52010PC0165

Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 6, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie betreffende het standpunt van de Raad in eerste lezing inzake de vaststelling van het gewijzigde voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de energieprestaties van gebouwen (herschikking) /* COM/2010/0165 def. - COD 2008/0223 */


[pic] | EUROPESE COMMISSIE |

Brussel, 15.4.2010

COM(2010)165 definitief

2008/0223 (COD)

MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT overeenkomstig artikel 294, lid 6, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie betreffende het

standpunt van de Raad in eerste lezing inzake de vaststelling van het gewijzigde voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de energieprestaties van gebouwen (herschikking)

2008/0223 (COD)

MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT overeenkomstig artikel 294, lid 6, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie betreffende het

standpunt van de Raad in eerste lezing inzake de vaststelling van het gewijzigde voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de energieprestaties van gebouwen (herschikking)

1. ACHTERGROND

Toezending van het voorstel aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2008) 0780 – COD/2008/0223): | 13 november 2008 |

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité: | 13 mei 2009 |

Advies van het Comité van de Regio’s: | 24 april 2009 |

Advies van het Europees Parlement in eerste lezing: | 23 april 2009 |

Vaststelling van het standpunt van de Raad in eerste lezing: | 14 april 2010 |

2. DOEL VAN HET VOORSTEL VAN DE COMMISSIE

De herschikking van Richtlijn 2002/91/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 betreffende de energieprestatie van gebouwen ("REPG") heeft tot doel sommige bepalingen te verduidelijken en te vereenvoudigen, het toepassingsgebied van de richtlijn uit te breiden, sommige bepalingen te versterken zodat hun impact effectiever wordt, en een leidende rol toe te kennen aan de openbare sector. De doelstellingen en beginselen van de huidige richtlijn blijven behouden en het is nog steeds aan de lidstaten om de concrete energieprestatienormen vast te stellen.

3. OPMERKINGEN OVER HET STANDPUNT VAN DE RAAD IN EERSTE LEZING

3.1. Algemene opmerkingen over het gemeenschappelijk standpunt

De tekst van het gemeenschappelijk standpunt strookt in essentie en in grote mate met het Commissievoorstel en kan derhalve worden ondersteund.

3.2. Overeenkomst betreffende het standpunt van de Raad in eerste lezing

Het standpunt waarover de Raad overeenstemming heeft bereikt is het resultaat van interinstitutioneel overleg in twee fasen. De eerste fase had betrekking op de technische inhoud van het voorstel en de tweede op de aanpassing van het voorstel aan het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie wat de gedelegeerde handelingen, de uitvoeringsbesluiten (artikel 290 en 291 VWEU) en de rechtsgrondslag betreft.

Wat de technische inhoud betreft heeft de voorzitter van de ITRE-commissie, de heer Herbert Reul, op 30 november 2009 de instemming van het Parlement bevestigd met de tekst, als overeengekomen op het definitieve driepartijenoverleg van 17 november 2009, die vervolgens op 20 november 2009 is bekrachtigd door het Coreper.

Wat de aanpassing aan het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie betreft, is het bereikte compromis op 24 maart 2010 bekrachtigd door het Coreper en op 25 maart 2010 bevestigd door de heer Reul, voorzitter van de ITRE-commissie. Het standpunt waarover de Raad overeenstemming heeft bereikt is op 14 april 2010 formeel bij schriftelijke procedure vastgesteld.

De voornaamste in de onderhandelingen besproken thema's waarover overeenstemming is bereikt, waren:

Verandering van rechtsgrondslag (preambule): gezien de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon hebben de Raad en het Parlement ermee ingestemd om als rechtsgrondslag voortaan artikel 194, lid 2, van het VWEU te nemen. Er is een alinea toegevoegd aan artikel 1 waarin wordt onderstreept dat bij de richtlijn minimumeisen worden vastgesteld, maar dat de lidstaten stringentere maatregelen kunnen handhaven of invoeren. De Commissie kan instemmen met deze wijzigingen die geen inbreuk vormen op de van toepassing zijnde besluitvormingsprocedure.

