52010PC0455




[pic] | EUROPESE COMMISSIE |

Brussel, 31.8.2010

COM(2010) 455 definitief

2010/0238 (NLE)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN DE RAAD

tot instelling van een definitief compenserend recht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op bepaald polyethyleentereftalaat van oorsprong uit Iran, Pakistan en de Verenigde Arabische Emiraten

TOELICHTING

1) ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL |

110 | Motivering en doel van het voorstel Dit voorstel betreft de toepassing van Verordening (EG) nr. 597/2009 van de Raad van 11 juni 2009 betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid van de Europese Gemeenschap zijn ("de basisverordening"), in het kader van de procedure betreffende de invoer van bepaald polyethyleentereftalaat van oorsprong uit Iran, Pakistan en de Verenigde Arabische Emiraten. |

Algemene context Dit voorstel wordt gedaan in het kader van de tenuitvoerlegging van de basisverordening en is het resultaat van een onderzoek dat is uitgevoerd overeenkomstig de materiële en formele eisen van de basisverordening. |

Bestaande bepalingen op het door het voorstel bestreken gebied Er bestaan nog geen bepalingen op het door het voorstel bestreken gebied. |

Samenhang met andere beleidsgebieden en doelstellingen van de Unie Niet van toepassing. |

2) RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDE PARTIJEN EN EFFECTBEOORDELING |

Raadpleging van belanghebbende partijen |

Partijen die belang hebben bij de procedure werden overeenkomstig de bepalingen van de basisverordening in de loop van het onderzoek in de gelegenheid gesteld hun belangen te verdedigen. |

Bijeenbrengen en benutten van deskundigheid |

Er hoefde geen beroep te worden gedaan op externe deskundigheid. |

Effectbeoordeling Dit voorstel vloeit voort uit de tenuitvoerlegging van de basisverordening. De basisverordening voorziet niet in een algemene effectbeoordeling, maar bevat wel een uitputtende lijst van factoren die moeten worden beoordeeld. |

3) JURIDISCHE ELEMENTEN VAN HET VOORSTEL |

Samenvatting van de voorgestelde maatregel Op 3 september 2009 heeft de Commissie, door middel van een bericht ("bericht van inleiding") in het Publicatieblad van de Europese Unie, de inleiding bekendgemaakt van een antisubsidieprocedure betreffende de invoer in de Unie van bepaald polyethyleentereftalaat van oorsprong uit Iran, Pakistan en de Verenigde Arabische Emiraten. De antisubsidieprocedure werd ingeleid na een klacht die op 20 juli 2009 door het Polyethylene Terephthalate Committee of Plastics Europe ("de klager") was ingediend namens producenten die goed zijn voor een groot deel van de totale productie van bepaald polyethyleentereftalaat in de Unie; hieruit bleek dat er sprake was van subsidiëring en van aanmerkelijke schade als gevolg daarvan. Op 1 juni 2010 heeft de Commissie bij Verordening (EU) nr. 473/2010 een voorlopig compenserend recht van 5,1% tot 17% ingesteld op de invoer in de Unie van bepaald polyethyleentereftalaat van oorsprong uit Iran, Pakistan en de Verenigde Arabische Emiraten. Bijgevoegd voorstel van de Commissie voor een verordening van de Raad, waarbij een definitief compenserend recht van 5,1% tot 16,7% wordt ingesteld, bevat de definitieve conclusies in verband met de subsidiëring, de schade, het oorzakelijke verband en het belang van de Unie. De bevindingen met betrekking tot deze zaak zijn aan de lidstaten tijdens de vergadering van het antidumping- en antisubsidiecomité op 28 juli 2010 voorgelegd. Elf lidstaten waren voorstander van de voorgestelde maatregelen, zes waren tegen en tien onthielden zich van stemming. De Raad wordt verzocht bijgevoegd voorstel voor een verordening, die uiterlijk op 1 oktober 2010 in het Publicatieblad van de Europese Unie moet worden gepubliceerd, goed te keuren. |

Rechtsgrondslag Verordening (EG) nr. 597/2009 van de Raad van 11 juni 2009 betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid van de Europese Gemeenschap zijn ("de basisverordening"). |

Subsidiariteitsbeginsel Het voorstel betreft een gebied dat onder de exclusieve bevoegdheid van de Unie valt. Het subsidiariteitsbeginsel is derhalve niet van toepassing. |

Evenredigheidsbeginsel Het voorstel is om de volgende reden in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel: |

de vorm van de maatregel wordt voorgeschreven in de basisverordening en laat geen ruimte voor nationale besluitvorming. |

De beschrijving van de wijze waarop de financiële en administratieve lasten voor de Unie, de nationale, regionale en plaatselijke overheden, de bedrijven en de burgers zo veel mogelijk worden beperkt en hoe zij in verhouding staan tot het doel van het voorstel is niet van toepassing. |

Keuze van instrumenten |

Voorgesteld instrument: verordening. |

Andere instrumenten zouden om de volgende reden ongeschikt zijn: de basisverordening voorziet niet in andere mogelijkheden. |

4) GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING |

Het voorstel heeft geen gevolgen voor de begroting van de Unie. |

2010/0238 (NLE)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN DE RAAD

tot instelling van een definitief compenserend recht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op bepaald polyethyleentereftalaat van oorsprong uit Iran, Pakistan en de Verenigde Arabische Emiraten

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 597/2009 van de Raad van 11 juni 2009 betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid van de Europese Gemeenschap zijn[1] ("de basisverordening"), en met name artikel 15,

Gezien het voorstel dat de Europese Commissie ("de Commissie"), na raadpleging van het Raadgevend Comité, heeft ingediend,

Overwegende hetgeen volgt:

1. PROCEDURE

2. Voorlopige maatregelen

3. De Commissie heeft bij Verordening (EU) nr. 473/2010[2] ("de voorlopige verordening") een voorlopig compenserend recht ingesteld op bepaald polyethyleentereftalaat van oorsprong uit Iran, Pakistan en de Verenigde Arabische Emiraten ("de betrokken landen").

4. De procedure werd ingeleid na een klacht die op 20 juli 2009 door het Polyethylene Terephthalate Committee of Plastics Europe ("de klager") was ingediend namens producenten die goed zijn voor een groot deel, in dit geval meer dan 50%, van de totale productie van bepaald polyethyleentereftalaat in de Unie.

5. Zoals in overweging 15 van de voorlopige verordening is vermeld, had het onderzoek naar subsidiëring en schade betrekking op de periode van 1 juli 2008 tot en met 30 juni 2009 ("het onderzoektijdvak" of "OT"). Het onderzoek naar de ontwikkelingen die relevant zijn voor de schadebeoordeling had betrekking op de periode van 1 januari 2006 tot het einde van het OT (de "beoordelingsperiode").

6. In de gelijktijdig uitgevoerde antidumpingprocedure stelde de Commissie bij Verordening (EG) nr. 472/2010[3] een voorlopig antidumpingrecht in op bepaald polyethyleentereftalaat van oorsprong uit Iran, Pakistan en de Verenigde Arabische Emiraten.

7. Vervolg van de procedure

8. Na de mededeling van de belangrijkste feiten en overwegingen op basis waarvan werd besloten voorlopige compenserende maatregelen in te stellen ("mededeling van de voorlopige bevindingen") hebben verscheidene belanghebbenden schriftelijke opmerkingen over de voorlopige bevindingen gemaakt. De partijen die verzochten te worden gehoord, zagen hun verzoek ingewilligd.

9. De Commissie heeft vervolgens alle informatie verzameld en gecontroleerd die zij voor haar definitieve bevindingen noodzakelijk achtte. De mondelinge en schriftelijke opmerkingen die door de belanghebbenden na de mededeling van de voorlopige bevindingen werden ingediend, werden onderzocht en zo nodig werden de voorlopige bevindingen dienovereenkomstig gewijzigd.

10. De Commissie heeft alle belanghebbenden in kennis gesteld van de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan zij voornemens was de aanbeveling te doen een definitief compenserend recht op bepaald polyethyleentereftalaat van oorsprong uit Iran, Pakistan en de Verenigde Arabische Emiraten in te stellen en de bedragen waarvoor uit hoofde van het voorlopige recht zekerheid was gesteld, definitief te innen ("mededeling van de definitieve bevindingen"). Zij konden hierover binnen een bepaalde termijn na deze mededeling opmerkingen maken.

11. De mondelinge en schriftelijke opmerkingen van de belanghebbenden werden onderzocht en waar nodig werden de bevindingen dienovereenkomstig gewijzigd.

12. Partijen bij de procedure

13. Sommige belanghebbenden voerden aan dat de steekproef van EU-producenten niet representatief en inconsistent was en dat het onderzoek naar de schade daarom ontoereikend was. Er werd met name gesteld dat geen steekproef nodig was omdat het aantal producenten gering was. Bovendien werd aangevoerd dat door het "kunstmatig" opsplitsen van ondernemingsgroepen in afzonderlijke juridische entiteiten sommige marktleiders (Artenius, M&G Polimeri) buiten de steekproef zouden vallen en dat de methode voor de selectie van de steekproef niet consistent is omdat de steekproef ook twee ondernemingsgroepen omvatte. Er werd ook gesteld dat de steekproef niet representatief was, omdat zij geen producenten omvatte die in voldoende hoeveelheden producten aan een verbonden petverwerker verkochten. Als gevolg daarvan konden de instellingen blijkbaar de daadwerkelijke leveringscapaciteit van de bedrijfstak van de Unie niet beoordelen en hielden zij geen rekening met het belangenconflict van de bedrijfstak van de Unie. Aangezien een onderneming niet alle nodige informatie verstrekte en van de steekproef werd uitgesloten, nam de representativiteit bovendien blijkbaar af tot 28% van de EU-productie. Dezelfde belanghebbenden voerden ook aan dat de geselecteerde steekproef statistisch niet geldig was.

14. Ten aanzien van het argument dat de steekproef niet nodig was omdat het aantal producenten gering was, zij er nogmaals op gewezen dat voor de steekproef 14 producenten in de Unie, behorend tot acht ondernemingsgroepen, in aanmerking zijn genomen. Gezien het objectief hoge aantal EU-producenten die hebben medegewerkt, namelijk 14, werd de steekproef overeenkomstig artikel 27, lid 1, van de basisverordening uitgevoerd op basis van het grootste representatieve verkoopvolume dat redelijkerwijs binnen de beschikbare tijd kon worden onderzocht. De steekproef bestond uit vijf afzonderlijke ondernemingen (met zes productieplaatsen).

15. Ten aanzien van het eerste argument betreffende de representativiteit van de steekproef zij erop gewezen dat in de steekproef afzonderlijke ondernemingen die deel uitmaken van een ondernemingsgroep kunnen worden opgenomen, voor zover zij representatief zijn en afzonderlijke financiële rekeningen hebben. Overigens zou het onderzoek van alle veertien EU-producenten die tot de acht ondernemingsgroepen behoren, de tijdige voltooiing van het onderzoek onmogelijk hebben gemaakt. Het feit dat twee ondernemingsgroepen in de steekproef zijn opgenomen, is echter niet inconsistent met de steekproefmethode die in dit geval is toegepast, namelijk de grootste representatieve verkoopvolumes aan EU-klanten.

16. De groep Indorama had in het OT twee verschillende productie-installaties – een in Nederland en een in het VK. De opneming van deze groep in de steekproef is in lijn met de toegepaste steekproefmethode aangezien die installaties uit juridisch en financieel oogpunt één entiteit vormden. De onderneming Equipolymers, die in het OT twee afzonderlijke installaties voor de productie van pet had (een in Italië en een in Duitsland) heeft geconsolideerde cijfers voor beide locaties verstrekt. Aangezien de controle van deze geconsolideerde cijfers mogelijk was tijdens een bezoek aan het hoofdkwartier van de onderneming, werd besloten om de petproducerende ondernemingen van Equipolymers voor deze procedure als één entiteit te behandelen. Ten aanzien van het argument dat Artenius en M&G Polimeri in de steekproef opgenomen hadden moeten worden omdat zij de marktleiders waren, zij erop gewezen dat geen van hun afzonderlijke entiteiten tot de ondernemingen met de hoogste verkoopvolumes aan EU-klanten behoorden.

17. Wat betreft het argument dat de steekproef niet representatief was omdat zij geen producent omvatte die voornamelijk voor intern verbruik produceert, zij erop gewezen dat de leveringscapaciteit kan worden onderzocht in het kader van de analyse van het belang van de Unie, als een dergelijk argument wordt aangevoerd en het eigen verbruik van het productievolume kan worden afgeleid. Het is bijgevolg niet nodig dat een dergelijke producent deel uitmaakt van de steekproef voor het onderzoek van bepaalde schadefactoren. Ten tweede kan elk dubbel belang als gevolg van de positie van een onderneming als zowel EU-producent als EU-verwerker in de analyse van het belang van de Unie worden beoordeeld. De positie van een onderneming als EU-producent en -verwerker houdt geen verband met de prestaties van de bedrijfstak van de Unie, waarvoor de verkoop aan niet-verbonden afnemers in de EU als een benchmark wordt gehanteerd. Het argument wordt daarom afgewezen.

18. Wat het argument inzake de algemene representativiteit van de steekproef betreft, zij er nogmaals op gewezen dat de beperking van de steekproef tot vier ondernemingen de representativiteit heeft verlaagd van 65% tot 47% van de verkopen van alle medewerkende producenten. Deze vier ondernemingen waren goed voor 52% van de productie in de Unie. Dit wordt als een representatieve steekproef van de EU-producenten in termen van verkoop aan onafhankelijke afnemers in de EU beschouwd.

19. Wat betreft het argument dat de geselecteerde steekproef statistisch niet geldig was, zij erop gewezen dat artikel 27, lid 1, van de basisverordening duidelijk toestaat dat een steekproef wordt gebaseerd op het grootste representatieve verkoopvolume dat redelijkerwijs binnen de beschikbare tijd kan worden onderzocht als alternatief voor een steekproef die "statistisch geldig" is.

20. Aangezien er geen andere opmerkingen over de steekproef werden ontvangen, worden de bevindingen in de overwegingen 5 tot en met 14 van de voorlopige verordening bevestigd.

21. BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT

22. Er wordt aan herinnerd dat in overweging 16 van de voorlopige verordening het betrokken product werd omschreven als polyethyleentereftalaat met een viscositeitsgetal van 78 ml/g of meer volgens ISO-norm 1628-5, van oorsprong uit de betrokken landen en momenteel ingedeeld onder GN-code 3907 60 20.

