | 9 | 52o 32' NB | 13° 07,500' WL | 10 | 52o 43' NB | 12o 55' WL | 11 | 52o 43' NB | 12o 43' WL | 12 | 52o 38.800' NB | 12o 37' WL | 13 | 52o 27' NB | 12o 23' WL | 14 | 52o 27' NB | 12o 19' WL | 3. Artikel 50, leden 3, 4 en 5, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 is van toepassing in het in lid 2 omschreven gebied. Artikel 12 Gegevensverstrekking Wanneer de lidstaten overeenkomstig de artikelen 33 en 34 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 gegevens met betrekking tot de aanlanding van hoeveelheden gevangen vis aan de Commissie doen toekomen, gebruiken zij daarvoor de in bijlage I bij de onderhavige verordening vermelde bestandscodes. HOOFDSTUK II VISMACHTIGINGEN IN WATEREN VAN DERDE LANDEN ARTIKEL 13 Vismachtigingen 1. Het maximum aantal vismachtigingen voor EU-vaartuigen in wateren van derde landen wordt vastgesteld in bijlage III. 2. Indien een lidstaat quota in de in bijlage III genoemde visserijzones op basis van artikel 20, lid 5, van Verordening (EG) nr. 2371/2002 aan een andere lidstaat overdraagt (uitwisseling of "swap"), worden daarbij ook de overeenkomstige vismachtigingen overgedragen en wordt de Commissie hiervan in kennis gesteld. Het in bijlage III vastgestelde totale aantal vismachtigingen per visserijzone mag echter niet worden overschreden. HOOFDSTUK III VANGSTMOGELIJKHEDEN IN WATEREN VAN REGIONALE ORGANISATIES VOOR VISSERIJBEHEER AFDELING 1 GEBIED VAN HET INTERNATIONAAL VERDRAG VOOR DE INSTANDHOUDING VAN ATLANTISCHE TONIJNEN (ICCAT) ARTIKEL 14 Beperkingen van de visserij en van de kweek- en mestcapaciteit voor blauwvintonijn 1. Het aantal met de hengel of de sleeplijn vissende EU-vaartuigen die in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan actief op blauwvintonijn tussen 8 kg/75 cm en 30 kg/115 cm mag vissen, wordt beperkt overeenkomstig punt 1 van bijlage IV. 2. Het aantal vaartuigen dat in het kader van de EU-ambachtelijke kustvisserij in de Middellandse Zee actief op blauwvintonijn tussen 8 kg/75 cm en 30 kg/115 cm mag vissen, wordt beperkt overeenkomstig punt 2 van bijlage IV. 3. Het aantal EU-vaartuigen dat in de Adriatische Zee actief op blauwvintonijn tussen 8 kg/75 cm en 30 kg/115 cm mag vissen voor kweekdoeleinden, wordt beperkt overeenkomstig punt 3 van bijlage IV. 4. Het aantal en de totale capaciteit in brutoton van de vissersvaartuigen die in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee op blauwvintonijn mogen vissen, deze aan boord mogen houden en mogen overladen, vervoeren of aanlanden, wordt beperkt overeenkomstig punt 4 van bijlage IV. 5. Het aantal tonnara's dat in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee wordt gebruikt bij de visserij op blauwvintonijn, wordt beperkt overeenkomstig punt 5 van bijlage IV. 6. De capaciteit voor het kweken en mesten van blauwvintonijn, alsmede de maximumhoeveelheid in het wild gevangen blauwvintonijn die wordt toegewezen aan kweek- en mestbedrijven in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee, wordt beperkt overeenkomstig punt 6 van bijlage IV. Artikel 15 Aanvullende voorwaarden voor de in bijlage ID toegekende quota voor blauwvintonijn Onverminderd de in artikel 7, lid 2, van Verordening (EG) nr. 302/2009 vastgestelde verbodsperiode is het in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee van 15 april tot en met 15 mei 2011 verboden met ringzegenvaartuigen op blauwvintonijn te vissen. Artikel 16 Recreatie- en sportvisserij De lidstaten kennen een specifiek quotum van de hun in bijlage ID toegekende quota voor blauwvintonijn toe aan de recreatie- en sportvisserij. Artikel 17 Haaien 1. In alle visserijtakken geldt een verbod op het aan boord houden, overladen en aanlanden van delen van of volledige karkassen van grootoogvoshaaien ( Alopias superciliosus ). 2. Het is verboden gericht te vissen op voshaaisoorten van het geslacht Alopias . Afdeling 2 GEBIED VAN HET VERDRAG INZAKE DE INSTANDHOUDING VAN DE LEVENDE RIJKDOMMEN IN DE ANTARCTISCHE WATEREN (CCAMLR) ARTIKEL 18 Verbodsbepalingen en vangstbeperkingen 1. Gerichte visserij op de in bijlage V, deel A, vermelde soorten is verboden in de daarin aangegeven zones en perioden. 2. Voor nieuwe en experimentele visserij worden de beperkingen van de TAC's en de bijvangsten per deelgebied vastgelegd in bijlage V, deel B. Artikel 19 Experimentele visserij 1. EU-vaartuigen die bij de CCAMLR zijn aangemeld overeenkomstig de artikelen 7 en 7 bis van Verordening (EG) nr. 601/2004, mogen deelnemen aan de experimentele visserij met de beug op Dissostichus spp. in de FAO-deelgebieden 88.1 en 88.2 en in de sectoren 58.4.1 en 58.4.2 buiten gebieden onder nationale jurisdictie. 2. De beperkingen van de TAC's en de bijvangsten in de FAO-deelgebieden 88.1 en 88.2 en in de sectoren 58.4.1 en 58.4.2 en de verdeling daarvan over de kleine onderzoeksvakken (Small Scale Research Units, SSRU's) in elk gebied worden vastgesteld in bijlage V, deel B. De visserijactiviteiten in een SSRU worden stopgezet zodra de gemelde vangsten de geldende vangstbeperking hebben bereikt, waarna dit vak voor de rest van het seizoen voor de visserij wordt gesloten. 3. De visserijactiviteiten vinden plaats in een zo groot mogelijk geografisch gebied en op zo veel verschillende diepten als mogelijk om de nodige informatie te verzamelen voor het bepalen van het visserijpotentieel en om overconcentratie van vangsten en visserijinspanning te voorkomen. In de FAO-deelgebieden 88.1 en 88.2 en in de sectoren 58.4.1 en 58.4.2 is het echter verboden om te vissen op diepten van minder dan 550 m. Artikel 20 Visserij op Antarctisch krill in het visseizoen 2011/2012 1. Uitsluitend de lidstaten die lid zijn van de CCAMLR mogen tijdens het visseizoen 2011/2012 in het CCAMLR-verdragsgebied op Antarctisch krill ( Euphausia superba ) vissen. Lidstaten die voornemens zijn om in het CCAMLR-verdragsgebied op Antarctisch krill te vissen, stellen het CCAMLR-secretariaat en de Commissie overeenkomstig artikel 5 bis van Verordening (EG) nr. 601/2004 uiterlijk op 1 juni 2011 in kennis van: a) hun voornemen om op Antarctisch krill te vissen, waarbij zij gebruik maken van het in bijlage V, deel C, vastgestelde formulier; b) de vorm van de netten, waarbij zij gebruik maken van het in bijlage V, deel D, vastgestelde formulier. 2. De in lid 1 vermelde kennisgeving omvat de in artikel 3 van Verordening (EG) nr. 601/2004 bedoelde informatie voor elk vaartuig dat van de lidstaat toestemming krijgt om aan de visserij op Antarctisch krill deel te nemen. 3. De lidstaten die voornemens zijn om in het CCAMLR-verdragsgebied de visserij op Antarctisch krill te beoefenen, geven alleen kennis van de vaartuigen met vergunning die ten tijde van de kennisgeving hun vlag voeren. 4. De lidstaten mogen toestaan dat een ander vaartuig dan de overeenkomstig de leden 1, 2 en 3 aan de CCAMLR gemelde vaartuigen, deelneemt aan de visserij op Antarctisch krill, wanneer een vaartuig met vergunning om legitieme operationele redenen of vanwege overmacht niet aan die visserij kan deelnemen. De betrokken lidstaten brengen in dat geval het CCAMLR-secretariaat en de Commissie onverwijld op de hoogte, met opgave van: a) alle bijzonderheden over het vervangende vaartuig (of de vervangende vaartuigen), inclusief de in artikel 3 van Verordening (EG) nr. 601/2004 bedoelde informatie; b) een volledig overzicht van de redenen voor de vervanging, alsmede van alle relevante ondersteunende bewijsstukken of referenties. 5. De lidstaten staan niet toe dat een vaartuig dat voorkomt op één van de door de CCAMLR vastgestelde lijsten van IOO-vaartuigen, aan de visserij op Antarctisch krill deelneemt. Afdeling 3 GEBIED VAN DE COMMISSIE VOOR DE TONIJNVISSERIJ IN DE INDISCHE OCEAAN (IOTC) ARTIKEL 21 Beperking van de visserijcapaciteit van vaartuigen die in het IOTC-gebied vissen 1. Het maximum aantal EU-vaartuigen dat in het IOTC-gebied op tropische tonijn vist, en de overeenkomstige in brutotonnage (GT) uitgedrukte capaciteit, wordt vastgesteld in bijlage VI, punt 1. 2. Het maximum aantal EU-vaartuigen dat in het IOTC-gebied op zwaardvis ( Xiphias gladius ) en witte tonijn ( Thunnus alalunga ) vist, en de overeenkomstige in GT uitgedrukte capaciteit, worden vastgesteld in bijlage VI, punt 2. 3. De lidstaten kunnen vaartuigen die zijn toegewezen aan één van de twee in de leden 1 en 2 bedoelde visserijtakken opnieuw toewijzen aan de andere visserijtak, mits zij ten genoegen van de Commissie kunnen aantonen dat deze wijziging niet tot een stijging van de visserijinspanning voor de betrokken visbestanden leidt. 4. De lidstaten zorgen er bij een voorgestelde overdracht van capaciteit naar hun vloot voor dat de over te dragen vaartuigen voorkomen in het vaartuigenregister van de IOTC of van andere regionale tonijnvisserijorganisaties. Vaartuigen die voorkomen op de lijst van vaartuigen die illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserijactiviteiten verrichten (IOO-vaartuigen) van een regionale organisatie voor visserijbeheer, mogen niet worden overgedragen. Rekening houdend met de uitvoering van de bij de IOTC ingediende ontwikkelingsplannen, kunnen de lidstaten de in dit artikel bedoelde maxima van de visserijcapaciteit slechts verhogen binnen de in die ontwikkelingsplannen bepaalde grenzen. Artikel 22 Haaien 1. In alle visserijtakken geldt een verbod op het aan boord houden, overladen en aanlanden van delen van of volledige karkassen van alle voshaaisoorten van de familie Alopiidae . 2. De in lid 1 bedoelde soorten worden voor zover mogelijk onverwijld en ongedeerd teruggezet. Afdeling 4 GEBIED VAN DE REGIONALE ORGANISATIE VOOR HET VISSERIJBEHEER IN HET ZUIDELIJKE DEEL VAN DE STILLE OCEAAN (SPRFMO) Artikel 23 Pelagische visserij - capaciteitsbeperking De lidstaten die in 2007, 2008 of 2009 actief pelagische visserijactiviteiten hebben uitgeoefend in het SPRFMO-verdragsgebied, beperken de totale brutotonnage (GT) van de vaartuigen die hun vlag voeren en die op pelagische bestanden vissen in 2011 tot het niveau van 78610 GT in dat gebied, en wel zodanig dat de duurzame exploitatie van de pelagische visbestanden in het zuidelijke deel van de Stille Oceaan is gewaarborgd. Artikel 24 Pelagische visserij - TAC's 1. Alleen de lidstaten die in 2007, 2008 of 2009 actief pelagische visserijactiviteiten hebben uitgeoefend in het SPRFMO-verdragsgebied zoals omschreven in artikel 23, mogen in dat gebied op pelagische bestanden vissen met inachtneming van de in bijlage IJ vastgestelde TAC's. 2. De lidstaten stellen de Commissie maandelijks in kennis van de naam en de kenmerken, met inbegrip van de brutotonnage (GT), van hun vaartuigen die betrokken zijn bij de in dit artikel bedoelde visserij. 3. Voor het toezicht op de in dit artikel bedoelde visserij sturen de lidstaten de Commissie, ter toezending aan het interim-secretariaat van de SPRFMO, VMS-gegevens, maandelijkse vangstaangiften en, indien voorhanden, gegevens over aanloophavens uiterlijk de 15e dag van de maand na die waarop de gegevens betrekking hebben. Artikel 25 Bodemvisserij De lidstaten beperken de bodemvisserijinspanning of de uit die visserij voortkomende vangsten in het SPRFMO-verdragsgebied tot het gemiddelde van de jaarlijkse hoeveelheden in de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 december 2006, wat betreft het aantal vissersvaartuigen en andere parameters die een maatstaf zijn voor de vangsthoeveelheid, de visserijinspanning en de visserijcapaciteit, en tot de delen van het SPRFMO-verdragsgebied waar tijdens het vorige visseizoen bodemvisserij heeft plaatsgevonden. Afdeling 5 GEBIED VAN DE INTERAMERIKAANSE COMMISSIE VOOR TROPISCHE TONIJN (IATTC) Artikel 26 Ringzegenvisserij 1. De visserij met ringzegens op geelvintonijn ( Thunnus albacares ), grootoogtonijn ( Thunnus obesus ) en gestreepte tonijn ( Katsuwonus pelamis ) is verboden: a) hetzij van 29 juli tot en met 28 september 2011, hetzij van 18 november 2011 tot en met 18 januari 2012 in het gebied dat wordt begrensd door: de kustlijnen van Amerika langs de Stille Oceaan, lengtegraad 150° WL, breedtegraad 40° NB, breedtegraad 40° ZB; b) van 29 september tot en met 29 oktober 2011 in het gebied dat wordt begrensd door: lengtegraad 96° WL, lengtegraad 110° WL, breedtegraad 4° NB, breedtegraad 3° ZB. 2. De betrokken lidstaten delen de Commissie vóór 1 april 2011 de in lid 1, onder a), bedoelde periode mee waarin de visserijactiviteiten worden stilgelegd. Alle ringzegenvissers van de betrokken lidstaten moeten de visserij met de ringzegen in het beschreven gebied en gedurende de vastgestelde periode stopzetten. 3. Ringzegenvissers die in het IATTC-gebied vissen, moeten alle gevangen geelvintonijnen, grootoogtonijnen en gestreepte tonijnen aan boord houden en aanlanden, behalve vis die om andere redenen dan de grootte als ongeschikt voor menselijke consumptie wordt beschouwd. Eén uitzondering vormt de laatste trek van een reis, wanneer misschien onvoldoende ruimte is overgebleven om alle bij die trek gevangen tonijn op te slaan. Afdeling 6 GEBIED VAN DE ORGANISATIE VOOR DE VISSERIJ IN HET ZUIDOOSTELIJK DEEL VAN DE ATLANTISCHE OCEAAN (SEAFO) Artikel 27 Maatregelen ter bescherming van diepzeehaaien De gerichte visserij op de volgende diepzeehaaien in het SEAFO-verdragsgebied is verboden: - roggen ( Rajidae ), - doornhaai ( Squalus acanthias ), - gevlekte gladde lantaarnhaai ( Etmopterus bigelowi ), - kortstaartlantaarnhaai ( Etmopterus brachyurus ), - grote lantaarnhaai ( Etmopterus princeps ), - gladde lantaarnhaai ( Etmopterus pusillus ), - spookkathaai ( Apristurus manis ), - fluweelijshaai ( Scymnodon squamulosus ) - en diepzeehaaien van de superorde Selachimorpha . Afdeling 7 GEBIED VAN DE COMMISSIE VOOR DE VISSERIJ IN DE WESTELIJKE EN CENTRALE STILLE OCEAAN (WCPFC) ARTIKEL 2 8 Beperkingen van de visserijinspanning voor geelvintonijn, grootoogtonijn, gestreepte tonijn en witte tonijn/zuidelijke geelvintonijn? De lidstaten zien erop toe dat de totale inspanning bij de visserij op grootoogtonijn ( Thunnus obesus ), geelvintonijn ( Thunnus albacares ), gestreepte tonijn ( Katsuwonus pelamis ) en witte tonijn? ( Thunnus alalunga ) in het WCPFC-gebied wordt beperkt tot de visserijinspanning die in partnerschapsovereenkomsten tussen de Unie en kuststaten in de regio is overeengekomen. Artikel 29 Gesloten gebied voor de visserij met visconcentratievoorzieningen (FAD's) 1. In het gedeelte van het WCPFC-gebied tussen 20°NB en 20°ZB zijn visserijactiviteiten van ringzegenvaartuigen die gebruik maken van FAD's verboden tussen 1 juli 2011, 00.00 uur en 30 september 2011, 24.00 uur. In die periode mogen ringzegenvaartuigen in dat gedeelte van het WCPFC-gebied alleen visserijactiviteiten verrichten indien zich aan boord een waarnemer bevindt die erop toeziet dat het vaartuig op geen enkel ogenblik: a) een FAD of soortgelijk elektronisch apparaat gebruikt of in dienst heeft; b) met behulp van FAD's vist op scholen. 2. Alle ringzegenvaartuigen die in het in lid 1 bedoelde gedeelte van het WCPFC-gebied vissen, houden alle gevangen grootoogtonijn, geelvintonijn en gestreepte tonijn aan boord en landen deze aan of laden deze over. 3. Lid 2 geldt niet in de volgende gevallen: a) tijdens de laatste trek van een visreis, indien onvoldoende ruimte is overgebleven om al deze vis op te slaan; b) wanneer de vis om andere dan met de grootte verband houdende redenen niet geschikt is voor menselijke consumptie; dan wel c) wanneer zich een ernstige storing van de koelinstallatie voordoet. Artikel 3 0 Gesloten gebieden voor de ringzegenvisserij De visserij met ringzegens op grootoogtonijn en geelvintonijn is verboden in de volgende, in volle zee gelegen gebieden: a) de internationale wateren die worden afgebakend door de grenzen van de exclusieve economische zones van Indonesië, Palau, Micronesië en Papoea-Nieuw-Guinea; b) de internationale wateren die worden afgebakend door de grenzen van de exclusieve economische zones van Micronesië, de Marshall-eilanden, Nauru, Kiribati, Tuvalu, Fiji, de Salomon-eilanden en Papoea-Nieuw-Guinea. Artikel 3 1 Beperking van het aantal vaartuigen dat op zwaardvis mag vissen Het maximum aantal EU-vaartuigen dat in de gebieden bezuiden 20° ZB van het WCPFC-gebied op zwaardvis ( Xiphias gladius ) mag vissen, wordt vastgesteld in bijlage VII. Afdeling 8 BERINGZEE Artikel 32 Verbod op de visserij in de volle zee van de Beringzee De visserij op alaskakoolvis ( Theragra chalcogramma ) in de volle zee van de Beringzee is verboden. TITEL III VANGSTMOGELIJKHEDEN VOOR VAARTUIGEN VAN DERDE LANDEN IN EU-WATEREN ARTIKEL 3 3 TAC's Vissersvaartuigen die de vlag voeren van Noorwegen, alsook vissersvaartuigen die op de Faeröer geregistreerd staan, mogen, met inachtneming van de in bijlage I vastgestelde TAC's en de in hoofdstuk III van Verordening (EG) nr. 1006/2008 en de onderhavige titel vastgestelde voorwaarden, in EU-wateren vissen. Artikel 3 4 Vismachtigingen 1. Het maximum aantal vismachtigingen voor vaartuigen van derde landen die in EU-wateren vissen, wordt vastgesteld in bijlage VIII. 2. Vis van bestanden waarvoor TAC's zijn vastgesteld, mag slechts aan boord worden gehouden of aangeland mits die vis is gevangen met vaartuigen van derde landen die een quotum hebben en dat quotum niet is opgebruikt. Artikel 3 5 Verboden soorten 1. Het is vaartuigen van derde landen verboden de onderstaande soorten te vangen, aan boord te houden, over te laden en aan te landen: a) reuzenhaai ( Cetorinhus maximus ) en witte haai ( Carcharodon carcharias ) in alle EU-wateren; b) zee-engel ( Squatina squatina ) in alle EU-wateren; c) vleet ( Dipturus batis ) in de EU-wateren van de ICES-zones IIa, III, IV, VI, VII, VIII, IX en X; en d) golfrog ( Raja undulata ) en witte rog ( Rostroraja alba ) in de EU-wateren van de ICES-zones VI, VII, VIII, IX en X. 2. De in lid 1 bedoelde soorten worden voor zover mogelijk onverwijld en ongedeerd teruggezet. TITEL IV SLOTBEPALINGEN ARTIKEL 3 6 Inwerkingtreding en toepassing Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie . Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2011. Op vangstmogelijkheden voor het CCAMLR-gebied die gelden voor perioden die ingaan vóór 1 januari 2011, zijn de artikelen 18, 19 en 20 en de bijlagen IE en V van toepassing met ingang van de datum waarop de betrokken vangstmogelijkheden van toepassing zijn. Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat. Gedaan te Brussel, Voor de Raad De voorzitter BIJLAGE I Vangstbeperkingen, per soort en per gebied (in ton levend gewicht, tenzij anders vermeld), voor EU-vaartuigen in gebieden met TAC's en voor vaartuigen van derde landen in de EU-wateren De onderstaande tabellen bevatten de TAC's en quota (in ton levend gewicht, tenzij anders vermeld) per bestand en, in voorkomend geval, de voorwaarden die er functioneel verband mee houden. Alle in deze bijlage vastgestelde TAC's worden als quota beschouwd voor de toepassing van deze verordening en vallen derhalve onder het bepaalde in Verordening (EG) nr. 1224/2009, met name de artikelen 33 en 34. Tenzij anders bepaald zijn de verwijzingen naar visserijzones verwijzingen naar ICES-zones. Per gebied staan de visbestanden vermeld in alfabetische volgorde op de Latijnse naam van de vissoort. In de onderstaande overzichtstabel staan naast de in deze verordening gebruikte wetenschappelijke namen de corresponderende gewone namen vermeld: Wetenschappelijke benaming | Drielettercode | Gewone naam | Amblyraja radiata | RJR | Sterrog | Ammodytes spp. | SAN | Zandspieringen | Argentina silus | ARU | Grote zilvervis | Beryx spp. | ALF | Beryciden | Brosme brosme | USK | Torsk | Centrophorus squamosus | GUQ | Donkere doornhaai | Centroscymnus coelolepis | CYO | Portugese hondshaai | Chaceon maritae | CGE | Rode diepzeekrab | Champsocephalus gunnari | ANI | IJsvis | Chionoecetes spp. | PCR | Sneeuwkrabben | Clupea harengus | HER | Haring | Coryphaenoides rupestris | RNG | Grenadiervis | Dalatias licha | SCK | Zwarte haai | Deania calcea | DCA | Spitssnuitsnavelhaai | Dipturus batis | RJB | Vleet | Dissostichus eleginoides | TOP | Zwarte patagonische ijsheek | Engraulis encrasicolus | ANE | Ansjovis | Etmopterus princeps | ETR | Grote lantaarnhaai | Etmopterus pusillus | ETP | Gladde lantaarnhaai | Euphausia superba | KRI | Antarctisch krill | Gadus morhua | COD | Kabeljauw | Galeorhinus galeus | GAG | Ruwe haai | Glyptocephalus cynoglossus | WIT | Witje | Hippoglossoides platessoides | PLA | Amerikaanse schol | Hippoglossus hippoglossus | HAL | Heilbot | Hoplostethus atlanticus | ORY | Atlantische slijmkop | Illex illecebrosus | SQI | Kortvinnige pijlinktvis | Lamna nasus | POR | Haringhaai | Lepidonotothen squamifrons | NOS | Grijze zuidpoolkabeljauw | Lepidorhombus spp. | LEZ | Scharretongen | Leucoraja circularis | RJI | Zandrog | Leucoraja fullonica | RJF | Kaardrog | Leucoraja naevus | RJN | Grootoogrog | Limanda ferruginea | YEL | Geelstaartschar | Limanda limanda | DAB | Schar | Lophiidae | ANF | Zeeduivels | Macrourus spp. | GRV | Grenadiers | Makaira nigricans | BUM | Blauwe marlijn | Mallotus villosus | CAP | Lodde | Martialia hyadesi | SQS | Pijlinktvis | Melanogrammus aeglefinus | HAD | Schelvis | Merlangius merlangus | WHG | Wijting | Merluccius merluccius | HKE | Heek | Micromesistius poutassou | WHB | Blauwe wijting | Microstomus kitt | LEM | Tongschar | Molva dypterygia | BLI | Blauwe leng | Molva molva | LIN | Leng | Nephrops norvegicus | NEP | Langoustine | Pandalus borealis | PRA | Noordse garnaal | Paralomis spp. | PAI | Krabben | Penaeus spp. | PEN | Peneide garnalen | Platichthys flesus | FLE | Bot | Pleuronectes platessa | PLE | Schol | Pleuronectiformes | FLX | Platvis | Pollachius pollachius | POL | Pollak | Pollachius virens | POK | Koolvis | Psetta maxima | TUR | Tarbot | Raja brachyura | RJH | Blonde rog | Raja clavata | RJC | Stekelrog | Raja (Dipturus) nidarosiensis | JAD | Noorse rog | Raja microocellata | RJE | Kleinoogrog | Raja montagui | RJM | Gevlekte rog | Raja undulata | RJU | Golfrog | Rajiformes - Rajidae | SRX-RAJ | Rogachtigen en roggen | Reinhardtius hippoglossoides | GHL | Groenlandse heilbot/Zwarte heilbot | Rostroraja alba | RJA | Witte rog | Scomber scombrus | MAC | Makreel | Scophthalmus rhombus | SOO | Griet | Sebastes spp. | RED | Roodbaarzen | Solea solea | SOL | Tong | Solea spp. | SOO | Tongen | Sprattus sprattus | SPR | Sprot | Squalus acanthias | DGS | Doornhaai | Tetrapturus albidus | WHM | Witte marlijn | Thunnus maccoyii | SBF | Zuidelijke blauwvintonijn | Thunnus obesus | BET | Grootoogtonijn | Thunnus thynnus | BFT | Blauwvintonijn | Trachurus spp. | JAX | Horsmakrelen | Trisopterus esmarkii | NOP | Kever | Urophycis tenuis | HKW | Witte heek | Xiphias gladius | SWO | Zwaardvis | De onderstaande concordantietabel van gewone benamingen en wetenschappelijke benamingen wordt uitsluitend ter verduidelijking gegeven: Beryciden | ALF | Beryx spp. | Amerikaanse schol | PLA | Hippoglossoides platessoides | Ansjovis | ANE | Engraulis encrasicolus | Zeeduivels | ANF | Lophiidae | IJsvis | ANI | Champsocephalus gunnari | Heilbot | HAL | Hippoglossus hippoglossus | Grootoogtonijn | BET | Thunnus obesus | Spitssnuitsnavelhaai | DCA | Deania calcea | Blonde rog | RJH | Raja brachyura | Blauwe leng | BLI | Molva dypterygia | Blauwe marlijn | BUM | Makaira nigricans | Blauwe wijting | WHB | Micromesistius poutassou | Blauwvintonijn | BFT | Thunnus thynnus | Griet | SOO | Scophthalmus rhombus | Lodde | CAP | Mallotus villosus | Kabeljauw | COD | Gadus morhua | Vleet | RJB | Dipturus batis | Tong | SOL | Solea solea | Krabben | PAI | Paralomis spp. | Grootoogrog | RJN | Leucoraja naevus | Schar | DAB | Limanda limanda | Rode diepzeekrab | CGE | Chaceon maritae | Platvis | FLX | Pleuronectiformes | Bot | FLE | Platichthys flesus | Grote lantaarnhaai | ETR | Etmopterus princeps | Grote zilvervis | ARU | Argentina silus | Groenlandse heilbot/Zwarte heilbot | GHL | Reinhardtius hippoglossoides | Grenadiers | GRV | Macrourus spp. | Grijze zuidpoolkabeljauw | NOS | Lepidonotothen squamifrons | Schelvis | HAD | Melanogrammus aeglefinus | Heek | HKE | Merluccius merluccius | Haring | HER | Clupea harengus | Horsmakrelen | JAX | Trachurus spp. | Zwarte haai | SCK | Dalatias licha | Antarctisch krill | KRI | Euphausia superba | Donkere doornhaai | GUQ | Centrophorus squamosus | Tongschar | LEM | Microstomus kitt | Leng | LIN | Molva molva | Makreel | MAC | Scomber scombrus | Scharretongen | LEZ | Lepidorhombus spp. | Noordse garnaal | PRA | Pandalus borealis | Langoustine | NEP | Nephrops norvegicus | Kever | NOP | Trisopterus esmarkii | Noorse rog | JAD | Raja (Dipturus) nidarosiensis | Atlantische slijmkop | ORY | Hoplostethus atlanticus | Zwarte patagonische ijsheek | TOP | Dissostichus eleginoides | Peneide garnalen | PEN | Penaeus spp. | Schol | PLE | Pleuronectes platessa | Pollak | POL | Pollachius pollachius | Haringhaai | POR | Lamna nasus | Portugese hondshaai | CYO | Centroscymnus coelolepis | Roodbaarzen | RED | Sebastes spp. | Grenadiervis | RNG | Coryphaenoides rupestris | Koolvis | POK | Pollachius virens | Zandspieringen | SAN | Ammodytes spp. | Zandrog | RJI | Leucoraja circularis | Kaardrog | RJF | Leucoraja fullonica | Kortvinnige pijlinktvis | SQI | Illex illecebrosus | Rogachtigen en roggen | SRX-RAJ | Rajiformes - Rajidae | Kleinoogrog | RJE | Raja microocellata | Gladde lantaarnhaai | ETP | Etmopterus pusillus | Sneeuwkrabben | PCR | Chionoecetes spp. | Tongen | SOX | Solea spp. | Zuidelijke blauwvintonijn | SBF | Thunnus maccoyii | Gevlekte rog | RJM | Raja montagui | Sprot | SPR | Sprattus sprattus | Doornhaai | DGS | Squalus acanthias | Pijlinktvis | SQS | Martialia hyadesi | Sterrog | RJR | Amblyraja radiata | Zwaardvis | SWO | Xiphias gladius | Stekelrog | RJC | Raja clavata | Ruwe haai | GAG | Galeorhinus galeus | Tarbot | TUR | Psetta maxima | Torsk | USK | Brosme brosme | Golfrog | RJU | Raja undulata | Witte heek | HKW | Urophycis tenuis | Witte marlijn | WHM | Tetrapturus albidus | Witte rog | RJA | Rostroraja alba | Wijting | WHG | Merlangius merlangus | Witje | WIT | Glyptocephalus cynoglossus | Geelstaartschar | YEL | Limanda ferruginea | BIJLAGE IA Skagerrak, Kattegat, ICES-zones I, II, III, IV, V, VI, VII, VIII, IX, X, XII en XIV, EU-wateren van CECAF en wateren van Frans Guyana Soort: | Zandspiering Ammodytes spp. | Gebied: | Noorse wateren van IV (SAN/04-N.) | Denemarken | pm | Analytische TAC. Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. | Verenigd Koninkrijk | pm | EU | pm | TAC | Niet relevant | Soort: | Zandspiering Ammodytes spp. | Gebied: | EU-wateren van IIa, IIIa en IV(1) (SAN/2A3A4.) | Denemarken | pm | Voorzorgs-TAC | Verenigd Koninkrijk | pm | Duitsland | pm | Zweden | pm | EU | pm | Noorwegen | pm | Faeröer | pm | TAC | pm | (1) Exclusief wateren binnen 6 mijl van de basislijnen van het Verenigd Koninkrijk bij Shetland, Fair Isle en Foula. (2) Te vangen in zone IV. | Soort: | Grote zilvervis Argentina silus | Gebied: | EU-wateren en internationale wateren van I en II (ARU/1/2.) | Duitsland | 25 | Voorzorgs-TAC | Frankrijk | 8 | Nederland | 20 | Verenigd Koninkrijk | 42 | EU | 95 | TAC | 95 | Soort: | Grote zilvervis Argentina silus | Gebied: | EU-wateren van III en IV (ARU/3/4.) | Denemarken | 963 | Voorzorgs-TAC | Duitsland | 10 | Frankrijk | 7 | Ierland | 7 | Nederland | 45 | Zweden | 37 | Verenigd Koninkrijk | 17 | EU | 1 086 | TAC | 1 086 | Soort: | Grote zilvervis Argentina silus | Gebied: | EU-wateren en internationale wateren van V, VI en VII (ARU/567.) | Duitsland | 330 | Voorzorgs-TAC | Frankrijk | 7 | Ierland | 306 | Nederland | 3 449 | Verenigd Koninkrijk | 242 | EU | 4 334 | TAC | 4 334 | Soort: | Torsk Brosme brosme | Gebied: | EU-wateren en internationale wateren van I, II en XIV (USK/1214EI.) | Duitsland | 6 | (1) | Analytische TAC | Frankrijk | 6 | (1) | Verenigd Koninkrijk | 6 | (1) | Overige | 3 | (1) | EU | 21 | (1) | TAC | 21 | (1) Uitsluitend voor bijvangsten. Uit hoofde van dit quotum is gerichte visserij niet toegestaan. | Soort: | Torsk Brosme brosme | Gebied: | IIIa; EU-wateren van IIIb, IIIc en deelsectoren 22-32 (USK/03-C.) | Denemarken | 12 | Analytische TAC | Zweden | 6 | Duitsland | 6 | EU | 24 | TAC | 24 | Soort: | Torsk Brosme brosme | Gebied: | EU-wateren van IV (USK/04-C.) | Denemarken | 53 | Analytische TAC | Duitsland | 16 | Frankrijk | 37 | Zweden | 5 | Verenigd Koninkrijk | 80 | Overige | 5 | (1) | EU | 196 | TAC | 196 | (1) Uitsluitend voor bijvangsten. Uit hoofde van dit quotum is gerichte visserij niet toegestaan. | Soort: | Torsk Brosme brosme | Gebied: | EU-wateren en internationale wateren van V, VI en VII (USK/567EI.) | Duitsland | pm | Analytische TAC Artikel 11 is van toepassing. | Spanje | pm | Frankrijk | pm | Ierland | pm | Verenigd Koninkrijk | pm | Overige | pm | (1) | EU | pm | Noorwegen(2) | pm | (3)(4) | TAC | 3 217 | (1) Uitsluitend voor bijvangsten. Uit hoofde van dit quotum is gerichte visserij niet toegestaan. (2) Te vangen in de EU-wateren van IIa, IV, Vb, VI en VII. (3) Waarvan in bijvangsten van andere soorten tot pm % per vaartuig, op elk moment, in Vb, VI en VII is toegestaan. In de eerste 24 uur na het begin van de visserijactiviteiten op een bepaalde visgrond mag dit percentage evenwel worden overschreden. De totale bijvangsten van andere soorten in Vb, VI en VII mogen niet meer bedragen dan pm ton. (4) Inclusief leng. De quota voor Noorwegen zijn pm ton leng en pm ton torsk en mogen tot pm ton onderling gewisseld worden. De betrokken soorten mogen alleen met beuglijnen in Vb, VI en VII worden gevangen. | Soort: | Torsk Brosme brosme | Gebied: | Noorse wateren van IV (USK/04-N.) | België | pm | Analytische TAC | Denemarken | pm | Duitsland | pm | Frankrijk | pm | Nederland | pm | Verenigd Koninkrijk | pm | EU | pm | TAC | Niet relevant | (1) Uitsluitend voor bijvangsten. Uit hoofde van dit quotum is gerichte visserij niet toegestaan. (2) Te vangen in de EU-wateren van IIa, IV, Vb, VI en VII. (3) Waarvan in bijvangsten van andere soorten tot pm % per vaartuig, op elk moment, in Vb, VI en VII is toegestaan. In de eerste 24 uur na het begin van de visserijactiviteiten op een bepaalde visgrond mag dit percentage evenwel worden overschreden. De totale bijvangsten van andere soorten in Vb, VI en VII mogen niet meer bedragen dan pm ton. (4) Inclusief leng. De quota voor Noorwegen zijn pm ton leng en pm ton torsk en mogen tot pm ton onderling gewisseld worden. De betrokken soorten mogen alleen met beuglijnen in Vb, VI en VII worden gevangen. | Soort: | Haring(1) Clupea harengus | Gebied: | IIIa (HER/03A.) | Denemarken | pm | Analytische TAC | Duitsland | pm | Zweden | pm | EU | pm | Faeröer | pm | (2) | TAC | pm | (1) Aanlanding van haring gevangen met vistuig met een maaswijdte gelijk aan of groter dan 32 mm. (2) Te vangen in het Skagerrak. | Soort: | Haring(1) Clupea harengus | Gebied: | EU-wateren en Noorse wateren van IV benoorden 53°30'NB (HER/04AB.) | Denemarken | pm | Analytische TAC Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. | Duitsland | pm | Frankrijk | pm | Nederland | pm | Zweden | pm | Verenigd Koninkrijk | pm | EU | pm | Noorwegen | pm | (2) | TAC | pm | (1) Aanlanding van haring gevangen met vistuig met een maaswijdte gelijk aan of groter dan 32 mm. Elke lidstaat moet zijn aanlanding van haring aan de Commissie melden, uitgesplitst naar IVa en IVb. (2) Mag in EU-wateren worden gevangen. Binnen dit quotum gedane vangsten moeten in mindering worden gebracht op het Noorse TAC-aandeel. | Bijzondere voorwaarde: | Binnen de limieten van de bovenstaande quota mag in het onderstaande gebied niet meer worden gevangen dan de hieronder opgegeven hoeveelheden: | Noorse wateren bezuiden 62°NB (HER/*04N-) | EU | pm | Soort: | Haring(1) Clupea harengus | Gebied: | Noorse wateren bezuiden 62°NB (HER/04-N.) | Zweden | pm | (1) | Analytische TAC Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. | EU | pm | TAC | pm | (1) Bijvangsten van kabeljauw, schelvis, pollak, wijting en koolvis worden in mindering gebracht op de quota voor deze soorten. | Soort: | Haring(1) Clupea harengus | Gebied: | Bijvangsten in IIIa (HER/03A-BC) | Denemarken | pm | Analytische TAC Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. | Duitsland | pm | Zweden | pm | EU | pm | TAC | pm | (1) Aanlanding van haring gevangen met vistuig met een maaswijdte kleiner dan 32 mm. | Soort: | Haring(1) Clupea harengus | Gebied: | Bijvangsten in IV, VIId en in EU-wateren van IIa (HER/2A47DX) | België | pm | Analytische TAC Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. | Denemarken | pm | Duitsland | pm | Frankrijk | pm | Nederland | pm | Zweden | pm | Verenigd Koninkrijk | pm | EU | pm | TAC | pm | (1) Aanlanding van haring gevangen met vistuig met een maaswijdte kleiner dan 32 mm. | Soort: | Haring(1) Clupea harengus | Gebied: | IVc, VIId (2) (HER/4CXB7D) | België | pm | (3) | Analytische TAC Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. | Denemarken | pm | (3) | Duitsland | pm | (3) | Frankrijk | pm | (3) | Nederland | pm | (3) | Verenigd Koninkrijk | pm | (3) | EU | pm | TAC | pm | (1) Aanlanding van haring gevangen met vistuig met een maaswijdte gelijk aan of groter dan 32 mm. (2) Uitgezonderd het Blackwater-bestand: het gaat om het haringbestand in het maritieme deel van de Theemsmonding in een gebied dat wordt begrensd door een loxodroom die rechtwijzend zuid gaat vanaf Landguard Point (51°56' NB, 1°19,1' OL) tot 51°33' NB en vandaar rechtwijzend west naar een punt op de kust van het Verenigd Koninkrijk. (3) Tot 50% van dit quotum mag worden gevangen in IVb. Gebruikmaking van deze bijzondere voorwaarde moet evenwel vooraf aan de Commissie worden gemeld (HER*04B.). | Soort: | Haring Clupea harengus | Gebied: | EU-wateren en internationale wateren van Vb, VIb en VIaN(1) (HER/5B6ANB) | Duitsland | pm | Analytische TAC | Frankrijk | pm | Ierland | pm | Nederland | pm | Verenigd Koninkrijk | pm | EU | pm | Faeröer | pm | (2) | TAC | 22 481 | (1) Bedoeld is het haringbestand in VIa, benoorden 56°00' NB, en in het gedeelte van VIa ten oosten van 07°00' WL en benoorden 55°00' NB, met uitzondering van de Clyde. (2) Mag uitsluitend in VIa benoorden 56°30° NB worden gevangen. | Soort: | Haring Clupea harengus | Gebied: | VIIb; VIIc; VIaS(1) (HER/6AS7BC) | Ierland | 3 387 | Nederland | 339 | EU | 3 726 | TAC | 3 726 | (1) Bedoeld is het haringbestand in VIa, ten zuiden van 56° 00° NB en ten westen van 07° 00° WL. | Soort: | Haring Clupea harengus | Gebied: | VI Clyde (1) (HER/06ACL.) | Verenigd Koninkrijk | Niet vastgesteld | (2) | Voorzorgs-TAC | EU | Niet vastgesteld | (3) | TAC | Niet vastgesteld | (3) | (1) Clyde-bestand: haringbestand in het zeegebied ten noordoosten van een lijn tussen Mull of Kintyre en Corsewall Point. (2) Door de betrokken lidstaat vast te stellen op een niveau dat consistent is met de duurzame exploitatie van het bestand en dat naar alle waarschijnlijkheid zal resulteren in een exploitatie die consistent is met de maximale duurzame opbrengst vanaf 2015. De betrokken lidstaat stelt de Commissie uiterlijk op 28 februari 2011 in kennis van het vastgestelde niveau en de geplande beheersmaatregelen om te voldoen aan de vorengenoemde beginselen en doelstellingen. (3) Vastgesteld op het in voetnoot 2 bedoelde niveau. | Soort: | Haring Clupea harengus | Gebied: | VIIa (1) (HER/07A/MM) | Ierland | 1 250 | Analytische TAC | Verenigd Koninkrijk | 3 550 | EU | 4 800 | TAC | 4 800 | (1) VIIa wordt verminderd met het gebied dat is toegevoegd aan VIIg, VIIh, VIIj en VIIk en dat wordt begrensd: – in het noorden door de breedtegraad 52° 30' NB, – in het zuiden door de breedtegraad 52° 00' NB, – in het westen door de kust van Ierland, – in het oosten door de kust van het Verenigd Koninkrijk. | Soort: | Haring Clupea harengus | Gebied: | VIIe en VIIf (HER/7EF.) | Frankrijk | 425 | Voorzorgs-TAC | Verenigd Koninkrijk | 425 | EU | 850 | TAC | 850 | Soort: | Haring Clupea harengus | Gebied: | VIIg(1), VIIh(1), VIIj(1) en VIIk (1) (HER/7G-K.) | Duitsland | 147 | Analytische TAC | Frankrijk | 815 | Ierland | 11 407 | Nederland | 815 | Verenigd Koninkrijk | 16 | EU | 13 200 | TAC | 13 200 | (1) Deze zone wordt uitgebreid met het gebied dat wordt begrensd: – in het noorden door de breedtegraad 52° 30' NB, – in het zuiden door de breedtegraad 52° 00' NB, – in het westen door de kust van Ierland, – in het oosten door de kust van het Verenigd Koninkrijk. | Soort: | Ansjovis Engraulis encrasicolus | Gebied: | IX en X; EU-wateren van CECAF 34.1.1 (ANE/9/3411) | Spanje | 3 252 | Analytische TAC | Portugal | 3 548 | EU | 6 800 | TAC | 6 800 | Soort: | Kabeljauw Gadus morhua | Gebied: | Skagerrak (COD/03AN.) | België | pm | (1) | Analytische TAC Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. | Denemarken | pm | (1) | Duitsland | pm | (1) | Nederland | pm | (1) | Zweden | pm | (1) | EU | pm | TAC | pm | [(1) Met toestemming van de lidstaten mogen vaartuigen die deelnemen aan initiatieven met betrekking tot volledig gedocumenteerde visserij, bovenop dit quotum extra vangsten verrichten voor een hoeveelheid die niet groter is dan 5% van het aan de betrokken lidstaat toegewezen quotum, op voorwaarde dat: - het vaartuig gebruik maakt van aan een sensorsysteem gekoppelde camera’s in een gesloten televisiecircuit (CCTV) waarmee alle visserij- en verwerkingsacitviteiten die aan boord van het vaartuig plaatsvinden, worden geregistreerd; - alle kabeljauwvangsten van dat vaartuig in mindering worden gebracht op het quotum, met inbegrip van de soorten die kleiner zijn dan de minimale aanlandingsmaat; - de extra vangsten niet meer bedragen dan 30% van de normale vangstbeperking die op een dergelijk vaartuig van toepassing is, of niet groter zijn dan een hoeveelheid die in die zin kan worden gerechtvaardigd dat de visserijmortaliteit van het kabeljauwbestand gegarandeerd niet zal toenemen. Wanneer een lidstaat constateert dat een aan het initiatief deelnemend vaartuig niet aan de bovenvermelde voorwaarden voldoet, trekt deze lidstaat de toestemming die hij aan dat vaartuig heeft gegeven om extra vangsten te verrichten, in en sluit hij dat vaartuig uit van verdere deelname aan het initiatief.] | Soort: | Kabeljauw Gadus morhua | Gebied: | Kattegat (COD/03AS.) | Denemarken | 118 | Analytische TAC | Duitsland | 2 | Zweden | 70 | EU | 190 | TAC | 190 | Soort: | Kabeljauw Gadus morhua | Gebied: | IV; EU-wateren van IIa; het gedeelte van IIIa dat niet bij het Skagerrak en het Kattegat hoort (COD/2A3AX4) | België | pm | (1) | Analytische TAC Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. | Denemarken | pm | (1) | Duitsland | pm | (1) | Frankrijk | pm | (1) | Nederland | pm | (1) | Zweden | pm | (1) | Verenigd Koninkrijk | pm | (1) | EU | pm | Noorwegen | pm | (2) | TAC | pm | [(1) Met toestemming van de lidstaten mogen vaartuigen die deelnemen aan initiatieven met betrekking tot volledig gedocumenteerde visserij, bovenop dit quotum extra vangsten verrichten voor een hoeveelheid die niet groter is dan 5% van het aan de betrokken lidstaat toegewezen quotum, op voorwaarde dat: het vaartuig gebruik maakt van aan een sensorsysteem gekoppelde camera’s in een gesloten televisiecircuit (CCTV) waarmee alle visserij- en verwerkingsacitviteiten die aan boord van het vaartuig plaatsvinden, worden geregistreerd; alle kabeljauwvangsten van dat vaartuig in mindering worden gebracht op het quotum, met inbegrip van de soorten die kleiner zijn dan de minimale aanlandingsmaat; de extra vangsten niet meer bedragen dan 30% van de normale vangstbeperking die op een dergelijk vaartuig van toepassing is, of niet groter zijn dan een hoeveelheid die in die zin kan worden gerechtvaardigd dat de visserijmortaliteit van het kabeljauwbestand gegarandeerd niet zal toenemen. Wanneer een lidstaat constateert dat een aan het initiatief deelnemend vaartuig niet aan de bovenvermelde voorwaarden voldoet, trekt deze lidstaat de toestemming die hij aan dat vaartuig heeft gegeven om extra vangsten te verrichten, in en sluit hij dat vaartuig uit van verdere deelname aan het initiatief.] (2) Mag in EU-wateren worden gevangen. Binnen dit quotum gedane vangsten moeten in mindering worden gebracht op het Noorse TAC-aandeel. | Bijzondere voorwaarde: | Binnen de limieten van de bovenstaande quota mag in het onderstaande gebied niet meer worden gevangen dan de hieronder opgegeven hoeveelheden: | Noorse wateren van IV (COD/*04N-) | EU | pm | Soort: | Kabeljauw Gadus morhua | Gebied: | Noorse wateren bezuiden 62°NB (COD/04-N.) | Zweden | pm | (1) | Analytische TAC Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. | EU | pm | TAC | Niet relevant | (1) Bijvangsten van schelvis, pollak, wijting en koolvis worden in mindering gebracht op de quota voor deze soorten. | Soort: | Kabeljauw Gadus morhua | Gebied: | VIb; EU-wateren en internationale wateren van Vb ten westen van 12° 00' WL en van XII en XIV (COD/561214) | België | 0 | Voorzorgs-TAC | Duitsland | 2 | Frankrijk | 22 | Ierland | 8 | Verenigd Koninkrijk | 36 | EU | 68 | TAC | 68 | Soort: | Kabeljauw Gadus morhua | Gebied: | VIa; EU-wateren en internationale wateren van Vb ten oosten van 12° 00' WL (COD/5B6A-C) | België | 0 | Analytische TAC | Duitsland | 4 | Frankrijk | 38 | Ierland | 15 | Verenigd Koninkrijk | 64 | EU | 120 | TAC | 120 | Soort: | Kabeljauw Gadus morhua | Gebied: | VIIa (COD/07A.) | België | 9 | Analytische TAC | Frankrijk | 25 | Ierland | 157 | Nederland | 2 | Verenigd Koninkrijk | 144 | EU | 337 | TAC | 337 | Soort: | Kabeljauw Gadus morhua | Gebied: | VIIb, VIIc, VIIe-k, VIII, IX en X; EU-wateren van CECAF 34.1.1 (COD/7XAD34) | België | 153 | Analytische TAC Artikel 11 is van toepassing. | Frankrijk | 2 500 | Ierland | 496 | Nederland | 1 | Verenigd Koninkrijk | 270 | EU | 3 420 | TAC | 3 420 | Soort: | Kabeljauw Gadus morhua | Gebied: | VIId (COD/07D.) | België | pm | (1) | Analytical TAC | France | pm | (1) | The Netherlands | pm | (1) | United Kingdom | pm | (1) | EU | pm | TAC | pm | [(1) Met toestemming van de lidstaten mogen vaartuigen die deelnemen aan initiatieven met betrekking tot volledig gedocumenteerde visserij, bovenop dit quotum extra vangsten verrichten voor een hoeveelheid die niet groter is dan 5% van het aan de betrokken lidstaat toegewezen quotum, op voorwaarde dat: het vaartuig gebruik maakt van aan een sensorsysteem gekoppelde camera’s in een gesloten televisiecircuit (CCTV) waarmee alle visserij- en verwerkingsacitviteiten die aan boord van het vaartuig plaatsvinden, worden geregistreerd; alle kabeljauwvangsten van dat vaartuig in mindering worden gebracht op het quotum, met inbegrip van de soorten die kleiner zijn dan de minimale aanlandingsmaat; de extra vangsten niet meer bedragen dan 30% van de normale vangstbeperking die op een dergelijk vaartuig van toepassing is, of niet groter zijn dan een hoeveelheid die in die zin kan worden gerechtvaardigd dat de visserijmortaliteit van het kabeljauwbestand gegarandeerd niet zal toenemen. Wanneer een lidstaat constateert dat een aan het initiatief deelnemend vaartuig niet aan de bovenvermelde voorwaarden voldoet, trekt deze lidstaat de toestemming die hij aan dat vaartuig heeft gegeven om extra vangsten te verrichten, in en sluit hij dat vaartuig uit van verdere deelname aan het initiatief.] | Soort: | Haringhaai Lamna nasus | Gebied: | EU-wateren van III, IV, V, VI, VII, VIII, IX, X en XII (POR/3-12) | Denemarken | 0 | Voorzorgs-TAC | Frankrijk | 0 | Duitsland | 0 | Ierland | 0 | Spanje | 0 | Verenigd Koninkrijk | 0 | EU | 0 | 0 | TAC | 0 | Soort: | Scharretongen Lepidorhombus spp. | Gebied: | EU-wateren van III en IV (LEZ/2AC4-C) | België | 5 | Voorzorgs-TAC | Denemarken | 5 | Duitsland | 5 | Frankrijk | 29 | Nederland | 23 | Verenigd Koninkrijk | 1 690 | EU | 1 757 | TAC | 1757 | Soort: | Scharretongen Lepidorhombus spp. | Gebied: | VI; EU-wateren en internationale wateren van Vb; internationale wateren van XII en XIV (LEZ/561214) | Spanje | 350 | Voorzorgs-TAC | Frankrijk | 1 364 | Ierland | 399 | Verenigd Koninkrijk | 966 | EU | 3 079 | TAC | 3 079 | Soort: | Scharretongen Lepidorhombus spp. | Gebied: | VII (LEZ/07.) | België | 420 | Voorzorgs-TAC Artikel 11 is van toepassing. | Spanje | 4 667 | Frankrijk | 5 663 | Ierland | 2 575 | Verenigd Koninkrijk | 2 230 | EU | 15 555 | TAC | 15 555 | Soort: | Scharretongen Lepidorhombus spp. | Gebied: | VIIIa, VIIIb, VIIId en VIIIe (LEZ/8ABDE.) | Spanje | 999 | Voorzorgs-TAC | Frankrijk | 807 | EU | 1 806 | TAC | 1 806 | Soort: | Scharretongen Lepidorhombus spp. | Gebied: | VIIIc, IX en X; EU-wateren van CECAF 34.1.1 (LEZ/8C3411) | Spanje | 1 010 | Analytische TAC | Frankrijk | 50 | Portugal | 34 | EU | 1 094 | TAC | 1 094 | Soort: | Schar en bot Limanda limanda en Platichthys flesus | Gebied: | EU-wateren van IIa en IV (D/F/2AC4-C) | België | 436 | Voorzorgs-TAC | Denemarken | 1 638 | Duitsland | 2 457 | Frankrijk | 170 | Nederland | 9 906 | Zweden | 5 | Verenigd Koninkrijk | 1 377 | EU | 15 989 | TAC | 15 989 | Soort: | Zeeduivel Lophiidae | Gebied: | EU-wateren van IIa en IV (ANF/2AC4-C) | België | 341 | (1) | Voorzorgs-TAC | Denemarken | 752 | (1) | Duitsland | 367 | (1) | Frankrijk | 70 | (1) | Nederland | 258 | (1) | Zweden | 9 | (1) | Verenigd Koninkrijk | 7 846 | (1) | EU | 9 643 | (1) | TAC | 9 643 | (1) Waarvan tot 5% mag worden gevist in VI; EU-wateren en internationale wateren van Vb; internationale wateren van XII en XIV (ANF/*561214) | Soort: | Zeeduivel Lophiidae | Gebied: | Noorse wateren van IV (ANF/04-N.) | België | pm | Analytische TAC Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. | Denemarken | pm | Duitsland | pm | Nederland | pm | Verenigd Koninkrijk | pm | EU | pm | TAC | pm | Soort: | Zeeduivel Lophiidae | Gebied: | VI; EU-wateren en internationale wateren van Vb; internationale wateren van XII en XIV (ANF/561214) | België | 170 | Voorzorgs-TAC | Duitsland | 194 | Spanje | 182 | Frankrijk | 2 093 | Ierland | 473 | Nederland | 164 | Verenigd Koninkrijk | 1 456 | EU | 4 732 | TAC | 4 732 | Soort: | Zeeduivel Lophiidae | Gebied: | VII (ANF/07.) | België | 2 536 | (1) | Analytische TAC Artikel 11 is van toepassing. | Duitsland | 283 | (1) | Spanje | 1 008 | (1) | Frankrijk | 16 277 | (1) | Ierland | 2 080 | (1) | Nederland | 328 | (1) | Verenigd Koninkrijk | 4 936 | (1) | EU | 27 448 | (1) | TAC | 27 448 | (1) | (1) Hiervan mag tot 5% in VIIIa, VIIIb, VIIId en VIIIe worden gevangen (ANF/*8ABDE). | Soort: | Zeeduivel Lophiidae | Gebied: | VIIIa, VIIIb, VIIId en VIIIe (ANF/8ABDE.) | Spanje | 1 179 | Analytische TAC | Frankrijk | 6 563 | EU | 7 742 | TAC | 7 742 | Soort: | Zeeduivel Lophiidae | Gebied: | VIIIc, IX en X; EU-wateren van CECAF 34.1.1 (ANF/8C3411) | Spanje | 1 234 | Analytische TAC | Frankrijk | 1 | Portugal | 245 | EU | 1 480 | TAC | 1 480 | Soort: | Schelvis Melanogrammus aeglefinus | Gebied: | IIIa, EU-wateren van IIIb, IIIc en deelsectoren 22-32 (HAD/3A/BCD) | België | pm | Analytische TAC Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. | Denemarken | pm | Duitsland | pm | Nederland | pm | Zweden | pm | EU | pm | (1) | TAC | pm | (1) Exclusief naar schatting pm ton industriële bijvangst. | Soort: | Schelvis Melanogrammus aeglefinus | Gebied: | IV; EU-wateren van IIa (HAD/2AC4.) | België | pm | Analytische TAC | Denemarken | pm | Duitsland | pm | Frankrijk | pm | Nederland | pm | Zweden | pm | Verenigd Koninkrijk | pm | EU | pm | (1) | Noorwegen | pm | TAC | pm | (1) Exclusief naar schatting pm ton industriële bijvangst. | Bijzondere voorwaarde: | Binnen de limieten van de bovenstaande quota mag in het onderstaande gebied niet meer worden gevangen dan de hieronder opgegeven hoeveelheden: | Noorse wateren van IV (HAD/*04N-) | EU | pm | Soort: | Schelvis Melanogrammus aeglefinus | Gebied: | Noorse wateren bezuiden 62°NB (HAD/04-N.) | Zweden | pm | (1) | Analytische TAC Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. | EU | pm | TAC | Niet relevant | (1) Bijvangsten van kabeljauw, pollak, wijting en koolvis worden in mindering gebracht op de quota voor deze soorten. | Soort: | Schelvis Melanogrammus aeglefinus | Gebied: | EU-wateren en internationale wateren van VIb, XII en XIV (HAD/6B1214) | België | 8 | Analytische TAC | Duitsland | 10 | Frankrijk | 413 | Ierland | 295 | Verenigd Koninkrijk | 3 022 | EU | 3 748 | TAC | 3 748 | Soort: | Schelvis Melanogrammus aeglefinus | Gebied: | EU-wateren en internationale wateren van Vb en VIa; (HAD/5BC6A.) | België | 2 | Analytische TAC | Duitsland | 3 | Frankrijk | 111 | Ierland | 328 | Verenigd Koninkrijk | 1 561 | EU | 2 005 | TAC | 2 005 | Soort: | Schelvis Melanogrammus aeglefinus | Gebied: | VIIb-k, VIII, IX en X; EU-wateren van CECAF 34.1.1 (HAD/7X7A34) | België | 129 | Analytische TAC Artikel 11 is van toepassing. | Frankrijk | 7 719 | Ierland | 2 573 | Verenigd Koninkrijk | 1 158 | EU | 11 579 | TAC | 11 579 | Soort: | Schelvis Melanogrammus aeglefinus | Gebied: | VIIa (HAD/07A.) | België | 19 | Voorzorgs-TAC | Frankrijk | 88 | Ierland | 524 | Verenigd Koninkrijk | 579 | EU | 1 