|
20.10.2011 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 308/30 |
Dinsdag 7 september 2010
Financiering en werking van het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering
P7_TA(2010)0303
Resolutie van het Europees Parlement van 7 september 2010 inzake de financiering en de werking van het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (2010/2072(INI))
2011/C 308 E/05
Het Europees Parlement,
gelet op het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer (1) (IIA van 17 mei 2006), en met name punt 28 hiervan,
gezien Verordening (EG) nr. 1927/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot oprichting van een Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (2) (EFG-verordening),
gezien Verordening (EG) nr. 546/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1927/2006 tot oprichting van een Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (3),
onder verwijzing naar zijn resoluties over de voorstellen voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering, overeenkomstig punt 28 van het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer, goedgekeurd na 23 oktober 2007 (4),
gezien de mededelingen van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 2 juli 2008 (COM(2008)0421) en 28 juli 2009 (COM(2009)0394) over de activiteiten van het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering in 2007 en 2008,
gelet op artikel 48 van zijn Reglement,
gezien het verslag van de Begrotingscommissie en de adviezen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie economische en monetaire zaken (A7-0236/2010),
|
A. |
overwegende dat de Europese Unie, om het hoofd te bieden aan de negatieve gevolgen van de globalisering voor de werknemers die het slachtoffer zijn van collectief ontslag en om zijn solidariteit te betuigen met die werknemers en te zorgen dat zij werk vinden, een Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (hierna EFG) heeft ingesteld met als doel financiële steun te verlenen aan geïndividualiseerde programma's voor herintegratie in het beroepsleven; overwegende dat voor het EFG een jaarlijks krediet van maximaal 500 miljoen EUR wordt uitgetrokken, afkomstig van de marge onder het totale uitgavenmaximum van het voorgaande jaar of van geannuleerde vastleggingskredieten van de voorgaande twee jaren, met uitzondering van de kredieten voor rubriek 1b van het financiële kader; overwegende dat het EFG is ingesteld als flexibel instrument voor eenmalige steun dat is bedoeld om sneller en doelmatiger te reageren op buitengewone en urgente omstandigheden waarin massaontslagen plaatsvinden in een lidstaat, |
|
B. |
overwegende dat de Europese Unie, om een antwoord te kunnen vinden op de toenemende werkloosheid als gevolg van de economische en financiële crisis en om lering te trekken uit de ervaringen van 2007 en 2008, in juni 2009 de regels voor het aanwenden van het EFG heeft aangepast; dat deze aanpassing alle vóór 31 december 2011 in te dienen aanvragen betrof en bestond uit een uitbreiding van de werkingssfeer van het EFG, een versoepeling en precisering van de interventiecriteria, een verhoging van de cofinancieringspercentages en de verlenging van de periode waarin de lidstaten de financiële bijdrage uit het fonds kunnen besteden, |
|
C. |
overwegende dat bij de doorlichting van de kredieten die tussen 2007 en het eind van het eerste semester van 2009 uit het EFG zijn vrijgemaakt, is gebleken dat maar beperkt gebruik is gemaakt van de kredieten, daar van het totale in theorie beschikbare bedrag van 1,5 miljard EUR slechts 80 miljoen EUR vrijgemaakt is voor 18 steunaanvragen, ten gunste van 24 431 werknemers in 8 lidstaten voor een zeer beperkt aantal sectoren (met name de textiel- en de auto-industrie), waarbij verschillen bestonden tussen het niveau van de oorspronkelijk toegewezen bedragen en dat van de uiteindelijk uitbetaalde bedragen, waarbij 24,8 miljoen EUR a posteriori zijn terugbetaald wat de eerste 11 gevallen betreft, d.i. 39,4 % van de vrijgemaakte kredieten, |
|
D. |
overwegende dat het weliswaar nog niet mogelijk is de functionering van het EFG te beoordelen tegen de achtergrond van de herziene verordening, aangezien de na mei 2009 ingediende aanvragen nog wachten op een besluit of al in uitvoering zijn, maar dat niettemin nu al kan worden vastgesteld dat een groter beroep wordt gedaan op het EFG, wat bewijst dat de voorgestelde wijzigingen pertinent zijn; overwegende dat tussen mei 2009 en april 2010 het aantal aanvragen van 18 naar 46, het bedrag van de aangevraagde bijdragen van 80 naar 197 miljoen EUR en het aantal verzoekende lidstaten van 8 naar 18 is gestegen, en het aantal te steunen werknemers bijna is verdubbeld (36 712 werknemers meer) en dat veel meer economische sectoren zijn getroffen, |