23. Bovendien staat in overweging 18 van de voorlopige verordening dat uit het onderzoek is gebleken dat het in de Unie door de bedrijfstak van de Unie vervaardigde en verkochte pet en het op de binnenlandse markt van de betrokken landen vervaardigde en verkochte en naar de Unie uitgevoerde pet soortgelijke producten waren.

24. Aangezien het onderzochte product als een homogeen product werd beschouwd, werd het niet verder onderverdeeld in verschillende productsoorten voor de berekening van de schademarges.

25. Een producent-exporteur voerde aan dat pet moest worden onderverdeeld in verschillende productsoorten overeenkomstig hun verschillende viscositeitsgetallen, aangezien het viscositeitsgetal essentieel is voor de bepaling van de verschillende mogelijke toepassingen van de geproduceerde petsoort. Er werd geoordeeld dat het argument moest worden aanvaard en de methode voor de berekening van de schademarges werd dienovereenkomstig aangepast.

26. SUBSIDIËRING

27. IRAN

28. Inleiding

29. De regering van Iran en de medewerkende producent-exporteur dienden opmerkingen in over de volgende regelingen, die aanleiding hebben gegeven tot compenserende maatregelen in de voorlopige verordening.

I) maatregelen in verband met bijzondere economische zones ("BEZ's") – petrochemische BEZ;

II) financiering van de producent-exporteur van pet door de National Petrochemical Company.

30. Specifieke regelingen

I) Maatregelen in verband met bijzondere economische zones ("BEZ's") – petrochemische BEZ

31. De regering van Iran (RvI) betwistte dat rechtenvrije invoer in vrijhandelszones van grondstoffen en kapitaalgoederen aanleiding kan geven tot compenserende maatregelen. Vrijhandelszones en bijzondere economische zones zijn per definitie rechtenvrije zones voor in- en uitvoer, compatibel met de WTO. Daarnaast verklaarden de RvI en de medewerkende producent-exporteur dat de invoer van belastingvrije kapitaalgoederen niet rechtens afhankelijk is van de uitvoerprestaties omdat deze vrijstelling ook bestaat voor de ondernemingen die in de rest van het Iraanse grondgebied zijn gevestigd.

32. Ten aanzien van de overeenstemming van de BEZ's met de WTO-regels zij erop gewezen dat het ingediende algemene argument niet het vaststaande feit kan betwisten dat de subsidies in kwestie aanleiding kunnen geven tot compenserende maatregelen, aangezien geen uitvoerige analyse is verstrekt om die van de voorlopige verordening te weerleggen. Ten aanzien van de rechtenvrije invoer van kapitaalgoederen in Iran lijkt de informatie die bestond bij de indiening van de opmerkingen over de mededeling van de voorlopige bevindingen erop te wijzen dat deze mogelijkheid alleen bestaat voor ondernemingen die hun infrastructuur moderniseren, d.w.z. dat het geen automatische bepaling is die op alle partijen van toepassing is. Bovenstaande argumenten moesten daarom worden afgewezen.

33. De medewerkende producent-exporteur stelde dat de Commissie het beginsel van non-discriminatie niet naleefde, aangezien soortgelijke regels en stelsels ook in andere landen worden toegepast. De onderneming voerde ook aan dat de Commissie haar niet correct heeft geïnformeerd over het doel van het controlebezoek en de overeenkomstige informatievereisten vóór die controle.

34. Wat de algemene bewering van schending van het beginsel van non-discriminatie betreft, wordt eraan herinnerd dat de Commissie dit antisubsidieonderzoek tegen de drie in de klacht vermelde landen heeft geopend in lijn met de bepalingen van artikel 10 van de basisverordening. Bijgevolg kon de aanbeveling van de Commissie alleen worden gebaseerd op de bevindingen van dit onderzoek. Wat het beweerde gebrek aan informatie vooraf over de te onderzoeken punten betreft, zij erop gewezen dat de Commissie de medewerkende producent-exporteur geruime tijd vóór het controlebezoek ervan in kennis had gesteld dat zij tijdens het controlebezoek om informatie zou vragen over de relatie tussen de producent-exporteur en zijn aandeelhouder. Deze argumenten moesten daarom worden afgewezen.

35. De medewerkende producent-exporteur heeft de aandacht van de instellingen gevestigd op twee administratieve fouten in de berekening van de belastingvrijstelling op de invoer van een grondstof voor het productieproces en in de totale invoerwaarde van de vrijgestelde kapitaalgoederen. Die fouten worden hierbij gecorrigeerd. Het herziene subsidiepercentage bedraagt 0,14% voor de rechtenvrije invoer van inputproducten en 0,72% voor de rechtenvrije invoer van kapitaalgoederen. Het herziene totale subsidiepercentage voor deze regeling bedraagt 0,86%.

36. In het licht van het voorgaande en bij ontstentenis van andere relevante opmerkingen worden de bevindingen in verband met deze regeling, als vermeld in de overwegingen 20 tot en met 44 van de voorlopige verordening, als gewijzigd bij overweging 26 van deze verordening, bevestigd.

II) Financiering van de producent-exporteur van pet door de National Petrochemical Company

37. De medewerkende producent-exporteur (Shahid Tondguyan Petrochemical Co. of STPC) voerde aan dat zijn hoofdaandeelhouder, de National Petrochemical Company (NPC), geen overheidsorgaan is en dat de RvI de NPC nooit heeft gemachtigd of opgedragen om betalingen aan STPC te verrichten. Bovendien werd verklaard dat de financiering van STPC door de NPC als terugbetaalbaar en bijgevolg niet als een subsidie moet worden beschouwd.

38. In verband met deze argumenten wordt eraan herinnerd dat om te beoordelen of een entiteit voor de uitvoering van antisubsidieonderzoeken als een overheidsorgaan moet worden beschouwd, de volgende factoren relevant zijn: 1) overheidseigendom; 2) de aanwezigheid van de regering in de raad van bestuur van de entiteit; 3) de controle van de regering over de activiteiten van de entiteit en het nastreven van het beleid of de belangen van de regering door de entiteit en 4) of de entiteit bij wet wordt opgericht. Al deze vereisten zijn onderzocht, als aangegeven in overweging 52 van de voorlopige verordening. De NPC heeft als regeringsorgaan geen machtiging of delegatie nodig; dit zijn concepten die verwijzen naar particuliere entiteiten. Uit het onderzoek is immers gebleken dat de rol van de NPC erin bestaat de petrochemische sector van het land te ontwikkelen en te exploiteren en dat de onderneming van de RvI de extra taak heeft gekregen om de petrochemische bijzondere economische zone als een administratieve autoriteit van de staat te beheren. Het argument in verband met de betwisting van de rol van de NPC als overheidsorgaan moet bijgevolg worden afgewezen.

39. In verband met het argument dat de financiering van STPC terugbetaalbaar is, zij erop gewezen dat het onderzoek heeft aangetoond dat de terugbetaling van deze financiering slechts een hypothetische bewering is, aangezien in geen enkele fase van de procedure bewijsmateriaal is verstrekt dat deze terugbetaling onderbouwt. Zoals uiteengezet in overweging 51 van de voorlopige verordening bevestigt het feit dat de niet terug te betalen middelen ten minste vanaf 2004 zijn verkregen immers dat dit een terugkerende subsidie betreft die tot doel heeft de enige medewerkende Iraanse producent-exporteur in bedrijf te houden. Gezien het voorgaande moet het relevante argument worden afgewezen.

40. De medewerkende producent-exporteur voerde ook aan dat het subsidiebedrag overschat was. In dit verband werd onderstreept dat het in Iran volstrekt gangbare handelspraktijk is om geen rente te berekenen tussen een moedermaatschappij (in dit geval de NPC) en haar dochtermaatschappij (in dit geval STPC). Er werd ook aangevoerd dat bij de berekening van het subsidiepercentage de gebruikte bedragen voor de totale door de NPC verstrekte financiering en de totale omzet van STPC niet correct waren, aangezien het omzetcijfer onderschat was, en dat een ander bedrag gebruikt had moeten worden daar de totale verstrekte financiering overschat was omdat bepaalde bedragen niet toegewezen hadden mogen worden aan de door de NPC aan STPC verstrekte middelen.

41. Voornoemde argumenten moesten afgewezen worden. Ten aanzien van het hierboven genoemde argument betreffende de renteberekening zij erop gewezen dat het verzamelde bewijsmateriaal het argument van de onderneming niet onderbouwt dat het de normale handelspraktijk in Iran is dat er tussen een moedermaatschappij en haar dochtermaatschappij in hun financieringsverrichtingen geen rente wordt aangerekend. Bovendien is een dergelijke praktijk duidelijk niet in overeenstemming met de gebruikelijke economische praktijk van particuliere investeerders.

42. Wat het laatste argument betreft, zij erop gewezen dat het subsidiebedrag is berekend aan de hand van de financierings- en omzetcijfers die door de medewerkende producent-exporteur zijn verstrekt en tijdens het controlebezoek zijn gecontroleerd.

43. In verband met de beweerde nieuwe totale omzet wordt eraan herinnerd dat het cijfer dat is verstrekt bij de indiening van de opmerkingen over de voorlopige verordening niet wordt gestaafd met controleerbaar bewijsmateriaal en niet strookt met wat de onderneming eerder en tijdens het controlebezoek heeft meegedeeld.

44. Ten aanzien van het totale financieringscijfer stelde de medewerkende producent-exporteur dat bepaalde bedragen niet mochten worden beschouwd als deel uitmakend van de financiering van STPC door de NPC. De verstrekte informatie kon dit argument echter niet onderbouwen aangezien geen bewijsmateriaal werd verstrekt waaruit bleek dat de bedragen in kwestie niet relevant waren voor de financiering van STPC door de NPC. Uit een deel van de gegeven toelichtingen bleek immers opnieuw dat de NPC optrad als een overheidsorgaan dat verplichtingen aanging voor de financiering van de medewerkende producent-exporteur zonder rente aan te rekenen die door een ander overheidsorgaan had moeten worden betaald. Daarom kan geen aftrek van het totale financieringsbedrag worden toegestaan, aangezien geen controleerbare bewijzen zijn verstrekt.

45. De RvI voerde aan dat overeenkomstig artikel 14 van de WTO-Overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen (SCM-overeenkomst) het verstrekken van aandelenkapitaal door de overheid en een lening van de overheid niet als het toekennen van een voordeel mogen worden beschouwd en dat de financiering van SPTC door de NPC bijgevolg niet als een subsidie mag worden beschouwd. Dit argument moet worden afgewezen aangezien voornoemd artikel 14 concludeert dat het verstrekken van aandelenkapitaal door de overheid niet als het toekennen van een voordeel mag worden beschouwd, tenzij het investeringsbesluit niet in overeenstemming kan worden geacht met de gebruikelijke investeringspraktijk van particuliere investeerders op het grondgebied van dat lid. Deze praktijk is inderdaad niet in overeenstemming met de gebruikelijke investeringspraktijk van particuliere investeerders, aangezien het weinig waarschijnlijk is dat een commerciële organisatie in een land dat lid is van de WTO een dergelijke niet terug te betalen financiering zou blijven verlenen. Er zij in elk geval op gewezen dat Iran geen WTO-lid is.

46. In het licht van het voorgaande en bij ontstentenis van andere relevante opmerkingen worden de bevindingen in verband met deze regeling, als vermeld in de overwegingen 45 tot en met 57 van de voorlopige verordening, bevestigd.

47. Hoogte van de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies

48. Rekening houdend met de overwegingen 21 tot en met 37 hierboven bedraagt het definitieve bedrag van de subsidies die aanleiding kunnen geven tot compenserende maatregelen overeenkomstig de bepalingen van de basisverordening, uitgedrukt ad valorem, voor de enige medewerkende Iraanse producent-exporteur 51,88%.

49. Pakistan

50. Inleiding

51. De regering van Pakistan (RvP) en de medewerkende producent-exporteur dienden opmerkingen in over de volgende regelingen, die aanleiding hebben gegeven tot compenserende maatregelen in de voorlopige verordening.

I) regeling voor behandeling onder douanetoezicht ("Manufacturing Bond");

II) invoer van installaties, machines en apparatuur bestemd voor de behandeling onder douanetoezicht ("Manufacturing Bond");

III) tariefbescherming voor aankopen van PTA op de binnenlandse markt;

IV) regeling inzake uiteindelijke belastingen ("Final Tax Regime"; "FTR");

V) regeling voor exportfinanciering tegen vaste langetermijnrente ("Export Long-Term Fixed Rate Financing"; "LTF-EOP");

VI) exportfinancieringsregeling van de State Bank of Pakistan ("Export Finance Scheme"; "EFS");

VII) financiering in het kader van de F.E.- circulaire nr. 25 van de State Bank of Pakistan (deviezen)

52. Als inleidende opmerking stelde de RvP dat de Commissie verzuimd had haar vorige opmerkingen over de subsidieregelingen in beschouwing te nemen. De medewerkende producent-exporteur gaf als inleidende opmerking te kennen dat in de vorige opmerkingen van de RvP een met redenen omklede juridische analyse is gemaakt waaruit blijkt dat de regelingen niet als "verboden" subsidies mogen worden beschouwd. Deze partij voerde ook aan dat de Commissie haar bevindingen in de voorlopige verordening niet alleen had gebaseerd op een niet correcte beoordeling van feitelijke elementen maar ook op een niet correcte juridische analyse. Verder werd gesteld dat de RvP de correcte juridische analyse had gemaakt.

53. Ten aanzien van de vóór de voorlopige verordening ingediende opmerkingen zij erop gewezen dat de Commissie deze tijdens het onderzoekproces ten volle in aanmerking heeft genomen, aangezien zij tezamen met de relevante antwoorden van de partijen op de vragenlijst en de daarna verstrekte gegevens deel uitmaakten van de informatie op basis waarvan de voorlopige bepaling is vastgesteld.

54. Verder zij opgemerkt dat de Commissie een nauwkeurige lijst van de wettelijke bepalingen van de relevante regelingen en de praktische uitvoeringsbepalingen daarvan heeft opgesteld. Er werd geen bewijs verstrekt waaruit bleek dat de in de lijst opgenomen wettelijke bepalingen niet juist waren. De juridische analyse van de Commissie was gebaseerd op de relevante bepalingen van de basisverordening en werd versterkt door de jarenlange juridische analyse die door de EU bij antisubsidieonderzoeken wordt gebruikt voor de analyse van bijvoorbeeld terugbetalingsregelingen, exportkredietregelingen en inkomstenbelastingregelingen[4]. Het feit dat een partij het niet eens is met de overgelegde juridische analyse betekent niet dat deze analyse niet correct is, vooral wanneer geen bewijzen worden verstrekt om dit argument te onderbouwen. Dat blijkt nog duidelijker nu de RvP bij de indiening van haar opmerkingen over de voorlopige verordening haar bereidheid heeft getoond om een aantal regelingen voor zover mogelijk te wijzigen. Rekening houdend met het voorgaande moesten de argumenten in overweging 40 worden afgewezen.

