52010PC0273

Voorstel voor een Verordening (EU) nr. …/… van het Europees Parlement en de Raad tot uitvoering van artikel 10 van het VN-protocol inzake vuurwapens en tot vaststelling van maatregelen betreffende uitvoervergunningen voor vuurwapens, hun onderdelen, componenten en munitie en betreffende de invoer en doorvoer ervan SEC(2010)663 SEC(2010)662 /* COM/2010/0273 def. - COD 2010/0147 */


[pic] | EUROPESE COMMISSIE |

Brussel, 31.5.2010

COM(2010)273 definitief

2010/0147 (COD)

Voorstel voor een

VERORDENING (EU) nr. …/… VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot uitvoering van artikel 10 van het VN-protocol inzake vuurwapens en tot vaststelling van maatregelen betreffende uitvoervergunningen voor vuurwapens, hun onderdelen, componenten en munitie en betreffende de invoer en doorvoer ervan

SEC(2010)663 SEC(2010)662

TOELICHTING

ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

- Motivering en doel van het voorstel

De Unie moet in het bijzonder maatregelen nemen om de bepalingen van het 'Protocol tegen de illegale vervaardiging van en handel in vuurwapens, hun onderdelen, componenten en munitie [1] , tot aanvulling van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad' (hierna "het VN-protocol inzake vuurwapens" of "UNFP" genoemd) verder om te zetten in EU-wetgeving (voorheen Gemeenschapswetgeving[2]).

In haar mededeling van 18 juli 2005 betreffende maatregelen ter verbetering van de veiligheid met betrekking tot explosieven, ontstekers, benodigdheden om bommen te maken en vuurwapens[3] heeft de Commissie duidelijk gemaakt dat de door haar beoogde uitvoering van artikel 10 van het UNFP noodzakelijk was als onderdeel van de algemene omzettingswerkzaamheden[4] waardoor de Commissie haar verplichting zou kunnen nakomen om een voorstel in te dienen om namens de Unie het UNFP te sluiten, hetgeen een van de belangrijkste doelstellingen is van het huidige beleid van de Commissie inzake vuurwapens.

Dit wetgevingsvoorstel heeft als doel die werkzaamheden te voltooien door de relevante bepalingen van artikel 10 UNFP over ‘ Algemene vereisten voor vergunning- of autorisatiestelsels met betrekking tot uitvoer, invoer en doorvoer’ om te zetten .

- Algemene context

Na daartoe door de Raad te zijn gemachtigd, heeft de Commissie namens de Europese Gemeenschap onderhandeld over de artikelen van het UNFP die onder de bevoegdheid van de Gemeenschap vallen en het daarna namens de Europese Gemeenschap op 16 januari 2002 ondertekend[5].

Het actieplan van de Raad en de Commissie ter uitvoering van het Haags Programma voor de versterking van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht in de Europese Unie[6] bevat als relevante actie onder meer een voorstel voor de sluiting — namens de Europese Gemeenschap — van het VN-protocol inzake vuurwapens. De opvolger van dat programma, het programma van Stockholm voor " een open en veilig Europa ten dienste en ter bescherming van de burger "[7], vermeldt wapenhandel als een van de illegale activiteiten die een bedreiging blijven voor de interne veiligheid van de EU en bevestigt dat de Unie de ratificatie van internationale verdragen (en de bijbehorende protocollen) moet blijven bevorderen, met name die welke in het kader van de Verenigde Naties zijn ontwikkeld.

Artikel 207 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU)[8] vormt de rechtsgrondslag voor het onderhavige voorstel (gemeenschappelijke handelspolitiek, een exclusieve bevoegdheid van de Unie overeenkomstig artikel 3 VWEU, waaronder artikel 10 UNFP valt). Het voorstel is alleen van toepassing op vuurwapens, hun onderdelen, essentiële componenten en munitie voor civiel gebruik en niet op vuurwapens die specifiek voor militair gebruik zijn bestemd. Krachtens artikel 207 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie wordt de gemeenschappelijke handelspolitiek gegrond op eenvormige beginselen, met name wat de uitvoerpolitiek betreft. Het is derhalve dienstig een gemeenschappelijke regeling voor uitvoer uit de Unie tot stand te brengen.

Dit voorstel heeft alleen betrekking op handel in/overbrenging van vuurwapens naar derde landen en bijgevolg niet op intracommunautaire overbrenging van vuurwapens, hun onderdelen, essentiële componenten en munitie.

- Bestaande bepalingen op het door het voorstel bestreken gebied

Er bestaan geen EU-bepalingen op het door het voorstel bestreken gebied (gemeenschappelijke handelspolitiek)[9].

- Samenhang met andere beleidsgebieden en doelstellingen van de Unie

De sluiting van het UNFP door de Europese Unie is nog niet afgehandeld en vormt een internationale verbintenis voor de EU. Deze actie sluit aan bij het huidige EU-beleid inzake maatregelen ter bestrijding van grensoverschrijdende misdaad, in het kader waarvan de bestrijding van illegale handel in vuurwapens wordt opgevoerd — met inbegrip van uitvoercontrole en tracering — en inzake maatregelen gericht op het beperken van de proliferatie en verspreiding van handwapens in de wereld.

RESULTATEN VAN DE RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELING

- Raadpleging van belanghebbenden

Wijze van raadpleging, belangrijkste geraadpleegde sectoren en algemeen profiel van de respondenten

De belanghebbenden werden geraadpleegd door middel van vragenlijsten en uitnodigingen voor bijeenkomsten die waren gericht aan lidstaten en particuliere belanghebbenden (vertegenwoordigers van Europese verenigingen van fabrikanten van vuurwapens en munitie voor civiel gebruik, actoren uit de civiele wapenhandel, jagers, verzamelaars, ngo's, onderzoeksinstellingen, etc.), het openen van een specifiek e-mailadres (JLS-FIREARMS@ec.europa.eu) voor permanent overleg en een externe studie ter ondersteuning van het opstellen van een effectbeoordeling. Binnen de Commissie werd bovendien een 'interdienstengroep' opgericht.

Samenvatting van de reacties en hoe daarmee rekening is gehouden

De lidstaten en ngo's waren het er over eens dat de uitvoering van artikel 10 nuttig zou zijn om te voorkomen dat de handel in vuurwapens van de legale markt naar de illegale markt verhuist. De particuliere belanghebbenden betoogden dat de lidstaten al strenge regels hadden over dit aspect en waren bezorgd over eventuele negatieve gevolgen voor kleine en middelgrote ondernemingen. Vele particuliere belanghebbenden vreesden in het bijzonder dat de maatregelen inzake doorvoer en de eventuele niet-medewerking van een staat van doorvoer alle procedures zouden kunnen vertragen. Alle particuliere belanghebbenden waren van oordeel dat voor tijdelijke uitvoer of invoer van vuurwapens vereenvoudigde procedures moeten worden gebruikt. Er was geen consensus over de activiteiten waarop de vereenvoudigde procedures moeten worden toegepast. Volgens sommige lidstaten en ngo's moeten de vereenvoudigde procedures beperkt blijven tot jagers en sportschutters (terwijl het UNFP ook andere activiteiten in aanmerking neemt zoals tentoonstellingen of reparaties). Vergunningen voor meerdere zendingen en een maximale duur voor de verwerking van vergunningsaanvragen werden door particulieren en ngo's als een voordeel aangemerkt.