210 | TAC | 1 210 | Soort: | Wijting Merlangius merlangus | Gebied: | IIIa (WHG/03A.) | Denemarken | pm | Analytische TAC Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. | Nederland | pm | Zweden | pm | EU | pm | (1) | TAC | pm | (1) Exclusief naar schatting pm ton industriële bijvangst. | Soort: | Wijting Merlangius merlangus | Gebied: | IV; EU-wateren van IIa (WHG/2AC4.) | België | pm | Analytische TAC Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. | Denemarken | pm | Duitsland | pm | Frankrijk | pm | Nederland | pm | Zweden | pm | Verenigd Koninkrijk | pm | EU | pm | (1) | Noorwegen | pm | (2) | TAC | pm | (1) Exclusief naar schatting pm ton industriële bijvangst. (2) Mag in EU-wateren worden gevangen. Binnen dit quotum gedane vangsten moeten in mindering worden gebracht op het Noorse TAC-aandeel. | Bijzondere voorwaarde: | Binnen de limieten van de bovenstaande quota mag in het onderstaande gebied niet meer worden gevangen dan de hieronder opgegeven hoeveelheden: | Noorse wateren van IV (WHG/*04N-) | EU | pm | Soort: | Wijting Merlangius merlangus | Gebied: | VI; EU-wateren en internationale wateren van Vb; internationale wateren van XII en XIV (WHG/561214) | Duitsland | 1 | Analytische TAC | Frankrijk | 26 | Ierland | 65 | Verenigd Koninkrijk | 124 | EU | 216 | TAC | 216 | Soort: | Wijting Merlangius merlangus | Gebied: | VIIa (WHG/07A.) | België | 0 | Analytische TAC | Frankrijk | 4 | Ierland | 68 | Nederland | 0 | Verenigd Koninkrijk | 46 | EU | 118 | TAC | 118 | Soort: | Wijting Merlangius merlangus | Gebied: | VIIb, VIIc, VIId, VIIe, VIIf, VIIg, VIIh en VIIk (WHG/7X7A.) | België | 133 | Analytische TAC Artikel 11 is van toepassing. | Frankrijk | 8 180 | Ierland | 4 565 | Nederland | 66 | Verenigd Koninkrijk | 1 463 | EU | 14 407 | TAC | 14 407 | Soort: | Wijting Merlangius merlangus | Gebied: | VIII (WHG/08.) | Spanje | 1 102 | Voorzorgs-TAC | Frankrijk | 1 652 | EU | 2 754 | TAC | 2 754 | Soort: | Wijting Merlangius merlangus | Gebied: | IX en X; EU-wateren van CECAF 34.1.1 (WHG/9/3411) | Portugal | Niet vastgesteld | (1) | Voorzorgs-TAC | EU | Niet vastgesteld | (2) | TAC | Niet vastgesteld | (2) | (1) Door de betrokken lidstaat vast te stellen op een niveau dat consistent is met de duurzame exploitatie van het bestand en dat naar alle waarschijnlijkheid zal resulteren in een exploitatie die consistent is met de maximale duurzame opbrengst vanaf 2015. De betrokken lidstaat stelt de Commissie uiterlijk op 28 februari 2011 in kennis van het vastgestelde niveau en de geplande beheersmaatregelen om te voldoen aan de vorengenoemde beginselen en doelstellingen. (3) Vastgesteld zoals bepaald in voetnoot 1. | Soort: | Wijting en pollak Merlangius merlangus en Pollachius pollachius | Gebied: | Noorse wateren bezuiden 62°NB (W/P/04-N.) | Zweden | pm | (1) | Voorzorgs-TAC | EU | pm | TAC | Niet relevant | (1) Bijvangsten van kabeljauw, schelvis en koolvis worden in mindering gebracht op de quota voor deze soorten. | Soort: | Heek Merluccius merluccius | Gebied: | IIIa; EU-wateren van IIIb, IIIc en deelsectoren 22-32 (HKE/3A/BCD) | Denemarken | 1 531 | Analytische TAC | Zweden | 130 | EU | 1 661 | TAC | 1 661 | (1) | (1) Binnen een globale TAC van 55 105 ton voor het noordelijke heekbestand. | Soort: | Heek Merluccius merluccius | Gebied: | EU-wateren van IIa en IV (HKE/2AC4-C) | België | 28 | Analytische TAC | Denemarken | 1 119 | Duitsland | 128 | Frankrijk | 248 | Nederland | 64 | Verenigd Koninkrijk | 348 | EU | 1 935 | TAC | 1 935 | (1) | (1) Binnen een globale TAC van 55.105 ton voor het noordelijke heekbestand. | Soort: | Heek Merluccius merluccius | Gebied: | VI en VII; EU-wateren en internationale wateren van Vb; internationale wateren van XII en XIV (HKE/571214) | België | 284 | (1) | Analytische TAC Artikel 11 is van toepassing. | Spanje | 9 109 | Frankrijk | 14 067 | (1) | Ierland | 1 704 | Nederland | 183 | (1) | Verenigd Koninkrijk | 5 553 | (1) | EU | 30 900 | TAC | 30 900 | (2) | (1) Van deze quota mogen overdrachten plaatsvinden naar de EU-wateren van IIa en IV. Deze overdrachten moeten evenwel vooraf aan de Commissie worden gemeld. (2) Binnen een globale TAC van 55.105 ton voor het noordelijke heekbestand. | Bijzondere voorwaarde: | Binnen de limieten van de bovenstaande quota mag in de onderstaande gebieden niet meer worden gevangen dan de hieronder opgegeven hoeveelheden: | VIIIa, VIIIb, VIIId en VIIIe (HKE/*8ABDE) | België | 37 | Spanje | 1 469 | Frankrijk | 1 469 | Ierland | 184 | Nederland | 18 | Verenigd Koninkrijk | 827 | EU | 4004 | Soort: | Heek Merluccius merluccius | Gebied: | VIIIa, VIIIb, VIIId en VIIIe (HKE/8ABDE.) | België | 9 | (1) | Analytische TAC | Spanje | 6 341 | Frankrijk | 14 241 | Nederland | 18 | (1) | EU | 20 609 | TAC | 20 609 | (2) | (1) Van deze quota mogen overdrachten plaatsvinden naar zone IV en de EU-wateren van IIa. Deze overdrachten moeten evenwel vooraf aan de Commissie worden gemeld. (2) Binnen een globale TAC van 55 105 ton voor het noordelijke heekbestand. | Bijzondere voorwaarde: | Binnen de limieten van de bovenstaande quota mag in de onderstaande gebieden niet meer worden gevangen dan de hieronder opgegeven hoeveelheden: | VI en VII; EU-wateren en internationale wateren van Vb; internationale wateren van XII en XIV (HKE/*57-14) | België | 2 | Spanje | 1 837 | Frankrijk | 3 305 | Nederland | 6 | EU | 5150 | Soort: | Heek Merluccius merluccius | Gebied: | VIIIc, IX en X; EU-wateren van CECAF 34.1.1 (HKE/8C3411) | Spanje | 6 844 | Analytische TAC | Frankrijk | 657 | Portugal | 3 194 | EU | 10 695 | TAC | 10 695 | Soort: | Blauwe wijting Micromesistius poutassou | Gebied: | Noorse wateren van II en IV (WHB/4AB-N.) | Denemarken | pm | Analytische TAC Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. | Verenigd Koninkrijk | pm | EU | pm | TAC | pm | Soort: | Blauwe wijting Micromesistius poutassou | Gebied: | EU-wateren en internationale wateren van I, II, III, IV, V, VI, VII, VIIIa, VIIIb, VIIId, VIIIe, XII en XIV (WHB/1X14). | Denemarken | pm | (1)(2) | Analytische TAC | Duitsland | pm | (1)(2) | Spanje | pm | (1)(2) | Frankrijk | pm | (1)(2) | Ierland | pm | (1)(2) | Nederland | pm | (1)(2) | Portugal | pm | (1)(2) | Zweden | pm | (1)(2) | Verenigd Koninkrijk | pm | (1)(2) | EU | pm | (1)(2) | Noorwegen | pm | (3) (4) | Faeröer | pm | (5) (6) | TAC | pm | (1) Waarvan tot 68% mag worden gevangen in de Noorse exclusieve economische zone of in de visserijzone rond Jan Mayen (WHB/*NZJM1). (2) Mag in de wateren van de Faeröer worden gevangen met inachtneming van de voor de EU beschikbare totale toegangshoeveelheid van pm ton (WHB/*05B-F). (3) Te vangen in de EU-wateren van II, IVa, VIa ten noorden van 56°30′ NB, VIb en VII ten westen van 12° WL. (WHB/*8CX34). In IVa mag ten hoogste pm ton worden gevangen (4) Waarvan tot pm ton mag bestaan uit zilversmelten (Argentina spp.). (5) Vangsten van blauwe wijting mogen onvermijdelijke vangsten van zilversmelten (Argentina spp.) bevatten. (6) Te vangen in de EU-wateren van II, IVa, V, VIa ten noorden van 56° 30′ NB, VIb en VII ten westen van 12° WL. In IVa mag ten hoogste pm ton worden gevangen. | Soort: | Blauwe wijting Micromesistius poutassou | Gebied: | VIIIc, IX en X; EU-wateren van CECAF 34.1.1 (WHB/8C3411) | Spanje | pm | Analytische TAC | Portugal | pm | EU | pm | (1)(2) | TAC | pm | (1) Waarvan tot 68% mag worden gevangen in de Noorse exclusieve economische zone of in de visserijzone rond Jan Mayen (WHB/*NZJM2). (2) Mag in de wateren van de Faeröer worden gevangen met inachtneming van de voor de EU beschikbare totale toegangshoeveelheid van 14 000 ton (WHB/*05B-F). | Soort: | Blauwe wijting Micromesistius poutassou | Gebied: | EU-wateren van II, IVa, V, VI ten noorden van 56° 30′ NB en VII ten westen van 12° WL (WHB/24A567) | Noorwegen | pm | (1) (2) | Analytische TAC Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. | Faeröer | pm | (3)(4) | TAC | pm | (1) In mindering te brengen op de vangstbeperkingen van Noorwegen die zijn vastgelegd in de overeenkomst met de kuststaten. (2) In zone IV mag ten hoogste pm ton worden gevangen, d.w.z. 25 % van het toegangsniveau van Noorwegen. (3) In mindering te brengen op de vangstbeperkingen van de Faeröer die zijn vastgelegd in de overeenkomst met de kuststaten. (4) Mag ook worden gevangen in zone VIb. In zone IV mag ten hoogste pm ton worden gevangen. | Soort: | Tongschar en witje Microstomus kitt en Glyptocephalus cynoglossus | Gebied: | EU-wateren van IIa en IV (L/W/2AC4-C) | België | 300 | Voorzorgs-TAC | Denemarken | 827 | Duitsland | 106 | Frankrijk | 226 | Nederland | 688 | Zweden | 9 | Verenigd Koninkrijk | 3 387 | EU | 5 543 | TAC | 5 543 | Soort: | Blauwe leng Molva dypterygia | Gebied: | EU-wateren en internationale wateren van Vb, VI, VII, XIIb (BLI/5BX12B)(4) | Duitsland | pm | Analytische TAC Artikel 11 is van toepassing. | Estland | pm | Spanje | pm | Frankrijk | pm | Ierland | pm | Litouwen | pm | Polen | pm | Verenigd Koninkrijk | pm | Overige | pm | (1) | EU | pm | Noorwegen | pm | (2) | Faeröer | pm | (3) | TAC | 2 341 | (1) Uitsluitend voor bijvangsten. Uit hoofde van dit quotum is gerichte visserij niet toegestaan. (2) Te vangen in de EU-wateren van IIa, IV, Vb, VI en VII. (3) Bijvangsten van grenadiervis en zwarte haarstaart worden op dit quotum in mindering gebracht. Te vangen in de EU-wateren van VIa ten noorden van 56° 30′ NB en VIb. (4) Van maart tot en met mei 2011 gelden bijzondere voorschriften overeenkomstig artikel 1 van Verordening (EG) nr. 1288/2009 en punt 7 van bijlage III bij Verordening (EG) nr. 43/2009. | Bijzondere voorwaarde: | Binnen de limieten van de bovenstaande quota mag in het onderstaande gebied niet meer worden gevangen dan de hieronder opgegeven hoeveelheden: | Vb (EU-wateren), VI en VII (BLI/*5B67.) | Duitsland | pm | Estland | pm | Spanje | pm | Frankrijk | pm | Ierland | pm | Litouwen | pm | Polen | pm | Verenigd Koninkrijk | pm | Overige | pm | Noorwegen | pm | Faeröer | pm | EU | 2 032 | Soort: | Leng Molva molva | Gebied: | EU-wateren en internationale wateren van I en II (LIN/1/2.) | Denemarken | 8 | Analytische TAC | Duitsland | 8 | Frankrijk | 8 | Verenigd Koninkrijk | 8 | Overige | 4 | (1) | EU | 36 | TAC | 36 | (1) Uitsluitend voor bijvangsten. Uit hoofde van dit quotum is gerichte visserij niet toegestaan. | Soort: | Leng Molva molva | Gebied: | IIIa; EU-wateren van IIIb, IIIc en deelsectoren 22-32 (LIN/03.) | België | 7 | (1) | Analytische TAC | Denemarken | 51 | Duitsland | 7 | (1) | Zweden | 20 | Verenigd Koninkrijk | 7 | (1) | EU | 92 | TAC | 92 | (1) Dit quotum mag uitsluitend in de EU-wateren van IIIa, IIIb, IIIc en deelsectoren 22-32 worden gevangen. | Soort: | Leng Molva molva | Gebied: | EU-wateren van IV (LIN/04.) | België | 16 | Analytische TAC | Denemarken | 243 | Duitsland | 150 | Frankrijk | 135 | Nederland | 5 | Zweden | 10 | Verenigd Koninkrijk | 1 869 | EU | 2 428 | TAC | 2 428 | Soort: | Leng Molva molva | Gebied: | EU-wateren en internationale wateren van V (LIN/05.) | België | 9 | Analytische TAC | Denemarken | 5 | Duitsland | 5 | Frankrijk | 5 | Verenigd Koninkrijk | 5 | EU | 29 | TAC | 29 | Soort: | Leng Molva molva | Gebied: | EU- en internationale wateren van VI, VII, VIII, IX, X, XII en XIV (LIN/6X14.) | België | pm | Analytische TAC Artikel 11 is van toepassing. | Denemarken | pm | Duitsland | pm | Spanje | pm | Frankrijk | pm | Ierland | pm | Portugal | pm | Verenigd Koninkrijk | pm | EU | pm | Noorwegen | pm | (1)(2) | Faeröer | pm | (3)(4) | TAC | 14 164 | (1) Waarvan in bijvangsten van andere soorten tot pm % per vaartuig, op elk moment, in Vb, VI en VII is toegestaan. In de eerste 24 uur na het begin van de visserijactiviteiten op een bepaalde visgrond mag dit percentage evenwel worden overschreden. De totale bijvangsten van andere soorten in VI en VII mogen niet meer bedragen dan pm ton. (2) Inclusief torsk. De quota voor Noorwegen zijn pm ton leng en pm ton torsk en mogen tot pm ton onderling gewisseld worden. De betrokken soorten mogen alleen met beuglijnen in de zones Vb, VI en VII worden gevangen. (3) Inclusief torsk. Te vangen in VIb en VIa benoorden 56° 30′ NB. (4) Waarvan in bijvangsten van andere soorten tot pm % per vaartuig, op elk moment, in VIa en VIb is toegestaan. In de eerste 24 uur na het begin van de visserijactiviteiten op een bepaalde visgrond mag dit percentage evenwel worden overschreden. De totale bijvangsten van andere soorten in VI mogen niet meer bedragen dan pm ton. | Soort: | Leng Molva molva | Gebied: | Noorse wateren van IV (LIN/04-N.) | België | pm | Analytische TAC | Denemarken | pm | Duitsland | pm | Frankrijk | pm | Nederland | pm | Verenigd Koninkrijk | pm | EU | pm | TAC | Niet relevant | Soort: | Langoustine Nephrops norvegicus | Gebied: | IIIa; EU-wateren van IIIb, IIIc en deelsectoren 22-32 (NEP/3A/BCD) | Denemarken | 3 454 | Voorzorgs-TAC | Duitsland | 10 | Zweden | 1 236 | EU | 4 700 | TAC | 4 700 | "" | Soort: | Langoustine Nephrops norvegicus | Gebied: | EU-wateren van IIa en IV (NEP/2AC4-C) | België | 1 181 | Analytische TAC | Denemarken | 1 181 | Duitsland | 17 | Frankrijk | 35 | Nederland | 608 | Verenigd Koninkrijk | 19 558 | EU | 22 580 | TAC | 22 580 | Soort: | Langoustine Nephrops norvegicus | Gebied: | Noorse wateren van IV (NEP/04-N.) | Denemarken | pm | Analytische TAC Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. | Duitsland | pm | Verenigd Koninkrijk | pm | EU | pm | TAC | Niet relevant | Soort: | Langoustine Nephrops norvegicus | Gebied: | VI; EU-wateren en internationale wateren van Vb (NEP/5BC6.) | Spanje | 28 | Analytische TAC | Frankrijk | 111 | Ierland | 185 | Verenigd Koninkrijk | 13 357 | EU | 13 681 | TAC | 13 681 | Soort: | Langoustine Nephrops norvegicus | Gebied: | VII (Ierse Zee Oost – Eenheid 14) (NEP/07U14..) | Frankrijk | 0 | Analytische TAC | Ierland | 94 | Verenigd Koninkrijk | 586 | EU | 680 | TAC | 680 | Soort: | Langoustine Nephrops norvegicus | Gebied: | VII (Ierse Zee West – Eenheid 15) (NEP/07U15.) | Ierland | 3 328 | Analytische TAC | Verenigd Koninkrijk | 6 172 | EU | 9 500 | TAC | 9500 | Soort: | Langoustine Nephrops norvegicus | Gebied: | VII (Porcupine Bank -Eenheid 16) (NEP/07U16.) | Spanje | 429 | Analytische TAC Artikel 11 is van toepassing. | Frankrijk | 277 | Ierland | 1 143 | Verenigd Koninkrijk | 111 | EU | 1 254 | TAC | 1254 | Soort: | Langoustine Nephrops norvegicus | Gebied: | VII (Aran Grounds -Eenheid 17) (NEP/07U17.) | Ierland | 0 | Analytische TAC | EU | 950 | 950 | TAC | Soort: | Langoustine Nephrops norvegicus | Gebied: | VII (NW Ierland en andere gebieden – Eenheid 18) (NEP/07U18.) | Ierland | 200 | Analytische TAC | EU | 200 | TAC | 200 | Soort: | Langoustine Nephrops norvegicus | Gebied: | VII (Zuid- en Zuidwest-Ierland – Eenheid 19) (NEP/07U19.) | Frankrijk | 90 | Analytische TAC | Ierland | 706 | Verenigd Koninkrijk | 4 | EU | 800 | TAC | 800 | Soort: | Langoustine Nephrops norvegicus | Gebied: | VII (Keltische Zee West – Eenheden 20-22) ? (NEP/07U222.) | Frankrijk | 8 275 | Analytische TAC | Ierland | 2 207 | Verenigd Koninkrijk | 59 | EU | 5 300 | TAC | 5300 | Soort: | Langoustine Nephrops norvegicus | Gebied: | VIIIa, VIIIb, VIIId en VIIIe (NEP/8ABDE.) | Spanje | 199 | Analytische TAC | Frankrijk | 3 115 | EU | 3 314 | TAC | 3 314 | Soort: | Langoustine Nephrops norvegicus | Gebied: | VIIIc (NEP/08C.) | Spanje | 87 | Analytische TAC | Frankrijk | 4 | EU | 91 | TAC | 91 | Soort: | Langoustine Nephrops norvegicus | Gebied: | IX en X; EU-wateren van CECAF 34.1.1 (NEP/9/3411) | Spanje | 76 | Analytische TAC | Portugal | 227 | EU | 303 | TAC | 303 | Soort: | Noordse garnaal Pandalus borealis | Gebied: | IIIa (PRA/03A.) | Denemarken | pm | Analytische TAC Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. | Zweden | pm | EU | pm | TAC | pm | Soort: | Noordse garnaal Pandalus borealis | Gebied: | EU-wateren van IIa en IV (PRA/2AC4-C) | Denemarken | pm | Analytische TAC | Nederland | pm | Zweden | pm | Verenigd Koninkrijk | pm | EU | pm | TAC | pm | Soort: | Noordse garnaal Pandalus borealis | Gebied: | Noorse wateren bezuiden 62°NB (PRA/04-N.) | Denemarken | pm | Analytische TAC Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. | Zweden | pm | (1) | EU | pm | TAC | Niet relevant | (1) Bijvangsten van kabeljauw, schelvis, pollak, wijting en koolvis worden in mindering gebracht op de quota voor deze soorten. | Soort: | Peneide garnalen Penaeus spp | Gebied: | Wateren van Frans Guyana (PEN/FGU.) | Frankrijk | Niet vastgesteld | (1,2 | Voorzorgs-TAC | EU | Niet vastgesteld | (2,3) | TAC | Niet vastgesteld | (2,3) | (1) Door de betrokken lidstaat vast te stellen op een niveau dat consistent is met de duurzame exploitatie van het bestand en dat naar alle waarschijnlijkheid zal resulteren in een exploitatie die consistent is met de maximale duurzame opbrengst vanaf 2015. De betrokken lidstaat stelt de Commissie uiterlijk op 28 februari 2011 in kennis van het vastgestelde niveau en de geplande beheersmaatregelen om te voldoen aan de vorengenoemde beginselen en doelstellingen. (2) Vissen op garnalen van de soorten Penaeus subtilis en Penaeus brasiliensis is verboden in wateren met een diepte van minder dan 30 m. (3) Vastgesteld zoals bepaald in voetnoot 1. | Soort: | Schol Pleuronectes platessa | Gebied: | Skagerrak (PLE/03AN.) | België | pm | Analytische TAC Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. | Denemarken | pm | Duitsland | pm | Nederland | pm | Zweden | pm | EU | pm | TAC | pm | Soort: | Schol Pleuronectes platessa | Gebied: | Kattegat (PLE/03AS.) | Denemarken | pm | Analytische TAC Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. | Duitsland | pm | Zweden | pm | EU | pm | TAC | pm | Soort: | Schol Pleuronectes platessa | Gebied: | IV; EU-wateren van IIa; het gedeelte van IIIa dat niet bij het Skagerrak en het Kattegat hoort (COD/2A3AX4) | België | pm | Analytische TAC Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. | Denemarken | pm | Duitsland | pm | Frankrijk | pm | Nederland | pm | Verenigd Koninkrijk | pm | EU | pm | Noorwegen | pm | TAC | pm | (1(1) | Bijzondere voorwaarde: | Binnen de limieten van de bovenstaande quota mag in het onderstaande gebied niet meer worden gevangen dan de hieronder opgegeven hoeveelheden: | EC | Noorse wateren van IV (PLE/*04N-) | EU | pm | Soort: | Schol Pleuronectes platessa | Gebied: | VI; EU-wateren en internationale wateren van Vb; internationale wateren van XII en XIV (PLE/561214) | Frankrijk | 17 | Voorzorgs-TAC | Ierland | 219 | Verenigd Koninkrijk | 365 | EU | 601 | TAC | 601 | Soort: | Schol Pleuronectes platessa | Gebied: | VIIa (PLE/07A.) | België | 83 | Analytische TAC | Frankrijk | 36 | Ierland | 651 | Nederland | 25 | Verenigd Koninkrijk | 832 | EU | 1 627 | TAC | 1 627 | Soort: | Schol Pleuronectes platessa | Gebied: | VIIb en VIIc (PLE/7BC.) | Frankrijk | 14 | Analytische TAC Artikel 11 is van toepassing. | Ierland | 54 | EU | 68 | TAC | 68 | Soort: | Schol Pleuronectes platessa | Gebied: | VIId (PLE/07D.) | België | 1 002 | (1) | Analytische TAC | Frankrijk | 2 414 | (1) | Verenigd Koninkrijk | 602 | (1) | EU | 4 018 | (1) | TAC | 4 018 | (1) | (1)Mag niet worden gevangen van 1 januari tot en met 31 maart. | Soort: | Schol Pleuronectes platessa | Gebied: | VIIe (PLE/07E.) | België | 18 | Analytische TAC | Frankrijk | 125 | Verenigd Koninkrijk | 504 | EU | 647 | TAC | 647 | Soort: | Schol Pleuronectes platessa | Gebied: | VIIf en VIIg (PLE/7FG.) | België | 102 | Analytische TAC | Frankrijk | 184 | Ierland | 28 | Verenigd Koninkrijk | 96 | EU | 410 | TAC | 410 | Soort: | Schol Pleuronectes platessa | Gebied: | VIIh, VIIj en VIIk (PLE/7HJK.) | België | 6 | Analytische TAC | Frankrijk | 12 | Ierland | 132 | Nederland | 23 | Verenigd Koninkrijk | 12 | EU | 185 | TAC | 185 | Soort: | Schol Pleuronectes platessa | Gebied: | VIII, IX en X; EU-wateren van CECAF 34.1.1 (PLE/8/3411) | Spanje | 57 | Voorzorgs-TAC | Frankrijk | 229 | Portugal | 57 | EU | 343 | TAC | 343 | Soort: | Pollak Pollachius pollachius | Gebied: | VI; EU-wateren en internationale wateren van Vb; internationale wateren van XII en XIV (POL/561214) | Spanje | 5 | Voorzorgs-TAC | Frankrijk | 165 | Ierland | 48 | Verenigd Koninkrijk | 126 | EU | 344 | TAC | 344 | Soort: | Pollak Pollachius pollachius | Gebied: | VII (POL/07.) | België | 364 | Voorzorgs-TAC Artikel 11 is van toepassing. | Spanje | 22 | Frankrijk | 8 384 | Ierland | 894 | Verenigd Koninkrijk | 2 041 | EU | 11 705 | TAC | 11 705 | Soort: | Pollak Pollachius pollachius | Gebied: | VIIIa, VIIIb, VIIId en VIIIe (POL/8ABDE.) | Spanje | 218 | Voorzorgs-TAC | Frankrijk | 1 067 | EU | 1 285 | TAC | 1 285 | Soort: | Pollak Pollachius pollachius | Gebied: | VIIIc (POL/08C.) | Spanje | 181 | Voorzorgs-TAC | Frankrijk | 20 | EU | 201 | TAC | 201 | Soort: | Pollak Pollachius pollachius | Gebied: | IX en X; EU-wateren van CECAF 34.1.1 (POL/9/3411) | Spanje | 237 | Voorzorgs-TAC | Portugal | 8 | EU | 245 | TAC | 245 | Soort: | Koolvis Pollachius virens | Gebied: | IIIa en IV; EU-wateren van IIa, IIIb, IIIc en deelsectoren 22-32 (POK/2A34.) | België | pm | Analytische TAC Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. | Denemarken | pm | Duitsland | pm | Frankrijk | pm | Nederland | pm | Zweden | pm | Verenigd Koninkrijk | pm | EU | pm | Noorwegen | pm | (1) | TAC | pm | (1) Mag uitsluitend in de EU-wateren van IV en in IIIa worden gevangen. Binnen dit quotum gedane vangsten moeten in mindering worden gebracht op het Noorse TAC-aandeel. | Soort: | Koolvis Pollachius virens | Gebied: | VI; EU-wateren en internationale wateren van Vb, XII en XIV (POK/561214) | Duitsland | pm | Analytische TAC | Frankrijk | pm | Ierland | pm | Verenigd Koninkrijk | pm | EU | pm | TAC | pm | Soort: | Koolvis Pollachius virens | Gebied: | Noorse wateren bezuiden 62°NB (POK/04-N.) | Zweden | pm | (1) | Analytische TAC | EU | pm | TAC | Niet relevant | (1) Bijvangsten van kabeljauw, schelvis, pollak en wijting worden in mindering gebracht op de quota voor deze soorten. | Soort: | Koolvis Pollachius virens | Gebied: | VII, VIII, IX en X; EU-wateren van CECAF 34.1.1 (POK/7/3411) | België | 5 | Voorzorgs-TAC Artikel 11 is van toepassing. | Frankrijk | 1 029 | Ierland | 1 453 | Verenigd Koninkrijk | 412 | EU | 2 899 | TAC | 2 899 | Soort: | Tarbot en griet Psetta maxima en Scopthalmus rhombus | Gebied: | EU-wateren van IIa en IV (T/B/2AC4-C) | België | 303 | Voorzorgs-TAC | Denemarken | 647 | Duitsland | 165 | Frankrijk | 78 | Nederland | 2 292 | Zweden | 5 | Verenigd Koninkrijk | 637 | EU | 4 127 | TAC | 4 127 | Soort: | Roggen Rajidae | Gebied: | EU-wateren van IIa en IV (SRX/2AC4-C) | België | 235 | (1) (2)(3) | Analytische TAC | Denemarken | 9 | (1) (2)(3) | Duitsland | 12 | (1) (2)(3) | Frankrijk | 37 | (1) (2)(3) | Nederland | 201 | (1) (2)(3) | Verenigd Koninkrijk | 903 | (1) (2)(3) | EU | 1 397 | (1)(3) | TAC | 1 397 | (3) | (1) Vangsten van koekoeksrog (Leucoraja naevus) (RJN/2AC4-C), gewone rog (Raja clavata) (RJC/2AC4-C), blonde rog (Raja brachyura) (RJH/2AC4-C), gladde rog (Raja montagui) (RJM/2AC4-C) en sterrog (Amblyraja radiata) (RJR/2AC4-C) worden afzonderlijk gemeld. (2) Bijvangstquotum. Deze soorten mogen niet meer dan 25% levend gewicht van de totale aan boord gehouden vangsten uitmaken. Deze voorwaarde geldt enkel voor vaartuigen met een lengte over alles van meer dan 15 meter. (3) Niet van toepassing op vleet (Dipturus batis). Vangsten van deze soorten mogen niet aan boord worden gehouden en worden onmiddellijk, voor zover mogelijk ongedeerd, teruggezet. De vissers moeten worden aangemoedigd technieken en apparatuur te ontwikkelen en te gebruiken voor een snelle en behouden terugzetting van deze dieren. | Soort: | Roggen Rajidae | Gebied: | EU-wateren van IIIa (SRX/03-C.) | Denemarken | 45 | (1) (2) | Analytische TAC | Zweden | 13 | (1) (2) | EU | 58 | (1)(2) | TAC | 58 | (2) | (1) Vangsten van koekoeksrog (Leucoraja naevus) (RJN/03-C.), gewone rog (Raja clavata) (RJC/03 C.), blonde rog (Raja brachyura) (RJH/03-C.), gladde rog (Raja montagui) (RJM/03-C.) en sterrog (Amblyraja radiata) (RJR/03-C.) worden afzonderlijk gemeld. (2) Niet van toepassing op vleet (Dipturus batis). Vangsten van deze soorten mogen niet aan boord worden gehouden en worden onmiddellijk, voor zover mogelijk ongedeerd, teruggezet. De vissers moeten worden aangemoedigd technieken en apparatuur te ontwikkelen en te gebruiken voor een snelle en behouden terugzetting van deze dieren. | Soort: | Roggen Rajidae | Gebied: | EU-wateren