55. Specifieke regelingen

I) Regeling voor behandeling onder douanetoezicht ("Manufacturing Bond")

56. De RvP en de medewerkende producent-exporteur herhaalden hun standpunt dat de regeling voor behandeling onder douanetoezicht naar behoren wordt beheerd dankzij het bestaan van een doeltreffend uitvoerings- en monitoringsysteem dat verbruik/aftrek registreert en de rechtenvrije grondstoffen en het feitelijke verbruik van de onderneming op basis van haar totale productiecijfers controleert. Er werd ook verklaard dat de input/output-verhouding is gebaseerd op het feitelijke verbruik van de relevante onderneming die gebruik maakt van de voordelen van de regeling en dat de gegevens over de input worden gecontroleerd. Overeenkomstig deze argumenten werd de input/outputverhouding vastgesteld met een gecontroleerd benchmarkingsysteem dat regelmatig werd bijgewerkt op basis van het feitelijke verbruik van de onderneming. Na elke verandering in die verhouding werd het teveel terugbetaalde bedrag in de vorige periode opnieuw toegevoegd om het voorraadregister bij te werken waardoor de feitelijke voorraad werd verkregen, en het is op basis van een dergelijke feitelijke voorraad dat de onderneming die gebruik maakt van de voordelen van de regeling de uitvoer van afgewerkte producten moet aantonen. Verder heeft de medewerkende producent-exporteur twee brieven ingediend waarin hij aan de douaneautoriteiten de in de regeling voor behandeling onder douanetoezicht uitgespaarde materialen meedeelde, waaruit blijkt dat de onderneming gebruik mocht maken van het resulterende overschot aan inputmaterialen voor de productie van goederen voor uitvoer in de toekomst.

57. Wat deze regeling betreft, werd het relevante register van ontvangen, geproduceerde en uitgevoerde inputgoederen niet op basis van het feitelijke verbruik bijgehouden, zoals aangegeven in overweging 70 van de voorlopige verordening. Alleen het theoretische verbruik werd geregistreerd aan de hand van een analysecertificaat met de input-outputverhoudingen van alle grondstoffen die voor de productie van 1 000 kg output benodigd zijn. Deze input-outputnormen worden door de autoriteiten vastgelegd en periodiek herzien op basis van de informatie van de medewerkende producent-exporteur, maar er zijn geen duidelijke regels en er is geen bewijsmateriaal voorhanden over de wijze waarop deze herzieningen plaatsvinden. Na de herzieningen van het analysecertificaat die het bestaan van teveel terugbetaalde bedragen aangaven, werd door de autoriteiten geen follow-upactie ondernomen om de totaliteit van het vorige feitelijke verbruik te controleren en om te verzoeken om gegevens over de betalingen van de vorige jaren. Er werd met andere woorden geen controle op de te hoge terugbetalingen van de gederfde rechten uitgevoerd. De medewerkende producent-exporteur beweerde dat de overtollige grondstoffen die in de vorige periode waren geboekt, opnieuw werden toegevoegd om het voorraadregister bij te werken, zodat de feitelijke voorraad werd verkregen. Er zij op gewezen dat deze praktijk steunt op het feit dat het de producent-exporteur is die op eigen initiatief aan de relevante autoriteit de te hoge terugbetalingen in de voorgaande periode laat zien. Nog interessanter is het feit dat in de wettelijke bepalingen betreffende deze regeling helemaal niet in deze praktijk is voorzien. Het bovenstaande bevestigt dat er geen doeltreffend uitvoerings- en monitoringsysteem voor deze regeling bestaat. Onder deze omstandigheden moesten alle relevante argumenten worden afgewezen.

58. Beide partijen voerden ook aan dat het douanerecht in het kader van het normale invoerstelsel tijdens het OT nul was en de overheid aldus geen inkomsten op de invoer van PTA in de context van de regeling voor behandeling onder douanetoezicht heeft gedorven.

59. Dit argument moest worden afgewezen. Uit de door de partijen ingediende informatie blijkt duidelijk dat het normale douanerecht op de invoer van PTA 7,5% bedraagt. Bij uitzondering en onder bepaalde voorwaarden kunnen de partijen gebruik maken van een nulrecht. Het feit dat de RvP de regeling voor behandeling onder douanetoezicht of de tariefbescherming voor aankopen van PTA op de binnenlandse markt heeft vastgesteld, betekent in geen geval dat het douanerecht voor alle invoer van PTA nul is. Het bestaan van bovengenoemde regelingen bevestigt immers dat de overheid inkomsten derft en dit is de reden waarom speciale afwijkingsregelingen met specifieke voorschriften en in aanmerking komende gebruikers zijn toegepast.

60. De medewerkende producent-exporteur stelde ook dat artikel 349 van hoofdstuk XV van de Pakistaanse Customs Rules 2001 niet werd overtreden. In dit verband werd verklaard dat de regeling voor behandeling onder douanetoezicht betrekking heeft op de gehele fabriek van de onderneming en dat de gebouwen van het entrepot daarom voldeden aan de relevante regels die voorschrijven dat moet worden voorzien in een afzonderlijke zone met een van een openbare ruimte gescheiden afzonderlijke in- of uitgang zonder andere in- of uitgang met de productieruimte en afzonderlijke en duidelijk gekenmerkte opslagruimten voor afgewerkte producten, afgekeurde goederen en afval in de gebouwen.

61. Ten aanzien van bovengenoemde opmerkingen zij er nogmaals op gewezen dat het controlebezoek aan het licht heeft gebracht dat alleen de rechtenvrij ingevoerde grondstoffen werden gescheiden van plaatselijk aangeschafte inputgoederen. De entrepotvoorzieningen, dat wil zeggen het douane-entrepot en de productieruimte onder douanetoezicht ("manufacturing bond"), bevonden zich niet in een afzonderlijke zone met een van een openbare ruimte gescheiden in- of uitgang zonder andere in- of uitgang, zoals voorgeschreven in voornoemd artikel 349. Verder is het argument van de partij dat de gehele fabriek onder de regeling voor behandeling onder douanetoezicht valt, niet gebaseerd op controleerbaar bewijsmateriaal (bv. een uitdrukkelijke vergunning inzake de oppervlakte van de productieruimte onder douanetoezicht) afgezien van een analyse van de formulering van artikel 349. De relevante argumenten moesten bijgevolg worden afgewezen.

62. De RvP heeft zeer recente administatieve wijzigingen in deze regeling aangebracht. Zij heeft een meer gedetailleerde definitie van de "Manufacturing Bond" in de wetgeving ingevoerd en heeft stappen ondernomen om de controle van de relevante autoriteit op de regeling te vergroten.

63. Wat de door de autoriteit op de productie onder douanetoezicht uitgeoefende controle betreft, hadden de aangebrachte wijzigingen geen betrekking op de meest kritieke tekortkomingen van het systeem, zoals geïdentificeerd door het onderhavige onderzoek, namelijk: i) het gebrek aan gegevens over het feitelijke verbruik van ingevoerde grondstoffen en ii) het gebrek aan een controlesysteem dat meer op de feitelijke resultaten dan op de historisch vastgestelde normen is gericht. Aangezien de uitvoering van de wijzigingen in de regeling naar behoren moet worden gecontroleerd (de geconstateerde problemen betreffen ook het beheer van de regeling), is enige tijd nodig voordat een definitieve conclusie kan worden getrokken over de in de regeling aangebrachte wijzigingen en de wijze waarop de autoriteiten deze wijzigingen hebben geïmplementeerd en voor een goed beheerd controlesysteem hebben gezorgd.

64. De RvP heeft ook haar bereidheid getoond om tegenover de Commissie een verbintenis aan te gaan met betrekking tot de concrete toepassing van de voorschriften die voor de productie onder douanetoezicht gelden. Er is voorgesteld dat daartoe bewijsmateriaal zou worden verstrekt waaruit blijkt dat de medewerkende producent-exporteur aan de nieuwe voorschriften voldoet (bv. veranderingen in de gebouwen, herziening van de input/outputverhouding, terugbetaling van rechten), dat periodieke verslagen worden opgesteld en dat toestemming wordt verleend voor controlebezoeken door de Commissie.

65. In verband met het voorgaande zij erop gewezen dat met dit voorstel voor een verbintenis de RvP indirect alle tekortkomingen bevestigt die ten aanzien van deze regeling in de voorlopige verordening zijn belicht. Zoals aangegeven in overweging 50 hierboven is het bovendien niet mogelijk om een verbintenis te aanvaarden die verwijst naar het beheer van een regeling op basis van gegevens die slechts in de toekomst concreet gestalte zullen krijgen. Ten slotte is een dergelijke verbintenis niet praktisch omdat de nodige monitoring effectief zou vereisen dat belangrijke delen van het onderzoek op geregelde tijdstippen worden herhaald. In dit verband moet worden onderstreept dat de RvP en/of de medewerkende producent-exporteur om een tussentijds nieuw onderzoek van de maatregelen kunnen vragen, als aan de relevante bepalingen van artikel 19 van de basisverordening wordt voldaan.

66. In het licht van het voorgaande en bij ontstentenis van andere relevante opmerkingen worden de bevindingen in verband met deze regeling, als vermeld in de overwegingen 60 tot en met 80 van de voorlopige verordening, als gewijzigd in de overwegingen 44 tot en met 52 hierboven, bevestigd.

II) Invoer van installaties, machines en apparatuur bestemd voor behandeling onder douanetoezicht ("Manufacturing Bond")

67. In verband met deze regeling voerden beide partijen aan dat de rentevoet gebruikt voor de berekening van de subsidiemarge de rentevoet moet zijn waarvan de betrokken exporteur tijdens het OT gebruik kon maken. Verder voerden de partijen aan dat, aangezien de installaties, machines en apparatuur werden gebruikt voor de productie van pet, bestemd voor zowel de uitvoer als de verkoop op de binnenlanse markt, de subsidiemarge moest worden bepaald op basis van de totale omzet van de producent-exporteur.

68. In reactie op deze argumenten zij erop gewezen dat de voor de berekening gebruikte rentevoet de commerciële rentevoet is die tijdens het OT in Pakistan werd toegepast, zoals vermeld op de website van de State Bank of Pakistan. Deze rentevoet is de op de markt gehanteerde normale kredietrente. Wat de noemer voor de subsidieberekening betreft, zij eraan herinnerd dat om gebruik te kunnen maken van de regeling als voorwaarde wordt gesteld dat de ingevoerde machines worden geïnstalleerd in het kader van de regeling voor behandeling onder douanetoezicht ("Manufactoring Bond"), wat een systeem is voor de rechtenvrije invoer van grondstoffen die alleen worden gebruikt voor de uitvoer van de productie in het kader van die regeling. Het subsidiebedrag (teller) moet bijgevolg worden verdeeld over de totale omzet van de uitvoer tijdens het OT omdat de subsidie afhankelijk is van de uitvoerprestaties. Alle bovenstaande argumenten moesten daarom worden afgewezen.

69. In het licht van het voorgaande en bij ontstentenis van andere relevante opmerkingen worden de bevindingen in verband met deze regeling, als vermeld in de overwegingen 81 tot en met 92 van de voorlopige verordening, bevestigd.

III) Tariefbescherming voor aankopen van PTA op de binnenlandse markt

70. De RvP voerde aan dat de prijs van lokaal geproduceerde PTA niet 7,5% lager ligt dan de internationale prijs en dat de terugbetaling niet alleen plaatsvindt voor in het land geproduceerde PTA maar ook voor ingevoerde PTA. De medewerkende producent-exporteur voerde aan dat de regeling de terugbetaling van douanerechten voor zowel lokaal aangekochte als ingevoerde PTA toestaat en bijgevolg de aanschaf van in het land geproduceerde PTA niet begunstigt. Er werd ook onderstreept dat de wetgeving de toegang tot deze regeling niet beperkt.

71. Deze argumenten moesten worden afgewezen. In dit verband zij erop gewezen dat deze regeling een financiële bijdrage verleent in de vorm van een directe overdracht van middelen, die de ontvangende onderneming een duidelijk voordeel verschaft. Uit de analyse van de door de RvP ingediende informatie blijkt duidelijk dat een voor de regeling in aanmerking komende onderneming: i) op de binnenlandse markt PTA kan kopen en een compenserende steun kan ontvangen voor een gedeelte gelijk aan 7,5% van de betaalde prijs voor aankopen van lokaal geproduceerde PTA of ii) PTA kan invoeren en een terugbetaling kan ontvangen van het toepasselijke douanerecht (7,5%) dat op de invoer van PTA is betaald. De laatste optie is echter niet toegestaan als de in aanmerking komende onderneming gebruik maakt van een regeling voor de terugbetaling van rechten (bv. Manufacture Bond) op de invoer van PTA. Uit het voorgaande blijkt dat de medewerkende producent-exporteur rechtens was gedwongen om alleen van deze regeling gebruik te maken voor zijn aankopen van in het land geproduceerde PTA, aangezien hij gelijktijdig de regeling voor behandeling onder douanetoezicht ("Manufacturing Bond") voor zijn ingevoerde PTA gebruikte. Verder is het duidelijk dat zelfs in gevallen waarin een in aanmerking komende onderneming gebruikmaakt van beide beschikbare opties van de regeling (d.w.z. door het afzien van de mogelijkheid om gebruik te maken van de regeling voor de terugbetaling in het kader van de Manufacturing Bond) de terugbetalingen die zij mag verwachten verschillend zullen zijn, omdat in het ene geval het percentage wordt berekend op basis van een volledige binnenlandse factuurprijs, terwijl het in het andere geval wordt berekend op basis van de bij de douane gedeclareerde waarde die niet noodzakelijkerwijs de volledige factuurprijs is. Er zijn geen controleerbare bewijzen verstrekt die voornoemde conclusies ter discussie konden stellen. Ten aanzien van het argument dat er geen beperkingen zijn op de toegang tot de regeling heeft het onderzoek ten slotte aangetoond dat de relevante wetgeving de in aanmerking komende partijen bij naam heeft opgesomd. In het land geproduceerde PTA is in elk geval niet onderworpen aan enig recht en daarom is de terugbetaling van 7,5% een directe overdracht van middelen of een zuivere subsidie. De enige manier waarop een producent van pet deze subsidie kan verkrijgen is de aankoop van in het land geproduceerde PTA. Verder is elke "terugbetaling" van douanerechten op ingevoerde PTA een vrijstelling van een normaal verschuldigde betaling en geen directe overdracht van middelen; daarom kunnen beide situaties niet als gelijkwaardig worden beschouwd.