|
E. |
overwegende evenwel dat 9 lidstaten nog geen beroep hebben gedaan op het EFG, dat de vrijgemaakte bedragen duidelijk onder het niveau van het jaarlijks maximaal beschikbare bedrag van 500 miljoen EUR liggen en dat het merendeel van de aanvragen betrekking heeft op regio's waarvan het BBP per inwoner hoger is dan het gemiddelde van het Europese Unie en het werkloosheidspercentage redelijk blijft, en dat hieruit kan worden geconcludeerd dat de verbeteringen in de oorspronkelijke verordening weliswaar ingrijpend waren maar weinig impact hebben gehad op het toenemend aantal collectieve ontslagen van de jongste jaren, |
|
F. |
overwegende dat het optrekken van de cofinancieringsdrempel van 50 % naar 65 % bij de herziening van juni 2009 een verklaring zou kunnen inhouden voor de toename van het aantal aanvragen, |
|
G. |
overwegende dat het geringe bestedingspercentage van het EFG in de armste regio's van de EU verband houdt hetzij met de verschillende nationale strategieën, hetzij met problemen bij het concretiseren van acties in afwachting van een besluit op Europees niveau, |
|
H. |
overwegende dat, in weerwil van de gemeenschappelijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie van 17 juli 2008, waarin werd gesteld dat de financiële steun van het EFG zo snel en zo doeltreffende mogelijk moet zijn, de duur van de procedure tussen het moment van het collectief ontslag en de datum waarop het EFG geactiveerd wordt ter ondersteuning van de maatregelen van de verzoekende lidstaat nog steeds 12 à 17 maanden bedraagt en dat deze tijdspanne deels ook het verschil tussen het aantal werknemers waarvoor steun uit het EFG is aangevraagd en het aantal dat effectief wordt geholpen verklaart, |
|
I. |
overwegende dat het ontwerp van interinstitutioneel akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over budgettaire samenwerking (5) de procedure voor het activeren van het EFG slechts marginaal wijzigt, in die zin dat de triloogprocedure facultatief wordt, overeenkomstig de praxis, en dat deze wijziging geen remedie biedt voor de zware en trage procedure, |
|
J. |
overwegende dat, volgens het interimverslag van de Commissie over de werking van het Interinstitutioneel Akkoord (6), het feit dat er een specifiek besluit van de twee takken van de begrotingsautoriteit nodig is om het EFG te activeren geen belemmering mag zijn om vaart te zetten achter besluiten over het beschikbaar stellen van steun uit het EFG, |
|
K. |
overwegende dat nog geen betrouwbare en consistente gegevens over de tenuitvoerlegging van het EFG sinds de wijziging ervan na 2009 beschikbaar zijn en ervan overtuigd dat transparantie en regelmatig uitbrengen van verslag verplicht gesteld moeten worden, |
|
L. |
overwegende dat de 27 besluiten die tussen 2007 en april 2010 zijn genomen stuk voor stuk positief waren en, wat het bedrag betreft, overeenstemden met de voorstellen van de Commissie, |
|
M. |
overwegende dat de globalisering geen tijdelijk verschijnsel is en dat de gevolgen van de economische crisis voor de werkgelegenheid ook na 2013 voelbaar zullen zijn en dat bijgevolg de stijgende trend van het aantal aanvragen om steun uit het EFG eveneens naar alle waarschijnlijkheid zal aanhouden, maar dat het fonds niet bedoeld is als substituut voor een gebrek aan innovatie, |
|
1. |
is van mening dat de toegevoegde waarde van het EFG als instrument van het sociaal beleid van de Europese Unie ligt in het zichtbare, specifieke, eenmalige en tijdelijke karakter van zijn financiële steun aan gepersonaliseerde programma's voor omscholing en herintegratie in het beroepsleven van werknemers die het slachtoffer zijn van collectief ontslag in sectoren of regio's die door een ernstige economische en sociale crisis worden getroffen; |
|
2. |
is van mening dat de stijging van het aantal verzoeken om steun uit het EFG en de problemen met de activerings- en uitvoeringsprocedure snelle wijzigingen in de procedurele en budgettaire bepalingen vereisen; wijst erop dat de Commissie de voorlichting over en de zichtbaarheid van het EFG in de lidstaten en bij de mogelijke begunstigden van het Fonds moet verbeteren; verzoekt daarom de Commissie de indiening van haar interim-verslag te vervroegen naar 30 juni 2011 en er een voorstel tot herziening van de EFG-verordening aan te koppelen zodat nog voor het eind van het huidig meerjarig financieel kader (MFK), de meest in het oog springende gebreken van het Fonds kunnen worden verholpen; |