van VIa, VIb, VIIa-c en VIIe-k (SRX/67AKXD) | België | 1 027 | (1) (2) (3) | Analytische TAC Artikel 11 is van toepassing. | Estland | 6 | (1) (2) (3) | Frankrijk | 4 612 | (1) (2) (3) | Duitsland | 14 | (1) (2) (3) | Ierland | 1 485 | (1) (2) (3) | Litouwen | 24 | (1) (2) (3) | Nederland | 4 | (1) (2) (3) | Portugal | 25 | (1) (2) (3) | Spanje | 1 241 | (1) (2) (3) | Verenigd Koninkrijk | 2 941 | (1) (2) (3) | EU | 11 379 | (1) (2) (3) | TAC | 11 379 | (2) | (1) Vangsten van koekoeksrog (Leucoraja naevus) (RJN/67AKXD), gewone rog (Raja clavata) (RJC/67AKXD), blonde rog (Raja brachyura) (RJH/67AKXD), gladde rog (Raja montagui) (RJM/67AKXD), kleinoogrog (Raja microocellata) (RJE/67AKXD), zandrog (Leucoraja circularis) (RJI/67AKXD) en kaardrog (Leucoraja fullonica) (RJF/67AKXD) worden afzonderlijk gemeld. (2) Niet van toepassing op golfrog (Raja undulata), vleet (Dipturus batis), Noorse rog (Raja (Dipturus) nidarosiensis) en witte rog (Rostroraja alba). Vangsten van deze soorten mogen niet aan boord worden gehouden en worden onmiddellijk, voor zover mogelijk ongedeerd, teruggezet. De vissers moeten worden aangemoedigd technieken en apparatuur te ontwikkelen en te gebruiken voor een snelle en behouden terugzetting van deze dieren. (3) Waarvan tot 5% mag worden gevist in de EU-wateren van VIId (SRX/*07D). | Soort: | Roggen Rajidae | Gebied: | EU-wateren van VIId (SRX/07D) | België | 80 | (1) (2) (3) | Analytische TAC | Frankrijk | 670 | (1) (2) (3) | Nederland | 4 | (1) (2) (3) | Verenigd Koninkrijk | 133 | (1) (2) (3) | EU | 887 | (1) (2) (3) | TAC | 887 | (2) | (1) Vangsten van koekoeksrog (Leucoraja naevus) (RJN/07D.), gewone rog (Raja clavata) (RJC/07D.), blonde rog (Raja brachyura) (RJH/07D.), gladde rog (Raja montagui) (RJM/07D.) en sterrog (Amblyraja radiata) (RJR/07D.) worden afzonderlijk gemeld. (2) Niet van toepassing op vleet (Dipturus batis) en golfrog (Raja undulata). Vangsten van deze soorten mogen niet aan boord worden gehouden en worden onmiddellijk, voor zover mogelijk ongedeerd, teruggezet. De vissers moeten worden aangemoedigd technieken en apparatuur te ontwikkelen en te gebruiken voor een snelle en behouden terugzetting van deze dieren. (3) Waarvan tot 5% mag worden gevist in de EU-wateren van VIa, VIb, VIIa-c en VIIe-k (SRX/*67AKD). | Soort: | Roggen Rajidae | Gebied: | EU-wateren van VIII en IX (SRX/89-C.) | België | 9 | (1) (2) | Analytische TAC | Frankrijk | 1 760 | (1) (2) | Portugal | 1 426 | (1) (2) | Spanje | 1 435 | (1) (2) | Verenigd Koninkrijk | 10 | (1) (2) | EU | 4 640 | (1) (2) | TAC | 4 640 | (2) | (1) Vangsten van koekoeksrog (Leucoraja naevus) (RJN/89-C.) en gewone rog (Raja clavata) (RJC/89-C.) worden afzonderlijk gemeld. (2) Niet van toepassing op golfrog (Raja undulata), vleet (Dipturus batis) en witte rog (Rostroraja alba). Vangsten van deze soorten mogen niet aan boord worden gehouden en worden onmiddellijk, voor zover mogelijk ongedeerd, teruggezet. De vissers moeten worden aangemoedigd technieken en apparatuur te ontwikkelen en te gebruiken voor een snelle en behouden terugzetting van deze dieren. | Soort: | Groenlandse heilbot/Zwarte heilbot Reinhardtius hippoglossoides | Gebied: | EU-wateren van IIa en IV; EU-wateren en internationale wateren van Vb en VI (GHL/2A-C46) | Denemarken | pm | Analytische TAC | Duitsland | pm | Estland | pm | Spanje | pm | Frankrijk | pm | Ierland | pm | Litouwen | pm | Polen | pm | Verenigd Koninkrijk | pm | EU | pm | (1) | TAC | 520 | (1) Waarvan pm ton wordt toegewezen aan Noorwegen en moet worden gevangen in de EU-wateren van IIa en VI. In VI mag deze hoeveelheid alleen met beuglijnen worden gevangen. | Soort: | Makreel Scomber scombrus | Gebied: | IIIa en IV; EU-wateren van IIa, IIIb, IIIc en deelsectoren 22-32 (MAC/2A34.) | België | pm | Analytische TAC Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. | Denemarken | pm | Duitsland | pm | Frankrijk | pm | Nederland | pm | Zweden | pm | (1)(2) | Verenigd Koninkrijk | pm | EU | pm | (1)(3) | Noorwegen | pm | (4) | TAC | pm | (1) Waarvan 242 ton te vangen in Noorse wateren bezuiden 62° NB (MAC/*04N-). (2) Bij het vissen in Noorse wateren worden bijvangsten van kabeljauw, schelvis, pollak, wijting en koolvis in mindering gebracht op de quota voor deze soorten. (3) Mag tevens in de Noorse wateren van IVa worden gevangen. (4) Af te trekken van het Noorse TAC-aandeel („toegangsquotum”). Dit quotum omvat het Noorse aandeel in de Noordzee-TAC van pm ton. Dit quotum mag uitsluitend in IVa worden gevangen, behalve pm ton die mag worden gevangen in IIIa. | Bijzondere voorwaarde: | Binnen de limieten van de bovenstaande quota mag in de onderstaande gebieden niet meer worden gevangen dan de hieronder opgegeven hoeveelheden: | IIIa (MAC/*03A.) | IIIa en IVbc (MAC/*3A4BC) | IVb (MAC/*04B.) | IVc (MAC/*04C.) | VI, internationale wateren van IIa, van 1 januari tot en met 31 maart en in december 2011 (MAC/*2A6.) | Denemarken | pm | pm | Frankrijk | pm | Nederland | pm | Zweden | pm | pm | pm | Verenigd Koninkrijk | pm | Noorwegen | pm | Soort: | Makreel Scomber scombrus | Gebied: | VI, VII, VIIIa, VIIIb, VIIId en VIIIe; EU-wateren en internationale wateren van Vb; internationale wateren van IIa, XII en XIV (MAC/2CX14-) | Duitsland | pm | Analytische TAC Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. | Spanje | pm | Estland | pm | Frankrijk | pm | Ierland | pm | Letland | pm | Litouwen | pm | Nederland | pm | Polen | pm | Verenigd Koninkrijk | pm | EU | pm | Noorwegen | pm | (1) | Faeröer | pm | (2) | TAC | Niet relevant | (1) Mag worden gevangen in IIa, VIa benoorden 56° 30′ NB, IVa, VIId, VIIe, VIIf en VIIh. (2) Mag worden gevangen in VIa benoorden 56°30′ NB, VIIe, VIIf en VIIh. Mag tevens worden gevangen in de EU-wateren van IVa benoorden 59° NB van 1 januari tot en met 15 februari en van 1 september tot en met 31 december. | Bijzondere voorwaarde: | In het onderstaande gebied mogen, binnen de limieten van bovenstaande quota, niet meer dan de opgegeven hoeveelheden worden gevangen, en uitsluitend van 1 januari tot en met 15 februari en van 1 september tot en met 31 december. | IVa (MAC/*04A-C) | Noorse wateren van IVa (MAC/*04N-) | Duitsland | pm | pm | Frankrijk | pm | pm | Ierland | pm | pm | Nederland | pm | pm | Verenigd Koninkrijk | pm | pm | EU | pm | pm | Soort: | Makreel Scomber scombrus | Gebied: | VIIIc, IX en X; EU-wateren van CECAF 34.1.1 (MAC/8C3411) | Spanje | pm | (1) | Analytische TAC Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. | Frankrijk | pm | (1) | Portugal | pm | (1) | EU | pm | TAC | Niet relevant | (1) De hoeveelheden die met andere lidstaten worden geruild, mogen in VIIIa, VIIIb en VIIId worden gevangen (MAC/*8ABD). De door Spanje, Portugal of Frankrijk te ruil aangeboden hoeveelheden die in VIIIa, VIIIb en VIIId worden gevangen, mogen echter niet meer dan 25% van de quota van de donorlidstaat bedragen. | Bijzondere voorwaarde: | Binnen de limieten van de bovenstaande quota mag in het onderstaande gebied niet meer worden gevangen dan de hieronder opgegeven hoeveelheden: | VIIIb (MAC/*08B.) | " | Spanje | pm | Frankrijk | pm | Portugal | pm | Soort: | Tong Solea solea | Gebied: | IIIa; EU-wateren van IIIb, IIIc en deelsectoren 22-32 (SOL/3A/BCD) | Denemarken | 704 | Analytische TAC | Duitsland | 41 | (1) | Nederland | 68 | (1) | Zweden | 27 | EU | 840 | TAC | 840 | (2) | (1) Dit quotum mag uitsluitend in de EU-wateren van IIIa, IIIb, IIIc en deelsectoren 22-32 worden gevangen. (2) Waarvan niet meer dan 744 ton in IIIa mag worden gevangen. | Soort: | Tong Solea solea | Gebied: | EU-wateren van II en IV (SOL/24.) | België | pm | Analytische TAC | Denemarken | pm | Duitsland | pm | Frankrijk | pm | Nederland | pm | Verenigd Koninkrijk | pm | EU | pm | Noorwegen | pm | (1) | TAC | 13 600 | (1) Mag uitsluitend in de EU-wateren van IV worden gevangen | Soort: | Tong Solea solea | Gebied: | VI; EU-wateren en internationale wateren van Vb; internationale wateren van XII en XIV (SOL/561214) | Ierland | 42 | Voorzorgs-TAC | Verenigd Koninkrijk | 10 | EU | 52 | TAC | 52 | Soort: | Tong Solea solea | Gebied: | VIIa (SOL/07A.) | België | 140 | Analytische TAC | Frankrijk | 2 | Ierland | 69 | Nederland | 45 | Verenigd Koninkrijk | 64 | EU | 320 | TAC | 320 | Soort: | Tong Solea solea | Gebied: | VIIb en VIIc (SOL/7BC.) | Frankrijk | 5 | Voorzorgs-TAC Artikel 11 is van toepassing. | Ierland | 33 | EU | 38 | TAC | 38 | Soort: | Tong Solea solea | Gebied: | VIId (SOL/07D.) | België | 1 119 | Analytische TAC | Frankrijk | 2 238 | Verenigd Koninkrijk | 799 | EU | 4 156 | TAC | 4 156 | Soort: | Tong Solea solea | Gebied: | VIIe (SOL/07E.) | België | 25 | (1) | Analytische TAC | Frankrijk | 267 | (1) | Verenigd Koninkrijk | 418 | (1) | EU | 710 | TAC | 710 | (1) Met toestemming van de lidstaten mogen vaartuigen die deelnemen aan initiatieven met betrekking tot volledig gedocumenteerde visserij, bovenop dit quotum extra vangsten verrichten voor een hoeveelheid die niet groter is dan 5% van het aan de betrokken lidstaat toegewezen quotum, op voorwaarde dat: het vaartuig gebruik maakt van aan een sensorsysteem gekoppelde camera’s in een gesloten televisiecircuit (CCTV) waarmee alle visserij- en verwerkingsacitviteiten die aan boord van het vaartuig plaatsvinden, worden geregistreerd; alle tongvangsten van dat vaartuig in mindering worden gebracht op het quotum, met inbegrip van de soorten die kleiner zijn dan de minimale aanlandingsmaat; de extra vangsten niet meer bedragen dan 30% van de normale vangstbeperking die op een dergelijk vaartuig van toepassing is, of niet groter zijn dan een hoeveelheid die in die zin kan worden gerechtvaardigd dat de visserijmortaliteit van het tongbestand gegarandeerd niet zal toenemen. Wanneer een lidstaat constateert dat een aan het initiatief deelnemend vaartuig niet aan de bovenvermelde voorwaarden voldoet, trekt deze lidstaat de toestemming die hij aan dat vaartuig heeft gegeven om extra vangsten te verrichten, in en sluit hij dat vaartuig uit van verdere deelname aan het initiatief. | Soort: | Tong Solea solea | Gebied: | VIIf en VIIg (SOL/7FG.) | België | 775 | Analytische TAC | Frankrijk | 78 | Ierland | 39 | Verenigd Koninkrijk | 349 | EU | 1 241 | TAC | 1 241 | Soort: | Tong Solea solea | Gebied: | VIIh, VIIj en VIIk (SOL/7HJK.) | België | 35 | Voorzorgs-TAC Artikel 11 is van toepassing. | Frankrijk | 71 | Ierland | 190 | Nederland | 56 | Verenigd Koninkrijk | 71 | EU | 423 | TAC | 423 | Soort: | Tong Solea solea | Gebied: | VIIIa en VIIIb (SOL/8AB.) | België | 52 | Analytische TAC | Spanje | 9 | Frankrijk | 3 850 | Nederland | 289 | EU | 4 200 | TAC | 4 200 | Soort: | Tongen Soleidae | Gebied: | VIIIc, VIIId, VIIIe, IX en X; EU-wateren van CECAF 34.1.1 (SOX/8CDE34) | Spanje | 350 | Voorzorgs-TAC | Portugal | 580 | EU | 930 | TAC | 930 | Soort: | Sprot Sprattus sprattus | Gebied: | IIIa (SPR/03A.) | Denemarken | pm | Voorzorgs-TAC | Duitsland | pm | Zweden | pm | EU | pm | TAC | pm | Soort: | Sprot Sprattus sprattus | Gebied: | EU-wateren van IIa en IV (SPR/2AC4-C) | België | pm | Analytische TAC Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. | Denemarken | pm | Duitsland | pm | Frankrijk | pm | Nederland | pm | Zweden | pm | (1) | Verenigd Koninkrijk | pm | EU | pm | Noorwegen | pm | (2) | Faeröer | pm | (3) (4) | TAC | 144 500 | (5) | (1) Inclusief zandspiering. (2) Mag uitsluitend in de EU-wateren van IV worden gevangen. (3) Mag worden gevangen in IV en VIa benoorden 56°30′ NB. Bijvangst van blauwe wijting wordt in mindering gebracht op het quotum voor blauwe wijting voor VIa, VIb en VII. (4) pm ton mag als haring worden gevangen met netten met een maaswijdte kleiner dan 32 mm. Als het quotum van pm ton haring is opgebruikt, zijn alle visserijactiviteiten met een maaswijdte kleiner dan 32 mm verboden. (5) Voorlopige TAC. De definitieve TAC zal in het licht van nieuw wetenschappelijk advies in de eerste helft van 2011 worden vastgesteld. | Soort: | Sprot Sprattus sprattus | Gebied: | VIId en VIIe (SPR/7DE.) | België | 24 | Voorzorgs-TAC | Denemarken | 1 528 | Duitsland | 24 | Frankrijk | 329 | Nederland | 329 | Verenigd Koninkrijk | 2 469 | EU | 4 702 | TAC | 4 702 | Soort: | Doornhaai Squalus acanthias | Gebied: | EU-wateren van IIIa (DGS/03A-C.) | Denemarken | 0 | Analytische TAC Artikel 11 is van toepassing. | Zweden | 0 | EU | 0 | TAC | 0 | Soort: | Doornhaai Squalus acanthias | Gebied: | EU-wateren van IIa en IV (DGS/2AC4-C) | België | 0 | (1) | Analytische TAC | Denemarken | 0 | (1) | Duitsland | 0 | (1) | Frankrijk | 0 | (1) | Nederland | 0 | (1) | Zweden | 0 | (1) | Verenigd Koninkrijk | 0 | (1) | EU | 0 | (1) | TAC | 0 | (1) | (1) Vangsten met beuglijnen van ruwe haai (Galeorhinus galeus), zwarte haai (Dalatias licha), spitssnuitdoornhaai (Deania calcea), donkere doornhaai (Centrophorus squamosus), grote lantaarnhaai (Etmopterus princeps), donkerbuiklantaarnhaai (Etmopterus pusillus), Portugese hondshaai (Centroscymnus coelolepis) en doornhaai (Squalus acanthias) zijn inbegrepen. Vangsten van deze soorten moeten onmiddellijk en voor zover mogelijk ongedeerd worden teruggezet. | Soort: | Doornhaai Squalus acanthias | Gebied: | EU- en internationale wateren van I, V, VI, VII, VIII, XII and XIV (DGS/15X14) | België | 0 | (1) | Analytische TAC | Duitsland | 0 | (1) | Spanje | 0 | (1) | Frankrijk | 0 | (1) | Ierland | 0 | (1) | Nederland | 0 | (1) | Portugal | 0 | (1) | Verenigd Koninkrijk | 0 | (1) | EU | 0 | (1) | TAC | 0 | (1) | (1) Vangsten met beuglijnen van ruwe haai (Galeorhinus galeus), zwarte haai (Dalatias licha), spitssnuitdoornhaai (Deania calcea), donkere doornhaai (Centrophorus squamosus), grote lantaarnhaai (Etmopterus princeps), donkerbuiklantaarnhaai (Etmopterus pusillus), Portugese hondshaai (Centroscymnus coelolepis) en doornhaai (Squalus acanthias) zijn inbegrepen. Vangsten van deze soorten moeten onmiddellijk en voor zover mogelijk ongedeerd worden teruggezet. | Soort: | Horsmakrelen Trachurus spp. | Gebied: | EU-wateren van IVb, IVc and VIId (JAX/4BC7D) | België | pm | Analytische TAC | Denemarken | pm | Duitsland | pm | (1) | Spanje | pm | Frankrijk | pm | (1) | Ierland | pm | Nederland | pm | (1) | Portugal | pm | Zweden | pm | Verenigd Koninkrijk | pm | (1) | EU | pm | Noorwegen | pm | (2) | TAC | 40 336 | (1) Tot 5% van wat voor dit quotum in sector VIId wordt gevangen, mag worden verrekend met de quota voor het gebied: EU-wateren van IIa, IVa, VI, VIIa-c, VIIe-k, VIIIa, b, d en e; EU-wateren en internationale wateren van Vb; internationale wateren van XII en XIV. Gebruikmaking van deze bijzondere bepaling moet evenwel vooraf aan de Commissie worden gemeld (JAX*/2A-14). (2) Mag uitsluitend in de EU-wateren van IV worden gevangen. | Soort: | Horsmakrelen Trachurus spp. | Gebied: | EU-wateren van IIa, IVa, VI, VIIa-c, VIIe-k, VIIIa, b, d en e; EU-wateren en internationale wateren van Vb; internationale wateren van XII en XIV (JAX/2A-14) | Denemarken | pm | (1) | Analytische TAC | Duitsland | pm | (1) (2) | Spanje | pm | Frankrijk | pm | (1) (2) | Ierland | pm | (1) | Nederland | pm | (1) (2) | Portugal | pm | Zweden | pm | (1) | Verenigd Koninkrijk | pm | (1) (2) | EU | pm | Faeröer | pm | (3) | TAC | 156 263 | (1) Tot 5% van wat voor dit quotum vóór 30 juni in EU-wateren van de sectoren IIa of IVa wordt gevangen, mag worden verrekend met de quota voor de EU-wateren van IVb, IVc en VIId. Gebruikmaking van deze bijzondere bepaling moet evenwel vooraf aan de Commissie worden gemeld (JAX/*4BC7D). (2) Tot 5% van dit quotum mag in sector VIId worden gevangen. Gebruikmaking van deze bijzondere bepaling moet evenwel vooraf aan de Commissie worden gemeld (JAX/*07D). (3) Mag worden gevangen in IVa, VIa benoorden 56°30′ NB, VIIe, VIIf en VIIh. | Soort: | Horsmakrelen Trachurus spp. | Gebied: | VIIIc (JAX/08c.) | Spanje | 22 163 | (1) (2) | Analytische TAC | Frankrijk | 384 | (1) | Portugal | 2 190 | (1) (2) | EU | 24 737 | TAC | 24 737 | (1) Waarvan niet meer dan 5% mag bestaan uit horsmakrelen van 12 tot 14 cm, ongeacht het bepaalde in artikel 19 van Verordening (EG) nr. 850/98. Voor de controle op deze hoeveelheid wordt het gewicht van de betrokken aanvoer vermenigvuldigd met 1,20. (2) Tot 5% van dit quotum mag worden gevangen in zone IX. Gebruikmaking van deze bijzondere bepaling moet evenwel vooraf aan de Commissie worden gemeld (JAX/*09). | Soort: | Horsmakrelen Trachurus spp. | Gebied: | IX (JAX/09.) | Spanje | 6 849 | (1) (2) | Analytische TAC | Portugal | 19 622 | (1) (2) | EU | 26 471 | TAC | 26 471 | (1) Waarvan niet meer dan 5% mag bestaan uit horsmakrelen van 12 tot 14 cm, ongeacht het bepaalde in artikel 19 van Verordening (EG) nr. 850/98. Voor de controle op deze hoeveelheid wordt het gewicht van de betrokken aanvoer vermenigvuldigd met 1,20. (2) Tot 5% van dit quotum mag worden gevangen in zone VIIIc. Gebruikmaking van deze bijzondere bepaling moet evenwel vooraf aan de Commissie worden gemeld (JAX/*08C). | Soort: | Horsmakrelen Trachurus spp. | Gebied: | X; EU-wateren van CECAF(1) (JAX/X34PRT) | Portugal | Niet vastgesteld | (2)(3) | Voorzorgs-TAC | EU | Niet vastgesteld | (4) | TAC | Niet vastgesteld | (4) | (1) Wateren grenzend aan de Azoren. (2) Waarvan niet meer dan 5% mag bestaan uit horsmakrelen van 12 tot 14 cm, ongeacht het bepaalde in artikel 19 van Verordening (EG) nr. 850/98. Voor de controle op deze hoeveelheid wordt het gewicht van de betrokken aanvoer vermenigvuldigd met 1,20. (3) Door de betrokken lidstaat vast te stellen op een niveau dat consistent is met de duurzame exploitatie van het bestand en dat naar alle waarschijnlijkheid zal resulteren in een exploitatie die consistent is met de maximale duurzame opbrengst vanaf 2015. De betrokken lidstaat stelt de Commissie uiterlijk op 28 februari 2011 in kennis van het vastgestelde niveau en de geplande beheersmaatregelen om te voldoen aan de vorengenoemde beginselen en doelstellingen. (4) Vastgesteld zoals bepaald in voetnoot 3. | Soort: | Horsmakrelen Trachurus spp. | Gebied: | EU-wateren van CECAF(1) (JAX/341PRT) | Portugal | Niet vastgesteld | (2)(3) | Voorzorgs-TAC | EU | Niet vastgesteld | (4) | TAC | Niet vastgesteld | (4) | (1) Wateren grenzend aan Madeira. (2) Waarvan niet meer dan 5% mag bestaan uit horsmakrelen van 12 tot 14 cm, ongeacht het bepaalde in artikel 19 van Verordening (EG) nr. 850/98. Voor de controle op deze hoeveelheid wordt het gewicht van de betrokken aanvoer vermenigvuldigd met 1,20. (3) Door de betrokken lidstaat vast te stellen op een niveau dat consistent is met de duurzame exploitatie van het bestand en dat naar alle waarschijnlijkheid zal resulteren in een exploitatie die consistent is met de maximale duurzame opbrengst vanaf 2015. De betrokken lidstaat stelt de Commissie uiterlijk op 28 februari 2011 in kennis van het vastgestelde niveau en de geplande beheersmaatregelen om te voldoen aan de vorengenoemde beginselen en doelstellingen. (4) Vastgesteld zoals bepaald in voetnoot 3. | Soort: | Horsmakrelen Trachurus spp. | Gebied: | EU-wateren van CECAF(1) (JAX/341SPN) | Spanje | Niet vastgesteld | (2) | Voorzorgs-TAC | EU | Niet vastgesteld | (3) | TAC | Niet vastgesteld | (3) | (1) Wateren grenzend aan de Canarische eilanden. (2) Door de betrokken lidstaat vast te stellen op een niveau dat consistent is met de duurzame exploitatie van het bestand en dat naar alle waarschijnlijkheid zal resulteren in een exploitatie die consistent is met de maximale duurzame opbrengst vanaf 2015. De betrokken lidstaat stelt de Commissie uiterlijk op 28 februari 2011 in kennis van het vastgestelde niveau en de geplande beheersmaatregelen om te voldoen aan de vorengenoemde beginselen en doelstellingen. (3) Vastgesteld zoals bepaald in voetnoot 2. | Soort: | Kever Trisopterus esmarkii | Gebied: | IIIa; EU-wateren van IIa en IV (NOP/2A3A4.) | Denemarken | pm | Analytische TAC Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. | Duitsland | pm | (1) | Nederland | pm | (1) | EU | pm | Noorwegen | pm | (2) | TAC | pm | (1) Het quotum mag uitsluitend in de EU-wateren van IIa, IIIa en IV worden gevangen. (2) Mag uitsluitend in IV en VIa benoorden 56°30° NB worden gevangen. | Soort: | Kever Trisopterus esmarkii | Gebied: | Noorse wateren van IV (NOP/04-N.) | Denemarken | pm | (1) | Analytische TAC Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. | Verenigd Koninkrijk | pm | (1) | EU | pm | (1) | TAC | Niet relevant | (1) Inclusief onvermijdelijke bijvangst van horsmakreel. | Soort: | Industriële vis | Gebied: | Noorse wateren van IV (I/F/04-N.) | Zweden | pm | (1) (2) | Voorzorgs-TAC Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. | EU | pm | TAC | Niet relevant | (1) Bijvangsten van kabeljauw, schelvis, pollak, wijting en koolvis worden in mindering gebracht op de quota voor deze soorten. (2) Waarvan niet meer dan 400 ton horsmakreel. | Soort: | Gecombineerde quota | Gebied: | EU-wateren van Vb, VI en VII (R/G/5B67-C) | EU | Niet relevant | Voorzorgs-TAC Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. | Noorwegen | pm | (1) | TAC | Niet relevant | (1) Uitsluitend vangsten met beuglijnen, inclusief grenadiervis, Mora mora en gaffelkabeljauw. | Soort: | Andere soorten | Gebied: | Noorse wateren van IV (OTH/04-N.) | België | pm | Voorzorgs-TAC Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. | Denemarken | pm | Duitsland | pm | Frankrijk | pm | Nederland | pm | Zweden | Niet relevant | (1) | Verenigd Koninkrijk | pm | EU | pm | (2) | TAC | Niet relevant | (1) Door Noorwegen aan Zweden toegekend quotum op traditioneel niveau voor "andere soorten". (2) Met inbegrip van niet specifiek vermelde visserijen; uitzonderingen kunnen worden opgenomen na overleg. | Soort: | Andere soorten | Gebied: | EU wateren van IIa, IV en VIa benoorden 56°30'NB (OTH/2A46AN) | EU | Niet relevant | Noorwegen | pm | (1) (2) | Faeröer | pm | (3) | TAC | Niet relevant | (1) Beperkt tot IIa en IV. (2) Met inbegrip van niet specifiek vermelde visserijen; uitzonderingen kunnen worden opgenomen na overleg. (3) In de gebieden IV en VIa benoorden 56°30′ NB beperkt tot bijvangsten van witvis. | BIJLAGE IB NOORDOOSTELIJKE ATLANTISCHE OCEAAN EN GROENLAND ICES-zones I, II, V, XII, XIV en Groenlandse wateren van NAFO 0 en 1 Soort: | Sneeuwkrabben Chionoecetes spp. | Gebied: | Groenlandse wateren van NAFO 0 en 1 (PCR/N01GRN) | Ierland | pm | Spanje | pm | EU | pm | TAC | Niet relevant | Soort: | Haring Clupea harengus | Gebied: | EU-wateren, Noorwegen en internationale wateren van I en II (HER/1/2.) | België | 22 | (1) | Analytische TAC | Denemarken | 22 039 | (1) | Duitsland | 3 859 | (1) | Spanje | 73 | (1) | Frankrijk | 951 | (1) | Ierland | 5 705 | (1) | Nederland | 7 886 | (1) | Polen | 1 115 | (1) | Portugal | 73 | (1) | Finland | 341 | (1) | Zweden | 8 166 | (1) | Verenigd Koninkrijk | 14 089 | (1) | EU | 64 319 | (1) | Noorwegen | 602 680 | (2) | TAC | 988 000 | (1) Bij het rapporteren van vangsten aan de Europese Commissie worden tevens de gevangen hoeveelheden in elk van de volgende gebieden gerapporteerd: het gereglementeerde gebied van NEAFC, de EU-wateren, de wateren van de Faeröer, de Noorse wateren, de visserijzone rond Jan Mayen en de visserijbeschermingszone rond Svalbard. (2) Binnen dit quotum gedane vangsten moeten worden afgetrokken van het TAC-aandeel van Noorwegen (toegangsquotum). Dit quotum mag worden gevangen in de EU-wateren ten noorden van 62° NB. | Bijzondere voorwaarde: | Binnen de limieten van het bovenstaande TAC-aandeel van de EU (64 319 ton) mag in het onderstaande gebied niet meer worden gevangen dan 57 887 ton: | Noorse wateren ten noorden van 62° NB en de visserijzone rond Jan Mayen (HER/*2AJMN) | Soort: | Kabeljauw Gadus morhua | Gebied: | Noorse wateren van I en II (COD/1N2AB.) | Duitsland | pm | Analytische TAC Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. | Griekenland | pm | Spanje | pm | Ierland | pm | Frankrijk | pm | Portugal | pm | Verenigd Koninkrijk | pm | EU | pm | TAC | Niet relevant | Soort: | Kabeljauw Gadus morhua | Gebied: | Groenlandse wateren van NAFO 0 en 1; Groenlandse wateren van V en XIV (COD/N01514) | Duitsland | pm | (1) (2) | Analytische TAC Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. | Verenigd Koninkrijk | pm | (1) (2) | EU | pm | (1) (2) (3) | TAC | Niet relevant | (1) Te vangen ten zuiden van 62° NB in Oost-Groenland. (2) Vaartuigen moeten een wetenschappelijk waarnemer aan boord hebben. (3) Waarvan pm t toegewezen aan Noorwegen. Mag uitsluitend bezuiden 62° NB in XIV en Va en bezuiden 