De Commissie heeft rekening gehouden met de standpunten van de publieke en de particuliere belanghebbenden. Dit voorstel heeft als doel enerzijds de veiligheid en effectiviteit en anderzijds de doelmatigheid te vergroten. De combinatie van beide aspecten is ook gebaseerd op de resultaten van de raadpleging van de belanghebbenden.

- Bijeenbrengen en benutten van deskundigheid

Betrokken wetenschaps- en kennisgebieden

Artikel 10 van het VN-protocol inzake vuurwapens maakt deel uit van een internationaal instrument waarvan de bepalingen vroeger reeds door de Gemeenschap werden goedgekeurd tijdens de onderhandelingen en later ook door de ondertekening van het protocol.

Gebruikte methode

Vragenlijst voor de lidstaten en particuliere belanghebbenden en ngo's, twee afzonderlijke bijeenkomsten met vertegenwoordigers van de lidstaten en particuliere belanghebbenden, vragenlijsten in verband met een externe studie, het openen van een specifiek e-mailadres (JLS-FIREARMS@ec.europa.eu) voor permanent overleg.

Belangrijkste geraadpleegde organisaties en deskundigen

De vragenlijst en de uitnodigingen voor bijeenkomsten werden toegezonden aan de relevante nationale instanties, vertegenwoordigers van Europese verenigingen van fabrikanten van vuurwapens en munitie voor civiel gebruik, actoren uit de civiele wapenhandel, jagers, verzamelaars, ngo's, onderzoeksinstellingen en andere Europese verenigingen (Kamers van koophandel; Industrie; Ambacht en Midden- en Kleinbedrijf).

Samenvatting van de ingewonnen en benutte adviezen

Naast hetgeen onder ‘Samenvatting van de reacties en hoe daarmee rekening is gehouden’ is vermeld, zijn ook de volgende punten het vermelden waard.

Tijdens de raadpleging werd als oplossing voorgesteld uit te gaan van stilzwijgende instemming voor de maatregelen inzake doorvoer. De particuliere belanghebbenden waren daar voorstander van terwijl sommige lidstaten en ngo's ertegen waren.

Er was in wezen eensgezindheid over het feit dat de kosten voor het verkrijgen van de vereiste gegevens (invoervergunning en verklaring van niet-bezwaar tegen de doorvoer) ten laste van de particulieren moeten komen.

Ook werd voorgesteld dat jagers en sportschutters de Europese vuurwapenpas en een officiële uitnodiging voor een evenement buiten de EU zouden kunnen gebruiken.

Dit voorstel houdt in het bijzonder rekening met de behoefte aan vereenvoudigde maatregelen voor tijdelijke uitvoer en aan het beperken van de eventuele negatieve gevolgen van door het UNFP vereiste maatregelen inzake doorvoer, door met name onder bepaalde voorwaarden gebruik te maken van het systeem van stilzwijgende instemming, door in meervoudige vergunningen voor meerdere transporten te voorzien en door een maximale duur vast te stellen voor de procedure voor de afgifte van vergunningen. Tegelijk houdt dit voorstel ook rekening met de bestaande praktijken van de lidstaten.

Wijze waarop het deskundigenadvies beschikbaar is gemaakt voor het publiek

De effectbeoordeling die dit voorstel vergezelt.

- Effectbeoordeling

In de effectbeoordeling die dit voorstel vergezelt, werden vier beleidsopties ontwikkeld.

Beleidsoptie 1 bestond erin dat de EU geen actie zou ondernemen. Dit werd als een louter theoretische optie aangemerkt, gelet op de internationale juridische verbintenis die de Gemeenschap (nu de Unie) is aangegaan door het protocol te ondertekenen aan de ene kant, en het ontbreken van eenvormige beginselen op een terrein dat onder de gemeenschappelijke handelspolitiek valt, die een exclusieve bevoegdheid van de Unie is, aan de andere kant.

De drie andere beleidsopties werden geselecteerd naargelang hun klemtoon op veiligheid of doelmatigheid, waarbij doelmatigheid betekent: de mate waarin doelstellingen kunnen worden bereikt met bepaalde middelen of tegen zo laag mogelijke kosten. In dit geval betekent doelmatigheid dat de kosten voor particulieren en nationale administraties tot een minimum worden beperkt.

Beleidsoptie 2 was erop gericht zo goed mogelijk de doelstelling te bereiken, bij te dragen tot meer veiligheid bij de uitvoer, invoer en doorvoer van vuurwapens voor civiel gebruik en elke onttrekking aan de legale markt te voorkomen.

Beleidsoptie 3 was gericht op een voor particuliere belanghebbenden doelmatige tenuitvoerlegging van artikel 10 UNFP.

Bij beleidsoptie 4 lag de klemtoon op de doelmatigheid voor nationale administraties.

De voorkeur ging uit naar optie 3, die in dit voorstel haar weerslag vindt. De optie beantwoordt aan de doelstelling om artikel 10 UNFP op de meest omvattende manier uit te voeren en is de beste manier om vooruitgang te boeken door de dwingende bepalingen — aangepast aan het type producten (voor civiel gebruik) — te combineren met de facultatieve bepalingen, hetgeen tegemoetkomt aan de legitieme verwachtingen van de belanghebbenden.

In die optie worden verschillende aspecten van de verschillende beleidsopties gecombineerd op basis van de belangrijkste voor- en nadelen ervan, met het oog op het vergroten van de doelmatigheid en de effectiviteit. Deze combinatie van effectiviteit/veiligheid en doelmatigheid lijkt de betrokken belangengroepen de grootste voordelen te kunnen bieden en is — onder meer — gebaseerd op de resultaten van de raadpleging van de belanghebbenden.

De voorgestelde vereenvoudigde procedure voor tijdelijke uitvoer voor ‘verifieerbare legale doeleinden’ en met name de voorgestelde maatregelen inzake doorvoer zullen de eventuele administratieve kosten beperken voor de legale doeleinden die in het UNFP zelf zijn opgesomd.

Wat de specifieke kwestie van de voorgestelde stilzwijgende instemming betreft, dit systeem werd uitgewerkt om een evenwicht te bereiken tussen het belang van een snellere procedure (economisch belang) en dat van het garanderen van een haalbare termijn waarbinnen de staat van doorvoer kan reageren (veiligheid).

JURIDISCHE ELEMENTEN VAN HET VOORSTEL

- Samenvatting van de voorgestelde maatregel

Artikel 10 UNFP over " Algemene vereisten voor vergunning- of autorisatiestelsels met betrekking tot uitvoer, invoer en doorvoer " bepaalt: " Elke staat die partij is, creëert of handhaaft een effectief vergunning- of autorisatiestelsel voor uitvoer en invoer, alsmede voor maatregelen betreffende de internationale doorvoer, voor de overdracht van vuurwapens, hun onderdelen, componenten en munitie " waardoor het toezicht op de overbrenging verbetert en een betere rechtshandhaving mogelijk wordt.