|
3. |
verzoekt de Commissie in haar tussentijdse herziening de toegekende bijdragen te toetsen aan de volgende kwalitatieve criteria:
|
|
4. |
verzoekt de Commissie in haar tussentijdse herziening de toegekende bijdragen uit een begrotingsstandpunt te toetsen en in haar bevindingen met name te verwijzen naar:
|
|
5. |
is van oordeel dat bij de herziening van de verordening rekening moet worden gehouden met de bevindingen die de evaluatie van de functionering van het EFG heeft opgeleverd alsook met de opgedane ervaring, en dat ook de maatregelen die de duur van de activeringsprocedure van het fonds substantieel kunnen inkorten, erin moeten worden verwerkt; |
|
6. |
verzoekt de Commissie met een voorstel te komen om aan de ESF-verordening de verplichting voor de lidstaten toe te voegen de participatie van een werknemersvereniging bij de implementatiefase van de EGF-verordening te ondersteunen; verzoekt de Commissie uitwisselingen van ervaringen en positieve praktijken inzake de participatie van werknemers bij de implementatie van het EGF te organiseren, zodat werknemers in bestaande en nieuwe gevallen kunnen profiteren van de ervaringen die in voorgaande gevallen zijn opgedaan; |
|
7. |
onderstreept dat de tijdspanne die nodig is om het EFG te activeren met de helft kan worden ingekort, als de volgende maatregelen voorbereid en vastgesteld worden:
|
|
8. |
dringt er bij de Commissie op aan de lidstaten een aantal richtsnoeren te geven voor de opmaak en uitvoering van de aanvragen voor EGF-middelen, met als doel een snelle aanvraagprocedure en een brede consensus onder de belanghebbenden over de te volgen strategie en de te nemen maatregelen voor een effectieve herintegratie van de werknemers in de arbeidsmarkt; doet een beroep op de lidstaten de procedure te bespoedigen door voorfinanciering van maatregelen die vanaf de datum van aanvraag moeten ingaan om aldus ten behoeve van de betrokken werknemers een maximaal gebruik te maken van de uitvoeringsperiode van het EGF; |
|
9. |
herinnert de lidstaten eraan dat zij verplicht zijn enerzijds de sociale partners van meet af aan bij de voorbereiding van de aanvragen te betrekken in overeenstemming met artikel 5 van de EGF-verordening, en anderzijds te voldoen aan artikel 9 van deze verordening, volgens welk de lidstaat informatie geeft over en bekendheid aan de gefinancierde acties en deze informatie ook tot de betrokken werknemers, de lokale en regionale autoriteiten, de sociale partners, de media en het grote publiek moet zijn gericht, alsmede procedures te standaardiseren; vraagt de lidstaten ervoor te zorgen dat ondernemingsraden worden ingeschakeld nog voordat een programma van start gaat, om te garanderen dat de sociale partners een werkelijke bijdrage leveren aan het opstellen van omschakelingsplannen die beantwoorden aan de behoeften van de werknemers en niet aan die van de bedrijven; |
|
10. |
verzoekt de lidstaten op nationaal niveau een communicatie- en beheerstructuur van het EGF op te zetten, die in verbinding staat met alle betrokkenen, in het bijzonder de sociale partners, en positieve praktijkervaringen op Europees niveau uit te wisselen, waardoor het fonds snel en doeltreffend in werking kan treden als er massaontslagen vallen; |
|
11. |
herinnert eraan dat volgens Verordening (EG) nr. 1927/2006 verschillende landen gezamenlijk een steunaanvraag bij het EGF kunnen indienen wanneer getroffen werknemers in een geografische regio of een bepaalde bedrijfstak niet beperkt zijn tot één lidstaat; |
|
12. |
is van oordeel dat, ter versnelling en vereenvoudiging van de procedures, gezorgd moet worden voor een doeltreffende coördinatie van Commissie en Parlement, zodat minder tijd nodig is voor de besluitvorming, zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de beoordeling van de aanvragen door de desbetreffende commissies van het Parlement, en dat:
|
|
13. |
is van mening dat, als de tot dan toe opgedane ervaring zulks rechtvaardigt, deze onmiddellijke maatregelen om de steunverleningsprocedure van het EFG te vereenvoudigen en te versoepelen, kunnen worden opgenomen in de herziene verordening; is van mening dat al deze maatregelen op geen enkele wijze afbreuk mogen doen aan de bevoegdheid van het Europees Parlement als tak van de begrotingsautoriteit bij besluiten over de beschikbaarstelling van steun uit het Fonds; |