Bepalingen betreffende gedelegeerde handelingen en uitvoeringsbesluiten (artikel 22 t/m 26): bij de richtlijn worden bevoegdheden gedelegeerd aan de Commissie om het kader voor de vergelijkende berekening als bedoeld in artikel 5 vast te stellen (tot 30 juni 2011) en aan te passen aan de technische vooruitgang (de punten 3 en 4 van bijlage I), dit voor een periode van 5 jaar - automatisch te hernieuwen - na de inwerkingtreding van de richtlijn. Het Parlement en de Raad kunnen deze gedelegeerde bevoegdheid op elk moment intrekken en kunnen binnen een termijn van 2 maanden na kennisgeving bezwaar aantekenen tegen een gedelegeerde handeling, met mogelijkheid tot verlenging van deze termijn met een extra periode van 2 maanden. Op verzoek van het Parlement is een verklaring van de Commissie toegevoegd inzake de kennisgeving van gedelegeerde handelingen gedurende de periodes van reces van de instellingen, samen met een gemeenschappelijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie die inhoudt dat de bepalingen van deze richtlijn geen precedent vormen wat hun standpunt over gedelegeerde handelingen betreft ( zie bijlage I ).

De Commissie wordt tevens verzocht om overeenkomstig de adviesprocedure van artikel 3 van Besluit 1999/468/EG een uitvoeringsbesluit vast te stellen teneinde een gemeenschappelijk certificatiestelsel op te zetten inzake de energieprestaties van niet-residentiële gebouwen (artikel 10, lid 9).

Kostenoptimale niveaus van de minimumeisen inzake energieprestaties en vergelijkende methodologie (artikel 5 en bijlage III) : de Commissie zal een vergelijkende methodologie ontwikkelen voor de berekening van de kostenoptimale niveaus qua energieprestaties voor gebouwen. De lidstaten zullen opheldering geven bij belangrijke leemten en stellen vervolgens een plan op waarin de passende stappen voorwaarts worden uiteengezet.

Bestaande gebouwen (artikel 7): deze bepaling is versterkt met de eis dat alle bestaande gebouwen die ingrijpend worden gerenoveerd, voldoen aan de energieprestatie-eisen en dat er tevens energieprestatie-eisen worden vastgesteld voor elementen van gebouwen.

Technische bouwsystemen (artikel 8) : krachtens een nieuwe bepaling moeten er energieprestatie-eisen worden vastgelegd voor de technische bouwsystemen (bv. verwarming, warm water en klimaatregeling).

Gebouwen met lage of geen kooldioxide-uitstoot (artikel 9): er is een consensus bereikt over de definitie van 'gebouwen met lage of geen kooldioxide-uitstoot' en over de noodzaak om hun aantal te doen toenemen. De lidstaten waarborgen dat tegen 31.12.2018 nieuwe gebouwen waarin overheidsdiensten worden gevestigd of die in hun bezit zijn, en tegen 31.12.2020 andere nieuwe gebouwen, 'een lage of geen kooldioxide-uitstoot' hebben.

Financiële stimulansen en marktbelemmeringen (artikel 10): dit nieuwe artikel is toegevoegd om het belang van adequate financiering te beklemtonen. De lidstaten stellen een lijst op van bestaande en voorgestelde maatregelen en de Commissie maakt een beoordeling van de beschikbare financiële middelen. In een verklaring van de Commissie betreffende de financiering ten behoeve van energie-efficiëntie in gebouwen wordt haar rol belicht bij de steun voor het gebruik van financiële instrumenten voor het bereiken van een energie-efficiënte Europese bouwsector met lage koolstofuitstoot ( zie bijlage II ).

Energieprestatiecertificaten (artikel 11 t/m 13): deze bepaling is versterkt door een verbetering van de inhoud van deze certificaten, door een versterking van de verplichting dit certificaat te tonen bij gebouwen voor openbare diensten en door te eisen dat de energieprestatie-indicator van het certificaat wordt vermeld in advertenties voor de verkoop van het gebouw of delen daarvan.

Inspectie van verwarmings- en klimaatregelingssystemen (artikel 14 t/m 16) en onafhankelijke deskundigen en controlesystemen (artikel 18 en bijlage II): de grotere flexibilteit voor de lidstaten wat de inspectie van klimaatregelingssystemen betreft, is gekoppeld aan de eis van onafhankelijke controlesystemen voor certificaten en rapporten betreffende de inspectie van verwarmings- en klimaatregelinssystemen.