61° NB in NAFO 1 worden gevangen. | Soort: | Kabeljauw Gadus morhua | Gebied: | I en IIb (COD/1/2B.) | Duitsland | pm | Analytische TAC Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. | Spanje | pm | Frankrijk | pm | Polen | pm | Portugal | pm | Verenigd Koninkrijk | pm | Alle lidstaten | pm | (1) | EU | pm | (2) | TAC | pm | (1) Met uitzondering van Duitsland, Spanje, Frankrijk, Polen, Portugal en het Verenigd Koninkrijk. (2) De toewijzing van het aandeel van het voor de Unie beschikbare kabeljauwbestand in de zone Spitsbergen en Bereneiland laat de uit het Verdrag van Parijs van 1920 voortvloeiende rechten en verplichtingen geheel onverlet. | Soort: | Kabeljauw en schelvis Gadus morhua en Melanogrammus aeglefinus | Gebied: | Wateren van de Faeröer van Vb (C/H/05B-F.) | Duitsland | pm | Analytische TAC Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. | Frankrijk | pm | Verenigd Koninkrijk | pm | EU | pm | TAC | Niet relevant | Soort: | Heilbot Hippoglossus hippoglossus | Gebied: | Groenlandse wateren van V en XIV (HAL/514GRN) | Portugal | pm | (1) | EU | pm | (2) | TAC | Niet relevant | (1) Moet worden gevangen door niet meer dan 6 EU-vaartuigen voor de visserij met de grondbeug die op heilbot vissen. Vangsten van aanverwante soorten worden op dit quotum in mindering gebracht. (2) Waarvan pm ton, uitsluitend met beuglijnen te vangen, aan Noorwegen is toegewezen. | Soort: | Heilbot Hippoglossus hippoglossus | Gebied: | Groenlandse wateren van NAFO 0 en 1 (HAL/N01GRN) | EU | pm | (1) | TAC | Niet relevant | (1) Waarvan pm ton, met beuglijnen te vangen, aan Noorwegen is toegewezen. | Soort: | Lodde Mallotus villosus | Gebied: | IIb (CAP/02B.) | EU | pm | TAC | pm | Soort: | Lodde Mallotus villosus | Gebied: | Groenlandse wateren van V en XIV (CAP/514GRN) | Alle lidstaten | pm | EU | pm | TAC | Niet relevant | Soort: | Schelvis Melanogrammus aeglefinus | Gebied: | Noorse wateren van I en II (HAD/1N2AB.) | Duitsland | pm | Analytische TAC Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. | Frankrijk | pm | Verenigd Koninkrijk | pm | EU | pm | TAC | Niet relevant | Soort: | Blauwe wijting Micromesistius poutassou | Gebied: | Wateren van de Faeröer (WHB/2A4AXF) | Denemarken | pm | Analytische TAC Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. | Duitsland | pm | Frankrijk | pm | Nederland | pm | Verenigd Koninkrijk | pm | EU | pm | TAC | pm | (1) | (1) TAC overeengekomen door de EU, de Faeröer, Noorwegen en IJsland. | Soort: | Leng en blauwe leng Molva molva en Molva dypterygia | Gebied: | Wateren van de Faeröer van Vb (B/L/05B-F.) | Duitsland | pm | Analytische TAC Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. | Frankrijk | pm | Verenigd Koninkrijk | pm | EU | pm | (1) | TAC | Niet relevant | (1) Bijvangsten van grenadiervis en zwarte haarstaart van maximaal pm ton worden op dit quotum in mindering gebracht. | Soort: | Noordse garnaal Pandalus borealis | Gebied: | Groenlandse wateren van V en XIV (PRA/514GRN) | Denemarken | pm | Analytische TAC Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. | Frankrijk | pm | EU | pm | (1) | TAC | Niet relevant | (1) Waarvan pm ton is toegewezen aan Noorwegen en pm ton aan de Faeröer. | Soort: | Noordse garnaal Pandalus borealis | Gebied: | Groenlandse wateren van NAFO 0 en 1 (PRA/N01GRN) | Denemarken | pm | Analytische TAC Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. | Frankrijk | pm | EU | pm | TAC | Niet relevant | Soort: | Koolvis Pollachius virens | Gebied: | Noorse wateren van I en II (POK/1N2AB.) | Duitsland | pm | Analytische TAC Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. | Frankrijk | pm | Verenigd Koninkrijk | pm | EU | pm | TAC | Niet relevant | Soort: | Koolvis Pollachius virens | Gebied: | Internationale wateren van I en II (POK/1/2INT) | EU | pm | TAC | Niet relevant | Soort: | Koolvis Pollachius virens | Gebied: | Wateren van de Faeröer van Vb (POK/05B-F.) | België | pm | Analytische TAC Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. | Duitsland | pm | Frankrijk | pm | Nederland | pm | Verenigd Koninkrijk | pm | EU | pm | TAC | Niet relevant | Soort: | Groenlandse heilbot/Zwarte heilbot Reinhardtius hippoglossoides | Gebied: | Noorse wateren van I en II (GHL/1N2AB.) | Duitsland | pm | (1) | Analytische TAC Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. | Verenigd Koninkrijk | pm | (1) | EU | pm | (1) | TAC | Niet relevant | (1) Enkel als bijvangst. | Soort: | Groenlandse heilbot/Zwarte heilbot Reinhardtius hippoglossoides | Gebied: | Internationale wateren van I en II (GHL/1/2INT) | EU | pm | TAC | Niet relevant | Soort: | Groenlandse heilbot/Zwarte heilbot Reinhardtius hippoglossoides | Gebied: | Groenlandse wateren van V en XIV (GHL/514GRN) | Duitsland | pm | Analytische TAC Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. | Verenigd Koninkrijk | pm | EU | pm | (1) | TAC | Niet relevant | (1) Waarvan pm ton is toegewezen aan Noorwegen en pm ton aan de Faeröer. | Soort: | Groenlandse heilbot/Zwarte heilbot Reinhardtius hippoglossoides | Gebied: | Groenlandse wateren van NAFO 0 en 1 (GHL/N01GRN) | Duitsland | pm | Analytische TAC Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. | EU | pm | (1) | TAC | Niet relevant | (1) Waarvan pm ton is toegewezen aan Noorwegen en pm ton aan de Faeröer. Enkel in NAFO 1 te vangen. | Soort: | Makreel Scomber scombrus | Gebied: | Noorse wateren van IIa (MAC/02A-N.) | Denemarken | pm | (1) | Analytische TAC Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. | EU | pm | (1) | TAC | Niet relevant | (1) Mag ook worden gevangen in IVa en in internationale wateren van IIa (MAC/*04NA2A). | Soort: | Makreel Scomber scombrus | Gebied: | Wateren van de Faeröer van Vb (MAC/05B-F.) | Denemarken | pm | (1) | Analytische TAC Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. | EU | pm | (1) | TAC | Niet relevant | (1) Mag in de EU-wateren van IVa (MAC/*04A.) worden gevangen. | Soort: | Roodbaarzen Sebastes spp. | Gebied: | EU-wateren en internationale wateren van V; internationale wateren van XII en XIV (RED/51214.) | Estland | pm | Analytische TAC Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. | Duitsland | pm | Spanje | pm | Frankrijk | pm | Ierland | pm | Letland | pm | Nederland | pm | Polen | pm | Portugal | pm | Verenigd Koninkrijk | pm | EU | pm | (1) | TAC | pm | (1) Ten hoogste 70% van het quotum mag worden gevangen in het gebied met de onderstaande coördinaten; in de periode van 1 april tot en met 10 mei mag ten hoogste 15% van het quotum in dat gebied worden gevangen. (RED/51214.) | Punt nr. | Noorderbreedte | Westerlengte | 1 | 64°45 | 28°30 | 2 | 62°50 | 25°45 | 3 | 61°55 | 26°45 | 4 | 61°00 | 26°30 | 5 | 59°00 | 30°00 | 6 | 59°00 | 34°00 | 7 | 61°30 | 34°00 | 8 | 62°50 | 36°00 | 9 | 64°45 | 28°30 | Soort: | Roodbaarzen Sebastes spp. | Gebied: | Noorse wateren van I en II (RED/1N2AB.) | Duitsland | pm | (1) | Analytische TAC Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. | Spanje | pm | (1) | Frankrijk | pm | (1) | Portugal | pm | (1) | Verenigd Koninkrijk | pm | (1) | EU | pm | (1) | TAC | Niet relevant | (1) Enkel als bijvangst. | Soort: | Roodbaarzen Sebastes spp. | Gebied: | Internationale wateren van I en II (RED/1/2INT) | EU | Niet relevant | (1)(2) | Analytische TAC Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. | TAC | pm | (1) Er mag enkel worden gevist in de periode van 15 augustus tot en met 30 november 2011. De visserij wordt gesloten wanneer de TAC volledig is opgebruikt door de verdragsluitende partijen bij de NEAFC. De Commissie stelt de lidstaten in kennis van de datum waarop het NEAFC-secretariaat de verdragsluitende partijen van de NEAFC heeft meegedeeld dat de TAC volledig is opgebruikt. Vanaf die datum wordt door de lidstaten het gericht vissen op roodbaars door vaartuigen die hun vlag voeren, verboden. (2) De vaartuigen beperken hun bijvangsten van roodbaars in andere visserijtakken tot maximaal 1% van de totale aan boord gehouden vangst. | Soort: | Roodbaarzen Sebastes spp. | Gebied: | Groenlandse wateren van V en XIV (RED/514GRN) | Duitsland | pm | (1) | Analytische TAC Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. | Frankrijk | pm | (1) | Verenigd Koninkrijk | pm | (1) | EU | pm | (1) (2) (3) | TAC | Niet relevant | (1) Mag alleen met pelagische trawls worden gevangen. Mag in de oostelijke of westelijke wateren worden gevangen. De quota mogen in het gereglementeerde NEAFC-gebied worden gevangen mits aan de Groenlandse voorwaarden voor vangstrapportage wordt voldaan (RED/*51214). (2) Waarvan pm ton is toegewezen aan Noorwegen en pm ton aan de Faeröer. (3) Ten hoogste 70% van het quotum mag worden gevangen in het gebied met de onderstaande coördinaten; in de periode van 1 april tot en met 10 mei mag ten hoogste 15% van het quotum in dat gebied worden gevangen. (RED/*5-14.) | Punt nr. | Noorderbreedte | Westerlengte | 1 | 64°45 | 28°30 | 2 | 62°50 | 25°45 | 3 | 61°55 | 26°45 | 4 | 61°00 | 26°30 | 5 | 59°00 | 30°00 | 6 | 59°00 | 34°00 | 7 | 61°30 | 34°00 | 8 | 62°50 | 36°00 | 9 | 64°45 | 28°30 | Soort: | Roodbaarzen Sebastes spp. | Gebied: | IJslandse wateren van Va (RED/05A-IS) | België | pm | (1) (2) (3) | Analytische TAC Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. | Duitsland | pm | (1) (2) (3) | Frankrijk | pm | (1) (2) (3) | Verenigd Koninkrijk | pm | (1) (2) (3) | EU | pm | (1) (2) (3) | TAC | Niet relevant | (1) Inclusief onvermijdelijke bijvangst (bijvangst van kabeljauw niet toegestaan). (2) Te vangen tussen juli en december. (3) Voorlopig quotum in afwachting van de uitkomst van het visserijoverleg met IJsland voor 2011. | Soort: | Roodbaarzen Sebastes spp. | Gebied: | Wateren van de Faeröer van Vb (RED/05B-F.) | België | pm | Analytische TAC Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. | Duitsland | pm | Frankrijk | pm | Verenigd Koninkrijk | pm | EU | pm | TAC | Niet relevant | Soort: | Bijvangsten | Gebied: | Groenlandse wateren van NAFO 0 en 1 (XBC/N01GRN) | EU | pm | (1) (2) | TAC | Niet relevant | (1) Bijvangsten worden gedefinieerd als vangsten van andere soorten dan de in de vismachtiging vermelde doelsoorten van het vaartuig. Mag in de oostelijke of westelijke wateren worden gevangen. (2) Waarvan pm ton grenadiervis aan Noorwegen wordt toegewezen. Uitsluitend te vangen in V, XIV en NAFO 1. | Soort: | Andere soorten(1) | Gebied: | Noorse wateren van I en II (OTH/1N2AB.) | Duitsland | pm | (1) | Analytische TAC Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. | Frankrijk | pm | (1) | Verenigd Koninkrijk | pm | (1) | EU | pm | (1) | TAC | Niet relevant | (1) Enkel als bijvangst. | Soort: | Andere soorten(1) | Gebied: | Wateren van de Faeröer van Vb (OTH/05B-F.) | Duitsland | pm | Analytische TAC Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. | Frankrijk | pm | Verenigd Koninkrijk | pm | EU | pm | TAC | Niet relevant | (1) Exclusief soorten zonder handelswaarde. | Soort: | Platvis | Gebied: | Wateren van de Faeröer van Vb (FLX/05B-F.) | Duitsland | pm | Analytische TAC Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. | Frankrijk | pm | Verenigd Koninkrijk | pm | EU | pm | TAC | Niet relevant | BIJLAGE IC NOORDWESTELIJKE ATLANTISCHE OCEAAN NAFO-verdragsgebied Alle TAC's en visserijvoorschriften zijn vastgesteld in het kader van de NAFO. Soort: | Kabeljauw Gadus morhua | Gebied: | NAFO 2J3KL (COD/N2J3KL) | EU | 0 | (1) | TAC | 0 | (1) | (1) Deze soort mag niet gericht worden bevist en mag uitsluitend als bijvangst worden gevangen met inachtneming van de in artikel 4, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1386/2007 vastgestelde beperkingen. | Soort: | Kabeljauw Gadus morhua | Gebied: | NAFO 3NO (COD/N3NO.) | EU | 0 | (1) | TAC | 0 | (1) | (1) Deze soort mag niet gericht worden bevist en mag uitsluitend als bijvangst worden gevangen met inachtneming van de in artikel 4, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1386/2007 vastgestelde beperkingen. | Soort: | Kabeljauw Gadus morhua | Gebied: | NAFO 3M (COD/N3M.) | Estland | 111 | Duitsland | 449 | Letland | 111 | Litouwen | 111 | Polen | 379 | Spanje | 1 447 | Frankrijk | 200 | Portugal | 1 946 | Verenigd Koninkrijk | 947 | EU | 5 703 | Soort: | Witje Glyptocephalus cynoglossus | Gebied: | NAFO 2J3KL (WIT/N2J3KL) | EU | 0 | (1) | TAC | 0 | (1) | (1) Deze soort mag niet gericht worden bevist en mag uitsluitend als bijvangst worden gevangen met inachtneming van de in artikel 4, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1386/2007 vastgestelde beperkingen. | Soort: | Witje Glyptocephalus cynoglossus | Gebied: | NAFO 3NO (WIT/N3NO.) | EU | 0 | (1) | TAC | 0 | (1) | (1) Deze soort mag niet gericht worden bevist en mag uitsluitend als bijvangst worden gevangen met inachtneming van de in artikel 4, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1386/2007 vastgestelde beperkingen. | Soort: | Amerikaanse schol Hippoglossoides platessoides | Gebied: | NAFO 3M (PLA/N3M.) | EU | 0 | (1) | TAC | 0 | (1) | (1) Deze soort mag niet gericht worden bevist en mag uitsluitend als bijvangst worden gevangen met inachtneming van de in artikel 4, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1386/2007 vastgestelde beperkingen. | Soort: | Amerikaanse schol Hippoglossoides platessoides | Gebied: | NAFO 3LNO (PLA/N3LNO.) | EU | 0 | (1) | TAC | 0 | (1) | (1) Deze soort mag niet gericht worden bevist en mag uitsluitend als bijvangst worden gevangen met inachtneming van de in artikel 4, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1386/2007 vastgestelde beperkingen. | Soort: | Kortvinnige pijlinktvis Illex illecebrosus | Gebied: | NAFO-deelgebieden 3 en 4 (SQI/N34.) | Estland | 128 | (1) | Analytische TAC Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. | Letland | 128 | (1) | Litouwen | 128 | (1) | Polen | 227 | (1) | EU | (1) (2) | TAC | 34 000 | (1) Te vangen tussen 1 juli en 31 december. (2) Aandeel van de Unie niet nader bepaald; Canada en de lidstaten van EU met uitzondering van Estland, Letland, Litouwen en Polen, kunnen samen beschikken over 29 58 ton. | Soort: | Geelstaartschar Limanda ferruginea | Gebied: | NAFO 3LNO (YEL/N3LNO.) | EU | 0 | (1) (2) | TAC | 17 000 | (1) Ondanks het feit dat de EU toegang heeft tot een gedeeld quotum van 85 ton, is besloten dit quotum terug te brengen tot 0. Deze soort mag niet gericht worden bevist en mag uitsluitend als bijvangst worden gevangen met inachtneming van de in artikel 4, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1386/2007 vastgestelde beperkingen. (2) Vangsten van vaartuigen binnen dit quotum worden aan de vlaggenlidstaat gemeld en iedere 24 uur via de Commissie aan de uitvoerend secretaris van de NAFO doorgezonden. | Soort: | Lodde Mallotus villosus | Gebied: | NAFO 3NO (CAP/N3NO.) | EU | 0 | (1) | TAC | 0 | (1) | (1) Deze soort mag niet gericht worden bevist en mag uitsluitend als bijvangst worden gevangen met inachtneming van de in artikel 4, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1386/2007 vastgestelde beperkingen. | Soort: | Noordse garnaal Pandalus borealis | Gebied: | NAFO 3L (1) (PRA/N3L.) | Estland | 214 | Analytische TAC Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. | Letland | 214 | Litouwen | 214 | Polen | 214 | Alle lidstaten | 214 | (2) | EU | 1069 | TAC | 19 200 | (1) Met uitzondering van het vak dat wordt begrensd door de volgende coördinaten: | Punt nr. | Noorderbreedte | Westerlengte | 1 | 47° 20' 0 | 46° 40' 0 | 2 | 47° 20' 0 | 46° 30' 0 | 3 | 46° 00' 0 | 46° 30' 0 | 4 | 46° 00' 0 | 46° 40' 0 | (2) Met uitzondering van Estland, Letland, Litouwen en Polen. | Soort: | Noordse garnaal Pandalus borealis | Gebied: | NAFO 3M (1) (PRA/*N3M.) | TAC | Niet relevant | (2) (3) | (1) De vaartuigen mogen ook op dit bestand vissen in sector 3L, in het vak dat door de volgende coördinaten wordt begrensd: | Punt nr. | Noorderbreedte | Westerlengte | 1 | 47° 20' 0 | 46° 40' 0 | 2 | 47° 20' 0 | 46° 30' 0 | 3 | 46° 00' 0 | 46° 30' 0 | 4 | 46° 00' 0 | 46° 40' 0 | Daarnaast wordt de visserij op garnaal van 1 juni tot en met 31 december 2011 verboden in het vak dat door de volgende coördinaten wordt begrensd: | Punt nr. | Noorderbreedte | Westerlengte | 1 | 47° 55' 0 | 45° 00' 0 | 2 | 47° 30' 0 | 44° 15' 0 | 3 | 46° 55' 0 | 44° 15' 0 | 4 | 46° 35' 0 | 44° 30' 0 | 5 | 46° 35' 0 | 45° 40' 0 | 6 | 47° 30' 0 | 45° 40' 0 | 7 | 47° 55' 0 | 45° 00' 0 | (2) Niet relevant. Visserijbeheer door middel van beperkingen van de visserijinspanning. De betrokken lidstaten geven speciale visdocumenten af voor hun vaartuigen die deze visserij uitoefenen en stellen de Commissie vóór het begin van de activiteiten van de vaartuigen in kennis van deze afgifte overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1627/94. | Lidstaat | Maximum aantal vaartuigen | Maximum aantal visdagen | Denemarken | 0 | 0 | Estland | 0 | 0 | Spanje | 0 | 0 | Letland | 0 | 0 | Litouwen | 0 | 0 | Polen | 0 | 0 | Portugal | 0 | 0 | Iedere lidstaat meldt de Commissie maandelijks, binnen 25 dagen na de kalendermaand van de vangsten, hoeveel visdagen zijn doorgebracht en hoeveel is gevangen in sector 3M en in het in voetnoot (1) gedefinieerde gebied. (3) Deze soort mag niet gericht worden bevist en mag uitsluitend als bijvangst worden gevangen met inachtneming van de in artikel 4, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1386/2007 vastgestelde beperkingen. | Soort: | Groenlandse heilbot/Zwarte heilbot Reinhardtius hippoglossoides | Gebied: | NAFO 3LMNO (GHL/N3LMNO) | Estland | 344,9 | Analytische TAC Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. | Duitsland | 352,4 | Letland | 48,5 | Litouwen | 24,6 | Spanje | 4 722,2 | Portugal | 1 974 | EU | 7 466 | TAC | 12 734 | Soort: | Roggen Rajidae | Gebied: | NAFO 3LNO (SRX/N3LNO.) | Spanje | 5 833 | Analytische TAC Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. | Portugal | 1 132 | Estland | 485 | Litouwen | 106 | EU | 7 556 | TAC | 12 000 | Soort: | Roodbaarzen Sebastes spp. | Gebied: | NAFO 3LN (RED/N3LN.) | Estland | 297 | Duitsland | 204 | Letland | 297 | Litouwen | 297 | EU | 1 094 | Soort: | Roodbaarzen Sebastes spp. | Gebied: | NAFO 3M (RED/N3M.) | Estland | 1 571 | (1) | Analytische TAC Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. | Duitsland | 513 | (1) | Spanje | 233 | (1) | Letland | 1 571 | (1) | Litouwen | 1 571 | (1) | Portugal | 2 354 | (1) | EU | 7 813 | (1) | TAC | 10 000 | (1) | (1) Op voorwaarde dat de voor dit bestand voor alle NAFO-partijen vastgestelde TAC van 10.000 ton wordt gerespecteerd. Wanneer deze TAC is opgevist, moet de gerichte visserij op het bestand worden stopgezet, ongeacht het niveau van de vangsten. | Soort: | Roodbaarzen Sebastes spp. | Gebied: | NAFO 3O (RED/N3O.) | Spanje | 1 771 | Analytische TAC Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. | Portugal | 5 229 | EU | 7 000 | TAC | 20 000 | Soort: | Roodbaarzen Sebastes spp. | Gebied: | NAFO-deelgebied 2, sectoren IF en 3K (RED/N1F3K.) | Letland | 269 | Litouwen | 2 234 | TAC | 2 503 | Soort: | Witte heek Urophycis tenuis | Gebied: | NAFO 3NO (HKW/N3NO.) | Spanje | 1 528 | Analytische TAC Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. | Portugal | 2 001 | EU | 3 529 | TAC | 6 000 | BIJLAGE ID OVER GROTE AFSTANDEN TREKKENDE SOORTEN - Alle gebieden Deze TAC's worden vastgesteld in het kader van de internationale organisaties voor de tonijnvisserij, zoals de ICCAT. Soort: | Blauwvintonijn Thunnus thynnus | Gebied: | Atlantische Oceaan, ten oosten van 45° WL, en Middellandse Zee (BFT/AE045W) | Cyprus | pm | (4) | Griekenland | pm | Spanje | pm | (2)(4) | Frankrijk | pm | (2)(3)(4) | Italië | pm | (4)(5) | Malta | pm | (4) | Portugal | pm | Alle lidstaten | pm | (1) | EU | pm | (2)(3)(4)(5) | TAC | pm | (1) Met uitzondering van Cyprus, Griekenland, Spanje, Frankrijk, Italië, Malta en Portugal, en alleen als bijvangst. | (2) In het kader van deze TAC worden de vangstbeperkingen en de verdeling daarvan over de lidstaten voor vangsten van blauwvintonijn tussen 8 kg/75 cm en 30 kg/115 cm van de in bijlage IV, punt 1, (BFT/*8301) bedoelde vaartuigen als volgt vastgesteld: | Spanje | pm | Frankrijk | pm | EU | pm | (3) In het kader van deze TAC worden de vangstbeperkingen en de verdeling daarvan over de lidstaten voor vangsten van blauwvintonijn met een gewicht van ten minste 6,4 kg en een lengte van ten minste 70 cm van de in bijlage IV, punt 1, (BFT/*641) bedoelde vaartuigen als volgt vastgesteld: | Frankrijk | pm (*) | EU | pm | (*) Deze hoeveelheid kan door de Commissie op verzoek van Frankrijk worden herzien tot pm ton zoals aangegeven in ICCAT-aanbeveling 08-05. | (4) In het kader van deze TAC worden de vangstbeperkingen en de verdeling daarvan over de lidstaten voor vangsten van blauwvintonijn met een gewicht tussen 8 kg en 30 kg van de in bijlage IV, punt 2, (BFT/*643) bedoelde vaartuigen als volgt vastgesteld: | Spanje | pm | Frankrijk | pm | Italië | pm | Cyprus | pm | Malta | pm | EU | pm | (5) In het kader van deze TAC worden de vangstbeperking en de verdeling daarvan over de lidstaten voor vangsten van blauwvintonijn met een gewicht tussen 8 kg en 30 kg van de in bijlage IV, punt 3, (BFT/*643) bedoelde vaartuigen als volgt vastgesteld | Italië | pm | EU | pm | Soort: | Zwaardvis Xiphias gladius | Gebied: | Atlantische Oceaan, benoorden 5° NB (SWO/AN05N) | Spanje | pm | Portugal | pm | Alle lidstaten | pm | (1) | EU | pm | TAC | pm | (1) Met uitzondering van Spanje en Portugal, en uitsluitend als bijvangst. | Soort: | Zwaardvis Xiphias gladius | Gebied: | Atlantische Oceaan, benoorden 5° NB (SWO/AS05N) | Spanje | pm | Portugal | pm | EU | pm | TAC | pm | Soort: | Noord-Atlantische witte tonijn Thunnus alalunga | Gebied: | Atlantische Oceaan, benoorden 5° NB (ALB/AN05N) | Ierland | pm | (2) | Spanje | pm | (2) | Frankrijk | pm | (2) | Verenigd Koninkrijk | pm | (2) | Portugal | pm | (2) | EU | pm | (1) | TAC | pm | (1) Het aantal EU-vaartuigen dat gericht op Noord-Atlantische witte tonijn vist, wordt overeenkomstig artikel 12 van Verordening (EG) nr. 520/2007 vastgesteld op 1253. (2) Het maximum aantal vaartuigen dat de vlag van een lidstaat voert en gericht op Noord-Atlantische witte tonijn mag vissen, is overeenkomstig artikel 12 van Verordening (EG) nr. 520/2007 als volgt over de lidstaten verdeeld: | Lidstaat | Maximum aantal vaartuigen | Ierland | pm | Spanje | pm | Frankrijk | pm | Verenigd Koninkrijk | pm | Portugal | pm | Soort: | Zuidelijke witte tonijn Thunnus alalunga | Gebied: | Atlantische Oceaan, benoorden 5° NB (ALB/AS05N) | Spanje | pm | Frankrijk | pm | Portugal | pm | EU | pm | TAC | pm | Soort: | Grootoogtonijn Thunnus obesus | Gebied: | Atlantische Oceaan (BET/ATLANT) | Spanje | pm | Frankrijk | pm | Portugal | pm | EU | pm | TAC | pm | Soort: | Blauwe marlijn Makaira nigricans | Gebied: | Atlantische Oceaan (BUM/ATLANT) | EU | pm | TAC | Niet relevant | Soort: | Witte marlijn Tetrapturus albidus | Gebied: | Atlantische Oceaan (WHM/ATLANT) | EU | pm | TAC | Niet relevant | BIJLAGE IE ANTARCTISCH GEBIED CCAMLR-verdragsgebied Deze door de CCAMLR vastgestelde TAC's worden niet aan de CCAMLR-leden toegewezen, zodat het aandeel van de EU onbepaald is. De vangsten staan onder toezicht van het secretariaat van de CCAMLR, dat meedeelt wanneer de visserij moet worden stopgezet omdat de TAC is opgevist. Soort: | IJsvis Champsocephalus gunnari | Gebied: | FAO 48.3 Antarctische wateren (ANI/F483.) | TAC | pm | Soort: | IJsvis Champsocephalus gunnari | Gebied: | FAO 58.5.2 Antarctische wateren(1) (ANI/F5852.) | TAC | pm | (2) | (1) In het kader van deze TAC mag visserij worden bedreven in het gedeelte van statistische sector 58.5.2 van de FAO dat is afgebakend door de lijn die loopt: a) van het snijpunt van lengtegraad 72° 15’OL met de grens als vastgesteld bij de overeenkomst inzake de afbakening van de wateren tussen Australië en Frankrijk ("Australia-France Maritime Delimitation Agreement") zuidwaarts langs deze lengtegraad tot het snijpunt daarvan met breedtegraad 53° 25’ZB; b) vervolgens oostwaarts langs deze breedtegraad tot het snijpunt ervan met lengtegraad 74°OL; c) daarna langs een geodetische lijn in noordoostelijke richting naar het snijpunt van breedtegraad 52° 40’ZB met lengtegraad 76°OL; d) vervolgens noordwaarts langs deze lengtegraad tot het snijpunt ervan met breedtegraad 52°ZB; e) daarna langs een geodetische lijn in noordwestelijke richting naar het snijpunt van breedtegraad 51°ZB met lengtegraad 74° 30’OL; en f) vervolgens langs een geodetische lijn in