|
14. |
is van mening dat het, naast deze verbeteringen van de procedure, ook noodzakelijk is de in 2009 ingestelde afwijking ten behoeve van de werknemers die hun baan kwijtraken door de economische en financiële crisis, te verlengen tot het eind van het huidige MFK, en het cofinancieringspercentage daarom te handhaven op 65 %, aangezien de factoren die aan de basis van de maatregel lagen nog steeds aanwezig zijn; |
|
15. |
stelt vast dat in de ontwerpbegroting 2011 van de Commissie voor het eerst betalingskredieten zijn opgenomen voor het EFG en beschouwt dit als een belangrijke stap in het algemene denken over het beheer en de zichtbaarheid van dit fonds; is evenwel van mening dat deze betalingskredieten wellicht niet zullen volstaan om de bedragen te dekken die nodig zijn om de EFG-aanvragen in 2011 in te willigen; herhaalt daarom zijn verzoek EFG-aanvragen niet uitsluitend te financieren door overschrijvingen uit ESF-lijnen en verzoekt de Commissie onverwijld verschillende begrotingslijnen aan te wijzen en voor dit doel te gebruiken; |
|
16. |
onderstreept dat de toekomst van het EFG bepaald zal worden in het kader van de onderhandelingen over het volgende MFK; is van oordeel dat hiervoor verscheidene opties onderzocht kunnen worden; is van mening dat bijzondere aandacht geschonken moet worden aan de mogelijke vorming van een onafhankelijk fonds met eigen vastleggingskredieten en betalingskredieten, en dringt er daarom bij de Commissie op aan voorstellen in te dienen voor de toewijzing van middelen aan een dergelijk fonds; meent dat bij een eventuele toekomstige herziening van het EFG, de flexibiliteit ervan gehandhaafd moet blijven, daar deze een voordeel vormt vergeleken bij de structuurfondsen; |
|
17. |
wijst erop dat het omvormen van de lopende EFG-maatregelen tot een permanent instrument voor ondersteuning van actieve arbeidsmarktmaatregelen een duidelijk signaal zou zijn van de politieke wil om werk te maken van een Europese sociale pijler, die het sociaal beleid van de lidstaten aanvult en de Europese aanpak op het vlak van de beroepsopleiding in een nieuwe richting zou kunnen stuwen; wijst er dan ook op dat het EFG onafhankelijk moet blijven van het ESF en de Europese programma's voor levenslang leren, aangezien het EFG erop gericht is de mogelijkheden van elke gesteunde werknemer te verbeteren en niet op het beantwoorden van de verwachtingen van het bedrijfsleven of het verlenen van horizontale diensten aan opleidingsinstituten; |
|
18. |
verzoekt de lidstaten met behulp van het EGF synergieën te creëren tussen het EGF, het ESF en microfinanciering, om een optimale en aan elk afzonderlijk geval aangepaste maatregel te vinden; |
|
19. |
spoort de lidstaten aan het EGF te gebruiken om Europese doelstellingen na te streven, nieuwe kwalificaties voor nieuwe, duurzame en groene banen van hoge kwaliteit in een bepaalde regio te bevorderen en ondernemerschap en levenslang leren te stimuleren, om de werknemers in staat te stellen hun persoonlijke loopbaan te volgen en bij te dragen aan het concurrentievermogen van de Unie in de context van de globalisering; |
|
20. |
verlangt van de Commissie dat zij een nauwkeuriger beeld verschaft van de steunverlening uit het EFG door haar jaarlijkse mededelingen inhoudelijk te verbeteren en door het Europees Parlement regelmatig informatie door te spelen over de stand van de financiële bijdragen van de lidstaten; |
|
21. |
verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie. |
(1) PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.
(2) PB L 406 van 30.12.2006, blz. 1.
(3) PB L 167 van 29.6.2009, blz. 26.
(4) Aangenomen teksten van 25.3.2010 (P7_TA(2010)0071 en P7_TA(2010)0070), 9.3.2010 (P7_TA(2010)0044, P7_TA(2010)0043 en P7_TA(2010)0042), 16.12.2009 (P7_TA(2009)0107), 25.11.2009 (P7_TA(2009)0087), 20.10.2009 (P7_TA(2009)0049), 15.9.2009 (PB C 224 E van 19.8.2010, blz. 46), 5.5.2009 (PB C 212 E van 5.8.2010, blz. 165), 18.11.2008, PB C 16 E van 22.1.2010, blz. 84, 21.10.2008, PB C 15 E van 21.1.2010, blz. 117, 10.4.2008, PB C 247 E van 15.10.2009, blz. 75, 12.12.2007, PB C 323 E van 18.12.2008, blz. 260 en 23.10.2007, PB C 263 E van 16.10.2008, blz. 155.
(5) COM(2010)0073 van 3 maart 2010.
(6) COM(2010)0185 van 27 april 2010.