Artikel 10 UNFP is gebaseerd op het beginsel dat vuurwapens en aanverwante producten niet van één staat naar een andere mogen worden overgebracht zonder dat alle betrokken staten daarvan op de hoogte zijn en daarmee instemmen. Vuurwapens mogen niet worden uitgevoerd naar of door landen die de overbrenging niet hebben toegestaan. De inhoud van de voor legale in- en uitvoer gebruikte documenten moet tracering mogelijk maken. Naast de reeds vermelde dwingende bepalingen, biedt artikel 10 UNFP de partijen ook de mogelijkheid vereenvoudigde procedures vast te stellen voor tijdelijke uitvoer, invoer en doorvoer van kleine aantallen vuurwapens ten behoeve van ' verifieerbaar legale doeleinden' zoals recreatief gebruik, tentoonstellingen of reparaties. Deze laatste worden hierna 'de facultatieve bepalingen' genoemd.

Hoofdstuk I van dit voorstel behandelt ‘doel, definities en toepassingsgebied’. De definities (artikel 2) houden — in voorkomend geval — rekening met de parallelle bepalingen van het UNFP, maar zijn duidelijkheidshalve toegesneden op of refereren aan andere bestaande EU-wetgeving: de definities van de vuurwapens, hun onderdelen, essentiële componenten en munitie zijn een weerspiegeling van die uit Richtlijn 91/477 of er wordt rechtstreeks naar het communautair douanewetboek verwezen. In artikel 3 worden de specifieke uitzonderingsgevallen opgesomd waarop de verordening niet van toepassing is.

Hoofdstuk II heeft betrekking op ‘uitvoervergunning, procedures en controle’. De betrokken artikelen betreffen de omzetting in EU recht van de begrippen die artikel 10 UNFP dwingend voorschrijft. In artikel 4 is de algemene verplichting opgenomen om een uitvoervergunning verplicht te stellen, wordt verwezen naar de lijst van producten waarop het voorstel van toepassing is (als bijlage bij het voorstel) en wordt in de bijwerking van die lijst voorzien. De artikelen 5 en 6 betreffende de voorwaarden voor de afgifte van de uitvoervergunning bevatten ook een aantal mitigerende maatregelen, die voortvloeien uit het advies dat belanghebbenden tijdens de raadpleging hebben gegeven, zoals: de maximumtermijn voor de behandeling van een vergunningsaanvraag, het mogelijke gebruik van elektronische documenten en de stilzwijgende instemming voor doorvoer. De artikelen 11 en 12 hebben respectievelijk betrekking op de overeenkomstige bepalingen van artikel 10, leden 4 en 5, UNFP over de verificaties in het kader van de vergunningsprocedure. Artikel 7 voorziet in vereenvoudigde procedures voor tijdelijke uitvoer voor verifieerbare legale doeleinden, en geeft op die manier uitvoering aan de niet-bindende bepaling van artikel 10, lid 6, UNFP. Dit hoofdstuk bevat ook bepalingen over algemene criteria waarmee lidstaten rekening moeten houden wanneer zij een aanvraag voor een uitvoervergunning onderzoeken (artikelen 8 en 9) en over bevoegdheden van nationale bevoegde instanties (artikel 13), die gelijkaardig zijn aan die welke in andere wetgeving over handelspolitiek zijn neergelegd, namelijk de verordening goederen voor tweeërlei gebruik[10]. Artikel 10 handelt over de noodzaak aan registratie. Artikel 14 bevat een standaardbepaling over sancties.

Hoofdstuk III over ‘douaneregelingen’ (artikelen 15 en 16) en hoofdstuk IV over ‘administratieve samenwerking’ (artikel 17) bevatten standaardbepalingen die gebruikelijk zijn in een instrument over handelspolitiek.

Hoofdstuk V bevat 'algemene en slotbepalingen". Naast de oprichting van een coördinatiegroep (artikel 18), bevat het onder meer een evaluatiebepaling (artikel 19, lid 3) en bepalingen over de inwerkingtreding van de verordening (artikel 20).

- Rechtsgrondslag

Artikel 207 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

- Subsidiariteitsbeginsel

Het voorstel betreft een gebied dat onder de exclusieve bevoegdheid van de Unie valt. Het subsidiariteitsbeginsel is derhalve niet van toepassing.

- Evenredigheidsbeginsel

Het voorstel is om de volgende reden(en) in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel.

De evenredigheid is gewaarborgd door de inhoud van de voorgestelde optie te beperken tot de bepalingen van artikel 10 UNFP, die vroeger reeds door de EU werden goedgekeurd tijdens de onderhandelingen over het protocol. Algemeen genomen gaat dit voorstel niet verder dan nodig is om de doelstelling te verwezenlijken. Naast de standaardbepalingen in verband met de handelspolitiek, geeft dit voorstel, om rekening te houden met de bezorgdheid en de opmerkingen van de particuliere belanghebbenden, uitvoering aan de facultatieve bepalingen van artikel 10 UNFP en bevat het ook andere bepalingen die als doel hebben de kosten van administratieve regels te verminderen, met name die welke op de maatregelen inzake doorvoer betrekking hebben.

- Keuze van instrumenten

Voorgesteld instrument: verordening.

Andere instrumenten zouden niet geschikt zijn. Een verordening is het wetgevingsinstrument waarin artikel 207, lid 2, voorziet voor de handelspolitiek.

GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING

Het voorstel heeft geen gevolgen voor de EU-begroting.

AANVULLENDE INFORMATIE

- Evaluatie-/herzienings-/vervalbepaling

Het voorstel bevat een evaluatiebepaling.

2010/0147 (COD)

Voorstel voor een

VERORDENING (EU) nr. …/… VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van […]

tot uitvoering van artikel 10 van het VN-protocol inzake vuurwapens en tot vaststelling van maatregelen betreffende uitvoervergunningen voor vuurwapens, hun onderdelen, componenten en munitie en betreffende de invoer en doorvoer ervan

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name op artikel 207,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het voorstel voor een wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

1. Overeenkomstig Besluit 2001/748/EG van de Raad van 16 oktober 2001[11] betreffende de ondertekening namens de Europese Gemeenschap[12] van het Protocol betreffende de bestrijding van illegale vervaardiging van en handel in vuurwapens, onderdelen daarvan en munitie, gehecht aan het Verdrag van de Verenigde Naties ter bestrijding van grensoverschrijdende georganiseerde criminaliteit, heeft de Commissie dat protocol (hierna "het VN-protocol inzake vuurwapens" of "UNFP" genoemd) namens de Gemeenschap ondertekend op 16 januari 2002.

2. Het VN-protocol inzake vuurwapens, dat als doel heeft de samenwerking tussen de staten die partij zijn te bevorderen, te vergemakkelijken en te intensiveren ten behoeve van de preventie, bestrijding en uitbanning van de illegale vervaardiging van en handel in vuurwapens, hun onderdelen, componenten en munitie, is op 3 juli 2005 in werking getreden.

3. Teneinde de tracering van vuurwapens te vergemakkelijken en de illegale handel in vuurwapens, onderdelen daarvan en munitie doelmatig te kunnen bestrijden, moet de uitwisseling van informatie tussen lidstaten worden verbeterd.