zuidwestelijke richting naar het beginpunt. (2) Deze TAC is van toepassing voor de periode van 1 december 2010 tot en met 30 november 2011. | Soort: | Zwarte patagonische ijsheek Dissostichus eleginoides | Gebied: | FAO 48.3 Antarctische wateren (TOP/F483.) | TAC | pm | (1) | Bijzondere voorwaarden: | Binnen de limieten van de bovenstaande quota mag in de onderstaande deelgebieden niet meer worden gevangen dan de hieronder opgegeven hoeveelheden: | Beheersgebied A: 48° WL tot 43°30' WL – 52°30' ZB tot 56° ZB (TOP/*F483A) | pm | Beheersgebied B: 43°30' WL tot 40° WL – 52°30' ZB tot 56° ZB (TOP/*F483B) | pm | Beheersgebied C: 40° WL tot 33°30'WL – 52°30' ZB tot 56° ZB (TOP/ *F483C) | pm | (1) Deze TAC is van toepassing voor beugvisserij in de periode van 1 mei tot en met 31 augustus 2011 en voor korfvisserij in de periode van 1 december 2010 tot en met 30 november 2011. | Soort: | Zwarte patagonische ijsheek Dissostichus eleginoides | Gebied: | FAO 48.4 Antarctische wateren (TOP/F484.) | TAC | pm | Soort: | Zwarte patagonische ijsheek Dissostichus eleginoides | Gebied: | FAO 58.5.2 Antarctische wateren (TOP/F5852.) | TAC | pm | (1) | (1) Deze TAC is uitsluitend van toepassing ten westen van 79°20’ OL. Het is niet toegestaan ten oosten van deze lengtegraad in deze zone te vissen. | Soort: | Antarctisch krill Euphausia superba | Gebied: | FAO 48 (KRI/F48.) | TAC | pm | (1) | Bijzondere voorwaarden: Binnen de limieten van de bovenstaande quota mag in de onderstaande deelgebieden niet meer worden gevangen dan de hieronder opgegeven hoeveelheden: | Sector 48.1 (KRI/F48.1.) | pm | Sector 48.2 (KRI/F48.2.) | pm | Sector 48.3 (KRI/F48.3.) | pm | Sector 48.4 (KRI/F48.4.) | pm | (1) Deze TAC is van toepassing voor de periode van 1 december 2010 tot en met 30 november 2011. | Soort: | Antarctisch krill Euphausia superba | Gebied: | FAO 58.4.1 Antarctische wateren (KRI/F5841.) | TAC | pm | (1) | Bijzondere voorwaarden: | Binnen de limieten van de bovenstaande quota mag in de onderstaande deelgebieden niet meer worden gevangen dan de hieronder opgegeven hoeveelheden: | Sector 58.4.1 ten westen van 115° OL (KRI/*F-41W) | pm | Sector 58.4.1 ten oosten van 115° OL (KRI/*F-41E) | pm | (1) Deze TAC is van toepassing voor de periode van 1 december 2010 tot en met 30 november 2011. | Soort: | Antarctisch krill Euphausia superba | Gebied: | FAO 58.4.2 Antarctische wateren (KRI/F5842.) | TAC | pm | (1) | Bijzondere voorwaarden: | Binnen de limieten van de bovenstaande quota mag in de onderstaande deelgebieden niet meer worden gevangen dan de hieronder opgegeven hoeveelheden: | Sector 58.4.2 ten westen van 55° OL (KRI/*F-42W) | pm | Sector 58.4.2 ten oosten van 55° OL (KRI/*F-42E) | pm | (1) Deze TAC is van toepassing voor de periode van 1 december 2010 tot en met 30 november 2011. | Soort: | Grijze zuidpoolkabeljauw Lepidonotothen squamifrons | Gebied: | FAO 58.5.2 Antarctische wateren (NOS/F5852.) | TAC | pm | Soort: | Krabben Paralomis spp. | Gebied: | FAO 48.3 Antarctische wateren (PAI/F483.) | TAC | pm | (1) | (1) Deze TAC is van toepassing voor de periode van 1 december 2010 tot en met 30 november 2011. | Soort: | Grenadiers Macrourus spp. | Gebied: | FAO 58.5.2 Antarctische wateren (GRV/F5852.) | TAC | pm | Soort: | Andere soorten | Gebied: | FAO 58.5.2 Antarctische wateren (OTH/F5852.) | TAC | pm | Soort: | Roggen Rajidae | Gebied: | FAO 58.5.2 Antarctische wateren (SRX/F5852.) | TAC | pm | (1) Deze TAC is van toepassing voor de periode van 1 december 2010 tot en met 30 november 2011. | BIJLAGE IF ZUIDOOST-ATLANTISCHE OCEAAN SEAFO-verdragsgebied Deze TAC's worden niet aan de SEAFO-leden toegewezen, zodat het aandeel van de EU onbepaald is. De vangsten staan onder toezicht van het secretariaat van de SEAFO, dat meedeelt wanneer de visserij moet worden stopgezet omdat de TAC is opgevist. Soort: | Beryciden Beryx spp. | Gebied: | SEAFO (ALF/SEAFO) | TAC | 200 | Analytische TAC | Soort: | Rode diepzeekrab Chaceon maritae | Gebied: | SEAFO-deelsector B1 (1) (CGE/F47NAM) | TAC | 200 | Analytische TAC | (1) In het kader van deze TAC mag de visserij worden bedreven in het gebied dat wordt begrensd: – ten westen door de lengtegraad 0°OL, – ten noorden door de breedtegraad 20°ZB, – ten zuiden door de breedtegraad 28°ZB, en – ten oosten door de buitengrenzen van de Exclusieve Economische Zone van Namibië. | Soort: | Rode diepzeekrab Chaceon maritae | Gebied: | SEAFO, met uitzondering van deelsector B1 (CGE/F47X) | TAC | 200 | Analytische TAC | Soort: | Zwarte patagonische ijsheek Dissostichus eleginoides | Gebied: | SEAFO (TOP/SEAFO) | TAC | 230 | Analytische TAC | Soort: | Atlantische slijmkop Hoplostethus atlanticus | Gebied: | SEAFO-deelsector B1 (1) (ORY/F47NAM) | TAC | 0 | Analytische TAC | (1) In het kader van deze bijlage mag de visserij worden bedreven in het gebied dat wordt begrensd: – ten westen door de lengtegraad 0°OL, – ten noorden door de breedtegraad 20°ZB, – ten zuiden door de breedtegraad 28°ZB, en – ten oosten door de buitengrenzen van de Exclusieve Economische Zone van Namibië. | Soort: | Atlantische slijmkop Hoplostethus atlanticus | Gebied: | SEAFO, met uitzondering van deelsector B1 (ORY/F47X) | TAC | 50 | Analytische TAC | BIJLAGE IG ZUIDELIJKE BLAUWVINTONIJN - Alle gebieden Soort: | Zuidelijke blauwvintonijn Thunnus maccoyii | Gebied: | Alle gebieden (SBF/F41-81) | EU | 10 | (1) | Analytische TAC | TAC | pm | (1) Uitsluitend voor bijvangsten. Uit hoofde van dit quotum is gerichte visserij niet toegestaan. | BIJLAGE IH WCPFC-verdragsgebied Soort: | Zwaardvis Xiphias gladius | Gebied: | WCFPC-gebied ten zuiden van 20° ZB (F7120S) | EU | pm | Analytische TAC | TAC | pm | BIJLAGE IJ SPRFMO-verdragsgebied Soort: | Chileense horsmakreel Trachurus murphyi | Gebied: | SPRFMO-verdragsgebied (CJM) | Duitsland | pm | Nederland | pm | Litouwen | pm | Polen | pm | EU | pm | BIJLAGE IIA VISSERIJINSPANNING VOOR VAARTUIGEN IN HET KADER VAN HET BEHEER VAN BEPAALDE BESTANDEN IN DE ICES-ZONES IIIa, IV, VIa, VIIa, VIId, EN IN EU-WATEREN VAN DE ICES-ZONES IIa EN Vb TOEPASSINGSGEBIED 1.1. Deze bijlage is van toepassing op EU-vaartuigen die één van de in punt 1 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1342/2008 bedoelde vistuigen aan boord hebben of gebruiken en aanwezig zijn in één van de in punt 2 van die bijlage bedoelde geografische gebieden. 1.2. Deze bijlage is niet van toepassing op vaartuigen met een lengte over alles van minder dan 10 meter. Deze vaartuigen hoeven niet in het bezit zijn van een speciaal visdocument dat is afgegeven overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1627/94. De betrokken lidstaten beoordelen de visserijinspanning voor deze vaartuigen aan de hand van de inspanningsgroep waartoe zij behoren, en gebruiken daarvoor adequate bemonsteringsmethoden. In 2011 verzoekt de Commissie om wetenschappelijk advies teneinde de door deze vaartuigen verrichte inspanning te beoordelen en de betrokken vaartuigen later in de inspanningsregeling op te nemen. GEREGLEMENTEERD TUIG EN GEOGRAFISCHE GEBIEDEN Voor de toepassing van deze bijlage gelden de in punt 1 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1342/2008 vermelde vistuigcategorieën en de in punt 2 van die bijlage vermelde geografische gebieden. MAXIMAAL TOEGESTANE VISSERIJINSPANNING 3.1. De voor de beheersperiode 2011, van 1 februari 2011 tot en met 31 januari 2012, geldende maximaal toegestane visserijinspanning als bedoeld in artikel 12, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1342/2008 en artikel 9, lid 2, van Verordening (EG) nr. 676/2011, per inspanningsgroep en per lidstaat, wordt vastgesteld in aanhangsel 1. 3.2. De overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1954/2003 vastgestelde maximumniveaus voor de jaarlijkse visserijinspanning laten de in deze bijlage bepaalde maximaal toegestane visserijinspanning onverlet. VERPLICHTINGEN VAN DE LIDSTATEN 4.1. De lidstaten beheren de maximaal toegestane visserijinspanning overeenkomstig de voorwaarden van artikel 9 van Verordening (EG) nr. 676/2007, artikel 4 en de artikelen 13 tot en met 17 van Verordening (EG) nr. 1342/2008 en de artikelen 26 tot en met 35 van Verordening (EG) nr. 1224/2009. 4.2. Artikel 28 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 geldt voor vaartuigen die binnen het toepassingsgebied van deze bijlage vallen. Het in dat artikel bedoelde geografische gebied is, voor kabeljauwbeheer, elk van de geografische gebieden van punt 2 en, voor tong- en scholbeheer, ICES-gebied IV. TOEWIJZING VAN DE VISSERIJINSPANNING 5.1. Indien een lidstaat dit passend acht om de duurzame uitvoering van zijn visserijinspanningsregeling te versterken, verleent hij vaartuigen in de geografische gebieden waarop deze bijlage van toepassing is, geen toestemming voor visserijactiviteiten met gereglementeerd vistuig als deze vaartuigen nog niet eerder dergelijke visserijactiviteiten hebben bedreven, tenzij hij ervoor zorgt dat een gelijkwaardig vermogen, in kilowatt gemeten, niet voor vissen in het gereglementeerde gebied wordt gebruikt. 5.2. Een lidstaat mag beheersperioden vaststellen voor de toewijzing van de volledige maximaal toegestane inspanning, of delen daarvan, aan individuele vaartuigen of groepen vaartuigen. In dat geval wordt het aantal dagen of uren tijdens welke een vaartuig gedurende een beheersperiode in het betrokken gebied aanwezig mag zijn, door de betrokken lidstaat zelf vastgesteld. Tijdens dergelijke beheersperioden kan de lidstaat de inspanning opnieuw toewijzen tussen individuele vaartuigen of groepen vaartuigen. 5.3. Lidstaten die de aanwezigheid van vaartuigen in een gebied per uur vaststellen, moeten de benutting van de dagen blijven meten overeenkomstig de in punt 4 bedoelde voorwaarden. Op verzoek van de Commissie moet de lidstaat aantonen welke voorzorgsmaatregelen hij heeft genomen ter voorkoming van excessieve benutting van de inspanning in het gebied wanneer een vaartuig zijn aanwezigheden in het gebied beëindigt vóór het einde van een periode van 24 uur. MEDEDELING VAN RELEVANTE GEGEVENS 6.1. Onverminderd de artikelen 33 en 34 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 dienen de lidstaten bij de Commissie, op haar verzoek, aan de hand van het in aanhangsel 2 opgenomen modelrapportageformulier de gegevens in over de visserijinspanning die hun vaartuigen gedurende de vorige maand en de daaraan voorafgaande maanden hebben verricht. 6.2. De gegevens worden naar een door de Commissie aan de lidstaten mee te delen e-mailadres gestuurd. Wanneer het systeem voor de uitwisseling van visserijgegevens (FIDES - Fisheries Data Exchange System) - of een ander door de Commissie vastgesteld gegevenssysteem - operationeel wordt, sturen de lidstaten, uiterlijk op de 15e van elke maand, de gegevens over de tot het einde van de voorafgaande maand verrichte inspanning naar dat systeem. De Commissie deelt de lidstaten uiterlijk twee maanden vóór de eerste termijn mee op welke datum het systeem voor de transmissie van gegevens in werking zal treden. De eerste visserijinspanningsaangifte die naar het systeem wordt gestuurd, dient de gegevens over de vanaf 1 februari 2011 verrichte inspanning te omvatten. De lidstaten sturen de Commissie desgevraagd de gegevens over de door hun vissersvaartuigen in januari 2011 verrichte visserijinspanning. Aanhangsel 1 bij bijlage IIA Maximaal toegestane visserijinspanning in kilowattdagen GEOGRAFISCH GEBIED: | GEREGLEMENTEERD VISTUIG | DK | DE | SE | (A) KATTEGAT | TR1 | TR2 | TR3 | BT1 | BT2 | GN | GT | LL | (c) ICES-zone VIIa | TR1 | TR2 | TR3 | BT1 | BT2 | GN | GT | LL | Geografisch gebied: | Gereglementeerd vistuig | DE | ES | FR | IE | UK | (d) ICES-zone VIa en de EU-wateren van ICES-zone Vb | TR1 | TR2 | TR3 | BT1 | BT2 | GN | GT | LL | Aanhangsel 2 bij bijlage IIA Tabel II | Rapportageformaat | Land | Vistuig | Gebied | Jaar | Maand | Cumulatieve aangifte | (1) | (2) | (3) | (4) | (5) | (6) | Tabel III | Gegevensformaat | Naam van het veld | Maximum aantal letters/cijfers | Richting[31] L(inks/R(echts) | Definitie en opmerkingen | (1) Land | 3 | — | Lidstaat (ISO-drielettercode) waar het vaartuig is geregistreerd | (2) Vistuig | 3 | — | Eén van de volgende vistuigtypes: TR1 TR2 TR3 BT1 BT2 GN1 GT1 LL1 | (3) Gebied | 8 | L | Eén van de volgende gebieden: 03AS 02A0407D 07A 06A | (4) Jaar | 4 | — | Het jaar van de maand waarvoor de aangifte wordt gedaan | (5) Maand | 2 | — | Maand waarvoor de visserijinspanningsaangifte wordt gedaan (uitgedrukt in twee cijfers tussen 01 en 12) | (6) Cumulatieve aangifte | 13 | R | Cumulatieve visserijinspanning in kilowattdagen vanaf 1 januari van het jaar (4) tot het einde van de maand (5) | BIJLAGE II B VISSERIJINSPANNING VOOR VAARTUIGEN IN HET KADER VAN HET HERSTEL VAN BEPAALDE ZUIDELIJKE HEEKBESTANDEN EN LANGOUSTINEBESTANDEN IN DE ICES-SECTOREN VIIIc EN IXa, MET UITZONDERING VAN DE GOLF VAN CADIZ TOEPASSINGSGEBIED Deze bijlage is van toepassing op EU-vaartuigen met een lengte over alles van ten minste 10 meter, die trawls, Deense zegennetten of soortgelijk vistuig met een maaswijdte gelijk aan of groter dan 32 mm en kieuwnetten met een maaswijdte gelijk aan of groter dan 60 mm of grondbeugen aan boord hebben of gebruiken, en aanwezig zijn in de ICES-sectoren VIIIc en IXa, met uitzondering van de Golf van Cadiz. DEFINITIES Voor de toepassing van deze bijlage wordt verstaan onder: a) "vistuiggroep": trawls, Deense zegennetten en soortgelijk vistuig met een maaswijdte gelijk aan of groter dan 32 mm, alsmede kieuwnetten met een maaswijdte gelijk aan of groter dan 60 mm en grondbeugen; b) "gereglementeerd vistuig": vistuig van de twee vistuigcategorieën die tot de vistuiggroep behoren; c) "gebied": de ICES-sectoren VIIIc en IXa, met uitzondering van de Golf van Cadiz; d) "beheersperiode 2011": de periode van 1 februari 2011 tot en met 31 januari 2012; e) "bijzondere voorwaarden": de in punt 5.2 genoemde bijzondere voorwaarden. VAARTUIGEN WAARVOOR BEPERKINGEN VAN DE VISSERIJINSPANNING GELDEN 3.1. Een lidstaat verleent vaartuigen die zijn vlag voeren, geen toestemming voor visserijactiviteiten met gereglementeerd vistuig in het gebied als deze vaartuigen in de jaren 2002 tot en met 2010, de visserijactiviteiten ingevolge een overdracht van dagen tussen vissersvaartuigen niet meegerekend, nog niet eerder dergelijke visserijactiviteiten in dat gebied hebben bedreven, tenzij hij ervoor zorgt dat een gelijkwaardig vermogen, in kilowatt gemeten, niet voor vissen in het gebied wordt gebruikt. 3.2. Een vaartuig dat de vlag van een lidstaat voert die geen quota heeft in het gebied, mag in dat gebied niet vissen met gereglementeerd vistuig, tenzij het vaartuig na een overdracht een quotum krijgt toegewezen uit hoofde van artikel 20, lid 5, van Verordening (EG) nr. 2371/2002 en zeedagen krijgt overeenkomstig punt 10 of punt 11 van deze bijlage. ALGEMENE VERPLICHTINGEN EN ACTIVITEITSBEPERKINGEN 4.1. De lidstaten beheren de maximaal toegestane visserijinspanning overeenkomstig de voorwaarden van artikel 8 van Verordening (EG) nr. 2166/2005 en de artikelen 26 tot en met 35 van Verordening (EG) nr. 1224/2009. 4.2. Onverminderd artikel 29 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 zorgen de lidstaten ervoor dat EU-vaartuigen die hun vlag voeren, wanneer ze gereglementeerd vistuig aan boord hebben, niet langer dan het in punt 5 bepaalde aantal dagen aanwezig zijn in het gebied. 4.3. Artikel 28 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 geldt voor vaartuigen die binnen het toepassingsgebied van deze bijlage vallen. Het in dat artikel bedoelde geografische gebied is het gebied bedoeld in punt 2. AAN EU-VAARTUIGEN TOEGEWEZEN AANTAL DAGEN VAN AANWEZIGHEID IN HET GEBIED MAXIMUM AANTAL DAGEN 5.1. Het maximum aantal dagen waarvoor een lidstaat tijdens de beheersperiode 2011 een onder zijn vlag varend vaartuig mag toestaan om in het gebied aanwezig te zijn terwijl het gereglementeerd vistuig aan boord heeft, staat vermeld in tabel I. 5.2. Voor de vaststelling van het maximum aantal zeedagen dat een EU-vaartuig na toestemming van zijn vlaggenlidstaat in het gebied aanwezig mag zijn, gelden de onderstaande bijzondere voorwaarden overeenkomstig tabel I: a) de totale aanvoer van heek door het vaartuig in 2008 of 2009 moet op jaarbasis minder dan 5 ton bedragen volgens de aanvoer in levend gewicht zoals opgegeven in het visserijlogboek, en b) de totale aanvoer van langoustine door het vaartuig in 2008 of 2009 moet op jaarbasis minder dan 2,5 ton bedragen volgens de aanvoer in levend gewicht zoals opgegeven in het visserijlogboek. 5.3. De in punt 5.2 genoemde bijzondere voorwaarde kan worden overgedragen naar één of meer andere vaartuigen die dat vaartuig in de vloot vervangen, mits het vervangende vaartuig soortgelijk vistuig gebruikt en nog niet eerder grotere hoeveelheden heek en langoustine dan vermeld in punt 5.2 heeft aangevoerd. 5.4. De lidstaten mogen de hun toegewezen visserijinspanning beheren aan de hand van een kilowattdagensysteem. Op grond van dat systeem mogen zij een vaartuig met betrekking tot de in tabel I opgenomen soorten gereglementeerd vistuig en bijzondere voorwaarden, toestaan om gedurende een maximum aantal dagen dat verschilt van het in die tabel vastgestelde aantal, aanwezig te zijn in het gebied, mits het totale aantal kilowattdagen dat met het gereglementeerde vistuig en de in punt 5.2 genoemde bijzondere voorwaarde overeenstemt, in acht wordt genomen. Het totale aantal kilowattdagen moet de som zijn van alle individuele visserijinspanningen die zijn toegewezen aan de vaartuigen die de vlag van die lidstaat voeren en in aanmerking komen voor het gereglementeerde vistuig en, in voorkomend geval, voor de bijzondere voorwaarde. Deze individuele visserijinspanningen worden berekend in kilowattdagen door het motorvermogen van elk vaartuig te vermenigvuldigen met het aantal zeedagen waarover het betrokken vaartuig overeenkomstig tabel I zou beschikken indien de bepalingen van dit punt niet werden toegepast. Zolang het aantal dagen overeenkomstig tabel I onbeperkt is, bedraagt het aantal dagen waarover het vaartuig zou beschikken, 360. 5.5. Lidstaten die gebruik wensen te maken van de in punt 5.4 vastgestelde bepalingen, dienen bij de Commissie een verzoek in met elektronische verslagen waarin voor de in tabel I vermelde vistuiggroep en bijzondere voorwaarde de gegevens worden vermeld voor de berekening op basis van: - de lijst van vaartuigen die mogen vissen, met vermelding van hun nummer in het EU-vissersvlootregister (CFR) en hun motorvermogen, - de vangstcijfers van dergelijke vaartuigen voor 2008 en 2009, waaruit de in bijzondere voorwaarde 5.2, onder a) of b), vastgestelde vangstsamenstelling blijkt, indien deze vaartuigen voor deze bijzondere voorwaarde in aanmerking komen, - het aantal zeedagen dat elk vaartuig overeenkomstig tabel I oorspronkelijk had mogen vissen en het aantal zeedagen waarover elk vaartuig bij toepassing van punt 5.4 zou beschikken. Op basis van deze gegevens mag de Commissie de betrokken lidstaat toestemming verlenen om gebruik te maken van de bepalingen in punt 5.4. BEHEERSPERIODEN 6.1. Een lidstaat mag het in tabel I vermelde aantal dagen van aanwezigheid in het gebied verdelen over beheersperioden met een duur van één of meer kalendermaanden. 6.2. Het aantal dagen of uren tijdens dewelke een vaartuig gedurende een beheersperiode in het betrokken gebied aanwezig mag zijn, wordt door de betrokken lidstaat vastgesteld. Lidstaten die de aanwezigheid van vaartuigen in een gebied per uur vaststellen, moeten de benutting van de dagen blijven meten overeenkomstig punt 4.1. Op verzoek van de Commissie moet de lidstaat aantonen welke voorzorgsmaatregelen hij heeft genomen ter voorkoming van een excessieve benutting van dagen in het gebied wanneer een vaartuig aanwezigheden in het gebied beëindigt vóórdat een periode van 24 uur is afgelopen. TOEWIJZING VAN EXTRA DAGEN VOOR DE DEFINITIEVE BEËINDIGING VAN VISSERIJACTIVITEITEN 7.1. De Commissie kan lidstaten extra dagen toekennen waarop een vaartuig toestemming van zijn vlaggenlidstaat kan krijgen om in het gebied aanwezig te zijn met gereglementeerd vistuig aan boord, en wel op basis van de definitieve beëindiging van visserijactiviteiten tussen 1 februari 2010 en 31 januari 2011, hetzij overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 2792/1999 of artikel 23 van Verordening (EG) nr. 1198/2006, hetzij ingevolge andere omstandigheden die de lidstaten naar behoren motiveren. Ook vaartuigen waarvoor kan worden aangetoond dat zij definitief uit het gebied verdwenen zijn, komen in aanmerking. De in kilowattdagen gemeten visserijinspanning die vaartuigen waarvan de activiteiten zijn beëindigd, in 2003 met het betrokken vistuig hebben geleverd, wordt gedeeld door de inspanning die alle vaartuigen in 2003 met dat vistuig hebben geleverd. Het aantal extra zeedagen wordt vervolgens berekend door de aldus verkregen ratio te vermenigvuldigen met het aantal dagen dat overeenkomstig tabel I zou zijn toegewezen. Het resultaat van deze berekening wordt afgerond op de dichtstbijzijnde hele dag. Dit punt is niet van toepassing wanneer een vaartuig overeenkomstig punt 3 of punt 5.3 is vervangen of wanneer de onttrekking reeds in de voorgaande jaren is benut om extra zeedagen te krijgen. 7.2. Lidstaten die gebruik wensen te maken van de in punt 7.1 vastgestelde toewijzingen, dienen bij de Commissie een verzoek in met elektronische verslagen waarin voor de in tabel I vermelde vistuiggroep en bijzondere voorwaarde de gegevens worden vermeld voor de berekening op basis van: - de lijst van vaartuigen waarvan de activiteiten zijn beëindigd, met vermelding van hun nummer in het EU-vissersvlootregister (CFR) en hun motorvermogen, - de in 2003 door die vaartuigen verrichte visserijactiviteit, berekend in zeedagen volgens vistuiggroep en, zo nodig, per bijzondere voorwaarde. 7.3. Op basis van dit verzoek kan de Commissie het in punt 5.1 vastgestelde aantal dagen voor de betrokken lidstaat wijzigen volgens de in artikel 30, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2371/2002 bedoelde procedure. 7.4. Tijdens de beheersperiode 2011 mag een lidstaat deze extra zeedagen opnieuw toewijzen aan alle of sommige vaartuigen die nog steeds deel uitmaken van de vloot en die in aanmerking komen voor het gereglementeerde vistuig. Overdracht van extra dagen van een vaartuig waarvan de activiteiten zijn beëindigd en dat in aanmerking kwam voor één van de in punt 5.2, onder a) of b), genoemde bijzondere voorwaarden naar een actief vaartuig dat niet in aanmerking komt voor een bijzondere voorwaarde, is niet toegestaan. 7.5. Extra dagen die voor de beheersperiode 2010 door de Commissie waren toegewezen vanwege de definitieve beëindiging van visserijactiviteiten, worden opgenomen in het maximum aantal dagen per lidstaat zoals vermeld in tabel I en toegewezen aan de in tabel I vistuiggroepen, en worden aangepast door toepassing van de uit deze verordening voor de beheersperiode 2011 voortvloeiende beperkingen van het aantal zeedagen. 7.6 In afwijking van de punten 7.1, 7.2 en 7.3 kan de Commissie een lidstaat bij wijze van uitzondering extra dagen voor de beheersperiode 2011 toewijzen op basis van de definitieve beëindiging van visserijactiviteiten die hebben plaatsgevonden van 1 februari 2004 tot en met 31 januari 2010 en waarvoor nog niet eerder een verzoek om extra dagen was ingediend. TOEWIJZING VAN EXTRA DAGEN VOOR VERSTERKT TOEZICHT DOOR WETENSCHAPPELIJKE WAARNEMERS 8.1. De Commissie kan in het kader van een partnerschap tussen de wetenschap en de visserijsector op basis van een programma voor versterkt toezicht door wetenschappelijke waarnemers de lidstaten drie extra dagen van aanwezigheid in het gebied toewijzen voor vaartuigen met gereglementeerd vistuig aan boord. Dergelijke programma's moeten met name gericht zijn op teruggooiniveaus en vangstsamenstelling en moeten inzake gegevensverzameling verder gaan dan de vereisten van Verordening (EG) nr. 199/2008 van de Raad van 25 februari 2008 betreffende de instelling van een communautair kader voor de verzameling, het beheer en het gebruik van gegevens in de visserijsector en voor de ondersteuning van wetenschappelijk advies over het gemeenschappelijk visserijbeleid[32] en de uitvoeringsbepalingen daarvan voor nationale programma's. De wetenschappelijke waarnemers zijn onafhankelijk van de eigenaar, van de kapitein van het vaartuig en van de bemanning. 