Evaluatiebepaling (artikel 19): de herzieningsclausule is specifieker gemaakt door de toevoeging van een datum voor de evaluatie van de richtlijn (1.1.2017).

Omzetting (artikel 28): de vaststelling van de omzettingsmaatregelen door de lidstaten is gewijzigd tot 'twee jaar na de inwerkingtreding' van de richtlijn. de datum van toepassing van de nationale maatregelen voor de omzetting van de meeste bepalingen van de richtlijn is nu 'twee jaar en zes maanden' en 'drie jaar' na de inwerkingtreding van de richtlijn. Er wordt extra tijd verleend (tot 31.12.2015) voor de toepassing van artikel 11, lid 1en lid 2, op afzonderlijke verhuurde eenheden.

4. CONCLUSIE

Het gemeenschappelijk standpunt beantwoordt aan de doelstellingen van het oorspronkelijke Commissievoorstel. De Commissie stemt dan ook in met de tekst.

Bijlage I

Verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie

betreffende artikel 290 van het VWEU:

"Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie verklaren dat de bepalingen van deze richtlijn geen afbreuk doen aan enig toekomstig standpunt van de instellingen wat de tenuitvoerlegging betreft van artikel 290 van het VWEU of van afzonderlijke wetgevingshandelingen die dergelijke bepalingen bevatten."

Verklaring van de Commissie

"De Europese Commissie neemt er akte van dat, met uitzondering van de gevallen waarin de wetgevingshandeling voorziet in een urgentieprocedure, het Europees Parlement en de Raad ervan uitgaan dat bij de kennisgeving met betrekking tot gedelegeerde handelingen rekening wordt gehouden met de periodes van reces van de instellingen (winter, zomer en Europese verkiezingen) teneinde te waarborgen dat het Europees Parlement en de Raad in staat zijn hun prerogatieven uit te oefenen binnen de termijnen die zijn vastgesteld in de desbetreffende wetgevingshandelingen, en zij is bereid om dienovereenkomstig te handelen."

Bijlage II

Ontwerpverklaring van de Commissie over de financiering van energie-efficiëntie in gebouwen

"De Commissie benadrukt de cruciale rol die financieringsinstrumenten spelen in een succesvolle omvorming van de Europese bouwsector naar een energie-efficiënte en koolstofarme sector. De Commissie zal de lidstaten blijven aansporen om uitgebreid gebruik te maken van de financiële middelen die beschikbaar zijn in het kader van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (momenteel kan tot 4% van de totale nationale bedragen van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, wat neerkomt op 8 miljard euro, worden gebruikt voor het verbeteren van de energie-efficiëntie en het gebruik van hernieuwbare energie in de woningbouwsector, bovenop de onbeperkte financiële steun die al beschikbaar is voor duurzame energie in openbare en commerciële/industriële gebouwen) en zal de lidstaten helpen om beter gebruik te maken van alle beschikbare fondsen en financiële middelen die een hefboomfunctie kunnen vervullen bij het stimuleren van investeringen in energie-efficiëntie.

Bovendien zal de Commissie nagaan of het mogelijk is alle bestaande initiatieven verder te ontwikkelen, zoals het initiatief "intelligente steden"[1] of het gebruik van de begroting van het programma "Intelligente Energie – Europa II", bijvoorbeeld voor de verspreiding van kennis en het leveren van technische bijstand inzake de oprichting van een nationaal revolverend fonds.

Voorts zal de Commissie een overzicht en een beoordeling opstellen van de financieringsmechanismen die momenteel in de lidstaten bestaan en rekening houden met de bevindingen van die beoordeling in haar pogingen om beste praktijken in de hele EU te verspreiden.

Ten slotte zal de Commissie, op grond van de analyse waarnaar wordt verwezen in artikel [9 bis, lid 4] van Richtlijn [2010/XXX/EG], nadenken over mogelijke toekomstige ontwikkelingen van financiële stimulansen (onder meer met betrekking tot de communautaire instrumenten waarnaar, met het oog hierop, wordt verwezen in artikel 9 bis, lid 4, onder a)) en het optimale gebruik daarvan voor investeringen ter verbetering van de energie-efficiëntie van gebouwen.

[1] SET-Plan, COM(2009) 519.