4. Persoonsgegevens moeten worden verwerkt volgens de regels neergelegd in Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens[13] en in Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens[14].

5. In haar mededeling betreffende maatregelen ter verbetering van de veiligheid met betrekking tot explosieven, ontstekers, benodigdheden om bommen te maken en vuurwapens[15] heeft de Commissie meegedeeld dat zij voornemens was om artikel 10 UNFP uit te voeren als onderdeel van de maatregelen die moeten worden genomen om de Unie in staat te stellen dat protocol te sluiten.

6. Het VN-protocol inzake vuurwapens verlangt met name van alle partijen dat zij administratieve procedures of systemen vaststellen of verbeteren om de vervaardiging, de markering, de invoer en de uitvoer van vuurwapens doeltreffend te controleren.

7. Naleving van het VN-protocol inzake vuurwapens vereist ook dat het illegaal verhandelen van vuurwapens, hun onderdelen, componenten of munitie strafbaar wordt gesteld en dat maatregelen worden genomen om verbeurdverklaring mogelijk te maken.

8. Deze verordening is niet van toepassing op vuurwapens, hun onderdelen, essentiële componenten of munitie die specifiek voor militair gebruik zijn bestemd. Aan de vereisten van artikel 10 van het VN-protocol inzake vuurwapens moet op passende wijze worden voldaan door in vereenvoudigde procedures te voorzien voor vuurwapens voor civiel gebruik. Derhalve moet worden gezorgd voor een zekere soepelheid met betrekking tot vergunningen voor meerdere transporten, maatregelen inzake doorvoer en tijdelijke uitvoer voor legale doeleinden.

9. Deze verordening doet geen afbreuk aan de toepassing van artikel 346 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, dat verwijst naar de wezenlijke belangen van de veiligheid van de lidstaten en heeft geen gevolgen voor Richtlijn 2009/43/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de vereenvoudiging van de voorwaarden voor de overdracht van defensiegerelateerde producten binnen de Gemeenschap[16]. Bovendien is het VN-protocol inzake vuurwapens en dus ook deze verordening niet van toepassing op transacties tussen staten onderling of op de overbrenging tussen staten in de gevallen waarin de toepassing van het protocol het recht zou aantasten van een staat die partij is om, in het belang van de nationale veiligheid maatregelen te nemen die met het Handvest van de Verenigde Naties verenigbaar zijn.

10. Richtlijn 91/477/EEG van de Raad van 18 juni 1991 inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens[17] behandelt de overbrenging van vuurwapens voor civiel gebruik op het grondgebied van de Unie terwijl deze verordening betrekking heeft op maatregelen inzake de overbrenging vanuit de Europese Unie naar of door derde landen.

11. Vuurwapens, hun onderdelen en essentiële componenten en munitie, indien geïmporteerd uit derde landen, vallen onder de EU-wetgeving en met name onder de voorschriften van Richtlijn 91/477/EEG van de Raad.

12. De samenhang moet worden gewaarborgd met de krachtens de EU-wetgeving geldende bepalingen inzake registratie.

13. Om de correcte toepassing van deze verordening te waarborgen, dient elke lidstaat maatregelen te nemen om de bevoegde instanties passende bevoegdheden te verlenen.

14. Teneinde een snel optreden mogelijk te maken, dient de Commissie te worden gemachtigd om de lijst van vuurwapens, hun onderdelen, essentiële componenten en munitie waarvoor op grond van deze verordening een vergunning is vereist, te beheren en te wijzigen in geval van een latere wijziging van bijlage I van Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief[18] .

15. De Unie heeft een corpus douanevoorschriften vastgesteld in Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek[19] en de uitvoeringsbepalingen daarvan, zoals vervat in Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie[20]. Er moet ook rekening worden gehouden met Verordening (EG) nr. 450/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (gemoderniseerd douanewetboek)[21] waarvan de bepalingen volgens artikel 188 gefaseerd van toepassing zijn. De onderhavige verordening laat de uit het communautair douanewetboek en de uitvoeringsbepalingen daarvan voortvloeiende bevoegdheden onverlet.

16. De lidstaten moeten regels vaststellen inzake sancties wegens inbreuken op de bepalingen van deze verordening en erop toezien dat deze regels worden uitgevoerd. Deze sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

17. Deze verordening doet geen afbreuk aan de in Verordening (EG) nr. 428/2009 van de Raad van 5 mei 2009 vastgestelde EU-regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik[22].

18. De Commissie en de lidstaten dienen elkaar in kennis te stellen van de maatregelen die uit hoofde van deze verordening worden genomen, alsmede van andere relevante informatie waarover zij in verband met deze verordening beschikken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

DOEL, DEFINITIES EN TOEPASSINGSGEBIED

Artikel 1

Bij deze verordening worden voorschriften vastgesteld betreffende uitvoergunningen voor vuurwapens, hun onderdelen, essentiële componenten en munitie en maatregelen inzake de invoer en doorvoer ervan, ter uitvoering van artikel 10 van het Protocol van de Verenigde Naties tegen de illegale vervaardiging van en handel in vuurwapens, hun onderdelen, componenten en munitie, tot aanvulling van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad (hierna "het VN-protocol inzake vuurwapens" genoemd)".

Artikel 2

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

19. "vuurwapen": een draagbaar, van een loop voorzien wapen waarmee door explosieve voortstuwing een lading, een kogel of een projectiel wordt uitgestoten, dat daartoe is ontworpen of daartoe kan worden omgebouwd.

Een object wordt geacht te kunnen worden omgebouwd zodat door middel van explosieve voortstuwing een lading, kogel of projectief kan worden uitgestoten wanneer:

— het qua vormgeving gelijk is aan een vuurwapen en

— ingevolge zijn constructie of het materiaal waarvan het is gemaakt aldus kan worden omgebouwd;

20. "onderdelen en essentiële componenten": elk voorwerp of vervangend voorwerp dat speciaal is ontworpen voor een vuurwapen en essentieel is voor de werking daarvan, met inbegrip van een loop, kast of magazijn, slede of cilinder, grendel of afsluiter, en elke voorziening die is ontworpen of aangepast om het geluid dat door het afvuren van een vuurwapen wordt veroorzaakt, te dempen.

Onder "essentieel component" wordt verstaan het sluitingsmechanisme, de kamer en de loop van vuurwapens die, als afzonderlijke voorwerpen, vallen onder de categorie waarin het vuurwapen waarvan zij deel uitmaken of waarvoor zij bestemd zijn, is ingedeeld.