72. Bijgevolg verschaft de regeling een duidelijk voordeel aan de binnenlandse koper, d.w.z. de petproducent, door middel van een directe overdracht van middelen en is zij specifiek in de zin van artikel 4, lid 4, onder b), van de basisverordening, aangezien de subsidie afhankelijk is van het gebruik van binnenlandse in plaats van ingevoerde goederen en alleen binnenlandse goederen in aanmerking komen voor de directe subsidie. Verder kan deze subsidie ook als specifiek in de zin van artikel 4, lid 4, onder a), van de basisverordening worden aangemerkt, aangezien de wetgeving zelf de toegang tot deze regeling uitdrukkelijk beperkt tot bepaalde ondernemingen uit de polyesterindustrie.

73. In verband met deze regeling heeft de RvP tezamen met haar opmerkingen over de voorlopige verordening een regeringsbesluit (Government Order) van 28 juni 2010 overgelegd waarin staat dat SRO nr. 1045(I)/2008 met ingang van 1 juli 2010 is ingetrokken. De RvP verklaarde dat deze ontwikkeling ervoor zal zorgen dat geen terugbetaling voor in het land aangeschafte of ingevoerde PTA aan de gebruikers van PTA meer wordt toegestaan of zal worden toegestaan.

74. Verder lijkt een persknipsel dat door de medewerkende producent-exporteur over dezelfde aangelegenheid is overgelegd erop te wijzen dat de RvP heeft besloten om de regelgeving met betrekking tot deze regeling in te trekken om ervoor te zorgen dat Pakistan aan de internationale normen in dit verband voldoet. De medewerkende producent-exporteur onderbouwde de door de RvP verstrekte informatie met gegevens die bevestigen dat het vanaf 1 juli 2010 niet meer mogelijk is om bij aankoop van in het land geproduceerde PTA de desbetreffende subsidie te ontvangen. Uit voornoemde informatie blijkt duidelijk dat Pakistan in wezen aanvaardt dat de in de voorlopige verordening aan de orde gestelde punten ten aanzien van deze regeling corrigerende actie van zijn kant vereiste, dat de RvP de regeling heeft beëindigd en dat de medewerkende producent-exporteur geen voordelen als gevolg van deze regeling ontvangt. Onder deze omstandigheden kan worden gesteld dat aan de voorwaarden van artikel 15 van de basisverordening wordt voldaan en dat bijgevolg naar aanleiding van deze regeling geen compenserende maatregelen moeten worden genomen.

75. In het licht van het voorgaande en bij ontstentenis van andere relevante opmerkingen worden de bevindingen in verband met deze regeling, als vermeld in de overwegingen 93 tot en met 105 van de voorlopige verordening, als gewijzigd in de overwegingen 58 tot en met 61 hierboven, bevestigd.

IV) Regeling inzake uiteindelijke belastingen ("Final Tax Regime"; "FTR")

76. Beide partijen voerden aan dat deze regeling een verschillend belastingsysteem vormt en geen aanleiding mag geven tot compenserende maatregelen, aangezien Pakistan belastingsoevereiniteit bezit en vrij is om het belastingsysteem toe te passen dat het wenst. Er werd ook aangevoerd dat de FTR geen financiële bijdragen aan ondernemingen impliceert en het een algemene belastingregel in Pakistan (een bronbelasting van 1% wordt geheven bij uitvoering van valutatransacties) is die functioneert op basis van een verschillend concept en op een verschillende grondslag in vergelijking met het normale belastingstelsel (Normal Tax Regime – NTR), dat voorziet in een belasting van 35% op het binnenlandse inkomen. Volgens deze partijen is het niet mogelijk te bepalen welk van beide systemen gunstiger is en bijgevolg leidt de FTR niet tot inkomstenderving of het niet innen van anderszins verschuldigde overheidsinkomsten.

77. Wat deze argumenten betreft, zij erop gewezen dat het niet de soevereiniteit van Pakistan is die ter discussie wordt gesteld, maar de beweerde subsidies die aan bepaalde producenten-exporteurs worden toegekend. Bovendien wordt eraan herinnerd dat winsten uit uitvoer op een andere wijze worden belast dan die uit binnenlandse verkoop. Voor zover dit belastingstelsel leidt tot winst doordat voor uitvoer een lager belastingtarief geldt dan voor binnenlandse verkopen, wordt deze regeling aangemerkt als een subsidie in de zin van artikel 3, punt 1, onder a) ii), en punt 2, van de basisverordening, in de vorm van gederfd overheidsinkomen waardoor aan de ontvangende onderneming een voordeel wordt toegekend. Het is ook een specifieke subsidie in de zin van artikel 4, lid 4, onder a), aangezien zij afhankelijk is van de uitvoerprestaties.

78. Bovendien heeft de medewerkende producent-exporteur een reeks berekeningen in excelformaat voor de jaren 2008 en 2009 verstrekt, alsook een door de Deputy Commissioner of Income Tax afgegeven belastingaanslag- en -beoordelingsbiljet dat een reeks cijfers van de inkomstenbelastingaangifte van de onderneming voor 2008 heeft herzien. De RvP onderbouwde de argumenten van de medewerkende producent-exporteur door te stellen dat uit de verstrekte berekeningen blijkt dat de medewerkende producent-exporteur in het kader van het FTR-stelsel meer belasting heeft betaald in vergelijking met wat hij zou hebben betaald bij toepassing van het NTR-stelsel.

79. Deze argumenten moesten worden afgewezen. Ten eerste maken de verstrekte berekeningen geen deel uit van de inkomstenbelastingaangifte van de onderneming of enig ander officieel document van de belastingdienst. Er bestaan bijgevolg geen controleerbare bewijzen waaruit blijkt dat zij een precies beeld geven van de inkomstenbelastingverplichtingen van de medewerkende producent-exporteur.

80. Ten tweede bevestigt een analyse van de ingediende officiële belastingdocumenten (belastingaanslag- en –beoordelingsbiljet) geenszins de door de partijen naar voren gebrachte argumenten betreffende de belastingniveaus van de verschillende belastingstelsels.

81. In de voor 2008 ingediende documenten hebben de partijen niet kunnen aantonen dat de opgegeven bedragen nauwkeurig stroken met de inkomstenbelastingaangifte van de onderneming voor 2008 en de twee later afgegeven documenten van de relevante belastingdiensten. Laatstgenoemde documenten blijken te bevestigen dat de onderneming wordt gevraagd om inkomstenbelasting op haar binnenlandse inkomen te betalen. Uit de ingediende informatie blijkt echter helemaal niet dat deze belasting (of enige andere belasting) daadwerkelijk is betaald of dat de onderneming tegen de voornoemde belastingaanslag in beroep is gedaan. Het is evenmin duidelijk hoe de bedragen in de excelberekeningen stroken met de inkomstenbelastingaangifte van de onderneming of met het beoordelingsbiljet van de belastingdienst. Zelfs indien moet worden aanvaard dat het in het belastingaanslagbiljet vermelde bedrag is betaald, zou dit in geen geval de conclusie veranderen dat de medewerkende producent-exporteur minder belasting heeft betaald dan hij zou hebben betaald als de belastingvoet van 35% op de uitvoerinkomsten werd toegepast.

82. Wat de ingediende documenten voor 2009 betreft, zij erop gewezen dat de partijen de inkomstenbelastingaangifte van de medewerkende producent-exporteur voor 2009 niet hebben verstrekt. In plaats van de officiële belastingaangiften en -verklaringen werd een excelberekening als bewijs verstrekt. Dergelijke informatie is duidelijk niet controleerbaar en kan geen argumenten voor inkomstenbelastingontwikkelingen na het OT onderbouwen. In dit verband moet worden onderstreept dat de RvP en/of de medewerkende producent-exporteur om een tussentijds nieuw onderzoek van de maatregelen kunnen vragen, als aan de relevante bepalingen van artikel 19 van de basisverordening wordt voldaan.

83. Bij de berekening van het subsidiebedrag in het kader van de FTR-regeling werd echter een administratieve fout in verband met de uitvoerinkomsten van de medewerkende producent-exporteur, als aangegeven in de inkomstenbelastingaangifte van de onderneming voor 2008, ontdekt. Deze fout werd dienovereenkomstig gecorrigeerd. Het subsidiepercentage dat in het kader van deze regeling tijdens het OT voor de producent-exporteur is vastgesteld, bedraagt 1,97% (in plaats van 1,95%).

84. In het licht van het voorgaande en bij ontstentenis van andere relevante opmerkingen worden de bevindingen in verband met deze regeling, als vermeld in de overwegingen 106 tot en met 116 van de voorlopige verordening, als gewijzigd in overweging 70 hierboven, bevestigd.

V) Regeling voor exportfinanciering tegen vaste langetermijnrente ("Export Long-Term Fixed Rate Financing"; "LTF-EOP")

85. Beide partijen voerden aan dat de rentevoet die wordt gebruikt voor de berekening van de subsidiemarge van deze financieringsregeling de rentevoet moet zijn die gold op het ogenblik dat de producent-exporteur bezig was met de onderhandelingen over de financiering tegen vaste rente, namelijk de rentevoet in het jaar 2004-2005. Verder moet de voor de berekening van de voorlopige subsidiemarge gebruikte noemer de totale omzet van de onderneming en niet de totale omzet van de uitvoer zijn, aangezien dezelfde productievoorzieningen, die worden gefinancierd in het kader van LTF-EOP, worden gebruikt voor de productie van zowel binnenlandse als uitgevoerde goederen.

86. Deze argumenten moesten worden afgewezen. In de eerste plaats moet worden verduidelijkt dat de voor de berekening gebruikte rentevoet de commerciële rentevoet is die tijdens het OT in Pakistan gold, zoals vermeld op de website van de State Bank of Pakistan. De financieringsmiddelen waarover in 2004/2005 werd onderhandeld, werden door de betrokken exporteur in tranches opgenomen. Voor de berekening van het subsidiebedrag werd het opgenomen kredietbedrag voor het OT, als meegedeeld door de medewerkende producent-exporteur, gebruikt. Bij het onderzoek van het voordeel dat een partij tijdens een specifiek OT heeft genoten, wordt de toepasselijke commerciële kredietvoet die tijdens het overeenkomstige OT op de markt werd gehanteerd, normaliter vergeleken met de rente die tijdens het OT op de ontvangen lening is betaald, en dit was hier ook het geval. Wat de noemer in de subsidieberekening betreft, zij eraan herinnerd dat om gebruik te kunnen maken van de regeling als voorwaarde wordt gesteld dat de onderneming direct of indirect ten minste 50% van haar jaarlijkse productie moet uitvoeren. Het subsidiebedrag (teller) moet bijgevolg worden verdeeld over de totale omzet van de uitvoer van het betrokken product tijdens het OT omdat de subsidie afhankelijk is van de uitvoerprestaties.

87. In het licht van het voorgaande en bij ontstentenis van andere relevante opmerkingen worden de bevindingen in verband met deze regeling, als vermeld in de overwegingen 117 tot en met 133 van de voorlopige verordening, bevestigd.

VI) Exportfinancieringsregeling van de State Bank of Pakistan ("Export Finance Scheme"; "EFS")

88. De regering van Pakistan verklaarde dat de petsector bij besluit van de State Bank of Pakistan van 28 juni 2010 van deze regeling werd uitgesloten. Bijgevolg werd aangevoerd dat deze regeling in overeenstemming is met de bepalingen van artikel 15 van de basisverordening en dat de Commissie geen compenserende maatregelen mocht nemen, aangezien was aangetoond dat de subsidie was ingetrokken. Hiertoe voerde de medewerkende producent-exporteur aan dat overeenkomstig de circulaire van de State Bank of Pakistan ("SBP") nr. 09 van 2010, gedateerd 28 juni 2010, de onderneming de volledige bedragen van de EFS-financiering heeft terugbetaald en dat er op 30 juni 2010 geen bedrag in het kader van de EFS meer uitstond.

89. Ten aanzien van dit argument zij eraan herinnerd dat artikel 15 van de basisverordening bepaalt dat geen maatregelen worden genomen als de subsidie wordt ingetrokken of als wordt aangetoond dat de betrokken exporteur hierdoor niet langer een voordeel verkrijgt. Ten aanzien van de ingediende documenten over de EFS-faciliteit zij erop gewezen dat in het besluit van de State Bank of Pakistan inderdaad staat dat banken in het kader van deze regeling geen financieringsfaciliteiten voor pet mogen toestaan. In de desbetreffende tekst staat ook dat de bestaande aan exporteurs verleende faciliteiten geldig zullen blijven tot de vervaldatum van de respectieve leningen, terwijl met de exportprestaties van de ondernemingen rekening zal worden gehouden bij leningen voor de ondernemingen in 2009-2010 en voor rechten tot 2011. Wat deze punten betreft, heeft de RvP door het verstrekken van de nodige documenten verduidelijkt dat de ondernemingen die in het kader van deze regeling in het Pakistaanse boekjaar 2009-2010 (d.w.z. tot en met 30 juni 2010) geen kortetermijnleningen bezitten, geen recht hebben op enig voordeel in de overgangsperiode tot 2011. Wat het argument betreft dat de medewerkende producent-exporteur in het kader van de EFS geen uitstaande financiering heeft, zij erop gewezen dat dit argument is onderbouwd met bewijsmateriaal dat door de relevante banken is verstrekt en dat door de accountant van de onderneming is aangevuld. Rekening houdend met het voorgaande wordt geconcludeerd dat de partijen hebben kunnen aantonen dat de EFS-regeling de betrokken exporteur niet langer een voordeel verschaft. Bijgevolg wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 15 van de basisverordening en werden de argumenten gegrond bevonden. Daarom werd geconcludeerd dat in verband met deze regeling geen compenserende maatregelen mochten worden genomen.

90. De medewerkende producent-exporteur stelde ook dat de rentevoet die wordt gebruikt voor de berekening van de subsidiemarge de kortetermijnrente moet zijn die de onderneming tijdens het OT ter beschikking stond. Er werd ook aangevoerd dat de verkregen financiering wordt gebruikt om tegemoet te komen aan de toale financieringsbehoeften van de bestaande activa van de onderneming voor zowel binnenlandse verkoop als uitvoer en dat de noemer in de berekening van de subsidiemarge bijgevolg de totale omzet van de onderneming moest zijn.