8.2. De lidstaten die gebruik wensen te maken van de in punt 8.1 bedoelde toewijzingen, moeten een beschrijving van hun programma voor versterkt toezicht door wetenschappelijke waarnemers ter goedkeuring bij de Commissie indienen. 8.3. Op basis van die beschrijving en na overleg met het WTECV kan de Commissie het aantal in punt 5.1 omschreven dagen voor de betrokken lidstaat en voor de vaartuigen, het gebied en het vistuig waarvoor het programma voor versterkt toezicht door wetenschappelijke waarnemers geldt, wijzigen overeenkomstig de in artikel 30, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2371/2002 bedoelde procedure. 8.4. Indien een door een lidstaat ingediend programma voor versterkt toezicht door wetenschappelijke waarnemers reeds in het verleden door de Commissie werd goedgekeurd en de lidstaat dit programma ongewijzigd wil blijven toepassen, stelt de lidstaat de Commissie vier weken vóór het begin van de periode waarvoor dit programma van toepassing is, in kennis van de voortzetting ervan. BIJZONDERE VOORWAARDEN VOOR DE TOEWIJZING VAN DAGEN 9.1. Indien aan een vaartuig een onbeperkt aantal dagen wordt toegewezen omdat is voldaan aan de bijzondere voorwaarden, mag de aanvoer van het vaartuig in de beheersperiode 2011 niet meer bedragen dan 5 ton heek en 2,5 ton langoustine, gemeten in levend gewicht. 9.2. Wanneer een vaartuig niet aan de betrokken voorwaarde(n) voldoet, verliest het met onmiddellijke ingang het recht op de toewijzing van het aantal dagen dat met die bijzondere voorwaarde overeenstemt. Tabel I | Maximum aantal dagen per jaar waarop een vaartuig in het gebied aanwezig mag zijn, per vistuig | Bijzondere voorwaarde | Gereglementeerd vistuig | Maximum aantal dagen | Bodemtrawls, Deense zegennetten of soortgelijke trawls met een maaswijdte ≥ 32 mm, kieuwnetten met een maaswijdte ≥ 60 mm en grondbeugen | ES | FR | PT | 5.2 a) en 5.2 b) | Bodemtrawls, Deense zegennetten of soortgelijke trawls met een maaswijdte ≥ 32 mm, kieuwnetten met een maaswijdte ≥ 60 mm en grondbeugen | Onbeperkt | UITWISSELING VAN TOEGEWEZEN VISSERIJINSPANNINGEN OVERDRACHT VAN DAGEN TUSSEN VAARTUIGEN DIE DE VLAG VAN DEZELFDE LIDSTAAT VOEREN 10.1. Een lidstaat kan vaartuigen die zijn vlag voeren, toestaan om dagen tijdens welke zij in het gebied aanwezig mogen zijn, voor hetzelfde gebied over te dragen aan een ander vaartuig dat zijn vlag voert, mits het product van het door een vaartuig ontvangen aantal dagen en het motorvermogen in kilowatt van dat vaartuig (kilowattdagen) gelijk is aan of kleiner is dan het product van het door het overdragende vaartuig overgedragen aantal dagen en het motorvermogen in kilowatt van dat vaartuig. Als motorvermogen in kilowatt van een vaartuig geldt het voor dat vaartuig in het EU-vissersvlootregister geregistreerde vermogen. 10.2. Het product van het overeenkomstig punt 10.1 overgedragen totale aantal dagen in het betrokken gebied en het motorvermogen in kilowatt van het overdragende vaartuig mag niet groter zijn dan het product van het geregistreerde gemiddelde aantal dagen per jaar dat het overdragende vaartuig in 2008 en 2009 in het gebied heeft doorgebracht, zoals bevestigd in het visserijlogboek, en het motorvermogen in kilowatt van dat vaartuig. 10.3. Het overdragen van dagen overeenkomstig punt 10.1 is alleen toegestaan tussen vaartuigen die werken met gereglementeerd vistuig en gedurende dezelfde beheersperiode. 10.4. Het overdragen van dagen is alleen toegestaan voor vaartuigen waaraan visdagen zijn toegewezen zonder toepassing van de bijzondere voorwaarde. 10.5. Op verzoek van de Commissie verstrekken de lidstaten informatie over de overdrachten die hebben plaatsgevonden. Spreadsheetformaten voor het verzamelen en doorsturen van de in dit punt bedoelde informatie kunnen worden vastgesteld volgens de in artikel 30, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2371/2002 bedoelde procedure. OVERDRACHT VAN DAGEN TUSSEN VISSERSVAARTUIGEN DIE DE VLAG VAN VERSCHILLENDE LIDSTATEN VOEREN Iedere lidstaat kan vissersvaartuigen die zijn vlag voeren, toestaan om dagen van aanwezigheid in het gebied binnen dezelfde beheersperiode en binnen hetzelfde gebied over te dragen aan een vissersvaartuig dat de vlag van een andere lidstaat voert, mits de voorwaarden van de punten 3.1, 3.2 en 10 van overeenkomstige toepassing zijn. Voordat een lidstaat toestemming verleent voor een dergelijke overdracht, stelt hij de Commissie in kennis van het aantal dagen, de visserijinspanning en, in voorkomend geval, de quota waarop de overdracht betrekking heeft. RAPPORTAGEVERPLICHTINGEN VERZAMELING VAN RELEVANTE GEGEVENS Op basis van de gegevens die worden gebruikt voor het beheer van de dagen van aanwezigheid in het gebied overeenkomstig deze bijlage, verzamelen de lidstaten voor ieder kwartaal de gegevens betreffende de totale visserijinspanning in het gebied voor gesleept vistuig en staand vistuig, de inspanning van vaartuigen die verschillende soorten vistuig gebruiken in het gebied, en het motorvermogen van deze vaartuigen in kW. MEDEDELING VAN RELEVANTE GEGEVENS Op verzoek van de Commissie delen de lidstaten de in punt 12 bedoelde gegevens in het in de tabellen II en III bedoelde formaat aan de Commissie mee door toezending van een spreadsheet aan het juiste e-mailadres, dat door de Commissie aan de lidstaten wordt meegedeeld. Op verzoek van de Commissie doen de lidstaten de Commissie ook gedetailleerde gegevens toekomen over de toegewezen en verrichte visserijinspanning voor het geheel of voor gedeelten van de beheersperioden 2010 en 2011, in het in de tabellen IV en V bedoelde gegevensformaat. Tabel II | Rapportageformaat voor informatie betreffende de kW-dagen, per jaar | Land | Vistuig | Jaar | Cumulatieve aangifte van inspanning | (1) | (2) | (3) | (4) | Tabel III | Gegevensformaat voor informatie betreffende de kW-dagen, per jaar | Naam van het veld | Maximum aantal letters/cijfers | Richting[33] L(inks/R(echts) | Definitie en opmerkingen | (1) Land | 3 | Lidstaat (ISO-drielettercode) waar het vaartuig is geregistreerd | (2) Vistuig | 2 | Eén van de volgende vistuigtypes: TR = trawlnetten, Deense zegens en soortgelijk vistuig ≥ 32 mm GN = kieuwnetten ≥ 60 mm LL = grondbeug | (3) Jaar | 4 | 2006, 2007, 2008, 2009, 2010 of 2011 | (4) Cumulatieve aangifte | 7 | R | Cumulatieve visserijinspanning in kilowattdagen vanaf 1 januari tot en met 31 december van het betrokken jaar | Tabel IV | Rapportageformaat voor vaartuiggerelateerde informatie | Land | CFR | Externe kentekens | Duur van de beheersperiode | Aangegeven vistuig | Bijzondere voorwaarde voor het aangegeven vistuig | Toegewezen aantal dagen per aangegeven vistuig | Aantal dagen waarop het aangegeven vistuig is gebruikt | Over-gedragen dagen | Gegevensformaat voor vaartuiggerelateerde informatie | Naam van het veld | Maximum aantal letters/cijfers | Richting[34] L(inks/R(echts) | Definitie en opmerkingen | (1) Land | 3 | Lidstaat (ISO-drielettercode) waar het vaartuig is geregistreerd. | (2) CFR | 12 | Nummer in EU-vissersvlootregister Uniek identificatienummer van het vissersvaartuig. Lidstaat (ISO-drielettercode) gevolgd door een identificatiereeks (9 tekens). Indien een reeks minder dan 9 tekens telt, moeten aan de linkerkant nullen worden toegevoegd. | (3) Externe kentekens | 14 | L | Overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 1381/87. | (4) Duur van de beheersperiode | 2 | L | Duur van de beheersperiode in maanden. | (5) Aangegeven vistuig | 2 | L | Eén van de volgende vistuigtypes: TR = trawlnetten, Deense zegens en soortgelijk vistuig ≥ 32 mm GN = kieuwnetten ≥ 60 mm LL = grondbeug | (6) Bijzondere voorwaarde voor het aangegeven vistuig | 2 | L | Geef aan welke van de in punt 7.2 van bijlage IIB genoemde bijzondere voorwaarden a-b eventueel van toepassing zijn. | (7) Toegewezen aantal dagen per aangegeven vistuig | 3 | L | Aantal dagen waarop dit vaartuig overeenkomstig bijlage IIB recht heeft op het aangegeven vistuig en de aangegeven beheersperiode. | (8) Aantal dagen waarop het aangegeven vistuig is gebruikt | 3 | L | Aantal dagen dat het vaartuig effectief in het gebied heeft doorgebracht met gebruikmaking van het aangegeven vistuig gedurende de aangegeven beheersperiode. | (9) Overgedragen dagen | 4 | L | Vermeld voor overgedragen dagen „- aantal overgedragen dagen” en voor ontvangen dagen „+ aantal overgedragen dagen”. | BIJLAGE IIC VISSERIJINSPANNING VOOR VAARTUIGEN IN HET KADER VAN HET HERSTEL VAN HET TONGBESTAND IN HET WESTELIJK KANAAL IN ICES-ZONE VIIe ALGEMENE BEPALINGEN TOEPASSINGSGEBIED 1.1. Deze bijlage is van toepassing op EU-vaartuigen met een lengte over alles van ten minste 10 meter, die in punt 3 vermeld vistuig aan boord hebben of gebruiken en aanwezig zijn in zone VIIe. Voor de toepassing van deze bijlage wordt onder de beheersperiode 2011 verstaan de periode van 1 februari 2011 tot en met 31 januari 2012. 1.2. Vaartuigen die vissen met staande netten met een maaswijdte van 120 mm of groter en die volgens het visserijlogboek in 2004 minder dan 300 kg levend gewicht tong hebben gevangen, zijn vrijgesteld van het bepaalde in deze bijlage, mits: a) deze vaartuigen tijdens de beheersperiode 2011 minder dan 300 kg levend gewicht tong vangen; b) deze vaartuigen op zee geen vis overladen op een ander vaartuig; en c) elke betrokken lidstaat uiterlijk op 31 juli 2011 en 31 januari 2012 bij de Commissie een verslag indient over de hoeveelheden tong die in 2004 in de vangstcijfers voor deze vaartuigen zijn opgenomen en in 2011 door deze vaartuigen zijn gevangen. Wanneer aan één van deze voorwaarden niet is voldaan, zijn de betrokken vaartuigen met onmiddellijke ingang niet meer vrijgesteld van het bepaalde in deze bijlage. VISTUIG Deze bijlage heeft betrekking op de volgende vistuiggroepen: a) boomkorren met een maaswijdte gelijk aan of groter dan 80 mm; b) staande netten met inbegrip van kieuwnetten, schakelnetten en warrelnetten, met een maaswijdte van minder dan 220 mm. ALGEMENE VERPLICHTINGEN EN ACTIVITEITSBEPERKINGEN 3.1. De lidstaten beheren de maximaal toegestane visserijinspanning overeenkomstig de artikelen 26 tot en met 35 van Verordening (EG) nr. 1224/2009. 3.2. Artikel 28 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 geldt voor vaartuigen die binnen het toepassingsgebied van deze bijlage vallen. Het in dat artikel bedoelde geografische gebied is ICES-zone VIIe. TOEPASSING VAN DE BEPERKINGEN VAN DE VISSERIJINSPANNING VAARTUIGEN WAARVOOR BEPERKINGEN VAN DE VISSERIJINSPANNING GELDEN 4.1. Vaartuigen die gebruik maken van in punt 2 vermeld vistuig en die vissen in het in punt 1 vermelde gebied, moeten beschikken over een speciaal visdocument dat is afgegeven overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1627/94. 4.2. Een lidstaat mag vaartuigen die zijn vlag voeren, geen toestemming verlenen om in het betrokken gebied te vissen met vistuig van een in punt 2 vermelde vistuiggroep, als deze vaartuigen in de jaren 2002 tot en met 2010 nog niet eerder dergelijke visserijactiviteiten in het betrokken gebied hebben bedreven, tenzij hij ervoor zorgt dat een gelijkwaardige capaciteit, gemeten in kilowatt, aan de visserij in het gereglementeerde gebied wordt onttrokken. 4.3. Aan vaartuigen die wel met vistuig van een in punt 2 vermelde vistuiggroep hebben gevist, kan evenwel toestemming worden verleend om ander vistuig te gebruiken, mits het aantal dagen dat voor het laatstbedoelde vistuig wordt toegewezen, gelijk is aan of groter dan het aantal voor het eerstbedoelde vistuig toegewezen dagen. 4.4. Een vaartuig dat de vlag van een lidstaat voert die geen quota heeft in het in punt 1 vermelde gebied, mag in dat gebied niet vissen met vistuig van een in punt 2 vermelde vistuiggroep, tenzij het vaartuig na een overdracht een quotum krijgt toegewezen uit hoofde van artikel 20, lid 5, van Verordening (EG) nr. 2371/2002 en zeedagen krijgt overeenkomstig punt 10 of punt 11 van deze bijlage. ACTIVITEITSBEPERKINGEN De lidstaten zorgen ervoor dat vissersvaartuigen die hun vlag voeren en in de EU geregistreerd zijn, wanneer ze één van de in punt 2 vermelde vistuiggroepen aan boord hebben, niet langer dan het in punt 6 bepaalde aantal dagen aanwezig zijn in het gebied. AAN EU-VAARTUIGEN TOEGEWEZEN AANTAL DAGEN VAN AANWEZIGHEID IN HET GEBIED MAXIMUM AANTAL DAGEN 6.1. Het maximum aantal dagen waarvoor een lidstaat tijdens de beheersperiode 2011 een onder zijn vlag varend vaartuig mag toestaan om in het gebied aanwezig te zijn terwijl het één van de in punt 2 vermelde soorten vistuig aan boord heeft en gebruikt, staat vermeld in tabel I. 6.2. Het maximum aantal dagen waarop een vaartuig in het gehele in deze bijlage en in bijlage IIA bedoelde gebied aanwezig is, mag tijdens de beheersperiode 2011 niet meer bedragen dan het in tabel I van deze bijlage vermelde aantal dagen. Wanneer evenwel voor een vaartuig uitsluitend met betrekking tot zijn aanwezigheid in de in bijlage IIA omschreven gebieden een maximuminspanning is toegewezen, dient dat vaartuig de aldus vastgestelde maximuminspanning in acht te nemen. 6.3. Tijdens de beheersperiode 2011 mogen de lidstaten de hun toegewezen visserijinspanning beheren aan de hand van een kilowattdagensysteem. Op grond van dat systeem mogen de lidstaten een vaartuig, met betrekking tot de in tabel I opgenomen vistuiggroepen, toestaan om tijdens een maximum aantal dagen dat verschilt van het in die tabel vastgestelde aantal, aanwezig te zijn in het gebied, mits het totale aantal kilowattdagen dat met de betrokken groep overeenstemt, in acht wordt genomen. Voor een specifieke vistuiggroep moet het totale aantal kilowattdagen de som zijn van alle individuele visserijinspanningen die zijn toegewezen aan de vaartuigen die de vlag van de betrokken lidstaat voeren en in aanmerking komen voor die specifieke groep. Deze individuele visserijinspanningen worden berekend in kilowattdagen door het motorvermogen van elk vaartuig te vermenigvuldigen met het aantal zeedagen waarover het betrokken vaartuig overeenkomstig tabel I zou beschikken indien de bepalingen van dit punt niet werden toegepast. 6.4. Lidstaten die de bepalingen van punt 6.3 willen toepassen, dienen bij de Commissie een verzoek in met elektronische verslagen waarin voor elke vistuiggroep de gegevens worden vermeld voor de berekening op basis van: - de lijst van vaartuigen die mogen vissen, met vermelding van hun nummer in het EU-vissersvlootregister (CFR) en hun motorvermogen, - het aantal zeedagen dat elk vaartuig overeenkomstig tabel I oorspronkelijk had mogen vissen en het aantal zeedagen waarover elk vaartuig bij toepassing van punt 6.3 zou beschikken. Op basis van deze gegevens mag de Commissie de betrokken lidstaat toestemming verlenen om gebruik te maken van de bepalingen in punt 6.3. BEHEERSPERIODEN 7.1. Een lidstaat mag het in tabel I vermelde aantal dagen van aanwezigheid in het gebied verdelen over beheersperioden met een duur van één of meer kalendermaanden. 7.2. Het aantal dagen of uren tijdens welke een vaartuig gedurende een beheersperiode in het betrokken gebied aanwezig mag zijn, wordt door de betrokken lidstaat zelf vastgesteld. Lidstaten die de aanwezigheid van vaartuigen in een gebied per uur vaststellen, moeten de benutting van de dagen blijven meten overeenkomstig punt 3. Op verzoek van de Commissie moet de lidstaat aantonen welke voorzorgsmaatregelen hij heeft genomen ter voorkoming van een excessieve benutting van dagen in het gebied wanneer een vaartuig aanwezigheden in het gebied beëindigt voordat of nadat een periode van 24 uur is afgelopen. TOEWIJZING VAN EXTRA DAGEN VOOR DE DEFINITIEVE BEËINDIGING VAN VISSERIJACTIVITEITEN 8.1. De Commissie kan lidstaten extra dagen toekennen waarop een vaartuig toestemming van zijn vlaggenlidstaat kan krijgen om in het geografische gebied aanwezig te zijn met één van de in punt 2 bedoelde vistuigen aan boord, en wel op basis van de definitieve beëindiging van visserijactiviteiten sinds 1 januari 2004, hetzij overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 2792/1999, artikel 23 van Verordening (EG) nr. 1198/2006 of Verordening (EG) nr. 744/2008, hetzij ingevolge andere omstandigheden die de lidstaten naar behoren motiveren. De in kilowatt gemeten visserijinspanning die vaartuigen waarvan de activiteiten zijn beëindigd, in 2003 met het betrokken vistuig hebben geleverd, wordt gedeeld door de inspanning die alle vaartuigen in 2003 met dat vistuig hebben geleverd. Het aantal extra zeedagen wordt vervolgens berekend door de aldus verkregen ratio te vermenigvuldigen met het aantal dagen dat overeenkomstig tabel I zou zijn toegewezen. Het resultaat van deze berekening wordt afgerond op de dichtstbijzijnde hele dag. Dit punt is niet van toepassing wanneer een vaartuig overeenkomstig punt 4.2 is vervangen of wanneer de onttrekking reeds in de voorgaande jaren is benut om extra zeedagen te krijgen. 8.2. Lidstaten die gebruik wensen te maken van de in punt 8.1 bedoelde toewijzingen, dienen bij de Commissie een verzoek in met elektronische verslagen waarin per vistuiggroep de gegevens worden vermeld voor de berekening op basis van: - de lijst van vaartuigen waarvan de activiteiten zijn beëindigd, met vermelding van hun nummer in het EU-vissersvlootregister (CFR) en hun motorvermogen, - de in 2003 door die vaartuigen verrichte visserijactiviteit, berekend in zeedagen per betrokken vistuiggroep. 8.3. Op basis van dit verzoek kan de Commissie het in punt 6.2 vastgestelde aantal dagen voor de betrokken lidstaat wijzigen volgens de in artikel 30, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2371/2002 bedoelde procedure. 8.4. Tijdens de beheersperiode 2011 mag een lidstaat deze extra zeedagen opnieuw toewijzen aan alle of sommige vaartuigen die nog steeds deel uitmaken van de vloot en die in aanmerking komen voor de betrokken vistuiggroepen. 8.5. Extra dagen die eerder door de Commissie waren toegewezen vanwege de definitieve beëindiging van visserijactiviteiten, mogen in de beheersperiode 2011 niet opnieuw door de lidstaten worden toegewezen, tenzij de Commissie heeft besloten deze extra dagen opnieuw te evalueren op basis van de huidige vistuiggroepen en beperkingen van het aantal zeedagen. Na de indiening van een verzoek om het aantal dagen opnieuw te evalueren, wordt de lidstaat in afwachting van het besluit van de Commissie voorlopig gemachtigd om 50% van het extra aantal dagen opnieuw toe te wijzen. TOEWIJZING VAN EXTRA DAGEN VOOR VERSTERKT TOEZICHT DOOR WETENSCHAPPELIJKE WAARNEMERS 9.1. De Commissie kan op basis van een programma voor versterkt toezicht door wetenschappelijke waarnemers in het kader van een partnerschap tussen de wetenschap en de visserijsector, de lidstaten tussen 1 februari 2011 en 31 januari 2012 drie extra dagen van aanwezigheid in het gebied toewijzen voor vaartuigen met vistuig van een in punt 2 vermelde vistuiggroep aan boord. Dergelijke programma's moeten met name gericht zijn op teruggooiniveaus en vangstsamenstelling en moeten inzake gegevensverzameling verder gaan dan de vereisten die voor nationale programma's zijn vastgesteld in Verordening (EG) nr. 199/2008 en Verordening (EG) nr. 665/2008. De waarnemers moeten onafhankelijk zijn van de eigenaar, van de kapitein van het vissersvaartuig en van de bemanning. 9.2. De lidstaten die gebruik wensen te maken van de in punt 9.1 bedoelde toewijzingen, moeten een beschrijving van hun programma voor versterkt toezicht door wetenschappelijke waarnemers ter goedkeuring bij de Commissie indienen. 9.3. Op basis van die beschrijving en na overleg met het WTECV kan de Commissie het aantal in punt 6.1 omschreven dagen voor de betrokken lidstaat en voor de vaartuigen, het gebied en het vistuig waarvoor het programma voor versterkt toezicht door waarnemers geldt, wijzigen overeenkomstig de in artikel 30, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2371/2002 bedoelde procedure. 9.4. Indien een door een lidstaat ingediend programma voor versterkt toezicht door wetenschappelijke waarnemers reeds in het verleden door de Commissie werd goedgekeurd en de lidstaat dit programma ongewijzigd wil blijven toepassen, stelt de lidstaat de Commissie vier weken vóór het begin van de periode waarvoor dit programma van toepassing is, in kennis van de voortzetting ervan. Tabel I | Maximum aantal dagen per jaar waarop een vaartuig in het gebied aanwezig mag zijn, per vistuiggroep | Vistuig punt 2 | Benaming Enkel de in punt 2 vermelde vistuiggroepen worden gebruikt | Westelijk kanaal | 2. a. | Boomkorren met een maaswijdte ≥ 80 mm | 2. b. | Staande netten met een maaswijdte < 220 mm | UITWISSELING VAN TOEGEWEZEN VISSERIJINSPANNINGEN OVERDRACHT VAN DAGEN TUSSEN VISSERSVAARTUIGEN DIE DE VLAG VAN DEZELFDE LIDSTAAT VOEREN 10.1. Een lidstaat mag een vissersvaartuig dat zijn vlag voert, toestaan om dagen tijdens welke het vaartuig in het gebied aanwezig mag zijn, voor hetzelfde gebied over te dragen aan een ander vaartuig dat zijn vlag voert, mits het product van het door een vaartuig ontvangen aantal dagen en het motorvermogen in kilowatt van dat vaartuig (kilowattdagen) gelijk is aan of kleiner is dan het product van het door het overdragende vaartuig overgedragen aantal dagen en het motorvermogen in kilowatt van dat vaartuig. Als motorvermogen in kilowatt van een vaartuig geldt het voor dat vaartuig in het EU-vissersvlootregister geregistreerde vermogen. 10.2. Het product van het aantal dagen van aanwezigheid in het gebied en het motorvermogen in kilowatt van het overdragende vaartuig mag niet groter zijn dan het product van het geregistreerde gemiddelde aantal dagen per jaar dat het overdragende vaartuig in 2001, 2002, 2003, 2004 en 2005 in het gebied heeft doorgebracht, zoals bevestigd in het visserijlogboek, en het motorvermogen in kilowatt van dat vaartuig. 10.3. Het overdragen van dagen overeenkomstig punt 10.1 is alleen toegestaan tussen vaartuigen die werken met dezelfde in punt 2 bedoelde vistuiggroep en gedurende dezelfde beheersperiode. 