21. "munitie": het gehele stuk of zijn componenten, met inbegrip van patroonhouder, slaghoedje, voortstuwingskruit, kogels en projectielen, die worden gebruikt in een vuurwapen voor zover deze componenten zelf onderworpen zijn aan vergunningen in de desbetreffende lidstaat;

22. "onbruikbaar gemaakte vuurwapens": voorwerpen die onder de definitie van vuurwapen vallen die voorgoed onbruikbaar zijn gemaakt door een neutralisatie die inhoudt dat alle essentiële onderdelen van het vuurwapen voorgoed onbruikbaar zijn gemaakt en onmogelijk zodanig verwijderd, vervangen of aangepast kunnen worden dat het wapen op enigerlei wijze opnieuw gebruiksklaar zou kunnen worden gemaakt;

23. "uitvoer":

(i) een uitvoerregeling overeenkomstig artikel 161 van Verordening (EEG) nr. 2913/92;

(ii) een wederuitvoer in de zin van artikel 182 van Verordening (EEG) nr. 2913/92, maar met uitsluiting van producten in doorvoer;

24. "exporteur": elke natuurlijke persoon of rechtspersoon namens wie een aangifte ten uitvoer wordt gedaan, d.w.z. de persoon die op het tijdstip dat de aangifte wordt aanvaard, het contract met de ontvanger in het derde land heeft en die het recht heeft te beslissen dat het product naar een bestemming buiten het douanegebied van de Unie wordt verzonden. Indien geen uitvoercontract is gesloten of indien de houder van het contract niet namens zichzelf handelt, wordt onder de exporteur de persoon verstaan die het recht heeft om te beslissen het product naar een bestemming buiten het douanegebied van de Unie te verzenden;

Indien het recht over de vuurwapens, hun onderdelen, essentiële componenten en munitie te beschikken, toekomt aan een persoon die blijkens het contract waarop de uitvoer berust, buiten de Unie is gevestigd, wordt de exporteur geacht de in de Unie gevestigde contracterende partij te zijn;

25. "douanegebied van de Unie": het in artikel 3 van Verordening (EEG) nr. 2913/92 bedoelde gebied;

26. "aangifte ten uitvoer": de handeling waarmee een persoon in de vorm en op de wijze die zijn voorgeschreven, de wens te kennen geeft vuurwapens, hun onderdelen, essentiële componenten en munitie onder een uitvoerregeling te brengen;

27. "tijdelijke uitvoer": de overbrenging van vuurwapens, waarbij deze het douanegebied van de Unie verlaten en voor wederinvoer zijn bestemd.

28. "doorvoer": het vervoer van goederen die het douanegebied van de Unie verlaten, over het grondgebied van een of meer derde landen met een eindbestemming in een ander derde land;

29. "overlading": doorvoer waarbij goederen uit de invoerende transportmiddelen worden gelost en in het algemeen worden overgeladen in een ander transportmiddel;

30. "uitvoervergunning": een vergunning die aan één specifieke exporteur voor één eindgebruiker of ontvanger in een derde land wordt verleend en betrekking heeft op één of meer vuurwapens, hun onderdelen en componenten en munitie;

31. "meervoudige uitvoervergunning": een vergunning voor meerdere zendingen die aan één specifieke exporteur voor dezelfde eindgebruiker of ontvanger in een derde land wordt verleend en betrekking heeft op één of meer vuurwapens, hun onderdelen en componenten en munitie;

32. "illegale handel": invoer, uitvoer, verkoop, aflevering, vervoer of overbrenging van vuurwapens, hun onderdelen en essentiële componenten of munitie vanaf of over het grondgebied van een lidstaat naar het grondgebied van een derde staat, waarbij:

(i) de betrokken lidstaat zulks overeenkomstig de bepalingen van deze verordening niet toestaat, of

(ii) de vuurwapens niet zijn gemarkeerd overeenkomstig artikel 4, lid 1, van Richtlijn 91/477/EEG, of

(iii) de ingevoerde vuurwapens op het ogenblik van de invoer niet zijn gemarkeerd met ten minste een eenvoudige markering, waarmee het eerste land van invoer in de EU kan worden geïdentificeerd, of, wanneer het vuurwapen geen dergelijke markering draagt, een unieke markering ter identificatie van de ingevoerde vuurwapens;

33. "traceren": het systematisch volgen van vuurwapens en, indien mogelijk, van hun onderdelen, essentiële componenten en munitie, vanaf de fabrikant tot aan de koper, met het oogmerk de bevoegde instanties van de lidstaten te helpen bij het opsporen, onderzoeken en analyseren van de illegale vervaardiging en handel.

Artikel 3

34. Deze verordening is niet van toepassing op:

35. transacties tussen staten onderling of op de overbrenging tussen staten;

36. vuurwapens, hun onderdelen, essentiële componenten en munitie die speciaal voor militair gebruik zijn ontworpen en in geen enkel geval op volautomatische vuurwapens;

37. vuurwapens, hun onderdelen, essentiële componenten en munitie die bestemd zijn voor het leger, de politie en de overheidsinstanties van de lidstaten;

38. verzamelaars en instellingen die zich bezighouden met culturele en historische aspecten van vuurwapens, hun onderdelen, essentiële componenten en munitie, en die als zodanig erkend zijn door de lidstaat waarin zij gevestigd zijn, op voorwaarde dat traceringsmaatregelen zijn genomen;

39. onbruikbaar gemaakte vuurwapens;

40. antieke vuurwapens of replica's hiervan zoals gedefinieerd overeenkomstig de nationale wetgeving, met dien verstande dat na 1899 vervaardigde vuurwapens niet onder antieke vuurwapens vallen;

41. vervoer over zee en via havens van derde landen, op voorwaarde dat er geen overlading of verandering van vervoermiddel plaatsvindt.

42. Deze verordening doet geen afbreuk aan het corpus douanevoorschriften, vastgesteld in Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad (communautair douanewetboek) en Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie (uitvoeringsbepalingen van het communautair douanewetboek), in Verordening (EG) nr. 450/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 tot vaststelling van het "gemoderniseerd douanewetboek", noch aan de regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik, vastgesteld in Verordening (EG) nr. 428/2009 van de Raad (de verordening goederen voor tweeërlei gebruik).

HOOFDSTUK II

UITVOERVERGUNNING, PROCEDURES EN CONTROLE

Artikel 4

Voor de uitvoer van de in bijlage I opgesomde vuurwapens, hun onderdelen, essentiële componenten en munitie is een uitvoervergunning of een meervoudige uitvoervergunning vereist. Een dergelijke vergunning wordt afgegeven door de bevoegde instanties van de lidstaat waar de exporteur is gevestigd of verblijft.

De Commissie wijzigt bijlage I op basis van de wijzigingen in bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief.

Artikel 5

43. Alvorens een uitvoervergunning of een meervoudige uitvoervergunning voor vuurwapens, hun onderdelen en componenten en munitie af te geven, gaat de betrokken lidstaat na of:

44. het derde land van invoer de betrokken invoervergunning heeft afgegeven, en

45. in voorkomend geval de derde landen van doorvoer — voorafgaand aan de verzending — schriftelijk kennis hebben gegeven van het feit dat zij geen bezwaar hebben tegen de doorvoer.

46. Indien binnen twintig werkdagen nadat de exporteur schriftelijk heeft verzocht of er tegen de doorvoer geen bezwaar is, geen bezwaren tegen de doorvoer worden ontvangen, wordt het geraadpleegde derde land van doorvoer geacht geen bezwaar te hebben en zijn stilzwijgende instemming met de doorvoer te hebben gegeven.