91. Deze argumenten moesten worden afgewezen. Er zij aan herinnerd dat de voor de berekening gebruikte rentevoet de commerciële rentevoet is die tijdens het OT in Pakistan werd toegepast, zoals vermeld op de website van de State Bank of Pakistan. Deze rentevoet is de op de markt gehanteerde normale kredietrente. Wat de noemer in de subsidieberekening betreft, zij erop gewezen dat om in aanmerking te komen voor de regeling als voorwaarde wordt gesteld dat specifieke uitvoertransacties moeten zijn verricht of de totale uitvoerprestaties moeten zijn vervuld. Het subsidiebedrag (teller) moet bijgevolg worden verdeeld over de totale omzet van de uitvoer tijdens het OT omdat de subsidie afhankelijk is van de uitvoerprestaties.

92. In het licht van het voorgaande en bij ontstentenis van andere relevante opmerkingen worden de bevindingen in verband met deze regeling, als vermeld in de overwegingen 134 tot en met 148 van de voorlopige verordening, als gewijzigd in de overwegingen 75 tot en met 78 hierboven, bevestigd.

VII) Financiering in het kader van F.E.-circulaire nr. 25 van de State Bank van Pakistan (deviezen)

93. Beide partijen verklaarden dat de State Bank of Pakistan in deze regeling niet is geïnterveneerd, dat de commerciële banken financiering in deviezen verstrekten zonder preferentiële rentevoeten en dat de regeling niet afhankelijk is van uitvoerprestaties, aangezien zowel exporteurs als importeurs er gebruik kunnen van maken.

94. De verstrekte argumenten werden geanalyseerd in het licht van de relevante wetsbepalingen en de praktische uitvoering van de regeling en zij werden gegrond bevonden. Daarom werd geconcludeerd dat in verband met deze regeling geen compenserende maatregelen mochten worden genomen. Aangezien geen compenserende maatregelen zullen worden genomen tegen de regeling op grond van F.E.- circulaire nr. 25 van de State Bank of Pakistan, is het niet nodig te reageren op de dienovereenkomstige opmerkingen.

95. Hoogte van de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies

96. Rekening houdend met het voorgaande bedraagt het definitieve bedrag van de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies overeenkomstig de bepalingen van de basisverordening, uitgedrukt ad valorem, voor de enige medewerkende Pakistaanse producent-exporteur 5,15%.

97. Verenigde Arabische Emiraten (VAE)

98. Inleiding

99. De regering van de VAE (RVAE) en de medewerkende producent-exporteur dienden opmerkingen in over de volgende regelingen, die aanleiding hebben gegeven tot compenserende maatregelen in de voorlopige verordening:

I) federale wet nr. 1 van 1979;

II. vrijhandelszone (VHZ).

100. Specifieke regelingen

I) Federale wet nr. 1 van 1979

101. De RVAE verklaarde dat de regeling uit hoofde van federale wet nr. 1 van 1979 op brede en horizontale wijze ter beschikking staat van alle industriële sectoren en ondernemingen in de VAE en zonder uitzondering wordt toegestaan. De medewerkende producent-exporteur stelde dat de in het kader van federale wet nr. 1 van 1979 afgegeven vergunning de voorwaarde vormt voor het bestaan en het functioneren van een onderneming in de VAE.

102. In verband met het voorgaande zij erop gewezen dat uit het onderzoek is gebleken dat industriële ondernemingen in het kader van verschillende soorten vergunningen kunnen opereren. Naast de uit hoofde van federale wet nr. 1 van 1979 verleende vergunning kan een industriële onderneming immers functioneren op basis van een vergunning die is afgegeven door de regionale autoriteiten in het specifieke emiraat waarin zij is gevestigd. Dit was het geval voor de medewerkende producent-exporteur die in het bezit is van een vergunning van de regering van het emiraat Ras al Khaimah. Verder kon een industriële onderneming opereren in een vrijhandelszone waar geen vergunning krachtens voornoemde wet vereist is. Daarom kan niet worden gesteld dat alle industriële ondernemingen in de VAE functioneren in het kader van federale wet nr. 1 van 1979. Het is bijgevolg niet bewezen dat de toekenning van de regeling automatisch is en het relevante argument moet worden afgewezen.

103. Beide partijen voerden aan dat de voorschriften van de wet de voorwaarden zijn waaraan voor de uitvoering van een industrieel project in het land moet worden voldaan en niet de voorwaarden zijn voor het verkrijgen van een vrijstelling van de betaling van douanerechten en dat de in de voorlopige verordening door de Commissie gemaakte analyse van de artikelen 12, 13 en 21 van federale wet nr. 1 van 1979 fout is. De RVAE verklaarde ook dat de term "considered" in artikel 13 geen bindende betekenis heeft in de Arabische versie van de wet. De RVAE voerde ook aan dat de artikelen 11 en 12 van voornoemde wet nooit in de praktijk werden toegepast, aangezien het technische comité dat aan de minister aanbevelingen over de aanvragen moet doen, nooit is opgericht. Er werd ook op gewezen dat de rol van het Industrial Development Department wordt omschreven in de door het ministerie afgegeven gebruikershandleiding van het Electronic Industrial System, als vermeld in overweging 173 van de voorlopige verordening.

104. Deze argumenten moesten worden afgewezen. Er zij op gewezen dat de artikelen 13 en 21 van de wet deel uitmaken van het stapsgewijze proces, als bedoeld in de analyse voor de industriële vergunning uit hoofde van federale wet nr. 1 van 1979. In verband met de artikelen 11 en 12 zij erop gewezen dat in deze artikelen de rol en de verantwoordelijkheden worden vastgesteld van de verschillende organen van de overheisinstantie die de industriële vergunning uit hoofde van federale wet nr. 1 van 1979 afgeven. Het feit dat een orgaan nooit is opgericht, hoewel de wet daarin voorziet en het verantwoordelijk is voor: i) de beoordeling van de input van het Industrial Development Department en ii) het doen van aanbevelingen aan de minister over de goedkeuring of afwijzing van aanvragen, bevestigt dat de wetgeving op grond waarvan de vergunningverlenende autoriteit functioneert, in de praktijk niet wordt nageleefd en dat bijgevolg geen rechtszekerheid bestaat over de wijze waarop de subsidie wordt toegekend. Bovendien is het argument van de RVAE ten aanzien van het technische comité in feite in tegenspraak met eerder ingediende argumenten volgens welke de minister dit comité heeft verzocht opmerkingen in te dienen over een mogelijke herziening van de wet. Ten aanzien van de definitie van het woord "considered" in artikel 13 van de federale wet zij erop gewezen dat de Engelse versie de enige tekst was die door de RVAE tijdens het onderzoek werd verstrekt. Bovendien verklaarde zij pas na mededeling van de voorlopige bevindingen dat er verschillen in de definities tussen de Engelse en de Arabische tekst kunnen bestaan. Het feit dat de twee versies van de tekst twijfels doen ontstaan over bepaalde delen van de subsidiabiliteitscriteria duidt er opnieuw op dat er geen juridische duidelijkheid bestaat over de subsidiabiliteitscriteria en -voorwaarden van de subsidie. Wat de rol van het Industrial Development Department betreft, zij erop gewezen dat geen nieuwe informatie is verstrekt die de bevindingen van het onderzoek ter discussie zou kunnen stellen.

105. De RVAE verklaarde dat haar industriële statistieken aantonen dat uit hoofde van de federale wet nr. 1 van 1979 meer dan 4 000 industriële firma's zijn geregistreerd. Beide partijen voerden aan dat de Commissie geen positieve bewijzen heeft verstrekt dat de autoriteiten van de VAE naar eigen inzicht tewerk zijn gegaan bij de inwilliging of afwijzing van aanvragen tot deelneming aan de regeling.

106. Deze argumenten moesten worden afgewezen. Er zij op gewezen dat het onderzoek heeft uitgewezen dat de verlening van een industriële vergunning uit hoofde van federale wet nr. 1 van 1979 niet automatisch is en dat de regels voor de keuze van ondernemingen die voor de regeling uit hoofde van voornoemde wet in aanmerking komen, niet objectief zijn. Rekening houdend met het feit dat de regeling specifiek in lijn met de bepalingen van artikel 4, lid 2, onder a) en b), van de basisverordening werd bevonden, was het aan de RVAE om overeenkomstig de bepalingen van artikel 4, lid 2, onder c), van de basisverordening haar argument kracht bij te zetten dat de verzoeken van alle partijen die sinds de inwerkingtreding van de wet aanvragen om een industriële vergunning uit hoofde van federale wet nr. 1 van 1979 hebben ingediend, zijn ingewilligd. Er werd nooit dergelijke controleerbare informatie verstrekt.

107. Beide partijen verklaarden dat alle industriële ondernemingen in de VAE vrijstelling van douanerechten op hun productie verkrijgen. De medewerkende producent-exporteur verklaarde ook dat het onderzoek van de WTO naar het handelsbeleid van de VAE, dat in 2006 is gepubliceerd, de federale wet nr. 1 van 1979 heeft geanalyseerd en heeft geconstateerd dat aan alle industriële concerns vrijstellingen van douanerechten worden verleend. Er werd ook aangevoerd dat het systeem wordt gecontroleerd, aangezien de industriële vergunningen jaarlijks worden verlengd, de onder de regeling vallende ondernemingen de ingevoerde rechtenvrije materialen opgeven en de autoriteiten rechtenvrije invoer afwijzen als de inputs geen verband houden met de productie.

108. Deze argumenten moesten worden afgewezen. Er zij op gewezen dat vrijstellingen van douanerechten worden toegekend aan ondernemingen die gebruik maken van de regeling uit hoofde van federale wet nr. 1 van 1979 en dat het normale douanerecht voor de grondstoffen niet nul is. De medewerkende producent-exporteur heeft niet kunnen aantonen hoe een algemene verklaring in het document over het onderzoek van de WTO naar het handelsbeleid nauwkeuriger kan zijn dan de gedetailleerde analyse, gebaseerd op het controlebezoek, als bedoeld in de voorlopige verordening, die expliciet betrekking heeft op de subsidiabiliteit en de praktische tenuitvoerlegging van federale wet nr. 1 van 1979. Nog belangrijker is dat het onderzoek heeft uitgewezen dat de autoriteiten op discriminerende wijze optreden bij het beheer van de invoer van rechtenvrije materialen in het kader van de regeling. Aangezien er geen regels bestaan voor de wijze waarop verzoeken om rechtenvrije invoer worden ingewilligd of afgewezen en bij ontstentenis van een doeltreffend controlesysteem voor het beheer van de regeling, is het onduidelijk waarom het een partij op een bepaald ogenblik toegestaan wordt om rechtenvrije materialen in te voeren, terwijl op een ander tijdstip kan worden geweigerd dat zij rechtenvrij invoert. Dit was in feite het geval voor de medewerkende producent-exporteur die af en toe werd verzocht om rechten te betalen zonder dat dit werd gerechtvaardigd door de autoriteit die de vergunning verleent. Daarom hebben de twee partijen geen bewijsmateriaal kunnen verstrekken ter onderbouwing van hun argumenten inzake het beheer van de regeling en de toekenning van een vergunning voor rechtenvrije invoer.

109. Er werd ook verklaard dat de regeling werd uitgevoerd op basis van objectieve criteria, namelijk de bepaling dat vrijstelling van rechten alleen betrekking kan hebben op ingevoerde goederen die gebruikt worden voor de productie van de industriële onderneming. Dit argument moest worden afgewezen aangezien, zoals uiteengezet in de overwegingen 89 en 91 hierboven, niet is aangetoond dat dergelijke objectieve criteria bestaan.

110. De RVAE verklaarde dat federale wet nr. 1 van 1979 wordt herzien en dat deze informatie aan de Commissie was verstrekt. Zij voerde ook aan dat de Commissie geen rekening heeft gehouden met de door de RVAE ingediende informatie en documenten en geen argumenten en positive bewijzen heeft verstrekt over de feiten en de wet die tot haar conclusie hebben geleid.

111. In verband met het voorgaande zij erop gewezen dat de Commissie alle door de partijen verstrekte informatie nauwkeurig heeft geëvalueerd en geanalyseerd. Ten aanzien van de herziening van federale wet nr. 1 van 1979 zij erop gewezen dat de door de RVAE verstrekte tekst een intern ontwerpdocument van het ministerie van Financiën en industrie is. Als zodanig heeft het geen juridische waarde. De onderzoekende autoriteit is gehouden een analyse te maken van de feitelijke wettelijke bepalingen en de wijze waarop deze worden toegepast, en niet van een niet-bindend ontwerp dat niet door de bestuurlijke en wetgevende instanties van de VAE is goedgekeurd en in werking is getreden. Nog belangrijker is het feit dat de RVAE momenteel werkt aan de mogelijke herziening van federale wet nr. 1 van 1979, bevestigt dat de autoriteiten zich ervan bewust zijn geworden dat het nodig is dat, zoals de RVAE heeft verklaard, elke inconsistentie met de WTO-Overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen uit de weg wordt geruimd.

112. In het licht van het voorgaande worden de in de overwegingen 166 tot en met 183 van de voorlopige verordening uiteengezette bevindingen inzake deze regeling bevestigd.

II) Vrijhandelszone (VHZ)

113. Beide partijen verklaarden dat aan alle ondernemingen in de VAE de rechtenvrije invoer van kapitaalgoederen wordt toegestaan.

114. In dit verband zij erop gewezen dat het onderzoek heeft uitgewezen dat in de VHZ gevestigde ondernemingen kapitaalgoederen rechtenvrij mogen invoeren. Het feit dat een partij hetzelfde voordeel kan genieten door gebruik te maken van een andere regeling (namelijk federale wet nr.1 van 1979) betekent niet dat de subsidie in kwestie niet wordt beschouwd als een subsidie die aanleiding kan geven tot compenserende maaregelen. Verder waren de partijen niet in staat om feitenmateriaal te verstrekken om de bevindingen van het onderzoek ten aanzien van de VHZ te weerleggen. Gezien het voorgaande moest het ingediende argument worden afgewezen.

115. In het licht van het voorgaande worden de in de overwegingen 184 tot en met 199 van de voorlopige verordening uiteengezette bevindingen inzake deze regeling bevestigd.

116. Hoogte van de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies

117. Rekening houdend met het voorgaande bedraagt het definitieve bedrag van de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies overeenkomstig de bepalingen van de basisverordening, uitgedrukt ad valorem, voor de enige medewerkende producent-exporteur in de Verenigde Arabische Emiraten 5,13%.

118. Opmerkingen over de mededeling van de definitieve bevindingen

119. Er zij op gewezen dat alle belanghebbenden na de mededeling van de definitieve bevindingen in de gelegenheid werden gesteld opmerkingen te maken. Met hun opmerkingen werd zo mogelijk rekening gehouden maar zij waren niet van dien aard dat de hierboven genoemde bevindingen moesten worden veranderd.

120. De Iraanse medewerkende producent-exporteur presenteerde opnieuw zijn analyse van de feiten in deze zaak maar verstrekte geen nieuwe sluitende bewijzen om de bevindingen van het onderzoek ter discussie te stellen.

121. De regering van Pakistan gaf uiting aan haar ontevredenheid over de afwijzing van haar verbintenis ten aanzien van de regeling voor behandeling onder douanetoezicht (Manufacturing Bond) en herhaalde haar opmerkingen over de LTF-EOP-regeling en de FTR. Zij diende ook een nieuw besluit van de Federal Board of Revenue van 27 juli 2010 in waarin het douanerecht op de invoer van PTA (voor pet gebruikte grondstof) werd vastgesteld op 3% en voerde aan dat de instellingen wettelijk verplicht waren om de voor de Manufacturing Bond-regeling vastgestelde subsidiemarge opnieuw te berekenen. Dit moest worden afgewezen omdat er geen aanwijzing bestaat dat de subsidie niet langer geldt. De regering van Pakistan beweert dat zij is verlaagd. Wat de regels voor de "Manufacturing Bond" betreft, mag het inputmateriaal echter ten minste tot twee jaar na de invoer worden gebruikt. Met andere woorden, iets dat uiterlijk juli 2010 (toen het recht 7,5% bedroeg) werd ingevoerd, mag tot uiterlijk juli 2012 worden gebruikt. De instellingen hebben het subsidiebedrag bepaald op basis van gegevens voor het OT en overeenkomstig de voor de regeling geldende bepalingen kan het voorgaande douanerecht nog effect sorteren tot 2012. Bijgevolg is bij de instelling van het definitieve recht duidelijk sprake van subsidiëring. Verder is het douanerecht slechts één van vele gegevens en zoals aangetoond in de overwegingen 43 tot en met 53 hierboven hadden de invoervolumes, als het recht lager was geweest, groter kunnen zijn.

122. De Pakistaanse medewerkende producent-exporteur was het niet eens met de analyse over de FTR-regeling, maar de verstrekte elementen konden de bevindingen van het onderzoek niet veranderen. Hij verklaarde ook dat er controleerbaar bewijsmateriaal bestaat dat een nauwkeurig beeld geeft van zijn inkomstenbelastingverplichtingen en hij verstrekte een reeks documenten om aan te tonen dat de bevindingen van de Commissie niet juist zijn. In dit verband zij erop gewezen dat de verstrekte informatie onduidelijk en niet-controleerbaar is en bijgevolg niet in aanmerking kan worden genomen.

123. De regering van de Verenigde Arabische Emiraten presenteerde opnieuw haar analyse van de feiten in deze zaak en voerde aan dat de instellingen hun bevindingen op een onduidelijke interpretatie van federale wet nr. 1 van 1979 hebben gebaseerd en geen positieve bewijzen hebben verstrekt. In dit verband zij eraan herinnerd dat het specifieke karakter van de subsidie is vastgesteld overeenkomstig artikel 4, lid 2, onder a) en b), van de basisverordening, dat de interpretatie van de federale wet nr. 1 van 1979 door de instellingen was gebaseerd op de ingediende informatie, bewijzen en gegevens en dat geen sluitend bewijsmateriaal werd gevonden dat de bevindingen van het onderzoek zou kunnen veranderen. De RVAE verklaarde dat er goede vorderingen zijn gemaakt bij de wijziging van federale wet nr. 1 van 1979 en dat nu de laatste stappen worden gezet voor de bekendmaking daarvan. In dit verband wordt erop gewezen dat de Commissie de inspanningen van de VAE om hun relevante wettelijke bepalingen te wijzigen toejuicht maar dat bovengenoemde ontwikkelingen geen effect hebben voor de bevindingen van het onderzoek, omdat er geen duidelijk tijdschema bestaat voor de afsluiting van het wijzigingsproces en de inwerkingtreding van de nieuwe wet.

124. De medewerkende producent-exporteur uit de VAE herhaalde zijn argumenten over de federale wet nr. 1 van 1979. Hij verklaarde ook dat er fouten zitten in de berekening van de subsidiemarge. Er werd aangevoerd dat de onderneming zich na de mededeling van de definitieve bevindingen realiseerde dat op de leveringen van grondstoffen uit Saudi-Arabië geen douanerecht werd geheven omdat de VAE en Saudi-Arabië deel uitmaken van de douane-unie van de Samenwerkingsraad van de Golf en er werden documenten met betrekking tot deze argumenten verstrekt. In verband hiermee wordt erop gewezen dat deze toelichtingen deel uitmaken van een totaal nieuw stel gegevens die reeds in de antwoorden op de vragenlijst of uiterlijk tijdens het controlebezoek hadden moeten worden verstrekt, zodat de Commissie in staat zou zijn geweest om de juistheid van deze argumenten te controleren. De verstrekte gegevens kunnen bijgevolg in dit late stadium van het onderzoek niet worden gecontroleerd. Bovendien bestaan er geen duidelijke bewijzen om deze argumenten te onderbouwen. Verder werd aangevoerd dat het voordeel moest worden berekend op basis van de tijdens het OT verbruikte grondstoffen en niet op basis van de aangekochte grondstoffen. In dit verband zij erop gewezen dat de verdeling tussen verbruikte en aangekochte materialen irrelevant is, aangezien het compenserende bedrag het totale bedrag voor het OT is, zoals aangegeven in overwegingen 84 tot en met 95 hierboven.

125. SCHADE

126. Productie in de Unie, bedrijfstak van de Unie en verbruik in de Unie

127. Er zijn geen opmerkingen ontvangen over de productie in de Unie, de bedrijfstak van de Unie en het verbruik in de Unie. Bijgevolg worden de overwegingen 201 tot en met 206 van de voorlopige verordening bevestigd.

128. Invoer uit de betrokken landen

129. Er zijn geen opmerkingen ontvangen over de cumulatieve beoordeling van de gevolgen van de betrokken invoer, het volume van de invoer uit de betrokken landen en hun respectieve marktaandeel. Bijgevolg worden de overwegingen 207 tot en met 213 van de voorlopige verordening bevestigd.

a) Prijzen en prijsonderbieding

130. Aangezien, zoals hierboven vermeld in overweging 20, besloten werd om het onderzochte product in verscheidene productsoorten te verdelen, werd een nieuwe onderbiedingsberekening uitgevoerd welke die verandering weerspiegelde.

131. Voor de beoordeling van de prijsonderbieding werden de gewogen gemiddelde verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Unie voor niet-verbonden afnemers op de markt van de Unie per productsoort, af fabriek, vergeleken met de overeenkomstige gewogen gemiddelde cif-prijzen van de invoer uit de betrokken landen voor de eerste onafhankelijke afnemer op de markt van de Unie gecorrigeerd voor de kosten na invoer en verschillen in handelsstadium.

132. Uit deze vergelijking bleek dat de invoer met subsidiëring van oorsprong uit de VAE bij verkoop in de Unie de prijzen van de bedrijfstak van de Unie in het OT met 3,2% onderbood. De invoer met subsidiëring van oorsprong uit Iran onderbood de prijzen van de bedrijfstak van de Unie bij verkoop in de Unie met 3,0%. De invoer met subsidiëring van oorsprong uit Pakistan onderbood de prijzen van de bedrijfstak van de Unie bij verkoop in de Unie met 0,5%. De gewogen gemiddelde prijsonderbiedingsmarge van de betrokken landen gedurende het OT bedraagt 2,5%.

133. De Iraanse exporteur merkte op dat zijn schademarge werd overschat, aangezien de vastgestelde gewogen gemiddelde verkoopprijs per eenheid product werd onderschat wegens een onjuiste berekening van het bedrag van de correctie voor verschil in handelsstadium. Wat dit argument betreft, zij erop gewezen dat het voor de voorlopige berekening gebruikte bedrag van de correctie voor verschil in handelsstadium een vast bedrag was, dat de door de medewerkende importeur aangerekende commissie is en circa 1% van de gemiddelde cif-prijs uitmaakt. Aangezien geen alternatieve kwantificering van de correctie voor verschil in handelsstadium werd voorgesteld en geen andere informatie voor een dergelijke correctie beschikbaar is, wordt het argument echter afgewezen.

134. Dezelfde partij beweerde ook dat het bedrag van 2% voor de kosten na invoer te laag was vastgesteld.

135. Er wordt in dit verband nogmaals op gewezen dat geen importeur aan dit onderzoek heeft medegewerkt en dat het niet mogelijk was om de feitelijke kosten na invoer te controleren. Bij gebrek aan andere beschikbare informatie werd daarom het in vorige procedures gebruikte percentage toegepast.

136. Situatie van de bedrijfstak van de Unie

137. Sommige belanghebbenden voerden aan dat er geen schade bestond aangezien de steekproef slecht was gekozen en als gevolg daarvan geen resultaten voor de gehele bedrijfstak van de Unie konden worden geëxtrapoleerd. Er werd gesteld dat, aangezien één onderneming (niet in de steekproef) had aangegeven dat zij meer dan 100% van haar capaciteit gebruikte, dit een duidelijk teken was dat geen schade werd geleden. Er zij op gewezen dat de ingediende informatie een uittreksel uit de door deze onderneming aan de beursautoriteiten in een derde land verstrekte gegevens is en niet wordt gecontroleerd. Deze informatie strookt evenmin met de informatie in het dossier. Bovendien kan het gebruik van de capaciteit van slechts één EU-producent de bevindingen over de schade voor de tot de steekproef behorende EU-producenten en de andere EU-producenten niet veranderen.

138. Aangezien er geen andere argumenten of opmerkingen werden ontvangen, worden de overwegingen 218 tot en met 237 van de voorlopige verordening bevestigd.

139. Conclusie inzake schade

140. Aangezien er geen specifieke opmerkingen werden ontvangen, wordt de conclusie inzake schade in de overwegingen 238 tot en met 240 van de voorlopige verordening bevestigd.

141. OORZAKELIJK VERBAND

142. Gevolgen van de invoer met subsidiëring

143. Aangezien geen specifieke opmerkingen werden ontvangen, worden de overwegingen 241 tot en met 245 van de voorlopige verordening bevestigd.

144. Gevolgen van andere factoren

145. Sommige belanghebbenden voerden aan dat eventueel geconstateerde schade niet te wijten kon zijn aan invoer met subsidiëring, maar dat de lage prijzen voor pet in de EU de wereldwijde cyclus van de bedrijfstak weerspiegelden en dat van september 2008 tot juni 2009 de petprijzen in de EU de lage prijzen van ruwe olie volgden. Wat dit argument betreft, wordt erkend dat de prijzen van pet in zekere mate afhangen van de prijzen van ruwe olie, aangezien de derivaten daarvan de voornaamste grondstof voor de productie van pet zijn. De prijzen voor ruwe olie waren echter niet laag tijdens het gehele OT maar zeer volatiel, beginnend met een enorme daling en gevolgd door een herstel. Deze volatiliteit van de wereldprijzen van ruwe olie kan niet verklaren waarom pet met subsidiëring werd ingevoerd en daarom de prijzen van de producenten in de Unie onderboden. Het was precies deze prijsonderbieding, mogelijk als gevolg van de ontvangen subsidies, die de prijzen van de bedrijfstak van de Unie deed inzakken en de EU-producenten ertoe dwong om met verlies te verkopen om hun klanten niet te verliezen.

146. De Iraanse exporteur verklaarde dat de financiële en technische problemen van sommige EU-producenten in de schadeanalyse niet voldoende zijn belicht en verkeerdelijk zijn toegeschreven aan de Iraanse invoer, aangezien Iran pas na 2006 de markt heeft betreden. In dit verband zij erop gewezen dat reeds in 2006 en 2007 producten uit Iran zijn ingevoerd in hoeveelheden die kleiner zijn dan 1% van het marktaandeel. Sinds 2008 ligt de invoer boven 1% en heeft deze met zijn lage prijzen bijgedragen tot het prijsverval in de EU. Bovendien werd in dit geval aan de voorwaarden voor een cumulatieve beoordeling voldaan en konden de gevolgen van de invoer met subsidiëring uit alle betrokken landen cumulatief worden beoordeeld. Bovendien maakte slechts één van de door de Iraanse exporteur vermelde ondernemingen deel uit van de steekproef en waren de technische problemen van deze EU-producent, beperkt tot de periode september-medio oktober, niet significant van invloed op het totale schadebeeld.

147. Dezelfde partij wees er nogmaals op dat eventueel geconstateerde schade in verband moest worden gebracht met het inzakken van de vraag, met name tijdens het OT dat werd gekenmerkt door de mondiale financiële en economische crisis. Deze partij weerlegde echter niet de argumenten, vermeld in de overwegingen 254, 255 en 256 van de voorlopige verordening, namelijk dat de economische neergang die in het laatste kwartaal van 2008 begon de vernietigende schadelijke effecten van de gesubsidieerde invoer tegen lage rijzen op de EU-markt over de gehele beoordelingsperiode in geen geval kan verminderen en dat, ook al was de krimpende vraag een factor die tot de geleden schade heeft bijgedragen, zij het oorzakelijke verband niet kan verbreken. Verder zij erop gewezen dat die invoer met subsidiëring het marktaandeel daarvan bij een inzakkende vraag zelfs heeft vergroot, namelijk van 7,6% tot 10,2%, ten koste van de EU-producenten.

148. Sommige belanghebbenden stelden dat de schade te wijten was aan een gebrek aan investeringen door de petproducenten van de EU en het daaruit voortvloeiende kostennadeel ten opzichte van de exporteurs.

149. Erkend moet worden dat de petproductie een kapitaalintensieve bedrijfstak is en dat een bepaald niveau van investeringen noodzakelijk is om op de middellange tot lange termijn concurrerend te blijven. Er wordt aan herinnerd dat, zoals vermeld in overweging 237 van de voorlopige verordening, sommige tot de steekproef behorende ondernemingen in 2006 en 2007 belangrijke investeringen hebben gedaan, maar dat er in 2008 en in het OT slechts minimaal is geïnvesteerd.