10.4. Op verzoek van de Commissie brengen de lidstaten verslag uit over de overdrachten die hebben plaatsgevonden. Overeenkomstig de in artikel 30, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2371/2002 bedoelde procedure kan een gedetailleerd spreadsheetformaat worden vastgesteld voor het doorsturen van deze verslagen aan de Commissie. OVERDRACHT VAN DAGEN TUSSEN VISSERSVAARTUIGEN DIE DE VLAG VAN VERSCHILLENDE LIDSTATEN VOEREN Iedere lidstaat kan vissersvaartuigen die zijn vlag voeren, toestaan om dagen van aanwezigheid in het gebied binnen dezelfde beheersperiode en binnen hetzelfde gebied over te dragen aan een vissersvaartuig dat de vlag van een andere lidstaat voert, mits de punten 4.2, 4.4, 6 en 10 mutatis mutandis van toepassing zijn. Voordat een lidstaat voor een dergelijke overdracht toestemming verleent, stelt hij de Commissie in kennis van gedetailleerde gegevens betreffende de overdracht, met name van het aantal dagen, de visserijinspanning en, indien van toepassing, de quota waarop de overdracht betrekking heeft, overeenkomstig de tussen de betrokken lidstaten gemaakte afspraken. RAPPORTAGEVERPLICHTINGEN VERZAMELING VAN RELEVANTE GEGEVENS Op basis van de gegevens die worden gebruikt voor het beheer van de visdagen aanwezig in het gebied overeenkomstig deze bijlage, verzamelen de lidstaten voor ieder kwartaal de gegevens betreffende de totale visserijinspanning in het gebied voor gesleept vistuig en staand vistuig en de inspanning van vaartuigen die verschillende soorten vistuig gebruiken in het gebied als bedoeld in deze bijlage. MEDEDELING VAN RELEVANTE GEGEVENS Op verzoek van de Commissie delen de lidstaten de in punt 12 bedoelde gegevens in het in de tabellen II en III bedoelde formaat aan de Commissie mee door toezending van een spreadsheet aan het juiste e-mailadres, dat door de Commissie aan de lidstaten wordt meegedeeld. Op verzoek van de Commissie doen de lidstaten de Commissie ook gedetailleerde gegevens toekomen over de toegewezen en verrichte visserijinspanning voor het geheel of voor gedeelten van de beheersperioden 2010 en 2011, in het in de tabellen IV en V bedoelde gegevensformaat. Tabel II | Rapportageformaat voor informatie betreffende de kW-dagen, per jaar | Land | Vistuig | Jaar | Cumulatieve aangifte van inspanning | (1) | (2) | (3) | (4) | Tabel III | Gegevensformaat voor informatie betreffende de kW-dagen, per jaar | Naam van het veld | Maximum aantal letters/cijfers | Richting[35] L(inks/R(echts) | Definitie en opmerkingen | (1) Land | 3 | Lidstaat (ISO-drielettercode) waar het vaartuig is geregistreerd | (2) Vistuig | 2 | Eén van de volgende vistuigtypes: BT = boomkorren ≥ 80 mm GN = kieuwnetten < 220 mm TN = schakelnetten of warrelnetten < 220 mm | (3) Jaar | 4 | 2006, 2007, 2008, 2009, 2010 of 2011 | (4) Cumulatieve aangifte | 7 | R | Cumulatieve visserijinspanning in kilowattdagen vanaf 1 januari tot en met 31 december van het betrokken jaar | Tabel IV | Rapportageformaat voor vaartuiggerelateerde informatie | Land | CFR | Externe kentekens | Duur van de beheersperiode | Aangegeven vistuig | Toegewezen aantal dagen per aangegeven vistuig | Aantal dagen waarop het aangegeven vistuig is gebruikt | Over-gedragen dagen | Gegevensformaat voor vaartuiggerelateerde informatie | Naam van het veld | Maximum aantal letters/cijfers | Richting[36] L(inks/R(echts) | Definitie en opmerkingen | (1) Land | 3 | Lidstaat (ISO-drielettercode) waar het vaartuig is geregistreerd. | (2) CFR | 12 | Nummer in EU-vissersvlootregister Uniek identificatienummer van het vissersvaartuig. Lidstaat (ISO-drielettercode) gevolgd door een identificatiereeks (9 tekens). Indien een reeks minder dan 9 tekens telt, moeten aan de linkerkant nullen worden toegevoegd. | (3) Externe kentekens | 14 | L | Overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 1381/87 | (4) Duur van de beheersperiode | 2 | L | Duur van de beheersperiode in maanden. | (5) Aangegeven vistuig | 2 | L | Eén van de volgende vistuigtypes: BT = boomkorren ≥ 80 mm GN = kieuwnetten < 220 mm TN = schakelnetten of warrelnetten < 220 mm | (6) Bijzondere voorwaarde voor het aangegeven vistuig | 3 | L | Aantal dagen waarop dit vaartuig overeenkomstig bijlage IIC recht heeft op het aangegeven vistuig en de aangegeven beheersperiode. | (8) Aantal dagen waarop het aangegeven vistuig is gebruikt | 3 | L | Aantal dagen dat het vaartuig effectief in het gebied heeft doorgebracht met gebruikmaking van het aangegeven vistuig gedurende de aangegeven beheersperiode. | (9) Overgedragen dagen | 4 | L | Vermeld voor overgedragen dagen „- aantal overgedragen dagen” en voor ontvangen dagen „+ aantal overgedragen dagen”. | BIJLAGE IID VANGSTMOGELIJKHEDEN VOOR VAARTUIGEN DIE VISSEN OP ZANDSPIERING IN DE ICES-ZONES IIa, IIIa EN IV [1. DE IN DEZE BIJLAGE VASTGESTELDE VOORWAARDEN ZIJN VAN TOEPASSING OP EU-VAARTUIGEN DIE IN DE EU-WATEREN VAN DE ICES-ZONES IIA, IIIA EN IV VISSEN MET BODEMTRAWLS, ZEGENNETTEN OF SOORTGELIJK GESLEEPT VISTUIG MET EEN MAASWIJDTE VAN MINDER DAN 16 MM. 2. De in deze bijlage vastgestelde voorwaarden gelden voor vaartuigen van derde landen die, tenzij anders is bepaald, in de EU-wateren van ICES-zone IV op zandspiering mogen vissen op grond van een machtiging of als gevolg van overleg tussen de EU en Noorwegen als bepaald in de goedgekeurde notulen van de conclusies van het visserijoverleg tussen de Europese Unie en Noorwegen. 3. In deze bijlage wordt onder een dag van aanwezigheid in het gebied verstaan: a) de periode van 24 uur die begint om 00:00 uur op een welbepaalde kalenderdag en eindigt om 24.00 uur op dezelfde kalenderdag, of een deel van deze periode; dan wel b) een in het visserijlogboek vermelde ononderbroken periode van 24 uur tussen de datum en het tijdstip van vertrek en de datum en het tijdstip van aankomst, of een deel van een dergelijke periode. 4. Iedere betrokken lidstaat houdt een gegevensbank bij die voor de EU-wateren van de ICES-zones IIa, IIIa en IV en voor ieder vaartuig dat zijn vlag voert of in de EU is geregistreerd, en met bodemtrawls, zegennetten of soortgelijk gesleept vistuig met een maaswijdte van minder dan 16 mm heeft gevist, de volgende gegevens bevat: a) de naam en het interne registratienummer van het vaartuig; b) het geïnstalleerde motorvermogen van het vaartuig in kilowatt, gemeten overeenkomstig artikel 5 van Verordening (EEG) nr. 2930/86; c) het aantal dagen van aanwezigheid in het gebied tijdens welke is gevist met bodemtrawls, zegennetten of soortgelijk gesleept vistuig met een maaswijdte van minder dan 16 mm; d) het aantal kilowattdagen, d.w.z. het product van het aantal dagen van aanwezigheid in het gebied en het geïnstalleerde motorvermogen in kilowatt. 5. Experimentele visserij in verband met de dichtheid van zandspiering begint niet vóór 1 april 2011 en eindigt niet na 6 mei 2011. Het totale maximum van de visserijinspanning dat voor de experimentele visserij in verband met de dichtheid van zandspiering in 2011 is toegestaan, wordt bepaald op basis van de totale visserijinspanning die in 2007 is geleverd door EU-vaartuigen als vastgesteld overeenkomstig punt 4, en wordt verdeeld over de lidstaten overeenkomstig de voor deze TAC toegewezen quota. 6. De in bijlage I vastgestelde TAC's en quota voor zandspiering in de EU-wateren van de ICES-zones IIa, IIIa en IV worden door de Commissie zo spoedig mogelijk herzien op basis van advies van de ICES en het WTECV over de omvang van het zandspieringbestand in de Noordzee in jaargang 2010, met inachtneming van de volgende beginselen en andere in het wetenschappelijke advies opgenomen relevante elementen: De TAC voor de EU-wateren van de ICES-zones IIa en IV wordt vastgesteld volgens de volgende formule: TAC 2011 = -333+R1,2011*3,692 R1,2011 geeft de bestandsgrootte in miljarden aan voor zandspiering in de leeftijdsklasse 1 per 1 januari 2011; de TAC wordt uitgedrukt in 1000 ton. 7. Indien de in punt 6 berekende TAC meer dan 400000 ton bedraagt, wordt de TAC vastgesteld op 400000 ton. 8. De commerciële visserij met bodemtrawls, zegennetten of soortgelijk gesleept vistuig met een maaswijdte van minder dan 16 mm is verboden van 1 augustus tot en met 31 december 2011.] BIJLAGE IIE VISSERIJINSPANNING VOOR VAARTUIGEN DIE VISSEN IN DE ICES-ZONES VIIF EN G 1. IEDERE LIDSTAAT ZORGT ERVOOR DAT DE DEMERSALE VISSERIJINSPANNING VAN VAARTUIGEN DIE HUN VLAG VOEREN, IN DE ICES-ZONES VIIF EN G IN 2011 NIET MEER BEDRAAGT DAN 90% VAN DE DOOR DE BETROKKEN VAARTUIGEN IN 2007 GELEVERDE VISSERIJINSPANNING. 2. Voor de toepassing van punt 1: a) wordt verstaan onder demersale visserijinspanning: de som van de producten van het aantal dagen van aanwezigheid in het gebied en het geïnstalleerde motorvermogen in kilowatt; b) wordt verstaan onder een dag van aanwezigheid in het gebied: - de periode van 24 uur die begint om 00:00 uur op een welbepaalde kalenderdag en eindigt om 24.00 uur op dezelfde kalenderdag, of een deel van deze periode; dan wel - een in het visserijlogboek vermelde ononderbroken periode van 24 uur tussen de datum en het tijdstip van vertrek en de datum en het tijdstip van aankomst, of een deel van een dergelijke periode. c) wordt het geïnstalleerde motorvermogen van het vaartuig in kilowatt gemeten overeenkomstig artikel 5 van Verordening (EEG) nr. 2930/86. 3. Onverminderd punt 2, onder b), worden de dagen waarop een vaartuig in het gebied aanwezig is en uitsluitend sardine, makreel, haring, sprot, blauwe wijting, horsmakreel en zilvervis aan boord houdt, niet in aanmerking genomen bij de berekening van de demersale visserij-inspanning. 4. Onverminderd punt 2, onder b), worden de dagen waarop een vaartuig aanwezig is in het gebied en uitsluitend onderstaand vistuig gebruikt, uit het water haalt of aan boord heeft: - korven voor langoesten; - kubben; - korven voor wulken of - korven voor krabben niet in aanmerking genomen bij de berekening van de demersale visserij-inspanning zolang uitsluitend schaal-, schelp- en weekdieren aan boord worden gehouden. 5. De betrokken lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 1 juli 2011 in kennis van de visserij-inspanning die vaartuigen die de vlag van die lidstaat voeren in 2007 hebben geleverd, berekend zoals aangegeven in deze bijlage. 6. De lidstaten beheren de maximaal toegestane visserijinspanning overeenkomstig de artikelen 26 tot en met 35 van Verordening (EG) nr. 1224/2009. 7. Artikel 28 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 geldt voor vaartuigen die binnen het toepassingsgebied van deze bijlage vallen. Het in dat artikel bedoelde geografische gebied zijn de ICES-zones VIIf en g. 8. Op basis van de gegevens voor het beheer van visdagen in het gebied zoals vastgesteld in deze bijlage, verzamelen de lidstaten per kwartaal de gegevens betreffende: a) de totale visserijinspanning in het onder deze bijlage vallende gebied en (b) de visserijinspanning van vaartuigen die in het onder deze bijlage vallende gebied ander dan het in punt 4 genoemde vistuig gebruiken. BIJLAGE III Kwantitatieve beperkingen inzake vismachtigingen voor EU-vaartuigen in wateren van derde landen GEBIED | VISSERIJ | AANTAL VISMACHTIGINGEN | VERDELING VAN DE VISMACHTIGINGEN OVER DE LIDSTATEN | MAXIMUM AANTAL VAARTUIGEN DAT OP ELK MOMENT IN HET GEBIED AANWEZIG MAG ZIJN | Noorse wateren en visserijzone rond Jan Mayen | Haring, benoorden 62° 00' NB | 93 | DK: 32, DE: 6, FR: 1, IE: 9, NL: 11, PL: 1, SV: 12, UK: 21 | 69 | Demersale soorten, benoorden 62° 00′ NB | 80 | DE: 16, IE: 1, ES: 20, FR: 18, PT: 9, UK: 14 | 50 | Makreel | 97 | DK: 15, DE: 4, FR: 2, IE: 23, NL: 11, SE: 6, UK: 36 | 70 | Soorten voor de industrievisserij, benoorden 62° 00′ NB | 480 | DK: 450, UK: 30 | 150 | Wateren van de Faeröer | Elke vorm van trawlvisserij met vaartuigen van ten hoogste 180 voet in de zone tussen 12 en 21 mijl van de basislijnen van de Faeröer | 26 | BE: 0, DE: 4, FR: 4, UK: 18 | 13 | Gerichte visserij op kabeljauw en schelvis met netten met mazen niet kleiner dan 135 mm, beperkt tot het gebied ten zuiden van 62° 28′ NB en ten oosten van 6° 30′ WL | 8(1) | 4 | Trawlvisserij buiten 21 mijl van de basislijnen van de Faeröer. In de perioden 1 maart-31 mei en 1 oktober-31 december mogen deze vaartuigen vissen in het gebied tussen 61° 20′ NB en 62° 00′ NB en tussen 12 en 21 mijl vanaf de basislijnen. | 70 | BE: 0, DE: 10, FR: 40, UK: 20 | 26 | Trawlvisserij op blauwe leng met netten met mazen niet kleiner dan 100 mm in het gebied ten zuiden van 61° 30′ NB en ten westen van 9° 00′ WL en in het gebied tussen 7° 00′ WL en 9° 00′ WL ten zuiden van 60° 30′ NB en in het gebied ten zuidwesten van een lijn tussen 60° 30′ NB, 7° 00′ WL en 60° 00′ NB, 6° 00′ WL | 70 | DE: 8(2), FR: 12(2), UK: 0(2) | 20(3) | Gerichte trawlvisserij op koolvis met netten met mazen niet kleiner dan 120 mm, en waarbij verstevigingsstrop-pen rond de kuil mogen worden gebruikt. | 70 | 22(3) | Visserij op blauwe wijting. Het totale aantal vismachtigingen kan met 4 vaartuigen worden verhoogd om in spannen te vissen indien de autoriteiten van de Faeröer zouden beslissen om bijzondere toegangsregels voor een gebied, „main fishing area of blue whiting” genaamd, in te stellen. | 36 | DE: 3, DK: 19, FR: 2, NL: 5, UK: 5 | 20 | Lijnvisserij | 10 | UK: 10 | 6 | Makreel | 12 | DK: 12 | 12 | Haringvisserij benoorden 61° NB | 21 | DK: 7, DE: 1, IE: 2, FR: 0, NL: 3, SV: 3, UK: 5 | 21 | (1) Volgens de goedgekeurde notulen van 1999 zijn de aantallen voor de gerichte visserij op kabeljauw en schelvis opgenomen in de aantallen voor „Elke vorm van trawlvisserij met vaartuigen van ten hoogste 180 voet in de zone tussen 12 en 21 mijl van de basislijnen van de Faeröer”. (2) Maximum aantal vaartuigen dat op enig moment tegelijkertijd in het gebied aanwezig mag zijn. (3) Dit aantal is begrepen in het aantal voor „Trawlvisserij buiten 21 mijl van de basislijnen van de Faeröer”. | BIJLAGE IV ICCAT-GEBIED 1. MAXIMUM AANTAL MET DE HENGEL OF DE SLEEPLIJN VISSENDE EU-VAARTUIGEN DIE IN HET OOSTELIJKE DEEL VAN DE ATLANTISCHE OCEAAN ACTIEF OP BLAUWVINTONIJN TUSSEN 8 KG/75 CM EN 30 KG/115 CM MOGEN VISSEN Spanje | Frankrijk | EU | 2. Maximum aantal vaartuigen die in het kader van de EU-ambachtelijke kustvisserij in de Middellandse Zee actief op blauwvintonijn tussen 8 kg/75 cm en 30 kg/115 cm mogen vissen Spanje | Frankrijk | Italië | Cyprus | Malta | EU | 3. Maximum aantal EU-vaartuigen die in de Adriatische Zee actief op blauwvintonijn tussen 8 kg/75 cm en 30 kg/115 cm mogen vissen voor kweekdoeleinden Italië | EU | 4. Maximumaantal en totale capaciteit in brutoton van de vissersvaartuigen van elke lidstaat die blauwvintonijn mogen bevissen, aan boord houden, overladen, vervoeren of aanlanden in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee Tabel A Aantal vissersvaartuigen | Cyprus | Griekenland | Italië | Frankrijk | Spanje | Malta | Vaartuigen voor de visserij met de ringzegen | Vaartuigen voor de visserij met de drijvende beug | Met de hengel vissende vaartuigen | Vaartuigen voor de visserij met de handlijn | Trawlers | Vaartuigen voor andere ambachtelijke visserij | Tabel B Totale in brutoton uitgedrukte capaciteit | Cyprus | Griekenland | Italië | Frankrijk | Spanje | Malta | Vaartuigen voor de visserij met de ringzegen | Vaartuigen voor de visserij met de drijvende beug | Met de hengel vissende vaartuigen | Vaartuigen voor de visserij met de handlijn | Trawlers | Vaartuigen voor andere ambachtelijke visserij | 5. Maximum aantal tonnara’s dat elke lidstaat in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en in de Middellandse Zee mag toestaan voor de visserij op blauwvintonijn Aantal tonnara's | Spanje | Italië | Portugal | 6. Maximumcapaciteit voor het kweken en mesten van blauwvintonijn voor elke lidstaat, en maximumhoeveelheid in het wild gevangen blauwvintonijn die elke lidstaat over zijn kweek- en mestbedrijven in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en in de Middellandse Zee mag verdelen Tabel A Maximumcapaciteit voor het kweken en mesten van tonijn | Aantal bedrijven | Capaciteit (in ton): | Spanje | Italië | Griekenland | Cyprus | Malta | Tabel B Maximumhoeveelheid in het wild gevangen blauwvintonijn (in ton) | Spanje | Italië | Griekenland | Cyprus | Malta | BIJLAGE V CCAMLR-GEBIED DEEL A VERBOD OP GERICHTE VISSERIJ IN HET CCAMLR-GEBIED Doelsoorten | Gebied | Gesloten tijd | Haaien (alle soorten) | Verdragsgebied | Het hele jaar | Notothenia rossii | FAO 48.1 Antarctische wateren, bij het Antarctisch Schiereiland FAO 48.2 Antarctische wateren, rond de South Orkneys FAO 48.3 Antarctische wateren, rond South Georgia | Het hele jaar | Vinvis | FAO 48.1 Antarctische wateren(1) FAO 48.2 Antarctische wateren(1) | Het hele jaar | Gobionotothen gibberifrons Chaenocephalus aceratus Pseudochaenichthys georgianus Lepidonotothen squamifrons Patagonotothen guntheri Electrona carlsbergiv[37] | FAO 48.3 | Het hele jaar | Dissostichus spp. | FAO 48.5 Antarctische wateren | 1.12.2010 tot en met 30.11.2011 | Dissostichus spp. | FAO 88.3 Antarctische wateren(1) FAO 58.5.1 Antarctische wateren(1) (2) FAO 58.5.2. Antarctische wateren ten oosten van 79° 20'OL en buiten de EEZ ten westen van 79° 20'OL(1) FAO 88.2 Antarctische wateren ten noorden van 65°ZB(1) FAO 58.4.4 Antarctische wateren(1) (2) FAO 58,6 Antarctische wateren(1) FAO 58.7 Antarctische wateren(1) | Het hele jaar | Lepidonotothen squamifrons | FAO 58.4.4(1) (2) | Het hele jaar | Alle soorten met uitzondering van Champsocephalus gunnari en Dissostichus eleginoides | FAO 58.5.2 Antarctische wateren | 1.12.2010 tot en met 30.11.2011 | Dissostichus mawsoni | FAO 48.4 Antarctische wateren(1) binnen het gebied begrensd door breedtegraden 55° 30' ZB en 57° 20' ZB en lengtegraden 25° 30' WL en 29° 30' WL | Het hele jaar | (1) Behalve voor wetenschappelijk onderzoek. (2) Met uitzondering van wateren onder nationale jurisdictie (EEZ's). | Deel B VANGST- EN BIJVANGSTBEPERKINGEN VOOR NIEUWE EN EXPERIMENTELE VISSERIJ IN HET CCAMLR-GEBIED IN 2010/2011 Deelgebied/Sector | Regio | Seizoen | SSRU | Vangstbeperking voor Dissostichus spp. (ton) | Bijvangstbeperking (ton) | Rog | Macrourus spp. | Andere soorten | 58.4.1 | Gehele sector | 1.12.2010 tot en met 30.11.2011 | SSRU A, B, D, F en H: 0 SSRU C: 100 SSRU E: 50 SSRU G: 60 | Totaal 210 | Gehele sector: 50 | Gehele sector: 33 | Gehele sector: 20 | 58.4.2 | Gehele sector | 1.12.2010 tot en met 30.11.2011 | SSRU A: 30 SSRU B, C en D: 0 SSRU E: 40 | Totaal 70 | Gehele sector: 50 | Gehele sector: 20 | Gehele sector: 20 | 88.1 | Gehele deelgebied | 1.12.2010 tot en met 31.8.2011 | SSRU A: 0 SSRUs B, C en G: 372 SSRUs D, E and F: 0 SSRUs H, I and K: 2104 SSRUs J en L: 374 SSRU M: 0 | Totaal 2850 | 142 SSRU A: 0 SSRU B, C en G: 50 SSRU D, E en F: 0 SSRU H, I en K: 105 SSRU J en L: 50 SSRU M: 0 | 430 SSRU A: 0 SSRU B, C en G: 40 SSRU D, E en F: 0 SSRU H, I en K: 320 SSRU J en L: 70 SSRU M: 0 | 20 SSRU A: 0 SSRU B, C en G: 60 SSRU D, E en F: 0 SSRU H, I en K: 60 SSRU J en L: 40 SSRU M: 0 | 88.2 | Ten zuiden van 65° ZB | 1.12.2010 tot en met 31.8.2011 | SSRU A en B: 0 SSRUs C, D, F en G: 214 SSRU E: 361 | Totaal 575(1) | 50(1) SSRU A en B: 0 SSRU C, D, F en G: 50 SSRU E: 50 | 92(1) SSRU A en B: 0 SSRU C, D, F en G: 34 SSRU E: 58 | 20 SSRU A en B: 0 SSRU C, D, F en G: 80 SSRU E: 20 | (1) Regels inzake vangstbeperkingen voor bijvangstsoorten per SSRU, die binnen de totale bijvangstbeperkingen per deelgebied van toepassing zijn: roggen: 5% van de in het kader van de vangstbeperking voor Dissostichus spp. vastgestelde hoeveelheid, of 50 ton, al naargelang welke hoeveelheid het grootst is, Macrourus spp.: 16% van de maximale vangst van Dissostichus spp., andere soorten: 20 ton per SSRU. | Deel C KENNISGEVING VAN HET VOORNEMEN OM AAN DE VISSERIJ OP EUPHAUSIA SUPERBA DEEL TE NEMEN Verdragsluitende partij: Visseizoen: Naam van het vaartuig: Verwacht vangstniveau (ton): Vangsttechniek: | Conventioneel sleepnet | Continu vissysteem | Pomptechniek om de kuil leeg te maken | Andere goedgekeurde methodes: gelieve te specificeren | Van de vangst af te leiden producten en de omrekeningsfactoren daarvoor[38]: Productsoort | % van de vangst | Omrekeningsfactor[39] | Voorzorgsvangstbeperkingen niet vastgesteld, en derhalve beschouwd als experimentele visserij. | N.B.: De hier door u verstrekte gegevens zijn louter informatief en beletten u niet te vissen in gebieden of periodes die u niet heeft opgegeven. Deel D NETCONFIGURATIE EN GEBRUIK VAN VANGSTTECHNIEKEN Netopening (mond) omtrek (m) | Verticale opening (m) | Horizontale opening (m) | Lengte en maaswijdte netpanelen Paneel | Lengte (m). | Maaswijdte (mm) | 1e paneel | 2e paneel | 3e paneel | … | Eindpaneel (kuil) | Teken diagram van elke gebruikte netconfiguratie Er worden verscheidene vangsttechnieken gebruikt[40]: Ja Neen Vangsttechniek | Verwacht aandeel in het tijdsgebruik (%) | 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | … | Totaal 100 % | Er is een inrichting voor het weren van zeezoogdieren aanwezig[41]: Ja Neen Toelichtingen betreffende vangsttechnieken, vistuigconfiguratie en -kenmerken en vispatronen: BIJLAGE VI IOTC-GEBIED 1. MAXIMUM AANTAL EU-VAARTUIGEN DIE IN HET IOTC-GEBIED OP TROPISCHE TONIJN MOGEN VISSEN Lidstaat | Maximum aantal vaartuigen | Capaciteit (BT) | Spanje | 22 | 61 364 | Portugal | 5 | 1 627 | EU | 49 | 96 595 | 2. Maximum aantal EU-vaartuigen die in het IOTC-gebied op zwaardvis en witte tonijn mogen vissen Lidstaat | Maximum aantal vaartuigen | Capaciteit (BT) | Spanje | 27 | 11 590 | Frankrijk[42] | 26 | 2 007 | Portugal | 15 | 6 925 | Verenigd Koninkrijk | 4 | 1 400 | EU | 72 | 21 922 | 3. De in punt 1 vermelde vaartuigen mogen in het IOTC-gebied tevens op zwaardvis en witte tonijn vissen. 4. De in punt 2 vermelde vaartuigen mogen in het IOTC-gebied tevens op tropische tonijn vissen. BIJLAGE VII WCPFC-GEBIED MAXIMUM AANTAL EU-VAARTUIGEN DIE IN HET WCPFC-GEBIED OP ZWAARDVIS MOGEN VISSEN IN DE GEBIEDEN BEZUIDEN 20° ZB VAN HET WCPFC-GEBIED. Spanje | EU | BIJLAGE VIII Kwantitatieve beperkingen inzake vismachtigingen voor vissersvaartuigen van derde landen in EU-wateren VLAGGENSTAAT | VISSERIJ | AANTAL VISMACHTIGINGEN | MAXIMUM AANTAL VAARTUIGEN DAT OP ELK MOMENT IN HET GEBIED AANWEZIG MAG ZIJN | NOORWEGEN | HARING, BENOORDEN 62° 00' NB | FAERÖER | MAKREEL, VIA (BENOORDEN 56° 30' NB); VIIe, f, h; horsmakreel, IV, VIa (benoorden 56° 30' NB), VIIe, f, h; haring, VIa (benoorden 56° 30' NB) | Haring, benoorden 62° 00' NB | Haring, IIIa | Industriële visserij op kever en sprot, IV, VIa (benoorden 56° 30' NB); zandspiering, IV (incl. onvermijdelijke bijvangsten van blauwe wijting) | Leng en Torsk | Blauwe wijting, II, VIa (benoorden 56° 30' NB), VIb, VII (ten westen van 12° 00' WL) | Blauwe leng | [pic][pic][pic][pic][pic][pic] [1] PB L 358 van 31.12.2002, blz. 59. [2] PB C van , blz. [3] PB L 358 van 31.12.2002, blz. 59. [4] PB L 150 van 30.4.2004, blz. 1. [5] PB L 345 van 28.12.2005, blz. 5. [6] PB L 65 van 7.3.2006, blz. 1. [7] PB L 122 van 11.5.2007, blz. 7. [8] PB L 157 van 19.6.2007, blz. 1. [9] PB L 344 van 20.12.2008, blz. 6. [10] PB L 96 van 15.4.2009, blz. 1. [11] PB L 115 van 9.5.1996, blz. 3. [12] PB L 214 van 19.8.2009, blz. 16. [13] Overeenkomst betreffende de visserij tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Noorwegen (PB L 226 van 29.8.1980, blz. 48). [14] Overeenkomst betreffende de visserij tussen de Europese Economische Gemeenschap, enerzijds, en de Regering van Denemarken en de plaatselijke Regering van de Faeröer, anderzijds (PB L 226 van 29.8.1980, blz. 12). [15] Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Economische Gemeenschap, enerzijds, en de regering van Denemarken en de autonome regering van Groenland, anderzijds (PB L 172 van 30.6.2007, blz. 4) en Protocol tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie als bedoeld in de partnerschapsovereenkomst (PB L 172 van 30.6.2007, blz. 9). [16] PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23. [17] PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1. [18] PB L 151 van 11.6.2008, blz. 5. [19] Verordening (EG) nr. 218/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009 inzake de verstrekking van statistieken van de nominale vangsten van lidstaten die in het noordoostelijke gedeelte van de Atlantische Oceaan vissen (herschikking) (PB L 87 van 31.3.2009, blz. 70). [20] Verordening (EG) nr. 216/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009 inzake de verstrekking van statistieken van de nominale vangsten van lidstaten in bepaalde gebieden buiten de Noord-Atlantische Oceaan (herschikking) (PB L 87 van 31.3.2009, blz. 1). [21] Verordening (EG) nr. 217/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009 inzake de verstrekking van statistieken van de nominale vangsten van lidstaten die in het noordoostelijke gedeelte van de Atlantische Oceaan vissen (herschikking) (PB L 87 van 31.3.2009, blz. 42). [22] Gesloten bij Besluit 2002/738/EG van de Raad (PB L 234 van 31.8.2002, blz. 39). [23] De Europese Unie trad toe bij Besluit 86/238/EEG van de Raad (PB L 162 van 18.6.1986, blz. 33). [24] PB L 97 van 1.4.2004, blz. 16. [25] Gesloten bij Besluit 2006/539/EG van de Raad (PB L 224 van 16.8.2006, blz. 22). [26] De Europese Unie trad toe bij Besluit 95/399/EG van de Raad (PB L 236 van 5.10.1995, blz. 24). [27] Gesloten bij Besluit 2008/780/EG van de Raad (PB L 268 van 9.10.2008, blz. 27). [28] De Europese Unie trad toe bij Besluit 2005/75/EG van de Raad (PB L 32 van 4.2.2005, blz. 1). [29] Verordening (EG) nr. 1006/2008 van de Raad van 29 september 2009 betreffende machtigingen voor visserijactiviteiten van communautaire vissersvaartuigen buiten de communautaire wateren en de toegang van vaartuigen van derde landen tot de communautaire wateren (PB L 286 van 29.10.2008, blz. 33). [30] Verordening (EG) nr. 2347/2002 van de Raad van 16 december 2002 tot vastsr. 2347/2002 van de Raad van 16 december 2002 tot vaststelling van bijzondere voorwaarden voor de toegang tot diepzeebestanden en bij de visserij daarop in acht te nemen voorschriften (PB L 351 van 28.12.2002, blz. 6). [31] relevante informatie voor de verstrekking van gegevens volgens een formaat met vaste lengte. [32] PB L 60 van 5-3-2008, blz. 1. [33] relevante informatie voor de verstrekking van gegevens volgens een formaat met vaste lengte. [34] relevante informatie voor de verstrekking van gegevens volgens een formaat met vaste lengte. [35] relevante informatie voor de verstrekking van gegevens volgens een formaat met vaste lengte. [36] relevante informatie voor de verstrekking van gegevens volgens een formaat met vaste lengte. [37] Behalve voor wetenschappelijk onderzoek. [38] [39] Omrekeningsfactor = totaalgewicht/verwerkt gewicht. [40] Zo ja, geef frequentie van omschakeling tussen vangsttechnieken: [41] Zo ja, teken ontwerp van de inrichting: [42] Bovendien mag Frankrijk tot eind 2011 machtiging verlenen aan 15 vissersvaartuigen die de vlag van Frankrijk voeren en uitsluitend zijn geregistreerd in La Réunion, mits de gezamenlijke capaciteit van deze vaartuigen niet meer bedraagt dan 3.375 GT.