47. De exporteur bezorgt de bevoegde instantie van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de afgifte van de uitvoervergunning of meervoudige uitvoervergunning de nodige documenten om te bewijzen dat het derde land van invoer met de invoer heeft ingestemd en dat het derde land van doorvoer geen bezwaar had tegen de doorvoer of daarmee stilzwijgend heeft ingestemd.

48. De lidstaten behandelen aanvragen voor een uitvoervergunning of meervoudige uitvoervergunning binnen een volgens de nationale wetgeving of op grond van de nationale praktijk te bepalen termijn, die in elk geval niet langer mag zijn dan negentig werkdagen.

49. De lidstaten bepalen de geldigheidsduur van een uitvoervergunning of meervoudige uitvoervergunning, die niet minder dan twaalf maanden mag bedragen.

50. De lidstaten kunnen beslissen elektronische documenten te gebruiken voor de behandeling van vergunningsaanvragen.

Artikel 6

51. Met het oog op tracering bevatten de uitvoervergunning of meervoudige uitvoervergunning, en de invoervergunning en begeleidende documentatie tezamen ten minste gegevens met betrekking tot:

52. de afgifte- en vervaldata van de vergunningen;

53. de plaats van afgifte van de vergunningen;

54. het land van uitvoer;

55. het land van invoer;

56. in voorkomend geval, de derde landen van doorvoer;

57. de ontvanger;

58. de uiteindelijke ontvanger, voor zover bekend op het tijdstip van verzending;

59. een omschrijving van de vuurwapens, hun onderdelen, componenten en munitie, met vermelding van de hoeveelheid en de op de vuurwapens aangebrachte markering.

60. De in lid 1 bedoelde informatie moet, wanneer die in de invoervergunning is opgenomen, vooraf en ten laatste vóór de verzending door de exporteur aan de derde landen van doorvoer worden meegedeeld.

Artikel 7

61. De in de leden 2, 3 en 4 vastgestelde vereenvoudigde procedures zijn van toepassing op de tijdelijke uitvoer van vuurwapens ten behoeve van verifieerbare legale doeleinden, waaronder jacht, schietsport, onderzoek, tentoonstellingen en reparatie.

62. De bij deze verordening vastgestelde maatregelen inzake doorvoer zijn niet van toepassing op tijdelijke uitvoer.

63. Bij het verlaten van het douanegebied van de Unie via een grensovergang aan de buitengrens van hun lidstaat van verblijf, mogen jagers en sportschutters voor de tijdelijke uitvoer van een of meer vuurwapens tijdens een reis naar een derde land, overeenkomstig de artikelen 1 en 12 van Richtlijn 91/477/EEG de Europese vuurwapenpas voorleggen, of een nationale wapenvergunning, een nationale jachtvergunning of een ander door de bevoegde instantie van de lidstaat van verblijf afgegeven geldig nationaal document.

64. Bij het verlaten van het douanegebied van de Unie via een grensovergang aan de buitengrens van een andere lidstaat dan hun lidstaat van verblijf, mogen jagers en sportschutters voor de tijdelijke uitvoer van een of meer vuurwapens tijdens een reis naar een derde land, een overeenkomstig de artikelen 1 en 12 van Richtlijn 91/477/EEG door de bevoegde instantie van hun lidstaat van verblijf afgegeven Europese vuurwapenpas voorleggen.

De bevoegde instantie van de lidstaat waar de grensovergang aan de buitengrens van de Unie is gelegen, deelt aan de bevoegde instantie van de lidstaat van verblijf van de jager of sportschutter die de Europese vuurwapenpas heeft afgegeven, mee op welke datum de tijdelijke uitvoer heeft plaatsgevonden, hoeveel vuurwapens tijdelijk zijn uitgevoerd en wat de verwachte datum van terugkeer is, zoals door de jager of sportschutter opgegeven op het ogenblik van de tijdelijke uitvoer.

65. Jagers en sportschutters die voornemens zijn om gebruik te maken van de in de leden 3 en 4 van dit artikel bedoelde vereenvoudigde procedure, moeten de reden van hun reis kunnen aantonen, met name door een uitnodiging of door een ander bewijs voor hun jagers- of schietsportactiviteiten in het derde land van bestemming over te leggen.

Artikel 8

66. Bij hun besluit al dan niet een uitvoervergunning of een meervoudige uitvoervergunning uit hoofde van deze verordening te verlenen, houden de lidstaten rekening met alle ter zake dienende overwegingen, waaronder in voorkomend geval:

67. de verplichtingen en verbintenissen waarmee ieder van hen heeft ingestemd als partij bij de internationale regelingen inzake uitvoercontrole of door de bekrachtiging van de desbetreffende internationale verdragen;

68. hun verplichtingen in het kader van sancties uit hoofde van besluiten van de Raad of uit hoofde van een besluit van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa OVSE, dan wel krachtens een bindende resolutie van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, in het bijzonder over wapenembargo's;

69. overwegingen van nationaal buitenlands en veiligheidsbeleid, met inbegrip van overwegingen uit hoofde van Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad[23];

70. overwegingen omtrent het voorgenomen eindgebruik, de ontvanger en het onttrekkingsgevaar.

71. De lidstaten houden bij de beoordeling van een aanvraag om een meervoudige uitvoervergunning niet alleen rekening met de in lid 1 vermelde criteria, maar ook met de toepassing door de exporteur van evenredige en passende middelen en procedures om ervoor te zorgen dat de bepalingen en de doelstellingen van deze verordening en de voorwaarden van de vergunning in acht worden genomen.

Artikel 9

72. De lidstaten:

73. weigeren een uitvoervergunning of een meervoudige uitvoervergunning af te geven wanneer de natuurlijke persoon of rechtspersoon die een dergelijke vergunning aanvraagt, in het verleden strafrechtelijk is veroordeeld voor illegale handel in vuurwapens, hun onderdelen en essentiële componenten of munitie, of voor andere ernstige strafbare feiten;

74. verklaren een uitvoervergunning of meervoudige uitvoervergunning nietig, schorsen of wijzigen deze of trekken deze in wanneer de voorwaarden voor de afgifte ervan niet meer zijn vervuld.

75. Wanneer de lidstaten een uitvoervergunning of meervoudige uitvoervergunning weigeren af te geven, nietig verklaren, schorsen of intrekken, delen zij dat mee aan de bevoegde instanties van de andere lidstaten, samen met alle relevante informatie. Ingeval de bevoegde instanties van een lidstaat een uitvoervergunning hebben geschorst, wordt aan het eind van de schorsingsperiode de definitieve beoordeling aan de lidstaten meegedeeld.

76. Alvorens de bevoegde instanties van een lidstaat, zich baserend op deze verordening, een uitvoervergunning of meervoudige uitvoervergunning afgeven, gaan zij aan de hand van alle weigeringen op grond van deze verordening die hun zijn meegedeeld na of een vergunning door de bevoegde instanties van een andere lidstaat of lidstaten is geweigerd voor een wezenlijk identieke transactie (waarmee wordt bedoeld een product met wezenlijk identieke parameters of technische kenmerken met dezelfde invoerder of ontvanger). Zij plegen eerst overleg met de bevoegde instanties van de lidstaat of lidstaten die vergunning(en) hebben geweigerd, als bedoeld in de leden 1 en 2. Indien de bevoegde instanties van de lidstaat na dit overleg besluiten een vergunning te verlenen, stellen zij de bevoegde instanties van de andere lidstaten daarvan in kennis en verstrekken zij daarbij alle relevante informatie om het besluit toe te lichten.