150. In dit verband zij erop gewezen dat gezien de afnemende productie en de lagere capaciteitsbenutting in 2008 en in het OT, gecombineerd met de scherpe daling van het marktaandeel van de producenten in de Unie, het onredelijk was geweest te verwachten dat in deze periode aanzienlijke investeringen in nieuwe capaciteiten zouden worden gedaan.

151. Ook wordt er nogmaals op gewezen dat, zoals vermeld in de overwegingen 233 en 234 van de voorlopige verordening, de financiële situatie van de tot de steekproef behorende producenten in de Unie in de gehele beoordelingsperiode zeer slecht was en dat zij tussen 2006 en het einde van het OT aanzienlijke verliezen hebben geleden. In een dergelijke situatie zou het onredelijk zijn te verwachten dat de producenten in de Unie belangrijke investeringen zouden doen.

152. Bijgevolg wordt geconcludeerd dat de beperkte investeringen in 2008 en het OT niet wezenlijk hebben bijgedragen tot de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade maar er eerder een gevolg van waren.

153. Conclusie inzake het oorzakelijke verband

154. Aangezien geen verdere opmerkingen over het oorzakelijke verband werden ontvangen, worden de overwegingen 246 tot en met 264 van de voorlopige verordening bevestigd.

155. BELANG VAN DE UNIE

156. Na de mededeling van de voorlopige bevindingen reageerde een significant aantal EU-verwerkers en/of bottelaars en voerde aan dat de analyse van het belang van de Unie de argumenten van het grote aantal medewerkende gebruikers niet correct weergaf en dat de bevindingen in tegenspraak waren met het huidige economische klimaat. Deze bewering werd echter niet verder onderbouwd of toegelicht. Alle ondernemingen vroegen om te worden gehoord, maar slechts twee ondernemingen van deze groep gebruikers en één vereniging van Italiaanse bottelaars zijn daadwerkelijk naar de hoorzitting gekomen. Meer essentiële opmerkingen werden ontvangen van een medewerkende verwerker in de EU (ALPLA), een groep van gebruikers (Caiba SA, Coca-Cola Group, Danone Waters, Logoplaste, MFS Commodities, PepsiCO, Novara International en Silico Polymers), de medewerkende importeur (GSI) en de vereniging van kunststofverwerkers (EuPC). Al deze partijen verzetten zich sterk tegen het opleggen van eventuele maatregelen.

157. Belang van de bedrijfstak van de Unie en van andere producenten in de Unie

158. Sommige belanghebbenden verklaarden dat de EU-producenten de handelsbeschermingsinstrumenten gebruikten/misbruikten om de markt van de Unie af te schermen en kunstmatig hoge prijzen in de EU vast te stellen. Die partijen wezen op de bestaande antidumping- en/of compenserende maatregelen tegen India, Indonesië, Zuid-Korea, Maleisië, Taiwan, Thailand en de Volksrepubliek China. Er zij echter op gewezen dat elke in de EU producerende onderneming het recht heeft om een klacht in te dienen en verhaal te zoeken wanneer zij het bestaan van schadelijke subsidiëringspraktijken kan aantonen. Het feit dat in talrijke landen subsidiërings- en dumpingpraktijken zijn aangetroffen, kan mogelijk worden verklaard door het feit dat de vraag naar dit product sinds de jaren '90 enorm is gestegen met jaarlijkse groeipercentages van twee cijfers voor de komma. Dit heeft wereldwijd aanzienlijke investeringen aangetrokken, wat heeft geleid tot een structureel wereldwijd overaanbod van pet. Er zij ook op gewezen dat sommige derde landen ook maatregelen hebben genomen tegen verscheidene van de hierboven vermelde landen, wat het bestaande structurele probleem onderstreept.

159. Verscheidene belanghebbenden hebben er nogmaals op gewezen dat de producenten in de Unie niet in staat zullen zijn om hun prestaties op de lange termijn te verbeteren, aangezien nieuwe investeringen in derde landen weldra operationeel zullen zijn en de kunstmatig hoge prijzen in de EU onder druk zullen zetten.

160. Uit dit onderzoek is gebleken dat een nieuwe investering die pas onlangs in Oman operationeel is geworden, de invoervolumes in 2009 aanzienlijk heeft vergroot en het kan niet worden uitgesloten dat dit in de toekomst voor de bedrijfstak van de Unie problemen kan opleveren. Zoals reeds aangegeven in overweging 270 van de voorlopige verordening zijn nieuwe investeringen die operationeel kunnen worden en de bedrijfstak van de Unie schade kunnen berokkenen, geen geldige reden om een rechtmatige bescherming in deze procedure te weigeren.

161. Eén belanghebbende voerde aan dat de stijging van de petprijzen in de EU alleen de EU-producenten met investeringen in derde landen waarvoor geen maatregelen gelden (Thailand, VS, Rusland) of andere petproducenten in derde landen (Zuid-Korea) in staat zou stellen om hun prestaties te verbeteren. De partij stelde bijgevolg dat het voordeel voor de EU-producenten op de korte termijn duidelijk teniet zou worden gedaan door de overdracht van welvaart naar producenten buiten de EU.

162. In dit verband zij erop gewezen dat de dossiers geen bewijsmateriaal bevatten ter staving van de verklaring dat de financiële voordelen voor de producenten in derde landen die niet aan handelsbeschermingsmaatregelen zijn onderworpen of de ondernemingen met een nulrecht de voordelen voor de bedrijfstak van de Unie teniet zouden doen.

163. Ook werd betoogd dat de producenten in de Unie slechts werk bieden aan ongeveer 2 000 personen, terwijl de petverwerkers en bottelaars, die sterk zouden worden getroffen door de instelling van een recht, circa 20 000 respectievelijk 60 000 mensen in dienst hebben.

164. Er wordt op gewezen dat de door petproducenten gecreëerde werkgelegenheid niet marginaal is en de vraag of de instelling van maatregelen tegen het belang van de Unie in haar geheel is, kan niet worden herleid tot de simpele kwestie van het aantal werknemers. In dit verband is het ook bijzonder relevant dat de desbetreffende gebruikers waarschijnlijk niet op significante wijze door de maatregelen zullen worden getroffen, rekening houdend met de hoogte van het recht en alternatieve leveringsbronnen, zoals aangegeven in de overwegingen 141 tot en met 156.

165. Belang van niet-verbonden importeurs in de Unie

166. Er wordt nogmaals op gewezen dat geen niet-verbonden importeur aan het onderzoek heeft medegewerkt.

167. De medewerkende importeur streed fel af dat de instelling van rechten geen aanzienlijk effect op zijn activiteiten zou hebben. De onderneming voerde aan dat, aangezien zij inderdaad op commissiebasis werkte, het effect groot zou zijn, omdat een belangrijk deel van haar activiteiten in de betrokken landen plaatsvond. Mochten definitieve maatregelen worden ingesteld, zou de van de producenten in de betrokken landen verkregen commissie worden aangetast, aangezien de pet van de betrokken landen niet langer zou kunnen concurreren met door andere producenten geproduceerde pet.

168. Gezien het algemene bescheiden niveau van het recht is het niet waarschijnlijk dat de petverkoop van de betrokken landen wezenlijk zal worden beïnvloed. Bovendien kan de importeur op de middellange termijn zeer waarschijnlijk overschakelen op andere leveringsbronnen, namelijk invoer uit Oman, VS, Brazilië, Mexico en de ondernemingen met een nul-antidumpingrecht in Zuid-Korea. De verkoop van deze producenten-exporteurs moet de importeur in staat stellen eventuele verliezen als gevolg van de instelling van maatregelen te compenseren. Het argument wordt bijgevolg afgewezen.

169. Belangen van de leveranciers van grondstoffen in de Unie

170. Eén belanghebbende verklaarde dat het niet rechtmatig is om de grondstoffenleveranciers van de petproducenten van de EU te beschermen ten koste van de verpakkingsindustrie, de bottelaars en de eindverbruikers.

171. Er wordt op gewezen dat de analyse van het effect van de maatregelen op de leveringsindustrie in overeenstemming is met artikel 31 van de basisverordening. Het is een standaardpraktijk om een dergelijke analyse uit te voeren, met name wanneer er een sterke onderlinge afhankelijkheid bestaat tussen de grondstoffenleveranciers en de producenten in de Unie.

172. Aangezien geen andere opmerkingen hierover werden ontvangen, worden de overwegingen 265 tot en met 279 van de voorlopige verordening definitief bevestigd.

173. Belang van de gebruikers

174. Er zij nogmaals op gewezen dat het voor de productie van voorvormen van flessen gebruikte pet 70% tot 80% van de totale productiekosten van de verwerkende bedrijven uitmaakt. Daarom is het voor deze ondernemingen een cruciale kostenfactor.

175. Sommige belanghebbenden hebben erop gewezen dat de verpakkingsindustrie in de EU constant wordt geconfronteerd met de eisen van de bottelaars met betrekking tot nieuwe ontwerpen en meer milieuvriendelijke verpakkingen. Daarom investeren sommige verwerkende bedrijven blijkbaar constant in O&O om nieuwe producten en ontwerpen te bedenken om concurrerend te blijven en om aan de productieketen een meerwaarde toe te voegen.

176. Sommige belanghebbenden verklaarden dat het effect op de verwerkende industrie in de EU zeer groot zal zijn en zal leiden tot de erosie van hun middelen om in nieuwe, milieuvriendelijke verpakkingen te investeren en mogelijk zelfs tot de sluiting van honderden kleinere ondernemingen, omdat hun marges nog smaller worden wegens de kleine verwerkte volumes en de zwakke onderhandelingspositie.

177. Mochten de verwerkende bedrijven de volledige prijsstijging als gevolg van de maatregelen absorberen, zou het effect daarop, afhankelijk van hun leveringsbron, inderdaad aanzienlijk zijn, aangezien de kosten van pet het grootste gedeelte van hun kosten uitmaken en vele van de kleine en middelgrote ondernemingen met lage marges werken.

178. In verband hiermee werd een controlebezoek uitgevoerd bij een kleine kunststofverwerker in Italië om een beter inzicht te krijgen in het effect van de rechten op deze gebruikersgroep. Uit het onderzoek bleek dat de verwerkers normaliter in staat zijn om prijsstijgingen, zij het in beperkte mate, door te geven, vooral wanneer de prijsstijging niet marginaal is en kan worden voorzien. Bovendien staan in de contracten van sommige petverwerkers bepalingen in verband met grondstoffenprijzen en dit kan de petverwerkers helpen om prijsstijgingen aan de bottelaars door te geven.

179. Tegen de achtergrond van het eerder bescheiden niveau van de rechten wordt bijgevolg geconcludeerd dat de instelling van compenserende rechten waarschijnlijk geen vernietigend effect op de verwerkende bedrijven zal hebben.

180. Sommige belanghebbenden voerden opnieuw het argument aan dat het risico van verplaatsing van petverwerkende bedrijven zou toenemen als definitieve maatregelen zouden worden ingesteld. Deze partijen beweerden ook dat er als gevolg van de verplaatsing van petverwerkende bedrijven in de EU op de lange termijn geen voordelen voor de EU-producenten zouden ontstaan. Eén van de medewerkende petverwerkers verklaarde dat het verplaatsingsproces reeds aan de gang is en dat de instelling van compenserende rechten deze ontwikkeling nog zou versterken. Deze partij beweerde dat een wezenlijk deel van de verwerkende bedrijven in de EU zich zou vestigen in gebieden die dicht bij de EU-grenzen zijn gelegen (Zwitserland, Kroatië, Bosnië, Servië, Turkije, Rusland en Oekraïne) en dat sommige verwerkers in tegenstelling tot wat in de voorlopige verordening wordt geopperd meer flexibeler zouden zijn om hun productie naar deze gebieden te verplaatsen.

181. Volgens de in de dossiers beschikbare informatie is de verplaatsing van de productie inderdaad reeds aan de gang en de instelling van compenserende rechten wordt beschouwd als een van vele andere factoren die een dergelijk ondernemingsbesluit kunnen beïnvoeden. Er is echter niet gebleken dat die ondernemingen zonder de instelling van maatregelen in dit geval bereid zouden zijn geweest om in de EU te blijven, aangezien een dergelijk besluit normaliter het resultaat is van een analyse, waarbij rekening wordt gehouden met een aantal andere aspecten dan handelsbeschermingsmaatregelen, zoals de nabijheid van de klant, de beschikbaarheid van geschoolde werknemers voor O&O, de algemene kostenstructuur enz.

182. Er wordt ook op gewezen dat uit de informatie in de dossiers blijkt dat de verwerkende industrie in de EU wordt geconfronteerd met een aantal belangrijke uitdagingen als gevolg van inherente structurele tekortkomingen die meer en meer duidelijk worden in de snel veranderende en in toenemende mate concurrerende omgeving. Het is duidelijk dat grootte in die sector een belangrijke rol speelt en dat de consolidatie van de markt reeds aan de gang is. Bijgevolg kan worden gesteld dat een eventuele prijsstijging van pet als gevolg van de compenserende maatregelen niet de reden is voor de gevreesde sluiting van de kleinere verwerkende bedrijven.

183. Daarom wordt geconcludeerd dat de instelling van compenserende rechten geen beslissende factor in de uiteindelijke beslissing over de verplaatsing van de ondernemingen in de petverwerkende industrie zal zijn.

184. Verscheidene belanghebbende partijen verklaarden dat eventuele maatregelen een aanzienlijk effect op veel bottelaars zouden hebben, aangezien een stijging van de petharsprijzen op grond van contractuele bepalingen aan hen (ten minste gedeeltelijk) zou worden doorgegeven. Er werd ook beweerd dat sommige bottelaars niet in staat zouden zijn om prijsverhogingen aan hun klanten, namelijk supermarkt-/winkelketens, door te geven, en dat zij eventuele kostenstijgingen niet zouden overleven.

185. Deze partijen beweerden dat het aantal producten dat door de instelling van de rechten zou worden getroffen, onderschat is aangezien het hierbij niet alleen gaat om gebotteld mineraalwater, frisdranken en spijsolie, maar ook om bier, melk en zuivelproducten, vruchtensappen, ketchup en specerijen, kosmetische en persoonlijke verzorgingsproducten, geneesmiddelen, vitaminen en voedingssupplementen, schoonmaakproducten en olie en smeermiddelen voor auto's.

186. Erkend wordt dat veel verschillende soorten petverpakking bestaan. Er wordt echter op gewezen dat de voorlopige verordening gericht was op het effect op bottelaars, aangezien zij was gebaseerd op de gegevens die waren ingediend door de aan dit onderzoek medewerkende ondernemingen, hoofdzakelijk producenten van mineraalwater, frisdranken of vruchtensappen. Er waren geen andere gedetailleerde gegevens beschikbaar waaruit bleek dat het effect op de andere hierboven genoemde toepassingen nog groter was.

187. Bijgevolg kan worden gesteld dat de voorlopige bevindingen, aangegeven in overweging 291 van de voorlopige verordening, definitief kunnen worden bevestigd. Gezien het bescheiden niveau van de voorgestelde maatregelen kunnen zij bovendien leiden tot een kostenstijging van maximaal 1% (in het slechtste geval – d.w.z. het volledige effect van de maatregelen wordt door de bottelaars gedragen) en op die manier zullen zij slechts een beperkt effect hebben op de algemene situatie van de bottelaars, ook als zij, zoals wordt beweerd, niet in staat zouden zijn om de gestegen kosten aan hun afnemers door te geven.

188. Verscheidene belanghebbenden gaven te kennen dat handelsbeschermingsmaatregelen het aanbodtekort op de markt van de Unie zouden aanscherpen, wat bijzonder problematisch zal zijn in de zomermaanden, gezien de hogere vraag naar water/dranken. Er werd verklaard dat in 2010 900 000 ton zou moeten worden ingevoerd. Dit probleem zou met name worden verscherpt door het feit dat sommige EU-producenten ook petverwerkers zijn en uitsluitend op de vrije markt zouden verkopen zodra aan hun interne vraag is voldaan, en wel tegen hoge prijzen.

189. In dit verband werd geen nieuwe informatie ingediend en de in de overwegingen 294 en 295 van de voorlopige verordening vermelde argumenten werden niet weerlegd. Er zij ook op gewezen dat het effect op de handelsvolumes uit de VAE en Pakistan niet significant zal worden beïnvloed, gezien het bescheiden niveau van de rechten die zijn ingesteld op de invoer uit die landen. Bijgevolg worden de bevindingen in de overwegingen 294 en 295 definitief bevestigd.

190. Gevolgen voor de consumenten

191. Verscheidene belanghebbenden voerden aan dat in de voorlopige verordening het effect op de consumenten die dagelijks petharsen bevattende producten kopen, onvoldoende aan bod is gekomen. Deze argumenten werden, afgezien van de stelling dat een stijging met 50 euro/ton, toegepast op een verbruik van 3 miljoen ton, zou leiden tot een door de eindverbruiker te dragen bedrag van 150 miljoen euro per jaar, niet verder onderbouwd.

192. Er wordt op gewezen dat de voorgestelde schatting onrealistisch is, aangezien de meeste partijen het erover eens zijn dat een deel van de gevolgen moet worden gedragen door de petverwerkers, de bottelaars en de supermakt-/winkelketens, d.w.z. dat een deel van de gestegen kosten in de verkoopketen zal opgaan.

193. Het effect op de eindverbruiker zal in het slechtste geval (d.w.z. in het onrealistische scenario waarbij de afnemer alle gevolgen van de prijsstijging moet dragen), gezien het bescheiden niveau van de voorgestelde maatregelen, niet meer bedragen dan 0,5 eurocent per verbruikte fles en zal heel waarschijnlijk veel lager zijn.

194. Conclusie inzake het belang van de Unie

195. Gezien het voorgaande en na een uitvoerige analyse van alle op het spel staande belangen wordt definitief geconcludeerd dat per slot van de rekening geen dwingende redenen bestaan om in het onderhavige geval geen maatregelen in te stellen. Aangezien geen andere opmerkingen hierover werden ontvangen, worden de overwegingen 280 tot en met 298 van de voorlopige verordening definitief bevestigd.

196. Opmerkingen over de mededeling van de definitieve bevindingen

197. Na mededeling van de belangrijkste feiten en overwegingen op basis waarvan de Commissie heeft voorgesteld om een definitief compenserend recht in te stellen, hebben sommige belanghebbenden verdere opmerkingen ingediend. Aangezien de meeste van deze opmerkingen een herhaling waren van reeds eerder ingediende en behandelde argumenten, veranderden zij voornoemde bevindingen niet.

198. In verband met het herhaalde argument dat de recente verandering in de wisselkoers tussen USD en EUR tot een aanzienlijke stijging van de prijs van ingevoerd pet heeft geleid en het bijgevolg blijkbaar niet nodig is dat aan de bedrijfstak van de Unie bescherming door handelsbeschermingsmaatregelen wordt verleend, wordt erop gewezen dat bij een antisubsidieonderzoek normaliter geen rekening wordt gehouden met ontwikkelingen die na het OT hebben plaatsgevonden; tenzij in buitengewone situaties onder meer kan worden aangetoond dat zij van blijvende duur zijn en de bevindingen van het onderzoek significant veranderen. Veranderingen in de wisselkoers tussen USD en EUR kunnen niet als zodanig worden beschouwd.

199. DEFINITIEVE MAATREGELEN

200. Schademarge

201. Eén belanghebbende betoogde dat een streefwinst van 5% voor het tweede kwartaal van het OT overschat was, aangezien in dit kwartaal (4e kwartaal van 2008) niet alleen de vraag lager was (winterseizoen) maar de mondiale economische crisis ook de petproducenten zwaar trof. Bijgevolg wordt aangevoerd dat een correcte toepassing van het in zaak T-210/95[5] ontwikkelde beginsel moet leiden tot een 0-marge indien geen invoer met subsidiëring plaatsvindt. Bovendien voerde de partij aan dat, aangezien alle kwartalen van het OT door de crisis werden getroffen, ook in de andere kwartalen een winstmarge van 5% onrealistisch zou voorkomen, aangezien de bedrijfstak van de Unie ook zonder economische crisis, d.w.z. in 2006/2007, niet dicht bij 5% winst uitkwam.

202. Er wordt erkend dat in lijn met de rechtspraak de te gebruiken streefwinst de winst moet zijn die de bedrijfstak van de Unie redelijkerwijs zou kunnen behalen onder normale concurrentieomstandigheden, bij afwezigheid van invoer met subsidiëring. Er wordt aan herinnerd dat bij voorgaande onderzoeken voor hetzelfde product een streefwinst van 7% of meer werd gebruikt in plaats van de 5% die voorlopig in dit onderzoek wordt gebruikt. De streefwinst van 5% wordt beschouwd als de winst die de bedrijfstak van de Unie kan verwachten wanneer geen invoer met subsidiëring plaatsvindt. Bijgevolg wordt het argument voor de verlaging van de streefwinst afgewezen.

203. Gezien de gecorrigeerde onderbiedingsberekening, als vermeld in de overwegingen 108, 109 en 110, zijn de overeenkomstige schademarges als volgt:

Land | Schademarge |

Iran | 16,7% |

Pakistan | 14,1% |

VAE | 17,5% |

204. Definitieve maatregelen

205. Gezien de definitieve conclusies die zijn bereikt in verband met subsidiëring, schade, oorzakelijk verband en belang van de Unie en overeenkomstig artikel 15, lid 1, van de basisverordening wordt geoordeeld dat een definitief compenserend recht op het betrokken product van oorsprong uit Iran, Pakistan en de Verenigde Arabische Emiraten moet worden ingesteld dat volgens de regel van het laagste recht gelijk moet zijn aan de subsidiemarge of aan de schademarge indien deze lager is.

206. In het licht van het voorgaande en overeenkomstig artikel 12, lid 1, van de basisverordening wordt geoordeeld dat het definitieve compenserende recht dat op de invoer van oorsprong uit Iran moet worden ingesteld, gelijk moet zijn aan de vastgestelde schademarge, terwijl het definitieve compenserende recht op de invoer van oorsprong uit Pakistan en de Verenigde Arabische Emiraten gelijk moet zijn aan de vastgestelde subsidiemarge.

207. Er zij aan herinnerd dat de kosten en prijzen van pet binnen relatief korte perioden aanzienlijk fluctueren. Het werd derhalve passend geacht rechten in te stellen in de vorm van een bepaald bedrag per ton. Dit bedrag werd verkregen door het compenserende recht toe te passen op de cif-uitvoerprijzen die bij de berekening in de parallelle antidumpingprocedure werden gebruikt.

208. Op grond van het voorgaande zijn de voorgestelde compenserende rechten, uitgedrukt in de cif-prijs grens Unie, vóór inklaring, als volgt:

Land | Totale subsidiemarge | Schademarge | Definitief compenserend recht |

% | Bedrag (euro/t) |

Iran | 51,8% | 16,7% | 16,7% | 139,70 |

Pakistan | 5,1% | 14,1% | 5,1% | 44,02 |

VAE | 5,1% | 17,5% | 5,1% | 42,34 |

209. Verzoeken in verband met de toepassing van individuele compenserende rechten voor bepaalde ondernemingen (bv. na een naamswijziging van de entiteit of na de oprichting van nieuwe productie- of verkoopmaatschappijen) dienen onverwijld aan de Commissie[6] te worden gericht, onder opgave van alle relevante gegevens, met name indien de naamswijziging of de oprichting van nieuwe productie- of verkoopmaatschappijen verband houdt met wijzigingen in de activiteiten van de onderneming op het gebied van de productie en de verkoop in binnen- en buitenland. Indien het verzoek gerechtvaardigd is, zal de verordening dienovereenkomstig worden gewijzigd door bijwerking van de lijst van ondernemingen waarvoor een individueel recht geldt.

210. Verbintenissen

211. Na de mededeling van de belangrijkste feiten en overwegingen op basis waarvan de instelling van definitieve antisubsidiemaatregelen zou worden aanbevolen, bood de Iraanse producent-exporteur een prijsverbintenis aan overeenkomstig artikel 13, lid 1, van de basisverordening.

212. Het aanbod werd onderzocht en gezien het feit dat de prijzen voor de afzonderlijke productsoorten aanzienlijk verschillen, werd geconcludeerd dat de enige aangeboden minimuminvoerprijs (MIP) niet garandeerde dat de schadelijke subsidiëring voor alle producten werd opgeheven. Verder bleek de aangeboden MIP te laag te zijn.

213. Er werd ook vastgesteld dat de Iraanse medewerkende producent-exporteur het betrokken product en andere producten aan de EU uitsluitend verkoopt via een verbonden handelsonderneming die een groot aantal door verscheidene ondernemingen vervaardigde producten uitvoert. Deze verkoopstructuur houdt een zeer groot risico van kruiscompensatie in, aangezien aan een verbintenis onderworpen pet tezamen met andere producten aan dezelfde afnemers zou kunnen worden verkocht en de prijzen voor verscheidene aan dezelfde klant verkochte producten zeer gemakkelijk zouden kunnen worden gecompenseerd of verrekend. Uit publiek toegankelijke bronnen blijkt ten slotte ook dat in Iran ten minste nog één andere petproducent bestaat. Gezien de bovenvermelde verkoopstructuur is het door deze situatie zeer twijfelachtig of de instellingen en de douaneautoriteiten ervoor kunnen zorgen dat alleen pet van de medewerkende producent-exporteur overeenkomstig de bepalingen van de verbintenis wordt verkocht, aangezien het product een basisproduct is en gemakkelijk inwisselbaar is in die zin dat bij die basisproducten de producent niet duidelijk fysisch te herkennen is.

214. Op grond van het voorgaande werd geconcludeerd dat een dergelijke verbintenis onpraktisch was en daarom niet kan worden aanvaard. De partij werd dienovereenkomstig geïnformeerd en werd in de gelegenheid gesteld om opmerkingen in te dienen. Haar opmerkingen hebben echter bovengenoemde conclusie niet veranderd.

215. DEFINITIEVE INNING VAN HET VOORLOPIGE RECHT

216. Wegens de hoogte van de vastgestelde compenserende subsidies en de ernst van de schade die de bedrijfstak van de Unie heeft geleden, wordt het noodzakelijk geacht de bedragen die als zekerheid zijn gesteld door middel van het bij de voorlopige verordening ingestelde voorlopige recht, definitief te innen tot het bedrag van de ingestelde definitieve rechten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1. Er wordt een definitief compenserend recht ingesteld op polyethyleentereftalaat met een viscositeitsgetal van 78 ml/g of meer volgens ISO-norm 1628-5, momenteel ingedeeld onder GN-code 3907 60 20, van oorsprong uit Iran, Pakistan en de Verenigde Arabische Emiraten.

2. Het definitieve compenserende recht dat van toepassing is op de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring, van de in lid 1 genoemde producten is als volgt:

Land | Compenserend recht (euro/ton) |

Iran: alle ondernemingen | 139,70 |

Pakistan: alle ondernemingen | 44,02 |

Verenigde Arabische Emiraten: alle ondernemingen | 42,34 |

3. Indien goederen zijn beschadigd voordat zij in het vrije verkeer worden gebracht en de werkelijk betaalde of te betalen prijs dientengevolge overeenkomstig artikel 145 van Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek[7] voor het bepalen van de douanewaarde verhoudingsgewijze wordt verlaagd, wordt het bedrag van het definitieve compenserende recht, berekend op basis van voornoemde bedragen, verlaagd met een percentage dat overeenstemt met de verhoudingsgewijze verlaagde werkelijk betaalde of te betalen prijs.

4. Tenzij anders vermeld zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing.

Artikel 2

De bedragen die als zekerheid zijn gesteld door middel van het bij Verordening (EU) nr. 473/2010 van de Commissie ingestelde voorlopige recht op polyethyleentereftalaat met een viscositeitsgetal van 78 ml/g of meer volgens ISO-norm 1628-5, van oorsprong uit Iran, Pakistan en de Verenigde Arabische Emiraten en momenteel ingedeeld onder GN-code 3907 60 20, worden definitief geïnd tot het bedrag van het overeenkomstig artikel 1 ingestelde definitieve recht. De bedragen die als zekerheid zijn gesteld en die het bedrag van het definitieve compenserende recht overschrijden, worden vrijgegeven.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie .

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, op […]

Voor de Raad

De voorzitter [

[1] PB L 188 van 18.7.2009, blz. 93.

[2] PB L 134 van 1.6.2010, blz. 25.

[3] PB L 134 van 1.6.2010, blz. 4.

[4] Zie bijvoorbeeld Verordening (EG) nr. 713/2005 van de Raad, PB L 121 van 13.5.2005, blz. 1; Verordening (EG) nr. 1176/2008 van de Raad, PB L 319 van 29.11.2008, blz. 1.

[5] Zaak T-210/95 European Fertilizer Manufacturers' Association (EFMA) tegen Raad van de Europese Unie, Jurispr. 1999, blz. II-3291.

[6] Europese Commissie, Directoraat-generaal Handel, Directoraat H, Kamer N105 04/092, 1049 Brussel, België.

[7] PB L 253 van 11.10.1993, blz. 1.