77. Bij informatie die op grond van dit artikel wordt uitgewisseld, wordt het bepaalde in artikel 17, lid 2, betreffende de vertrouwelijkheid van dergelijke informatie in acht genomen.

Artikel 10

Overeenkomstig hun nationale wetgeving of de heersende praktijk bewaren de lidstaten - gedurende ten minste twintig jaar - alle gegevens met betrekking tot vuurwapens en, waar passend en praktisch uitvoerbaar, hun onderdelen en essentiële componenten en munitie, welke nodig zijn om die vuurwapens, hun onderdelen en essentiële componenten en munitie, te traceren en te identificeren en om illegale handel in die producten te voorkomen en op te sporen. Die gegevens omvatten de plaats en datum van afgifte van de uitvoervergunning; de vervaldatum ervan; het land van uitvoer; het land van invoer; in voorkomend geval het derde land van doorvoer; de ontvanger; de uiteindelijke ontvanger voor zover bekend op het ogenblik van de uitvoer; en de omschrijving van de voorwerpen met vermelding van de hoeveelheid en de aangebrachte markering.

Dit artikel is niet van toepassing op de tijdelijke uitvoer door jagers en sportschutters, bedoeld in artikel 7.

Artikel 11

78. De lidstaten mogen het derde land van invoer om een ontvangstbevestiging vragen voor de verzonden zending vuurwapens, hun onderdelen, essentiële componenten of munitie.

79. Op verzoek bevestigen de lidstaten aan het derde land van uitvoer de ontvangst in het douanegebeid van de Unie van de verzonden zending vuurwapens, hun onderdelen, essentiële componenten of munitie. Die bevestiging gebeurt in beginsel door de douane-invoerdocumenten over te leggen.

De eerste alinea is alleen van toepassing wanneer het verzoekende derde land op het ogenblik van de uitvoer naar de Unie reeds partij was bij het VN-protocol inzake vuurwapens.

80. De lidstaten leven de leden 1 en 2 na overeenkomstig hun nationale wetgeving en de heersende praktijk. Wat in het bijzonder uitvoer naar derde landen betreft, kan de bevoegde instantie van de lidstaat beslissen hetzij zich tot de exporteur te richten hetzij rechtstreeks contact op te nemen met het derde land van invoer.

Artikel 12

De lidstaten nemen, voor zover mogelijk, de nodige maatregelen om te garanderen dat de procedures voor vergunningverlening veilig zijn en dat de echtheid van vergunningsdocumenten kan worden geverifieerd of gevalideerd.

Verificatie en validering kunnen in voorkomend geval ook via diplomatieke weg gebeuren.

Artikel 13

Om de correcte toepassing van deze verordening te waarborgen, nemen de lidstaten alle noodzakelijke en evenredige maatregelen om hun bevoegde instanties in staat te stellen:

81. gegevens te verzamelen over elke, met vuurwapens, hun onderdelen, essentiële componenten en munitie verband houdende bestelling of transactie;

82. na te gaan of de uitvoercontrolemaatregelen op de juiste wijze worden toegepast, hetgeen met name de bevoegdheid kan omvatten tot betreding van de bedrijfsruimten van de bij een uitvoertransactie belang hebbende personen.

Artikel 14

De lidstaten stellen de voorschriften vast met betrekking tot de sancties die van toepassing zijn op inbreuken op deze verordening en nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze worden toegepast. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

HOOFDSTUK III

DOUANEREGELING

Artikel 15

83. Bij het vervullen van de formaliteiten voor de uitvoer van vuurwapens, hun onderdelen, essentiële componenten en munitie bij het voor de behandeling van de aangifte ten uitvoer bevoegde douanekantoor levert de exporteur het bewijs dat voor de uitvoer naar behoren een vergunning is verleend.

84. Van de exporteur kan van de als bewijs verstrekte bescheiden een vertaling worden verlangd in een officiële taal van de lidstaat waar de aangifte wordt overgelegd.

85. Onverminderd de bevoegdheden die hem uit hoofde en met inachtneming van Verordening (EEG) nr. 2913/92 zijn verleend, kan een lidstaat voor een periode van ten hoogste tien werkdagen de uitvoer vanaf zijn grondgebied van vuurwapens, hun onderdelen, essentiële componenten en munitie waarvoor een geldige uitvoervergunning werd afgegeven, schorsen of, indien nodig, op andere wijze verhinderen dat deze producten de Unie via zijn grondgebied verlaten, indien hij een gegrond vermoeden heeft dat:

86. bij de vergunningverlening geen rekening is gehouden met relevante gegevens, of

87. sedert de vergunningverlening de omstandigheden wezenlijk zijn veranderd.

88. Binnen de in lid 3 vermelde periode geeft de lidstaat de vuurwapens, hun onderdelen, essentiële componenten of munitie vrij of neemt hij maatregelen overeenkomstig artikel 9, lid 1, onder b), van deze verordening.

Artikel 16

89. De lidstaten kunnen bepalen dat douaneformaliteiten voor de uitvoer van vuurwapens, hun onderdelen, essentiële componenten of munitie slechts bij daartoe bevoegd verklaarde douanekantoren mogen worden vervuld.

90. Wanneer zij gebruik maken van de in lid 1 geboden mogelijkheid, delen de lidstaten de Commissie mede welke douanekantoren aldus bevoegd zijn verklaard alsook alle eventuele wijzigingen daarvan. De Commissie maakt deze informatie bekend in de C-reeks van het Publicatieblad van de Europese Unie en werkt deze jaarlijks bij.

HOOFDSTUK IV

ADMINISTRATIEVE SAMENWERKING

Artikel 17

91. In samenwerking met de Commissie nemen de lidstaten alle dienstige maatregelen om een rechtstreekse samenwerking en uitwisseling van informatie tussen de bevoegde instanties tot stand te brengen, teneinde de doelmatigheid van de in deze verordening vastgestelde maatregelen te verbeteren. Deze informatie kan het volgende omvatten:

92. nadere gegevens over exporteurs van wie de vergunningsaanvraag is afgewezen of van exporteurs die het voorwerp zijn geweest van beslissingen van lidstaten in de zin van artikel 9;

93. gegevens over ontvangers of andere actoren die bij verdachte activiteiten zijn betrokken en, voor zover deze beschikbaar zijn, gevolgde routes.

94. Zonder afbreuk te doen aan artikel 18 van deze verordening, is Verordening (EG) nr. 515/97 van de Raad van 13 maart 1997[24] van overeenkomstige toepassing, en met name de bepalingen van die verordening over het vertrouwelijk karakter van gegevens.

HOOFDSTUK V

ALGEMENE EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 18

95. Er wordt een coördinatiegroep uitvoer vuurwapens ingesteld waarvan het voorzitterschap door een vertegenwoordiger van de Commissie wordt bekleed. Elke lidstaat wijst in deze groep een vertegenwoordiger aan.

De coördinatiegroep uitvoer vuurwapens heeft tot taak elk vraagstuk in verband met de toepassing van deze verordening te onderzoeken, dat door de voorzitter of door een vertegenwoordiger van een lidstaat aan de orde wordt gesteld. Zij is gebonden aan de vertrouwelijkheidsregels van Verordening (EG) nr. 515/97 van de Raad.

96. De voorzitter van de coördinatiegroep uitvoer vuurwapens of de coördinatiegroep zelf raadpleegt telkens wanneer dat nodig wordt geacht de bij deze verordening betrokken relevante belanghebbenden.

Artikel 19

97. Elke lidstaat stelt de Commissie in kennis van de voor de uitvoering van deze verordening vastgestelde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, met inbegrip van de in artikel 14 bedoelde maatregelen.

98. Vóór de inwerkingtreding van deze verordening deelt elke lidstaat de andere lidstaten en de Commissie mee welke nationale instanties bevoegd zijn voor de uitvoering van de artikelen 5, 7, 9 en 15. Op basis van de door de lidstaten verstrekte inlichtingen maakt de Commissie een lijst van deze instanties bekend in de C-reeks van het Publicatieblad van de Europese Unie en werkt zij deze jaarlijks bij.

99. Om de vijf jaar beoordeelt de Commissie de tenuitvoerlegging van deze verordening en legt zij het Europees Parlement en de Raad een verslag voor over de toepassing ervan, waarin voorstellen tot wijziging ervan kunnen worden opgenomen. De lidstaten verstrekken de Commissie alle dienstige informatie die zij voor de opstelling van dit verslag behoeft.

Artikel 20

Deze verordening treedt in werking op de honderdtwintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie .

Artikel 10, lid 2, van deze verordening is van toepassing vanaf de dag waarop de Europese Unie partij wordt bij het VN-protocol inzake vuurwapens na de sluiting ervan overeenkomstig artikel 218 van het Verdrag.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

BIJLAGE [25]

Lijst van vuurwapens, hun onderdelen en essentiële componenten en munitie, zoals bedoeld in artikel 2, lid 1, en artikel 4, lid 1:

Code van de gecombineerde nomenclatuur en beschrijving

GN-code | Beschrijving |

A: Vuurwapens |

9302 00 00 | Revolvers en pistolen, andere dan bedoeld bij de posten 9303 en 9304 |

9303 | Andere vuurwapens, bijvoorbeeld geweren en karabijnen voor het jagen |

9303 20 | Andere geweren en karabijnen, voor het jagen of voor de schietsport, voorzien van ten minste een gladde loop: |

9303 20 10 | - met een gladde loop |

9303 20 95 | - andere |

9303 30 00 | andere geweren en karabijnen, voor het jagen of voor de schietsport |

9303 90 00 | andere |

9304 00 00 | Andere wapens (bij voorbeeld geweren, karabijnen en pistolen, werkend met veer, perslucht of gas) |

B: Onderdelen en essentiële componenten |

9305 | Delen en toebehoren van de artikelen bedoeld bij de posten 9302 tot en met 9304: |

9305 10 00 | - van revolvers of van pistolen |

- van geweren of van karabijnen, bedoeld bij post 9303: |

9305 21 00 | – – gladde lopen |

9305 29 00 | – – andere |

9305 99 00 | – andere |

C: Munitie |

9306 | Patronen en andere munitie en projectielen, alsmede delen daarvan, hagel daaronder begrepen |

– patronen voor geweren of voor karabijnen met gladde loop, alsmede delen daarvan: |

9306 21 00 | – – patronen |

9306 29 | – – andere: |

9306 29 40 | – – – hulzen |

9306 29 70 | – – – andere |

9306 30 | – andere patronen en delen daarvan: |

9306 30 10 | – – voor revolvers en pistolen, bedoeld bij post 9302 |

– – – andere: |

9306 30 91 | – – – – patronen met centrale ontsteking |

9306 30 93 | – – – – patronen met randvuurontsteking |

9306 30 97 | – – – – andere |

9306 90 | – andere: |

9306 90 90 | – – andere |

[1] http://treaties.un.org/Pages/ViewDetails.aspx?src=TREATY&mtdsg_no=XVIII-12-c&chapter=18&lang=en

[2] Wanneer naar de ‘Europese Gemeenschap’ wordt verwezen, dient de lezer er rekening mee te houden dat de Europese Unie krachtens artikel 1, derde alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie op 1 december 2009, datum van inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon, in de plaats is getreden van de Europese Gemeenschap, waarvan zij de rechtsopvolgster is (PB C 115 van 9 mei 2008, blz. 13).

[3] COM(2005) 329 definitief.

[4] Tot die werkzaamheden behoorde het bijwerken van Richtlijn 91/477/EEG inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens in de EU, zoals gewijzigd bij Richtlijn 2008/51/EG, waarin andere onderdelen van het UNFP vanuit het oogpunt van de interne markt worden behandeld.

[5] Besluit van de Raad 2001/748/EG van 16 oktober 2001 (PB L 280 van 24 oktober 2001).

[6] PB C 198 van 12.8.2005, punt 4.2, Internationale rechtsorde (o), blz. 20.

[7] Document nr. 17024/09 van de Raad van de EU, CO EUR-PREP 3 JAI 896 POLGEN 229 van 2 december 2009.

[8] PB C 115 van 9 mei 2008, blz. 47.

[9] Vanuit het oogpunt van de interne markt is Richtlijn 91/477 van toepassing op overbrenging binnen de EU (zie ook voetnoot 4).

[10] PB L 134 van 29.5.2009, blz. 1.

[11] PB L 280 van 24.10.2001, blz. 5.

[12] Overeenkomstig artikel 1, derde alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (PB C 115 van 9.5.2008, blz. 13) is de Unie op 1 december 2009, datum van de inwerkingtreding van dat Verdrag, in de plaats getreden van de Europese Gemeenschap.

[13] PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31.

[14] PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1.

[15] COM(2005) 329 definitief. In die mededeling werd ook een technische wijziging van Richtlijn 91/477 aangekondigd om de door het protocol vereiste bepalingen op te nemen ten aanzien van de intracommunautaire overbrenging van wapens waarop de richtlijn betrekking heeft. De richtlijn werd uiteindelijk gewijzigd bij Richtlijn 2008/51/EG (PB L 179 van 8.7.2008, blz. 5) .

[16] PB L 146 van 10.6.2009, blz..

[17] PB L 256 van 13.9.1991, blz. 51.

[18] PB L 256 van 7.9.1987, blz. 1.

[19] PB L 302 van 19.10.1992, blz. 1.

[20] PB L 253 van 11.10.1993, blz. 1.

[21] PB L 145 van 4.6.2008, blz. 1.

[22] PB L 134 van 29.5.2009, blz. 1.

[23] PB L 335 van 13.12.2008, blz. 99.

[24] PB L 82 van 22.3.1997, blz. 1.

[25] Gebaseerd op de gecombineerde nomenclatuur van goederen als vastgesteld bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief.